Zie voor de online versie met illustraties, muziek en links naar de voorgaande vertaling. http: //bhagavata.org/index.ned.html

 

S'RÎMAD BHÂGAVATAM

"Het verhaal van de fortuinlijke"

 

 

Inleiding

 

CANTO 1: Schepping

 

Hoofdstuk 1 Vragen van de Wijzen

Hoofdstuk 2 Goddelijkheid en Dienst aan God

Hoofdstuk 3 Krishna is de Bron van Alle Incarnaties.

Hoofdstuk 4 De Verschijning van S'rî Nârada.

Hoofdstuk 5 Nârada's Instructies over het S'rîmad Bhâgavatam aan Vyâsadeva.

Hoofdstuk 6 Het Gesprek van Nârada met Vyâsadeva

Hoofdstuk 7 De Zoon van Drona Gestraft

Hoofdstuk 8 Parîkchit Gered en de Gebeden van Koningin Kuntî

Hoofdstuk 9 Het Heengaan van Bhîshmadeva in de Aanwezigheid van Heer Krishna

Hoofdstuk 10 Het Vertrek van Heer Krishna naar Dvârakâ

Hoofdstuk 11 De Binnenkomst van Heer Krishna in Dvârakâ

Hoofdstuk 12 De Geboorte van keizer Parîkchit

Hoofdstuk 13 Dhritarâshthra Gaat van Huis

Hoofdstuk 14 De Verdwijning van Heer Krishna

Hoofdstuk 15 De Pândava's Trekken Zich Terug

Hoofdstuk 16 Hoe Parîkchit de Komst van het Kali-tijdperk Onderging

Hoofdstuk 17 De Straf en het Loon van Kali

Hoofdstuk 18 Mahârâja Parîkchit Vervloekt door een Brahmaanse Jongen.

Hoofdstuk 19 De Verschijning van S'ukadeva Gosvâmî

 

CANTO 2: De Kosmische Manifestatie

 

Hoofdstuk 1 De eerste Stap in de God-realisatie.

Hoofdstuk 2 De Heer in het Hart.

Hoofdstuk 3 Zuivere Toegewijde Dienst: De Verandering in het Hart.

Hoofdstuk 4 Het Proces van de Schepping.

Hoofdstuk 5 De Oorzaak Aller Oorzaken

Hoofdstuk 6 De Lofzang op de Oorspronkelijke Persoon Bevestigd

Hoofdstuk 7 Korte Beschrijving van de Voorgaande en Komende Avatâra's.

Hoofdstuk 8 Vragen Gesteld door Koning Parîkchit

Hoofdstuk 9 Antwoorden in de Vorm van Uitspraken van de Heer

Hoofdstuk 10 Het Bhâgavatam is het Antwoord op Alle Vragen

 

CANTO 3: De Status Quo

 

Hoofdstuk 1 De Vragen van Vidura

Hoofdstuk 2 Terugdenken aan Krishna

Hoofdstuk 3 Het Spel en Vermaak van de Heer Buiten Vrindâvana

Hoofdstuk 4 Vidura Wendt zich tot Maitreya

Hoofdstuk 5 Vidura Spreekt met Maitreya

Hoofdstuk 6 Het Genereren van de Universele Gedaante 

Hoofdstuk 7 Verdere Vragen van Vidura.

Hoofdstuk 8 Manifestatie van Brahmâ uit Garbhodakas'âyî Vishnu.

Hoofdstuk 9 Brahmâ's Gebeden voor het Creatief Vermogen.

Hoofdstuk 10 De Afdelingen van de Schepping

Hoofdstuk 11 De Indeling van de Tijd zich Uitbreidend Vanuit het Atoom

Hoofdstuk 12 De Schepping van de Kumâras en Anderen

Hoofdstuk 13 Het Verschijnen van Heer Varâha

Hoofdstuk 14 De Bevruchting van Diti in de Avond

Hoofdstuk 15 Beschrijving van het Koninkrijk Gods

Hoofdstuk 16 De Twee Poortwachters van Vaikunthha, Vervloekt door de Wijzen

Hoofdstuk 17 De Overwinning van Hiranyâksha over Alle Windstreken van het Universum

Hoofdstuk 18 De Strijd tussen Heer Zwijn en de Demon Hiranyâksha 

Hoofdstuk 19 Het Doden van de Demon Hiranyâksha

Hoofdstuk 20 De Wezens Geschapen uit Brahmâ

Hoofdstuk 21 De Conversatie tussen Manu en Kardama

Hoofdstuk 22 Het Huwelijk van Kardama Muni en Devahûti

Hoofdstuk 23 Devahûti's Klacht

Hoofdstuk 24 De Verzaking van Kardama Muni

Hoofdstuk 25 De Heerlijkheden van de Toegewijde Dienst  

Hoofdstuk 26 Basisprincipes van de Materiële Natuur

Hoofdstuk 27 Het Begrijpen van de Materiële Natuur

Hoofdstuk 28 Kapila's Instructies over de Uitvoeringspraktijk

Hoofdstuk 29 De Uitleg van Kapila over Toegewijde Dienst

Hoofdstuk 30 Heer Kapila Beschrijft de Nadelige Gevolgen van Vruchtdragende Handelingen

Hoofdstuk 31 Heer Kapila's Instructies over de Omzwervingen van de Levende Wezens

Hoofdstuk 32 De Verstriktheid in Vruchtdragende Bezigheden

Hoofdstuk 33 De Activiteiten van Kapila Muni

 

Canto 4: De Schepping van de Vierde orde, de Bescherming door de Heer

 

Hoofdstuk 1 Stamboom van de Dochters van Manu

Hoofdstuk 2 Daksha Vervloekt Heer S'iva

Hoofdstuk 3 Het Gesprek tussen Heer S'iva en Satî

Hoofdstuk 4 Satî Verlaat Haar Lichaam

Hoofdstuk 5 Het Verhinderen van Daksha's Offerplechtigheid

Hoofdstuk 6 Brahmâ stelt Heer S'iva Tevreden

Hoofdstuk 7 Het Offer ten Uitvoer Gebracht door Daksha

Hoofdstuk 8 Dhruva Vertrekt van Huis naar het Woud

Hoofdstuk 9 Dhruva Keert uit het Woud Terug naar Huis

Hoofdstuk 10 Het Gevecht van Dhruva Mahârâj met de Yaksha's

Hoofdstuk 11 Svâyambuva Manu Raadt Dhruva Mahârâja aan met Vechten te Stoppen

Hoofdstuk 12 Dhruva Mahârâja Keert Terug naar God

Hoofdstuk 13 Beschrijving van de Afstammelingen van Dhruva Mahârâja

Hoofdstuk 14 Het Verhaal van Koning Vena

Hoofdstuk 15 Koning Prithu's Verschijnen en Kroning

Hoofdstuk 16 Koning Prithu Geprezen

Hoofdstuk 17 Mahârâja Prithu Wordt Kwaad op de Aarde

Hoofdstuk 18 Mahârâja Prithu Melkt de Aarde

Hoofdstuk 19 Koning Prithu's Honderd Paardoffers

Hoofdstuk 20 Heer Vishnu's Verschijnen in het Offerperk van Mahârâja Prithu

Hoofdstuk 21 Het Onderricht van Mahârâja Prithu

Hoofdstuk 22 Prithu Mahârâja's Ontmoeting met de Vier Kumâra's

Hoofdstuk 23 Mahârâja Prithu Keert Terug naar Huis

Hoofdstuk 24 Het Lied Gezongen door Heer S'iva

Hoofdstuk 25 Over het Karakter van Koning Purañjana

Hoofdstuk 26 Koning Purañjana gaat Uit Jagen en Treft zijn Teneergeslagen Vrouw aan

Hoofdstuk 27 De Aanval door Candavega op de Stad van Koning Purañjana; het Karakter van Kâlakanyâ.

Hoofdstuk 28 Purañjana Wordt een Vrouw in Zijn Volgende Leven

Hoofdstuk 29 De Conversatie van Nârada en Koning Prâcînabarhi

Hoofdstuk 30 De activiteiten van de Pracetâ's

Hoofdstuk 31 Nârada Onderricht de Pracetâ's

 

CANTO 5: De Aanzet tot de Schepping

 

Hoofdstuk 1 De Activiteiten van Mahârâja Priyavrata  

Hoofdstuk 2 De Activiteiten van Mahârâja Âgnîdhra

Hoofdstuk 3 Rishabhadeva's Verschijnen in de Baarmoeder van Merudevî, de Echtgenote van Koning Nâbhi

Hoofdstuk 4 De Eigenschappen van Rishabhadeva

Hoofdstuk 5 Heer Rishabhadeva's Onderricht aan Zijn zoons

Hoofdstuk 6 Heer Rishabhadeva's activiteiten

Hoofdstuk 7 De activiteiten van Koning Bharata

Hoofdstuk 8 De Wedergeboorte van Bharata Mahârâja

Hoofdstuk 9 Het Verheven Karakter van Jada Bharata

Hoofdstuk 10 Jada Bharata ontmoet Mahârâja Rahûgana

Hoofdstuk 11 Jada Bharata Onderricht Koning Rahûgana

Hoofdstuk 12 Het Gesprek tussen Mahârâja Rahûgana en Jada Bharata

Hoofdstuk 13 Vervolg van het gesprek tussen Mahârâja Rahûgana en Jada Bharata

Hoofdstuk 14 De Materiële Wereld als het Grote Woud van Genot

Hoofdstuk 15 De Glorie van het Nageslacht van Koning Priyavrata

Hoofdstuk 16 Hoe de Heer als een Feitelijk Iets kan worden Verstaan

Hoofdstuk 17 Hoe de Ganges naar beneden komt

Hoofdstuk 18 Gebeden tot de verschillende Avatâra's

Hoofdstuk 19 De Gebeden van Hanumân en Nârada en de Glorie van Bhârata-varsha

Hoofdstuk 20 De structuur van de Verschillende Dvîpa's en de Gebeden van hun Verschillende Bewoners

Hoofdstuk 21 De Werkelijkheid van de Zonnegod Sûrya

Hoofdstuk 22 De Beweging der Planeten en hun Veronderstelde Effecten

Hoofdstuk 23 Beschrijving van de Sterren van S'is'umâra, ons Spiraalvormig Sterrenstelsel

Hoofdstuk 24 De Lagere Werelden

Hoofdstuk 25 De Heerlijkheid van Heer Ananta

Hoofdstuk 26 De Helse Werelden of de Karmische Terugslag

 

CANTO 6: Voorgeschreven Plichten voor de Mensheid

  

Hoofdstuk 1 Dharma en Adharma: het Leven van Ajâmila

Hoofdstuk 2 Ajâmila Bevrijd door de Vishnudûta's: de Motivatie voor de Heilige Naam

Hoofdstuk 3 Yamarâja Instrueert zijn Boodschappers

Hoofdstuk 4 De Hamsa-guhya Gebeden door Prajâpati Daksha opgedragen aan de Heer

Hoofdstuk 5 Nârada Muni Vervloekt door Prajâpati Daksha

Hoofdstuk 6 Het Nageslacht van de Dochters van Daksha

Hoofdstuk 7 Indra Beledigt Zijn Geestelijk Leraar, Brihaspati

Hoofdstuk 8 De Wapening met Mantra's die Indra Beschermde

Hoofdstuk 9 Het Verschijnen van de Demon Vritrâsura

Hoofdstuk 10 De Veldslag tussen de Halfgoden en Vritrâsura

Hoofdstuk 11 De Bovenzinnelijke Kwaliteiten van Vritrâsura

Hoofdstuk 12 Vritrâsura's Glorieuze Heengaan

Hoofdstuk 13 Koning Indra Aangedaan door de Terugslag der Zonde

Hoofdstuk 14 Koning Citraketu's Weeklagen

Hoofdstuk 15 De Heiligen Nârada en Angirâ Instrueren Koning Citraketu

Hoofdstuk 16 Koning Citraketu Ontmoet de Allerhoogste Heer

Hoofdstuk 17 Moeder Pârvatî Vervloekt Citraketu

Hoofdstuk 18 Diti doet een Gelofte om Koning Indra te Doden

Hoofdstuk 19 De Uitvoering van het Pumsavana Ritueel

 

CANTO 7: De Wetenschap van God

 

Hoofdstuk 1 De Opperheer is Iedereen Gelijkgezind

Hoofdstuk 2 Hiranyakas'ipu, de Koning der Demonen over de Droevenis

Hoofdstuk 3 Hiranyakas'ipu's Plan om Onsterfelijk te Worden

Hoofdstuk 4 Hiranyakas'ipu Terroriseert het Universum

Hoofdstuk 5 Prahlâda Mahârâja, de Heilige Zoon van Hiranyakas'ipu

Hoofdstuk 6 Prahlâda Instrueert Zijn Asura Schoolvriendjes

Hoofdstuk 7 Wat Prahlâda Leerde in de Baarmoeder

Hoofdstuk 8 Heer Nrisimhadeva doodt de Koning der Demonen

Hoofdstuk 9 Prahlâda stemt Heer Nrisimhadeva gunstig met Gebeden

Hoofdstuk 10 Over Prahlâda, de Beste der Verheven Toegewijden en de Val van Tripura

Hoofdstuk 11 De Volmaakte Samenleving: Over de Vier Sociale Klassen en de Vrouw

Hoofdstuk 12 De Vier Âs'rama's en Hoe het Lichaam te Verlaten

Hoofdstuk 13 Het Gedrag van een Heilige Persoon

Hoofdstuk 14 Het Allerhoogste van het Leven als een Huishouder

Hoofdstuk 15 Nârada's Instructies over Vegetarisch Delen, Goddeloosheid, Genezen, Yoga en Advaita

 

CANTO 8: De Aanzet tot de Schepping

 

Hoofdstuk 1 De Manu's, de Bestuurders van het Universum  

Hoofdstuk 2 De Nood van de Olifant Gajendra

Hoofdstuk 3 Gajendra's Gebeden van Overgave

Hoofdstuk 4 Gajendra Keert Terug naar de Geestelijke Wereld

Hoofdstuk 5 De Vijfde en de Zesde Manu en de Gebeden van Brahmâ met de Sura's

Hoofdstuk 6 De Sura's en Asura's kondigen een Wapenstilstand af

Hoofdstuk 7 Heer S'iva Drinkt het Gif Gekarnd met de Berg Mandara

Hoofdstuk 8 Meer Verschijnt door het Karnen: Moeder Lakshmî en Dhanvantari

Hoofdstuk 9 De Heer Verschijnt als een Mooie Vrouw om de nectar uit te Delen

Hoofdstuk 10 De Veldslag tussen de Halfgoden en de Demonen

Hoofdstuk 11 De Dânava's Vernietigd en Weer Opgewekt

Hoofdstuk 12 Heer S'iva Bidt ervoor Mohinî Mûrti te Mogen Zien, Raakt Verbijsterd en Herstelt Zich Weer

