De koning zei:
Tekst
1
Zeg me hoe Shârnga's Schutter toen
In een heldhaftig wapenfeit
Bhauma versloeg en 't vrouwvolk uit
Diens Kluisters door Hem werd bevrijd.
Shukadeva zei:
Tekst
2
Toen Indra 'M zei: "Hij heeft mijn troon
En parasol, die Bhaumâsur',
En ook mijn moeders oorbellen
Ontvreemd en met zich meegevoerd,"
Vloog Hij met Satyabhâmâ op
Garud' naar Prâgjyotishapur'.
Tekst
3
De stad had bergwallen en fort
Omringd door water, vuur en storm
En Mura's gruwelijke web
Van valstrikken, alom, enorm.
Bhauma,
zoon van Bhumi, Moeder Aarde, was een zwarte
magiër van de eerste orde. De
magiër Mura was zijn bondgenoot in het
kwaad, Vanwege zijn gevecht met Mura wordt
Krishna dikwijls Murâri, Mura's Vijand
genoemd.
Tekst
4
Zijn pijlen kliefden 't wapenfort,
Zijn knots beukte de wallen weg,
Zijn chakra spleet vuur, water, storm,
Zijn zwaard verwoestte 't strikkenweb.
Tekst
5
Met kinkhoornstoten blies Hari
Het krijgstuig in de burcht kapot
En brak Hij 't hart der dappersten
Geen muur bood weerstand aan Zijn knots.
Tekst
6
Alsof het gans' heelal verging,
Zo ging Govinda's hoorn tekeer
Toen - uit de watergordel - rees
Vijfkoppig Mur' op voor de Heer.
Tekst 7
Zijn drietand geheven, haast niet om aan te
zien,
Verblindend als 't zonnevuur tijdens 't
wereldeind,
Alsof in zijn muilen 't heelal verdwijnen
moest,
Zo viel Mura 'M aan als Garuda een serpent.
De
zonnestelsels worden vernietigd en
herschapen. Een van de fasen van zo'n
periodieke vernietiging is die van een
kosmische zonnebrand.
Tekst
8
Hij drilde zijn drietand en smeet hem naar
Garud'
En uit zijn vijf muilen stiet hij een dol
gebrul
Dat loeid' over d' aarde, door hemel en door hel
-
Ja 't ganse heelal werd er daav'rend door
vervuld.
Tekst
9
De Heer kliefde 't wapen dat aanvloog op
Garud',
Twee pijlen slechts afschietend, met geweld in
drie,
Waarna Hij 'm een hoos in zijn open muilen
schoot,
Waarop Mura woedend zijn knots wierp naar
Hari.
Tekst
10
De Heer sloeg de knots die daar aanjoeg over 't
veld,
Zijn eigen knots heffend, in splinters
duizendvoud
En toen Mura toeschoot, zijn armen in de
lucht,
Smeet Krishna 'm zijn koppen af met Zijn schijf
van goud.
Tekst
11
Onthoofd zonk het lijf van de demon in het
nat
Als was het een bergtop gekliefd door Indra's
kracht.
Zijn zoons, met hun zevenen, huilend om zijn
dood
En hunk'rend naar wraak, dromden samen voor de
slag.
Tekst
12
Met aanvoerder Pith' aan het hoofd stormd' over
't veld
Het zevental - Tâmr', Antariksh',
Vibhâvasu,
Aruna, Nabhàsvân, Vasu en Shravana
-
Door Bhaum' opgehitst met gevelde wapens
toe.
Tekst
13
Ze vlogen op d' Onoverwinnelijke af,
Bestookten Hem razend met schicht, lans, knots
en zwaard,
Maar Hij, d' Alvervulde, onfeilbaar in Zijn
macht,
Verkruimde hun wapens tot gruis zo fijn als
zaad.
Tekst
14
Met Pitha voorop zond Hij hen naar 't oord des
doods,
Beroofd van hun hoofd en kuras en been en arm
Toen Aarde's zoon Bhauma zijn leiders zag
ontzield
Door Keshava's wapentuig, stond hij diep
vergramd.
Tekst
15
Met slagtandkolossen geboren uit de zee,
Die dropen van mad', vloog hij toe op
Bhagavân,
Die met Zijn Geliefd' op hem toekwam op Garud'
-
Een wolk met zijn bliksemlicht schrijlings op de
zon -
En slingerde Krishna zijn honderddoder toe
Zijn machtige leger viel Hem als
één man aan.
Krishna's
huidskleur wordt vergeleken met het
blauwachtige grijs van een onweerswolk,
terwijl de tint van Zijn Gemalinnen
beschreven wordt als de gloed van gesmolten
goud of het licht van de bliksem; Garuda is
even stralend als de zon.
