Zie voor de online versie met illustraties, muziek en links naar de voorgaande vertaling: http://bhagavata.org/index.ned.html
S'RÎMAD BHÂGAVATAM
"Het verhaal van de fortuinlijke"
Canto 3a
De Status Quo
Hoofdstuk 1 De Vragen van Vidura
Hoofdstuk 2 Terugdenken aan Krishna
Hoofdstuk 3 Het Spel en Vermaak van de Heer Buiten Vrindâvana
Hoofdstuk 4 Vidura Wendt zich tot Maitreya
Hoofdstuk 5 Vidura Spreekt met Maitreya
Hoofdstuk 6 Het Genereren van de Universele Gedaante
Hoofdstuk 7 Verdere Vragen van Vidura.
Hoofdstuk 8 Manifestatie van Brahmâ uit Garbhodakas'âyî Vishnu.
Hoofdstuk 9 Brahmâ's Gebeden voor het Creatief Vermogen.
Hoofdstuk 10 De Afdelingen van de Schepping
Hoofdstuk 11 De Indeling van de Tijd zich Uitbreidend Vanuit het Atoom
Hoofdstuk 12 De Schepping van de Kumâras en Anderen
Hoofdstuk 13 Het Verschijnen van Heer Varâha
Hoofdstuk 14 De Bevruchting van Diti in de Avond
Hoofdstuk 15 Beschrijving van het Koninkrijk Gods
Hoofdstuk 16 De Twee Poortwachters van Vaikunthha, Vervloekt door de Wijzen
Hoofdstuk 17 De Overwinning van Hiranyâksha over Alle Windstreken van het Universum
Hoofdstuk 18 De Strijd tussen Heer Zwijn en de Demon Hiranyâksha
Hoofdstuk 19 Het Doden van de Demon Hiranyâksha
Dit boek verhaalt de geschiedenis van de Heer en Zijn incarnaties sedert de vroegste verslagen van de vedische geschiedenis. Het is waarachtig de Krishna-Bijbel van het Hindu-universum. De Bhagavad Gîtâ is daarbij vergeleken als de Bergrede van Heer Jezus in verhouding tot de volledige bijbel. Het heeft 18.000 verzen en bestaat uit twaalf boeken, z.g. Canto's. Deze boeken vertellen het volledige verhaal van de vedische kultuur met de essentie van al haar klassieke verhalen genaamd purâna's en bevat de room van de vedische kennis verzameld uit de literatuur zowel als het verhaal van het leven van Heer Krishna in zijn geheel (10-e Canto). Het vertelt over Zijn geboorte, Zijn jeugd, al Zijn wonderbaarlijke bewijzen van Zijn Goddelijke aard en de bovenmenselijke prestaties van het verslaan van allerlei demonen tot aan de grote Mahâbhârat oorlog te Kurukshetra toe. Het is een schitterend verhaal dat naar het Westen is gebracht door Swami Bhaktivedânta Prabhupâda, een Caitanya-vaishnava, een (devotionele) bhakti-monnik van Heer Vishnu [de naam voor de bovenzinnelijke gedaante van Heer Krishna] die de gedurfde taak op zich nam om de materialistische westerlingen zowel als de gevorderde filosofen en theologen te verlichten, teneinde ze te helpen de gevaren en de eenzaamheid van het impersonalisme en de filosofie van de leegte te overwinnen.
Voor de vertaling heeft de auteur van deze internet-versie gebruik gemaakt van de vertaling van Swami Prabhupâda. Als âcârya [goeroe onderwijzend door het voorbeeld te geven] uit de eeuwenoude indiase vaishnava-traditie vertegenwoordigt hij de reformatie van de toewijding tot God zoals die vanaf de zestiende eeuw in India werd gepraktiseerd. Deze reformatie houdt staande dat het valse gezag van het kastenstelsel en enkel droge boekengeleerdheid moet worden afgewezen. Heer Krishna-Caitanya, de avatâra [een nederdaling van de Heer] die deze reformatie inluidde, herstelde de oorspronkelijke bedoeling van het ontwikkelen van de toewijding tot God en ijverde m.n. voor de heilige schrift waarin deze toewijding in relatie tot Krishna als de Hoogste Persoonlijkheid van God wordt uiteengezet. Dit geschrift is deze bhâgavata purâna waar al de vaishnava-leraren van het voorbeeld [âcârya's] hun wijsheid voor het onderricht uit putten en hun toewijding gestalte mee geven. De woord-voor-woord-vertalingen zowel als de volledige tekst en commentaren op dit boek werden zowel binnen als buiten de Hare Krishna tempels in zowel Amerika als Europa bestudeerd. De bedoeling van de vertaling is op de eerste plaats deze glorieuze tekst voor een breder publiek via het internet bereikbaar te maken. Aangezien de Bijbel, de Koran en tal van andere heilige teksten vrij beschikbaar zijn, meende de auteur dat dit boek niet achter kon blijven op de planken van zijn eigen boekenkast als een bewijs van materiële bezitsdrang. Kennis niet gedeeld is verloren kennis en zeker dit soort kennis welke de nadruk legt op de yoga van toewijding, die vrij zijn van bezitsdrang als een van haar hoofdwaarden heeft, kon niet achter blijven. De versie van Swami Prabhupâda is zeer uitgebreid en beslaat zo'n 2400 pagina's in dundruk van tekst met commentaren. En dat waren alleen nog maar de eerste tien Canto's. De resterende twee werden posthuum uitgegeven door zijn leerlingen in de volheid van zijn geest. Zo stond de auteur voor twee uitdagingen: de ene was een leesbaar lopend verhaal te maken van het boek dat was ontleed tot op het woord en ten tweede het in een taal te zetten die gepast zou zijn voor de 21-e eeuw met al haar moderne en postmoderne ervaring en digitale vooruitgang in de wereldorde, zonder ook maar iets van de oorspronkelijke verzen te verliezen. Aldus kwam een andere vers tot vers zoals-het-is vertaling tot stand waarin Prabhupâda's woorden werden hertaald en gezet naar het begrip en de realisatie die ikzelf had verworven. Deze realisatie kwam rechtstreeks van de geestelijke erfopvolging van de Vaishnava lijn van âcârya's (leraren) zowel als van het totale bereik van de indiase filosofie der verlichting en yoga-discipline zoals naar het Westen gebracht door niet-vaishnava guru's en gehandhaafd door hun leerlingen. Derhalve moet de auteur zijn dank betuigen aan al deze grote helden die het aandurfden om de koppigheid van de westerse filosofie met al haar twijfels, concretisme en skepticisme het hoofd te bieden. In het bijzonder moeten de leerlingen van Prabhupâda, een lid van de wereldverzakende orde (sannyâsî's) worden genoemd die de auteur instrueerde in de onafhankelijkheid en volwassenheid van de filosofie van de bhakti-yogi's van Heer Caitanya. De auteur was in India reeds ingewijd door een non-vaishnava guru en had de naam van Swami Anand Aadhar meegekregen ('leraar van de grondvesting der gelukzaligheid'). Die naam werd door de Krishna gemeenschap veranderd in Anand Aadhar Prabhu (meester van de grondvesting van het geluk) zonder verdere ceremoniën van Vaishnava initiatie (op een basistraining na). Anand Aadhar is een teruggetrokken toegewijde, een zogeheten vânaprashta, die in de stilte en bescheidenheid van zijn eigen lokale aanpassingen van de filosofie en discipline zijn toegewijde dienst doet.