Hoofdstuk 13 Beschrijving van de Toekomstige Manu's

Hoofdstuk 14 De Wijze van Universeel Bestuur

Hoofdstuk 15 Bali Mahârâja Verovert de Hemelse Plaatsen

Hoofdstuk 16 Aditi Ingevoerd in de Payo-vrata Ceremonie, de beste van alle Offerandes

Hoofdstuk 17 De Allerhoogste Heer Zegt Toe Aditi's Zoon te Worden

Hoofdstuk 18 Heer Vâmanadeva, de Dwerg-incarnatie

Hoofdstuk 19 Heer Vâmanadeva Bedingt een Gift van Bali Mahârâja

Hoofdstuk 20 Heer Vâmanadeva Omsluit Alle Werelden

Hoofdstuk 21 Bali Mahârâja Ingerekend door de Heer

Hoofdstuk 22 Bali Mahârâja Geeft zich Geheel Over

Hoofdstuk 23 De Halfgoden Herwinnen de Hemelse Plaatsen

Hoofdstuk 24 Matsya, de Vis-incarnatie van de Heer

 

CANTO 9: Bevrijding

 

Hoofdstuk 1 Koning Sudyumna Wordt een Vrouw

Hoofdstuk 2 De Dynastieën van Zes van de Zoons van Manu

Hoofdstuk 3 Het Huwelijk van S'ukanyâ en Cyavana Muni

Hoofdstuk 4 Ambarîsha Mahârâja Aangevallen door Durvâsâ Muni

Hoofdstuk 5 Durvâsâ Gered: de Cakra-gebeden van Ambarîsha

Hoofdstuk 6 De Val van Saubhari Muni

Hoofdstuk 7 De Nazaten van Koning Mândhâtâ

Hoofdstuk 8 De Zonen van Sagara Ontmoeten Heer Kapiladeva

Hoofdstuk 9 De Dynastie van Ams'umân

Hoofdstuk 10 Het Spel en Vermaak van Heer Râmacandra

Hoofdstuk 11 Heer Râmacandra Regeert de Wereld

Hoofdstuk 12 De Dynastie van Kus'a, de Zoon van Heer Râmacandra

Hoofdstuk 13 Het Verhaal van Nimi en de Dynastie van zijn Zoon Mithila.

Hoofdstuk 14 Koning Purûravâ in de Ban van Urvas'î

Hoofdstuk 15 Paras'urâma, de Heer als Krijgsheer

Hoofdstuk 16 Hoe Heer Paras'urâma er Toe Kwam de Heersende Klasse Eenentwintig Keer te Vernietigen

Hoofdstuk 17 De Dynastieën van de Zoons van Purûravâ

Hoofdstuk 18 Koning Yayâti Herkrijgt zijn Jeugd

Hoofdstuk 19 Koning Yayâti Bereikt de Bevrijding: de Geiten van de Wellust

Hoofdstuk 20 De Dynastie van Pûru tot aan Bharata

Hoofdstuk 21 De Dynastie van Bharata: het Verhaal van Rantideva

Hoofdstuk 22 De Nakomelingen van Ajamîdha: de Pândava's en Kaurava's

Hoofdstuk 23 De Dynastieën van de Zoons van Yayâti: het Verschijnen van Heer Krishna

Hoofdstuk 24 De Yadu en Vrishni Dynastieën, Prithâ en de Glorie van Heer Krishna

 

CANTO 10: Het Hoogste Goed

 

Hoofdstuk 1 De Komst van Heer Krishna: Inleiding

Hoofdstuk 2 De Gebeden van de Halfgoden tot Heer Krishna in de Moederschoot

Hoofdstuk 3 De Geboorte van Heer Krishna

Hoofdstuk 4 De Wreedheden van Koning Kamsa

Hoofdstuk 5 Krishna's Geboorteplechtigheid en de Ontmoeting van Nanda Mahârâja en Vasudeva

Hoofdstuk 6 Het Doden van de Demone Pûtanâ

Hoofdstuk 7 Krishna Schopt de Kar Omver, Verslaat Trinâvarta en Toont Yas'odâ het Universum

Hoofdstuk 8 De Naam-plechtigheid, Zijn Streken en Opnieuw het Universum in Zijn Mond

Hoofdstuk 9 Moeder Yas'odâ Bindt Heer Krishna Vast

Hoofdstuk 10 De Verlossing van de Zoons van Kuvera 

Hoofdstuk 11 Een Nieuwe Woonplaats, de Fruitverkoopster en Vatsâsura en Bakâsura Verslagen

Hoofdstuk 12 Het Einde van de Demon Aghâsura

Hoofdstuk 13 Heer Brahmâ Steelt de Jongens en Kalveren

Hoofdstuk 14 Brahmâ's Gebeden tot Heer Krishna

Hoofdstuk 15 Het Doden van Dhenuka de Ezel-demon en Gif in de Rivier

Hoofdstuk 16 Krishna Bestraft de Slang Kâliya

Hoofdstuk 17 De Geschiedenis van Kâliya en Zijn Opslokken van een Bosbrand

Hoofdstuk 18 Heer Balarâma Doodt de Demon Pralamba

Hoofdstuk 19 Opnieuw het Opslokken van een Bosbrand

Hoofdstuk 20 Het Regenseizoen en de Herfst in Vrindâvana

Hoofdstuk 21 De Gopî's Verheerlijken het Lied van Krishna's Fluit

Hoofdstuk 22 Krishna Steelt de Kleren van de Ongehuwde Gopî's

Hoofdstuk 23 De Echtgenotes van de Brahmanen Gezegend

Hoofdstuk 24 Krishna in Tegen Indra ten Gunste van de Brahmanen, de Koeien en de Heuvel Govardhana

Hoofdstuk 25 Heer Krishna Tilt de Heuvel Govardhana op

Hoofdstuk 26 Nanda Brengt de Verblufte Gopa's de Woorden van Garga in Herinnering

Hoofdstuk 27 Heer Indra en Moeder Surabhi Brengen Gebeden

Hoofdstuk 28 Krishna Redt Nanda Mahârâja uit het Rijk van Varuna

Hoofdstuk 29 Het Râsa-spel: Krishna Ontmoet 's Nachts de Gopî's en Ontsnapt

Hoofdstuk 30 De Gopî's op Zoek naar Krishna er vandoor met Râdhâ

Hoofdstuk 31 De Gezangen van de Gopî's in Gescheidenheid

Hoofdstuk 32 Krishna Keert Terug naar de Gopî's

Hoofdstuk 33 De Râsadans

Hoofdstuk 34 Sudars'ana Verlost en S'ankhacûda Gedood

Hoofdstuk 35 De Gopî's Zingen van Krishna als Hij in het Woud Rondtrekt

Hoofdstuk 36 De Stier Arishthâsura Verslagen en Akrûra Gestuurd door Kamsa

Hoofdstuk 37 Kes'î en Vyoma Gedood en Nârada Looft Krishna's Toekomst

Hoofdstuk 38 Akrûra's Gemijmer en de Ontvangst in Gokula

Hoofdstuk 39 Krishna en Balarâma Vertrekken naar Mathurâ

Hoofdstuk 40 Akrûra's Gebeden

Hoofdstuk 41 De Aankomst van de Heer in Mathurâ

Hoofdstuk 42 Het Breken van de Offerboog

Hoofdstuk 43 Krishna Doodt de Olifant Kuvalayâpîda

Hoofdstuk 44 De Worstelwedstrijd en het Doden van Kamsa

Hoofdstuk 45 Krishna Redt de Zoon van Zijn Leraar

Hoofdstuk 46 Uddhava Brengt de Nacht in Gokula door Pratend met Nanda

Hoofdstuk 47 De Gopî Onthult haar Emoties: Het Lied van de Bij

Hoofdstuk 48 Krishna Behaagt Zijn Toegewijden

Hoofdstuk 49 Akrûra's Missie in Hastinâpura

Hoofdstuk 50 Krishna Gebruikt Jarâsandha en Vestigt de Stad Dvârakâ

Hoofdstuk 51 De Verlossing van Mucukunda

Hoofdstuk 52 De Heren Springen van een Berg en Rukminî's Bericht aan Heer Krishna

Hoofdstuk 53 Krishna Ontvoert Rukminî

Hoofdstuk 54 Rukmî Verslagen en Krishna Getrouwd

Hoofdstuk 55 De Geschiedenis van Pradyumna

Hoofdstuk 56 Hoe het Syamantaka Juweel Krishna Jâmbavatî en Satyabhâmâ Bracht

Hoofdstuk 57 Satrâjit Vermoord, het Juweel Gestolen en Weer Teruggegeven

Hoofdstuk 58 Krishna Huwt eveneens Kâlindî, Mitravindâ, Satyâ en Bhadrâ

Hoofdstuk 59 Mura en Bhauma Gedood en de Gebeden van Bhûmi

Hoofdstuk 60 Heer Krishna Plaagt Koningin Rukminî

Hoofdstuk 61 Heer Balarâma Maakt een Einde aan Rukmî op Aniruddha's Huwelijk

Hoofdstuk 62 Ûshâ Verliefd en Aniruddha Ingerekend

Hoofdstuk 63 De Koorts in de Strijd en Bâna Verslagen

Hoofdstuk 64 Over het Bestelen van een Brahmaan: Koning Nriga een Kameleon

Hoofdstuk 65 Heer Balarâma in Vrindâvana en de Stroom Verdeeld

Hoofdstuk 66 De Valse Vâsudeva Paundraka en Zijn Zoon Verzengd door Hun Eigen Vuur

Hoofdstuk 67 Balarâma Slays the Ape Dvivida

Hoofdstuk 68 Het Huwelijk van Sâmba en de Kuru Stad Gesleept Bevend voor Zijn Woede

Hoofdstuk 69 Nârada Muni's Visioen van Krishna in Zijn Huishouding

Hoofdstuk 70 Krishna's Routines, Moeilijkheden en Nârada Nog Eens op Bezoek

Hoofdstuk 71 De Heer Reist naar het Woord van Uddhava naar Indraprastha

Hoofdstuk 72 Jarâsandha Gedood door Bhîma en de Koningen Bevrijd

Hoofdstuk 73 Heer Krishna Zegent de Bevrijde Koningen

Hoofdstuk 74 De Râjasûya: Krishna Nummer Een en S'is'upâla Gedood

Hoofdstuk 75 Het Afronden van de Râjasûya en Duryodhana Uitgelachen

Hoofdstuk 76 De Veldslag tussen S'âlva en de Vrishni's

Hoofdstuk 77 Een Einde aan S'âlva en het Saubha-fort

Hoofdstuk 78 Dantavakra Gedood en Romaharshana Geslagen met een Grasspriet

Hoofdstuk 79 Heer Balarâma Doodt Balvala en Bezoekt de Heilige Plaatsen

Hoofdstuk 80 Een Oude Brahmaanse Vriend Bezoekt Krishna

Hoofdstuk 81 De Brahmaan Geëerd: Heer Krishna de Godheid der Brahmanen

Hoofdstuk 82 Alle Koningen en de Bewoners van Vrindâvana op Bedevaart Herenigen Zich met Krishna

Hoofdstuk 83 Draupadî Ontmoet de Koninginnen van Krishna

Hoofdstuk 84 Vasudeva Offert voor de Wijzen die te Kurukshetra de Weg naar het Succes Wijzen

Hoofdstuk 85 Heer Krishna Instrueert Vasudeva en Haalt Devakî's Zoons Terug

Hoofdstuk 86 Arjuna Ontvoert Subhadrâ, en Krishna Instrueert Bahulas'va en S'rutadeva

Hoofdstuk 87 Het Onderliggende Mysterie: De Gebeden van de Veda's in Eigen Persoon

Hoofdstuk 88 Heer S'iva Gered uit Handen van Vrikâsura

Hoofdstuk 89 Vishnu de Beste der Goden en de Krishna's Halen de Zoons van een Brahmaan Terug

Hoofdstuk 90 De Koninginnen Spelen en Spreken en Heer Krishna's Heerlijkheid Samengevat

 

CANTO 11: Algemene Geschiedenis

 

Hoofdstuk 1 De Vloek over de Yadu-dynastie

Hoofdstuk 2 Mahârâja Nimi Ontmoet de Negen Yogendra's

Hoofdstuk 3 Bevrijding uit Mâyâ en Karma met het Kennen en Aanbidden van de Heer

Hoofdstuk 4 De Handelingen van Nara-Nârâyana en de Andere Avatâra's Beschreven

Hoofdstuk 5 Nârada Besluit Zijn Onderricht aan Vasudeva

Hoofdstuk 6 Retraite op Advies van Brahmâ en Uddhava Privé Toegesproken

Hoofdstuk 7 Krishna Spreekt over de Meesters van de Avadhûta en de Duif der Gehechtheid

Hoofdstuk 8 Wat Men Leert van de Natuur en het Verhaal van Pingalâ

Hoofdstuk 9 Onthechting van Al het Materiële

Hoofdstuk 10 De Ziel Vrij, de Ziel Gebonden

Hoofdstuk 11 Gebondenheid en Bevrijding Verklaard en de Geheiligde Persoon Zijn Toegewijde Dienst

Hoofdstuk 12 Het Vertrouwelijke Geheim Voorbij Verzaking en Kennis

Hoofdstuk 13 De Hams'a-avatâra Beantwoordt de Vragen van de Zonen van Brahmâ

Hoofdstuk 14 De Devotionele Samenhang der Methoden en de Meditatie op Vishnu

Hoofdstuk 15 Mystieke Volmaaktheid: de Siddhi's

Hoofdstuk 16 De Volheden van de Heer

Hoofdstuk 17 Het Varnâs'rama Systeem en de Boot van Bhakti: de Studenten en de Huishouders

