Zie voor de online versie met illustraties, muziek en links naar de voorgaande vertaling : http://bhagavata.org/index.ned.html

 

 

S'RÎMAD BHÂGAVATAM

"Het verhaal van de fortuinlijke"

 

CANTO 10 - Deel II

Het Hoogste Goed

 

Inleiding   

Hoofdstuk 24 Krishna in Tegen Indra ten Gunste van de Brahmanen, de Koeien en de Heuvel Govardhana

Hoofdstuk 25 Heer Krishna Tilt de Heuvel Govardhana op

Hoofdstuk 26 Nanda Brengt de Verblufte Gopa's de Woorden van Garga in Herinnering

Hoofdstuk 27 Heer Indra en Moeder Surabhi Brengen Gebeden

Hoofdstuk 28 Krishna Redt Nanda Mahârâja uit het Rijk van Varuna

Hoofdstuk 29 Het Râsa-spel: Krishna Ontmoet 's Nachts de Gopî's en Ontsnapt

Hoofdstuk 30 De Gopî's op Zoek naar Krishna er vandoor met Râdhâ

Hoofdstuk 31 De Gezangen van de Gopî's in Gescheidenheid

Hoofdstuk 32 Krishna Keert Terug naar de Gopî's

Hoofdstuk 33 De Râsadans

Hoofdstuk 34 Sudars'ana Verlost en S'ankhacûda Gedood

Hoofdstuk 35 De Gopî's Zingen van Krishna als Hij in het Woud Rondtrekt

Hoofdstuk 36 De Stier Arishthâsura Verslagen en Akrûra Gestuurd door Kamsa

Hoofdstuk 37 Kes'î en Vyoma Gedood en Nârada Looft Krishna's Toekomst

Hoofdstuk 38 Akrûra's Gemijmer en de Ontvangst in Gokula

Hoofdstuk 39 Krishna en Balarâma Vertrekken naar Mathurâ

Hoofdstuk 40 Akrûra's Gebeden

Hoofdstuk 41 De Aankomst van de Heer in Mathurâ

Hoofdstuk 42 Het Breken van de Offerboog

Hoofdstuk 43 Krishna Doodt de Olifant Kuvalayâpîda

Hoofdstuk 44 De Worstelwedstrijd en het Doden van Kamsa

Hoofdstuk 45 Krishna Redt de Zoon van Zijn Leraar

 

 

 Introductie

Dit boek verhaalt de geschiedenis van de Heer en Zijn incarnaties sedert de vroegste verslagen van de vedische geschiedenis. Het is waarachtig de Krishna-Bijbel van het Hindoe-universum. De Bhagavad Gîtâ is daarbij vergeleken als de Bergrede van Heer Jezus in verhouding tot de volledige bijbel. Het heeft 18.000 verzen en bestaat uit twaalf boeken, z.g. Canto's. Deze boeken vertellen het volledige verhaal van de vedische kultuur met de essentie van al haar klassieke verhalen genaamd purâna's en bevat de room van de vedische kennis verzameld uit de literatuur zowel als het verhaal van het leven van Heer Krishna in zijn geheel (10e Canto). Het vertelt over Zijn geboorte, Zijn jeugd, al Zijn wonderbaarlijke bewijzen van Zijn Goddelijke aard en de bovenmenselijke prestaties van het verslaan van allerlei demonen tot aan de grote Mahâbhârat oorlog te Kurukshetra toe. Het is een schitterend verhaal dat naar het Westen is gebracht door Swami Bhaktivedânta Prabhupâda, een Caitanya-vaishnava, een (devotionele) bhakti-monnik van Heer Vishnu [de naam voor de bovenzinnelijke gedaante van Heer Krishna] die de gedurfde taak op zich nam om de materialistische westerlingen zowel als de gevorderde filosofen en theologen te verlichten, teneinde ze te helpen de gevaren en de eenzaamheid van het impersonalisme en de filosofie van de leegte te overwinnen.

Voor de vertaling heeft de auteur van deze internet-versie gebruik gemaakt van de vertaling van Swami Prabhupâda. Als âcârya [goeroe onderwijzend door het voorbeeld te geven] uit de eeuwenoude indiase vaishnava-traditie vertegenwoordigt hij de reformatie van de toewijding tot God zoals die vanaf de zestiende eeuw in India werd gepraktiseerd. Deze reformatie houdt staande dat het valse gezag van het kastenstelsel en enkel droge boekengeleerdheid moet worden afgewezen. Heer Krishna-Caitanya, de avatâra [een nederdaling van de Heer] die deze reformatie inluidde, herstelde de oorspronkelijke bedoeling van het ontwikkelen van de toewijding tot God en ijverde m.n. voor de heilige schrift waarin deze toewijding in relatie tot Krishna als de Hoogste Persoonlijkheid van God wordt uiteengezet. Dit geschrift is deze bhâgavata purâna waar al de vaishnava-leraren van het voorbeeld [âcârya's] hun wijsheid voor het onderricht uit putten en hun toewijding gestalte mee geven. De woord-voor-woord-vertalingen zowel als de volledige tekst en commentaren op dit boek werden zowel binnen als buiten de Hare Krishna tempels in zowel Amerika als Europa bestudeerd. De bedoeling van de vertaling is op de eerste plaats deze glorieuze tekst voor een breder publiek via het internet bereikbaar te maken. Aangezien de Bijbel, de Koran en tal van andere heilige teksten vrij beschikbaar zijn, meende de auteur dat dit boek niet achter kon blijven op de planken van zijn eigen boekenkast als een bewijs van materiële bezitsdrang. Kennis niet gedeeld is verloren kennis en zeker dit soort kennis welke de nadruk legt op de yoga van toewijding, die vrij zijn van bezitsdrang als een van haar hoofdwaarden heeft, kon niet achter blijven. De versie van Swami Prabhupâda is zeer uitgebreid en beslaat zo'n 2400 pagina's in dundruk van tekst met commentaren. En dat waren alleen nog maar de eerste tien Canto's. De resterende twee werden posthuum uitgegeven door zijn leerlingen in de volheid van zijn geest. Zo stond de auteur voor twee uitdagingen: de ene was een leesbaar lopend verhaal te maken van het boek dat was ontleed tot op het woord en ten tweede het in een taal te zetten die gepast zou zijn voor de 21-e eeuw met al haar moderne en postmoderne ervaring en digitale vooruitgang in de wereldorde, zonder ook maar iets van de oorspronkelijke verzen te verliezen. Aldus kwam een andere vers tot vers zoals-het-is vertaling tot stand waarin Prabhupâda's woorden werden hertaald en gezet naar het begrip en de realisatie die ikzelf had verworven. Deze realisatie kwam rechtstreeks van de geestelijke erfopvolging van de Vaishnava lijn van âcârya's (leraren) zowel als van het totale bereik van de indiase filosofie der verlichting en yoga-discipline zoals naar het Westen gebracht door niet-vaishnava guru's en gehandhaafd door hun leerlingen. Derhalve moet de auteur zijn dank betuigen aan al deze grote helden die het aandurfden om de koppigheid van de westerse filosofie met al haar twijfels, concretisme en skepticisme het hoofd te bieden. In het bijzonder moeten de leerlingen van Prabhupâda, leden van de wereldverzakende orde (sannyâsî's) worden genoemd die de auteur instrueerden in de onafhankelijkheid en volwassenheid van de filosofie van de bhakti-yogi's van Heer Caitanya. De auteur was in India reeds ingewijd door een non-vaishnava guru en had de naam van Swami Anand Aadhar meegekregen ('leraar van de grondvesting der gelukzaligheid'). Die naam werd door de Krishna gemeenschap veranderd in Anand Aadhar Prabhu (meester van de grondvesting van het geluk) zonder verdere ceremoniën van Vaishnava initiatie (op een basistraining na). Anand Aadhar is een teruggetrokken toegewijde, een zogeheten vânaprashta, die in de stilte en bescheidenheid van zijn eigen lokale aanpassingen van de filosofie en discipline zijn toegewijde dienst doet.

De spelling van Sanskriet namen is hier en daar aangepast aan de afwezigheid van Sanskriet leestekens zodat b.v. waar normaal een plat streepje boven de letters staat een ^ accent is geplaatst. Het betekent dat men op die plaats twee letters moet lezen i.p.v. één, ofwel dat men op die letter moet rusten bij het uitspreken. Ook de naam Krsna werd zo geschreven als Krishna en rshi (= wijze) als rishi. Doorgaans is de woord voor woord vertaling aangehouden zoals gegeven in de vertalingen van Prabhupâda, zij het dat hier en daar sommige woorden vanwege hun meervoudige betekenis tot iets andere vertalingen hebben geleid. B.v. het woord loka betekent zowel plaats als planeet als leefwereld. Tussen vierkante haakjes [ ] wordt soms in een kleine toelichting voorzien en extra informatie gegeven om het de lezer naar de zin te maken als de oorspronkelijke tekst put uit een meer ervaren benadering. De oorspronkelijke vertaling van Prabhupâda is bij ieder vers opgelinkt zodat men kan nagaan wat de auteur heeft gedaan. Dit beantwoordt aan de wetenschappelijke traditie van de Vaishnava-gemeenschap. Deze teksten, alsook de meeste afbeeldingen, zijn copyright-materiaal en eigendom van de ISCKON-Krishna gemeenschap en mogen alleen gebruikt worden als een fragment en niet gepubliceerd worden door niet-leden zonder toestemming (BBT). Voor het tiende Canto zijn een meer vers-getrouwe nederlandse vertaling van een oud-leerling (Srî Hayesvar das) van Prabhupâda en een versie van Prabhupâda's godsbroeders/leerlingen gebruikt [m.i.v. hun woord voor woord vertalingen] naast de vertaling van Prabhupâda, daar voor dit deel [maar niet voor het elfde canto] de woord voor woord vertalingen waren weggelaten en vervangen door een meer uitgebreide tekst-omschrijving. Het twaalfde canto werd opgesteld in referentie aan het werk van enkel de ISKCON leerlingen van Prabhupâda die zijn werk afmaakten. Verder werd gedurende het gehele concatenatieproces van deze versie de z.g. Shastri-versie van het Bhâgavatam (van de Gîtâ Press, Gorakpur), zoals die gebruikt wordt door de gewone Hindu in India zelf, ter vergelijking en als tweede opinie geraadpleegd.

Voor copyright-zaken wat betreft de gebruikte afbeeldingen en de teksten van Prabhupâda en verdere commentaren en de woord voor woord vertalingen zelf van Swami Prabhupâda zal men de Bhaktivedanta Booktrust en andere Vaishnava-sites en Hare Krishna sites en/of de gedrukte boeken van Prabhupâda zelf moeten raadplegen. Voor de copyrights op deze vertaling zal men te rade moeten gaan bij ondergetekende. Het is toegestaan deze teksen voor privé- en niet-commercieel gebruik down te loaden en uit te printen. Voor alle andere gebruik zal men contact moeten opnemen (voor links zie onze linkpagina)

Met liefde en toewijding, Anand Aadhar Prabhu, Enschede, 05-28-2000.    

 

 

 Hoofdstuk 24

 Krishna in Tegen Indra ten Gunste van de Brahmanen, de Koeien en de Heuvel Govardhana

(1) S'rî S'uka zei: 'De Allerhoogste Heer zich ophoudend in diezelfde plaats [Vraja] in het gezelschap van ook Baladeva, zag hoe de gopa's druk in de weer waren met het regelen van een offerplechtigheid voor Indra. (2) Hoewel de Allerhoogste Heer, de Ziel van Allen die Allen Overschouwt, wist wat dat betekende [zie B.G. 9: 23], verboog Hij zich nederig en deed Hij navraag bij de ouderen aangevoerd door Nanda [Zijn stiefvader]: (3) 'Vertel Me, beste vader, wat al dit gedoe te betekenen heeft waarmee u bent opgezadeld, waar leidt dat toe, voor wie doet men het en met welke middelen wil men dit offer volbrengen? (4) Vertel Me er alstublieft over, Ik heb dit sterke verlangen erover te vernemen o vader; het kan toch niet zo zijn dat de handelingen die men hier aantreft van de geheiligden die allen gelijkgezind zijn - gelijk in wat het hunne is of van anderen of wie een vriend of vijand is of een neutraal iemand - iets zou zijn waar je geheimzinnig over doet, is het wel? (5) Een onverschillige persoon moet als een vijand worden gemeden terwijl een medestander moet worden behandeld als je eigen zelf zo zegt men. (6) Mensen houden zich met deze activiteiten bezig met begrip voor wat ze doen, maar ook zonder te begrijpen wat ze doen; voor zij die wijs weten wat ze doen is er dan de volmaaktheid te vinden met de arbeid die men verricht, maar voor dwazen zonder dat benul is die volmaaktheid niet in zicht. (7) Met die wijsheid, vraag Ik u, of deze gezamenlijke inspanning van jullie iets is dat voorgeschreven staat [in de geschriften] of enkel maar een gebruik is; dat moet u Me duidelijk uitleggen.'

(8) S'rî Nanda zei: 'Indra is de grote heer van de regen, de wolken zijn zijn persoonlijke representanten, zij verschaffen de regen voor alle levende wezens die net als melk de voedende levenskracht is. (9) Voor het vocht dat hij loslaat aanbidden wij en andere mensen ook met allerlei dingen en vuuroffers hem, die heer en meester van de wolken, mijn beste zoon. (10) Met wat ervan overblijft houden de mensen hun levens op de drievoudige manier in stand [religieus, economisch en zinnelijk]; hij is het bovenmenselijk wezen dat hen de vruchten brengt die in hun menselijke handelingen op resultaten uit zijn. (11) Een ieder die deze religieuze plicht die ons per traditie werd doorgegeven afwijst is een persoon die vanwege lust, vijandigheid, angst en hebzucht voorzeker niet de schittering [van God] kan bereiken [zie B.G. 10: 36].'

(12) S'rî S'uka zei: 'Toen Hij had geluisterd naar wat Nanda en ook de andere ingezetenen van Vraja te zeggen hadden, sprak Heer Kes'ava tot Zijn vader op een manier die Heer Indra kwaad maakte. (13) De Allerhoogste Heer zei: 'Het is vanwege karma dat een levend wezen geboorte neemt, het is door karma alleen dat hij voor vernietiging komt te staan; geluk en ongeluk, geborgenheid en angst zijn allen het resultaat van karma. (14) Als er dan een of andere beheerser zou zijn die beloont met de vruchten van arbeid die door anderen werd verricht, dan is die heerser nog steeds afhankelijk van iemand die [vanuit zijn karma] offers brengt; per slot van rekening is er geen sprake van de meester te zijn als er niemand is die productieve arbeid verricht! (15) Dus wat hebben levende wezens, die ieder de weg van hun eigen karma volgen, te maken met Indra die ook niets kan doen aan wat er voor mensen overeenkomstig hun aard is weggelegd? (16) Een persoon inderdaad wordt beheerst door zijn eigen aard - hij volgt zijn aard; deze ganse wereld met zijn goden, demonen en gewone mensen bestaat op basis van ieder zijn eigen aard. (17) De hoger of lager geëvolueerde lichamen die de levende wezens verwerven en opgeven als gevolg van hun handelingen, maken dat hun karma hun vijand, hun vriend of onpartijdige rechter is; dat karma alleen is hun beheerser, hun goeroe [zie ook B.G. 8: 15 & 16, 4.29: 26-27 en 7.7: 46-47]. (18) Daarom behoort men, vasthoudend aan de eigen plichten zonder veel moeite tewerk gaand, respect te oefenen voor het karma van de eigen aard [zie varnâs'rama]; men leeft met dat karma, het is dat karma dat zonder twijfel iemands aanbiddelijke godheid is. (19) Zoals een overspelige vrouw met haar minnaar, behaalt men geen wezenlijk voordeel zijn heil zoekend bij een ander wezen dan het wezen [de aanbiddelijke godheid] waar men zijn leven aan ontleent. (20) De geschoolden leven naar de Veda's, de heersende klasse leeft van het beschermen van de aarde, de vaishya's leven van handel drijven en de s'ûdra van het dienen van de tweemaal geborenen [de voorgaande drie, zie ook 7.11: 21-24]. (21) Landbouwen, handel drijven, koeien beschermen en nummer vier bankieren zegt men is de viervoudige beroepsmatige plicht [van de vaishya]; van dezen is dat waar wij mee bezig zijn de constante zorg voor de koeien. (22) Van de goedheid, de hartstocht en de onwetendheid veroorzaakt door handhaving, schepping en vernietiging [zie guna] werd door de geaardheid hartstocht [het rond bewegen] dit universum voortgebracht en is er van het tweevoudige de verscheidenheid van de wereld. (23) De wolken ertoe gedreven door die hartstocht storten overal hun water uit en door dat water handhaven ze eenvoudig de bevolking, dus wat zou Indra dan doen? (24) De steden, de cultuurgebieden en de dorpen zijn niet de plaatsen waar we thuis zijn, we zijn de mensen van het bos beste vader, we leven altijd in de wouden en de heuvels. (25) Laten we daarom een begin maken met een offerplechtigheid voor de koeien, de brahmanen en de heuvel [Govardhana], en moge dit worden uitgevoerd met de benodigdheden voor het offer voor Indra! [zie ook voetnoot 10.8*3] (26) Laten we allerlei soorten van gerechten en soepen bereiden, te beginnen met zoete rijst, havermout, broodjes en gebak en laten we allerlei soorten melkproducten gebruiken. (27) Voedt de vuren naar behoren met het voedsel goed klaargemaakt door de brahmanen die thuis zijn in de Veda's; hen moet u belonen met koeien. (28) Zoals dat gepast is voor iedereen moet er ook worden gedacht aan honden en uitgestotenen en andere gevallen zielen, gras moet worden gegeven aan de koeien en voor de berg moeten allerlei offers worden gebracht. (29) Mooi opgesierd en met ons buikje vol moeten met ons in onze beste kleren en ingesmeerd met sandelhoutpasta de koeien, de brahmanen, de vuren en de heuvel [altijd rechts gehouden] omlopen worden. (30) Dit is wat ik denk o vader, moge dat geschieden als u het goed vindt, daar dit voor de koeien, de brahmanen en de heuvel een feest is dat ook Mij naar de zin is.'

(31) S'rî S'uka zei: 'Deze woorden horend uitgesproken door de Allerhoogste Heer, de Tijd in eigen persoon, met de bedoeling de trots van Indra te breken, aanvaarden Nanda en de oudere mannen ze als zijnde uitstekend. (32-33) En zo brachten ze alles ten uitvoer waar Madusûdhana over had gesproken: ze zorgden voor de geslaagde manier van het reciteren met de hulpmiddelen die ter beschikking stonden; de heuvel, de brahmanen betuigden ze allen gezamenlijk respectvol de eer; de koeien, de stieren en kalveren werden gras voorgezet en vervolgens ging men over tot het omlopen van de heuvel. (34) De koeherdersvrouwen fraai opgesierd rijdend op wagens getrokken door ossen bezongen, tezamen met de tweemaal geborenen die hun heilswensen uitriepen, de heerlijkheden van S'rî Krishna. (35) Toen, om de gopa's in hun geloof te sterken, nam Krishna een andere gedaante aan met de woorden 'Ik ben de heuvel' en verzwolg Hij de overvloed aan offergaven met het gigantische van Zijn lichaam [zie vapu en de voetnoot*]. (36) Voor Hem tezamen met het volk van Vraja bracht Hij middels Zichzelf aan Zichzelf Zijn eerbetuigingen: 'Oh, zie toch, hoe deze heuvel in eigen persoon aanwezig ons de genade heeft vergund!'  

 Voetnoten :

* S'rîla Prabhupâda schrijft hierbij (Krishnaboek ch. 24): "De identiteit van Krishna en de heuvel Govardhana wordt nog steeds hoog gehouden, en grote toegewijden nemen stukken steen van de heuvel Govardhana mee en aanbidden ze precies zoals ze de beeltenis van Krishna aanbidden in de tempels. Toegewijden verzamelen om die reden keien en steentjes van de heuvel Govardhana en vereren ze thuis, omdat deze aanbidding even goed is als het aanbidden van een beeltenis."

 

Hoofdstuk 25  

Heer Krishna Tilt de Heuvel Govardhana op

(1) S'rî S'uka zei: 'Toen werd Indra die zich realiseerde dat de aanbidding van zijn persoon was afgewezen, o Koning, kwaad op de gopa's aangevoerd door Nanda die Krishna hadden aanvaard als hun Heer. (2) Wolken die de naam Sâmvartaka droegen om een eind aan dat alles te maken werden er door Indra op uit gestuurd die zichzelf daarbij valselijk ziend als de allerhoogste beheerser vertoornd de woorden uitsprak: (3) 'Kijk nu eens hoe buitengewoon groot de verbijstering is van deze in het bos wonende koeherders wat betreft hun rijkdom; zij, met het zich verlaten op een sterveling als Krishna, hebben een overtreding begaan jegens de goden! (4) Met het afzweren van de geestelijke kennis proberen ze de oceaan van het materieel bestaan over te steken enkel in naam van rituele offerplechtigheden gericht op het profijt, offers die ontoereikend zijn om ze als boten op die oceaan te dienen. (5) Hun toevlucht nemend tot Krishna, dit kwebbelende, ingebeelde kind dat onwetend denkt dat Hij de wijsheid in pacht heeft, hebben de gopa's gehandeld in afkeer jegens mij. (6) Breng de vernietiging over hen en hun dieren wiens harten, vergrendeld door Krishna, zijn vergiftigd door hun welvaart en moge de valse trots van hen die gek zijn geworden door hun rijkdom, het veld ruimen. (7) Ik zal eveneens, rijdend op mijn olifant Airâvata, meekomen naar Vraja onder de begeleiding van de windgoden, me daar met grote macht naar toe begevend met de bedoeling Nanda's koeiengemeenschap weg te vagen [zie o.a. ook: 6.11 & 12].'

(8) S'rî S'uka zei: 'De wolken aldus verordonneerd door Indra teisterden, ontketend uit hun posities, met al hun macht Nanda's koeherdersdorp met een enorme stortvloed aan regen. (9) Oplichtend van de bliksemflitsen en rollend van de donder zorgden ze, voortgedreven door de windgoden, voor een angstwekkende regen van hagelstenen. (10) Met de regen die uit de wolken zonder ophouden neerstroomde in dichte gordijnen, kon het hoge en lage van de aarde die onder water kwam te staan niet meer worden onderscheiden. (11) Geplaagd door de overmaat aan hemelwater en de hevige wind gingen de gopa's en gopî's huiverend van de kou naar Govinda voor hun beschutting. (12) Hun hoofden bedekkend en hun kinderen beschermend met hun lichamen benaderden ze, geteisterd door de regen, rillend de basis gevormd door de lotusvoeten van de Allerhoogste Persoonlijkheid van God: (13) 'Krishna, o Krishna, o Grootste Geluk, U bent Uw eigen baas, o Heer, alstUblieft bescherm de koeiengemeenschap tegen Indra die kwaad op ons is, o Beschermer der Toegewijden [zie ook 10.8: 16].'

(14) Toen Hij ze zo buiten zinnen zag onder de aanval van de hagel, de regen en de hevige winden, achtte de Allerhoogste Heer Hari de woede van Indra hier verantwoordelijk voor: (15) 'Omdat Ik zijn offerplechtigheid afwees zet Indra nu de zaak ter vernietiging onder water met deze ongewoonlijk felle regens en heftige winden vol met hagelstenen ongebruikelijk voor het seizoen. (16) Om dat afdoende tegen te gaan zal Ik middels de macht van Mijn yoga voor de ondergang zorgen van de trots over de weelde en de onwetendheid van hen die zo dwaas zijn zichzelf valselijk te beschouwen als de Heer en Meester over de wereld. (17) Mijn uitbannen van het onzuivere van het valse prestige van hen die denken dat ze de Beheerser zijn is zeker niet bedoeld voor die verlichte zielen die begaan zijn met goedheid, het is bedoeld om hen te verlossen [zie ook B.G. 14: 14]. (18) Het is derhalve aan Mij om middels de macht van Mijn yoga Mijn eigen familie, de koeherdersgemeenschap die zijn toevlucht zocht bij Mij als hun meester te beschermen; dit is de eed die Ik heb afgelegd [zie ook B.G. 9: 22].'

(19) Na zich aldus te hebben uitgelaten pakte Hij, Vishnu, met één hand [Zijn linker] de heuvel Govardhana op en hield Hij hem net zo makkelijk omhoog als een kind een paddestoel. (20) De Allerhoogste Heer zei toen tegen de gopa's: 'O moeder, o vader, o bewoners van Vraja, ga zo je wilt, alsjeblieft met jullie koeien in de vrije ruimte beneden deze heuvel. (21) Jullie hoeven er niet bang voor te zijn dat door de regen en de wind de berg van Mijn hand zal vallen; jullie zijn bang genoeg geweest en om jullie daarvan te verlossen heb Ik voor jullie om die reden in deze oplossing voorzien.'

(22) Met hun geesten zo door Krishna tot rust gebracht gingen ze in de ruimte onder de berg waar ze veilig waren met hun koeien, wagens en iedereen die bij hen hoorde. (23) Met minachting voor de pijn van honger en dorst en alle overwegingen van persoonlijk geluk, hield Hij voor ogen van de bewoners van Vraja de berg zeven dagen lang omhoog zonder zich van Zijn plaats te verroeren. (24) Toen hij het resultaat zag van Krishna's mystieke vermogen was Heer Indra buitengewoon verbaasd en riep hij de wolken een halt toe, gebroken als hij was in zijn besluit en met zijn valse trots verslagen. (25) Met de hemel leeg zonder wolken, de zon gerezen en de felle wind en regen beëindigd, richtte de Heffer van Govardhana zich tot de koeherders: (26) 'Alstublieft, vertrek van hier tezamen met jullie bezittingen, vrouwen en kinderen; zie het einde van jullie angst onder ogen, o gopa's, de wind en de regens zijn opgehouden en het hoogwater is zo goed als voorbij.'

(27) Toen kwamen de gopa's, ieder zijn eigen koeien meevoerend, met hun bezittingen geladen op de karren tevoorschijn met de vrouwen, de kinderen en de oude mensen langzaam er achter aan. (28) En voor ogen van al de levende wezens zette de Almachtige Allerhoogste Heer die heuvel weer terug waar hij had gestaan. (29) De bewoners van Vraja al naar gelang hun eigen positie traden, stralend met de opwelling van de liefde die ze voor Hem voelden, naar voren terwijl de gopî's vol vreugde blijk gaven van hun genegenheid met omhelzingen en zo meer terwijl ze Hem, met yoghurt, ongebroken granen en water, bedachten met de beste hunner zegeningen. (30) Yas'odâ, Rohinî, Nanda en Balarâma, de Grootste der Sterken, omhelsden Krishna buiten zichzelf van de liefde en bereiden Hem alle heilswensen. (31) Uit de hemel hieven de goddelijken, de vervolmaakten, de heiligen, de hemelse zangers en de eerbiedwaardigen, lofzangen voor de Heer aan, waarbij ze voldaan een regen van bloemen deden nederdalen, o aardse heerser. (32) Hoornschelpen en pauken laten klinkend speelden de halfgoden in de hemel en zongen de Gandharva's geleid door hun aanvoerder Tumburu, o heerser der mensen. (33) O Koning, toen, omringd door de liefdevolle hoeders der dieren, ging Krishna tezamen met Balarâma op weg naar waar ze hun koeien lieten grazen en terwijl ze vertrokken zongen de gopî's over al Zijn soortgelijke daden gelukkig als ze waren met Hem die hen in hun harten had geraakt.'