De spelling van Sanskriet namen is hier en daar aangepast aan de afwezigheid van Sanskriet leestekens zodat b.v. waar normaal een plat streepje boven de letters staat een ^ accent is geplaatst. Het betekent dat men op die plaats twee letters moet lezen i.p.v. één, ofwel dat men op die letter moet rusten bij het uitspreken. Ook de naam Krsna werd zo geschreven als Krishna en rsi (= wijze) als rishi. Doorgaans is de woord voor woord vertaling aangehouden zoals gegeven in de vertalingen van Prabhupâda, zij het dat hier en daar sommige woorden vanwege hun meervoudige betekenis tot iets andere vertalingen hebben geleid. B.v. het woord loka betekent zowel plaats als planeet als leefwereld. Tussen vierkante haakjes [ ] wordt soms in een kleine toelichting voorzien en extra informatie gegeven om het de lezer naar de zin te maken als de oorspronkelijke tekst put uit een meer ervaren benadering. De oorspronkelijke vertaling van Prabhupâda is bij ieder vers opgelinkt zodat men kan nagaan wat de auteur heeft gedaan. Dit beantwoordt aan de wetenschappelijke traditie van de Vaishnava-gemeenschap. Deze teksten, alsook de meeste afbeeldingen, zijn copyright-materiaal en eigendom van de ISCKON-Krishna gemeenschap en mogen alleen gebruikt worden als een fragment en niet gepubliceerd worden door niet-leden zonder toestemming (BBT). Voor het tiende Canto zijn een meer vers-getrouwe nederlandse vertaling van een oud-leerling (S'rî Hayesvar das) van Prabhupâda en een versie van Prabhupâda's godsbroeders/leerlingen gebruikt [m.i.v. hun woord voor woord vertalingen] naast de vertaling van Prabhupâda, daar voor dit deel [maar niet voor het elfde canto] de woord voor woord vertalingen waren weggelaten en vervangen door een meer uitgebreide tekst-omschrijving. Het twaalfde canto werd opgesteld in referentie aan het werk van enkel de ISKCON leerlingen van Prabhupâda die zijn werk afmaakten. Verder werd gedurende het gehele concatenatieproces van deze versie de z.g. Shastri-versie van het Bhâgavatam (van de Gîtâ Press, Gorakpur), zoals die gebruikt wordt door de gewone Hindu in India zelf, ter vergelijking en als tweede opinie geraadpleegd.
Voor copyright-zaken wat betreft de gebruikte afbeeldingen en de teksten van Prabhupâda en verdere commentaren en de woord voor woord vertalingen zelf van Swami Prabhupâda zal men de Bhaktivedanta Booktrust en andere Vaishnava-sites en Hare Krishna sites en/of de gedrukte boeken van Prabhupâda zelf moeten raadplegen. Voor de copyrights op deze vertaling zal men te rade moeten gaan bij ondergetekende. Het is toegestaan deze teksen voor privé- en niet-commercieel gebruik down te loaden en uit te printen. Voor alle andere gebruik zal men contact moeten opnemen (voor links zie onze linkpagina)
Met liefde en toewijding, Anand Aadhar Prabhu, Enschede, 05-28-2000.
De vragen van Vidura
(1) S'uka zei: 'Dit is wat Vidura voorheen vroeg aan Zijne Genade Maitreya Rishi toen hij het woud inging na het verzaken van zijn leven in welstand: (2) 'Wat te zeggen van het huis [van de Pândava's] waar ik mee geïdentificeerd ben? S'rî Krishna, de Allerhoogste Heer en meester van allen, werd aanvaard als de gezant van Zijn volk en had het opgegeven het huis van Duryodhana te betreden.'
(3) De koning zei: 'Alstublieft zeg ons meester, waar en wanneer ontmoette Vidura Zijne Genade Maitreya Rishi om dit te bespreken? (4) De vragen die Vidura de heilige man stelde kunnen zeker niet onbelangrijk zijn geweest, ze moeten vol van de hoogste bedoeling zijn geweest zoals op prijs gesteld door de zoekers der waarheid.'
(5) Sûta zei: "Hij, de grote wijze S'uka deva aldus ondervraagd door Koning Parîkchit, antwoordde hem volkomen tevredengesteld vanuit zijn grote kunde: 'Alstublieft, luister hiernaar'.
(6) S'rî S'ukadeva zei: 'In de tijd dat koning Dhritarâshthra zijn oneerlijke zoons aan het voeden was had hij, zich nooit op het rechte pad bevindend, zijn gezichtsvermogen verloren met de zoons van zijn jongere broer [de verscheiden Pându, zie stamboom] optredend als hun voogd. Hij deed hen het huis van schellak binnengaan welk hij aanstak [zie Mahâbhârata I 139-148]. (7) Toen in de samenkomst de echtgenote van de heilige Kuru's [Draupadî] werd beledigd door zijn zoon [Duhs'âsana] die haar bij haar haar greep, verbad de koning dit niet hoewel zijn schoondochter tranen plengde die het rode stof van haar borst wegwaste [zie Mahâbhârata II 58-73]. (8) Toen hij die geen vijanden heeft [Yudhishthhira] met oneerlijke methoden werd verslagen in een dobbelspel en als waarheidsgetrouw iemand het woud inging, werd hem toen hij na de afgesproken tijd terugkeerde nooit zijn gerechte deel gegeven door hem die overmand was door illusie [Dhritarâshthra] . (9) Ook werd Heer Krishna, toen Hij op de smeekbede van Arjuna voor hen verscheen in de vergadering als de leraar van de wereld, met al Zijn woorden zo goed als nectar, van al de zinnige mannen door de koning niet serieus genomen in het wegkwijnen van het laatste restje van hun vroomheid.
(10) Toen [voorheen] Vidura naar het paleis werd geroepen ging hij daar binnen om raad te geven op verzoek van natuurlijk de oudere broer [Dhritarâshthra] en het advies dat hij toen gaf was precies geschikt voor wat de ministers van staat met zijn instructies wisten te waarderen: (11) 'Geeft nu het rechtmatig deel terug aan hem die zonder vijand is [Yudhishthhira] en die zo verdraagzaam was onder jouw onverdraaglijke overtredingen samen met zijn jongere broers, waaronder Bhîma die als een slang zo wraakzuchtig is van woede, voor wie u waarlijk bevreesd zou moeten zijn. (12) De zoons van Prithâ zijn nu opgenomen door de Allerhoogste Heer der Bevrijding die met de brahmanen en de goddelijken nu hier is tezamen met Zijn familie, de eerbiedwaardige Yadu dynastie, die met Hem een ongekend aantal koningen overwon. (13) Hij [Duryodhana], deze overtreding in eigen persoon, met het idee van hem als uw zoon in uw huishouden naar voren als een vijand van de Oorspronkelijke, terwijl hij, verstoken van alle goedheid, gekant is tegen Krishna - dat ongeluk moet u, voor het heil van de familie, zo gauw mogelijk opgeven.'
(14) Nadat Vidura aldus sprak werd hij daar door Duryodhana aangesproken die, rood aangelopen van woede en met trillende lippen, in de aanwezigheid van Karna, zijn jongere broers en S'akuni [een oom van moeders zijde] de respectabele man van goede kwaliteiten beledigde: (15) 'Wie heeft hem gevraagd hier te zijn, die doortrapte zoon van een bijslaap, die opgroeide levend op het onderhoud van hen met wie hij de positie inneemt van een vijandelijke spion? Gooi hem onmiddellijk het paleis uit en laat hem slechts zijn adem!' (16) Consequent zette Vidura op zijn beurt zijn boog bij de deur en verliet het paleis van zijn broer, in het diepst van zijn hart geraakt door de uitwendige energie; maar ondanks deze voor het oor ernstige pijlen, treurde hij er niet over en voelde hij zich prima.