Hoofdstuk 18 Het Varnâs'rama-systeem: de Teruggetrokkenen en de Wereldverzakers

Hoofdstuk 19 De Volmaaktheid van de Spirituele Kennis

Hoofdstuk 20 Trikânda Yoga: Bhakti Overtreft Kennis en Onthechting

Hoofdstuk 21 Over het Onderscheid tussen Goed en Kwaad

Hoofdstuk 22 Prakriti en Purusha: de Natuur en de Genieter

Hoofdstuk 23 Verdraagzaamheid: het Lied van de Avantî Brâhmana

Hoofdstuk 24 De Analytische Kennis, Sânkhya, Samengevat

Hoofdstuk 25 De Drie Geaardheden der Natuur en Daarboven

Hoofdstuk 26 Het Lied van Purûravâ

Hoofdstuk 27 Over het Respecteren van de Vorm van God

Hoofdstuk 28 Jñâna Yoga of de Aanduiding en het Werkelijke

Hoofdstuk 29 Bhakti Yoga: de Meest Zegenrijke Manier om de Dood te Overwinnen

Hoofdstuk 30 Het Verdwijnen van de Yadu-dynastie

Hoofdstuk 31 De Hemelvaart van Krishna

 

CANTO 12: Het Tijdperk van Verval

 

Hoofdstuk 1 Het Verval van de Dynastieën en de Corrupte Aard van de Heersers van Kali-yuga

Hoofdstuk 2 Hoop en Wanhoop in het Tijdperk van de Redetwist

Hoofdstuk 3 Het Lied van Moeder Aarde en de Remedie voor Kali-yuga

Hoofdstuk 4 Pralaya: de Vier Soorten van Vernietiging

Hoofdstuk 5 De Laatste Instructies voor Mahârâja Parîkchit

Hoofdstuk 6 Mahârâja Parîkchit Bevrijd en de Veda in Vieren Doorgegeven

Hoofdstuk 7 De Toewijding in Samhitâ Afdelingen en de Tien Onderwerpen van de Purâna's

Hoofdstuk 8 Mârkandeya Weerstaat Alle Verleiding en Bidt tot Nara-Nârâyana Rishi

Hoofdstuk 9 Mârkandeya Wordt de Heer Zijn Begoochelend Vermogen Getoond

Hoofdstuk 10 S'iva, Heer en Helper Verheerlijkt Mârkandeya Rishi

Hoofdstuk 11 Vishnu Zijn Attributen en de Maand-orde van Hem als de Zonnegod

Hoofdstuk 12 De Onderwerpen van het S'rîmad-Bhâgavatam Samengevat

Hoofdstuk 13 De Heerlijkheden van het S'rîmad-Bhâgavatam

 

 

Inleiding

Dit boek verhaalt de geschiedenis van de Heer en Zijn incarnaties sedert de vroegste verslagen van de vedische geschiedenis. Het is waarachtig de Krishna-Bijbel van het Hindu-universum. De Bhagavad Gîtâ is daarbij vergeleken als de Bergrede van Heer Jezus in verhouding tot de volledige bijbel. Het heeft 18.000 verzen en bestaat uit twaalf onderafdelingen, z.g. Canto's. Deze afdelingen vertellen het volledige verhaal van de vedische cultuur met de essentie van al haar klassieke verhalen genaamd Purâna's en bevat de room van de vedische kennis verzameld uit de literatuur zowel als het verhaal van het leven van Heer Krishna in zijn geheel (10-e Canto). Het vertelt over Zijn geboorte, Zijn jeugd, al Zijn wonderbaarlijke bewijzen van Zijn Goddelijke aard en de bovenmenselijke prestaties van het verslaan van allerlei demonen tot aan de grote Mahâbhârat oorlog te Kurukshetra toe. Het is een schitterend verhaal dat naar het Westen is gebracht door Svâmî Bhaktivedânta Prabhupâda, een Caitanya-vaishnava, een (devotionele) bhakti-monnik van Heer Vishnu [de naam voor de bovenzinnelijke gedaante van Heer Krishna] die de gedurfde taak op zich nam om de materialistische westerlingen zowel als de gevorderde filosofen and theologen te verlichten, teneinde ze te helpen de gevaren en de eenzaamheid van het impersonalisme en de filosofie van de leegte te overwinnen.

Voor de vertaling heeft de auteur van deze internet-versie gebruik gemaakt van de vertaling van Svâmî Prabhupâda. Als âcârya [goeroe onderwijzend door het voorbeeld te geven] uit de eeuwenoude indiase vaishnava-traditie vertegenwoordigt hij de reformatie van de toewijding tot God zoals die vanaf de zestiende eeuw in India werd gepraktiseerd. Deze reformatie houdt staande dat het valse gezag van het kastenstelsel en enkel droge boekengeleerdheid moet worden afgewezen. Heer Krishna-Caitanya, de avatâra [een nederdaling van de Heer] die deze reformatie inluidde, herstelde de oorspronkelijke bedoeling van het ontwikkelen van de toewijding tot God en ijverde m.n. voor de heilige schrift waarin deze toewijding in relatie tot Krishna als de Hoogste Persoonlijkheid van God wordt uiteengezet. Dit geschrift is deze Bhâgavata Purâna waar al de vaishnava leraren van het voorbeeld (âcârya's) hun wijsheid voor het onderricht uit putten en hun toewijding gestalte mee geven. De woord-voor-woord-vertalingen zowel als de volledige tekst en commentaren op dit boek werden zowel binnen als buiten de Hare Krishna tempels in zowel Amerika als Europa bestudeerd. De bedoeling van de vertaling is op de eerste plaats deze glorieuze tekst voor een breder publiek via het internet bereikbaar te maken. Aangezien de Bijbel, de Koran en tal van andere heilige teksten vrij beschikbaar zijn, meende de auteur dat dit boek niet achter kon blijven op de planken van zijn eigen boekenkast als een bewijs van materiële bezitsdrang. Kennis niet gedeeld is verloren kennis en zeker dit soort kennis welke de nadruk legt op de yoga van toewijding, die vrij zijn van bezitsdrang als een van haar hoofdwaarden heeft, kon niet achter blijven. De versie van Svâmî Prabhupâda is zeer uitgebreid en beslaat zo'n 2400 pagina's in dundruk van tekst met commentaren. En dat waren alleen nog maar de eerste tien Canto's. De resterende twee werden posthuum uitgegeven door zijn leerlingen in de volheid van zijn geest. Zo stond de auteur voor twee uitdagingen: de ene was een leesbaar lopend verhaal te maken van het boek dat was ontleed tot op het woord en ten tweede het in een taal te zetten die gepast zou zijn voor de 21e eeuw met al haar moderne en postmoderne ervaring en digitale vooruitgang in de wereldorde, zonder ook maar iets van de oorspronkelijke verzen te verliezen. Aldus kwam een andere vers tot vers zoals-het-is vertaling tot stand waarin Prabhupâda's woorden werden hertaald en gezet naar het begrip en de realisatie die ikzelf had verworven. Deze realisatie kwam rechtstreeks van de geestelijke erfopvolging van de vaishnava lijn van âcârya's (leraren) zowel als van het totale bereik van de indiase filosofie der verlichting en yoga-discipline zoals naar het Westen gebracht door niet-vaishnava goeroe's en gehandhaafd door hun leerlingen. Derhalve moet de auteur zijn dank betuigen aan al deze grote helden die het aandurfden om de koppigheid van de westerse filosofie met al haar twijfels, concretisme en skepticisme het hoofd te bieden. In het bijzonder moeten de leerlingen van Prabhupâda, leden van de wereldverzakende orde (sannyâsî's) worden genoemd die de auteur instrueerden in de onafhankelijkheid en volwassenheid van de filosofie van de bhakti-yogi's van Heer Caitanya. De auteur was in India reeds ingewijd door een non-vaishnava guru en had de naam van Svâmî Anand Aadhar meegekregen ('leraar van de grondvesting der gelukzaligheid'). Die naam werd door de Krishna gemeenschap veranderd in Anand Aadhar Prabhu (meester van de grondvesting van het geluk) zonder verdere ceremoniën van Vaishnava initiatie (op een basistraining na). Anand Aadhar is een teruggetrokken toegewijde, een zogeheten vânaprashtha, die in de stilte en bescheidenheid van zijn eigen lokale aanpassingen van de filosofie en discipline zijn toegewijde dienst doet.

De spelling van Sanskriet namen is hier en daar aangepast aan de afwezigheid van Sanskriet leestekens zodat b.v. waar normaal een plat streepje boven de letters staat een ^ accent is geplaatst. Het betekent dat men op die plaats twee letters moet lezen i.p.v. één, ofwel dat men op die letter moet rusten bij het uitspreken. Ook de naam Krishna werd zo geschreven als Krishna en rshi (= wijze) als rishi. Doorgaans is de woord voor woord vertaling aangehouden zoals gegeven in de vertalingen van Prabhupâda, zij het dat hier en daar sommige woorden vanwege hun meervoudige betekenis tot iets andere vertalingen hebben geleid. B.v. het woord loka betekent zowel plaats als planeet als leefwereld. Tussen vierkante haakjes [] wordt soms in een kleine toelichting voorzien en extra informatie gegeven om het de lezer naar de zin te maken als de oorspronkelijke tekst put uit een meer ervaren benadering. De oorspronkelijke vertaling van Prabhupâda is bij ieder vers opgelinkt zodat men kan nagaan wat de auteur heeft gedaan. Dit beantwoordt aan de wetenschappelijke traditie van de vaishnava gemeenschap. Deze teksten, alsook de meeste afbeeldingen, zijn copyright-materiaal en eigendom van de ISCKON-Krishna gemeenschap en mogen alleen gebruikt worden als een fragment en niet gepubliceerd worden door niet-leden zonder toestemming (BBT). Voor het tiende Canto zijn een meer vers-getrouwe nederlandse vertaling van een oud-leerling (S'rî Hayesvar das) van Prabhupâda en een versie van Prabhupâda's godsbroeders/leerlingen gebruikt [m.i.v. hun woord voor woord vertalingen] naast de vertaling van Prabhupâda, daar voor dit deel [maar niet voor het elfde Canto] de woord voor woord vertalingen waren weggelaten en vervangen door een meer uitgebreide tekst-omschrijving. Het twaalfde Canto werd opgesteld in referentie aan het werk van enkel de ISKCON leerlingen van Prabhupâda die zijn werk afmaakten. Verder werd gedurende het gehele concatenatieproces van deze versie de z.g. Shastri-versie van het Bhâgavatam (van de Gîtâ Press, Gorakpur), zoals die gebruikt wordt door de gewone Hindu in India zelf, ter vergelijking en als tweede opinie geraadpleegd.

Voor copyright-zaken wat betreft de gebruikte afbeeldingen en de teksten van Prabhupâda en verdere commentaren en de woord voor woord vertalingen zelf van Svâmî Prabhupâda zal men de Bhaktivedanta Booktrust en andere vaishnava sites en Hare Krishna sites en/of de gedrukte boeken van Prabhupâda zelf moeten raadplegen. Voor de copyrights op deze vertaling zal men te rade moeten gaan bij ondergetekende. Het is toegestaan deze teksen voor privé- en niet-commercieel gebruik down te loaden en uit te printen. Voor alle andere gebruik zal men contact moeten opnemen (voor links zie onze linkpagina)

Met liefde en toewijding, Anand Aadhar Prabhu, Enschede, Nederland, 05-28-2000. 

 

Hoofdstuk 1

Vragen van de Wijzen

(1) Moge er het eerbetoon zijn voor de oorspronkelijke verschijning van Hem, Vâsudeva, de Fortuinlijke, hier en in het voorbije aanwezig, van wie, voor het doel van de heugenis en de volledige onafhankelijkheid, de vedische kennis in het hart werd doorgegeven van degene die het eerst geschapen levende wezen is [Heer Brahmâ]. Over Hem verkeren, zoals met een luchtspiegeling van water naar [het vuur van] de zon, de verlichte [en zeker ook de gewone] zielen in een staat van begoocheling waarin, door de actie en reactie van de geaardheden van de materiële natuur, er de illusie van het feitelijke is. Ik mediteer op Hem die, altijd op zichzelf staand en van het bovenzinnelijke zijnd, de negatie is vrij van illusie en het Absolute van de waarheid.

(2) Hierin [in dit boek] wordt bedrieglijke religiositeit [die van nevenmotieven is] afgewezen, en vindt men het hoogste, begrijpelijk voor onzelfzuchtige waarheidlievenden. Hierin wordt geboden wat feitelijk het welzijn inhoudt dat een einde maakt aan de drievoudige misère [zoals veroorzaakt door de persoon zelf, door anderen of door de natuur]. Wat is de behoefte aan anderen [andere verhalen] als men hierin het prachtige verhaal aantreft van de Fortuinlijke zoals samengesteld door de grote wijze [Vyâsadeva] dat, met de hulp van de vromen en zij die volijverig van dienst zijn, terstond de Heer in het hart sluit. (3) Het is de gerijpte vrucht van de wensboom van de vedische literatuur die vloeiend van de lippen van S'ukadeva [de zoon van Vyâsadeva] manifesteerde als zoete nectar volmaakt in ieder opzicht; o jullie zo bedreven en gewetensvol verrukt over de toewijding, geniet altijd de veilige haven van het S'rîmad Bhâgavatam!