 

 

Hoofdstuk 26 

Nanda Brengt de Verblufte Gopa's de Woorden van Garga in Herinnering

(1) S'rî S'uka zei: 'De gopa's getuige van handelingen als deze [dit heuveltillen] van Krishna, konden Zijn heldhaftigheid niet doorgronden en benaderden, verbaasd als ze waren, Nanda: (2) 'Hoe kon, gezien de zonder twijfel buitengewone handelingen van de jongen, Hem een voor Zichzelf afkeurenswaardige geboorte ten deel vallen onder wereldse mensen? (3) Hoe kan een jongen van zeven jaar oud machtig als een olifant speels met één hand de beste van alle heuvels omhoog houden als was het een lotusbloem? (4) Als een babytje met nauwelijks de ogen open zoog Hij [de vergiftigde melk] uit de borst van de o zo machtige Pûtanâ en zoog Hij daarmee ook haar levensadem weg, zoals de macht van de tijd de jeugd van het lichaam wegzuigt [zie 10.6]. (5) Hij, een paar maanden oud, die lag te huilen onder een kar, duwde met Zijn voetjes naar boven de kar omver die geraakt door de tip van Zijn voetje in duigen viel [zie 10.7]. (6) Een jaar oud neerzittend werd Hij meegevoerd de lucht in door de demon Trinavârta die Hij, hem bij zijn nek grijpend, pijnigde en doodde [zie 10.7]. (7) Op een dag toen Hij druk was met het stelen van boter, bond Zijn moeder Hem aan een groot stampvat waarmee Hij, zich op Zijn handen tussen twee arjuna bomen manoeuvrerend, ervoor zorgde dat ze omvielen [zie 10.10]. (8) Omringd door de jongens samen met Balarâma de kalveren hoedend in het bos scheurde Hij met Zijn armen de bek uiteen van de moorddadige vijand Baka [zie 10.11]. (9) Vatsa, die als een ander kalf zich begeven had onder de kalveren om Hem te doden, werd door Hem bij wijze van sport gedood door hem [in een boom omhoog gegooid] te laten neerploffen voor kapittha vruchten [zie 10.11]. (10) Tezamen met Balarâma doodde Hij de ezeldemon [Dhenuka] en zijn metgezellen en maakte Hij het Tâlavana bos vol van de rijpe vruchten weer veilig [zie 10.15]. (11) Na te hebben geregeld dat de verschrikkelijke Pralamba zou worden gedood door de hoogst machtige Balarâma, verloste Hij de dieren van Vraja en de gopa's van de bosbrand [zie 10.18 & 19]. (12) De trots van de aanvoerder van de slangen [Kâliya] verslaand door hem, met zijn zo heel giftige giftanden, te onderwerpen stuurde Hij hem met geweld weg uit het meer van de Yamunâ, en maakte Hij het water daarmee vrij van het gif [10.16 & 17]. (13) Beste Nanda, hoe kan het zo zijn dat wij, al de bewoners van Vraja, onze gevoelens van liefde voor uw zoon, die ons van Zijn kant ons net zo natuurlijk benadert, niet op kunnen geven? (14) Het idee dat Hij als een jongen van zeven jaar oud de grote heuvel optilde plaatste ons, o meester van Vraja, voor een aantal vragen omtrent uw zoon [wat voor spelletje zou Hij nou weer aan het spelen zijn?].'

(15) Nanda zei: 'Alstublieft luister naar mijn woorden beste gopa's; laat jullie twijfel omtrent de jongen varen, dit is wat Garga me voorheen heeft gezegd met betrekking tot dit kind [zie ook 10.8: 12-19 voor dezelfde verzen]: (16) 'Drie kleuren werden door uw zoon aangenomen in het aanvaarden van lichamen naar gelang iedere yuga [*]; wit, rood en ook geel. Op het ogenblik is Hij zwart. (17) Kort hiervoor werd dit kind geboren uit Vasudeva en om die reden zullen zij die ervan op de hoogte zijn over uw kind spreken als de in alle opzichten prachtige Vâsudeva. (18) Van deze zoon van u zijn er vele namen en gedaanten overeenkomstig de aard van Zijn kwaliteiten en handelingen; ik ben daarvan op de hoogte, maar de gewone man weet het niet. (19) Dit kind zal altijd handelen naar wat voor jullie allen het gunstigst is in Zijn rol als een Nanda-Gokula koeherder; door hem zullen jullie allen met gemak alle gevaar trotseren [*3]. (20) In vervlogen tijden werden door Hem, o Koning van Vraja, de vromen die waren verstoord door de schurken van een foute regering beschermd zodat zij, met de slechten verslagen, konden floreren [zie ook 1.3: 28]. (21) Zoals degenen trouw aan Vishnu niets te vrezen hebben van de Asura's, zullen die personen die jegens dit kind zo fortuinlijk zijn te handelen uit genegenheid niet door vijanden worden overweldigd. (22) Daarom, o Nanda, draag nauwgezet zorg voor de opvoeding van dit kind: in Zijn kwaliteiten, rijkdom, naam en faam is deze zoon van u zo goed als Nârâyana!' (23) Zich op deze manier uitlatend diende Garga me van advies en ging naar huis; ik beschouw Krishna, die ons bevrijdt van alle obstakels, [sedertdien] als een expansie van Nârâyana.'

(24) Met het horen van deze woorden van Nanda over wat Garga had gezegd aanbaden de bewoners van Vraja, door Nanda geïnspireerd en met hun verbijstering verdwenen, Heer Krishna. (25) De halfgod die de regens brengt bezorgde, kwaad toen hij zag dat zijn offerplechtigheid was doorbroken, de koeherders, de dieren en de vrouwen een hoop ellende met zijn bliksemschichten, hagel en wind; met Hem als hun enige toevlucht voor ogen moest Hij glimlachen uit mededogen en pakte Hij, een klein kind, de heuvel op met één hand alsof het een paddestoel was teneinde de koeherdersgemeenschap te beschermen - moge Hij, de Indra van de koeien, de vernietiger van de arrogantie van de grote koning van de wolkenlucht, tevreden met ons zijn!'

 Voetnoot:

* Deze kleuren zullen later in het elfde Canto in verzen 11.5: 21, 24, 27 en 34 van het Bhâgavatam worden uiteen gezet [zie ook een andere site erover].

 

 

Hoofdstuk 27

Heer Indra en Moeder Surabhi Brengen Gebeden

(1) S'rî S'uka zei: 'Nadat Hij de heuvel Govardhana had hooggehouden om Vraja te beschermen tegen de regens kwam uit de wereld van de koeien moeder Surabhi [de hemelse koe] naar Krishna. Ook Indra kwam naar Hem toe. (2) Op een afgezonderde plek [*] benaderde Indra Hem vol van schaamte zo vijandig te zijn geweest en beroerde hij Zijn voeten met zijn helm die straalde als de zon. (3) Met het vernomen hebben over en getuige geweest zijn van de macht van Heer Krishna, wiens onbegrensde vermogen een einde had gemaakt aan zijn arrogantie de heer der drie werelden te zijn, sprak hij als volgt.

(4) Indra zei: 'Uwe majesteit van bovenzinnelijke goedheid die van de vrede en de verlichting der boete is vernietigde de hartstocht en onwetendheid geboren uit illusie; in U is deze voortdurende stroom van de materiële kwaliteiten niet aanwezig waaraan men met de beheersing kwijt gebonden is. (5) Hoe, o Heer, zouden er [in U, zoals ik dacht, zie 10.25: 3] de oorzaken te vinden zijn van het verstrikt zijn - de begeerte en dat alles - die een onwetende persoon kenmerken; U bent immers de Allerhoogste Heer die ter verdediging van het dharma Uw gezag uitoefent om de slechten te bestraffen. (6) De vader, de goeroe, bent U van het gehele universum, de Oorspronkelijke Beheerser en de onoverkomelijke Tijd die van dienst als de roede, met het door U aannemen van bovenzinnelijke gedaanten, er is om de eigenwanen weg te vagen van hen die denken dat ze zelf de heer van het universum zijn. (7) Dwazen als ik die menen dat ze de baas over de wereld zijn laten, op het moment dat ze geconfronteerd worden met Uw onbevreesdheid, gezwind hun inbeelding varen als ze als gevolg van het lesje dat U de slechten leert niet langer meer opgeblazen zijnde zich in ieder opzicht hebben begeven op het pad der beschaafde heren. (8) U als zodanig o Meester, vergeef het daarom alstUblieft mij, ik die, zich niet bewust van Uw invloed, door zijn heerschappij zich wentelde in hoogmoed en met zijn intelligentie verdwaasd een overtreding beging; laat alsUblieft mijn bewustzijn nimmer weer zo verdorven zijn o Heer. (9) Uw nederdalen in deze wereld, o Heer van het Voorbije, is er voor het bestaan van hen die Uw lotusvoeten dienen, o Godheid, en voor het niet-bestaan van de krijgsheren die met de vele verstoringen waartoe ze aanleiding geven een grote overlast vormen. (10) Mijn eerbetuigingen voor U, de Opperheer en Oorspronkelijke Persoonlijkheid, de grote Ziel Heer Krishna, de zoon van Vasudeva; mijn eerbetuigingen voor de Meester van de Dienaren van de Absolute Waarheid. (11) Hem bied ik mijn eerbetuigingen die naar de verlangens van hen die Hem toebehoren lichamen aanneemt, wiens gedaante de zuiverste spirituele kennis is en die het zaad is van allen en alles alsook de Ziel die zich ophoudt in alle levende wezens. (12) O Heer toen de offerplechtigheid werd tegengegaan was ik buitenmate arrogant en kwaad en eropuit om met regen en wind de koeherdersgemeenschap te vernietigen, o Allerhoogste Heer. (13) U, o Beheerser hebt met het tonen van Uw genade mijn halsstarrigheid gebroken en mijn pogen vruchteloos gemaakt; ik ben naar U, het Ware Zelf en de geestelijk leraar, toegekomen om mijn toevlucht te nemen.'

(14) S'rî S'uka zei: 'Met Krishna op deze manier verheerlijkt door de grootmoedige Indra glimlachte de Opperheer naar hem en sprak Hij ernstig als de wolken de volgende woorden. (15) De Allerhoogste Heer zei: 'Ik ging ertoe over uw offerplechtigheid tegen te houden om u Mijn genade te tonen zodat u, als de koning van de hemel zo hoogst onder de invloed met de weelde, Me voor altijd zoudt herinneren. (16) Hij, die verblind door zijn macht en weelde vol van verbeelding is en Mij niet ziet staan met de roede in Mijn hand, zal Ik, ernaar verlangend hem vooruit te helpen, een val bereiden vanuit zijn positie van weelde [zie ook B.G. 9: 22]. (17) O u allen van de macht, o Indra, alle geluk zijt u toegewenst, moogt u, Mijn opdracht nalevend, vrij van valse voorstellingen zich nuchter bezig blijven houden met uw verantwoordelijkheden.'

(18) Toen sprak tot Krishna moeder Surabhi die, vreedzaam van geest samen met haar koeien smekend om Zijn aandacht, de Heer die als een koeherdersjongen was verschenen haar respect betoonde. (19) Surabhi zei: 'Krishna, o Krishna, o Grootste Mysticus, o Ziel en Oorsprong van het Universum, met U, o baas over de wereld, hebben we onze meester gevonden, o Onfeilbare. (20) U bent onze Allerhoogste Godheid, U bent onze Indra, o Heer van het Universum, wees er alstUblieft voor het welzijn van de koeien, de brahmanen en hen die goddelijk en gelouterd zijn. (21) Voor U als onze Indra zullen we een baadceremonie uitvoeren naar de aanwijzingen van Heer Brahmâ, o Ziel van het Universum die is nedergedaald om de aarde van haar last te bevrijden.'

(22-23) S'rî S'uka zei: 'Aldus pleitend voor Heer Krishna werd Hij door Surabhi met haar eigen melk en met het uit de hemel gestroomde Gangeswater uitgestort via Airâvata's slurf, gebaad door Indra in het gezelschap van de verlichte zielen en de zieners en door de geïnspireerde moeders van de goden [de dochters van Aditi] en ontving Hij, de afstammeling van Das'arha, de naam Heer Govinda. (24) Naar die plaats begaven zich Tumburu, Nârada en de anderen, de zangers van de hemel, de geleerden, de vervolmaakten en de eerbiedwaardigen die de heerlijkheden van de Heer bezongen welke de besmetting van de wereld wegnemen, terwijl de vrouwen van de halfgoden vervuld van vreugde tezamen dansten. (25) Hij werd, als het toonbeeld van al de goden vereerd en overladen met een prachtige regen van bloemen, waarop de drie werelden de grootste voldoening ervoeren met de koeien die de aarde onderstroomden met hun melk. (26) De rivieren stroomden over met alle soorten van dranken, de bomen gaven honing af, de planten rijpten zonder in cultuur te zijn gebracht en de bergen gaven hun edelstenen prijs. (27) O lieveling van de Kuru-dynastie, toen Heer Krishna was gebaad raakten allen [de roofdieren, de oneerlijke mensen] bevrijd van hun vijandigheid, zij, mijn beste, die, zij het van nature, kwaadaardig waren. (28) Na aldus Govinda, de Meester van de Koeien en de Koeherdersgemeenschap te hebben gebaad, werd het hem [Indra] toegestaan te vertrekken en keerde hij omringd door de goden en de anderen terug naar de hemel.'

De "afzondering" in kwestie waar Indra S'rî Krishna benaderde wordt door de wijze S'rî Vais'ampâyana vermeld in de Hari-vams'a (Vishnu-parva 19.3): sa dadars'opavishtham vai govardhana-s'ilâ-tale. "Hij zag Hem [Krishna] neerzitten aan de voet van de heuvel Govardhana".

 

Hoofdstuk 28

Krishna Redt Nanda Mahârâja uit het Rijk van Varuna

(1) De zoon van Vyâsa zei: 'Nadat hij de elfde dag [van de eerste helft van de maanmaand] gevast had en hij de Handhaver van Allen [Janârdana] had aanbeden, ging Nanda de twaalfde dag het water van de Yamunâ in voor een bad. (2) Een duistere dienaar van Varuna greep hem beet en bracht hem op die de regel had veronachtzaamd dat tijdens de nacht het water ingaan een goddeloze praktijk was. (3) O Koning, hem niet ziend riepen de gopa's luid uit 'o Krishna, o Râma!' waarop de Allerhoogste Heer die er achter kwam dat de vader was meegevoerd van Hem, de Almachtige die Zijn mensen onbevreesd maakt, toen naar de plaats ging waar Varuna zich ophield. (4) Op het moment dat hij zag dat de Heer der Zinnen was gearriveerd betoonde hij, de godheid die over dat bereik [van de wateren] regeerde, Hem uitvoerig de eer, er zeer verheugd over zijnde dat Hij aanwezig was.

(5) S'rî Varuna zei: 'Vandaag mag ik de ware weelde genieten van het succes van mijn lichamelijke aanwezigheid, o Heer, omdat het zo is dat zij die het gegeven is Uw lotusvoeten te dienen de bovenzinnelijkheid hebben bereikt in hun materiële leven. (6) Mijn eerbetuigingen voor U de Allerhoogste Persoonlijkheid van God, de Absolute Waarheid en de Ziel Hoogst Verheven die de schepping van deze wereld te weeg bracht en in wie mâyâ geen zeggenschap heeft. (7) Die onwetende dienaar van mij was een dwaas niet zijn plicht te kennen [*] toen hij hem hier opbracht die Uw vader blijkt te zijn, neem me niet kwalijk, Uwe goedheid. (8) Wees zelfs voor mij o Krishna, o U die alles ziet, alstUblieft van genade, o Govinda; aan U, zo vol zorg voor Uw ouders, behoort zeer zeker hij hier die Uw vader is.'

(9) S'rî S'uka zei: 'Aldus tevredengesteld nam Krishna, de Allerhoogste Heer en Heerser over alle Heersers, Zijn vader met Zich mee en begaf Hij zich naar Zijn verwanten die Hij zeer blij maakte. (10) Nanda die voorheen nooit kennis had gemaakt met de machtige weelde van de heer van het bereik [der wateren] of getuige was geweest van de eerbetuigingen die zij [Varuna en zijn volgelingen] Krishna brachten, sprak vol verwondering tot zijn vrienden en familieleden. (11) Zij, de gopa's, gretig luisterend, o Koning, dachten met Hem als hun Heer: 'Misschien bereidt Hij ons de genade ons mee te nemen naar Zijn bovenzinnelijk verblijf!'

(12) Hij, de Allerhoogste Heer van Zijn kant als Degene die een Ieder Ziet doorgrondde hun droom van volmaaktheid en dacht vol mededogen dit: (13) 'Voorzeker zijn de mensen in deze wereld, die in onachtzaamheid verkerend met de verlangens van hun handelingen dwalen tussen de hogere en lagere doelen, zich niet bewust van hun eigenlijke bestemming.'

(14-15) Met deze overweging toonde de Allerhoogste Heer Hari in groot mededogen de gopa's Zijn eigen verblijf voorbij de duisternis der materie: het ware onbegrensde spirituele kennen dat het licht is [zie brahma-jyoti] van het eeuwige absolute welk inderdaad door de wijzen wordt waargenomen die in trance ver verwijderd zijn van de materiële kwaliteiten. (16) Zij werden door Krishna gebracht naar en ondergedompeld in het meer van de Ene Geest [brahma-hrada] en daaruit opgetild zagen ze het verblijf van de Absolute Waarheid op de manier zoals dat voorheen werd gezien door Akrûra [3.1: 32, 10.38 & 10.40]. (17) Nanda en de zijnen raakten met dat voor ogen overweldigd door een goddelijke verrukking en waren er hoogst verrast over hoe Krishna aldaar werd geprezen met vedische hymnen.'

Voetnoot:

* Prabhupâda's leerlingen geven als commentaar op de preciese uitvoering van de zaken aangaande het ekâdas'î-vasten en gunstige tijden om te baden: 'Natuurlijk, Varuna's dienaar zou zich bewust zijn geweest van deze technische details, welke bedoeld zijn voor hen die strict naar de vedische rituelen leven.'

 

Hoofdstuk 29

Het Râsa-spel: Krishna Ontmoet 's Nachts de Gopî's en Ontsnapt

(1) De zoon van Vyâsa zei: 'Hoewel Hij de Allerhoogste Heer was, besloot Hij, afgaand op Zijn innerlijk vermogen [zie yoga-mâyâ], te gaan genieten van die herfstnachten waarin de jasmijnbloemen bloeien. (2) Op dat uur kleurde de koning van de sterren [de maan] met zijn handen het aangezicht van het oosten rood waarmee hij allen die naar hem uitkeken een genoegen deed, precies zoals een minnaar die naar zijn geliefde toekomt een einde maakt aan het leed als hij na een lange tijd zich weer laat zien. (3) Met de aanblik van de kumuda-lotussen die zich openden naar zijn volle ronde gelaat dat, gelijk het gezicht met de verse kunkuma van de godin van het geluk, met zijn licht het woud rood kleurde, speelde Hij, in de klare zachte stralen van dat schijnsel, lieflijk op Zijn fluit waarmee Hij de ogen van de charme [van de gopî's] bekoorde. (4) Het aanhoren van dat lied wekte Cupido op bij de vrouwen van Vraja en in hun geesten meegevoerd door Krishna ging ieder van hen zonder dat de anderen er weet van hadden, met van de haast zwaaiende oorhangers, naar daar waar Hij, hun vriendje, was. (5) Sommigen vertrokken midden onder het melken van de koeien, sommigen lieten in hun graagte de melk staan die op het fornuis stond terwijl anderen eropuit gingen zonder de cake uit de oven te halen. (6-7) Sommigen zetten de kinderen naast zich neer die ze melk aan het geven waren en dosten zich uit zonder nog te denken aan de dienst die ze voor hun echtgenoten verrichtten, sommigen vertrokken midden onder het eten, sommigen olieden, beschilderden zichzelf en maakten hun ogen op, terwijl anderen zich naar Krishna begaven met hun kleren en sieraden in wanorde. (8) Zij, tegengehouden door hun echtgenoten, vaders, broers en andere verwanten keerden echter, bekoord door Govinda met hun harten gestolen, niet weer terug [naar hun plichten]. (9) Sommige gopî's die er niet in slaagden om weg te komen, sloten thuisblijvend hun ogen en mediteerden verbonden in die liefde [zie voetnoot* en 10.1: 62 & 63]. (10-11) De onverdraaglijke, intense kwelling van het gescheiden zijn van hun Geliefde deed al het slechte denken wijken terwijl het goede van hen tot nul reduceerde door de vreugde verkregen in de meditatie op de omhelzing door de Onfeilbare. Ook al was Hij de Opperziel, dachten ze over Hem na als zijnde hun minnaar, maar met het niettemin verkrijgen van Zijn directe omgang gaven ze, met hun banden doorsneden, terstond hun bestaan op zoals dat wordt bepaald door de kwaliteiten der materie.'

(12) S'rî Parîkchit zei: 'Zij kenden Krishna enkel als hun geliefde en niet als de Absolute Waarheid, o wijze, hoe kon er voor hen, zo vol van gedachten over de materiële kwestie, nu het beëindigen van de machtige stroom van de guna's zijn?'

(13) S'rî S'uka zei: 'Hierover heb ik al voorheen met u gesproken [in 3.2: 19 en in 7.1: 16-33]: als de koning van Cedi [S'is'upâla] de volmaaktheid al kon bereiken met zelfs het haten van de Heer van de Zinnen, wat dan zou dat wel niet inhouden voor hen die Hem, de Heer in het Voorbije, dierbaar zijn? (14) Met het hoogste voordeel voor de mensheid voor ogen, o Koning, is er daar het persoonlijke verschijnen van de Allerhoogste, Onvergankelijke en Ondoorgrondelijke Heer, die vrij van de geaardheden de Beheerser van de geaardheden is. (15) Zij die zonder ophouden lust, woede, angst, genegenheid, eenheid en goede wil aan de dag leggen met de Heer kunnen er op rekenen dat ze de verzonkenheid in Hem bereiken. (16) U moet zich wat betreft de Ongeboren, Hoogste Persoonlijkheid hier niet over verbazen daar Hij de meester van alle meesters van de yoga is door wie deze wereld zijn bevrijding vindt. (17) Toen de Opperheer de meisjes van Vraja bij Hem zag aankomen sprak Hij, de beste van alle sprekers, met een weelde aan woorden die hen verbijsterde. (18) De Allerhoogste Heer zei: 'Weest welkom jullie allen, o fortuinlijke dames, wat kan Ik doen om jullie te behagen? Zeg me alsJeblieft of in Vraja alles in orde is en om welke reden jullie hier naar toe kwamen. (19) Deze nacht is vol van angstaanjagende schepselen, keer dus alsjeblieft terug naar Vraja o slanke meisjes, jullie vrouwen behoren hier niet rond te hangen. (20) Het is ongetwijfeld zo dat jullie moeders, vaders, zoons, broers en echtgenoten, naar jullie uitkijkend, jullie nergens kunnen vinden; bezorg jullie verwanten nu geen kopzorgen. (21-22) Jullie hebben Râka (de godin van de dag van de volle maan) zien schitteren met haar maanlicht, jullie hebben nu het woud vol van bloemen gezien dat zelfs nog aangenamer is door het briesje dat vanaf de Yamunâ waaiend speelt door de bladeren van de bomen. Ga nu, zonder dralen, terug naar het koeherdersdorp, jullie moeten je echtgenoten van dienst zijn, o kuise dames, de kalfjes en de kindjes huilen ervoor dat jullie ze melk geven. (23) Of anders, als jullie zijn gekomen omdat jullie harten overstroomden van liefde voor Mij, is dat voorwaar lofwaardig van jullie daar alle levende wezens genegenheid voor Mij koesteren. (24) Voor vrouwen is het voorzeker het hoogste dharma om volijverig haar echtgenoot van dienst te zijn, eenvoudig en eerlijk te zijn met de verwanten en goed te zorgen voor haar gezin. (25) Vermits hij niet ten val kwam [met zijn geloof of zijn huwelijkstrouw] moet een echtgenoot slecht gemutst, onfortuinlijk, oud, afgetakeld, ziek en zelfs arm zijnde door vrouwen die naar de hemel willen niet worden afgewezen [zie ook 9.14: 37 en B.G. 1: 40]. (26) Om verdoold zwak en overspelig te zijn is voor een vrouw van stand in ieder geval iets verwerpelijks: het schaadt de reputatie, veroorzaakt angst, en geeft moeilijkheden. (27) Door te luisteren, in de aanwezigheid te verkeren [van de beeltenis en de toegewijden], door meditatie en door daarbij te zingen is men van liefde voor Mij, en niet zozeer door Mij fysiek nabij te zijn; keert daarom allen naar huis terug [zie ook 10.23: 33].'

(28) S'rî S'uka zei: 'De gopî's die aldus de voor hen minder aangename woorden van Govinda hoorden ondervonden, wanhopig als ze waren te zijn teleurgesteld in hun sterke verlangens, een moeilijk te overwinnen zielenpijn. (29) Verdrietig lieten ze, terwijl ze over de grond stonden te schrapen, hun gezichten hangen en hun bimba-rode lippen al zuchtend verdrogen en droegen ze, met hun tranenvloed die hun make-up bedierf en de kunkuma op hun borsten wegwaste, in stilte de last van hun grote leed. (30) Met hun Geliefde in het geheel niet zo lief hen in tegenspraak toesprekend, terwijl zij te Zijnentwille hadden afgezien van al hun materiële verlangens, veegden ze hun tranen weg hun huilen een halt toeroepend en zeiden ze vervolgens met hun stemmen verstikt in de gehechtheid gekweld iets tegen Hem terug.(31) De mooie gopî's zeiden: 'Jouw goede zelf, o Machtige, moet niet zo hardvochtig spreken met het afzweren van iedere vorm van zinnelijk genot; alstJeblieft beantwoordt onze toewijding aan Jouw voeten, wijs ons niet zo moeilijk te krijgen terug, wees net als de Godheid, de Oorspronkelijke Persoonlijkheid die wederkerig is met hen die uitzien naar de bevrijding. (32) O liefste, Jij als de Kenner van het Dharma sprak aldus over de plicht der vrouwen die zou bestaan uit haar trouw aan haar echtgenoot, kinderen en verwanten, zo zij het, maar is het niet zo dat Jij, o Heer, het ware voorwerp van deze instructie bent; Jij, de Godheid hoogst gewaardeerd die voor alle belichaamde wezens de nauwste verwant bent als zijnde de ziel? (33) De deskundigen inderdaad leveren bewijs van de aantrekking tot Jou, Jij die hen immer bekoort als hun eigenlijke Zelf, dus wat moeten we dan met onze echtgenoten, kinderen en verwanten die ons last bezorgen? Wees ons genadig, o Allerhoogste Beheerser, ontneem ons niet de hoop op Jou die we zo lang gekoesterd hebben, o Lotusogige. (34) Zonder moeite nam Je bezit van onze geesten welke opgingen in ons huishouden, zowel als van onze handen die druk waren met huishoudelijk werk; onze voeten zullen zich geen stap van Jouw voeten verwijderen - hoe kunnen we nu teruggaan naar Vraja, wat moeten we dan nog verder beginnen? (35) AlstJeblieft, o Allerbeste, stort de vloed, van de nectar van Je glimlachende blikken en melodieuze liederen die ontsnappen aan Je lippen, uit over het vuur in onze harten; of anders zullen we met onze meditatie onze lichamen aan het vuur overgeven dat brandt van de gescheidenheid en gaan voor het verblijf van Jouw voeten, o Vriend. (36) O, Jij met Je lotusgelijke ogen, voor de godin van het geluk is het een feest te verkeren aan de basis van Je voeten die, bij tijden gekoesterd door de mensen die zich in het woud ophouden, we nu zullen beroeren en van dat moment af aan zullen we, vol van Jouw vreugde, voorzeker er nimmer toe in staat zijn om ons in de directe nabijheid van welke andere man dan ook op te houden! (37) Zoals de godin, die tezamen zelfs met Tulasî-devî het stof van de lotusvoeten begeert, haar positie aan Jouw boezem heeft verworven en voor wiens blik rustend op hen, zo wil het geval, de anderen der verlichting zich inspannen van dienst te zijn als dienaren, zoeken wij overeenkomstig ook het stof van Je voeten. (38) Wees ons daarom genadig, o Vernietiger van Alle Leed, Jouw voeten hebben we benaderd met het verzaken van onze huishoudens in de hoop Je te aanbidden, Jij met Je mooie glimlachen en blikken waar onze harten naar smachtten in een intens verlangen; o sieraad van alle mensen, sta het ons alstJeblieft toe van dienst te zijn. (39) Met de aanblik van Je haar rondom Je gezicht, Je oorhangers, de schoonheid van Je kaken en de nectar van Je glimlachende lippen, die blikken die iemand onbevreesd maken, Je beide machtige armen en met het zien van Je borst, de enige bron van genoegen voor de godin, zijn we overgeleverd als Jouw dienaren. (40) Welke vrouw in de drie werelden, o teerbeminde, zou niet geheel ondersteboven zijn van de melodieën van de liederen die Jij te voorschijn tovert uit Je fluit en vervolgens niet afwijken in haar burgerlijke gedrag met de aanblik van deze gratie van de drie werelden, deze schitterende gedaante waarmee (zelfs) de koeien, de vogels, de bomen en de herten worden doortrokken door een huiver van vreugde. (41) Jij, net als de aanbiddelijke God, de Oorspronkelijke Persoonlijkheid, hebt, alle goden en werelden beschermend, geboorte genomen als de Godheid, die zich bewees als de verdrijver van de angst en het leed van de mensen van Vraja; wees daarom zo goed, o Vriend der Nooddruftigen, Je lotusgelijke hand te leggen op de brandende borsten en hoofden van Je dienstmaagden.'