(17) Na de Kaurava's verlaten te hebben, bereikte hij van Hastinâpura vertrekkend, de vroomheid van de Allerhoogste Heer in het nemen van zijn toevlucht tot pelgrimages, enkel de hoogste graad van toewijding verlangend zoals gevestigd door al die duizenden beeltenissen. (18) Hij reisde naar heilige plaatsen van toewijding waar de lucht, de heuvels en de boomgaarden, wateren, rivieren en meren zuiver zijn met tempels opgeluisterd met de vormen van het Oneindige. Aldus bewoog hij zich alleen voort over de heilige gronden. (19) Zuiver en onafhankelijk de aarde doorkruisend, werd hij geheiligd door de grond waar hij op sliep en zonder zijn gebruikelijke kleding kon men hem niet herkennen in de uitdossing van een bedelaar te werk gaand volgens de geloften de Heer te behagen. (20) Op deze manier enkel door India reizend, kwam hij aan bij het land van Prabhâsa, dat destijds onder het bestuur van koning Yudhishthhira stond die bij de genade van de Onoverwinnelijke Heer de wereld onder één krijgsmacht en vlag regeerde [zie 1-13]. (21) Daar hoorde hij hoe al zijn verwanten waren omgekomen [te Kurukshetra] in een gewelddadige hartstocht als met een bamboebos verbrand door vlam te vatten door zijn eigen wrijving, waarop hij, stil voor zichzelf denkend, westwaarts ging naar de rivier de Sarasvatî. (22) Daar aan de oever van de rivier bezocht hij en naar behoren aanbad hij de heilige plaatsen genaamd Trita, Us'anâ, Manu, Prithu, Agni, Asita, Vâyu, Sudâsa, Go, Guha en S'râddhadeva. (23) Er waren daar eveneens andere plaatsen gevestigd door de goddelijke tweemaal geborenen en toegewijden van de verscheidene vormen van Heer Vishnu, die als de belangrijkste ieder klein deel van de tempels markeerde - hetgeen reeds van een afstand bezien al deed denken aan Heer Krishna. (24)Vandaar komend door het welvarende koninkrijk van Surat, Sauvîra en Kurujângala (het westen van India), gebeurde het dat, toen hij na enige tijd bij de Yamunâ rivier aankwam, hij Uddhava, de Allerhoogste Heer Zijn grootste toegewijde tegenkwam [zie ook Canto 11].
(25) Hij omhelsde de sobere en zachtgeaarde constante metgezel van Vâsudeva die voorheen een student was van Brihaspati, de meester aller rituelen, en met grote liefde en veel gevoel ondervroeg hij hem over de familie van de Allerhoogste Heer: (26) 'Gaat het goed met de oorspronkelijke persoonlijkheden van God [Krishna & Balarâma] in het huis van S'ûrasena [de vader van koningin Kuntî, Prithâ], die, op het verzoek van de Schepper die uit de lotus werd geboren, voor de verheffing en het welzijn van een ieder nederdaalden in de wereld? (27) En, o Uddhava, is onze grootste Kuru en zwager, Vasudeva [de vader van Heer Krishna], die waarlijk als een vader is voor zijn zusters en zo vrijgevig is in het naar hun genoegen voorzien van zijn vrouwen in alles wat ze verlangen, gelukkig? (28) Alsjeblieft, zeg me of de militaire hoofdaanvoerder van de Yadu's, Pradyumna, wel helemaal gelukkig is, o Uddhava - hij was in zijn voorgaande leven de god van de liefde en is nu de grote held waaraan Rukminî, na het tevredenstellen van de brahmanen, geboorte schonk als prins van de Allerhoogste Heer. (29) En gaat alles goed met Ugrasena, de koning van de Sâtvata's van de Vrishni familie van het Dâs'ârha geslacht in de Bhoja-dynastie? Hij is degene die van Heer Krishna de hoop op de troon terugkreeg nadat hij het had moeten opgeven op een afstand gezet te zijn [door oom Kamsa's heerschappij]. (30) O ernstige, gaat het goed met Sâmba, de zoon van de Heer die zoveel op Hem lijkt? Hij is de meest vooraanstaande en best gemanierde onder alle strijders, aan wie Jâmbavatî [een andere vrouw van Krishna] zo rijk in haar geloften het leven schonk na zijn voorgaande leven als de goddelijke Kârttikeya die geboren werd uit de echtgenote van S'iva? (31) En hoe is het met Yuyudhâna [Sâtyaki], hij die leerde van Arjuna en zijn doel bereikte als iemand die de finesses van de krijgskunst begreep en eveneens voorzeker door het leveren van dienst tot de bestemming van het Transcendentale kwam die zelfs voor de grote verzakers zo moeilijk te bereiken is? (32) En de goed onderlegde foutloze zoon S'vaphalka, Akrûra, hoe gaat het met hem - hij is degene die in zijn overgave op het pad van Krishna's lotusvoeten uit zijn evenwicht geraakt neerviel in het stof, de symptomen vertonend van bovenzinnelijke liefde. (33) Is alles goed met de dochter van Koning Devaka-Bhoja; zij [Devakî] die geboorte gaf aan Vishnu zoals de moeder der halfgoden [Aditi] dat deed die uit haar eigen baarmoeder de God voortbracht op de manier zoals de Veda's er kwamen voor het verspreiden van de bedoeling van het offeren. (34) En is ook Hij, de Persoonlijkheid van God geheel gelukkig die van jullie allen de bron van alle verlangens is, Aniruddha, die van oudsher is aanvaard als het geboortekanaal van de Rig-Veda, de schepper van de geest en de transcendentale vierde volkomen expansie van het Werkelijkheidsprincipe [Vishnu-tattva]? (35) En, o ootmoedige, zijn anderen als Hridîka, Cârudeshna, Gada en de zoon van Satyabhâmâ, die het Goddelijke van hun eigen zelf als de ziel aanvaardden, in het navolgen met een absoluut geloof, ook allemaal goed in het doorbrengen van hun tijd?
(36) Handhaaft Yudhishthhira met de principes van het menszijn het religieuze respect onder de bescherming van de armen van Arjuna en de Onfeilbare; met de rijkdom van zijn koninklijke hofhouding en de dienst van Arjuna, wekte hij de afgunst van Duryodhana. (37) En liet de onoverwinnelijke Bhîma, die gelijk een cobra is, zijn lang gekoesterde woede los op de zondaren? Het slagveld kon zijn tred op het pad van het wonderbaarlijke spel van zijn strijdknots niet verdragen. (38) Arjuna, hij die zo roemrijk is onder de strijdwagenvechters met zijn boog de Gândîva en die zo vele vijanden versloeg, gaat het goed met hem? Eens behaagde hij Heer S'ivadoor hem met pijlen te bestoken toen S'ivazich onherkenbaar voordeed als een valse jager. (39) En is het spel van de tweeling zoons van Prithâ [Nakula en Sahadeva] zorgeloos, beschermd als ze zijn door hun broers als oogleden die ogen beschermen met hun teruggrissen van hun eigendom in het gevecht met de vijand, zoals Garuda [de drager van Vishnu] dat deed [met de nectar] uit de mond van Indra? (40) O beminnelijke, is Prithâ nog in leven; zij wijdde haar leven aan de zorg voor de vaderloze kinderen, levend zonder koning Pându, die in z'n eentje als een bevel voerend strijder de vier windrichtingen de baas kon met enkel een tweede boog.