(4) In het woud van Naimishâranya, een geliefde plek van Vishnu, brachten wijzen onder leiding van de wijze S'aunaka een duizendjarig offer terwille van de Heer van de hemel en de toegewijden op aarde. (5) Op een ochtend terwijl het offervuur brandde, vroegen ze met het nodige respect S'rîla Sûta Gosvâmî, die een erezetel was aangeboden, het volgende: (6) "U, vrij als u bent van alle zonde, en bekend met de verhalen en historische verslagen, staat bekend als zijnde goed thuis in de religieuze geschriften waaraan u ook uitleg hebt gegeven. (7) Als de oudste van de geleerden van de Veda's kent u Vyâsadeva, de Heer onder hen -- en Sûta, u kent eveneens de anderen die goed thuis zijn in de fysische en metafysische kennis. (8) Vertel ons daarom, hoog geëerde, omdat u goed op de hoogte, eenvoudig en zuiver bent door hun genade, over de geheimen die u vernomen hebt als een onderworpen discipel van die geestelijk leraren. (9) U die daardoor gezegend bent met een onbezorgd, lang leven - vertel ons uit uw goedheid alstublieft, wat u hebt kunnen vaststellen als zijnde het absolute en uiteindelijke goed dat alle mensen verdienen. (10) Over het algemeen, o achtenswaardige, zijn de mensen in deze tijd van Kali lui, misleid, ongelukkig, en bovenal verstoord. (11) Er zijn zoveel geschriften met evenzoveel voorgeschreven plichten die ieder apart hun aandacht opeisen. O wijze zeg ons daarom wat hiervan naar uw beste weten, voor het heil van alle levende wezens, de essentie is die bevredigend is voor de ziel. (12) Wees gezegend Sûta, u weet voor welk doel de Allerhoogste, de beschermer der toegewijden, verscheen in de schoot van Devakî als de zoon van Vasudeva. (13) O Sûta, u zou ons daarom moeten verheffen, wij die er graag over willen horen, door over Hem te vertellen die nederdaalde voor het heil van alle levende wezens - en over Zijn leringen zoals die werden doorgegeven door voorgaande leraren. (14) Verwikkeld in de complicaties van geboorte en dood zullen we, zelfs als we niet volledig bewust zijn, bevrijding vinden als we de naam van de Heer respecteren die gevreesd wordt door de vrees zelve. (15) O Sûta, eenvoudig samen zijn in toewijding zal ons direct heiligen, zoals water van de Ganges dat doet maar dan alleen na het te gebruiken. (16) Wie, verlangend naar bevrijding, zou niet liever willen horen van de Heer en Zijn aanbiddelijke deugdzame daden en glorie als degene die ons heiligt in het Tijdperk der Onenigheid [Kali]? (17) Hij wordt geroemd door de grote zielen vanwege Zijn transcendentale glorie. Vertel ons, die er zo naar uitzien te geloven, alstUblieft over het spel en vermaak van Zijn nederdalen in de tijd. (18) O scherpzinnige, beschrijf ons daarom de heilbrengende avonturen en andere wederwaardigheden van de meervoudige incarnaties van de Hoogste Beheerser Zijn persoonlijke energieën. (19) We zijn het nooit moe te b vernemen over de avonturen van de Verheerlijkte en associatie te vinden met Hem, om bij iedere stap die we zetten het appetijtelijke te genieten. (20) Vermomd als een menselijk wezen deed Hij met Balarâma [Zijn oudere broer] bovenmenselijke dingen. (21) Wetend van de aanvang van het tijdperk van Kali hebben we ons hier voor langere tijd verzameld op deze plek bestemd voor de toegewijden, om offers te brengen en de tijd te nemen om te luisteren naar de verhalen over de Heer. (22) Door de voorzienigheid ontmoetten we uwe goedheid om ons als de kapitein van het schip door dit onoverkomelijke tijdperk van Kali te loodsen dat zo'n bedreiging vormt voor de goede eigenschappen. (23) Zeg ons bij wie we nu onze toevlucht moeten zoeken, nu de Heer van de Yoga, S'rî Krishna, de Absolute Waarheid en de beschermer van de religie, vertrokken is naar Zijn eigen verblijfplaats."

 

Hoofdstuk 2

Goddelijkheid en Dienst aan God  

(1) Volmaakt tevreden over de juiste vragen van de wijzen daar aanwezig, probeerde de zoon van Romaharshana [Sûta] antwoord te geven na hen bedankt te hebben voor hun woorden. (2) Sûta zei: "Hij [S'ukadeva] die wegging om te leven met de wereldverzakende orde zonder de voorgeschreven vormings-ceremonie van de heilige draad, deed Vyâsadeva, die bang was voor de gescheidenheid uitroepen: 'O mijn zoon', en al de bomen en levende wezens antwoordden sympathizerend in het hart van de wijze. (3) Laat mij mijn eerbetuigingen brengen aan hem, die van zijn levens-ervaring, als het enige transcendentale baken in het verlangen de duisternis te verdrijven van het materiële bestaan van de materialistische mens, zich de essentie van de Veda's eigen maakte en vanuit zijn grondeloze genade de zeer vertrouwelijke kennis overdroeg als de meester der grote wijzen. (4) Na eerst eerbetuigingen te hebben gebracht aan Nara-Nârâyana, [de Heer als] het opperste menselijke wezen, de godin van het leren en Vyâsadeva, laat er dan de verkondiging zijn van alles wat nodig is om te overwinnen.

(5) O wijzen, uw vragen over Heer Krishna zijn van belang voor het welzijn van de wereld omdat ze het ware zelf voldoening schenken.(6) Die plichtsvervulling is zonder twijfel voor de mensheid de hoogste, waarvan er de ononderbroken toegewijde dienst zonder nevenmotieven is aan Krishna als de Bovenzinnelijke Ene [Vishnu] die leidt tot de volledige bevrediging van de ziel. (7) De praktijk van het zich verbinden in toewijding tot Vâsudeva, de Persoonlijkheid Gods, leidt zeer spoedig tot de onthechting en de spirituele kennis die berust op eigen kracht. (8) Wat de mens doet in zijn verplichtingen overeenkomstig de eigen positie, is zinloze arbeid die nergens toe leidt, als ze niet leidt tot de boodschap van Vishvaksena [Krishna als het Hoogste Gezag]. (9) Iemands beroepsmatige verplichtingen zijn zeker bedoeld voor de uiteindelijke bevrijding en niet voor de zaak van het materiële gewin, noch is, overeenkomstig de wijzen, de materiële vooruitgang van de plichtsbetrachting in toegewijde dienst er voor het realiseren van zinsbevrediging. (10) Iemands verlangen is er niet zozeer voor de bevrediging van de zinnen, het profijt en het zelfbehoud, maar in plaats daarvan is de arbeid er voor geen andere bedoeling dan te achterhalen wat de Absolute Waarheid is. (11) De geleerde zielen zeggen dat de werkelijkheid van de onverdeelde kennis bekend staat als brahman, paramâtmâ en bhagavân [het onpersoonlijke, gelokaliseerde en persoonlijke aspect]. (12) De wijzen die, met het goede van de kennis en de onthechting, er een serieuze wil tot onderzoek op na houden, zullen in zichzelf en het Paramâtmâ in toegewijde dienst precies dat zien waarvan ze in de Veda's hebben gehoord. (13) Zo bereikt de mens, o besten der tweemaal geborenen, de hoogste volmaaktheid van beroepsmatige plichtsbetrachting overeenkomstig de verdelingen van status en roeping door de Heer te behagen. (14) Daarom moet men met onverdeelde aandacht voortdurend over de Opperheer, de beschermer van de toegewijden, vernemen en Hem verheerlijken en herinneren. (15) Wie zou geen aandacht besteden aan deze boodschap van het zich op intelligente wijze heugen van de Heer door de banden van de materieel gemotiveerde arbeid [karma] te doorbreken? (16) Iemand die met zorg en aandacht met respect voor Vâsudeva luistert, zal door de toegewijde dienst verleend aan zuivere toegewijden affiniteit vinden met de boodschap, o geleerden, en van alle ondeugd gezuiverd worden. (17) Degenen die dit horen van Zijn woorden ontwikkelden zullen deugd vinden in het luisteren en zingen en zullen zeker in hun harten hun verlangen om te genieten gezuiverd zien door de begunstiger van de waarheidlievenden. (18) Door regelmatig aandacht te besteden aan het fortuinlijke [van het boek en de toegewijde] zal vrijwel al het ongunstige zijn greep verliezen, en zal aldus de Opperheer van dienst zijnd met transcendentale gebeden onherroepelijk liefdevolle dienstbaarheid tot stand komen. (19) Te dien tijde, niet aangedaan door de effecten van de hartstocht en de onwetendheid zoals de lust, de begeerte en wat dies meer zij, zal het bewustzijn zijn gevestigd in goedheid en het geluk vinden. (20) Het denken in samenhang met de toegewijde dienst aan de Heer aldus opgehelderd, krijgt, door de omgang bevrijd, dan greep op de kennis der wijsheid in relatie tot de Fortuinlijke. (21) De ontdekking dat het [ware] zelf op die manier de meester is zal zeker de knopen in het hart aan stukken snijden, al de twijfels oplossen en een einde maken aan de keten van materieel gemotiveerde handelingen [karma]. (22) Daarom heeft het alle transcendentalisten altijd behaagd Krishna dienstbaar te zijn - het brengt hun ziel tot leven. (23) Het uiteindelijk voordeel van de Transcendentale Persoonlijkheid, dat zowel geassocieerd is met de goedheid, de hartstocht en de onwetendheid, als met de Handhaver Vishnu, de Schepper Brahmâ en de Vernietiger S'iva, wordt natuurlijk gevonden in de vorm van de kwaliteit van de goedheid [Vishnu]. (24) Zoals we het brandhout van de offers hebben dat van de aarde afkomstig is en rook produceert, zo hebben we ook de hartstocht afkomstig van traagheid die leidt tot de goedheid van welke de essentiële aard wordt gerealiseerd.

(25) Wie deze wijzen ook volgt die voordien aldus dienst leverden aan de transcendentale Heer die boven deze drie geaardheden van de natuur staat, verdient hetzelfde voordeel. (26) Om die reden verwerpen zij die de bevrijding zoeken de minder aantrekkelijke vormen der halfgoden en zijn ze, zonder afgunst, de vele vormen van de gelukzalige Heer Vishnu [Nârâyana] toegewijd. (27) Degenen die onwetend zijn en van de hartstocht, begeren weelde, macht en nageslacht, vasthoudend aan voorvaderen en andere wezens van kosmische heerschappij van een gelijksoortige aard.(28-29) Maar Vâsudeva is het voorwerp van de kennis, het doel van de offers en de yoga, de heerser over alle materiële activiteiten en de hoogste kennis, verzaking, kwaliteit, religie en doel van het leven. (30) Vanaf het begin der manifestatie is Hij, door Zijn innerlijk vermogen, de oorzaak en het gevolg geweest van alle vormen van de schepping en is Hij het transcendentale Absolute van de geaardheden der natuur. (31) Hoewel Hij zich manifesterend met de geaardheden, daarin binnen gegaan, onder de invloed van de geaardheden schijnt te staan, is Hij de volle manifestaie van alle wijsheid. (32) Hij, als de Superziel, doordringt al de levende wezens als de bron van de schepping zoals vuur dat doet in hout en treedt naar buiten als verschillende levende wezens, terwijl Hij tegelijkertijd de Absolute Persoon is. (33) Die Superziel, schiep de subtiele zintuigen beïnvloed door de geaardheden der natuur door de levende wezens in Zijn eigen schepping binnen te gaan, hen ertoe aanzettend te genieten van die geaardheden. (34) Aldus behoudt Hij alles in de geaardheid goedheid, Zelf belichaamd zijnd in het vertoon van Zijn spel en vermaak als de meester over al de werelden van de goddelijke, menselijke en de dierlijke wezens."

 

Hoofdstuk 3

Krishna is de Bron van alle Incarnaties

(1) Sûta zei: "In den beginne nam de Allerhoogste Heer, terwille van de schepping der werelden, de gedaante aan van de Oorspronkelijke Persoon[: de integriteit van het materiële bereik] zoals samengesteld uit de zestien elementen [van de tien waarnemende en werkende zinnen, de vijf elementen en de geest] en de kosmische intelligentie en dergelijke. (2) In Zijn meditatieve sluimer rustend, manifesteerde zich in dat water, uit de lotus die zich vanuit het meer van Zijn navel uitspreide, Brahmâ, de meester van alle stamvaders in het universum. (3) Men neemt aan dat de verschillende werelden [als expansies] deel uitmaken van de gedaante van de Fortuinlijke, welke waarlijk de uitnemendheid van het zuiverste bestaan is. (4) Zijn gedaante aldus perfect bezien heeft tal van benen, dijen, armen en gezichten, met prachtige hoofden, oren, ogen en neuzen, allen stralend met bloemenslingers en kledij. (5) Deze veelvormige bron van de incarnaties is het onvergankelijke zaadbeginsel waaruit de volkomen delen en delen daar weer van, de goden, de menselijke wezens en de dieren, voortkomen."

(6) "Eerst werden de zonen van Brahmâ [de Kumâra's] gedisciplineerd in versobering voor de realisatie van continuïteit. (7) Vervolgens geïncarneerd ter wille van haar welvaart, hief Hij de wereld, als een everzwijn, op uit de lagere regionen. (8) Ten derde aanvaardde Hij [in de gedaante van Nârada Muni] Zijn aanwezigheid onder de geleerden ter wille van de ontwikkeling van de vedische kennis voor het verrichten van diensten in toewijding zonder verdere materiële motieven. (9) Ten vierde geboren als de tweeling zoon van koning Dharma in de vorm van Nara-Nârâyana onderging Hij gestrenge boetedoeningen om de zinnen onder controle te krijgen. (10) Ten vijfde gaf Hij met de naam Kapila een uiteenzetting aan de brahmaan Âsuri over de aard van de metafysica en de elementen der schepping aangezien in de loop van de tijd de kennis verloren was gegaan. (11) Ten zesde, geboren als de zoon [genaamd Dattâtreya] van Atri uit Anasûyâ die voor Hem gebeden had, onderrichtte Hij Alarka, Prahlâda en anderen over het transcendentale. (12) Ten zevende geboren uit Âkûti als Yajñ'a, de zoon van Prajâpati Ruci, heerste Hij, bijgestaan door de goddelijken, over de verandering in de periode van Svâyambhuva Manu tezamen met Zijn zoon Yama en anderen. (13) Ten achtste nam Hij uit Merudevî, de vrouw van koning Nâbhi, geboorte als koning Rishabha en toonde Hij het pad der perfectie gerespecteerd door mensen van alle levensstadia. (14) Zijn negende incarnatie accepterende door de gebeden van de wijzen, heerste Hij [als Prithu] over de aarde terwille van haar cultivering en opbrengst, welke haar prachtig en aantrekkelijk maakte. (15) Als een vis [Mâtsya] in het water hield Hij Vaivasvata Manu na de periode van Câkshusha Manu in een boot beschermend drijvende op de wateren toen de wereld diep was gezonken. (16) Ten elfde ondersteunde Hij als een schildpad [Kurma] de Mandarâcala Heuvel van de theïsten en atheïsten welke diende als een draaipunt in de oceaan. (17) De twaalfde was Dhanvantari [Heer van de medische wetenschap] en ten dertiende verscheen Hij als een bekoorlijke mooie vrouw voor de atheïsten, terwijl Hij nectar gaf aan de goddelijken. (18) Zijn veertiende incarnatie verscheen Hij als Nrisimha, die met Zijn nagels half als een leeuw op Zijn schoot de koning der atheïsten uiteen reet zoals een timmerman dat doet met bamboe. (19) Ten vijftiende nam Hij de vorm van Vâmana aan [de dwerg-brahmaan] die, van het offerperk van Mahârâja Bali, alleen maar smeekte om drie voetstappen land, terwijl Hij in Zijn hart terug wilde keren naar het koninkrijk van de drie werelden. (20) In zijn zestiende incarnatie trad Hij [als Bhrigupati of Paras'urâma] eenentwintig keer op tegen de heersende klasse die de intelligentsia negeerde. (21) De gewone man als minder intelligent ziend incarneerde Hij ten zeventiende als Vyâsadeva uit Satyavatî door Parâs'ara Muni, om de wensboom van de Veda in verschillende takken onder te verdelen. (22) Vervolgens toonde Hij zich bovenmenselijk in het beheersen van de Indische Oceaan, de vorm aangenomen hebbende van een goddelijk menselijk wezen [Râma] teneinde op te kunnen treden terwille van de goddelijken. (23) Negentien zowel als twintig verscheen Hij als Balarâma en Krishna van de Vrishni-familie en aldus nam Bhagavân de last van de wereld weg. (24) Daarna in het Kali-tijdperk zal Zijn geboorte als Heer Boeddha uit Añjanâ in Gayâ plaatsvinden om diegenen die afgunstig zijn op de theisten te misleiden. (25) Daaropvolgend met de samenkomst van twee yuga's, als er nauwelijks een leider te vinden is die niet een plunderaar is, zal de Heer der Schepping geboorte nemen met de naam Kalki als de zoon van Vishnu Yas'â."