(42) S'rî S'uka zei: 'Toen Hij de vertwijfelde woorden van de gopî's had aangehoord, lachte vol van genade de Heer van alle Heren van de Yoga die ermee tevreden was ondanks Zijn immer in Zichzelf tevreden zijn. (43) Met hen allen tezamen was Hij zo onovertroffen als de, als het hert gespikkelde, maan omringd door de sterren, en deed Hij als de Onfeilbare Heer, zo grootmoedig in Zijn blikken en bewijzen van genegenheid, hun gezichten bloeien met Zijn brede glimlachen die Zijn jasmijngelijke tanden deden blinken. (44) Bezongen en Zelf zingend als de gebieder van honderden vrouwen droeg Hij de vijfkleurige [Vaijayantî-]bloemenslinger waarmee Hij het woud opluisterde waarin Hij zich rondbewoog. (45-46) Samen met de gopî's kwam Hij aan bij de oever van de rivier die, bediend door de golven, koel was met haar zand en aangenaam was door de geur van de lotussen meegevoerd door de wind. Met de Vraja-schoonheden Cupido opwekkend vergenoegde Hij Zich ermee Zijn armen om hen heen te slaan in omhelzingen en hun haar, middel, dijen en borsten te beroeren met Zijn handen en zo ze speels strelend met Zijn vingernagels en Zijn blikken toewerpend, onderhield Hij zich met hen en lachte Hij. (47) Op deze manier van Krishna, de Allerhoogste Persoonlijkheid van God, de speciale aandacht van de Grotere Ziel krijgend, beschouwden ze zichzelf, trots rakend, zowaar de beste van alle vrouwen op aarde. (48) Toen Hij zag hoe ze als gevolg van hun geluk in een bedwelmde staat van valse trots verkeerden, verdween, bij wijze van Zijn genade, Heer Kes'ava vandaar met de bedoeling dat een halt toe te roepen.'

Voetnoten:

"De verschillende typen gopî's waar hier sprake van schijnt te zijn worden eveneens vermeld in de Padma Purâna:

gopyas tu s'rutayo jñeyâ
rishi-jâ gopa-kanyakâh
deva-kanyâs' ca râjendra
na mânushyâh kathañcana

'Het wordt begrepen dat sommige van de gopî's de Vedische literatuur personifiëren (s'ruti-cârî),terwijl anderen gereïncarneerde wijzen zijn (rishi-cârî's), dochters van koeherders (gopa-kanyâ's), of halfgodenmaagden (deva-kanyâ's). Maar in geen geval, mijn beste Koning, is ook maar een van hen een gewoon menselijk wezen.' Er is ook sprake van sâdhana-siddha's en nitya-siddha's: zij die vervolmaakt in de geestelijke discipline zijn en zij die zo geboren zijn.

 

Hoofdstuk 30

De Gopî's op Zoek naar Krishna er Vandoor met Râdhâ

(1) S'rî S'uka zei: 'Toen de Allerhoogste Heer zo ineens was verdwenen waren de jonge dames van Vraja zo spijtig Hem niet meer te zien als wijfjesolifanten die hun stier missen. (2) De verliefde dames die in hun harten waren overweldigd door de bewegingen, liefdevolle glimlachen, speelse blikken, charmante praatjes en andere spelletjes van verleiding van de echtgenoot van Ramâ, speelden verzonken in Hem ieder van die wonderbaarlijke activiteiten na. (3) De liefjes verloren in de bewegingen, glimlachen, de blikken, en het praten enzovoorts van hun Geliefde - die zich feitelijk dus door de lichamen van de dames heen uitdrukte - gaven zodoende onder de invloed van de manieren van Krishna ten beste: 'Hij is helemaal in mij!' (4) Aldus allen tezamen hardop over Hem zingend, zochten ze zich gek van hot naar haar in het bos en gingen ze bij de bomen te rade over de Oorspronkelijke Persoonlijkheid die gelijk de ether zowel vanbinnen als vanbuiten aanwezig is: (5) 'O as'vattha [heilige vijgenboom], o plaksha [golfbladige vijgenboom], o nyagrodha [baniaan], hebben jullie de zoon van Nanda gezien die is weggegaan nadat Hij met Zijn liefdevolle glimlachen en blikken onze harten stal? (6) O kurabaka [rode amaranth], as'oka, nâga, punnâga en campaka, hebben jullie de jongere broer van Balarâma voorbij zien komen die met Zijn glimlach de trots wegvaagt van ieder meisje dat te hooghartig is? (7) O zoete tulsî, zo van liefde voor Govinda's voeten, hebben jullie onze allerliefste Acyuta gezien die jullie met Zich meedraagt met zwermen bijen om zich heen? (8) O mâlati-, jâti-, yûthikâ- en mallikâ-jasmijn, hebben jullie Mâdhava langs zien komen, terwijl Hij jullie met Zijn aanrakingen blij maakte? (9) O cûta [mango-klimplant], priyâla, broodvrucht, âsana, o kovidâra [berg-ebbe], jambu [houtappel], arka, bakula [mimosa], mimosa, en âmra [mangoboom]; o kadamba en nîpa en wie nog meer van jullie die voor het heil van anderen hier aan de oever van de Yamunâ leven, wees alsjeblieft zo aardig ons, wiens geest op hol is geslagen, te zeggen welk pad Krishna heeft genomen. (10) O aarde, welke verzaking moet u wel niet hebben volbracht dat u werd betreden door Kes'ava's voeten met een vreugde die het haar op uw lichaam [haar grassen en zo] overeind doet staan? Of hebt u misschien uw schoonheid te danken aan de voeten van Vâmanadeva [zie 8.18-22] of omdat u werd betreden en omhelsd door het lichaam van Varâha [3.13]? (11) O ree, o vriendin, ben je Acyuta hier met Zijn Geliefde tegengekomen, die met al Zijn leden een lust voor het oog is; in de lucht hangt nog de geur van de bloemenslinger van de Meester van de Gopî's gekleurd door de kunkuma van het in aanraking verkeren met de borsten van Zijn Vriendin. (12) O bomen, toen Râma's jongere broer langskwam, met Zijn arm geplaatst over de schouder van Zijn liefje, een lotus vasthoudend en met de tulsî-bloemen met een zwerm bijen blind van de bedwelming er achteraan - merkte Hij met Zijn liefdevolle blikken op dat je je voor Hem verboog? (13) Laten we het deze klimplanten vragen, zelfs al omklemmen ze de armen van hun meesterboom; ze hebben zeker notie genomen van de aanraking van Zijn vingernagels, zie hoe hun oppervlak zich welft van de vreugde!'

(14) De gopîs zich aldus doldwaas uitlatend raakten, op drift in hun speurtocht naar Krishna, volledig in Hem verzonken met het inderdaad door eenieder van hen een bepaald avontuur of tijdverdrijf naspeelde van hun Heer van Fortuin. (15) Een van hen dronk als Krishna bij een andere die Pûtanâ speelde als was ze een kind aan haar borst, terwijl een andere zich opstelde als de kar die door de voet van een huilende andere om werd geschopt [zie hoofdstukken 10.6 en 7]. (16) Een gopî die Krishna nadeed werd weggedragen door een andere gopî die een Daitya imiteerde [Trinâvarta, zie 10.7] terwijl weer een andere rondkruipend haar enkelbelletjes liet tinkelen met het achter zich aanslepen van haar voeten. (17) Twee optredend als Krishna en Râma en een paar die de gopa's nadeden doodden er een die Vatsâsura nabootste terwijl nog twee anderen Bakâsura deden [zie 10.11]. (18) Net als Krishna roepend naar de koeien ver weg werd er een, die spelend deed alsof ze de fluit liet klinken, door de andere gopî's geprezen met 'Goed zo!' (19) Een van hen liep rond met een arm over een schouder gelegd en verklaarde: 'Kijk, ik ben Hem, die zich zo gracieus beweegt!' en hield op die manier haar geest op Hem gevestigd. (20) 'Weest niet bang voor die wind en regen, door Mij is in jullie verlossing voorzien' aldus sprak er een die er met één hand in slaagde haar bovenkleed omhoog te houden [alsof het de heuvel Govardhana was, zie: 10.25]. (21) O meester der mensen, eentje die bovenop een andere klauterde verklaarde met haar voet op haar hoofd: 'O valse slang, ga weg, Ik heb geboorte genomen als degene die er is om de afgunstigen te bestraffen!' [zie 10.16] (22) Toen zei er een: 'O gopa's, zie die bosbrand zo fel; doe snel jullie ogen dicht, Ik zal voor jullie bescherming zorgen alsof het niks is!' (23) Een slanke gopî met een bloemenslinger vastgebonden door een andere gopî zei: 'Nou heb ik Je te pakken, ik bind Je aan het stampvat vast, Jij pottenbreker en boterdief!' en met dat gezegd bedekte er een haar gezicht en mooie ogen doend alsof ze bang was.

(24) Op deze manier bezig en overal in Vrindâvana de bomen en de klimplanten vragend waar Hij was zagen ze op een plek in het bos de Allerhoogste Ziel Zijn voetafdrukken: (25) 'Werkelijk, dit zijn duidelijk de voetafdrukken van de zoon van Nanda zoals de vlag, de lotus, de bliksemschicht, de korenaar en de olifantendrijfstok dat laten zien [zie voetnoot*]. (26) Aan de hand van de verschillende voetafdrukken Zijn spoor volgend ontdekten de meisjes tot hun grote teleurstelling op dat die heel de weg samengingen met de voetafdrukken van één van hen, waarop ze zeiden: (27) 'En aan wie van ons behoren deze voetafdrukken toe naast die van de zoon van Nanda; over wiens schouder heeft Hij als een stier met een wijfjesolifant Zijn arm gelegd? (28) Hij moet zeker volmaakt aanbeden zijn [ârâdhitah, zie Râdhâ] als de Allerhoogste Ene Heer en Beheerser aangezien Govinda zo behaagd ons heeft laten zitten en Haar apart heeft genomen. (29) O meisjes, heilig de stofdeeltjes van Govinda's lotusvoeten die Brahmâ, S'iva en Ramâdevî [Lakshmî] op hun hoofden nemen om de zonden te verdrijven. (30) Voor ons zijn deze voetafdrukken meer verontrustend want wie van ons gopî's werd er nou apart genomen om in afzondering van Acyuta's lippen te genieten? Kijk, hier kunnen we haar voeten niet meer zien, de grashalmen en twijgjes hebben zeker de zolen van haar tere voeten pijn gedaan zodat Haar geliefde Zijn lieveling heeft opgetild. (31) Zijn liefje dragend gingen de voetafdrukken veel dieper, kijk toch eens o gopî's, hoe, gebukt onder het gewicht, ons zo intelligente voorwerp van verlangen Krishna Zijn vriendin hier neer heeft gezet om wat bloemen te plukken. (32) En zie deze halve voetafdrukken hier; om bloemen de verzamelen voor Zijn Beminde Liefje maakte de Geliefde deze afdruk met het op Zijn tenen staan. (33) En om verder Haar haar te schikken ging de Liefdevolle met Zijn smachtende meisje om precies te zijn hier neerzitten om voor Zijn Geliefde met die bloemen een krans te maken.'

(34) [S'rî S'uka zei:] Hij, hoewel Hij in de Ziel volmaakt tevreden was en in Zichzelf volkomen, had een goede tijd met Haar en demonstreerde daarmee de gevallen staat kenmerkend voor verliefde mensen, alsmede het op zichzelf gerichtte van het vrouwlijke ervan. (35-36) Op deze manier aldus blijk gevend voor welke gopî Krishna de andere vrouwen, de gopî's die helemaal verdwaasd ronddoolden in het bos, had verlaten, dacht Zij daarvan van Zichzelf: 'Met Mij als de beste van alle vrouwen, heeft Hij, de gopî's afwijzend die zich laten leiden door lust, Mij aanvaard als Zijn Geliefde!'

(37) Op weg toen naar die plek in het bos zei Zij, trots rakend, tot Krishna: 'Ik kan niet meer verder gaan, draag Me alsJeblieft waarheen Je maar wilt'.

(38) Aldus aangesproken zei Hij tot Zijn Geliefde: 'Klim maar op Mijn rug' en met deze woorden verdween Krishna tot het grote verdriet van Zijn gezellin.

(39) 'O Meester, o Minnaar, o Liefste, waar ben Je nou, waar ben Je? O met Je machtige armen, alsJeblieft Mijn vriend laat Jezelf zien aan Mij, Je treurende dienstmaagd!'

(40) S'rî S'uka zei: 'De gopî's die niet ver daar vandaan het spoor van de Opperheer volgden ontdekten hun ongelukkige vriendin in staat van verbijstering over het feit dat Ze was gescheiden van Haar Geliefde. (41) Tot hun opperste verbazing hoorden ze Haar zeggen dat Ze Mâdhava's respect had verworven maar dat Hij ook als gevolg van de houding die ze aannam Haar had laten zitten. (42) Ze gingen daarop voor zover het licht van de maan dat toestond het woud in, maar toen ze zichzelf in het duister zagen belanden zagen de vrouwen er van af. (45) In Hem opgegaan, Hem besprekend, Hem naspelend en vervuld van Zijn aanwezigheid eenvoudig Zijn kwaliteiten bezingend, herinnerden ze zich niet langer hun huishoudens [zie ook 7.5: 23-24]. (44) Terugkerend naar de oever van de Yamunâ mediteerden ze, allen samenzingend, op Krishna, terwijl ze reikhalzend Zijn aankomst afwachtten.'    

Voetnoten:

* In de Skanda Purâna vindt men een verklaring van deze [in totaal negentien] merktekens: 'Onderaan bij Zijn grote teen op de rechtervoet, draagt de Ongeboren Heer het merkteken van de schijf, welke de zes [mentale] vijanden de pas afsnijdt. Onder aan zijn middelteen van diezelfde voet heeft Heer Acyuta een lotusbloem, welke het verlangen naar Hem doet toenemen in de geesten van de bij-achtige toegewijden die op Zijn voeten mediteren. Onderaan Zijn kleine teen is er een bliksemschicht, die de bergen van terugslagen van zonden in het verleden van de toegewijden vernietigt, en midden op Zijn hiel treft men het merkteken van de olifantendrijfstok aan, welke de olifanten van de geesten van de toegewijden onder controle brengt. Het kootje van zijn rechter grote teen draagt het kenmerk van de korenaar, die allerhande genietbare weelde vertegenwoordigt. Een bliksemschicht wordt aangetroffen aan de rechter kant van Zijn rechtervoet, en een olifantendrijfstok daaronder.' zie de Vedabase van 10.30: 25 voor verdere informatie.

 

Hoofdstuk 31

De Gezangen van de Gopî's in Gescheidenheid

(1) De gopî's zeiden: 'Door Jouw geboorte is het land van Vraja almaar heerlijker en verblijft de godin van het geluk daar onophoudelijk; inderdaad, o geliefde, moge men Jou in alle richtingen aantreffen, Jij voor wie Je toegewijden op zoek naar Jou hun levensadem gaande houden. (2) Als Jij hier niet bent, o Fijnste der Genade, maak Jij, met de schoonheid van Je blik, welke de exquisiete schoonheid van het hart van de lotus overtreft die zo volmaakt groeide in het herfstmeer, een einde aan het leven van ons, de dienstmaagden die zich aan Jou gaven zonder iets terug te verwachten, o Heer van de Liefde; is dat geen moord? (3) Telkens weer, o Grootste Persoonlijkheid, zijn we door Jou beschermd tegen al het angstwekkende: tegen het teloor gaan door het water [van Kâliya, 10.16], tegen de demon [Agha, 10.12], tegen de regens, de storm en de bliksemschichten [van Indra, 10.25] en tegen de stier en de zoon van Maya [de incidenten met Arishthâsura en Vyomâsura die S'uka later bespreekt]. (4) O Vriend, voorwaar ben Jij die tevoorschijn trad in de dynastie van Je toegewijden [de Sâtvata's] niet de zoon van een gopî [Yas'odâ]; Jij vormt de Heerlijkheid van de ziener, het innerlijke bewustzijn van alle belichaamde wezens, o Jij die verscheen op verzoek van Brahmâ [aldus genaamd Vikhanasâ, 'hij die opgraaft', zie 3.8: 16 en 10.14] die bad voor de bescherming van het universum. (5) Jij die de hand van de godin beet nam, o beste van de Vrishni's, bracht de onbevreesdheid voor hen die in de angst van hun materiële bestaan Jouw voeten benaderden; alstJeblieft, o Minnaar beantwoordend aan de verlangens, leg Je lotushand op onze hoofden. (6) O Vernietiger van het lijden van de bewoners van Vraja, o Held van de vrouwen die middels Zijn eigen glimlach de valse lach van de mensen doet vergaan, accepteer alstJeblieft, o Vriend, ons, die Je eeuwige dienstmaagden zijn; alstJeblieft laat Je prachtige lotusgezicht zien. (7) Jij die van de belichaamden overgegeven aan Jou de zonden wegneemt, die achter de grazers aangaat, die het verblijf van de godin bent, die Zijn voeten plaatste op de kragen van het serpent; alstJeblieft plaats Je lotusvoeten op onze borsten en ban de lust uit onze harten. (8) O Jij met Je lotusogen, door Jouw lieve charmante stem en woorden zo aantrekkelijk voor de intelligenten, zijn deze dienstmaagden, o Held, hun verstand aan het verliezen; alstJeblieft breng ons weer bij zinnen met de nectar van Je lippen. (9) Je zoete verhandelingen zoals beschreven door de grote denkers wekken, al de zonden verdrijvend, de gekwelden weer tot leven en geven, beladen met spirituele macht, als men ze hoort het geestelijk voordeel; o hoe weldadig de personen die met gezang die verhalen verspreiden over gans de wereld [*].

(10) We zijn er gelukkig mee op Je liefdevolle glimlachen vol goddelijke liefde, Je blikken en op Je wederwaardigheden te mediteren, maar de onderonsjes in het geheim, welke ons in ons hart raken, o schurk, brengen onze geesten van streek! (11) Als Je Vraja verlaat om de dieren te hoeden, o Meester, kwelt ons dat, en voelen we ons ongemakkelijk vanbinnen, o Minnaar, als we denken aan de zaaddozen, grassen en opschietende planten die zo scherp zijn voor Je voeten die nog prachtiger zijn dan een lotus, o Meester. (12) Als Je tegen de avond Je blauwzwarte lokken en lotusgezicht weer laat zien dicht overdekt met stof, wek Je telkens weer opnieuw Cupido op in onze geesten, o Held. (13) Met het vervullen van de verlangens van hen die zich verbuigen, met het aanbeden zijn door hem die op de lotus zijn geboorte nam [Brahmâ], schenken de lotusvoeten, die de pracht van de aarde vormen en het juiste voorwerp zijn om op te mediteren in tijden van nood, de hoogste voldoening; dus alstJeblieft o Minnaar, o Verdrijver van de Angst, plaats Je voeten op onze borsten. (14) Door de klanken van Je fluit neemt het geluk van de liefde toe en wordt het lijden vernietigd; overvloedig gekust [door Jou] zijn de gehechtheden aan andere personen vergeten - alstJeblieft, o Held, laat ons delen in de nectar van Je lippen! (15) Als Je overdag weggaat wordt voor hen die Je krullende haarlokken en Je prachtige gezicht niet zien, een enkel moment als een eeuwigheid; en hoe dwaas jegens hen die de aanblik dan is vergund is niet hij [Brahmâ] die de oogleden geschapen heeft! (16) Totaal onze echtgenoten, kinderen, voorouders, broers en andere verwanten verwaarlozend zochten we Jouw aanwezigheid o Acyuta, Jij die op de hoogte bent van onze beweegredenen; o bedrieger, hoe kon Je nu de vrouwen in de steek laten wiens geesten van slag waren door het heldere geluid van Je fluit in de nacht! (17) Privé ons onderhoudend en de lust opkomen voelend in onze harten, je ziend met Je glimlachende gezicht en liefdevolle blikken en met Je brede borst die het verblijf is van de godin, zijn onze geesten, gek van verlangen, keer op keer op hol geslagen door Jou. (18) Jouw zo tere lotusvoeten plaatsen wij, o liefde, zachtjes op onze borsten bevreesd dat het bos waar Je in rondtrekt te ruig voor ze is; wij, die de Heerlijkheid van Jou tot ons eigen leven rekenen, zijn met onze fladderende geesten er bezorgd over dat ze niet te lijden hebben onder kleine steentjes en dergelijke.' [zie verder ook de S'rî S'rî S'ikshâshthaka] 

Voetnoten: 

* De leerlingen van Prabhupâda refereren hier aan het volgende verhaal: 'Koning Pratâparudra reciteerde dit vers voor S'rî Caitanya Mahâprabhu tijdens het Ratha-yâtrâ festival van Heer Jagannâtha. Terwijl de Heer rustte in een tuin, deed Koning Pratâparudra nederig zijn intrede en begon hij Zijn benen en lotusvoeten te masseren. Toen reciteerde de Koning het Eenendertigste Hoofdstuk van het Tiende canto van het S'rîmad-Bhâgavatam, de gezangen van de gopî's. De Caitanya-caritâmrita onthult dat toen Heer Caitanya dit vers hoorde, beginnende met tava kathâmritam, Hij terstond oprees in extatische liefde en Koning Pratâparudra omhelsde. Het voorval wordt in detail beschreven in de Caitanya-caritâmrita (Madhya 14.4 - 18), en in zijn uitgave heeft S'rîla Prabhupâda er een uitgebreid commentaar bij gegeven.'

 

 

Hoofdstuk 32

Krishna Keert Terug naar de Gopî's

(1) S'rî S'uka zei: 'En zo gingen de gopî's maar door met zingen en praten, vertederend hardop huilend, smachtend, o Koning, naar de aanwezigheid van Krishna. (2) De zoon van Vasudeva [ofwel S'auri, 'de Zoon van de Held'], de Verdwazer van [Cupido] de Verdwazer van het verstand, verscheen recht voor hun ogen glimlachend met Zijn lotusgelijke gezicht, gekleed in een geel gewaad en met een bloemenslinger om. (3) Toen ze Hem, hun teerbeminde, weer teruggekeerd zagen, openden de meisjes vol van liefde hun ogen wijd en stonden ze allen tegelijkertijd op alsof het leven weer in hun lichamen was teruggekeerd. (4) Één van hen greep verheugd de hand van S'auri met gevouwen palmen terwijl een andere Zijn arm, met sandelhoutpasta opgesierd, over haar schouder legde. (5) Één slanke met haar handen bij elkaar nam de resten van de bethel die Hij had gekauwd, terwijl weer een andere Zijn lotusvoeten greep en ze op haar brandende borsten plaatste. (6) Één, met samengetrokken wenkbrauwen op haar lippen bijtend wierp aangeslagen, buiten zichzelf in haar liefde voor God, zijdelingse blikken van opzij alsof ze Hem wat aan wilde doen. (7) Een andere [Râdhâ naar verluid] die met starende ogen zich laafde aan Zijn Lotusgezicht kon, ook al had ze de volle smaak, er net als de heiligen mediterend op Zijn voeten geen genoeg van krijgen. (8) Één van hen, plaatste Hem via de openingen van haar ogen in haar hart en bleef Hem daar met de ogen dicht omhelzen, waarbij haar haren rechtovereind stonden verzonken zijnde in extase als was ze een yogi. [*] (9) Allen een vreugde van de hoogste orde ervarend bij de aanblik van Kes'ava, gaven de treurnis van hun afgescheidenheid op, precies zoals mensen dat in het algemeen doen als ze een verlichte ziel ontmoeten. (10) Temidden van hen, die geheel waren bevrijd van hun verdriet, schitterde Acyuta, de Opperheer, zelfs nog meer, mijn beste, als de Oorspronkelijke Persoonlijkheid omringd door Zijn bovenzinnelijke vermogens. (11-12) De Almachtige die hen met Zich meenam belande met hen op de zachte zandbanken van de Yamunâ die de zegenrijke rivier had bijeen gebracht met de handen van haar golven. Daar bloeiden de kunda- en mandârabloemen met hun bijen geurig in het herfstbriesje terwijl de maan, helder schijnend, met zijn stralen het duister van de nacht verdreef. (13) Door de extase Hem weer te zien werd de pijn van het verlangen in hun hart verdreven; ze bereikten de uiteindelijke vervulling van hun zielen, zoals dat uit de doeken wordt gedaan in de geschriften, met het arrangeren van een zitplaats voor hun beminde vriend met behulp van hun omslagdoeken die besmeurd waren met het kunkuma van hun borsten [zie ook 10.87: 23]. (14) Hij, de Allerhoogste Heer en Beheerser, voor wie de yogameesters een zitplaats reserveren in hun harten, aldaar in volle luister neerzittend werd, aanwezig te midden van de gopî's, en op die manier Zijn persoonlijke gedaante tentoonspreidend, aanbeden als het enige echte reservoir van alle schoonheid en weelde in de drie werelden. (15) Hij, de Opwekker van Cupido, geëerd met glimlachen, met speelse blikken, met suggestieve wenkbrauwen en met het masseren van de voeten en handen op hun schoten, werd door hen aanbeden, maar nog steeds ietwat boos zijnde richtten ze zich tot Hem. (16) De fijne gopî's zeiden: 'Sommigen beantwoorden de liefde van hen die hen respecteren, sommigen tonen respect [voor hen die handelen] waarbij dat niet zo is en sommigen zijn met geen van beide van de liefde; alstJeblieft o liefste, zeg ons hoe het nu feitelijk zit.'

(17) De Opperheer zei: 'Zij die als vrienden wederzijds elkaar tegemoetkomen, enkel terwille van zichzelf, zijn in dat ondernemen waarlijk niet naar het principe bezig, niet van ware vriendschap; ze zijn enkel uit op hun eigen voordeel. (18) Zij die vol toewijding van genade zijn met hen die niet wederkerig zijn, zoals ouders dat b.v. zijn, zijn foutloos naar het principe in dezen en van ware vriendschap, o slanke meisjes. (19) Sommigen zijn er zeker van zelfs niet de liefde te beantwoorden van hen die toegewijd zijn; wat moet men zeggen van hen die niet wederkerig zijn, van de [spiritueel] in zichzelf tevredenen, van hen die al hun verlangens vervuld zien, van de ondankbaren en van hen die vijandschap koesteren jegens de achtenswaardigen? (20) Ik dan Mijn vriendinnen, beantwoord niet altijd de liefde van hen die van aanbidding zijn zodat hun [- en jullie -] toeneiging zijn beslag kan krijgen en er met hen, zoals dat gaat met een arme drommel die vol van angst is zijn verworven rijkdom te verliezen, geen gedachte bestaat aan iets anders [zie ook B.G. 4: 11 en 10.29: 27]. (21) Aldus met het door jullie om Mijnentwille weerstaan van wat de mensen, de geschriften en jullie verwanten allemaal zeggen verdween Ik uit het zicht Mijn beste meisjes, in feite inderdaad wederkerigheid betrachtend met jullie inschikkelijkheid jegens Mij [**]; daarom moeten jullie je Geliefde geen verwijten maken, Mijn liefjes. (22) Zelfs niet zolang levend als een god in de hemel ben Ik in staat jullie terug te betalen voor jullie onbevangen aanbidden van Mij; laat dat breken met de zo moeilijk te boven te komen ketenen van jullie burgermansleventjes worden beantwoord [worden beloond] door zijn eigen deugd.'  