(41) O zachtmoedige, ik beklaag slechts hem [Dhritarâshthra] die afglijdend nadat zijn broer [Pându] stierf in opstand kwam en mij, die hem het beste wenste, verdreef uit mijn eigen huis in het aannemen van dezelfde gedragslijn als zijn zoons. (42) Daarom reis ik zonder door de ogen van de gewone man herkend te worden door deze wereld van de Heer, welke voor anderen zo verbijsterend is om te beheersen, naar de genade van Zijn voeten, welke ikzelf nooit uit het oog verloor zonder twijfel zijnde in deze aangelegenheid. (43) Natuurlijk, wachtte Hij ermee, wat betreft de koningen die afdwaalden door de drie soorten van valse trots [door de hindernissen van het zelf, de anderen en de wereldse invloed] en die voortdurend de aarde van streek brachten door de bewegingen van hun troepen, als de Allerhoogste Heer van de Kuru's en er op uit het lijden van de overgegevenen weg te nemen, hen te doden ondanks hun overtredingen. (44) De verschijning van de Ongeborene, van Hem die zonder enige verplichting in de wereld is, is er om korte metten te maken met de parvenu's zodat allen tot begrip mogen komen; voor welk doel zou Hij anders een lichaam aanvaarden en allerlei soorten van karma? (45) O mijn vriend, bezing de heerlijkheden van de Heer van alle heilige plaatsen die voor het belang van het ongeborene geboorte nam in de familie van de Yadu's en aan wie alle heersers van het universum zich overgaven in de beheersing van Zijn eigen Zelf.
Terugdenken aan Krishna
(1) S'uka zei: 'De grote toegewijde [Uddhava] ondervraagd door Vidura over wat aangaande de meest dierbare kon worden gezegd, kon eerst, zo sterk als hij ernaar uitzag, niet antwoorden vanwege zijn grote bezorgdheid bij het terugdenken aan de Heer. (2) Hij was iemand die in zijn kindertijd op vijfjarige leeftijd, door zijn moeder aan het ontbijt geroepen, er niets van wilde weten omdat hij midden in het spel van het dienen [van Heer Krishna] was. (3) Uddhava groeide op die manier op in dienstbaarheid en dat was in de loop van de tijd nooit minder geworden; toen hem enkel werd gevraagd over Hem te vertellen, herinnerde hij zich alles van de Heer Zijn lotusvoeten. (4) Voor een ogenblik verviel hij in een dodelijke stilte door de nectar van de voeten van de Heer; sterk als hij was en goed gerijpt in de verbondenheid van de toewijding, raakte hij volledig geabsorbeerd door de liefde van de goedheid ervan. (5) Ieder deel van zijn lichaam vertoonde de tekenen van bovenzinnelijke extase en met het bedwingen van de tranen in zijn ogen omdat hij Hem miste, ontdekte Vidura dat hij Zijn uitgebreide liefde volledig in zich had opgenomen. (6) Langzaam keerde hij terug naar de aarde uit het verwijlen met de Heer en zijn tranen wegwissend sprak Uddhava vol gevoel tot Vidura vanuit al die herinneringen.'
(7) Uddhava zei: 'De zon van Krishna is ondergegaan verzwolgen door die grote slang die het verleden is. Wat kan ik anders zeggen over ons welzijn met het verdwijnen van het huis van mijn familie? (8) Hoe onfortuinlijk is deze wereld en in het bijzonder de Yadu-dynastie die samenlevend de Heer niet beter herkenden dan dat de vissen de maan herkennen. (9) Wel bekend met de kennis en hoogst ervaren, waren zijn eigen mannen Zijn toegewijden, die zich met Hem als het hoofd van de familie ontspanden en [alleen maar] over Hem konden denken als Hij die achter alles zat. (10) De uiterlijke illusie van de Godheid infecteerde hen allen en ook de anderen die hun toevlucht zochten tot het onware in de verbijstering van hun intelligentie - maar de woorden van hen werken nooit zo door in de zielen van diegenen in volledige overgave aan de Heer. (11) Door zich te vertonen aan personen die zonder boete en de vervulling van idealen leefden ging Hij over tot het feit van zijn verdwijnen, Zijn eigen vorm aan het gezicht van het publiek onttrekkend. (12) Zijn vergankelijkheid was precies gepast voor Zijn spel en vermaak waarin Hij de macht van Zijn magie van binnenuit toonde die leidde tot de ontdekking van Zijn wonderen, Zijn opperste weelde en het ultieme ornament der ornamenten van Zijn voeten.
(13) Het is de gedaante welke zeker van koning Yudhishthhira's koninklijke offerande [râjasûya] het gezicht werd dat het geheel van de drie werelden behaagde, waarmee Hij, daarbij de positie innemend van normale mensen in de materiële wereld, zodoende vandaag in de wereld de zich bezinnende intelligentie [Brahmâ] heeft voorbij gestreefd (14) Na het hebben verworven van de gehechtheid aan Hem, die werd aangewakkerd door lachen, grappige spelletjes en zijdelingse blikken, kwamen inderdaad de aangedane dames van Vraja die Hem hadden gevolgd met hun ogen, in stille overpeinzing neer te zitten zonder hun huishoudelijke taken af te maken. (15) Voor de toegewijden geplaagd door anderen die naar het materiële begrip leven, verscheen de Ongeborene, de al-barmhartige Heer en heerser over het spirituele en materiële, begeleid door het geheel van Zijn metgezellen, als de Allerhoogste Heer als was Hij vuur.
(16) Met Zijn verbijsterende geboorte uit het ongeborene ben ik er ontdaan over hoe Hij thuis bij Vasudeva in Vraja leefde alsof Hij bang was voor de vijand [oom Kamsa] en hoe Hij, de Onbegrensd Machtige, uit de stad Mathurâ vluchtte [de hoofdstad waar Krishna verbleef na Kamsa verslagen te hebben]. (17) Het doet me pijn te moeten denken aan dit wat Hij in Zijn respectbetoon aan de voeten van Zijn ouders zei: 'O moeder, o vader, in grote angst voor Kamsa hebben we gefaald in onze dienstverlening, wees alstUblieft tevreden over ons!' (18) Wie nu, die eenmaal het stof in zijn neus heeft van Zijn lotusvoeten, is in staat Hem te vergeten die slechts met het optrekken van Zijn wenkbrauwen de last van de wereld de genadeslag gaf ? (19) Natuurlijk kon u, vanuit uw eigen goede zelf zien hoe, gedurende Yudhishthhira's koninklijke offerande, de koning van Cedi [S'is'upâla] ondanks dat hij jaloers was op Krishna, de volmaaktheid bereikte welke ten volle waarlijk wordt verlangd door de yogi's die middels hun yoga het kunnen verdragen van Hem gescheiden te zijn. (20) En ook anderen die zeer zeker vechters waren in de menselijke samenleving en die Krishna's zeer aangenaam ogende lotusgezicht en ogen zagen op het slagveld dat door Arjuna's pijlen werd gezuiverd, hebben Zijn hemels verblijf bereikt. (21) Hij is niemand minder dan de unieke en hogere Heer van de drievoudige werkelijkheid door wiens onafhankelijkheid het opperste fortuin wordt bereikt en voor wiens voeten alle verlangens hun helmen neerbuigen in de aanbidding met alle toebehoren zoals aangevoerd door de eeuwige handhavers van de orde. (22) Derhalve doet het ons als dienaren in Zijn dienst pijn, o Vidura, om te zien hoe Hij voor Koning Ugrasena [hij die door Kamsa buiten spel werd gezet], die op zijn troon in afwachting neerzat, Zichzelf onderwierp zeggende: 'O mijn Heer, alstUblieft, bezie het op deze manier'.