(26) "O tweemaal geborenen, uit de oceaan der goedheid zijn de incarnaties van de Heer zo talloos als de duizenden stroompjes ontspringend aan de meren. (27) Al de machtige wijzen, de goddelijken, de Manu's en hun nageslacht, zowel als de Prajâpati's [de stamvaders] zijn aspecten van de Heer. (28) Al dezen maken deel uit van Heer Krishna, de Allerhoogste Heer [Bhagavân] in eigen persoon die bescherming biedt in alle tijden en werelden tegen de vijanden van de koning van de hemel [Indra]. (29) Diegenen die in de ochtend en de avond zorgvuldig deze mysterieuze geboorten reciteren, zullen bevrijding vinden van alle ellende van de wereld. (30) Al deze gedaanten van de Heer zijn zeker van de ene zonder vorm die transcendentaal is; ze kwamen in het zelf voort uit de geaardheden van de materiële energie met haar elementen. (31) Voor de minder intelligente ziener zijn ze als wolken in de lucht en stof in de wind om te worden waargenomen. (32) Dit ongemanifesteerde voorbije, dat zonder een vorm is die wordt aangedaan door de geaardheden der natuur en is als dat wat niet gezien of gehoord wordt - dàt is het levende wezen dat herhaaldelijk zijn geboorte neemt. (33) Zo gauw men inziet dat deze grofstoffelijke en subtiele vormen voortkomen uit onwetendheid in het zelf, op dat moment bevindt men zich in associatie met het goddelijke. (34) Met het tot rust komen van de bedrieglijke materiële energie is er verrijking met de volledige kennis van de verlichting en weten in de heerlijkheden van het Zelf. (35) Aldus is de inactieve en ongeboren Heer van het Hart met Zijn geboorten en activiteiten door de geleerden beschreven als zijnde niet te onderscheiden, zelfs niet in de Veda's. (36) Aanwezig in ieder levend wezen is Hij, de almachtige meester der zinnen wiens spel vlekkeloos is, onafhankelijk en onaangedaan door schepping, vernietiging en behoud. (37) Optredend als een acteur in een toneelstuk, kunnen door Zijn manipulaties degenen met weinig kennis Hem niet in Zijn activiteiten, namen en gedaanten kennen door middel van speculaties en redeneringen. (38) Alleen hij kan weten van de transcendentale heerlijkheden van de Schepper almachtig met het wiel van de strijdwagen in Zijn hand, die onvoorwaardelijke, ononderbroken en goedgunstige dienst levert aan Zijn geurige lotusvoeten. (39) In deze wereld kan men een succes zijn als men volledig op de hoogte is van de Hoogste Persoonlijkheid van God die al Zijn universa omspant en inspireert tot het volkomene van de geest der vervoering in welke men nooit de akelige herhalingen van het wereldse belang zal aantreffen."

(40) "Dit boek over het verhaal van de Persoonlijkheid van God en Zijn toegewijden verzameld door de wijze man van God is, als een toevoeging bij de Veda's, er voor het uiteindelijke goed van alle mensen, succes, geluk en perfectie brengend. (41) S'rîla Vyâsadeva gaf het, als de room die hij uit alle vedische geschriften en geschiedenissen heeft geëxtraheerd, door aan zijn zoon, de meest eerbiedwaardige onder de zelfgerealiseerden. (42) Hij op zijn beurt vertelde het aan keizer Parîkchit die aan de Ganges boetvaardig tot aan zijn dood neerzat omringd door de wijzen. (43) Met Krishna vertrokken naar Zijn verblijf tezamen met het juiste gedrag en het spiritueel inzicht erbij, is nu deze Purâna helder als de zon opgekomen voor al de mensen die het in Tijdperk van de Redetwist [Kali-yuga] niet meer zien zitten. (44) Toen ik van die machtige grote wijze het verhaal hoorde, slaagde ik er ook in het te begrijpen, perfect aandachtig zijnd door zijn genade, zodat ik het ook aan u kan vertellen vanuit mijn eigen realisatie."

 

Hoofdstuk 4

De Verschijning van S'rî Nârada.

(1) De oudere en geleerde S'aunaka, het hoofd van de langdurige ceremonie waar de wijzen voor verzameld waren, feliciteerde Sûta Gosvâmî, hem aldus dankend: (2) "O meest fortuinlijke van diegenen die gerespecteerd zijn te spreken, vertel ons van de boodschap van het Bhâgavatam, zoals die werd uitgesproken door S'ukadeva Gosvâmî. (3) Wanneer, waar, om welke reden en waardoor geïnspireerd kon deze literatuur worden samengesteld door Vyâsadeva? (4) Zijn zoon, die evenwichtig en standvastig met zijn denken altijd gefixeerd was op de Ene, was een groot toegewijde en een ontwaakte ziel, maar onbekend zijnde leek hij onwetend. (5) Naakte badende schoonheden bedekten uit verlegenheid hun lichaam toen ze de wijze Vyâsa zijn zoon achterna zagen komen, terwijl ze verbazingwekkend genoeg desgevraagd van zijn zoon zeiden dat niet te doen daar hij ze zuiver beschouwde zonder seksueel onderscheid te maken. (6) Hoe werd hij [S'uka], die een achterlijke domme gek leek rondzwervend in de Kuru-jângala provincies, herkend door de inwoners toen hij Hastinâpura [nu: Delhi] bereikte? (7) Hoe kon, o beste ziel, tussen deze heilige en de nazaat van Pându, de wijze koning, de discussie plaatsvinden waarin deze vedische waarheid aangaande Krishna aan de orde kwam? (8) Pelgrimerend verbleef hij, de verblijfplaats zegenend, niet langer bij de deur van huishouders dan de tijd nodig om een koe te melken. (9) Vertel ons alstUblieft over Parîkchit, de zoon van Abhimanyu, van wie beweerd wordt dat hij een eerste klas toegewijde is wiens geboorte en kwaliteiten allen wonderbaarlijk zijn. (10) Om welke reden verwaarloosde de keizer die de naam van Pându verrijkte, de rijkdom van zijn koninkrijk, tot aan zijn dood in boete aan de Ganges neerzittend? (11) Waarom riep hij, aan wiens voeten alle vijanden in hun eigen belang hun weelde overgaven, in de kracht van zijn jeugd uit, zijn zo moeilijk te verzaken leven in koninklijke welstand op te geven? (12) Zij die van toewijding zijn voor de Ene Verheerlijkt in de Verzen, leven terwille van het welzijn, de welvaart en de voorspoed van alle levende wezens en niet voor zelfzuchtige doelen; om welke reden gaf hij, vrij van alle gehechtheid, dit sterfelijk lichaam op dat de toevlucht vormde voor anderen? (13) Verschaf ons uitleg over al de vragen die we hiermee aan u voorleggen want we achten u volledig op de hoogte van de betekenis van vrijwel alle woorden in de geschriften, uitgezonderd die van de vedische hymnen."

(14) Sûta Gosvâmî zei: "Toen het tweede tijdperk overgegaan in het derde eindigde, werd de wijze [Vyâsa] geboren van Parâs'ara uit de baarmoeder van de dochter van Vasu als een volledig aspect van de Heer. (15) Op een ochtend bij het opkomen van de schijf van de zon zat hij, na de wassing met het water van zijn ochtendrituelen, neer aan de oever van de rivier de Sarasvatî om zich te concentreren. (16) Het verleden en de toekomst kennend zag hij, zoals zich dat door ongeziene krachten voordoet in de verschillende tijdperken, dat zich in de religie van zijn tijd geleidelijk aan afwijkingen openbaarden. (17-18) Toen hij in zijn overstijging zag hoezeer er met het afgestompte en ongeduldige van de ongelovigen tekortschietend in goedheid, sprake was van een afname van het natuurlijk vermogen in alle soorten van mensen en ook in de andere schepselen, en dat de gewone man er ongelukkig aan toe was en maar kort leefde, wijdde de wijze zijn bovenzinnelijke aandacht aan het welzijn van alle roepingen en stadia van het leven. (19) Met het inzicht dat er vier offervuren waren voor het zuiveren van de arbeidsinzet van de mensen, verdeelde hij de Veda overeenkomstig in vieren om de voortzetting van het offeren te garanderen. (20) Rig, Yajuh, Sâma en Atharva waren de namen van deze vier Veda's terwijl de Itihâsa's (de enkele geschiedenissen) en de Purâna's (de verzamelingen van verhalen) de vijfde Veda werden genoemd. (21) Daarna werd de Rig Veda uitgedragen door de rishi Paila, de Sâma Veda door de geleerde Jaimini, terwijl Vais'ampâyana de enige was goed genoeg thuis in de materie om ervoor in aanmerking te komen de Yajur Veda hoog te houden. (22) Het serieuze respect voor de Atharva Veda lag bij Angirâ die ookwel Sumantu Muni wordt genoemd, terwijl de Itihâsa's en de Purâna's, werden verdedigd door mijn vader Romaharshana. (23) Al deze geleerden op hun beurt verdeelden de hen toevertrouwde kennis over hun volgelingen die hetzelfde deden met hun volgelingen die dat weer deden met hun leerlingen en aldus ontstonden de verschillende takken van navolgers van de Veda's. (24) Teneinde ervoor te zorgen dat de Veda evenzogoed werd opgenomen door de minder intellectuele mensen, bekommerde Vyâsa de wijze van de heerlijkheid er zich om dit voor de minder onderlegden op schrift te stellen. (25) Op deze manier denkend terwille van de dwazere arbeidersklasse, de vrouwen [zie 6.9: 6 & 9], en de vrienden van de tweemaal geborenen die zelf niet voor het begrip werkten, was de wijze zo genadig voor de realisatie van hun voordeel de geschiedenis van de Mahâbhârata op schrift te stellen."

(26) "O dierbare tweemaal geborenen, op geen enkele manier was hij, die zich altijd inspande voor het welzijn van alle levende wezens, in staat te dien tijde er tevreden over te zijn. (27) Wetende wat religie is, in afzondering gezuiverd aan de oever van de Sarasvatî, zei hij derhalve vanuit de ontevredenheid in zijn hart tegen zichzelf: (28-29) 'Met strikte discipline heb ik oprecht op de juiste manier respect betoond in overeenstemming met de vedische hymnen, de meesters geacht en de offers gebracht. Zelfs voor vrouwen, arbeiders en anderen heb ik, door de Mahâbhârata samen te stellen, naar behoren vanuit de erfopvolging uiteengezet wat moet worden gezegd van het pad der religie. (30) Hoewel ik naar het schijnt afdoende aan de eisen van de vedantisten tegemoet ben gekomen in de realisatie van de macht van de Opperziel zoals die zich in het lichaam bevindt en zelfs van mijn eigen kunnen, heb ik het gevoel dat er iets aan ontbreekt. (31) Ik heb misschien niet genoeg aandacht besteed aan de toegewijde dienst die de perfecten en de Onfeilbare zo dierbaar is. (32) Terwijl Krishna-dvaipâyana Vyâsa op deze manier zo spijtig na zat te denken over zijn tekortkomingen bereikte Nârada, over wie ik voorheen sprak, zijn hutje. (33) Het fortuin daarvan inziend, stond hij snel op en betuigde hij hem alle eer zoals de goddelijken Brahmâjî, de schepper, de eer betuigen."

 

Hoofdstuk 5

Nârada's Instructies over het S'rîmad Bhâgavatam aan Vyâsadeva.

(1) Sûta zei: "Comfortabel gezeten naast hem richtte de behaagde rishi van God - die een vînâ in zijn handen houdt - zich tot de geleerde wijze. (2) Hij zei: 'O hoogst fortuinlijke zoon van Parâs'ara, verloopt de confrontatie met het lichaam en de geest in de zelfrealisatie van uw ziel naar bevrediging? (3) U hebt uitvoerig onderzoek gedaan en goed thuis zijnde in de materie, hebt u de grote en wonderbaarlijke Mahâbhârata opgesteld met de toevoeging van uw uitgebreide verklaringen. (4) Ondanks de volledigheid van uw uitweidingen over het Absolute en Eeuwige, beste meester, betreurt u het niet genoeg gedaan te hebben'.

(5)Vyâsa zei: 'Wat u zegt is zeker waar en mijn ziel heeft er geen vrede mee gevonden. Wat is de wortel die ik gemist heb, vraag ik u, die bent voortgekomen uit de ziel als een man van onbeperkte kennis. (6) U bezit de allesomvattende kennis als een vertrouwelijke toegewijde van de Hoogste Persoonlijkheid, die de Oorspronkelijke Heerser is van het materiële en het geestelijke en in wiens denken alleen, van de transcendentie boven haar geaardheden, het universum is geschapen en vernietigd. (7) In uw goedheid bereist u de drie werelden, in ieders hart als de zelfverwerkelijkte getuige doordringend zoals de alles doordringende ether. Zeg me alstUblieft wat mijn tekortkoming is in mijn met discipline en gelofte verzonken zijn in het Absolute wat betreft de aangelegenheden van oorzaak en gevolg.'