Voetnoten:

 * S'rîla Vis'vanâtha Cakravartî Thhâkura stelt dat de zeven gopîs waar tot dusverre sprake van is in dit hoofdstuk de eerste zeven van de acht belangrijkste gopî's zijn waarvan de S'rî Vaishnava-toshanî in een vers de namen geeft als zijnde Candrâvalî, S'yâmalâ, S'aibyâ, Padmâ, S'rî Râdhâ, Lalitâ en Vis'âkhâ. De achtste wordt begrepen als zijnde Bhadrâ. De Skanda Purâna verklaart dat deze acht gopî's de belangrijkste zijn onder de drie miljard gopî's en Râdhâ is, zoals bevestigd door Padma Purâna, Brihad-gautamîya-tantra en de Rig-paris'ishtha, de Heer Zijn meest geliefde.

** In feite levert onderbroken bekrachtiging zoals gepraktiseerd door Krishna zo vluchtig hier, de sterkste band op zo bevestigt de moderne gedragswetenschap; en zo zijn er met al Zijn religies overal in de wereld dagen van materieel gemotiveerde arbeid waarin we Hem niet zien, met Zijn verdwijnen naar de achtergrond, en dagen van gebed waarin we Hem wel tegemoet treden.

   

Hoofdstuk 33

De Râsadans

(1) S'rî S'uka zei: 'De gopî's, die alzo de allerbekoorlijkste woorden van de Allerhoogste Heer hoorden, gaven, met hun bereidwillige harten tevreden door [het aanraken van] Zijn ledematen, het op met het [gekoesterde] leed van hun in de steek gelaten zijn. (2) En daar ging Govinda toen over tot een dans [een z.g. râsa, of een spel] waarin de trouwe juwelen van vrouwen voldaan zich arm in arm geslagen samenvoegden.

(3-4) Het feestelijke vermaak nam zijn aanvang met de gopî's in een kring die werd opgesierd door, in hun midden, Krishna, de Beheerser van de Mystieke Eenheid, die de vrouwen, paarsgewijze aanwezig naast Hem, bij hun nekken vasthield. Op dat ogenblik dromden in de hemel honderden hemelse voertuigen samen van hemelbewoners en hun vrouwen wiens geesten in staat van vervoering verkeerden in de ijver van hun respect. (5) Toen klonken er pauken en een regen van bloemen kwam naar beneden terwijl de belangrijkste zangers van de hemel met hun vrouwen Zijn onberispelijke heerlijkheid bezongen. (6) In de kring van de dans was er een luid rumoer van de armbanden, de enkel- en de gordelbelletjes van de vrouwen die tezamen waren met hun Geliefde. (7) De Opperheer, de zoon van Devakî, zag er daar met hen net zo schitterend prachtig uit als een uitgelezen [blauwe] saffier temidden van gouden sieraden. (8) De manier waarop ze hun voeten neerzetten, door hun handgebaren, hun glimlachen en speelse wenkbrauwen en hun wiegende heupen; door hun bewegende borsten, hun kleren, hun oorbellen langs hun halzen en hun transpirerende gezichten; met de vlechten van hun haar, hun gordels strak aangetrokken en hun zingen over Hem, straalden ze in de rol van Krishna's metgezellen als bliksemflitsen tussen de wolken. (9) Hardop zongen zij, van wiens lied het hele universum doordrongen is, vanuit hun gekleurde kelen, blij dansend, genietend in hun toewijding tot de aanraking van Krishna. (10) Een gopî die samen met Krishna[- 's stem haar stem] hief in zuivere tonen van pure harmonie werd door Hem geprezen die verheugd uitriep: 'uitstekend, uitstekend!' en een andere die meedeed in een speciaal ritmisch patroon schonk Hij veel bijzondere aandacht. (11) Een bepaalde gopî [Râdhâ waarschijnlijk], stond er, met haar armbanden en bloemen losgegleden, vermoeid bij buiten de dans en greep met haar arm de schouder van de Meester van de Plechtigheid ['Hij die de knots vasthoudt']. (12) Ergens anders legde er een Krishna's arm, geurig als een blauwe lotus, over haar schouder en kuste die met haar haren overeind de geur van sandelhout opsnuivend. (13) Weer een andere prachtig met de schittering van haar, door het dansen, slingerende oorhangers, vleide haar wang tegen de Zijne en kreeg de bethel toebedeeld waarop Hij had gekauwd. (14) Een van hen die met Krishna staande aan haar zijde aan het dansen en zingen was met tinkelende enkel- en gordelbelletjes, plaatste, zich moe voelend, Acyuta's zegenrijke lotushand op haar borsten. (15) De gopî's die met Zijn armen om hun nekken de Onfeilbare Heer, de Exclusieve Minnaar van de Godin van het Geluk, hadden bereikt als hun minnaar, waren erover verrukt Hem te bezingen. (16) Met de lotusbloemen achter hun oren, hun haarlokken die hun kaken opsierden, de schoonheid van hun bezwete gezichten en het ritme van de harmonieuze geluiden van hun armbanden en belletjes, dansten de gopî's, met de bloemen in hun haar gevlochten eruit gevallen, op het gezoem van de bijen samen met de Allerhoogste Heer rond in het perk van de dans. (17) Hij, de Meester van de Godin van het Geluk, genoot aldus met omhelzingen, aanrakingen van Zijn hand, liefdevolle blikken en brede speelse glimlachen van de jongedames van Vraja net als een jongetje dat speelt met zijn eigen spiegelbeeld. (18) Van het lichamelijk contact met Hem overweldigd in hun zinnen was het voor de dames van Vraja niet gemakkelijk of zelfs maar mogelijk om hun haar, hun kleding en de omslagen over hun borsten keurig in orde te houden zodat hun bloemenkransen en opsier in wanorde verkeerde, o beste van de Kuru's. (19) Met de aanblik van de spelende Krishna raakten de godinnen, rondhangend in de hemel, rusteloos van liefdesverlangens in een trance en vielen de maan en zijn volgelingen [de sterren] in verbazing. (20) Zichzelf expanderend in evenzovele [gedaanten] als er koeherdersvrouwen aanwezig waren genoot Hij, hoewel Hij de in zichzelf voldane Opperheer was, ervan met Zijn Zelven met hen te spelen. (21) Van hen, vermoeid van het plezier van de romantiek, wiste Hij met Zijn hoogst rustgevende hand in liefdevol medeleven de gelaten, mijn beste. (22) Zeer blij met de aanraking van Zijn vingernagels bezongen de gopî's de wederwaardigheden van hun Held, Hem vererend met de nectar van de schoonheid van hun glimlachen, blikken, kaken en haarlokken, goud glanzend in de gloed van hun oorhangers.

(23) Met Zijn bloemenslinger geplet en besmeurd met de kunkuma van hun borsten, ging Hij, als de aanvoerder der Gandharva's onder begeleiding van de gezwind volgende bijen, moe zijnde, met de bedoeling de vermoeidheid te verdrijven, het water in ongeveer zoals een mannetjesolifant dat doet met zijn wijfjes na de irrigatiedijken [of de normale gedragsregels] doorbroken te hebben. (24) In het water werd Hij van alle kanten nat gespetterd door de meisjes die Hem met liefde en lachen in de gaten hielden, mijn beste, en aanbeden vanuit de hemelse voertuigen met een regen van bloemen vermaakte Hij, die persoonlijk altijd van binnenuit behaagd is, zich ermee aldaar te spelen als de koning der olifanten [zie ook 8.3]. (25) Net als een olifant met zijn wijfjes druipend van de bronst kwam Hij toen, omringd door Zijn zwerm bijen en vrouwen, aan in een bosje nabij de Yamunâ dat overal volhing met de door de wind meegevoerde geur van de bloemen in het water en op het land. (26) Op deze manier bracht Hij, de Waarheid van alle Verlangen, met Zijn vele liefhebbende vriendinnetjes de nacht door die zo helder was door de stralen van de maan. Daarbij manifesteerde Hij in Zichzelf alle romantische gebaren in Zijn genieten van de herfstnachten die zo inspireren tot poëtische beschrijvingen van bovenzinnelijke gemoedsgesteldheden [of rasa's].'

(27-28) S'rî Parîkchit zei: 'Om het dharma te vestigen en de opstandigen te onderwerpen, daalde Hij neder, de Allerhoogste Heer, de Beheerser van het Universum met Zijn volkomen deelaspect [Balarâma]. Hoe kon Hij, de oorspronkelijk woordvoerder, uitvoerder en beschermer van de morele gedragscodes, zich zo in tegenspraak gedragen o brahmaan, met het betasten van andermans vrouwen? (29) Wat had Hij, zo in Zichzelf tevreden, in gedachten met deze welzeker verwerpelijke vertoning, o beste der gezworenen, alstublieft verlos ons van onze twijfel in dezen.'

(30) S'rî S'uka zei: 'Het breken met wat dharma is en de onnadenkendheid, zoals men die kan aantreffen bij spiritueel gezaghebbenden, betekent nog niet dat ze verkeerd bezig zijn. Het is met hen als met een allesverzengend vuur [dat hetzelfde blijft ongeacht wat het verteert]. (31) Iemand die de beheersing niet gegeven is [over zichzelf] moet er zeer zeker niet aan denken ooit zoiets als dit te doen; zo'n iemand, handelend uit dwaasheid, zou eraan kapot gaan, net zoals iemand anders dan Rudra ten gronde zou gaan met [het drinken van] het vergif van de oceaan [zie 8.7]. (32) Waar zijn de woorden van degenen die de zaak in de hand hebben [met de Heer en met zichzelf] en wat ze doen behoort door mensen die intelligent zijn [alleen maar] in een aantal gevallen als voorbeeld te worden genomen, namelijk in die gevallen waarin er sprake van is dat wat ze doen in overeenstemming is met wat ze zeiden [zie * en tevens B.G. b.v. 3: 6-7, 3: 42, 5: 7]. (33) Zo goed als er voor hen die egoloos handelen geen voordeel te behalen valt met wat ze in hun vroomheid doen zullen zij ook geen nadeel ondervinden als ze tegengesteld aan de verwachtingen handelen. (34) Hoe kunnen we nu in verband met de Heer die heerst over al de geschapen wezens, al de dieren, de menselijke wezens en de bewoners van de hemel, spreken over goed en kwaad? (35) De wijzen, wiens karmische gebondenheid met het dienen van het stof van de lotusvoeten allemaal is weggewassen, vinden met de macht van de yoga hun tevredenheid en handelen vrijelijk, zij raken, door Hem, nimmer verstrikt; in welke zin zou er ook sprake zijn van gebondenheid onder hen die naar Zijn wil lichamen van bovenzinnelijkheid hebben aangenomen? [zie vapu]. (36) Hij die binnenin de gopî's en hun echtgenoten, ja werkelijk binnenin alle belichaamde wezens, leeft als de Allerhoogste Getuige, heeft Zijn gedaante aangenomen om in deze wereld Zijn spel te spelen. (37) Met het aannemen van een menselijk lichaam om Zijn toegewijden Zijn genade te tonen, gaat Hij over tot avonturen waardoor men erover vernemend aan Hem verslingerd raakt [zie ook 1.7: 10]. (38) Hoewel de koeherders van Vraja allen begoocheld waren door de macht van Zijn mâyâ waren ze niet jaloers op Krishna; ze gingen er allen van uit dat hun vrouwen aan hun zijde stonden. (39) Ook al wilden ze het niet, toch gingen de gopî's, de liefjes van de Allerhoogste Heer, op Krishna's aanraden weer naar huis toen die [eindeloze] nacht van Brahmâ om was. (40) Een ieder die met geloof luistert naar of een beschrijving geeft van dit spel en vermaak van Heer Vishnu met de koeienmeisjes van Vraja, zal de bovenzinnelijke toegewijde dienst aan de Allerhoogste Heer bereiken, hij zal snel tot zichzelf komend de ziekte van de lust in het hart weten te verdrijven.'

 Voetnoten:

* S'rî Hayes'var Das, de vertaler van de eerste Canto's en het Krishnaboek in het Nederlands schreef in zijn latere dichterlijke © versie 'Het Spel van Krishna' van het tiende Canto er dit vers van:

Wat groten leren is volmaakt;
Niet steeds voorbeeldig is hun doen:
Een schrander mens volge hen slechts
In daden met de leer verzoend.

 

Hoofdstuk 34

Sudars'ana Verlost en S'ankhacûda Gedood

(1) S'rî S'uka zei: 'Op een dag gingen de gopa's vol van ijver voor God met ossenkarren op reis naar het Ambikâwoud. (2) Daar badend in de Sarasvatî vereerden ze met de nodige hulpmiddelen devoot de machtige halfgod Pas'upati [S'iva als de heer der dieren] en de godin Ambikâ [*], o Koning. (3) Respectvol schonken ze koeien, goud, kleding en met honing vermengde, zoet smakende granen aan al de brahmanen en baden ze daarbij: 'devo nah prîyatâm' ['moge de Here God behaagd zijn']. (4) Naar strikte geloften levend op enkel water [zie 8.16] brachten de hoogst gezegende Nanda, Sunanda [Nanda's jongere broer] en de anderen die nacht door aan de oever van de Sarasvatî. (5) Een of andere gigantische slang daar in de buurt kwam er toevallig heen gegleden op zijn buik en begon Nanda te verzwelgen. (6) Hij, gegrepen door de python, schreeuwde: 'Krishna, o Krishna, mijn beste jongen, red deze overgegeven ziel, deze enorme slang is me aan het verslinden!' (7) Toen ze de kreten hoorden stonden de gopa's onmiddellijk op en grepen ze, onthutst toen ze zagen wat er gebeurde, fakkels om de slang aan te vallen. (8) Hoewel verschroeid door de toortsen liet de slang hem niet gaan maar toen kwam de Allerhoogste Heer, de Meester van de Toegewijden eraan en beroerde hem met Zijn voet. (9) Waarlijk maakte toen die goddelijke aanraking door de Opperheer Zijn voet een einde aan die slechtheid en kon men vanuit het achtergelaten slangenlijf een door de Vidyâdhara's aanbeden gedaante [hun leider dus] zien. (10) De Heer der Zinnen ondervroeg toen de persoonlijkheid die met gebogen hoofd en met zijn lichaam opgesierd met een gouden halsketting schitterend stralend voor Hem stond. (11) 'En met wie hebben wij hier de eer die hier zo prachtig straalt en wonderbaarlijk is om te zien? Vertel Me wat leidde tot dit akelige lot van het veroordeeld zijn tot het aannemen van een schrikwekkende gedaante als deze [zie ook 7.13: 11]?'

(12-13) Het [voormalige] serpent zei: 'Ik ben Sudars'ana, een bepaalde Vidyâdhara welbekend om zijn weelde en verschijning. Ik trok altijd overal rond met mijn hemelwagen. Omdat ik verwaand de wijzen voortgekomen uit Angirâ had uitgelachen werd ik vanwege mijn zonde hen zo te minachten ertoe gedwongen deze kwalijke gedaante aan te nemen. (14) Zij zo mededogend van aard hebben met het uitspreken van deze verwensing mij een zegening toebemeten, omdat aldus, met de aanraking door de voet van de Meester van Alle Werelden, al mijn slechtheid teniet gedaan werd. (15) U, diezelfde persoon die voor de overgegeven zielen de Verdrijver van de angst van een materieel bestaan bent, smeek ik om Uw permissie [terug te mogen keren naar mijn wereld], o U die door de aanraking van Uw voet me bevrijd heeft van de vloek, o Vernietiger van Alle Leed. (16) Ik geef me aan U over o Grootste van Alle Yogi's, o Allerhoogste Persoonlijkheid, o Meester der Waarachtigen, alstUblieft gebied mij o God, o Beheerser der Beheersers van het Universum. (17) Toen ik U zag raakte ik terstond bevrijd van de straf van de brahmanen, o Acyuta, U wiens naam eenmaal gezongen ogenblikkelijk een ieder die het hoort zuivert alsook de zanger zelf, om nog maar te zwijgen van wat het betekent om te worden aangeraakt door Uw voet!'

(18) Aldus Hem omlopend met het brengen van zijn eerbetuigingen kreeg Sudars'ana toestemming Zijn aanwezigheid te verlaten zodat hij naar de hemel kon en was Nanda bevrijd uit zijn benarde positie. (19) Getuige te zijn van dat persoonlijke vertoon van Krishna's macht deed de mannen van Vraja versteld staan. Na het voorval rondden ze ter plekke hun geloften af en keerden ze terug naar het koeherdersdorp, o Koning, waarbij ze vol eerbied [onderweg] bespraken wat zich had voorgedaan.

(20) Op een dag daarna [op Gaura-pûrnimâ naar verluid] waren Govinda en Râma, wiens daden zo wonderbaarlijk zijn, in het holst van de nacht in het bos aan het spelen met de meisjes van Vraja. (21) Hun roem werd met charme bezongen door het vrouwvolk dat in liefde verslingerd was aan Hen wiens leden fraai waren opgesierd en ingesmeerd bij de bloemenslingers en de onberispelijke kleding die ze droegen. (22) Vroeg in de nacht eerden de beiden de gerezen maan, de sterren, de jasmijnknoppen die met hun geur de bijen die er gek op waren bedwelmden en het briesje dat de geur meevoerde van de lotussen. (23) De twee bezongen voor het oor en de geest van alle levende wezens het geluk, tezamen van hoog naar laag alle tonen voortbrengend die de toonladder maar te bieden had. (24) De gopî's die hun gezang hoorden hadden vol van bewondering niet in de gaten, o heerser der mensen, dat hun kleren losgegleden en dat hun haar en bloemen in de war raakten. (25) Met de twee aldus zich naar hartelust vermakend tot in het extatische, verscheen er een dienaar van Kuvera ter plekke die de naam S'ankhacûda droeg ['weelde-kruin']. (26) Recht voor hun ogen, o Koning, dreef hij, onbevreesd met hun noodkreten, de verzameling vrouwen die Hen tot hun Heren hadden verkozen in de richting van het noorden. (27-28) Toen Ze zagen hoe zij die Hen toebehoorden als een stelletje koeien door een dief werden ingepikt en uitriepen 'Krishna, o Râma, help ons!', haastten de twee broers Zich achter hen aan. (29) Toen hij de twee er als de Dood en de Tijd aan zag komen werd hij bang en daardoor in de war geraakt liet hij de vrouwen achter en rende hij voor zijn leven. (30) Govinda uit op zijn kruinjuweel rende achter hem aan waarheen hij ook vluchtte, terwijl Balarâma achterbleef om de vrouwen te beschermen. (31) Hem inhalend alsof het niets was sloeg Hij, de Almachtige Heer, met Zijn vuist simpelweg zijn kruinjuweel eraf samen met zijn hoofd. (32) Aldus S'ankhacûda ter dood gebracht hebbend nam Hij het glanzende juweel mee naar Zijn oudere broer en gaf Hij het tevreden aan Hem onder het oog van de gopî's.'

Voetnoten:

* Ambikâ betekent moeder, goede vrouw, een naam schriftuurlijk verbonden met het vrouwlijke van Ûma en Pârvatî in relatie tot Skanda, S'iva of Rudra, als een term van respect. Ambikâvana vindt men in Gujarat provincie, nabij de stad Siddhapura. S'rîla Vis'vanâtha Cakravartî Thhâkura haalt hier autoriteiten aan die claimen dat Ambikâvana zich bevindend aan de oever van de rivier de Sarasvatî [die niet meer bestaat], te vinden is ten noordwesten van Mathurâ. Ambikâvana staat bekend om de beeltenissen van S'rî S'iva en zijn vrouw, de godin Ûma.

 

 

Hoofdstuk 35  

De Gopî's Zingen van Krishna als Hij in het Woud Rondtrekt

(1) S'rî S'uka zei: 'De gopî's met Krishna weg het bos in, brachten, ongelukkig als ze waren vanbinnen Hem in hun geest najagend, hun dagen door met het luidkeels zingen over Krishna's wederwaardigheden.

 De gopî's zongen:

 

(2-3)

'Met Zijn linker kin naar links

van Zijn arm plaatst Hij,

met Zijn wenkbrauwen bijeen,

de fluit aan Zijn lippen

met Zijn vingers zo teder

op de gaten, o gopî's;

 

alwaar Mukunda zo klinkt

volgen in de lucht de vrouwen

tezamen met de volmaakten,

verwonderd ernaar te luisteren

beschaamd te hebben toegegeven

aan het najagen van hun verlangens

en vergeten ze hun verdriet

dat ze voelden in hun geest,

alsook hun goede manier van doen.  

 

(4-5)

Oh meisjes wat een wonder

om dit te horen van Nanda's zoon,

de schenker van vreugde

aan mensen in moeilijkheden,

als Hij met Zijn stralende glimlach

en vaste bliksemschicht [de S'rîvatsa of de godin] op Zijn borst

Zijn fluit deed weerklinken.

 

De groepjes stieren

gehouden in de wei,

de herten en de koeien

met omhoog hun oren

op een afstand, weerhouden

met hun monden vol hun tanden

van het kauwen en staan stokstijf

als was het een plaatje getekend.

 

(6-7)

Als Mukunda, met een keur

aan [pauwe] veren, [grond-] kleuren en blaadjes,

qua kleding eruitziend als een worstelaar,

met Balarâma en de gopa's,

o beste gopî's, de koeien roept,

 

raakt inderdaad de stroom van de rivieren

verstoord als ze net als wij,

tekortschietend in hun vroomheid,

met hun armen van water

zijn gestopt, bevend van

liefde hunkerend naar

het stof van de lotusvoeten

meegevoerd door de wind.

 

(8-9)

Als Hij als de Ware Persoon

inderdaad, roept met Zijn fluit

om de koeien, naar het kunnen

van Zijn onuitputtelijke weelde

in toonaarden wordt geprezen

door Zijn gezelschap, rondtrekkend

in het woud en op de hellingen,

 

dan buigen de ranken en bomen,

vol van bloemen en vruchten,

uit zichzelf - als toonden ze

Vishnu - zich voorover

zwaar met hun takken,

van liefde dan regenend

stromen van zoet sap

met de begroeiing op hun lijven

overeind in verrukking.

 

(10-11)

Als Hij als de meest

aantrekkelijke om te zien

Zijn fluit heft omhoog,

dankbaar bekennend de dierbare,

sterk zoemende bijenzwerm bedwelmd

door de [subtiel] honingzoete geur

van de tulsîbloemen in de rondte

van Zijn goddelijke slinger, oh dan,

 

komen de kraanvogels en zwanen

en andere vogels in het meer

in hun geest gegrepen

door de charme van het lied

naar voren en betuigen

Hem de eer ogen dicht,

stil blijvend met hun geesten

gehouden in bedwang.

 

(12-13)

O Vraja-devî's, als Hij,

in het gezelschap van Balarâma,

voor de grap een slinger draagt

op Zijn hoofd en op de hellingen

geluk schenkt door Zijn fluit

te laten klinken en de wereld

doet genieten in vreugde,

 

dan biedt het wolkendek, bang

zo'n grootheid te schofferen

in reactie allervriendelijkst

al rommelend en regenend

met bloemen voor zijn Vriend,

zijn schaduw als een scherm.

 

(14-15)

O dame zo vroom [Yas'odâ],

als uw zoon, een expert

in koeienzaken divers

en een genie in soorten stijlen

van spelen, plaatst Zijn fluit

aan Zijn lippen rood als Bimba

om Zijn muziek te doen klinken

zo harmonieus van klank,

 

buigen de meesters van verlichting

als Indra, S'iva en Brahmâ

met het horen van dat panorama,

met de geschoolden voorop

hun hoofden geheel beduusd

voor zichzelf niet in staat

de essentie ervan te kennen.

(16-17)

Als, geëerd door Zijn fluit,

met symbolen van vlag,

bliksemflits, lotus en drijfstok

die Zijn lotus[blaadjes] voeten sieren

de bodem van Vraja,

met Zijn lichaam bewegend

met de gratie van een olifant,

wordt verlost van haar pijn

veroorzaakt door de hoeven [van de koeien],

 

weten wij, met die loop

in het goede van Zijn blikken

zo speels opgewonden

door Cupido, in onze verbijstering,

als bomen blind gestaard,

niet nog langer hoe en wat [de staat is]

van onze kleding en haardracht.

 

(18-19)

Als Hij, met de bloemslinger

met de door Hem gewaardeerde geur

van tulsî, de koeien telt

op een koord kleurige kralen

en dan, met het gooien van Zijn arm

over de schouder van een metgezel

geliefd, zo nu en dan zingt,

 

gaan de vrouwen van de zwarte herten,

de reeën, net als de gopî's

die hun burgerwil eraan gaven,

af op die oceaan van

bovenzinnelijke kwaliteiten

om te zitten aan Zijn zijde

met hun harten gestolen

door het geluid dat Krishna

voortbracht met Zijn fluit.

 

(20-21)

'O dame zonder zonden

uw teerbeminde kind,

de zoon van Nanda,

met een slinger van jasmijn

bij Zijn kleding en omringd

door de gopa's en de koeien

het fijn hebbend aan de Yamunâ,

 

werd, terwijl Hij speelde Zich vermakend

met Zijn metgezellen, geëerd door de wind

zachtjes blazend voor Hem

met de geur van sandelhout

en, omringd door de verschillende

categorieën mindere goden [de Upadeva's],

bedacht met geschenken en betoond de eer

met liederen en klanken instrumentaal.

 

(22-23)

Met zorg voor de koeien

van Vraja en om Zijn voeten

als de heffer van de heuvel [zie 10.25]

geprezen in Zijn eer, werd Hij,

aan het einde van de dag

de kudde koeien bijeendrijvend

en fluitspelend met Zijn maten,

de hele weg lang door

de goden verheven tezamen

in Zijn heerlijkheid geprezen;

 

deze maan uit de schoot

van Yas'odâ, die kwam

met een verlangen te vervullen

de wensen van Zijn vrienden,

was zelfs als Hij moe was

een feest om te zien

met Zijn slinger en kleur

dik onder het stof

opgeworpen door de hoeven.

 

(24-25)

Met Zijn ogen lichtelijk rollend

van bedwelming, erend

Zijn toegenegen vrienden,

Zijn slinger van woudbloemen,

Zijn gezicht wit als een jujube [een badara-pruim],

de glooiing van Zijn kaken

en het prachtig vertoon

van Zijn oorhangers van goud,

is de avontuurlijke Yadu-Heer

in Zijn schoonheid net als

een olifant o zo koninklijk;

 

gelijk de koning van de nacht [de maan]

'savonds weer terug

met Zijn blije gezicht,

verdrijft Hij, om de koeien van Vraja

Zijn genade te tonen,

de moeilijk te verdragen

drukkende hitte van de dag.' 

(26) S'rî S'uka zei: 'Aldus o Koning, genoten de vrouwen van Vraja, met hun harten en geesten verzonken in Hem, van de dag hoog gestemd zingend over Krishna's spel en vermaak.' 