(23) Helaas tot wiens beschutting moet ik anders mijn toevlucht nemen die mij verzekert van een grotere genade dan Hij die, ondanks het trouweloze van de demone [Pûtanâ] die uit afgunst haar borst dodelijk vergiftigde voor het voeden, haar de positie toekende van een moeder? (24) Ik denk dat de tegenstanders die vijandigheid koesteren jegens de Heer van het Drievoudige, grote toegewijden zijn verzonken als ze zijn in de gedachte aan het gevecht waarin ze Hem op Zijn drager konden zien aankomen met Zijn wiel. (25) Geboren uit Devakî in de gevangenis van de koning van Bhoja [Kamsa], kwam de Heer om welvaart te brengen op aarde zoals er voor werd gebeden [door de Schepper]. (26) Daarna werd Hij groot gebracht op de weidegronden van Zijn [pleeg-]vader Nanda, waar Hij uit angst voor Kamsa, tezamen met Baladeva [Balarâma] elf jaar lang werd gehouden zoals men een vlam beschut. (27) Omringd door koeherdersjongens en kalveren weidend trok de Almachtige rond langs de oevers van de Yamunâ door tuinen waarin het getjilp van hemelse vogels weerklonk in de vele bomen aldaar. (28) Met het vertoon van Zijn jeugd konden Zijn activiteiten alleen worden gewaardeerd door de inwoners van Vraja, het land van Vrindâvana, waar Hij net als andere kinderen huilde en lachte en met verwondering geslagen was eruit ziende als een leeuwenwelpje. (29) Voorzeker als de liefde van de weelde aan koeien en de bron van schoonheid, verlevendigde Hij, terwijl Hij die schoonheden hoedde, de koeherdersjongens door op Zijn fluit te spelen. (30) De grote tovenaars die door de koning van Bhoja waren ingezet om iedere vorm aan te nemen die ze wilden werden in de loop van Zijn spel en vermaak gedood toen ze ten tonele verschenen, precies zoals een kind dat met poppen doet. (31) [Om de inwoners van Vrindâvana te helpen] van hun stuk zijnde door het drinken van vergif [van de slang Kâliya in de Yamunâ], onderwierp Hij de aanvoerder der reptielen en liet Hij, nadat Hij uit het water kwam, de koeien ervan van drinken om te bewijzen dat het weer in zijn natuurlijke staat verkeerde. (32) Verlangend de weelde van Nanda, de rijkdom van de koning der koeherders, naar behoren te gebruiken, liet Hij ze met de hulp van de brahmanen de koeien en het land aanbidden [in plaats van Indra ]. (33) Indra boos over de belediging deed hoogst verstoord zware regen neerstromen op Vraja waartegen de koeherders door de genadevolle Heer werden beschermd met de [Govardhana] heuvel die in Zijn spel dienst deed als paraplu, o nuchtere Vidura. (34) In de herfst achtte Hij, in de nacht helder van het maanlicht, het ter vermaak van de vrouwen een genoegen om als de schoonheid in hun midden aangename liederen te zingen.
Het spel en vermaak van de Heer buiten Vrindâvana
(1) Uddhava zei: 'Toen na die tijd de Heer naar de stad Mathurâ kwam, wenste Hij Zijn ouders al het beste toe [ze bevrijdend uit de gevangenschap], na samen met Baladeva de aanvoerder der publieke vijandschap [Kamsa] van de troon gesleurd en gedood te hebben door hem met grote kracht op de grond te trekken. (2) Hij leerde alle Veda's na er slechts één keer van gehoord te hebben, ze in detail bestuderend onder begeleiding van zijn leraar Sândîpani Muni, die hij met de zegen van zijn eigen zoon beloonde door deze van de dood terug te halen uit het rijk der verscheiden zielen [Yamaloka] dat van binnen is. (3) Uitgenodigd door de dochter van koning Bhîshmaka [Rukminî], nam Heer Krishna allen die overeenkomstig het gebruik kandidaat waren om met haar te trouwen en daartoe waren gekomen met de verwachting van dat fortuin, Zijn eigen deel weg door haar te ontvoeren zoals Garuda dat doet met de voeten van de Heer op zijn kop. (4) In een open wedstrijd voor de verkiezing van de bruidegom voor Prinses Nâgnajitî onderwierp Hij zeven wilde stieren en won Hij haar hand, maar de dwazen die niettemin haar wilden in hun teleurstelling, doodde en verwonde Hij zonder Zelf schade te lijden, goed uitgerust als Hij was met alle wapens. (5) Vanwege het feit dat Hij, als een gewoon levend wezen alleen maar Zijn geliefde echtgenote een plezier probeerde te doen, die wenste dat Hij de Pârijâta heester [uit de hemel] bracht, ging Indra, de Koning van de Hemel, met alle macht tegen Hem in, in blinde woede, op de kop gezeten natuurlijk door zijn eigen vrouwen.
(6) De zoon van Narakâsura die fysiek de ether wilde beheersen werd door Zijn Sudars'ana Cakra [de werpschijf] gedood, maar daarom gebeden door moeder aarde gaf Hij aan zijn zoon terug wat van hem was weggenomen, waarop Hij het huis betrad. (7) Daar stonden al de prinsessen die waren gekidnapt door de demon, meteen voor Hem klaar en aanvaardden ze Hem met vreugde, verlegen in de gehechtheid van hun halsreikende blikken. (8) Hij accepteerde de hand van al de vrouwen tegelijkertijd, hoewel ze in verschillende appartementen woonden, met een volmaakt ritueel exact met hen overeenstemmende door Zijn intern vermogen. (9) Verlangend Zich uit te breiden verwekte Hij met een ieder van hen een tiental kinderen die allen in alle opzichten waren zoals Hijzelf.
(10) Kâlayavana, de koning van Magadha [Jarâsandha], Koning S'âlva en anderen die met hun soldaten Mathurâ hadden omsingeld, doodde Hij niet, persoonlijk de macht van Zijn soort bewijzend. (11) Van S'ambara, Dvivida, Bâna, Mura, Balvala en anderen als Dantavakra en soortgelijken, doodde Hij er enkele, terwijl Hij ervoor zorgde dat de anderen werden gedood [door Balarâma b.v.].
(12) Daarna werden van beide partijen van je neven in de slag van Kurukshetra de koningen gedood die de aarde deden schudden onder de kracht van hun heen en weer rijden. (13) Hij beleefde geen genoegen aan de aanblik Karna, Duhs'âsana en Saubala, die van hun geluk en levensduur waren beroofd door de slechte raad van Duryodhana, met hun gevolg en al hun macht met gebroken ledematen neer te zien liggen. (14) 'Wat is dit', zei de Heer toen met de hulp van Bhîshma, Drona, Arjuna en Bhîma en achttien akshauhinî's [een leger bestaande uit tien anikini's, ofwel 21.870 olifanten, 21.870 strijdwagens, 65.610 paarden, en 109.350 man voetvolk] Hij de enorme last van de aarde had teruggedrongen, 'Er is nog steeds het ondraaglijke van de grote macht van de Yadu-dynastie. (15) Ze zullen verdwijnen als onder invloed van drank een onderlinge strijd zal plaatsvinden welke hun ogen rood als koper zal maken; er is geen ander alternatief om Me hiervan op Mijn verdwijnen te verzekeren.' (16) Aldus voor Zichzelf denkend zette de Allerhoogste Heer Zelve Yudhishthhira op de troon van zijn eigen koninkrijk, Zijn vrienden blijmakend met het uitduiden van het pad der heiligen.