(8) S'rî Nârada zei: 'U hebt nauwelijks de glorie van de vlekkeloze Fortuinlijke geprezen en ik denk niet dat Hij erg behaagd is met die mindere kijk op de zaak. (9) Hoewel U, grote wijze, herhaaldelijk hebt geschreven voor het heil van de vier principes van de religie [dharma, artha, kâma, moksha of rechtgeaardheid, economie, zinsbevrediging en bevrijding], hebt u dat niet gedaan ter wille van Vâsudeva. (10) Het zich maar amper bedienen van de woorden die de glorie beschrijven van de Heer die het universum heiligt, is iets waarvan de heiligen denken als van het pelgrimeren naar een verblijfplaats van kraaien; niet als iets waar de perfecten van het transcendente behagen in scheppen. (11) Die creatie van woorden die de revolutie afkondigt over de zonden van de mensen en waarin, hoewel onvolkomen van samenstelling, ieder vers verwijst naar de namen en de heerlijkheden van de Heer zonder beperkingen, wordt gehoord, bezongen en aanvaard door diegenen die gezuiverd en oprecht zijn. (12) Ondanks zelfverwerkelijking vrij van materiële motieven, ziet de kennis van het onfeilbare er niet goed uit met het loslaten van benamingen. Wat voor goeds valt er te verwachten van het steeds maar weer ten ongunste werken voor een resultaat als men de Heer er mee mist? Daar schiet je niets mee op! (13) Derhalve zou u, terwille van de bevrijding uit de universele gebondenheid, als hoogst fortuinlijke, vlekkeloze en beroemde perfecte ziener die de waarheid toegedaan is en verankerd is in de kwaliteiten, vanuit uw staat van vervoering moeten denken en schrijven over Hem wiens handelingen bovennatuurlijk zijn.

(14) Wat u ook wilt beschrijven dat van een visie is die losstaat van Hem, zal alleen maar tot namen en vormen leiden die de geest van streek brengen als een boot die van zijn ligplaats is meegevoerd door de wind. (15) U hebt voor de zaak van de religie de mensen geïnstrueerd in verband met hun natuurlijke geneigdheden [om dieren te doden voor hun voedsel b.v.], hetgeen in feite afkeurenswaardig en nogal onredelijk is. De mensen gericht op een dergelijke leidraad zullen niet denken aan de verbodsbepalingen. (16) Voor het begrijpen van de oneindige Heer komen zij in aanmerking die er goed in zijn zich te weerhouden van materiële genoegens en daarom moet diegenen die door de geaardheden gehecht zijn en de geestelijke kennis ontberen, vanuit uw goedheid de wegen en handelingen van de Heer getoond worden.

(17) Onervaren in de toegewijde dienst aan de lotusvoeten kan men de eigen ware aard verloochenend in die positie ten val komen, maar wat dan voor een ongeluk zou de niet-toegewijde ten deel vallen die, druk met zijn beroepsmatige bezigheden, niet reikt tot dat wat in Zijn belang is? (18) Zij die filosofisch zijn toegenegen zouden, om die reden, zich enkel moeten bekommeren om wat niet zo zeer wordt gevonden door van hoog naar laag te dwalen; in de loop van de tijd, die zo onvermoeibaar en subtiel is, zal men - net als de misère - het genoegen als resultaat van de gedane arbeid overal vanzelf vinden. (19) Om een of andere reden falend heeft de toegewijde een andere ervaring dan anderen: zo gauw hij in dit materiële leven de smaak te pakken heeft, zal hij, met in gedachten de voeten van de Heer der Bevrijding die hij omhelsde, het nooit meer willen opgeven. (20) Van uw eigen goedheid weet u dat alles van deze kosmos de Heer Zelve is, ook al verschilt Hij er van; Hij is de bron en de bestemming van de schepping; ik vat het alleen maar even voor u samen. (21) Geef alstUblieft een levendige beschrijving van het spel en vermaak van de Allerhoogste Heer [S'rî Krishna], daar u, door het perfecte inzicht van uw eigen ziel, kan achterhalen wat de transcendentie is van de Persoonlijkheid van de Superziel, waarvan u een volledig aspect bent geboorte genomen hebbend terwille van het welzijn van de hele wereld. (22) Het door iedereen bereiken van de beschrijvingen van de bovenzinnelijke kwaliteiten door middel van versoberingen, studie, opoffering, het bijwonen van lezingen, het koesteren van de intelligentie en door liefdadigheid, is, volgens de erkende geleerden, het niet mis te verstane belang van de goddelijke verzen die de Allerhoogste verheerlijken.'

(23)'In het voorgaande millennium werd ik, o wijze, geboren uit de dienstmaagd van bepaalde volgelingen van deze conclusie [de Vedânta] en was ik als jongen actief in hun dienst, met ze samenlevend gedurende de maanden van het regenseizoen. (24) Deze volgelingen der wijsheid waren mij, een gehoorzame, goed gemanierde, zelfbeheerste en zwijgzame jongen zonder veel belangstelling voor sport en spel, bijzonder genadig, ondanks hun onpartijdigheid jegens gelovigen. (25) Toen de tweemaal geborenen, in die periode, mij het eens toestonden te genieten van de resten van hun maaltijd, raakte ik, door die handeling, bevrijd van al mijn zonden en manifesteerde, met het aldus in zuiverheid van dienst zijn, zich de aantrekking tot dat dharma. (26) Daarna, iedere dag horend van de beschrijvingen van het leven van Krishna, kon ik door hun respect voor mij, o mijn beste Vyâsa, vol aandacht mijn oor te luisteren leggen en bij iedere stap die ik deed zo mijn smaak ontwikkelen. (27) O grote wijze, toen de smaak te pakken krijgend, vond ik continuïteit met de Heer en zag ik in dat men al het grove en subtiele aanneemt in de eigen onwetendheid wat betreft het Allerhoogste van de overstijging. (28) Zo twee seizoenen lang, de herfst en het regenseizoen, voortdurend over niets anders dan de glorie bezongen door de wijzen horend, begon mijn toegewijde dienst vorm aan te nemen met het naar de achtergrond verdwijnen van de geaardheden van de hartstocht en de onwetendheid. (29) Als een jongen, gehoorzaam en vrij van zonde, slaagde ik, aldus aangetrokken tot wat het Zijne was, er in mijn strikte navolgen toen vanwege die volgelingen in om [mijn zinnen] in bedwang te krijgen. (30) Door de zuiverheid van die toegewijden vol van zorg voor de deemoedigen, ontving ik, bij hun vertrek, de instructie van die allervertrouwelijkste kennis die rechtstreeks door de Heer Zelf wordt uitgedragen. (31) Daardoor kon ik makkelijk begrijpen wat de invloed is van de begoochelende materiële energie van de Hoogste Persoonlijkheid van God, Vâsudeva, de allerhoogste schepper, en hoe men zo de toevlucht die Hij is kan bereiken.

(32) O geleerde, men zegt dat het opdragen van je handelingen aan de Allerhoogste Heer de remedie is tegen de drievoudige misère van het leven. (33) O goede ziel, is het niet zo dat de genezing van een kwaal wordt gevonden in dat eraan gelijk wat er de oorzaak van was? (34) Op dezelfde manier zullen alle materiële handelingen een einde maken aan hun eigen materialisme zo gauw zich geschiktheid ontwikkelt in toewijding tot het transcendente. (35) Alles wat men in deze wereld doet om de Heer te behagen en wat daartoe wordt gedaan in afhankelijkheid van de kennis is bhakti-yoga [yoga van de toewijding]. (36) Als men zijn plichten vervult indachtig de wil van de Fortuinlijke, gaat de geest voortdurend uit naar de kwaliteiten en de namen van Heer Krishna. (37) Laten we mediteren op de naam en de glorie van Vâsudeva en Zijn volledige expansies Pradyumna, Aniruddha en Sankarshana. (38) De persoon die de Heer die zonder een vorm is vertegenwoordigd ziet in de geluidsvorm van een mantra, is, aldus van aanbidding zijnd voor [Heer Vishnu] de Oorspronkelijke Persoon van het Offeren, van een volmaakt inzicht. (39) O geleerde, op deze manier bezig werd ik, goed op de hoogte van het vertrouwelijke gedeelte van de vedische kennis, begenadigd met de kennis van Zijn transcendentale volheden, zowel als met de intieme persoonlijke affectie voor Heer Krishna [Kes'ava]. (40) U, beste goede ziel, met uw uitgebreide vedische kennis, die eveneens heeft gehoord van de Almachtige van wie de wijzen er altijd bevrediging in gevonden hebben te vernemen over het transcendentale - beschrijft u alstUblieft Zijn activiteiten terwille van het verminderen van het lijden van de massa der gewone mensen voor wie er geen andere uitweg is.' "  

 

Hoofdstuk 6

Het Gesprek van Nârada met Vyâsadeva

(1) Sûta zei: "Aldus over de geboorte en handelingen van de grote wijze onder de goden vernemend, vroeg de wijze Vyâsadeva, de zoon van Satyavatî, hem: (2)'Nadat de grote toegewijden die u instructie gaven over de transcendentale wijsheid vertrokken, wat deed u voordat uw huidige leven een aanvang nam? (3) Wat waren de omstandigheden waaronder u verkeerde, van het leven dat u doorbracht na deze inwijding en hoe bent u, na de nodige tijd, tot dit lichaam gekomen? (4) Hoe kon u, o grote wijze, zich dit zo in detail herinneren uit een voorgaand tijdperk, aangezien de tijd op den duur aan alles een eind maakt.'

(5) S'rî Nârada zei: 'De grote wijzen gaven me de transcendentale kennis die ik op het ogenblik heb en in mijn voorgaande leven moest ik ernaar leven toen ze waren vertrokken. (6) Mijn moeder, van wie ik de enige zoon was, was, als dienstmaagd een eenvoudige vrouw zijnd, aan mij, haar nageslacht, gebonden door haar affectie terwijl ze geen ander alternatief voor haar bescherming had. (7) Hoewel ze naar behoren voor me wilde zorgen, kon ze, afhankelijk als een pop aan een touwtje als ze was, dat niet. (8) Toen ik het onderricht volgde van de geleerden, leefde ik, nog maar vijf jaar oud, in afhankelijkheid van haar, zonder ervaring te hebben met de bepaaldheid van de tijd of het land waarin we leefden. (9) Toen ze op een avond naar buiten ging om een koe te melken, werd ze door een slang in haar been gebeten en viel ze de hoogmogende tijd ten offer. (10) Ik vatte het op als een zegening van de Heer die Zijn toegewijden altijd het beste wenst, en op die manier denkend, ging ik op weg naar het noorden. (11) Daar trof ik vele bloeiende grote en kleine steden en dorpen aan met boerderijen, akkers en mijnbouwgebieden in valleien met bloementuinen, moestuinen en wouden. (12) Ik zag heuvels en bergen vol met goud, zilver en koper en olifanten die takken van de bomen trokken nabij meren en vijvers vol met de lotusbloemen waar de bewoners van de hemel zo prijs op stellen - en mijn hart was verblijd met de vogels en het grote aantal rondvliegende bijen. (13) Ik kwam door struikgewas van bamboe, scherp gras en onkruid, ging door moeilijk begaanbare grotten en bereikte diepe en gevaarlijke wouden waar slangen, uilen en jakhalzen vrij spel hadden. (14) Lichamelijk en geestelijk vermoeid, nam ik, hongerig en dorstig, een bad en dronk ik water, in het meer van een rivier daarmee van mijn vermoeidheid herstellend. (15) In dat onbewoonde woud zocht ik beschutting onder een banyanboom en mediteerde ik, intelligent mijn toevlucht zoekend in de Superziel vanbinnen, zoals ik had geleerd van de bevrijde zielen. (16) Zo op de lotusvoeten van de Hoogste Persoonlijkheid mediterend, transformeerde al mijn denken, voelen en willen zich in bovenzinnelijke liefde en zo vol van ijver, rolden de tranen uit mijn ogen toen ik de Heer direct in mijn hart zag verschijnen. (17) Volledig overmand door een overmaat aan liefde en opgaand in geluksgevoelens over mijn hele lichaam kon ik, o wijze, volledig verzonken als ik was in een oceaan van vervoering, Hem en mezelf niet meer van elkaar onderscheiden. (18) Zonder daarna nog langer de vorm van de Heer, die alle strijdigheid uit de geest wegneemt, te zien, stond ik plotsklaps op, verstoord als ik was als iemand die iets begerenswaardigs heeft verloren. (19) Ernaar verlangend dat opnieuw te ervaren zag ik, met het denken op het hart gericht, Hem ondanks mijn afwachten niet en raakte ik zeer neerslachtig, gefrustreerd als ik was op die manier. (20) Aldus op die eenzame plek pogend, hoorde ik dat van gene zijde, ernstige en aangename woorden tot me werden gesproken die mijn treurnis deden afnemen: (21)'Luister eens, voor de duur van je leven zal je het zicht op Mij hier niet deelachtig zijn, daar het moeilijk is dat zicht te verkrijgen als men, onvolwassen met onzuiverheden, schuldig blijft in de vereniging. (22) Die gedaante werd slechts een enkele keer getoond om je verlangen op te wekken, o deugdzame, omdat door het toenemen van het verlangen van de toegewijde, het vastzitten in de slaperigheid weg zal vallen. (23) Met het zelfs maar voor enkele dagen van dienst zijn aan het Absolute een gefixeerde intelligentie jegens Mij hebben bereikt, zal men, met het opgegeven hebben van het mismoedige van deze wereld, zijn schreden richten naar en deel uitmaken van Mijn metgezellen. (24) Intelligentie op deze manier betrokken in toewijding kan nooit van Mij gescheiden worden daar, of levende wezens nu in wording zijn of aan het verdwijnen zijn, hun herinnering zich door Mijn genade zal voortzetten.'