 

 

 

Hoofdstuk 36  

De Stier Arishthâsura Verslagen en Akrûra Gestuurd door Kamsa

(1) De zoon van Vyâsa zei: 'Kort daarop kwam toen naar het koeherdersdorp de duivelse stier genaamd Arishtha die een enorme bult had. Met zijn hoeven de grond openrijtend deed hij met zijn lijf de aarde schudden. (2) Zeer hard loeiend en over de grond schrapend met zijn hoeven, met zijn staart omhoog en met de punten van zijn hoorns de aarde omwoelend en kluiten omhoog werpend, liet hij met gloeiende ogen zijn urine en ontlasting bij kleine beetjes lopen. (3-4) De angstwekkende aanblik van zijn scherpe hoorns en zijn bult die wel een berg leek waaromheen de wolken zich samenpakken, deed de gopa's en gopî's dermate beven van de schrik dat door zijn luid weerklinkend gebrul, mijn beste, de vrouwen en de koeien in angst voortijdig hun vruchten verloren in miskramen. (5) De dieren renden in paniek de wei uit, o Koning, terwijl de mensen allen 'Krishna Krishna!' [roepend] Govinda opzochten voor hun bescherming. (6) De Allerhoogste Heer, toen Hij zag hoe de hele koeherdersgemeente moedeloos in angst was weggevlucht, kalmeerde ze met de woorden 'wees niet bang' en riep naar de stier-demon: (7) 'Jij suf kwaadaardig beest, hoe waag je het in de aanwezigheid van Mij, de bestraffer van valse onverlaten als jij, dit koeherdersvolk en hun beesten zo bang te maken?!'

(8) Acyuta, de Heer, aldus zich uitlatend sloeg Zich op de armen om Arishtha kwaad te krijgen met het geluid van Zijn handpalmen en nam er een houding bij aan waarin Hij Zijn slangenarm over de schouder van een vriend gooide. (9) En inderdaad kreeg Hij op die manier Arishtha kwaad die furieus over de aarde schraapte met zijn hoef en Krishna [toen] met zijn staart naar de wolken opgeheven aanviel. (10) Bloeddorstig vanuit zijn ooghoeken starend stormde hij met zijn hoorns recht naar voren op Krishna af, als was hij een bliksemschicht losgelaten door Indra. (11) De Opperheer echter greep hem als een rivaliserende olifant bij de horens vast en wierp hem zes meter naar achteren. (12) Afgeweerd viel hij, zich snel weer herstellend, zwetend over heel zijn lijf opnieuw aan, waarbij hij geestloos in zijn woede zwaar ademde. (13) In zijn aanval werd hij bij de hoorns gegrepen en liet Hij hem met Zijn voet struikelen, zodat hij als een natte dweil tegen de grond klapte. Daarna sloeg Hij op hem in met zijn eigen [afgebroken] hoorn totdat hij plat ging. (14) Bloed spuwend, een lading urine en ontlasting uitscheidend en met zijn poten trappelend vertrok hij toen in pijn met rollende ogen naar het bereik van de Dood. De goden strooiden daarop bloemen over Krishna uit in aanbidding. (15) Op die manier de dik gebulte ter dood brengend betrad Hij, dat feest voor de gopî's hun ogen, onder de lofprijzingen van de tweemaal geborenen, met Balarâma het koeherdersdorp.

(16) Met de demon Arishtha gedood door de Wonderdoener Krishna, richtte zich toen tot Kamsa de machtige Nârada die de visie van God gegeven was [zie 1.6: 25-29]: (17) 'Het meisje van Devakî is Yas'odâ's dochter en Krishna en ook Balarâma, de zoon van Rohinî, zijn van Vasudeva, die beducht Hen bij zijn vriend Nanda onderbracht; zij waren de twee die feitelijk uw mannen ter dood brachten.'

(18) Toen hij dat hoorde greep de heer van Bhoja, buiten zinnen van woede, naar een scherp zwaard om Vasudeva ter dood te brengen. (19) Nârada hield Kamsa tegen [door te zeggen] dat Vasudeva's twee zoons de oorzaak van zijn dood zouden zijn en met dat in gedachten sloeg hij toen hem en zijn vrouw in ijzeren ketenen [zie ook 10.1: 64-69]. (20) Toen de deva-rishi vervolgens wegging richtte Kamsa zich tot de demon Kes'î om hem op pad te sturen: 'Jij bent degene aangewezen om die twee, Râma en Kes'ava, te doden'.

(21) Daarop ontbood hij Mushthika, Cânûra, S'ala, Tos'ala en dergelijken, zijn ministers en zijn olifantenverzorgers, tot wie de koning van Bhoja zei: (22-23) 'Beste maten, Mushthika en Cânûra, luister alsjeblieft goed naar wat ik je te zeggen heb. Het blijkt het koeherdersdorp van Nanda te zijn waar de twee zoons van Ânakadundubhi zich ophouden. Mijn dood werd voorspeld zich te voltrekken door [het ingrijpen van] Krishna en Balarâma. Als we Ze zo ver krijgen hier te komen voor een worstelwedstrijd moeten jullie Ze doden. (24) Bouw een ring en verschillende tribunes eromheen - alle onderdanen van binnen en buiten de stad moeten er getuige van zijn hoe Zij uit eigen beweging deelnamen aan de wedstrijd. (25) O olifantenverzorger, door jou mijn beste kerel, moet de olifant Kuvalayâpîda naar de ingang van het strijdperk worden gebracht waar mijn vijanden moeten worden vernietigd. (26) Begin met het volgens de voorschriften houden van het boogoffer op de veertiende [Caturdas'î] van de maand en breng een zoenoffer met de daartoe geëigende dieren voor de Heer der Geesten [S'iva], de genadige.'

(27) Met het aldus geven van zijn opdrachten riep hij, slim als hij was in de kunst van het behalen van zijn voordeel, Akrûra ['hij die niet wreed is'], de meest eminente Yadu, bij zich. Hij nam zijn hand in de zijne en zei: (28) 'Beste meester der liefdadigheid, alstublieft verleen me een gunst. Met alle respect, er is niemand onder de Bhoja's en Vrishni's te vinden die zo genadig is als u. (29) Derhalve verlaat ik me op u, o allervriendelijkste, u kwijt zich altijd nuchter van uw taken, net als Indra, de machtige koning van de hemel, die zijn doelen bereikte door zijn toevlucht te zoeken bij Heer Vishnu. (30) Ga naar Nanda's koeherdersdorp alwaar de twee zoons van Ânakadundubhi leven en breng Ze onverwijld naar hier op deze wagen. (31) Zij tweeën zijn, door de godbewusten onder de hoede van Vishnu, erop uitgestuurd op mijn dood te veroorzaken; breng Ze samen met de gopa's onder de leiding van Nanda naar hier, en laat ze de nodige eerbewijzen meebrengen. (32) Hierheen gebracht zal ik Ze door de olifant die zo machtig is als de tijd zelve laten doden, en als Ze daaraan ontkomen, dan zullen mijn worstelaars zo sterk als de bliksem Ze de wereld uithelpen. (33) En als Zij tweeën dood zijn zal ik de getroffen verwanten van wie Vasudeva de leider is ter dood brengen: de Vrishni's, de Bhoja's, en de Das'ârha's [zie nogmaals 10.1: 67]. (34) En zo zal ik ook mijn oude vader Ugrasena te pakken nemen die zo begeertig is op het koninkrijk en zijn broer Devaka en mijn andere vijanden. (35) En op die manier, o vriend, zullen die doornen in deze wereld worden vernietigd. (36) Met mijn oudere verwant [schoonvader] Jarâsandha en mijn vriend Dvivida en S'ambara, Naraka en Bâna, die inderdaad een sterke vriendschap voor mij koesteren, zal ik, al die samenzweerders van sura-koningen om zeep helpend, deze aarde genieten. (37) En nu met deze wetenschap, breng snel de jonge knapen Râma en Krishna naar hier om de boogplechtigheid bij te wonen en de glorie van de Yaduhoofdstad [Mathurâ] te respecteren.'

(38) S'rî Akrûra zei: 'O Koning, aan uw manier van denken om het ongewenste uit te zuiveren mankeert helemaal niets; men moet handelen zonder een verschil te maken tussen de volmaakten en de onvolmaakten, het is per slot van rekenig het lot dat alle resultaten bepaalt. (39) De gewone man, hoewel geplaagd door het lot, handelt verbeten naar zijn verlangens en loopt op tegen geluk en leed. Niettemin zal ik handelen naar uw opdracht.'

(40) S'rî S'uka zei: 'Aldus Akrûra instruerend en ook zijn ministers wegsturend ging Kamsa zijn vertrekken binnen en keerde Akrûra terug naar zijn eigen verblijfplaats.'

 

 

Hoofdstuk 37

Kes'î en Vyoma Gedood en Nârada Looft Krishna's Toekomst

(1-2) S'rî S'uka zei: 'Gestuurd door Kamsa [in 10.36: 20] was er toen Kes'î, een gigantisch paard dat, met zijn hoeven de aarde openrijtend en met de snelheid van de geest de wolken en de hemelwagens van de goden uiteendrijvend, met zijn manen en gehinnik allen grote schrik aanjoeg. De Allerhoogste Heer trad, op het geluid van zijn gehinnik en de onrust van de wolken teweeggebracht door zijn staart dat Zijn koeherdersdorp in schrik verzette, daarop naar voren om te vechten en daagde Kes'î uit die naar Hem op zoek brulde als een leeuw. (3) Toen hij, moeilijk te overwinnen en te benaderen en agressief met zijn mond open de lucht indrinkend, Hem voor zich zag, rende hij in volle vaart er op af om de Lotusogige Heer met zijn benen aan te vallen. (4) Dat ontwijkend greep de Heer van het Voorbije, erop bedacht, hem met Zijn armen bij de benen om hem daarop onverschillig rondslingerend op een afstand van honderd booglengten van Zich af te werpen, erbij staand als was Hij de zoon van Târkshya [Garuda] die een slang van zich afwerpt. (5) Hij weer bij bewustzijn komend hief zich op in bittere woede en rende, [zijn mond] wijd open, in volle vaart op de Heer af die op Zijn beurt met een glimlach Zijn linker arm in zijn mond stak als was het een slang in een hol. (6) Met het in aanraking komen van Kes'î's tanden met de Heer Zijn arm vlogen die eruit alsof ze waren geraakt door een roodgloeiende staaf en zwol de arm van de Allerhoogste Ziel die zijn lichaam was binnengedrongen op als een verwaarloosde [van waterzucht] zieke buik. (7) Met Krishna's arm aldus uitzettend werd zijn adem tot staan gebracht en viel hij, met zijn benen trappelend, zwetend over heel zijn lijf, met zijn ogen rollend en zijn ontlasting de vrije loop latend, ontzield neer op de grond. (8) Hij met de Machtige Armen die Zijn arm terugtrok uit het dode lijf dat eruit zag als een komkommer [karkathikâ], werd, er bescheiden over Zijn vijand moeiteloos gedood te hebben, vanboven door de gode vereerd met een regen van bloemen.

(9) De devarishi [Nârada], de hoogst verheven toegewijde van de Heer, o Koning, zei privé tot Krishna die zo moeiteloos was in Zijn handelingen dit: (10-11) 'Krishna, o Krishna, o Vâsudeva, onmetelijke Ziel, o Heer der Yoga, o Beheerser van het Universum, o toevlucht van allen, o, U meester en allerbeste van de Yadu's; U alleen bent de Ziel van alle levende wezens die als het vuur schuilgaand in brandhout Zich in het hart ophoudt als de Getuige, de Beheerser, de Allerhoogste Persoonlijkheid. (12) Als de vluchthaven der intelligentie van de Geestelijke Ziel bracht U allereerst, middels Uw energie, de geaardheden der natuur voort en door hen [toen] deze waarheid [van het Universum], met de drijvende kracht waarvan U schept, vernietigt en handhaaft als de Beheerser. (13) U, deze ene [schepper] Zelve bent er voor de vernietiging van de demonen [Daitya's], wildemannen [Râkshasa's] en kwelgeesten [Pramatha's] die zich opwerpen als leiders en ook bent U nedergedaald voor de bescherming van de geheiligden. (14) Tot ons geluk hebt U voor de sport deze demon ter dood gebracht die de gedaante van een paard had aangenomen en die met zijn gehinnik de goden die zo waakzaam zijn verschrikt de hemel uitjaagde. (15-20) Overmorgen zal ik er getuige van zijn dat Cânûra, Mushthika en andere worstelaars alsook de olifant [Kuvalayâpîda] en Kamsa door U worden gedood, o Almachtige. Daarna zullen dan volgen [de demonen] S'ankha, [Kâla-]yavana en Mura zowel als Naraka en zal U de pârijâta-bloem wegkapen en Indra verslaan. In Dvârakâ zal men U, o Meester van het Universum, kennen om Uw trouwen met de dochters der heldhaftigen [de koningen] met het geschenk van Uw heldenmoed, het bevrijden van Koning Nriga van zijn vervloeking, het bemachtigen van het juweel genaamd Syamantaka tezamen met een echtgenote en het naar boven halen van de overleden zoon van een brahmaan [Sândîpani Muni] uit Uw verblijf [van de Dood]. Vervolgens zal U Paundraka doden, de stad Kâs'î [Benares] platbranden en toezien op de teloorgang van Dantavakra en de koning van Cedi [S'is'upâla] tijdens de grote offerplechtigheid [zie ook: 3.2: 19, 7.1: 14-15]. Over deze en andere grote wapenfeiten die ik van U tegemoet zal zien tijdens Uw verblijf in Dvârakâ zullen de dichters van deze aarde zingen. (21) Dan zal ik U zien als de wagenmenner van Arjuna, met wie U de gedaante van de Tijd aanneemt met de bedoeling effectief de vernietiging af te roepen over het geheel van de strijdkrachten van deze wereld. (22) Laat mij naderen tot deze Opperheer die vol is van het zuiverste spirituele gewaar zijn, die in Zijn oorspronkelijke identiteit volkomen vervuld is, wiens wil in geen van Zijn ondernemingen is tegen te gaan en die bij de macht van Zijn vermogen immer verheven is boven de gang van zaken met de geaardheden van de illusoire, materiële energie. (23) Voor U, de op Zichzelf staande Beheerser, die door het scheppend vermogen van Uw eigen Zelf heeft voorzien in een onbeperkt aantal specifieke omstandigheden zodat U kon optreden en nu de [last van de] in zichzelf verdeelde mensheid [die in strijd verkeert] op Zich hebt genomen, buig ik mij diep neer, U de Grootste der Yadu's, Vrishni's en Sâtvata's.'

(24) S'rî S'uka zei: 'De meest voortreffelijke wijze onder de toegewijden die aldus respectvol van eerbetoon was voor Krishna, de leidende Yadu, kreeg toestemming te vertrekken en ging heen erover opgetogen zijnde dat hij Hem had gezien. (25) En Govinda, de Opperheer die Kes'î in de strijd had gedood, hoedde de dieren samen met de koeherdersjongens die zo blij waren met het geluk dat Hij in Vraja bracht. (26) Op een dag, toen de gopa's de dieren aan het weiden waren, gingen ze op de helling van de heuvel over tot verstoppertje spelen met politie en boefje. (27) Sommigen van hen waren daarin de dieven, sommigen waren de herders, terwijl anderen van hen, o Koning, zich daarbij voordeden als de nietsvermoedende schapen. (28) Een zoon van de demon Maya genaamd Vyoma ['het zwerk'], een machtige magiër, die zich voordeed in de vermomming van een gopa, speelde voor een van de vele dieven en nam allen die voor schaap speelden mee. (29) De een na de ander werd door de grote demon in een berggrot gegooid waarvan hij de ingang met een grote kei blokkeerde zodat er nog maar vier of vijf overbleven. (30) Ontdekkend waar hij mee bezig was nam Krishna, de aanvoerder der gopa's en beschermer van hen die zuivering zoeken, hem zonder pardon te pakken precies zoals een leeuw een wolf grijpt. (31) De demon die zijn oorspronkelijke gedaante weer aannam die zo groot was als een berg, probeerde zich uit alle macht te bevrijden, maar stevig omkneld verspilde hij zijn krachten, het lukte hem niet. (32) Hem met Zijn armen bedwingend drukte Acyuta hem tegen de grond en terwijl de goden in de hemel toekeken doodde Hij hem als was ie een offerdier [wurgde hem dus]. (33) Met het doorbreken van de geblokkeerde ingang van de grot bevrijdde Hij de gopa's uit hun benarde positie en keerde Hij, onder de lofzang van de goden en gopa's terug naar Zijn koeherdersdorp.'

 

Hoofdstuk 38  

Akrûra's Gemijmer en de Ontvangst in Gokula

(1) S'rî S'uka zei: 'Akrûra die hooggestemd de nacht doorbracht in de stad Mathurâ [na 10.36: 40], beklom toen zijn wagen en vertrok richting Nanda's koeherdersdorp. (2) Onderweg ervoer hij een buitengewoon sterke toewijding voor de allerfortuinlijkste lotusogige Persoonlijkheid van God en dacht hij derhalve als volgt: (3) 'Welke goede daden heb ik verricht, door welke ernstige boete werd ik gelouterd of van welke andere aanbidding was ik dat ik vandaag Kes'ava mag zien? (4) Mijn reiken tot de aanwezigheid van Hem die Geprezen Wordt in de Geschriften is denk ik voor iemand met een wereldse geest evenzo moeilijk te bereiken als het zingen van vedische mantra's voor iemand van de laagste klasse. (5) Maar genoeg daarover, zelfs voor een gevallen ziel als ik bestaat er een kans om Acyuta te zien te krijgen; soms bereikt iemand die wordt meegesleurd door de rivier van de tijd de andere oever! (6) Vandaag is het onzuivere verdreven en werpt mijn geboorte zijn vrucht af, daar het de lotusgelijke voeten van de Opperheer bemediteerd door de yogi's zijn die ik zal gaan respecteren. (7) Kamsa die me hierheen stuurde heeft me, door me ertoe te bewegen de voeten van de Heer op te zoeken die in deze wereld nederdaalde, werkelijk een grote dienst bewezen; het is bij de gloed van Zijn geronde teennagels dat velen in het verleden zich konden bevrijden van de zo moeilijk te overwinnen duisternis van een materieel bestaan. (8) Het zijn zij [die voeten], aanbeden door heer Brahmâ, S'iva, de andere halfgoden, door S'rî, de godin van het geluk, de wijzen en met de toegewijden, waarmee Hij zich voor het hoeden van de koeien met Zijn kameraden rondbewoog in het woud waarin de sporen van de kunkuma van de borsten van de gopî's te vinden is. (9) Zonder twijfel zal ik Mukunda's fraaie kaaklijn en neus te zien krijgen, de glimlachen en de blikken van Zijn roodgekleurde lotusgelijke ogen en het haar dat zich krult rondom Zijn gezicht; en het is inderdaad zo dat de herten me van rechts passeren [een gunstig voorteken]! (10) Zeer zeker zal ik vandaag het genoegen smaken Vishnu recht voor me te zien, de Hemel der Schoonheid te aanschouwen die vanuit Zijn eigen verlangen de last van deze wereld te verlichten de gedaante van een menselijk wezen heeft aangenomen. (11) Hij, hoewel Hij [net als ik] een getuige is van het ware en onware, is verstoken van het idee van een ik en heeft bij dat persoonlijk vermogen van Hem de duisternis en verbijstering uitgebannen van een afgescheiden bestaan [zie ook 2.5: 14, 2.10: 8-9, 3.27: 18-30 en 10.3: 18]; het is Hij die vanbinnenuit werkzaam is, die door de geschapen wezens die zich manifesteren als Hij Zijn blik laat rusten op de materiële energie van Zijn schepping, slechts indirect kan worden waargenomen via de poorten van de vitale adem, de zinnen en de intelligentie in hun lichamen [zie ook 2.2: 35]. (12) De goedgunstige woorden, samengevoegd met de kwaliteiten, handelingen en incarnaties [van Hem en Zijn expansies], maken een einde aan al de zonden in de wereld en schenken leven, schoonheid en zuiverheid aan het ganse universum, terwijl woorden verstoken van dezen worden beschouwd als mooie dingen op een lijk. (13) En nu is zowaar nedergedaald in Zijn eigen geslacht van getrouwen [Sâtvata's] Hij die de gedragscodes handhaaft, Hij die als de leider der onsterfelijken, genoegen verschaffend, Zijn roem verbreidt met Zijn aanwezigheid in Vraja als de Beheerser wiens alles-begunstigende aard de godbewusten bezingen. (14) Voorzeker zal ik Hem vandaag te zien krijgen, de bestemming en de geestelijk leraar van de grote zielen van al de drie werelden, de ware schoonheid en het grote feest voor allen die ogen hebben, Hij die de gedaante vertoont waar het verlangen van de godin naar uitgaat, die voor mij de vluchthaven is van wie alle zonsopgangen veranderen in een zichtbare zegening. (15) Zo gauw ik uit mijn wagen stap om de voeten te respecteren van de twee Heren, de Leidende Persoonlijkheden waaraan zelfs de mediterende yogi's vasthouden voor hun zelfverwerkelijking, zal ik mij voorzeker voor Hen verbuigen alsook voor de vrienden die met Hen in het bos leven. (16) En als ik dan voor de voeten ben neergevallen zal de Almachtige op mijn hoofd Zijn ene, eigen, lotusgelijke hand leggen die de angst verdrijft voor het serpent van de tijd vanwege wiens gezwinde kracht de mensen zwaar verstoord een veilig heenkomen zoeken. (17) Met het in die hand een respectvolle offergave leggen verwierven Purandara [zie 8.13: 4] en eveneens Bali [zie 8.19] de heerschappij [de positie van Indra] over de drie werelden; het is die hand welke tijdens het spel in aanraking met de dames van Vraja geurig als een welriekende bloem de vermoeidheid wegwiste [zie 10.33]. (18) Naar mij toe zal Acyuta, hoewel ik een boodschapper van Kamsa ben, geen vijandige houding aannemen; Hij die alles binnen en buiten het hart overziet is de Kenner van het veld [van het lichaam, zie B.G. 13: 3], de Kenner die met een volmaakte blik alles ziet, wat er ook geprobeerd of gezocht wordt. (19) Verankerd aan de basis van Zijn voeten met samengevouwen handen zal Hij op mij beminnelijk lachend neerzien zodat met het onmiddellijke uitbannen van alle besmetting middels Zijn blik ik bevrijd zal zijn van twijfel en een intens geluk zal bereiken. (20) Als de beste vriend en als een lid van de familie enkel Hem hebbend als mijn voorwerp van aanbidding, zal Hij me omhelzen met Zijn twee grote armen waarop als gevolg daarvan terstond mijn lichaam geheiligd zal raken en mijn karma-afhankelijke banden minder zullen knellen. (21) Als ik, met gebogen hoofd en gevouwen handen, het fysieke contact heb bereikt, zal Urus'rava ['de vermaarde Heer'] me aanspreken met woorden als 'O Akrûra, beste verwant' en zal aldus vanwege de Grootste van Alle Personen mijn geboorte een succes zijn; inderdaad is hij wiens geboorte niet op die manier wordt geëerd meelijwekkend! (22) Niemand is Zijn favoriet of beste vriend, noch heeft Hij een hekel aan wie dan ook, haat Hij iemand of minacht Hij iemand [zie B.G. 9: 29] en niettemin is Hij wederkerig met Zijn toegewijden [zie ook 10.32: 17-22] daar zij net als [wens-] bomen uit de hemel zijn die als men zich tot hen wendt alles schenken wat gewenst werd [zie vaishnava pranâma]. (23) Verder zal Zijn oudere broer, de meest excellente Yadu, glimlachend naar mij, die daar dan staat met een gebogen hoofd, me omhelzen, mijn handen beetgrijpen en me mee naar Zijn huis nemen om me te ontvangen met alle egards en zal Hij navraag doen over hoe Kamsa bezig is met Zijn familieleden.'

(24) S'rî S'uka zei: 'Aldus met zijn wagen onderweg mijmerend over Krishna bereikte de zoon van S'vaphalka [zie 9.24: 15] het dorp Gokula op het moment dat de zon onderging achter de berg, o Koning. (25) De afdrukken van Zijn voeten, waarvan de heersers van alle werelden het zuivere stof op hun kronen houden, zag hij in de aarde van de weidegronden: een prachtige versiering zich aftekenend met de lotus, de korenaar, de olifantendrijfstok en zo meer [zie ook 10.16: 18 en 10.30: 25*]. (26) De extase ze te zien deed in hevige mate zijn opwinding toenemen en zijn haren overeind staan waarbij zijn ogen zich vulden met tranen; van zijn wagen afkomend rolde hij zich [toen] in de voetsporen uitroepend: 'O dit is het stof van de voeten van mijn Meester!' (27) Voor alle belichaamde wezens is dit het levensdoel: om met het voor ogen hebben van de tekenen van de Heer waarover men verneemt en zo meer, de trots, de angst en het verdriet op te geven van het materieel bepaald zijn [door mâyâ, zie 7.5: 23-24].

(28-33) In Vraja zag hij Krishna en Râma die, gestoken in gele en blauwe kleding, met Hun ogen zo mooi als herfstlotussen op weg waren naar waar de koeien worden gemolken. De twee die de toevlucht zijn van de godin waren, blauwig donker en blank van teint, als jongeren hoogst fraai om te zien met machtige armen, aantrekkelijke gezichten en een tred gelijk die van een olifant. Met Hun voeten getekend door de vlag, de schicht, de drijfstok en de lotus verhoogden de grote zielen vol van mededogen met Hun glimlachen en blikken de schoonheid van het weidegebied. Zij wiens wederwaardigheden zo groots waren en aantrekkelijk, waren fris gewassen en droegen halskettingen met juwelen en bloemenslingers, hadden Hun ledematen ingesmeerd met heilzame, geurige substanties en waren onberispelijk gekleed. De twee oorspronkelijke, hoogst uitzonderlijke personen, die de Oorzaak en Heer van het universum zijn [zie ook 5.25], waren voor het welzijn van dat universum nedergedaald in Hun afzonderlijke gedaanten van Balarâma en Kes'ava. O Koning, met Hun uitstraling verdreven Ze, als een berg van smaragd en een berg van zilver opgesierd met goud, in alle richtingen de duisternis. (34) Snel van zijn wagen klauterend wierp Akrûra overmand door gevoelens van liefde zich ter aarde aan de voeten van Râma en Krishna. (35) Toen hij de Allerhoogste Persoonlijkheid zag was hij, vanwege de vreugdetranen opwellend in zijn ogen en de verrukking [van de extase] die zijn ledematen doortrok, in zijn vervoering niet in staat zich kenbaar te maken, o Koning. (36) De Allerhoogste Heer, de Zorgdrager der Overgegeven zielen, hem [niettemin] herkennend, trok hem met Zijn hand gemerkt met een wagenwiel [de cakra] naar Zich toe en omhelsde hem verheugd. (37-38) Vervolgens werd hij die daar met zijn gezicht naar beneden stond grootmoedig omhelsd door Sankarshana [Râma], die met Zijn hand zijn twee handen beetpakkend hem samen met Zijn jongere broer met Zich meevoerde in huis. Daarna informeerde Hij of zijn reis aangenaam geweest was en waste Hij, zoals dat was voorgeschreven bij wijze van een respectvol eerbetoon, hem zijn voeten met gezoete melk. (39) Een koe wegschenkend in liefdadigheid en vol van respect de vermoeide gast een massage gevend, serveerde de Almachtige hem trouw het juiste voedsel in verschillende smaken. (40) Na het maal voorzag Râma, de Allerhoogste Kenner van het Dharma, met liefde verder nog in kruiderij om de tong van dienst te zijn en in bloemenslingers om de hoogste voldoening te schenken.

(41) Nanda vroeg de geëerde: 'O nakomeling van Das'ârha, hoe vergaat het u met het in leven zijn van de genadeloze Kamsa, die baas die net als een slager is met schapen? (42) Als hij wreed en zelfzuchtig de baby's van zijn eigen zuster tot haar grote verdriet doodde, wat zou dat dan wel niet, zo durf ik te beweren, betekenen voor uw welzijn?'

(43) Aldus door Nanda gepast vereerd met ware en aangename bewoordingen wierp Akrûra de vermoeidheid van de reis van zich af.'