(17) De afstammeling van Pûru [Parîkchit] verwekt uit de baarmoeder van Uttarâ door de held Abhimanyu, zou zeker verbrand zijn door het wapen van de zoon van Drona als de Opperheer hem beschermend dat niet zou hebben afgewend [zie S.B. 1: 7 & 8]. (18) De Almachtige bewoog de zoon van Dharma [Yudhishthhira] ertoe om ook drie paardenoffers te brengen en daarmee bijgestaan door zijn broers beschermde en genoot hij de aarde als een trouwe volgeling van Krishna.
(19) De Allerhoogste Heer en Superziel van het Universum naar gebruik het pad der vedische principes volgend, genoot van de lusten des levens in de stad Dvârakâ, zonder, in navolging van het analytische van de yoga [Sânkhya], gehecht te raken. (20) Zachtmoedig en met zoete glimlachen en woorden nectar gelijk, verbleef Hij daar, met Zijn smetteloze karakter, in het geluk van Zijn bovenzinnelijke lichaam. (21) Hij, de Yadu's behagend, genoot deze aarde en zeker ook de overige werelden, in de rust van de nacht met de vrouwen een vriend zijnd in de echtelijke liefde.(22) Op die manier, gedurende vele, vele jaren, genoot Hij het huishoudelijk bestaan van de [zinnelijke] eenheid op grond waarvan Zijn onthechting ontwaakte. (23) Zoals met Hemzelf, wordt het genieten van de zinnen van welk levend wezen dan ook beheerst door het goddelijke, waarin men vertrouwen kan stellen door zich te verbinden in de dienst aan de Heer van de Yoga.
(24) In de stad Dvârakâ hadden eens de prinselijke nazaten van Yadu en Bhoja een streek uitgehaald en zich zo de woede van de wijzen op de hals gehaald die hen vervloekten zoals de Heer dat gewenst had. (25) Een paar maanden later begaven de afstammelingen van Vrishni, Bhoja en anderen als de zonen van Andhaka, begoocheld door Krishna, zich opgetogen naar het pelgrimsoord genaamd Prabhâsa. (26) Daar namen ze een bad en betoonden ze ook zeker bij dat water hun voorvaderen, de goden en de grote wijzen hun respect. Toen schonken ze in koninklijke vrijgevigheid koeien aan de brahmanen. (27) Voor hun levensonderhoud verschaften ze hen ook goud, gouden munten, beddengoed, kleding, zetelbedekkingen, dekens, paarden, strijdwagens, olifanten, meisjes en land. (28) Na de brahmanen te voorzien van hoogst kostelijk voedsel dat eerst aan de Opperheer was geofferd, brachten de heldhaftige vertegenwoordigers, voor het heil van hun goede leven, de koeien en de brahmanen hun eerbetuigingen door de grond met hun hoofden te beroeren.'
Vidura Wendt Zich tot Maitreya
(1) Uddhava zei: 'Na, met de permissie van de brahmanen, te hebben genomen van de offers dronken zij [de Yadu's] sterke drank waarmee ze hun geest bedierven en elkaar in het hart raakten met ruwe bewoordingen. (2) Tegen zonsondergang, zagen zij die hun evenwichtigheid van denken hadden verloren als gevolg van de missers door die bedwelming, hoe de vernietiging van de bamboestokken [waarmee ze elkaar begonnen te bevechten] plaats vond. (3) De Allerhoogste Heer, die vanuit Zijn innerlijk vermogen het einde had voorzien, ging naar de rivier de Sarasvatî en na te nippen van het water ging Hij onder een boom zitten. (4) De Heer der overgegevenen die alle leed wegneemt had me gezegd, dat ik inderdaad naar Badarikâs'rama moest gaan om jou te zien aangaande Hem die ernaar uitzag Zijn eigen familie te vernietigen. (5) Niettemin ging ik tegen Zijn wens in de Meester achterna, o onderwerper van de vijand [Vidura], niet in staat het te verdragen gescheiden te zijn van Zijn lotusvoeten . (6) Ik zag Hem, mijn Beschermheer en Meester, alleen neerzitten diep in gedachten, Zijn toevlucht zoekend bij de godin aan de oever van die rivier, terwijl Hij geen toevlucht hoeft te zoeken. (7) Prachtig met Zijn zwartachtige kleur, van zuivere goedheid en vreedzaam met Zijn rooduitziende ogen, kon Hij worden herkend als hebbende vier armen en gele zijden kledij [Vishnu]. (8) Met Zijn rechtervoet op Zijn dijbeen rustend tegen een jonge banyanboom zag Hij er heel opgewekt uit, Zijn huiselijke gemakken achter zich gelaten hebbend.
(9) Op dat moment kwam [Maitreya,] een grote toegewijde en volgeling van Krishna-dvaipâyana Vyâsa [Vyâsadeva], een weldoener en vriend die de drie werelden bereisde, op eigen gelegenheid daar [eveneens] op die plek aan. (10) Terwijl de wijze, die gehecht aan Hem voorover gebogen stond in een houding van eerbied, vol van aandacht toeluisterde, liet Hij, met vriendelijke blikken en glimlachen, me uitrusten en sprak Hij tot me. (11) De Opperheer zei: 'Ik weet van binnenuit wat je in de dagen van weleer verlangde toen de welvarenden die deze wereld opbouwden hun offers aan het brengen waren. Ik geef je dat wat door de anderen zo moeilijk te bereiken is, o welgestelde: de associatie met Mij waarnaar je verlangt als het uiteindelijke doel van het leven. (12) Dit leven nu is van al je incarnaties, o oprechte, de vervolmaking daar je Mijn genade hebt bereikt; omdat het vanwege Mij is dat je, in de afzondering van het verlaten van de werelden der mensen, te zien kreeg wat je in je niet aflatende toewijding zag [:Vaikunthha]. (13) Lang geleden, bij de aanvang van de Schepping, stelde ik Brahmâ op de lotus die uit Mijn navel kwam op de hoogte van de kennis van het allerhoogste van Mijn bovenzinnelijke heerlijkheden, verduidelijkend wat de godvruchtigen het Bhâgavatam noemen.'
(14) Op die manier begunstigd door het feit dat Hij zich tot mij richtte, zag ik, omdat ik voortdurend het object was van de genade van de Allerhoogste Persoon, in mijn emotie mijn haren recht overeind staan en zei ik met mijn ogen wazig van het wissen der tranen, met gevouwen handen: (15) 'O mijn Heer, voor hen die naar Uw voeten leven, welke zo moeilijk te verwerven zijn, is het in deze wereld allemaal een kwestie van die vier doelen van het leven [dharma, artha, kâma, moksha; religiositeit, economische ontwikkeling, zinsbevrediging en bevrijding], maar niettemin geef ik daar niet de voorkeur aan, o Grote, daar ik mij er alleen maar om bekommer Uw lotusvoeten te dienen. (16) Hoewel U zonder verlangens bent kent U allerlei soorten van activiteiten; hoewel U ongeboren bent neemt U niettemin geboorte; hoewel U de heerser over de eeuwige Tijd bent, zoekt U Uw toevlucht tot de vesting uit vrees voor Uw vijanden en hoewel U behagen schept in Uzelf leidt U een huiselijk bestaan in het gezelschap van vrouwen; dit verbijstert de intelligentie van hen die leerden in deze wereld. (17) Hoewel U nooit verdeeld bent onder de invloed van de tijd, wendt U, in Uw eeuwige intelligentie o Meester, zich tot mij voor advies , alsof U het niet meer weet terwijl dat nooit zo is; dat doet mij versteld staan, o Heer. (18) Als U mij er afdoende voor geschikt acht, onthul me dan, alstUblieft mijn Heer, tot in detail het geheel van de kennis, het mysterie en de opperste verlichting van Uw eigen Zelf, zoals U dat, als de Allerhoogste Heer om de oceaan van ellende over te steken, Brahmâjî hebt verteld.'