(25) Na op die manier te hebben gesproken, stopte dat grootse en wonderbaarlijke geluid van de Hoogste autoriteit en boog ik, begunstigd als ik was, mijn hoofd in eerbetoon voor het grote en verheerlijkte. (26) Vrij van formaliteiten de heilige naam van de Onbegrensde beoefenend en in de constante heugenis van Zijn mysterieuze en zegenende activiteiten verkerend, bereisde ik, bevrijd en tevreden de wereld, in alle bescheidenheid zonder afgunst mijn tijd afwachtend. (27) Op die manier verzonken in Krishna en vrij van alle gehechtheid aan de materiële wereld, o Vyâsadeva, kwam na de nodige tijd de dood tot me, zo natuurlijk als de bliksem vergezeld gaat van een flits. (28) Beloond met dat bovenzinnelijk lichaam een metgezel van de Heer waardig, verliet ik het lichaam samengesteld uit de vijf elementen, toen ik zag dat mijn verworven karma tot een einde was gekomen. (29) Na het einde van het tijdperk, nam de Heer die zich neer had gelegd in de wateren der vernietiging mij, met de schepper en al, op in Zijn ademhaling. (30) Een duizend tijdperken later, toen de schepper weer werd uitgeademd, verscheen ik weerom tezamen met alle andere rishi's zoals Marîci. (31) Trouw aan de gelofte zowel in de drie werelden als erboven rondreizend, ben ik, vanwege de genade van Mahâ-Vishnu, er vrij in te gaan daar en wanneer ik maar wil. (32) Op deze manier beweeg ik me, onder het voortdurend bezingen van de boodschap van de Heer de bovenzinnelijk geladen vînâ bespelend waarmee de Godheid me heeft onderscheiden. (33) Zo zingend verschijnt spoedig het aangezicht van de Heer van de lotusvoeten over wiens handelingen men met genoegen verneemt, in de zetel van mijn hart alsof ik Hem zou kunnen gebieden. (34) Ik kwam tot het inzicht dat voor diegenen die vol zorgen zijn in hun verlangen naar de objecten van hun zintuigen, er een boot is om de oceaan van materiële onwetendheid over te steken: het herhaaldelijk reciteren van de glorie van de Heer. (35) Verlangen en lust telkens ondervangen door de discipline van de yoga zal voor de ziel zeker niet zo bevredigend zijn als de dienst aan de Persoonlijkheid van God. (36) Ik beschreef voor jou, die zonder zonden bent, dit alles over mijn geboorte en activiteiten, voor de voldoening van zowel jouw als mijn eigen ziel.' "

(37) Sûta zei: "Aldus de machtige wijze toesprekend,nam Nârada Muni afscheid van de zoon van Satyavatî en vertrok hij onder het beroeren van zijn bekoorlijke vînâ, naar waar dan ook. (38) Alle glorie en succes zij de wijze der goden toegewenst die er behagen in schept de heerlijkheden van de Persoonlijkheid van God te bezingen en met behulp van zijn instrument het lijdende universum tot leven te wekken".  

 

Hoofdstuk 7

De Zoon van Drona Gestraft

(1) S'rî S'aunaka zei: "Wat deed, toen Nârada Muni was vertrokken, de alvervulde Vyâsadeva nadat hij van de grote wijze gehoord had wat hij wilde horen?"

(2) Sûta antwoordde: "Op de westelijke oever van de Sarasvatî waar de wijzen mediteren is er bij S'amyâprâsa een âs'rama voor de bevordering van bovenzinnelijke activiteiten. (3) Daar, op zijn eigen plek zat Vyâsadeva omringd door bessenbomen zijn denken te concentreren na het doen van zijn waterofferande. (4) Met zijn denken in de toewijding van de yoga gelijkgericht zag hij, volmaakt gefixeerd zonder materiële zorgen, het geheel van de Oorspronkelijke Persoon [de purusha] in combinatie met de uitwendige energie die van Hem afhankelijk is. (5) De levende wezens geconditioneerd op de natuurlijke geaardheden, beschouwen, ondanks het transcendentale van hun ziel, het ongewenste als iets vanzelfsprekends en ondergaan daarvan de terugslagen. (6) Voor de gewone man, zich niet bewust van het einde van het ongewenste dat men vindt in de yoga van de toewijding tot Hem die Zich in het voorbije bevindt, verzamelde de wijze, dit inziend, de verschillende verhalen met betrekking tot de Absolute Waarheid. (7) Eenvoudigweg aandacht besteden aan de literatuur over Krishna, de Allerhoogste Persoonlijkheid, zal het devotionele doen ontspruiten dat het weeklagen, de illusie en de angst wegneemt. (8) Na de verzamelingen van verhalen te hebben bijeengebracht en geredigeerd, onderrichtte hij zijn zoon S'ukadeva Gosvâmî erin, de wijze van ernst in de zelfverwerkelijking."

(9) S'aunaka vroeg: "Waarom zou hij, volledig op het pad der zelfverwerkelijking en innerlijk tevreden in goddelijke onverschilligheid, deze uitgebreide studie ondergaan?"

(10) Sûta zei: "De wonderbaarlijke kwaliteiten van de Heer zijn van die aard dat, ondanks het feit dat men behagen schept in de ziel, zowel de gewone man als de wijzen vrij van alle materiële bindingen zuivere toegewijde dienst verrichten ter wille van Heer Vishnu, Urukrama. (11) Met de kwaliteit van verzonkenheid in aandacht voor de Allerhoogste Heer, was S'uka, als de zoon van Vyâsa, bij de toegewijden geliefd vanwege het feit dat hij de regelmatige studie op zich had genomen van deze grootse vertelling. (12) Laat me u daarom nu de verhalen van Krishna vertellen over de geboorte, activiteiten en bevrijding van koning Parîkchit, de wijze onder de koningen, zowel als het verhaal van de wereldverzaking van de zonen van Pându.

(13-14) Toen op het slagveld van Kurukshetra de krijgslieden van de Pândava's en de Kaurava's hun heroïsche lotsbestemming gevonden hadden en de zoon van koning Dhritarâshthra weeklaagde over de gebroken ruggengraat als gevolg van een klap van de knots van Bhîma, dacht de zoon van Dronâcârya [As'vatthâmâ] zijn meester Duryodhana te behagen door hem bij wijze van prijs de hoofden van de slapende zonen van Draupadî te bezorgen - maar toen de meester dit te zien kreeg keurde hij deze schandelijke daad af. (15) De moeder van de kinderen [van de Pândava's], huilde bittere tranen in weeklagen toen ze van de slachting hoorde. Arjuna [die de Pândava's aanvoerde], probeerde haar te kalmeren en zei: (16) 'O zachtmoedige dame, ik kan alleen maar de tranen van uw wangen wissen, als het hoofd van die gevallen brahmaanse agressor er is afgeschoten door de pijlen van mijn boog Gândîva. Ik zal het u komen brengen zodat u er uw voet op kan plaatsen en dan, na de crematie van uw zoons, een bad kan nemen.' (17) Na haar met deze keur aan woorden tevreden hebben gesteld besteeg Arjuna, hij die geleid wordt door de Onfeilbare, gewapend en in kuras, zijn strijdwagen om As'vatthâmâ, de zoon van zijn leraar in de krijgskunst, te achtervolgen. (18) Toen die hem op een afstand achter zich aan zag komen, raakte de kindermoordenaar in paniek en vluchtte hij met grote snelheid in zijn strijdwagen weg om zijn leven te redden, zoals Sûrya voor S'iva wegvluchtte [*]. (19) Zich onbeschermd ziend toen zijn paarden uitgeput raakten, nam de zoon van de tweemaal geborene [As'vatthâmâ], alleen maar aan zichzelf denkend, zijn toevlucht tot het ultieme wapen [de brahmâstra]. (20) Met zijn leven in gevaar, beroerde hij water en concentreerde hij zich op het reciteren van de mantra's, zonder echter te weten hoe hij het proces moest stoppen. (21) Een hel licht verspreidde zich dermate fel in alle richtingen, dat bij het zien van die levensbedreiging Arjuna zich wendde tot de Heer [die zijn strijdwagen mende] en zei: (22) 'O, Krishna, Krishna, Jij bent de Almachtige die de angst van de toegewijden wegneemt, Jij alleen bent het pad der bevrijding voor hen die te lijden hebben in hun materiële bestaan. (23) Jij bent de transcendentale oorspronkelijke genieter en directe beheerser van de materiële energie. Jij bent degene die door Zijn eigen innerlijke vermogen de materiële illusie afwendt in de gelukzaligheid en de kennis van Je eigen Zelf. (24) Vanuit die positie bevind Je Je, in Je almacht, in het hart van degenen die materieel verstrikt zijn en voorzie je op de eerste plaats in het hoogste goed van de rechtschapenheid [van het dharma: waarheid, zuiverheid, versobering en mededogen]. (25) Aldus neem Je geboorte om de last van de wereld weg te nemen en voor de tevredenheid en de heugenis van Je vrienden en zuivere toegewijden. (26) O Heer der Heerscharen, ik weet niet waar dit hoogst gevaarlijke, oogverblindende licht vandaan komt dat zich in alle richtingen verspreidt.' (27) De Allerhoogste Heer zei: 'Neem van Mij aan dat het afkomstig is van de zoon van Drona, die, met de dood voor ogen, het wapen van de mantra's lanceerde, zonder zelfs maar te weten hoe hij het moet intrekken. (28) Niets anders kan dit wapen tegenwicht bieden dan nog zo'n wapen; in feite zal je deze immense gloed moeten tegengaan gebruikmakend van je eigen brilliante krijgskunsten.' "

(29) Sûta zei: "Na gehoord te hebben wat de Allerhoogste Heer zei, sipte Arjuna, terwijl hij de Heer omliep, zelf van water en nam hij het hoogste wapen op om dat van zijn tegenstander onschadelijk te maken. (30) Daarop raakte door de gezamenlijke gloed van de twee elkaar dekkende wapens de ganse hemel en het uitspansel doortrokken van een expanderende vuurbal zo fel als de zon. (31) Toen de bewoners der drie werelden zagen hoe de hitte van beide wapens hen ernstig schroeide, deed hen dat denken aan het vuur der vernietiging van de eindtijd [sâmvartaka]. (32) Inziende welk een verstoring dit inhield voor de gewone man en zijn woonplaatsen, trok Arjuna, op aanwijzing van Vâsudeva, beide wapens terug. (33) Toen nam Arjuna, met ogen rood als koper van de woede, de zoon van Gautamî gevangen, hem vaardig vastbindend met touwen alsof het een beest betrof. (34) Nadat hij de vijand met geweld vastgebonden had en hij hem weg wilde voeren naar het militaire kampement, zei de Allerhoogste Heer, die het met Zijn lotusogen gadesloeg, tegen de kwaad geworden Arjuna: (35)'Laat deze brahmanenzoon nooit lopen, straf hem, want hij heeft onschuldige jongens in hun slaap gedood. (36) Iemand die de principes van de religie kent is er beducht voor vijanden te doden die onoplettend zijn, onder invloed verkeren, krankzinnig zijn, slapen, nog jong zijn, vrouw zijn, dwaas zijn, een overgegeven ziel zijn of iemand zijn die zijn strijdwagen kwijt is. (37) Maar iemand die schaamteloos en wreed denkt dat hij zich met recht in leven kan houden ten koste van de levens van anderen, verdient het zeker dat hem voor zijn eigen bestwil een halt wordt toeroepen, daar door de misdaad de persoon [die hem laat begaan zowel als de misdadiger zelf] tenondergaat.(38) Ik hoorde persoonlijk dat je de dochter van de koning van Pâñcâla beloofde: 'Ik zal je het hoofd brengen van hem die je ziet als de moordenaar van je zoons.' (39) Hij, niet meer zijnde dan de verbrande as van zijn familie, een zondaar in overtreding die verantwoordelijk is voor de moord op je zoons en die zijn eigen meester mishaagde, moet daarom het oordeel ondergaan."

(40) Sûta zei: "Hoewel Arjuna, door Krishna aan een test van zijn plichtsbetrachting onderworpen, ertoe was aangemoedigd, ging zijn hart er niet naar uit de zoon van zijn leraar te doden, hoewel hij de schandelijke moordenaar was van zijn zonen. (41) Daarna, toen hij zijn eigen kampement bereikte, samen met zijn dierbare vriend en wagenmenner Govinda, vertrouwde hij de moordenaar toe aan zijn beminde vrouw die weeklaagde over haar vermoorde zoons. (42) Toen ze de crimineel zo als een dier in touwen gebonden en stil van zijn schandelijke daad, naar haar toe gebracht zag, betoonde Draupadî, uit de schoonheid van haar aard, de zoon van de leraar meedogend het benodigde respect. (43) Ze kon het niet verdragen hoe hij vastgebonden werd opgebracht en zei: 'Maak hem los, want hij is een brahmaan, een leraar van ons'. (44) Door zijn [Drona's] genade heb je zelf de vertrouwelijke kennis van de krijgskunst en het werpen en beheersen van allerlei wapens ontvangen. (45) Heer Drona bestaat voorzeker voort in de gedaante van zijn zoon, daar zijn wederhelft Kripî [zijn vrouw] niet uit het leven is gestapt [middels satî] omdat er een zoon was. (46) Derhalve, o meest gelukkige in het kennen van het dharma, bezorg vanuit de goedheid die in je is de immer respectabele en vererenswaardige familie geen verdriet. (47) Maak zijn moeder, Drona's toegewijde echtgenote, niet aan het huilen zoals ik, die voortdurend tranen pleng in treurnis over een verloren kind. (48) Als het adellijk bestuur zich niet weet in te tomen in relatie tot de orde van hen die studeerden, zal dat bestuur in een oogwenk afbranden en zal ze, samen met haar familieleden, in verdriet belanden."