 

Hoofdstuk 39  

Krishna en Balarâma Vertrekken naar Mathurâ

(1) S'rî S'uka zei: 'Nadat hij comfortabel gezeten op een bank dermate was vereerd door Râma en Krishna, zag hij [Akrûra] aldus zich alles afspelen dat hij zich onderweg voor de geest had gehaald. (2) Wat zou er met de tevredengestelde Allerhoogste Heer, met de toevlucht van S'rî, niet te bereiken zijn; niettemin verlangen zij die Hem toegewijd zijn nergens naar. (3) Toen het avondmaal was genoten vroeg de Allerhoogste Heer, de zoon van Devakî wat Kamsa in zijn schild voerde in relatie tot Zijn vrienden en verwanten en wat hij verder van plan was. (4) De Opperheer zei: 'O zachtgeaarde, bent u bekomen van de reis? Al het goede zij u toegewenst! Zijn uw vrienden en verwanten en andere metgezellen allemaal gelukkig en gezond? (5) Maar hoe kom Ik erbij te vragen naar ons welzijn, onze verwanten en de onderdanen, zolang als die ziekte van de familie Kamsa, die slechts in naam onze oom is van moederszijde, zich zo te buiten gaat? (6) Denk er eens aan hoe Mijn onschuldige ouders die vanwege Mij door hem gevangen zijn gehouden zwaar te lijden hadden onder hem die de dood van hun zoons op zijn geweten heeft. (7) Vandaag is de wens in vervulling gegaan dat We het goede geluk mogen smaken dat u, Mijn nauwe verwant, Mijn aanwezigheid zoekt, o vriendelijke man; leg alstublieft uit o oom, wat de reden van uw komst is.'

(8) S'rî S'uka zei: 'Op verzoek van de Allerhoogste Heer beschreef de afstammeling van Madhu [Akrûra, zie 9.23: 29] de vijandige houding en de moordplannen [van Kamsa] jegens Vasudeva en de Yadu's. (9) Hij onthulde om welke boodschap hij als gezant was gestuurd en wat Nârada hem [Kamsa] had verteld over het feit dat Krishna als de zoon van Ânakadundubhi ter wereld was gekomen. (10) Toen Hij hoorde wat Akrûra te melden had moesten Krishna en Balarâma, de vernietiger van alles wat brutaal is in oppositie, lachen en vertelden ze Nanda, hun [pleeg]vader, wat de koning had verordonneerd. (11-12) De gopa's zei hij op zijn beurt toen: 'Verzamel al de melkproducten, pak giften en span de wagens in. Morgen zullen we samen met al de mensen die onder mijn zorg vallen naar Mathurâ gaan om de koning onze producten aan te bieden en een groot feest te vieren', en zo liet de gopa Nanda het door zegslieden in heel zijn domein aankondigen.

(13) De koeherdersmeisjes die hoorden dat Akrûra naar Vraja was gekomen om Râma en Krishna mee naar de stad te nemen, raakten toen geheel overstuur. (14) Bij sommigen van hen bracht dat in hun harten zo'n grote pijn teweeg dat ze zuchtend met hun mooie gezichten bleek wegtrokken terwijl van anderen de haarknotten, de armbanden en de kleren losschoten. (15) Met anderen, gefixeerd in meditatie op Hem, hielden, net als bij hen die het bereik van de zelfrealisatie hebben betreden, al de zintuigelijke functies ermee op zonder nog een flauw benul van de wereld te hebben. (16) Weer andere vrouwen vielen flauw, eraan denkend hoe S'auri met het delen van Zijn liefdevolle glimlachen hen in het hart trof en hoe Hij Zich uitdrukte in fraaie volzinnen. (17-18) Denkend aan de charmante manier van bewegen, de handelingen, de toegenegen glimlachen, de blikken die alle ongeluk wegvaagden, de grappenmakerij en de machtige daden van Mukunda, kwamen ze in angst over de scheiding hevig aangeslagen in groepen bij elkaar om diep verzonken in Acyuta met elkaar te praten met tranen op hun gezichten. (19) De fijne gopî's zeiden: 'O voorzienigheid, waar is uw genade om in liefde en vriendschap de belichaamden tezamen te brengen terwijl u ieder van ons gefrustreerd in haar plannen aan haar lot overlaat; hoe zinloos zit u met ons als een kind te sollen! (20) Met het ons tonen van het gelaat van Mukunda omlijst door zwarte lokken, Zijn fraaie kaaklijn en rechte neus en de schoonheid van Zijn bescheiden glimlach die de ellende verdrijft, doet u er in het geheel geen goed aan ze aan ons zicht te onttrekken. (21) Met de naam van Akrûra [wat betekent 'niet-wreed'] bent u welzeker wreed; de Volmaaktheid van de Ganse Schepping, de volmaakte vijand van Madhu, die u eens onze ogen heeft vergund te mogen aanschouwen hebt u werkelijk net als een dwaas helaas weggenomen. (22) Helaas, nu dat Hij een nieuwe liefde heeft opgevat, heeft de zoon van Nanda, in een luttele seconde brekend met Zijn vriendschap, geen oog voor ons die onder Zijn invloed in rechtstreekse dienstbaarheid aan Hem ertoe werden bewogen hun thuis op te geven, hun verwanten, kinderen en echtgenoten. (23) Hoe gelukkig is het ochtendgloren na deze nacht als ontwijfelbaar de hoop in vervulling gaat van de vrouwen in de stad [Mathurâ] die het gezicht zullen indrinken van de meester van Vraja daar binnenkomend met een nectargelijke glimlach die schuilgaat in de hoeken van Zijn ogen. (24) Hoe gedienstig en intelligent Mukunda ook moge zijn, als Zijn geest eenmaal is gegrepen door hun honingzoete woorden, o meisjes, welke kans hebben wij dan nog dat Hij, bewogen door de bekoring van hun bedeesde glimlachen, naar ons boerenluitjes zal terugkeren? (25) Vandaag zal voor ogen van de Dâs'ârha's, Bhoja's, Andhaka's, Vrishni's en Sâtvata's en de anderen zich daar zeer zeker een groot feest voordoen als ze op straat de Lieveling van de Godin voorbij zien komen, het reservoir van alle goddelijke kwaliteiten die de zoon van Devakî is. (26) De naam van iemand die zo onaardig is, een persoon die zo buitengewoon wreed is als hij hier, zou niet 'a-krûra' moeten zijn daar hij zonder zich te verontschuldigen bij ons deze allerverdrietigste mensen [van Vraja], Hem wegkaapt, Hij die ons dierbaarder is dan de dierbaarste. (27) Deze hier, Hij die, tot de onverschilligheid van de ouderen, zo koeltjes de wagen heeft beklommen, wordt door deze halve gare gopa's gevolgd in hun ossenwagens; vandaag is het lot ons niet gunstig gezind! (28) Laten we naar Hem toegaan en Hem tegenhouden, Hij kan dit ons, de familie, de ouderen en onze verwanten niet aandoen - wij die nog niet een halve seconde buiten het gezelschap van Mukunda kunnen; door dat lot gescheiden zullen onze harten breken! (29) Voor ons die door de charme van Zijn liefdevolle genegenheid, aantrekkelijke glimlachen, intieme onderonsjes en speelse blikken en omhelzingen, naar de bijeenkomst van de râsadans werden getrokken [10.33], verstreek de nacht in een enkel moment; hoe, o gopî's, kunnen we nu de onoverkomelijke duisternis overwinnen zonder Hem? (30) Hoe kunnen we ooit ons bestaan vinden zonder Hem, de Vriend van Ananta [Râma] die aan het einde van de dag, omringd door gopa's Vraja binnenkwam met Zijn haar en bloemenslinger dik onder het stof van de hoeven en die, spelend op Zijn fluit, glimlachend vanuit Zijn ooghoeken, met Zijn blikken onze geesten op hol bracht?'

(31) S'rî S'uka zei: 'Zich aldus hopeloos ontsteld over de scheiding uitlatend, vergaten de dames van Vraja, in gehechtheid aan Krishna denkend, al hun schaamte en riepen ze hardop: 'O Govinda, o Dâmodara, o Mâdhava!'

(32) Terwijl de vrouwen aldus lamenteerden ging bij zonsopkomst Akrûra, na zijn ochtendroutines te hebben afgewerkt, eropuitmet zijn wagen. (33) De gopa's met Nanda voorop volgden hem toen in hun karren met bij zich een overdaad aan offergaven en aarden potten vol met melkproducten. (34) De gopî's stonden daartoe te wachten, achter Krishna aangekomen in de hoop wat woorden op te vangen die hen gerust zouden stellen. (35) Toen Hij ze bij Zijn vertrek op die manier zag treuren, troostte de Grootste van de Yadu's hen vol van liefde met de boodschap: 'Hou moed!' [*] (36) In hun geesten Hem nog volgend voor zolang de vlag nog zichtbaar was en het stof van de wagen kon worden gezien, stonden ze erbij als gebeeldhouwde figuren. (37) Zonder de hoop Hem ooit nog terug te zien gingen ze toen vol verdriet terug om hun dagen en nachten al zingend over hun Geliefde door te brengen.

(38) Met de wagen zich snel als de wind verplaatsend kwam de Opperheer samen met Râma en Akrûra, o Koning, aan bij de Yamunâ, de rivier die alle zonde wegvaagt. (39) Na het water daar te hebben beroerd, en het zoete nat dat straalde als juwelen uit Zijn hand te hebben gedronken, begaf Hij zich naar een groepje bomen en klom Hij daar samen met Balarâma op de wagen. (40) Akrûra verzocht Hen toen op de wagen achter te blijven en ging naar een poel in de Yamunâ om daar overeenkomstig de voorschriften een bad te nemen. (41) Zich in dat water onderdompelend en de mantra's van het eeuwige reciterend zag Akrûra daar toen zowel Râma als Krishna recht voor zich. (42-43) Hij dacht: 'Hoe kunnen de twee zoons van Ânakadundubhi die op de wagen zitten nu hier zijn; laat ik eens even kijken of ze er nog steeds zijn', en uit het water komend zag hij Ze zitten waar hij Ze achtergelaten had. Opnieuw alleen het water ingaand vroeg hij zich af: 'Was het misschien een hallucinatie van me dat ik Ze daar in het water zag?' (44-45) En weer op diezelfde plaats zag hij de Heer der Serpenten [Ananta of Balarâma], de godheid met de duizenden koppen, kragen en helmen, gekleed in het blauw en zo blank als de vezels van een lotusstengel, zich daar ophouden als was Hij de berg Kailâsa met zijn witte pieken, en met hun hoofden gebogen daarbij de vervolmaakten, de achtenswaardigen, de zangers van de hemel en zij die van de duisternis zijn. (46-48) Op Zijn schoot bevond zich, als een donkere wolk gekleed in gele zijde, de Oorspronkelijke Persoonlijkheid met de vier armen in vrede; met Zijn oogwit roze als de blaadjes van een lotus; een aantrekkelijk vreugdevol gezicht met een charmante, glimlachende blik; fijne wenkbrauwen, oren en een rechte neus; fraaie kaken en rode lippen; een brede borst en hoge schouders; stoere, lange armen en een nek als een schelphoorn; een diepe navel en een buik gestreept als een [banyaan-]blad. (49-50) Compact was Zijn achterwerk en Zijn heupen, als de slurf van een olifant waren Zijn twee dijen, welgevormd Zijn twee knieën en aantrekkelijk de twee kuiten die Hij had. Lang waren Zijn enkels, roze de gloed die afstraalde van Zijn teennagels en gloeiend als bloemblaadjes de zachte tenen aan weerszijden van Zijn twee grote tenen. (51-52) Gesierd met een helm overdekt met grote en kostbare edelstenen, met banden om Zijn polsen en armen, een gordel, een heilige draad, halssnoeren, enkelbelletjes en oorhangers, hield Hij een stralende lotus, een schelphoorn, een werpschijf en een strijdknots in Zijn handen bij de S'rîvatsa op Zijn borst, het schitterende Kaustubha juweel en een bloemenslinger. (53-55) Voor Hem klaar stonden Zijn dienaren met Nanda en Sunanda voorop. Door Sanaka en de anderen [de Kumâra's], door de leidende halfgoden aangevoerd door Brahmâ en S'iva, door de belangrijkste tweemaal geborenen [met Marîci aan het hoofd] en door de meest verheven toegewijden aangevoerd door Prahlâda, Nârada en Vasu, werd Hij, naar gelang ieder zijn eigen soort van liefdevol zich gedragen, geprezen in gewijde termen en bediend door Zijn [vrouwelijke] interne vermogens van geluk [S'rî], ontwikkeling [Pushthi of ook wel de kracht], de spraak [Gîr ofwel kennis], de schoonheid [Kânti], faam [Kîrti], de tevredenheid [Tushthi of verzaking - deze eersten vormen Zijn zes volheden]; het comfort [Ilâ, bhû-s'akti, het aarde-element of sandhinî] en de macht [Ûrjâ, zich expanderend in Tulasî]; zijn vermogens van kennen en onwetendheid [vidyâ en avidyâ, leidend tot bevrijding en gebondenheid]; Zijn inwendig pleziervermogen [S'akti of hlâdinî], Zijn marginaal vermogen [jîva-s'akti] en Zijn creatief vermogen [Mâyâ].

(56-57) Er zeer verheugd over hiervan getuige te zijn, stond hij [Akrûra] daar, enthousiast in opperste toewijding, met de haren op zijn lichaam overeind en met zijn ogen en zijn lichaam nat van de vervoering in de liefde. Zijn evenwicht weervindend betoonde de grote toegewijde met zijn stem verstikt zijn respect met zijn hoofd voorover gebogen en vouwde hij zijn handen terwijl hij aandachtig langzaam bad.'

* De Sanskriet wortel van het werkwoord hier gebruikt is âyâsya, dat beweeglijk, handig en moedig betekent, en wordt door sommige vertalers geïnterpreteerd als terugkeren. Maar aangezien Krishna niet naar Vraja zal terugkeren anders dan door Uddhava later te sturen en ook Balarâma die nog eens terugkomt, is hier gekozen voor het letterlijke: 'denk eraan moedig te zijn' van het 'âyâsye iti' als: 'hou je haaks, hou stand, hou moed, blijf sterk'.

   

Hoofdstuk 40  

Akrûra's Gebeden

(1) S'rî Akrûra zei: 'In buig me voor U neer, o Oorzaak Aller Oorzaken, Heer Nârâyana, o Oorspronkelijke Onuitputtelijke Persoon uit wiens navel de lotus ontsproot op het hart waarvan Heer Brahmâ verscheen met wie deze wereld tot stand kwam. (2) Aarde, water, vuur, lucht, de ether en waar dat vandaan komt [het valse ego]; het mystificerend geheel van de materie [zie voetnoot 10.13: ***] en haar oorsprong [de geest], het denken, de zinnen, de voorwerpen van al de zintuigen en de halfgoden zijn allen de [onderscheiden secundaire] oorzaken van het universum die zijn voortgekomen uit Uw [bovenzinnelijke] lichaam. (3) Dezen die onder het bestuur van het rijk der materie vallen, hebben vanwege de inertie ervan geen weet van de ware identiteit van het Allerhoogste Zelf, de Ziel van U inderdaad; de ongeborene [Brahmâ] in de greep van de geaardheden van de materiële natuur kan niet anders dan ze, er aan vastzittend, volgen; hij kent niet Uw ware gedaante hoog verheven boven de geaardheden [zie ook 10.13: 40-56]. (4) Het is zeker ter ere van U, de Allerhoogste Persoonlijkheid en de Beheerser met iemand voor zichzelf, met anderen, met het grotere van de natuur en met de heiligen, dat de yogi's hun offers brengen. (5) Sommige brahmanen aanbidden van respect zijnde voor de drie heilige vuren [agni-traya] U uitvoerig middels de mantra's en de drie Veda's in de verschillende rituelen voor de halfgoden met hun verschillende namen en gedaanten. (6) Sommigen in navolging van de kennis bereiken in het afzien van alle baatzuchtige handelingen de vrede door het offer van het cultiveren van de kennis in eerbetoon voor de belichaming van de kennis [de goeroe, de Heer; zie b.v. B.G. 4: 28; 17: 11-13; 18: 70]. (7) En anderen, wiens intelligentie is gezuiverd met de principes [de vidhi] die U biedt, aanbidden U vol van gedachten over U als zijnde de ene vorm die vele gedaanten aanneemt. (8) Weer anderen aanbidden U, de Opperheer, ook in navolging van de verschillende presentaties van vele leraren met de gedaante van S'iva voor ogen op het pad uitgestippeld door Heer S'iva. (9) Zij allen, hoewel ze als toegewijden van andere godheden hun aandacht elders hebben, zijn van eerbetoon voor U die als de Beheerser al de goden omvat [zie B.G. 9: 23]. (10) Net als de rivieren die ontspringend in de bergen vol van de regen van alle kanten de oceaan in stromen, o Meester, leiden zo ook al deze wegen [van de halfgoden] uiteindelijk naar U [zie B.G. 2: 70; 9: 23-25, 10: 24 en 11: 28]. (11) Al de geconditioneerde levende wezens van de onbeweeglijke tot aan Heer Brahmâ toe zijn hierbij verweven met de kwaliteiten [guna's] van het goede [sattva], de hartstocht [rajas] en het trage [tamas] van Uw materiële natuur [zie B.G. 14]. (12) Mijn eerbetuigingen voor U die, er los van staand in Uw visie, als het bewustzijn en de Ziel van iedereen en als de Getuige voor de stroom der materiële geaardheden, zoals uitgemaakt door Uw lagere energie, Uw weg baant onder hen die zichzelf presenteren als goden, mensen en dieren. (13-14) Men denkt aan het vuur als Uw gezicht, aan de aarde als Uw voeten, de zon als Uw oog, de lucht als Uw navel en de windrichtingen als Uw gehoorzin; de hemel is Uw hoofd, de heersende halfgoden zijn Uw armen, de oceaan is Uw buik en de wind is Uw levensadem en fysieke kracht. De bomen en de planten zijn de haren op Uw lichaam, de wolken zijn de haren op Uw hoofd, de bergen zijn het gebeente en de nagels van het Allerhoogste van U, dag en nacht zijn het knipperen van Uw oog, de stamvader is Uw geslachtsdeel en de regen beschouwt men als Uw zaad [zie b.v. ook 2.6: 1-11]. (15) In U, hun Onuitputtelijke Ene Persoonlijkheid die alle geest en zinnen omsluit, vonden samen met hun heersers de werelden hun oorsprong, met inbegrip van de vele zielen die hen bevolken, net zoals de waterdieren rondzwemmend in het water inderdaad of de kleine insectjes in een udumbara-vijg.

(16) Voor het heil van Uw spel en vermaak in deze wereld spreidt U verschillende gedaanten ten toon waarmee de mensen, met het uitzuiveren van hun ongeluk, vol van vreugde Uw heerlijkheden bezingen. (17-18) Mijn respect voor U, de Oorspronkelijke Oorzaak, die in de gedaante van Matsya [de vis, zie 8.24] Zich rondbewoog in de oceaan der vernietiging en voor Hayagrîva [met het paardenhoofd, zie 5.18: 6]; mijn eerbetuigingen voor U, de doder van Madhu en Kaithaba; voor de enorme meester-schildpad [Kûrma, zie 8.7 & 8] die de berg Mandara ondersteunde mijn eerbetoon en alle heil aan U in de gedaante van het everzwijn [Varâha, zie 3.13] die er genoegen in schiep de aarde uit de oceaan op te tillen. (19) Eer aan U, de verbazingwekkende leeuw [Nrisimha, zie 7.8 & 9], o verdrijver van de angst van allen die zich heiligden ongeacht waar ze zijn en de eer aan U die als de dwerg [Vâmana, zie 8.18-21] over de drie werelden heen stapte. (20) Alle eer aan U, de Heer van de nazaten van Bhrigu [Paras'urâma, zie 9.15 & 16] die het woud van ingebeelde edellieden omhakte en mijn eerbetuigingen voor U de beste van de Raghu-dynastie [Heer Râma, zie 9.10 & 11] die een einde maakte aan Râvana. (21) Mijn eerbewijzen voor U Heer Vâsudeva, mijn eerbetuigingen voor de Heer van de Sâtvata's en voor Heer Sankarshana [Hij qua ego], Pradyumna [Hij qua intelligentie] en Aniruddha [Hij qua geest, zie verder 4.24: 35 & 36]. (22) Mijn eerbetuigingen voor Heer Boeddha [Hij als de ontwaakte], de Zuivere, die de demonische nakomelingen van Diti en Dânu van het verstand berooft; mijn respect voor U in de gedaante van Heer Kalki [de Heer die zal komen 'voor de verdorvenen'] de vernietiger van de opstandige vleeseters [mleccha's] die zich voordoen als koningen [zie ook 2.7].

(23) O Allerhoogste Heer, de individuele zielen in deze wereld zijn verbijsterd door Uw begoochelende materiële energie [mâyâ] en zijn er door de valse begrippen van 'ik' en 'mijn' [asmitâ] toe gedreven rond te dolen op de wegen van het baatzuchtig handelen [karma]. (24) Ook ik ben, wat betreft mijn lichaam, kinderen, thuis, vrouw, weelde, volgelingen enzovoorts, verbijsterd, dwaas denkend dat zij, die meer weg hebben van een droom, het ware zouden zijn, o Machtige. (25) Behagen scheppend in het vergankelijke dat niet het ware zelf is en in [dingen die feitelijk] bronnen van ellende [zijn], heb ik inderdaad met een geest die het precies omgekeerd zag me verlustigd in de dualiteit en ben ik, gedompeld in onwetendheid, erin mislukt U te herkennen als de Ene die mij het meest dierbaar is. (26) Als een zot die het water over het hoofd ziet dat overdekt is door de planten die erin groeien en als iemand die een luchtspiegeling najaagt, heb ik me op dezelfde manier van U afgewend. (27) Ik, met een door begeerten en baatzuchtige arbeid betreurenswaardige intelligentie, kon de kracht niet vinden om mijn verstoorde geest te beheersen die door de o zo machtige, gewillige zinnen werd meegesleept van dit naar dat [zie B.G. 13: 1-4, plaatje & 5.11: 10].

(28) Ik van dien aard nader Uw voeten die - zoals ook Uw genade - onmogelijk te bereiken zijn voor hen die niet zuiver zijn, o Heer. En daarbij hou ik in gedachten dat, als het zich van een persoon zo voordoet dat zijn ronddolen in de materiële wereld tot een einde komt, het [stabiele] bewustzijn zich zal ontwikkelen door eerbetoon voor het ware [de toegewijden, de omgang, de leraren, de geschriften en de natuurlijke tijd] van U, wiens navel als een lotus is. (29) Mijn eerbetuigingen voor de belichaming van de Wijsheid, de Bron van Alle Vormen van Kennis, voor Hem, de Absolute Waarheid van onbegrensde vermogens die heerst over de krachten die een persoon beheersen. (30) Mijn eerbetoon voor U, de zoon van Vasudeva, in wie alle levende wezens zich ophouden en mijn respect voor U, o Heer der Zinnen; alstUblieft bescherm me, o Meester, in mijn overgave.'

 

 Hoofdstuk 41  

De Aankomst van de Heer in Mathurâ

(1) S'rî S'uka zei: 'Terwijl hij [Akrûra] aan het bidden was trok Krishna, de Allerhoogste Heer, nadat Hij Zijn gedaante had getoond in het water, Zichzelf weer terug zoals een acteur een einde maakt aan zijn voorstelling. (2) Toen hij zag dat het beeld verdwenen was, kwam hij snel uit het water, maakte zijn ochtendrituelen af en ging geheel verrast naar de wagen. (3) Hrisîkes'a vroeg hem: 'Hebt u iets wonderbaarlijks gezien op aarde, in de hemel of in het water? We hebben er zo een vermoeden van!'

(4) S'rî Akrûra zei: 'Wat voor wonderbaarlijks er ook moge zijn alhier op aarde, in de hemel of in het water, het bevindt zich allemaal in U die alles omvat; wat zou ik met U voor ogen niet gezien hebben? (5) Wat zou met de aanblik van U, de Ene Persoon in wie alle wonderen van de aarde, de hemel en het water worden aangetroffen, o Absolute Waarheid, me dan nog verbazen in de wereld?'

(6) Met die woorden reed de zoon van Gândinî [Akrûra] verder met de wagen om daarmee Râma en Krishna aan het einde van de dag naar Mathurâ te brengen. (7) De mensen van de dorpen hier en daar die Hen onderweg benaderden, waren er blij over de zoons van Vasudeva te zien o Koning, en konden hun ogen niet van Hen afhouden. (8) Nanda, de gopa's en de rest van de bewoners van Vraja die ondertussen waren aangekomen in een park bij de stad, bleven daar op Hen wachten. (9) Zich weer bij hen voegend zei de Opperheer, de Meester van het Universum, tot de bescheiden glimlachende Akrûra terwijl Hij zijn hand in de Zijne nam: (10) 'Ga maar vooruit de stad binnen met de wagen en ga naar huis terwijl Wij van onze kant hier uitstappen en daarna de stad zullen bekijken.'

(11) S'rî Akrûra zei: 'Hoe kan ik zonder Jullie twee Mathurâ nou binnengaan, o Meester? Laat me niet in de steek o Heer, o Zorgdrager van de Toegewijden, ik ben Uw toegewijde! (12) Kom alstUblieft mee, laten we gaan met Uw oudste broer, de gopa's en Uw vrienden, en het zo maken, o Heer van het Voorbije, dat ons huis een meester heeft. (13) AlstUblieft zegen met het stof van Uw voeten het huis van ons die zo gehecht zijn aan de huishoudrituelen en mogen met die zuivering mijn voorvaderen, de heilige vuren en de halfgoden tevredengesteld zijn. (14) De grote koning Bali die de twee voeten waste werd zegerijk [zie 8.19] en bereikte een ongeëvenaarde macht en de bestemming die is gereserveerd voor de zuivere toegewijde. (15) Het water spoelend van Uw voeten heeft, zuiver spiritueel, de drie werelden gezuiverd en de zonen van koning Sagara [9.8] die het met Heer S'iva op zijn hoofd nam [9.9] gingen ermee naar de hemel. (16) O God der Goden, o Meester van het Universum over wie men als men vroom is verneemt en zingt, o Beste van de Yadu's, o Heer Geprezen in de Verzen, o Nârâyana, moge er alle lof voor U zijn.'

(17) De Allerhoogste Heer zei: 'Ik zal naar uw huis komen vergezeld door Mijn oudere broer; met het doden van de vijand temidden van de Yadu's [Kamsa] zal Ik Mijn weldoeners genoegdoening schenken.'