(19) Op die manier door mij aanbeden uit het diepst van mijn hart, instrueerde Hij, de lotus-ogige Opperheer van het voorbije, mij over Zijn bovenzinnelijke positie. (20) Aldus heb ik, onder de aanwijzingen van de Meester, de werkelijkheid van de ziel aanbeden en bestudeerd, het pad doorgrondend door Zijn Lotusvoeten te respecteren en bereikte ik, na Hem te hebben omlopen, deze plek met droefenis in mijn hart als gevolg van de gescheidenheid. (21) Derhalve, mijn beste [Vidura], doet het me zonder het genoegen Hem te zien nu pijn en zal ik zoals opgedragen door Hem naar Badarikâs'rama [in de Himalaya's] gaan terwille van de associatie. (22) Het is daar dat Nârâyana in de incarnatie van Zijn menselijkheid en Zijn Opperste Goddelijkheid [Nara en Nârâyana] als een wijze beminnelijk voor een ieder een lange tijd zware boete deed terwille van het welzijn van alle levende wezens.'
(23) S'rî S'uka zei: 'Van Uddhava horend over het ondraaglijke van de vernietiging van zijn vrienden en verwanten, bracht de geleerde Vidura, door middel van bovenzinnelijke kennis, zijn opkomende droefenis tot bedaren. (24) Bij het vertrek van de grote toegewijde van de Heer en beste onder de Kaurava's, legde Vidura in vertrouwen het volgende voor aan de belangrijkste in de toegewijde dienst van Krishna. (25) Vidura zei: 'De Heer van de Yoga lichtte je in over het mysterie van de transcendente kennis van de eigen ziel - vertel het me nu zelf uit je goedheid teneinde Vishnu en de dienaren die rondtrekken terwille van anderen waardig te kunnen zijn.' (26) Uddhava zei toen: 'Wendt je tot de aanbiddelijke wijze, de zoon van Kushâru [Maitreya] die hier in de buurt verblijft en die rechtstreeks door de Heer werd geïnstrueerd toen hij de sterfelijke wereld achter zich liet.'
(27) S'rî S'uka zei: ' Op die wijze de nectar besprekend van de Universele Persoon Zijn kwaliteiten, was Vidura er enorm door overweldigd daar aan de oever van de Sarasvatî rivier en na zo de nacht in een oogwenk doorgebracht te hebben, ging de zoon van Aupagava weg.'
(28) De koning [Parîkchit] vroeg: 'Hoe kon het zo zijn dat na de vernietiging die over de Vrishni en Bhoja dynastie kwam, de grote leider die vooropging onder hen, de prominente Uddhava de enige was die overbleef nadat de Heer Zijn spel en vermaak had afgerond als de Meester over de drie werelden?
(29) S'rî S'uka zei: 'De vervloeking [van de Yadu-dynastie] door de brahmanen was slechts een verzoek, in feite was het de [Heer Zijn] trefzekere verlangen een eind te maken aan de overmaat van Zijn eigen familie waarna Hij Zijn Universele verschijning opgaf en bij Zichzelf dacht: (30) 'Na uit deze wereld te zijn verdwenen zal de kennis over Mij en Mijn toevlucht zeker rechtstreeks Uddhava ten deel vallen, die momenteel de meest vooraanstaande van de toegewijden is. (31) Uddhava is niet in het minst aan Mij ondergeschikt daar hij nooit is aangedaan door de materiële geaardheden en derhalve mag overblijven als de meester van de kennis over Mij om die in deze wereld te verspreiden'. (32) Na op die manier op volmaakte wijze door de geestelijk leraar en bron van alle vedische kennis onderricht te zijn bereikte hij [Uddhava] Badarikâs'rama en was hij gelukkig in zijn verzonkenheid in de Heer. (33) Vidura vernam eveneens van Uddhava over hoe Krishna, de Superziel, op buitengewone wijze een vorm had aangenomen terwille van de gang van zaken in de wereld en eveneens zeer zegerijk Zich er bovenuit werkte. (34) Het is voor de vasthoudende grote wijzen als ook voor de anderen zeker moeilijk Zijn binnengaan in het lichaam te begrijpen en voor de beestachtigen is het simpelweg een geestelijke stoornis. (35) Dit gold ook voor hemzelf, o beste onder de Kuru's, toen hij er aan terugdacht hoe Krishna aan hem had gedacht, en met de Fortuinlijke vertrokken, barstte hij in tranen uit overweldigd door de vreugde der extase.
(36) O beste onder de Bharata's, Vidura die op die manier zijn dagen had doorgebracht aan de oever van de Yamunâ [zie 3:1.24], bereikte daarna de heilige wateren der Ganges alwaar hij, de zoon van Mitra [in de zin van een incarnatie zijn van Yamarâja als de zoon van een s'ûdra, zie 1.13:15], de wijze Maitreya ontmoette.
Vidura spreekt met Maitreya
(1) S'rî S'uka zei: 'Aan de bron van de hemelse rivier [de Ganges], zat de beste van de Kuru's, Vidura die nader tot de Onfeilbare was gekomen, voor Maitreya Muni neer, wiens kennis peilloos was, en met een volmaakt respect stelde hij beleefd vragen vanuit zijn voldoening in de bovenzinnelijkheid. (2) Vidura zei: 'Terwille van het geluk is iedereen in deze wereld bezig met vruchtdragende activiteiten, maar door die activiteiten bereikt men nooit het geluk of een ander idee van tevredenheid, in tegendeel, op die manier vindt men zeker het ongeluk. Alstublieft, o grootste, wees zo goed ons in te lichten over wat de juiste benadering is onder welke omstandigheden. (3) Vanwege hun mededogen met de gewone man, die zijn gelaat afwendde van Heer Krishna en die onder de invloed van de materiële wereld altijd ongelukkig is met het verwaarlozen van zijn plichten jegens God, trekken de grote zielen van opoffering rond voor het heil van de Heer der drie werelden. (4) Derhalve, o grootste onder de heiligen, instrueer me alstUblieft over het pad ten gunste van het volmaakt dienen van de Allerhoogste Heer die, verblijvend in het hart van de levende wezens, de zuivere toegewijden beloont met de kennis van de primaire werkelijkheid waardoor men van de geschiedenis leert [de Veda]. (5) Hoe stelt de Allerhoogste Heer en heerser over de drie werelden die aan Zichzelf genoeg heeft, hoewel Hij zonder verlangens is, middels Zijn transcendentale activiteiten in het gecreëerde universum, de regulerende beginselen in terwille van de handhaving ervan? (6) Hoe kan Hij, terugkerend naar Zijn vorm in het universum, daarin neerliggen zonder Zich te bekommeren over Zijn bestaan als de Heer der Vereniging die de enige ware oorspronkelijke bezitter is naar wie talloze anderen dienovereenkomstig het bestaan binnen gaan? (7) Waarom is het zo dat, in het vertonen van Zijn spel en vermaak voor het welzijn van de tweemaal geborenen, de koeien en zij die toegewijd zijn, en met Zijn te werk gaan in verschillende incarnaties, het denken nooit voldaan is ondanks het voortdurend horen over de onderliggende gunstige eigenschappen van de Heer? (8) Door de werkelijkheid van welke differentiatie plant de Koning aller koningen en werelden van de laagsten af aan met hen daarin voorzeker de existentie zoals die zich voordoet van de levende bestaansvormen in hun verschillende bezigheden? (9) En, beschrijf ons alstUblieft o leider onder de brahmanen, hoe de Heer van de mens, Nârâyana, maatregelen trof, terwille van hen die geboren zijn, voor de differentiatie van hun betrekkingen, de specifieke vormen ervan als ook hun verspreide culturen.