In een
commentaar op het Mahâbhârata
wordt de honderddoder (shataghni) beschreven
als een houten of stenen bal bezet met
ijzeren stekels, zoals Europa's middeleeuwse
goedendag.
Tekst
16
Met vlijmscherpe pijlen met fraai geveerde
schacht
Vernietigde Krishna heel Bhauma's legermacht
Geen hoofd, arm of been zat nog aan een lichaam
vast
Elk paard, elke slagtandkolos werd afgeslacht
Wanneer
Krishna een gebonden ziel van haar lichaam
berooft betekent dat voor haar op zijn minst
verlossing uit de kringloop van dood en
wedergeboorte.
Tekst
17
Welk wapen, wat voor schicht ook maar
Hem toegesmeten werd, o vorst,
Met slechts één scherpe pijl per
drie
Schoot Krishna 't oorlogstuig kapot
Tekst
18
Vanaf Garud', Zijn adelaar,
Welke met vleugelslagen sterk
Dikhuiden trof, die voortgejaagd
Door snavel, klauw en gouden vlerk
Tekst
19
Gekweld wegstampten naar de stad,
Terwijl, ziend dat zijn legermacht
Verpletterd werd, de demon Bhaum'
Als enige nog verder vocht.
Tekst
20
Bhaum' trof de vogel met de lans
Die Indra's schicht eens had gestuit:
't Deerde Garuda zoveel als
Een bloem een olifantehuid.
Tekst
21
Getergd greep Bhauma nu een spies:
D' Onfeilb're wachtte thans de dood!
Maar voordat vanaf d' olifant
Die hij bereed zijn wapen vlood
Werd door de werpschijf van Hari
Messcherp de zoon der Aard' onthoofd.
Tekst
22
Het hoofd lag met pronkhelm en oorbellen
getooid
En flonkerd' en gloeide van de juwelenglans:
"Ha, schitterend!" riepen de zieners
eensgezind
En 't godenvolk schonk d' Alvervulde krans op
krans.
Tekst
23
Daarop eerde d' Aarde met oorbellen van
goud,
Die straalden van d' edelste stenen, Sri
Hari,
Varun's parasol schonk ze 'M en Mandara's
top,
Een bosbloemenkrans en een vaijayanti.
De
berg Mandara is het woonoord van de god der
rijkdom; een vaijayanti is een krans geregen
van exquise bloemen en edelstenen.
Tekst
24
Daarop bracht de godin de Heer
Der goden van de kosmos eer:
Haar handen vouwend en haar hart
Vol liefde boog ze voor Hem neer.
Al
eerder trad Moeder Aarde in het Spel van
Krishna op, namelijk in de gedaante van een
koe, die de schepper vroeg de last van tal
van demonische legermachten van haar weg te
nemen (deel 1, vers 1.16-17).
De Aarde zei:
Tekst
25
U, Heer der oppergoden, eer,
Drager van kinkhoorn, knots en wiel,
Die Zich Uw bhakta's toont zoals
Z' U 't liefste zien, o Opperziel.
Tekst
26
Uw lotusnavel breng ik eer
En 'k eer Uw lotusbloemenkrans,
Uw lotusogen breng ik eer
En 'k eer Uw lotusvoetenglans.
Tekst
27
U, Alvervulde, zij all' eer,
O Vishnu, Vasudeva's Zoon,
Oorsprong van al, o Godspersoon,
In wie volkomen wijsheid woont.
Tekst
28
U, Geest vol eindeloze kracht,
O ongeboren Scheppingheer,
U, Ziel van groot en klein en ook
Van 't onbezielde, zij all' eer.
Tekst
29
Vol laaiende rajas doet Gij Uw
scheppingswerk,
Vol tamas verwoest Gij, vol sattva schraagt Ge
't al,
O Tijd, Oerbron, Alheer, o eeuw'ge Godspersoon
-
Geen leiband die U bij die daden binden zal.
Tekst
30
Ikzelf, water, vuur, lucht en ruimt', elk
zinsobject,
De zinnen, de goden, de geest, o
Bhagavân,
Het ik, de mahàt, al wat rust of zich
verroert -
Dat alles verbleekt naast Uw weergaloos
bestaan.
Tekst
31
O Gij die het leed van Uw smekeling
verlicht,
Bhaum's angstige zoon breng Ik naar Uw voeten
toe:
Ach, leg toch Uw lotushand, die elk kwaad
verdrijft,
Nu hier op zijn hoofd en bescherm de jongen
zo.
Shukadeva zei:
Vol liefde boog ze voor Hem neer
Op 't smeekgebed van de godin
Verlost' Hari haar zoon van angst
En ging Hij 't fort van Bhauma in.