(18) S'rî S'uka zei: 'Aldus toegesproken door de Allerhoogste Heer ging hij, Akrûra, ietwat ontmoedigd de stad binnen om Kamsa op de hoogte te stellen van het succes van zijn missie en ging hij toen naar huis. (19) Later in de middag ging Krishna samen met Sankarshana [Râma] en de gopa's erbij Mathurâ binnen om er een kijkje te nemen. (20-23) Hij zag daar zijn hoofdpoorten en toegangen van kristal, zijn deuren van goud en immense arcades met koper en brons en zijn pakhuizen en onneembare grachten, verfraaid door bloemperken en aantrekkelijke parken. De met goud gesierde kruisingen, de woningen met hun lusthoven, de vergaderruimten van de gilden en de huizen met hun door pilaren ondersteunde balkons en de omheiningen met rijk versierde panelen waren ingelegd met vaidûrya stenen, diamanten, kwartskristallen, saffieren, koraal, parels en smaragden. Er klonken de geluiden van de tamme duiven en pauwen die in de openingen van het lattenwerk voor de ramen en op de met edelstenen ingelegde vloeren zaten en op de hoofdwegen, zijstraten en hoven die besprenkeld waren met water was er [ter verwelkoming] een uitstalling links en rechts van bloemenslingers, verse spruiten, geroosterde granen en rijst. De ingangen van de huizen waren fraai versierd met potten vol yoghurt besmeurd met sandelhoutpasta, linten en bloemblaadjes, reeksen lampen, bladeren, bossen bloemen, en stammetjes van bananen- en betelnootbomen en vlaggen. (24) Toen de zoons van Vasudeva daar omringd door hun vrienden arriveerden, haastten de vrouwen van de stad zich samendrommend aan de kant van de hoofdweg en klommen ze ook, in hun gretigheid een blik op te vangen, bovenop hun huizen o Koning. (25) Sommigen hadden hun kleren verkeerd om aangetrokken en hadden één van hun twee sieraden vergeten met het aandoen van maar één oorbel of slechts één set enkelbelletjes; andere dames maakten één oog op maar niet het andere. (26) Sommigen waren weggelopen tijdens de maaltijd die ze genoten of maakten in hun opwinding niet hun massage af, hun baden of kwamen, het rumoer horend, overeind zonder hun middagslaapje af te maken of zetten als moeders het kind naast zich neer dat ze melk aan het geven waren. (27) Lopend als een olifantenstier in de bronst, stal Hij vermetel met de blikken van Zijn lotusgelijke ogen en het spel van Zijn glimlachen hun harten met Zijn lichaam, die bron van plezier voor de Godin van het Geluk waarmee Hij hun ogen op een feest vergastte. (28) Met het zien van Hem over wie ze bij herhaling hadden gehoord smolten ze vanbinnen met het ontvangen van de eer te worden besprenkeld door de nectar van Zijn blikken en brede glimlachen en omhelsden ze via hun ogen in zichzelf met kippenvel hun idool van extase, waarbij ze het onafgebroken leed opgaven [Hem te moeten missen] o onderwerper der vijanden. (29) Geklommen op de daken van hun woningen bestrooiden de aantrekkelijke vrouwen met hun van liefde als lotussen bloeiende gezichten Balarâma en Kes'ava met bloemen. (30) Met yoghurt, korenaren en potten met water, geurige substanties en andere artikelen van aanbidding werden de Twee vreugdevol op verschillende plaatsen aanbeden door de tweemaal geborenen. (31) De vrouwen van de stad zeiden: 'Oh wat een enorme verzaking hebben de gopî's inderdaad opgebracht met de constante aanblik van deze Beiden, die voor de menselijke samenleving de grootste bron van genoegen zijn.'

(32) De oudere broer van Gada [Balarâma zie 9.24: 46] benaderde een zekere klerenwasser die druk bezig was met verven en verzocht hem om eersteklas, schone kledingstukken. (33) 'Alstublieft, beste man, geef Ons Tweeën wat geschikte kleren; voor u, als u ze schenkt aan Ons, Wij die het verdienen, zal er de hoogste verdienste zijn, dat lijdt geen twijfel!'

(34) Hij, verzocht door de Opperheer die absoluut en compleet was in ieder opzicht, sprak onbeschoft kwaad geworden met een hoogst valse trots dat hij de dienaar van de koning was. (35) 'Is dat geen onbeschaamdheid van U die rondtrekt door de bergen en de bossen, om uit te zijn op het aantrekken van kleren als deze die tot de zaken van de koning behoren? (36) Scheer Je weg Jullie dwazen, zit niet zo te bedelen als Je leven Je lief is, ik zweer het Je, mensen met Jullie lef worden door de mannen van de koning ingerekend, ter dood gebracht en onteigend!'

(37) Hij die Hen aldus vernederde wekte de toorn op van de zoon van Devakî die met de zijkant van Zijn hand hem het hoofd van zijn lichaam sloeg. (38) Toen al zijn medewerkers in alle richtingen een veilig heenkomen zochten en de bundels kleren achterlieten, pakte Acyuta de kledingstukken. (39) Verschillende ervan op de grond weggooiend kleedden Krishna en Balarâma Zich met een stel kleren naar Hun smaak en gaven Ze de rest aan de gopa's. (40) Vervolgens kwam er een wever die op gepaste wijze vol liefde voor Hen Hun kleding verfraaide met stukken stof van verschillende kleuren. (41) Krishna en Râma met ieder Zijn eigen specifieke eersteklas uitdossing en fraaie opsier zagen er zo prachtig uit als een paar jonge olifanten, de een licht, de ander donker, opgetuigd voor een festival. (42) De Opperheer tevreden over hem [de wever] verleende hem sârûpya [de genade van Zijn uiterlijke kenmerken, zie ook mukti] met in deze wereld dezelfde opperste weelde, lichaamskracht, invloed, geheugen en zinsbeheersing.

(43) Toen gingen ze Beiden naar het huis van Sudâmâ ['goedgeefs'], de slingermaker, die toen hij Ze zag opstond en zich voorover met zijn hoofd op de grond verboog. (44) Met zitplaatsen voor Hen bracht hij water om Hun voeten en handen te wassen en giften en dergelijke, en was hij voor de Twee van aanbidding met bloemenslingers, betelnoot en sandelhoutpasta. (45) Hij zei: 'Onze geboorte heeft zijn vruchten afgeworpen en de familie is gezuiverd, o Meester, en met mij zijn mijn voorvaderen, de goden en de zieners zeer tevreden over Uw komst hier. (46) Jullie Twee inderdaad, de Uiteindelijke Oorzaak van het Universum, zijn met Jullie volkomen deelaspecten naar hier afgedaald voor de bescherming en het geluk van de wereld. (47) Van Jullie kant is er voorwaar, zelfs al zijn Jullie wederkerig met hen die van aanbidding zijn, geen vooringenomenheid in Jullie blik, omdat Jullie, als de Ziel van het universum, gelijk zijn naar alle levende wezens als bevriende weldoeners. (48) Jullie Twee zouden mij, Jullie dienaar, moeten opdragen wat ik voor Jullie zou moeten doen; dit voorwaar is voor iedereen de grootste zegen: aldus door Jullie aan het werk gezet te zijn.'

(49) S'uka zei: 'Met die overweging, o beste der koningen, bood Sudâmâ vol van liefde bloemenslingers aan gemaakt van verse, geurige bloemen. (50) Met dezen fraai opgesierd gaven de twee gunstverleners Krishna en Râma, die samen met Hun metgezellen heel tevreden waren, hem die zich voorover gebogen over had gegeven al wat hij zich kon wensen. (51) En hij koos voor een onwankelbare toewijding voor Hem alleen, de Superziel van het Geheel, voor vriendschap met alle levende wezens en ervoor om met bovenzinnelijkheid gezegend te zijn. (52) Hem aldus de zegening verlenend met voorspoed, een goed gedijende familie, kracht, een lang leven, bekendheid en schoonheid, vertrok Hij samen met Zijn oudere broer.'

 

Hoofdstuk 42

Het Breken van de Offerboog

(1) S'rî S'uka zei: 'Over de hoofdweg wandelend zag Krishna een vrouw die een dienblad met smeersels voor het lichaam droeg. Zij, gebocheld [*], jong en met een aantrekkelijk gezicht werd door de Verlener der Essentie met een glimlach gevraagd waarheen ze op weg was: (2) 'Wie ben jij met je mooie benen? Kijk eens wat een zalf! Of alsjeblieft, zeg Ons eerlijk voor wie ze allemaal bestemd zijn. Biedt, als je wilt, Ons tweeën die zalf voor het lichaam en daarna zal er spoedig voor jouw het hoogste voordeel zijn.' 

(3) De dienstmaagd zei: 'O schone man, ik ben een bediende van Kamsa bekend als Trivakrâ ['drieknakje'] en geniet het respect inderdaad voor mijn werk met smeersels die door mij bereid zeer geliefd zijn bij de leider van de Bhoja's. Maar oké, wie anders dan Jullie twee zouden ze verdienen?'

(4) Gegrepen door de schoonheid, charme en lieflijkheid van het gesprokene, de glimlachen en de blikken deelde ze gul uit van haar zalven. (5) Met het aanbrengen op Hun lichamen van de kleuren die afstaken tegen die van Hun lichamen bleken de smeersels van de beste kwaliteit te zijn en zagen Ze er gezalfd prachtig uit. (6) Om bewijs te leveren van het voordeel dat men heeft Hem te ontmoeten besloot de tevreden Opperheer om de kromme rug van Trivakrâ, die zo'n mooi gezicht had, recht te trekken. (7) Met Zijn beide voeten haar tenen naar beneden drukkend nam Hij met Zijn handen haar bij haar kin vast en hief Acyuta, met twee vingers naar boven, haar lichaam omhoog. (8) Zij toen recht als gevolg van Mukunda's aanraking was opeens een vrouw geworden geheel volmaakt met goed geproportioneerde ledematen en grote heupen en borsten. (9) Daardoor gezegend met schoonheid, kwaliteit en goede gevoelens richtte ze zich, met het idee dat in haar opkwam om met Hem te slapen, met een glimlach tot Kes'ava door Hem aan de slip van Zijn bovenkleed te trekken. (10) 'Kom o held, laten we naar mijn huis gaan, ik kan Je hier nu niet verlaten, heb genade alstJeblieft, o Beste van Alle Mannen, met mij wiens geest op hol is geslagen.' 

(11) Met dit verzoek van de vrouw wierp Krishna een blik naar Balarâma die stond te kijken en toen naar de gopa's en zei lachend tot haar: (12) 'Ik zal je thuis bezoeken, jij met je fraaie wenkbrauwen, als Ik volbracht heb waarvoor Ik ben gekomen. Daar zullen wij, reizigers onderweg ver van huis, van opknappen. Jij bent immers het beste wat men zich maar wensen kan.' 

(13) Haar met deze liefdevolle woorden achter Zich latend werd Hij, toen Hij met Zijn broer Zijn weg vervolgde, door de kooplieden geëerd met verschillende offergaven van betelnoot, bloemenslingers en geurige substanties. (14) Met Hem voor ogen konden de vrouwen getroffen door Cupido niet meer goed denken en stonden ze als aan de grond genageld met hun kleren, armbanden en haar in wanorde. (15) Na aan de inwoners gevraagd te hebben waar precies de offerboog zich bevond, betrad Acyuta de plek waar die zich bevond. Het was een boog zo schitterend als een regenboog, de boog van Indra. (16) De boog, bewaakt door vele mannen en aanbeden met de grootste weelde, werd door Krishna opgepakt nadat Hij met geweld de wachters die Hem tegenhielden had gepasseerd. (17) Voor ogen van de wachters tilde Hij hem in een oogwenk met gemak op met Zijn linkerhand. De pees spannend brak Urukrama ['reuzenstap'] hem toen recht doormidden als was Hij een olifant begerig naar een stengel suikerriet. (18) Het geluid van de brekende boog drong in alle richtingen van de hemel en de aarde door, zodat Kamsa die het hoorde de schrik om het hart sloeg. (19) In een poging Hem te pakken te krijgen werden Hij en Zijn kameraden omsingeld door de wachters die hun wapens ter hand hadden genomen en woedend schreeuwden: 'Grijp Hem, doodt Hem!' (20) Toen Balarâma en Kes'ava hun kwade bedoelingen zagen namen ze daarop ieder een stuk van de boog ter hand om ze er verwoed mee tegen de grond te meppen.

(21) Nadat Ze eveneens zo een detachement troepen gestuurd door Kamsa hadden verslagen, liepen de Twee de poort van het offerperk uit om gelukkig de opwindende rijkdom van de stad te aanschouwen. (22) De burgers getuige van Hun verbazingwekkende heldendaad beschouwden Hen vanwege Hun kracht en lef als de beste der goden. (23) Naar believen rondkijkend begon de zon onder te gaan en keerden Krishna en Râma in het gezelschap van de gopa's terug naar de plaats buiten de stad waar ze hun wagens hadden achtergelaten. (24) De woorden over zegeningen in Mathurâ die door de gopî's, die werden gekweld door gevoelens van gescheidenheid, waren uitgesproken toen Mukunda vertrok [10.39: 23-25], werden allen bewaarheid voor hen die het volle zicht hadden op het lichaam van dit toonbeeld van mannelijke schoonheid, de toevlucht naar wie inderdaad de godin van het geluk dermate smachtte dat ze anderen die haar aanbaden erbij vergat. (25) Nadat Ze beiden Hun voeten hadden gewassen en Ze gekookte rijst met melk hadden gegeten, brachten Ze, in het volle bewustzijn van wat Kamsa van plan was, daar de nacht heel comfortabel door. (26-27) Maar Kamsa lag met zijn slechte geest nog lang wakker van het bericht van het spel dat Govinda en Râma hadden gespeeld met het breken van de boog en het doden van zijn legertje wachters. In zijn angst zag hij daarbij zowel wakend als in zijn dromen vele slechte voortekenen en boodschappers van de dood voor zich. (28-31) Hij kon het spiegelbeeld van zijn eigen hoofd niet zien en zonder duidelijke reden zag hij de hemellichamen dubbel; hij zag een gat in zijn schaduw, hij kon het geluid van zijn eigen ademhaling niet horen, hij zag een gouden glans over de bomen liggen en kon zijn eigen voetsporen niet ontwaren. In zijn slaap werd hij omarmd door geesten, reed hij op een ezel, dronk hij vergif en zag hij iemand naakt rondlopen ingesmeerd met olie die een bloemenslinger droeg van nalada bloemen [indiase rose-paarse bloemen] en meer van dergelijke voortekenen. Met het zien van deze voorboden van de dood in zijn slaap en als hij wakker was stond hij zo'n doodsangst uit dat hij de slaap niet meer kon vatten.

(32) Toen de nacht was verstreken, o nakomeling van Kuru, en de zon uit het water oprees, liet Kamsa zoals gepland het grote worstelfestival houden. (33) De mannen van de koning lieten ceremonieel in het perk muziekinstrumenten en trommen weerklinken en versierden de tribunes met bloemenslingers, vlaggen, linten en bogen. (34) Daarop kwamen comfortabel de burgers en de mensen van elders te zitten vooropgegaan door de ambtenaren van staat en de brahmanen die samen met de edelen speciale zitplaatsen toegewezen kregen. (35) Kamsa omringd door zijn ministers zat, geplaatst temidden van zijn bestuurders, angstig te moede op het koninklijke ereplatform. (36) Terwijl de muziekinstrumenten werden bespeeld in ritmen passend voor de gelegenheid kwamen de vooraanstaande, trotse en rijk opgesierde worstelaars naar binnen en gingen ze samen met hun instructeurs zitten. (37) Canura, Mushthika, Kûtha, S'ala en Tos'ala namen geestdriftig met de aangename muziek allen hun plaats in op de worstelmat. (38) De gopa Nanda die de koeherders aanvoerde presenteerde naar voren geroepen door de koning van Bhoja [Kamsa] zijn offergaven en nam toen plaats op een van de tribunes.'

Voetnoot:

* De leerlingen van Prabhupâda verduidelijken: 'Volgens S'rîla Vis'vanâtha Cakravartî Thhâkura, was het jonge gebochelde meisje feitelijk een gedeeltelijke expansie van de Heer Zijn echtgenote Satyabhâmâ. Satyabhâmâ is de inwendige energie van de Heer die bekend staat als Bhû-s'akti [zie 10.39: 53-55], en deze expansie van haar, bekend als Prithivî, vertegenwoordigt de aarde, welke gebukt ging onder de grote last van talloze slechte heersers. Heer Krishna daalde neer om deze kwade heersers uit de weg te ruimen, en aldus staat deze wederwaardigheid van Hem van het rechttrekken van de gebochelde Trivakrâ, zoals verduidelijkt in deze verzen, voor Zijn corrigeren van de belaste conditie van de aarde.'

 

Hoofdstuk 43 

Krishna Doodt de Olifant Kuvalayâpîda

(1) S'rî S'uka zei: 'Toen Krishna en Râma zich gewassen hadden, o bestraffer der vijanden, hoorden ze de klanken van pauken en gingen ze op pad om te kijken wat er gaande was. (2) Toen ze de poort bereikten van het strijdperk zag Krishna daar de olifant Kuvalayâpîda staan, gedirigeerd door zijn verzorger. (3) Zijn kleren strak aanhalend en Zijn krullende lokken samenbindend, sprak Hij met woorden zo gewichtig als de rollende donder tot de olifantenhoeder: (4) 'Olifantenhoeder, o olifantenhoeder, geef ons vrij baan, ga nu direct aan de kant of anders zal Ik u met uw olifant vandaag nog naar de wereld van Yama [de heer van de dood] helpen.'

(5) Aldus bedreigd stuurde de kwaad geworden olifantenhoeder de kwaaie olifant die was als Yama, de tijd en de dood, in de richting van Krishna. (6) De reuzenolifant op Hem afstormend greep met zijn slurf Krishna met geweld beet, maar door hem een slag toe te brengen ontsnapte Hij aan de greep en verdween Hij tussen zijn poten. (7) Getergd Hem niet te zien spoorde hij Hem op met zijn reukzin en nam hij Hem met het uiteinde van zijn lange neus te pakken, maar door kracht te zetten kwam Hij weer vrij. (8) Hem bij de staart grijpend sleurde Krishna hem, zo gemakkelijk als Garuda met een slang, die berg van geweld over een lengte van vijfentwintig booglengten. (9) Acyuta die hem van links naar rechts bewoog werd ook door hem in beweging gebracht, precies als een kalf met een jongetje [aan zijn staart] zou [zie ook 10.8: 24]. (10) Toen van aangezicht tot aangezicht, sloeg Hij de olifant met Zijn hand en rende Hij weer weg en hem aldus bij iedere stap een klap verkopend, liet Hij hem struikelen. (11) Wegrennend deed Krishna alsof Hij op de grond viel, maar dan stond Hij plotseling op zodat de olifant driest zijn slagtanden in de aarde stak. (12) Met zijn kunnen getrotseerd raakte die heer der olifanten gefrustreerd buiten zinnen, maar aangespoord door zijn verzorgers, viel hij opnieuw verwoed Krishna aan. (13) De Allerhoogste Heer, de doder van Madhu, die hem in zijn aanval tegemoet trad greep hem stevig bij zijn slurf en bracht hem ten val. (14) Met het gemak van een leeuw op de gevallen kolos springend, rukte de Heer een slagtand er uit en doodde daarmee de olifant en zijn helpers.

(15) De dode olifant achter zich latend betrad Hij, besprenkeld met de druppels van het zweet en het bloed van de olifant en met de slagtand over Zijn schouder, het strijdperk met Zijn lotusgezicht glimmend van de fijne druppeltjes die door Zijn eigen transpireren waren verschenen. (16) Omringd door verschillende koeherdersjongens betraden Baladeva en Janârdana het perk, o Koning, met de slagtanden van de olifanten als de wapens van hun keuze. (17) Voor de worstelaars was Hij als de bliksem, voor de mannen was Hij de beste, voor de vrouwen was Hij Cupido in levende lijve, voor de koeherders was Hij een verwant, voor de ondeugdelijke heersers was Hij een bestraffer, voor Zijn ouders was Hij een kind, voor de koning van Bhoja was Hij de dood, voor de dommen was Hij het grofstoffelijke van het universum, voor de yogi's was Hij de Hoogste Werkelijkheid en voor de Vrishni's was Hij de meest aanbiddelijke godheid - op deze verschillende manieren bekeken betrad Hij het strijdtoneel samen met Zijn broer [zie * en rasa]. (18) Bij Kamsa vanbinnen, die Kuvalayâpîda gedood zag en Hen tweeën onoverwinnelijk, ontwikkelde zich toen waarlijk een grote angst, o heerser der mensen. (19) De twee machtig gearmde Heren op de manier waarop ze waren aangekleed met hun kleding, sierselen en bloemenslingers als waren ze twee acteurs in de prachtigste kostuums, straalden, aanwezig in het perk, met een gloed die de geesten van alle toeschouwers overweldigde. (20) Met het zien van de twee Verheven Persoonlijkheden sperden de mensen die op de tribunes zaten, de burgers en de mensen van buiten, o Koning, door de kracht van hun vreugde, hun ogen en monden wijd open en dronken ze hun gezichten in, nimmer genoeg krijgend van de aanblik van Hen. (21-22) Alsof ze dronken met hun ogen, likten met hun tongen, roken door hun neusgaten en met hun armen omhelsden, onderhielden ze zich met elkaar zich de schoonheid, kwaliteiten, charme en heldenmoed in herinnering brengend van wat ze feitelijk hadden gezien en gehoord: (23) 'Deze twee zijn vast en zeker de rechtstreekse expansies van Hari, de Allerhoogste Persoonlijkheid, die naar deze wereld zijn nedergedaald in het huis van Vasudeva. (24) Deze hier werd inderdaad, geboren uit Devakî, naar Gokula overgebracht alwaar Hij al die tijd in het geheim leefde opgroeiend in het huis van Nanda. (25) Pûtanâ zowel als de wervelwind-demon werden door Hem gedood en zo ging Hij ook tewerk met vele anderen: de Arjunabomen, S'ankhacûda, Kes'î, Dhenuka... (26-27) De koeien en hun herders werden door Hem gered uit de bosbrand, Kâliya de slang onderwiep Hij, Indra werd door Hem ontnuchterd, voor de duur van zeven dagen hield Hij met één hand de beste aller bergen omhoog waarmee Hij de ingezetenen van Gokula voor de wind, de hagel en de regen behoedde... (28) De gopî's met de aanblik van Zijn immer opgewekte, glimlachende gezicht en blik steeds vrij van vermoeidheid, konden alle soorten van ellende te boven komen en gelukkig leven... (29) Ze zagen dat door Hem deze Yadu-dynastie grote faam zal verwerven en, in ieder opzicht beschermd, alle rijkdom, glorie en macht zal verwerven... (30) En deze broer van Hem, de lotusogige Râma, Hij is van het gehele vermogen en doodde Pralamba, [en zo denken wij...] Vatsâsura, Bakâsura en anderen...'

(31) Terwijl de mensen aldus aan het spreken waren en de muziekinstrumenten weerklonken, sprak Cânûra, zich op Krishna en Balarâma richtend, de volgende woorden: (32) 'O zoon van Nanda, o Râma, jullie twee helden zijn alom gerespecteerd en bedreven in het worstelen; de koning die erover vernam wilde dat wel eens zien en ontbood jullie. (33) Inderdaad zal de burgers, als ze in hun denken, woorden en daden tewerk gaan naar de koning zijn zin, het geluk ten deel vallen, maar er tegenin gaand is dat een andere zaak. (34) De gopa's zijn er duidelijk steeds gelukkig mee hun kalveren in de bossen te hoeden en te spelen en te stoeien terwijl ze de koeien weiden. (35) Mogen daarom Jullie twee met ons handelen naar het genoegen van de koning die de belichaming vormt van ieder levend wezen, zodat een ieder daarmee tevredengesteld zal zijn.'

(36) Dat horend sprak Krishna woorden gepast de tijd en omstandigheid [zie ook 4.8: 54] ter verwelkoming van de worstelpartij die ook Hem goed van pas kwam: (37) 'Als onderdanen van de Bhoja koning, moeten ook Wij, ook al trekken We rond in de bossen, altijd ten uitvoer brengen wat hem ook maar zou behagen, omdat dat Ons het grootste voordeel zal brengen. (38) Wij jonge jongens zullen zoals het hoort Ons meten met hen die aan Ons gewaagd zijn; de worstelwedstrijd dient plaats te vinden opdat het publiek bijeengekomen in dit strijdperk niet niet van zijn geloof zal vallen.'

(39) Cânûra zei: 'Jij en Balarâma zijn geen jongetjes meer of jongeren, jullie zijn de sterksten van de sterken die zomaar voor de sport de olifant ter dood brachten die de kracht had van duizend olifanten! (40) Daarom moeten Jullie twee met hen de strijd aangaan die sterk zijn, daar schuilt geen onrecht in; Jouw kunnen tegen wat ik kan, o afstammeling van Vrishni, en Balarâma moet het opnemen tegen Mushthika.'

Voetnoten:

*Aldus spreekt men van tien rasa's, houdingen of gemoedsgesteldheden in relatie tot Krishna: strijdlust [zoals waargenomen door de worstelaars], bewondering [door de mannen], geslachtelijke aantrekking [de vrouwen], lachen [de koeherders], ridderlijkheid [de koningen], genade [Zijn ouders], schrik [Kamsa], afschuw [de dommen], vredige neutraliteit [de yogi's] en liefdevolle toewijding [de Vrishni's].

 

Hoofdstuk 44

De Worstelwedstrijd en het Doden van Kamsa

(1) S'rî S'uka zei: 'De Allerhoogste Heer ermee instemmend [met wat Cânûra had gezegd] stelde zich toen op tegenover Cânûra en zo deed dat ook de zoon van Rohinî tegenover Mushthika. (2) Hun handen met hun handen beetgrijpend en hun benen met hun benen blokkerend, duwden en trokken ze elkaar uit alle macht om de overwinning te behalen. (3) Met hun ellebogen tegen hun ellebogen, brachten ze, knie tegen knie, hoofd tegen hoofd en borst tegen borst elkaar hun slagen toe. (4) Ronddraaiend, schuivend, plettend en neersmijtend, loslatend, naar voren en naar achteren rennend, boden ze elkaar weerstand. (5) Optillend en dragend, wegduwend en elkaar vasthoudend streefden ze, zichzelf pijn bezorgend, naar de overwinning.

(6) In verlegenheid over dat gevecht tussen de zwakken en de sterken kwamen, om het met elkaar te bespreken, al de vrouwen in groepen bijeen o Koning: (7) 'Helaas, hoe enorm dit gebrek aan verantwoordelijkheid van de kant van deze mensen, hier aanwezig in de bijeenkomst van de koning, die eropuit zijn met de koning mee te doen in het gadeslaan van een wedstrijd tussen de sterken en de zwakken. (8) Aan de ene kant is er de verschijning van deze twee bergen van meesterworstelaars, allebei met ledematen zo sterk als de bliksem, en aan de andere kant zijn er die tengere ledematen van die twee jongeren die de volwassenheid nog niet bereikt hebben! (9) Dit gezelschap inderdaad is welzeker tot een breuk met het dharma gekomen. En daar waar het onrecht ten top steeg, behoort men zich geen moment langer op te houden! (10) Een wijs mens behoort niet een bijeenkomst bij te wonen waar de deelnemers eropuit zijn zich onbetamelijk te gedragen, omdat men dan stilzwijgend instemmend en onder voorwendselen uitgaande van verkeerde dingen in zonde vervalt. (11) Kijk nou eens hoe Krishna's lotusgelijke gezicht door het rondspringen om Zijn tegenstander heen zo nat is van de inspanning als de werveling van een lotusbloem is van druppeltjes water. (12) Zien jullie dan niet hoe Râma's gezicht met ogen van koper in de woede met Mushthika zelfs nog mooier is, met zoals Hij lacht in Zijn concentratie? (13) Hoe verdienstelijk is de landstreek van Vraja waar de voorwereldlijke Oorspronkelijke Persoonlijkheid in deze vermomming van menselijke trekken, met een prachtige combinatie van woudbloemen, in het gezelschap van Balarâma, Zijn fluit laten horend en Zich bewegend in allerlei avonturen, de koeien aan het hoeden was, terwijl Zijn voeten worden aanbeden door de heer op de berg [S'iva] en de godin van het geluk. (14) Van wat voor boetedoening zijn de gopî's wel niet geweest dat ze met hun ogen de gedaante mochten indrinken van een dergelijke essentie van ongeëvenaarde, ongekende lieflijkheid die volmaakt is in zichzelf en immer nieuw en moeilijk te bereiken is als de enige toevlucht van roem, schoonheid en weelde? (15) Zij, de fortuinlijke dames van Vraja, met hun melken, dorsen, karnen, versmeren [van de mest], schommelen op schommels, met huilende baby's, besprenkelen en reinigen enzovoorts, zingen verzot in hun denken en verstikt van de tranen over Hem en hebben, door hun bewustzijn van Urukrama, alles wat ze zich maar konden wensen. (16) Als ze Hem de fluit horen bespelen als Hij tezamen met de koeien vroeg in de ochtend vertrekt en laat in de avond naar Vraja terugkeert, haasten de vrouwen zich naar buiten op straat om in de grootste trouw het glimlachende, genadige gezicht en Zijn blikken te zien.'