(49) Sûta zei: "O hooggeleerden, de koning [van de Pândava's, Yudhishthhira] viel de uitlatingen van de koningin bij daar ze in overeenstemming waren met de principes van het dharma, de rechtspraak en genadevol waren, zonder dubbelhartigheid en verheven in rechtschapenheid. (50) Zo ook vielen haar bij Nakula en Sahadeva [de jongere broers van de koning] en ook Sâtyaki, Arjuna, de Allerhoogste Heer de zoon van Devakî, zowel als de dames en anderen. (51) Daarop zei Bhîma verontwaardigd: 'Voor zijn zonder een goede reden, noch voor zichzelf noch voor zijn meester, gedood hebben van slapende kinderen, is gesteld dat de dood zijn loon is.' (52) De vierarmige [Heer Krishna], na de woorden gesproken door Bhîma en Draupadî aangehoord en het gezicht van Zijn vriend [Arjuna] gezien te hebben, zei, alsof Hij glimlachte: (53-54) 'Het familielid van een brahmaan moet niet ter dood worden gebracht, hoewel men een agressor ter dood brengt - dit is bij Mij voorzeker allebei voorgeschreven om ten uitvoer te worden gebracht met het vasthouden aan de regels. Je moet je aan de waarheid houden van je belofte gedaan i.v.m. de genoegdoening jegens je vrouw en eveneens handelen naar de tevredenheid van zowel Bhîma als van Mij.' "

(55) Sûta zei: "Meteen doorhebbend wat de Heer bedoelde, scheidde hij met behulp van zijn zwaard het juweel van het hoofd van de tweemaal geborene tezamen met zijn haar. (56) Hij [As'vatthâmâ], die naast het verlies van zijn lichamelijke luister als gevolg van de kindermoord ook aan kracht had ingeboet met het ontberen van zijn juweel, werd, na te zijn losgemaakt, toen uit het kampement verdreven. (57) Het afsnijden van het haar, het beslagleggen op de weelde en verbanning zijn de soorten van lijfstraffen gereserveerd voor de familieleden van hen die studeerden, en niet enige andere methode om met het lichaam af te rekenen. (58) Daarna voltrokken de zonen van Pându, door verdriet overmand, de rituelen die moeten worden verricht uit respect voor overleden familieleden."  

Voetnoot

*: Toen de zonnegod de demon Vidyunmâlî nazat viel Heer S'iva in woede met zijn drietand hem aan. De zonnegod op de vlucht struikelde te Kâs'î, alwaar hij bekend raakte als Lolârka.    

 

Hoofdstuk 8

Parîkchit Gered en de Gebeden van Koningin Kuntî

(1) Sûta zei: "Aldus begaven ze zich tezamen met Draupadî en de vrouwen voorop, naar de Ganges met de wens de waterrituelen uit te voeren voor hun verwanten. (2) Nadat een ieder zijn wateroffer had gebracht en afdoende nogmaals getreurd had, namen ze een bad in het water van de Ganges dat gezuiverd is door het stof van de lotusvoeten van de Heer. (3) Daar zaten, getroffen door verdriet, de koning van de Kuru's [Yudhishthhira] met zijn jongere broers, Dhritarâshthra en Ghândârî samen met Kuntî, Draupadî en de Heer Zelve. (4) Heer Krishna samen met de muni's kalmeerde aldaar de geschokte en geëmotioneerde familie die haar vrienden en familieleden had verloren, door erop te wijzen hoe een ieder is onderworpen aan de onafwendbare Tijd. (5) Vanwege het bedriegen van Yudhishthhira [de oudste van de Pândava's], die geen vijanden had, waren de niets ontzienden [Duryodhana en zijn broers] gedood die op doortrapte wijze het koninkrijk hadden ingepalmd en hun levensduur hadden bekort met de belediging van het bij de haren vastgrijpen van de koningin [Draupadî]. (6) Door het op gepaste wijze uitvoeren van drie paardoffers raakte hij [Yudhishthhira] in alle uithoeken zo bekend als Indra die dat offer een honderdtal keren had gebracht.

(7) Aanbeden door de wijzen en de geschoolden, nodigde de Heer, in reactie op hun afscheidsgroet, de zoons van Pându uit tezamen met Uddhava [een andere verwant en vriend van Krishna]. (8) Gezeten op Zijn strijdwagen zag Hij, juist toen Hij naar Dvârakâ wilde vertrekken, Uttarâ [de moeder in verwachting van Parîkchit] die zich vol vrees in Zijn richting spoedde. (9) Ze zei: 'Bescherm me, bescherm me, o Grootste der Yogi's, Aanbedene der Aanbedenen en Heer van het Universum; behalve U zie ik niemand anders die onbevreesd is in deze wereld van dood en dualiteit. (10) O almachtige Heer, een gloeiende pijl van ijzer komt op me af. Laat het mij verbranden, o Beschermer, maar redt mijn vrucht.' "

(11) Sûta zei: "Haar woorden geduldig aanhorend begreep de Allerhoogste Heer, die Zijn toegewijden altijd een warm hart toedraagt, dat dit het resultaat was van een brahmâstra wapen van de zoon van Drona die aan het bestaan van alle nazaten van de Pândava's een einde wilde maken. (12) O leider van de wijzen [S'aunaka], toen de Pândava's het laaiende wapen op zich af zagen komen grepen ze naar hun eigen vijf wapens. (13) Ziende dat ze zich in groot gevaar bevonden met geen andere middelen tot hun beschikking, nam de Almachtige Zijn eigen Sudars'ana werpschijf ter hand om Zijn toegewijden te beschermen. (14) Vanuit Zijn positie in de ziel van alle levende wezens, schermde de Allerhoogste Heer van de Yoga middels Zijn persoonlijke energie de vrucht van Uttarâ af om het nageslacht van de Kurudynastie te beschermen. (15) O S'aunaka, hoewel het brahmâstra wapen niet door tegenmaatregelen te stuiten is, werd het, geconfronteerd met de kracht van Vishnu, geneutraliseerd. (16) Maar bezie dit alles, van al het mysterieuze en onfeilbare dat we van Hem kennen, niet als iets bijzonders. De ongeziene godheid is middels Zijn materieel vermogen van schepping, handhaving en vernietiging.

(17) Gered van de straling van het wapen, richtte de kuise Kuntî samen met haar zoons, zich tot Heer Krishna die op het punt stond te vertrekken. (18) Kuntî zei: 'Mijn eerbetuigingen voor U, de Purusha, de Oorspronkelijke Beheerser van de Kosmos die onzichtbaar is en voorbij al het bestaande zowel vanbinnen als vanbuiten bestaat. (19) Verhuld door de begoochelende [materiële] sluier, onberispelijk transcendent en niet te onderscheiden voor de dwazen, bent U als een acteur uitgedost voor het acteren. (20) U bent er opdat de gevorderde transcendentalisten en filosofen, die geest en stof van elkaar weten te onderscheiden, kunnen overgaan tot de wetenschap van het zich verenigen in de toewijding; maar hoe moeten wij vrouwen U dan in acht nemen? (21) Daarom breng ik U mijn respectvolle eerbetuigingen, U de Allerhoogste Heer, de zoon van Vasudeva en Devakî, van Nanda en de koeherders van Vrindâvana, die de beschermer bent van de koeien en de zinnen. (22) Mijn eerbetoon is er voor U, die een lotusachtige welving in Zijn buik heeft, die altijd gesierd is met lotusbloemen, wiens blik koel als een lotusbloem is, en wiens voetafdruk het merkteken van lotusbloemen draagt. (23) U bent de meester der zinnen en hebt Devakî die in nood verkeerde [de moeder van Krishna] bevrijd uit een lange gevangenschap veroorzaakt door de afgunstige [oom] koning Kamsa, en, o Heer, U hebt mij en mijn kinderen beschermd tegen een voortdurende dreiging. (24) Na ons in het verleden gered te hebben van een grote brand, menseneters, een laaghartige vergadering, ontberingen onder verbanning in het woud en tegen wapens in veldslagen met grote generaals, hebt U ons nu volledig beschermd tegen het wapen van de zoon van Drona. (25) Hadden we maar meer van die calamiteiten, zodat we U keer op keer zouden kunnen ontmoeten, o Meester van het Universum, want U ontmoeten betekent dat we niet langer de herhaling van geboorten en dood onder ogen hoeven te zien. (26) Zij die onder de invloed verkeren van het streven naar een goede geboorte, rijkdommen, scholing, en schoonheid, zullen nooit en te nimmer het verdienen zich tot U te mogen richten, die gemakkelijk te benaderen bent voor hen die berooid zijn. (27) Alle eer aan U, de rijkdom van hen die in armoede leven; U die staat voor het transcendentale dat het aangedaan zijn door de materiële geaardheden te boven gaat; U als degene die in zichzelf gelukkig is en het meest zachtgeaard is; al mijn eerbetoon voor U die de Meester der Zaligheid bent. (28) Ik beschouw U als de verpersoonlijking van de eeuwige Tijd, als de Heer die zonder een begin en einde is, en als de alles doordringende Ene die Uw genade overal gelijkelijk verdeelt over de levende wezens die met elkaar in onenigheid verkeren. (29) O Heer, niemand doorgrondt Uw spel en vermaak, dat zo strijdig lijkt als wat de gewone man doet; mensen denken dat U partijdig bent, maar U begunstigt niemand en heeft ook aan niemand een hekel. (30) O Ziel van het Universum, van de vitale energie zijnde Uw geboorte nemend hoewel U ongeboren bent en handelend hoewel U inactief bent, bent U waarlijk verbijsterend in Uw Zich manifesteren met de dieren, de menselijke wezens, de wijzen en de schepselen in het water. (31) Het verwart me dat toen de gopî [Yas'odâ, het koeherderinnetje, de pleegmoeder van Krishna] een touw oppakte om U vast te binden, U bang was en U de make-up van Uw ogen huilde, hoewel U gevreesd wordt door de Vrees in eigen persoon. (32) Sommigen zeggen dat U, zoals sandelhout verschijnt in de Malaya heuvels, uit het ongeborene bent geboren terwille van de glorie van de deugdzame koningen of het genoegen van de familie van de dierbare koning Yadu. (33) Anderen zeggen dat U bent nedergedaald uit het ongeborene voor het heil van Vasudeva en Devakî die voor U baden en voor het einde van degenen die afgunstig op de goddelijken zijn. (34) Weer anderen beweren dat U, als een boot op zee, bent gekomen om de last van hevig werelds verdriet weg te nemen en dat U Uw geboorte nam vanwege de gebeden van Heer Brahmâ. (35) En nog weer anderen zeggen dat U verscheen voor degenen die, door de begeerte en onwetendheid in de materieel gemotiveerde wereld, het zwaar te verduren hebben, zodat ze zich van hun taak kunnen kwijten met het over U vernemen, het U in gedachten houden en met het U aanbidden. (36) Die mensen die er behagen in scheppen voortdurend over Uw handelingen te horen, ze te bezingen en ze te herinneren, zullen zeker zeer snel Uw lotusvoeten zien, die een eind maken aan de herhaling van wedergeboorten. (37) O Heer, met alles wat U voor ons gedaan hebt, laat U, vertrekkend naar de koningen die in vijandschap verwikkeld zijn, ons nu achter - wij Uw intieme vrienden die, enkel bij Uw genade, in afhankelijkheid van Uw lotusvoeten, hun leven hebben. (38) Wij, zonder U, zullen tezamen met de Yadu's en Pândava's, zonder de faam en de naam zijn, zoals een lichaam is zonder de zinnen nadat de geest is vertrokken. (39) Het land van ons koninkrijk zal niet langer er zo mooi uitzien als nu het geval is met de verbluffende merktekenen van Uw voetsporen. (40) Al deze steden en plaatsen bloeiden, dankzij Uw blikken, meer en meer op met hun weelde aan kruiden, groenten, wouden, heuvels, rivieren en zeeën. (41) Daarom, o Heer van het Universum, Persoonlijkheid van de Universele Gedaante, verbreek mijn band van diepe genegenheid voor mijn soortgenoten de Pândava's en de Vrishnis. (42) Maak mijn aantrekking voor U zuiver en voortdurend overlopend, zoals de Ganges die naar zee stroomt. (43) O Krishna, vriend van Arjuna en leider van de Vrishnis, vernietiger van de opstandige geslachten van deze aarde, met Uw niet aflatende heldenmoed bevrijdt U de koeien in nood, de tweemaal geborenen en de goddelijken, o nederdaling van de Heer der Yoga, Universele Leraar en Oorspronkelijke Eigenaar, U biedt ik mijn eerbetuigingen."

(44) Sûta zei: "Na met die keuze van woorden door Koningin Kuntî in Zijn universele glorie te zijn aanbeden, gaf de Heer een milde glimlach ten beste zo betoverend als Zijn Mystiek vermogen. (45) Dat alles op die wijze aanvaardend en na verder respectbetoon jegens de dames in het paleis van Hastinâpura, werd de Heer, bij het vertrek naar Zijn eigen verblijfplaats, tegengehouden door de liefde van de koning [Yudhishthhira]. (46) De geleerden, de wijzen en Heer Krishna, Hij van de bovennatuurlijke werken in eigen persoon, konden hem, van streek als hij was, niet overtuigen, noch kon hij troost vinden in de klassieke geschiedenissen. (47) koning Yudhishthhira, zoon van Dharma, denkend vanuit de materiële opvatting van het verloren hebben van zijn vrienden, liet zich, o wijzen, gaan op de begoocheling van zijn genegenheid toen hij sprak: (48)'O, bezie mij in mijn onwetendheid van hart, diep gezonken in de zonde van het met dit lichaam, dat eigenlijk bedoeld is voor de dienstverlening aan anderen, gedood hebben van zovele formaties van strijders. (49) Vele jongens, tweemaal geborenen, zorgdragers, vrienden, ouderen, broeders en leraren gedood hebbend, zal ik voorzeker nooit, in nog geen miljoen jaar, bevrijding vinden uit de hel. (50) Voor een koning vechtend voor de goede zaak van het beschermen van de burgers is het geen zonde om mensen te doden in de strijd met zijn vijanden, maar deze woorden, die ingesteld zijn voor de tevredenheid van het bestuur, zijn op mij niet van toepassing. (51) Ik kan niet verwachten dat al de vijandigheid die zich heeft opgeworpen vanwege de vrienden die ik heb gedood die vrouwen hadden, teniet zal worden gedaan door me in te spannen terwille van het materiële welzijn. (52) Zoals men geen modderwater met modder kan filtreren of een wijnvlek met wijn kan verwijderen, heeft het ook geen zin het doden van mensen tegen te gaan door dieren te offeren.' "  

 

 

 Hoofdstuk 9

Het Heengaan van Bhîshmadeva in de Aanwezigheid van Heer Krishna

(1) Sûta zei: "In angst verkerende vanwege het feit dat hij mensen gedood had, ging Yudhishthhira daarna, ter wille van het volledig besef van de religieuze plicht, naar het slagveld, waar hij de stervende Bhîshma neerliggend aantrof. (2) Getrokken door de beste paarden opgesierd met gouden ornamenten, volgden alle broers hem daar,