Tekst
33
Daar trof Hij 'n drom Prinsessen aan,
Goed zestienduizend bij elkaar,
Door Bhauma meegeroofd van huis
Ondanks Hun vaders' fel misbaar.
Het
aantal geroofde Prinsessen, allen Expansies
van de Geluksgodin, wordt in vers 40.29
gesteld op 16.100. De Meisjes waren niet
alleen Dochters van mensenvorsten, maar ook
van asura's en grote yogi's.
Tekst
34
Verbijsterd bij 't aanschouwen van
De Held die fier naar binnen schreed
Namen Ze 'M in hun hart tot Man
Met dank aan de Voorzienigheid.
Tekst
35
"De Schenker zij Mij welgezind
En geve Mij zo'n Echtgenoot,"
Sprak ieder Meisje bij zichzelf
Terwijl Ze 'M stil Haar liefde bood.
Tekst
36
Gebaad en smetteloos gekleed
In draagstoelen met pracht en praal
Gingen Z' op weg naar Dvârakâ
Met paarden, wagens allemaal.
Tekst
37
En vierenzestig dikhuiden
Van 't kwiek geslacht van Airâvat',
Elk van vier slagtanden voorzien,
Zond Krishna met Hen naar de stad.
Tekst
38
Aditi kreeg haar oorbellen
Van Krishna in de hemel weer,
Waar Hij door Indr' en Indrâni
Met Satyabhâmâ werd geëerd.
Tekst
39
Aangezet door Zijn Gemalin
Nam Hij de pârijâta mee,
Versloeg Indr' en de godenschaar
En vloog t'rug naar Zijn stad in zee.
Srila
A.C. Bhaktivedanta Swami Prabhupâda
tekent hierbij aan in 'Het Krishna-boek':
"Nârada had eens een
pârijâta-bloem meegebracht en die
aan Krisna's eerste Vrouw, Rukminidevi,
gegeven. Dat had Satyabhâmâ een
gevoel van minderwaardigheid bezorgd: Zij
wilde ook zo'n bloem hebben. Krishna zag de
rivaliteit tussen Zijn Gemalinnen wel en
moest erom lachen. 'Waarom vraag Je maar
één bloem? Ik zou Je zo graag
een hele pârijâta-boom
geven.'
In
feite had Krishna Satyabhâmâ naar
Amaravati meegenomen om Haar Zelf de
pârijâta te laten pakken." De
hemelbewoners vergaten dat ze Krishna, de
Opperheer der heren van alle werelden, en
Zijn Gemalin zojuist nog hadden geëerd
en gingen Hen om de 'diefstal' te lijf. Door
Zijn tegenstanders in het duister te laten
aangaande Zijn Identiteit, stelde Krishna hen
in staat te denken dat ze het van Hem konden
winnen. Dat stelde Hém weer in staat
eens flink te vechten - iets waar Hij in Zijn
Spel soms hevig zin in krijgt en waarbij
ieder die sneuvelt het eeuwige leven
beërft.
Tekst
40
De boom werd in de hof geplant
Van Satyabhâmâ's tuinpaleis,
Omzoemd door hemelbijen nog,
Van 't zoet aroma van de wijs.
Tekst
41
Toen hij om de hulp van de Heer verlegen zat
Lag hij met Zijn kroon aan de voeten van
Achyut',
Maar door Hem behouden vloog Indra Krishna aan
Hoe dom kan zo'n god zijn! Zijn weelde zij
vervloekt!
Shukadeva
vervloekt Indra's rijkdom als de oorzaak van
zijn blindheid.
Tekst
42
In evenveel Gedaanten als
Hij Bruiden had trouwde de Heer
Met Elk in een apart paleis
En wel precies op 'tzelfde uur.
De
Onuitputtelijke openbaart tal van
zelfstandige Zelfexpansies zoals tijdens Zijn
râsa-dans met de jonge herderinnen van
Vraja (deel 1, 33.3).
Tekst
43
Zo woonde Hari onafscheidelijk van Hen
In d' onovertroffen paleizen wonderfraai
Terwijl Hij Zich stipt van Zijn huismansplichten
kweet,
Vol Zelfgenot spelend met iedere Ramâ.
Tekst
44
Zo hadden allen als Hun Meester de Heer van
Ramâ,
Wiens wegen Brahmâ en de zijnen niet eens
betreden,
En al maar groter werd Hun vreugd' om Zijn
lachend' ogen,
Hun eerst' omhelzingen en scherts en
verlegenheden.
Tekst
45
Al hadden d' Echtgenoten honderden
dienaressen,
Zelf draafden Z' op, waaierden Hem, gaven Hem
een zetel,
Pân, mâlâ, sandel en vereerden
Zijn lotusvoeten
En dienden Krishn' in bad en bed en bij 't
avondeten.
(Bron: S.B.
10.59)