(17) Terwijl ze zich zo onderhielden besloot de Opperheer, de Beheerser van het Mystiek Vermogen, Zijn vijand te doden, o held van de Bhârata's. (18) Hun ouders [in hechtenis] die de vrouwen hun woorden van bezorgdheid over hun zoons hoorden, brandden overweldigd door verdriet vol van leed, niet wetend hoe sterk hun kinderen waren. (19) Met Acyuta en Zijn tegenstander die elkaar bevochten met allerlei worsteltechnieken, deden dat ook Balarâma en Mushthika. (20) Als gevolg van de verpletterende, bliksemharde slagen uitgedeeld door de handen en voeten van de Allerhoogste Heer, raakte Cânûra die zich meer en meer gepijnigd en uitgeput voelde, volledig gebroken. (21) Hij die Hem met de snelheid van een havik aanviel, sloeg, met zijn beide handen tot vuisten gebald, de Allerhoogste Heer Vâsudeva verwoed op Zijn borst. (22-23) Met zijn gemep zo onbewogen blijvend als een olifant die wordt geslagen met een bloemenslinger, greep de Heer Cânûra bij de armen en slingerde Hij hem een paar keer in het rond om hem met grote kracht op de aarde neer te smijten zodat hij, neerstortend als een massieve sierzuil, met zijn kleren, haar en bloemenslinger in de war, het leven liet. (24-25) Op dezelfde manier kreeg ook Mushthika, na de krachtige Heer Balabhadra te hebben getroffen met zijn vuist, een gewelddadige klap te verduren van Zijn handpalm zodat hij trillend, uit zijn mond bloed opgevend, recht waar hij stond levenloos ter aarde zeeg, als was hij een boom die geveld wordt door de wind. (26) Toen werd Kûtha die naar voren trad nonchalant met een linkervuist op speelse wijze ter dood gebracht door Râma, de beste van alle strijders o Koning. (27) Vervolgens gingen S'ala en Tos'ala tegen de vlakte, door de tenen van Krishna in hun hoofd getroffen en uiteen gescheurd. (28) Met Cânûra, Mushthika, Kûtha, S'ala en Tos'ala gedood vluchtten al de overgebleven worstelaars in de hoop hun leven te redden. (29) Zich voegend bij Hun jonge koeherdersmaten dolden Ze met hen, waarbij ze muziekinstrumenten bespeelden en tinkelend met Hun enkelbelletjes ronddansten. (30) Behalve dan Kamsa verheugden alle mensen zich over de prestatie van Râma en Krishna, terwijl de beste geleerden en de geestelijken uitriepen 'Uitstekend, uitstekend!'

(31) Met de besten van zijn worstelaars gedood en op de vlucht geslagen, stopte de koning van Bhoja zijn instrumentale muziek en sprak hij de woorden: (32) 'Verdrijf de twee zoons van Vasudeva die zich zo kwalijk hebben gedragen uit de stad, ontneem de gopa's hun rijkdommen en neem die halve gare van een Nanda in hechtenis! (33) En Vasudeva die stomkop, Ugrasena, mijn vader dat stuk onbenul en zijn volgelingen, moeten, omdat ze allen heulden met de vijand, terstond ter dood worden gebracht.'

(34) Met Kamsa die aldus buitengemeen kwaad aan het tieren was, sprong de Onoverwinnelijke Heer met gemak omhoog om rap op te klimmen naar het koninklijk platform. (35) Toen hij Hem, zijn eigen dood, er aan zag komen, stond hij, slim genoeg, direct op van zijn zetel en nam hij zijn zwaard en schild ter hand. (36) Kamsa, met zijn zwaard zo snel als een havik in de lucht van links naar rechts bewegend, werd bij machte van de onverzettelijke en angstwekkende kracht gegrepen zoals een slang wordt gegrepen door de zoon van Târkshya [Garuda]. (37) Toen Hij hem bij zijn haar beetgreep gleed zijn kroon eraf. Hij met de Lotusnavel slingerde hem daarop van het hoge platform in de worstelring waarna Hij, de Onafhankelijke Steun van het Ganse Universum, boven op hem sprong. (38) Als een leeuw met een olifant sleepte Hij hem dood over de grond voor ogen van al de mensen van wie toen een luid 'Ooo..h, ooooh' weerklonk, o Koning der mensen. (39) Aangezien hij, zonder ophouden vol van zorgen, Hem, de Beheerser met de cakra in Zijn hand, voor zich had gezien wanneer hij ook maar dronk of at, liep, sliep of ademde, verkreeg hij om die reden dezelfde, zo moeilijk te bereiken gedaante [zie ook sârûpya 10.41: 42 en 10.29: 13]. (40) Zijn acht jongere broers Kanka, Nyagrodhaka en de rest, renden in woede ontstoken naar voren ten aanval om Hem hun broer betaald te zetten. (41) Aldus zich derwaarts haastend klaar om toe te slaan werden ze door Balarâma verpletterd, die als een koning leeuw met de dieren Zijn strijdknots hanteerde. (42) Pauken weerklonken in de lucht, Brahmâ, S'iva, de andere goden en de gevolmachtigden zongen verheugd hun lofprijzingen en strooiden bloemen over Hem uit terwijl hun vrouwen dansten.

(43) De echtgenotes, o Keizer, treurend over de dood van hun weldoeners kwamen naar daar, met tranen in hun ogen zich op het hoofd slaand. (44) Met het omhelzen van hun echtgenoten neerliggend op het heldenbed, weeklaagden de vrouwen luid, waarbij ze een stroom van tranen de vrije loop lieten: (45) "Helaas, o meester, o teerbeminde, o verdediger van de heilige plicht, o vriendelijkheid in persoon, o jij zo vol van mededogen; tegelijk met het de dood vinden van jullie hebben wij, jullie huishouding en jullie nageslacht, de dood gevonden. (46) Verstoken van jou, de meester, schijnt deze stad net als wij, o meest heldhaftige onder de mannen, niet meer zo mooi toe met al de feestelijkheid en de verrukking die ten einde zijn gekomen. (47) Het verschrikkelijke geweld waar jij je jegens onschuldige levende wezens aan schuldig hebt gemaakt hebben geresulteerd in de toestand waarin je nu verkeert o liefste, hoe kan het met hem die andere levende wezens schade berokkent nu goed aflopen? (48) Hij die van minachting is voor deze Ene, Hij die van al de levende wezens in deze wereld voorzeker de oorsprong, handhaving en verdwijning is, kan nimmer gelukkig gedijen.'

(49) S'rî S'uka zei: 'De Allerhoogste Heer, de Onderhouder van alle Werelden, troostte de vrouwen rondom de koning en regelde zoals voorgeschreven de begrafenisriten voor de overledenen. (50) Toen dat was afgehandeld bevrijdden Krishna en Râma Hun vader en moeder van hun boeien en bewezen Ze hen de eer door met Hun hoofden hun voeten aan te raken. (51) Devakî en Vasudeva met het onderkennen van [Hen als] de Beheersers van het Universum bewezen op hun beurt met gevouwen handen hun respect en omhelsden, beducht, hun zonen niet.'

 

Hoofdstuk 45

Krishna Redt de Zoon van Zijn Leraar

(1) S'rî S'uka zei: 'Toen Zijn ouders het idee kregen dat Hij de Allerhoogste Persoonlijkheid zou zijn zei Hij tot Zichzelf: 'Dit moet niet zo zijn', en dus expandeerde Hij het persoonlijk begoochelend vermogen [van Zijn yogamâyâ] dat alle mensen verbijstert. (2) Ze tezamen met Zijn oudere broer, de Grootste der Waarachtigen [de Sâtvata's] benaderend, zei Hij, om ze voldoening te schenken, in bescheidenheid vol respect neerbuigend voor Zijn ouders: 'Beste vader en moeder! (3) Er is, o vader die vanwege ons altijd in angst verkeerde, inderdaad voor jullie twee nooit iets geweest van de peutertijd, de kleutertijd en de jongensjaren van jullie twee zoons [zie *]. (4) Zoals door het lot beschikt konden We, verstoken van een verblijf in jullie aanwezigheid, niet het gekoesterde geluk van kinderen ervaren die thuis bij hun ouders wonen. (5) Voor de ouders uit wie men geboorte neemt en door wie men wordt onderhouden, is een sterfelijk persoon nimmer, nog niet voor een levensduur van honderd jaar, in staat om de schuld te vereffenen, daar ze de bron vormen van het lichaam dat er is voor alle levensdoelen [purushârtha's, vergelijk met 10.32: 22]. (6) Een zoon die, er door hen met zijn middelen en weelde toe in staat, niet voorziet in hun onderhoud, zal na zijn dood er voorwaar toe gedwongen worden zijn eigen vlees te eten [zie ook 5.26]. (7) Er toe in staat zijn maar dan niet de eigen moeder en vader onderhouden, de ouderen, de kuise echtgenote, het nog zo jonge kind, de geestelijk leraar en de geschoolde die zijn toevlucht zoekt, is men dood terwijl men ademt [zie B.G. 11: 33]. (8) Om die reden waren Wij tweeën, vanwege Kamsa die altijd de boel verstoorde, met een geest die was gemotiveerd voor tegenmaatregelen niet bij machte u te eren en hebben We Onze [jeugd]jaren doorgebracht zonder voor u van enig nut te zijn geweest. (9) Alstublieft neem het Ons niet kwalijk dat, o vader en moeder, onder controle staand van anderen en u van Onze kant niet van dienst, de hardvochtige [Kamsa] zoveel pijn gegeven heeft.' 

(10) S'rî S'uka zei: 'Alzo in de waan door het begoochelend vermogen van Hem, de Heer en Ziel van het Universum verschijnend als een menselijk wezen, tilden ze Hen op hun schoten om de vreugde te ervaren Hen te omhelzen.. (11) Gebonden met het touw der genegenheid vrijuit huilend konden ze geen woord meer uitbrengen, o Koning, overmand als ze waren met hun kelen vol met tranen. (12) De Allerhoogste Heer, de zoon van Devakî, stelde zo Zijn ouders gerust en maakte Zijn grootvader van moederszijde Ugrasena, Koning van de Yadu's. (13) Hij zei hem toen: 'Alstublieft, neem met Ons als uw onderdanen o grote Koning, de verantwoordelijkheid op u, daar vanwege de vloek van Yayâti [zie 9.18: 42] men geboren zijnde als een Yadu niet op de troon behoort te zitten. (14) Als Ik aanwezig ben als een dienaar met aandacht voor u, zullen de halfgoden en allen die bij hen horen zich verbuigen om u de eer te bewijzen; en wat zouden dan niet de andere bestuurders der mensen?'

(15-16) Al Zijn naaste verwanten en andere relaties, de Yadu's, Vrishni's, Andhaka's, Madhu's, Dâs'ârha's, Kukura's en andere clans, die verstoord bang voor Kamsa in alle richtingen waren weggevlucht, werden geëerd en getroost, daar het leven in den vreemde van hen zorgelijke mensen had gemaakt. Hij, de Maker van het Universum, regelde voor hen hun huizen en stelde ze tevreden met kostbare geschenken. (17-18) Beschermd door de armen van Krishna en Sankarshana genoten ze in hun huizen volmaakt de vervulling van hun wensen daar vanwege Krishna en Râma de koorts [van een materieel leven] teneinde was gekomen, nu dat ze dag na dag het liefdevolle, altijd opgewekte, mooie lotusgezicht van Mukunda met de genadige, glimlachende blikken konden zien. (19) Zelfs de ouden van dagen waren jeugdig en vol van kracht en vitaliteit met het aldaar [in Mathurâ] met hun ogen telkens weer indrinken van de nectar van Mukunda's lotusgelaat. (20) Vervolgens, o grote Koning, werden de Allerhoogste Heer, de zoon van Devakî, en Sankarshana benaderd door Nanda en dit is wat Zij, hem omhelzend, zeiden: (21) 'O vader, door de grote genegenheid en het geknuffel door jullie tweeën, werden Wij op grootse wijze verzorgd, het is werkelijk zo dat de liefde van de ouders voor hun kinderen zelfs groter is dan de liefde die ze voor zichzelf hebben. (22) Die personen zijn een vader en een moeder die, als waren het hun eigen kinderen, de zoons te eten geven die werden achtergelaten door hun eigen familie die niet in staat was hen te onderhouden en beschermen. (23) Alstublieft, gaat allen naar Vraja beste vader, We zullen jullie en jullie verwanten die zo smachten van de liefde komen opzoeken [in de gedaante van...] nadat we onze vrienden hier gelukkig hebben gemaakt.'  (24) Acyuta die aldus Nanda en het volkje van Vraja gerust stelde, vereerde ze toen respectvol met kleding, sieraden en potten en dergelijke.' 

(25) Aldus toegesproken door Hen tweeën omhelsde Nanda, overspoeld door emoties, Hen met tranen wellend in zijn ogen en ging hij met de gopa's naar Vraja. (26) Daarna liet de zoon van S'ûrasena [Vasudeva], o Koning, voor zijn zoons door een priester en door brahmanen de tweede-geboorte-initiatie zoals het hoorde uitvoeren. (27) Hij schonk hen in eerbied, ter compensatie geheel opgetuigde koeien met gouden kettingen en sierselen compleet met kalveren en slingers vlasbloemen. (28) Hij, grootmoedig, gaf hen in liefdadigheid de koeien die waren weggestolen door Kamsa, dezelfde koeien die hij in de geest al had weggeschonken op de dag dat Krishna en Râma werden geboren [zie 3.10: 11-12]. (29) Na met de initiatie de status der tweemaal geborenen te hebben bereikt, legden Ze, oprecht in Hun geloften voor Garga, de leermeester van de Yadu's, de gelofte van het celibaat af [een student te zijn, zie ook de gâyatrî


en brahmacârya]. (30-31) Als de Heren van het Universum die van allen de oorsprong zijn en in de kennis alwetend, hielden Zij door hun menselijke handelingen de onberispelijke kennis verborgen die uit geen andere bron wordt verkregen en verlangden Ze het om te leven in de school van de goeroe geboren in Kâsî [Benares] genaamd Sândîpani die zich ophield in de stad Avantî [Ujjain]. (32) De geestelijk leraar die het in die omstandigheid was vergund Hen alzo ingetogen te mogen ontmoeten, werd door Hen, die hem voor zijn dienstbaarheid respecteerden als was hij de Heer zelve, daarmee met Hun toewijding gebruikt om een ontwijfelbaar voorbeeld te stellen voor anderen. (33) Die beste der tweemaal geborenen, tevreden als hij was over Hun zuivere liefde en onderdanig handelen, onderrichtte Hen als Hun goeroe in al de Veda's met hun aanhangende geschriften en filosofische verhandelingen, [**] (34) de Dhanur-veda [militaire wetenschap, boogschieten] met inbegrip van al haar geheimen [de mantra's], het dharma [de menselijke gedragscodes, de wetten] en de nyâya [de methoden der logica] alsook de ânvîkshikîm [kennis van het filosofisch debat ofwel tarka] en de zes aspecten van de râja-nîtim [de politieke wetenschap, zie ***]. (35-36) Als de beste van alle eersteklas personen en van alle kennis de uitdragers maakten Zij, o heerser der mensen, eenpuntig van concentratie, simpel door het maar één keer te horen, zich het geheel van de vierenzestig kunsten volledig eigen in evenzovele dagen als nachten [*4] en boden Ze daar tevreden over Hun leermeester, o Koning, een vergoeding aan [gurudakshinâ]. (37) De tweemaal geboren man, met een gepast respect voor die verbazingwekkende grootheid van Hun bovenmenselijke intelligentie, o Koning, kwam na met zijn vrouw te hebben overlegd, tot het verzoek om zijn kind weer te zien dat was omgekomen in de oceaan te Prabhâsa [zie ook 1.15: 49, 3.1: 20, 3.3: 25]. (38) Er met 'Zo zij het' op reagerend beklommen de twee grote wagenmenners, die van een onbegrensd kunnen waren, toen een wagen en liepen Ze, daar aangeland, naar de kust om een ogenblik neer te zitten, waarop de oceaan in erkenning Hen offerandes bracht als eerbewijs [vergelijk 9.10: 13]. (39) Tot hem zei de Opperheer: 'Presenteer ons terstond de zoon van onze goeroe, een jonge jongen die door u hier met een machtige golf werd gegrepen.' 

(40) De persoon van de oceaan zei: 'Het was niet ik die hem heeft meegenomen, o Heer, het was een machtige Daitya genaamd Pañcajana, o Krishna, een demon die zich in het water ophoudt en daar de vorm van een schelp heeft aangenomen. (41) Door hem die zich hier ophoudt is hij inderdaad meegevoerd'.

Toen Hij dat hoorde haastte de Meester zich het water in en doodde Hij hem, maar de jongen kon Hij niet in zijn maag vinden. (42-44) De schelphoorn ter hand nemend, die was gegroeid als onderdeel van de demon, keerde Hij terug naar de wagen en vertrok Hij naar Yamarâja's [de heer van de dood] geliefde stad die bekend staat als Samyamanî [*5]. Op weg daarheen begeleid door Hem die de Ploeg als Zijn wapen heeft [Balarâma], blies Janârdana luid op de schelphoorn [zie ook B.G. 1: 15] waarvan de klanken werden gehoord door Yamarâja, hij die de geborenen de beperkingen oplegt. Overlopend van toewijding bewees hij Hen uitgebreid de eer en zei hij nederig, zich verbuigend voor Krishna die zich in ieders hart ophoudt: 'Wat kan ik voor Jullie twee doen, o Vishnu, die bent verschenen als menselijke wezens?' 

(45) De Allerhoogste Heer zei: 'Breng alstublieft de zoon van Mijn goeroe die naar hier werd gebracht vanwege de gebondenheid aan zijn karma o grote Koning, het is aan Mijn gebod dat voorrang moet worden verleend.' 

(46) 'Het zij zo' zei hij en produceerde toen de zoon van de leermeester. De Beste van de Yadu's gaf hem toen terug aan Hun goeroe die zij daarbij mededeelden: 'Alstublieft doe nog een wens.' 

(47) De achtenswaardige goeroe zei: 'Ik ben helemaal voldaan, mijn Jongens, door de compensatie voor de goeroe van Jullie twee; wat zou er voor de geestelijk leraar van personen als Jullie nog meer te verlangen zijn? (48) AlstJeblieft ga terug naar Jullie huis, o helden, moge Jullie faam zuivering geven en mogen de woorden van Jullie verrukking [de mantra's, de vedische hymnen] altijd nieuw zijn ['nimmer verstommen' of 'steeds worden onthouden'] in dit leven en in het leven hierna! [zie ook: 10.13: 2]' 

(49) Aldus met de toestemming van Hun goeroe vertrokken bereikten Ze op Hun wagen snel als de wind en donderend als een wolk Hun stad. (50) De burgers die Râma en Janârdana al vele dagen niet meer gezien hadden, verheugden zich allen Hen weer te zien, als waren ze mensen die hun verloren gegane weelde weer terugkregen.'

Voetnoot:

* S'rîla Vis'vanâtha Cakravartî geeft aan: 'De kaumâra-fase duurt tot het vijfde levensjaar, pauganda tot aan het tiende jaar en kais'ora tot het vijftiende jaar. Van dan af aan staat men bekend als een yauvana.' Naar deze uitspraak eindigt de kais'ora periode op het vijftiende jaar. Krishna was nog maar elf jaar oud toen hij Kamsa doodde, indachtig Uddhava's woorden: ekâdas'a-samâs tatra gûdhârcih sa-balo 'vasat. 'Als een bedekte vlam, bleef Heer Krishna daar incognito met Balarâma voor de duur van elf jaar' (Bhâg. 3.2: 26) ... de drie jaren en vier maanden dat Heer Krishna in Mahâvana verbleef stonden gelijk aan vijf jaren van een gewoon kind, en aldus rondde Hij Zijn kaumâra fase van de kindertijd af. De periode van toen af tot aan de leeftijd van zes jaar en acht maanden, gedurende welke Hij leefde in Vrindâvana, vormt Zijn pauganda stadium. En de periode van de leeftijd van zes jaar en acht maanden tot in Zijn tiende jaar, de tijd waarin Hij in Nandîs'vara [Nandagrâma] leefde, vormt Zijn kais'ora stadium. Toen, op de leeftijd van tien jaar en zeven maanden, op de elfde dag van de maan van de donkere maandhelft van de maand Caitra, ging Hij naar Mathurâ, en op de veertiende dag daarna doodde Hij Kamsa. Aldus volbracht hij Zijn kais'ora periode op tienjarige leeftijd, en blijft Hij voor eeuwig van die leeftijd. In andere woorden, moeten we begrijpen dat van dit punt af aan de Heer voor altijd een kis'ora blijft.'

**: Dezen zijn de z.g. anga's en Upanishads. De zes anga's zijn: s'iks'a (uitspraak), chanda, (klemtoon, metrum, ritme), vyâkarana (grammatica), jyotisha (astronomie), kalpa (inhoud en regels der rituelen) en nirukta (herleiden van termen).

***: De zes aspecten van de politieke wetenschap zijn: (1) sandhi, vrede sluiten; (2) vigraha, oorlog voeren; (3) yâna, marcheren of op expeditie gaan; (4) âsana, recht zitten ofwel een kampement opzetten; (5) dvaidha, het verdelen van de krachten of het scheiden van vriend en vijand; en (6) sams'aya, afhangen van geallieerden of het zoeken van de bescherming van een machtiger heerser.

*4: De Heren leerden: (1) gîtam, zingen; (2) vâdyam, muziekinstrumenten bespelen; (3) nrityam, dansen; (4) nâthyam, toneelspelen; (5) âlekhyam, schilderen; (6) vis'eshaka-cchedyam, het gezicht en het lichaam beschilderen met gekleurde zalven en cosmetica; (7) tandula-kusuma-bali-vikârâh, het maken van goedgunstige tekeningen op de vloer met rijst en bloemen; (8) pushpâstaranam, het maken van een bloembed; (9) das'ana-vasanânga-râgâh, het kleuren van de tanden, de kleren en de ledematen; (10) mani-bhûmikâ-karma, de vloer inleggen met edelstenen; (11) s'ayyâ-racanam, een bed opmaken; (12) udaka-vâdyam, met waterpotten muziek maken; (13) udaka-ghâtah, met water spetteren; (14) citra-yogâh, kleuren mengen; (15) mâlya-grathana-vikalpâh, boeketten maken; (16) s'ekharâpîda-yojanam, een helm op het hoofd zetten; (17) nepathya-yogâh, zich aankleden ter voorbereiding; (18) karna-patra-bhangâh, de oorlel versieren; (19) sugandha-yuktih, geurstoffen aanbrengen; (20) bhûshana-yojanam, met juwelen behangen; (21) aindrajâlam, goochelen; (22) kaucumâra-yogah, zich vermommen; (23) hasta-lâghavam, vingervlugheid; (24) citra-s'âkâpûpa-bhakshya-vikâra-kriyah, het klaarmaken van allerhande salades brood, cake en ander smakelijk voedsel; (25) pânaka-rasa-râgâsava-yojanam, het klaarmaken en kleuren van smakelijke dranken; (26) sûcî-vâya-karma, naaldwerk en weven; (27) sûtra-krîdâ, het maken van en spelen met poppenkastpoppen; (28) vînâ-damarukavâdyâni, op een luit spelen en een kleine X-vormige trommel; (29) prahelikâ, het maken en oplossen van raadsels; (29a) pratimâlâ, verzen of gedichten vers voor vers reciteren en voordragen bij wijze van geheugenproef of vaardigheid; (30) durvacaka-yogâh, het doen van uitspraken die voor een ander moeilijk te beantwoorden zijn; (31) pustaka-vâcanam, voordragen van boeken; en (32) nâthikâkhyâyikâ-dars'anam, kleine toneelstukken opzetten en verhalen schrijven. (33) kâvya-samasyâ-pûranam, raadselachtige verzen oplossen; (34) paththikâ-vetra-bâna-vikalpâh, het maken van een boog met een stuk stof en een stok; (35) tarku-karma, spinnen met een spinnewiel; (36) takshanam, woning inrichten; (37) vâstu-vidyâ, huizen bouwen; (38) raupya-ratna- parîkshâ, zilver en juwelen op waarde schatten; (39) dhâtu-vâdah, metallurgie; (40) mani- raga-jñânam, het kleuren van juwelen in verschillende tinten; (41) âkara-jñânam, mineralogie; (42) vrikshâyur-veda-yogâh, kruidengeneeskunde; (43) mesha-kukkutha- lâvaka-yuddha-vidhih, de kunst van het trainen en hanteren van rammen, hanen en kwartels om bij wijze van sport met elkaar te vechten; (44) s'uka-s'ârikâ-pralâpanam, kennis over hoe wijfjes en mannetjes papegaaien te leren spreken en vragen van mensen te beantwoorden; (45) utsâdanam, het genezen van mensen met smeersels; (46) kes'a-mârjana- kaus'alam, haar knippen en kapsels maken; (47) akshara-mushthikâ-kathanam, zeggen wat er in een boek staat zonder het gezien te hebben, en raden wat erin de vuist van een ander verborgen zit; (48) mlecchita-kutarka-vikalpâh, navertellen van verhalen van barbaren uit den vreemde; (49) des'a-bhâshâ-jñânam, kennis van provinciaalse dialekten; (50) pushpa-s'akathikâ-nirmiti-jñânam, kennis over hoe feestkarren te maken met bloemen; (51) yantra-mâtrikâ, samenstellen van magische vierkanten, waarbij de nummers naar boven en beneden op hetzelfde getal uitkomen; (52) dhârana-mâtrikâ, het gebruik van amuletten; (53) samvâcyam, conversatie; (54) mânasî-kâvya-kriyâ, in gedachten gedichten maken; (55) kriyâ-vikalpâh, een literair meesterwerk bedenken of een geneesmethode; (56) chalitaka-yogâh, het bouwen van schrijnen; (57) abhidhâna-kosha-cchando-jñânam, kennis van woordenlijsten en dichtvormen; (58) vastra-gopanam, een stuk stof er laten uitzien alsof het een andere kwaliteit heeft; (59) dyûta-vis'esham, kennis van de verschillende vormen van gokken; (so) âkarsha-krîda, dobbelen; (61) bâlaka-krîdanakam, spelen met speelgoed; (62) vainâyikî vidyâ, doen van bezweringen; (63) vaijayikî vidyâ, de overwinning behalen; en (64) vaitâlikî vidyâ, de leraar met muziek wekken bij het ochtendgloren [zie ook het Krishnaboek Hoofdstuk 45].

*5 Samyama betekent, zelfbeheersing, inperking, de zaken bijeen houden, het integreren van de concentratie [dhâranâ], de meditatie [dhyâna] en de verzonkenheid [samâdhi] in de yoga.  

 

   

 

  

Aldus eindigt deel twee van het tiende canto van het S'rîmad Bhâgavatam genaamd: 'Het Hoogste Goed'.

 

  

Vertaald door: Anand Aadhar Prabhu http://bhagavata.org/c/8/AnandAadhar.html

Produktie: de Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd http://theorderoftime.com/ned/info/gasten-vrienden.html

 

© 2009 srimadbhagavatam.org
Downloaden en uitprinten alleen voor privé- en niet-commercieel gebruik toegestaan. Overig gebruik met toestemming: email verzenden vanaf http://bhagavata.org/email.html

De brontekst, illustraties en muziek bij deze vertaling kan men vinden door de links te volgen vanaf http://bhagavata.org/index.ned.html

Bij deze oorspronkelijke vertaling is naast het Sanskriet woordenboek een alles-in-een band exemplaar met uitgebreid commentaar van A.C. Bhaktivedanta Swami Prabhupâda geraadpleegd. ISBN: o-91277-27-7 . Voor links naar andere sites betreffende dit onderwerp en de bijbehorende muziek zie verder op de Linkspagina van de S'rîmad Bhâgavatam Schatkamer http://bhagavata.org/treasury/