(10) O mijn Heer, ik hoorde bij monde van Vyâsadeva herhaaldelijk over het hogere en lagere van deze bezigheden, maar ik ben maar weinig tevreden over het geluk daaraan ontleend zonder te horen van de nectar van de verhalen over Krishna. (11) Wie kan er bevrediging vinden[zonder de nectar]; door de gesprekken die de oren bereiken over de reis naar de voeten, wordt, door Hem die in de samenleving als zodanig wordt aanbeden door de grote toegewijden, de gebondenheid van de mens in zijn genegenheid voor zijn familie doorsneden! (12) De wijze Krishna-dvaipâyana Vyâsa, die ook uw vriend is, heeft de bovenzinnelijke kwaliteiten van de Opperheer in de Mahâbhârata beschreven die er alleen maar is om de aandacht van de mensen die behagen scheppen in het luisteren naar wereldse onderwerpen weg te trekken in de richting van de verhalen van de Heer. (13) Dat belang van geloof zal onverschilligheid teweegbrengen voor andere zaken; hij die zich voortdurend de voeten van de Heer heugt heeft de gelukzaligheid bereikt die zonder meer alle misère uitbant. (14) Ik heb het te doen met al de onwetende zieligheid van die zieligen die door hun zonden in verval verkeren van waakzaamheid jegens God en die de jaren van hun leven verspillen met nutteloze filosofische oefeningen, denkbeeldige doelen en een diversiteit aan rituelen. (15) Derhalve, o Maitreya, het goede fortuin behartigend van een ieder, beschrijf ons alstUblieft wat de essentie is van al de onderwerpen: de verhandelingen over de Heer die als de nectar van bloemen het glorieuze is van het pelgrimeren. (16) Alstublieft verhaal over alles wat betrekking heeft op de transcendentale bovenmenselijke handelingen die door de Heer zijn volbracht middels Zijn aanvaarden van incarnaties die zich toespitsen op het handhaven van het geschapene van Zijn universum.'
(17) S'rî S'uka zei: 'Aldus deed de grote wijze in de Heer, Maitreya, Vidura de grote eer dit voor hem uiteen te zetten met het oog op het uiteindelijke welzijn van allen. (18) S'rî Maitreya zei: 'Alle zegen voor u, o goedgeaarde, het feit dat u het me vraagt voor het heil van allen is bewijs van de goedheid van uw genade om de heerlijkheden van de ziel in het Transcendentale van de geest in deze wereld te verkondigen. (19) Het verbaast me niet u hier te vinden, zonder afwijkingen in uw denken, in het aanvaarden van de Allerhoogste Persoonlijkheid onze Heer, o Vidura, daar u werd geboren uit het zaad van Vyâsa. (20) U bent degene die geboren werd dankzij de vloek van de machtige wijze Mândavya Muni als de incarnatie van Yamarâja, de heerser over de dood, uit de dienstmaagd van de broeder [Vicitravîrya] en de zoon [Vyâsadeva] van Satyavatî [zie stamboom]. (21) U, uwe goedheid, wordt gerekend tot de eeuwige metgezellen van de Heer, die, op Zijn terugkeer naar Zijn woning, mij de kennis en opdracht heeft gegeven u te instrueren. (22) Derhalve zal ik u systematisch het spel en vermaak uit de doeken doen met betrekking tot de Allerhoogste Heer Zijn enorm uitgebreide uitwendige energie voor de handhaving, schepping en beëindiging van de kosmische werkelijkheid.
(23) De ene en Allerhoogste Heer was er voorafgaand aan de schepping als de ziel van de levende wezens in het beheersen van het zelf en opgegaan in het verlangen ervan wordt Hij gezien als zijnde verschillend met verschillende kenmerken. (24) Te dien tijde werd Hij met dit alles niet gezien als de onbetwiste eigenaar in de kosmische schepping en dacht men over Hem dat Hij niet bestond met Zijn volkomen deelaspecten ongemanifesteerd naar de macht van Zijn manifeste innerlijk vermogen. (25) De uitwendige energie wordt door de perfektie van de ziener, die de Heer is, gezien als de macht van de werking van oorzaak en gevolg en wordt de mâyâ [of de illusoire invloed der materie] genoemd, o fortuinlijke, waaruit de Almachtige deze wereld heeft opgebouwd. (26) Het Opperste Levende Wezen bezwangerde, door de incarnatie van de Oorspronkelijke Persoon, welke de volkomen expansie is van de oorspronkelijke ziel, door het zaad van de levende wezens, onder de invloed van de tijd, de uitwendige energie in het zijn van de Transcendentie naar de geaardheden van mâyâ. (27) Daarop volgend kwam, door de interactie van de tijd, uit het ongemanifesteerde, het totaal van de zuivere goedheid tot stand dat kon wortelen in het belichaamde om het hoogste licht van volledige universa te manifesteren. (28) Dat eindtotaal - welk eveneens moet worden beschouwd als een volkomen expansie van de ziel naar de geaardheid en de tijd - differentieerde, als het vergaarbekken van de wezens in wording, zich in de vele verschillende vormen van het gezichtsbereik van de Persoonlijkheid van God en hiervan zag men het verlangen te scheppen tot stand komen.
(29) Het grote van de causale waarheid [mahâtattva], getransformeerd in de materiële werkelijkheid van het valse ego, gaf aanleiding tot effecten, de materiële oorzaak en de doener en aldus ontsprongen aan de zintuigen van het zelf de materiële ingrediënten van de drie soorten van vals ego bekend als de geaardheden der goedheid, hartstocht en onwetendheid die men vindt op het mentale vlak. (30) Door de omvorming van deze werkelijkheid werd, in interactie met de geaardheid goedheid, de geest gegenereerd en manifesteerde door deze interactie zich het fenomeen van al de goddelijken die de bron vormen van de materiële kennis. (31) De zinnen zijn zeker van de geaardheid hartstocht en zo is dat dus ook in hoofdzaak waar voor de kennis van zaken en vruchtdragende activiteiten die erbij komen kijken. (32) Uit de traagheid werden de subtiele zinsobjecten [van het geluid] gerealiseerd en daarvan kan de ether worden gezien als de symbolische representatie van de Opperziel. (33) De Allerhoogste Heer die, als de [cyclische] tijd de uitwendige energie vermengend, met Zijn blik de ether bestrijkt, schiep van de aanraking van het in contact komen met de ether de lucht. (34) De lucht, eveneens getransformeerd door de uiterst machtige ether deed toen het bliksemen [de bio-electriciteit] der zintuiglijke gewaarwording ontstaan en dat gaf op die manier het licht van de wereld om te zien. (35) Het interacteren van de lucht en de blik van het Allerhoogste met die electriciteit schiep door de tijdmix van de materiële energie de smaak [voor het leven] in water. (36) Vervolgens kwam het geëlectrificeerde water, als gevolg van het omvormende overzien door het Allerhoogste van de aarde, tot de kwaliteit van de geur in het gedeeltelijk vermengen van de cyclische [eeuwige] tijd met de uitwendige materiële energie.
(37) Begrijp dat, te beginnen met de ether, alle materiële elementen, en o allervriendelijkste, het grote aantal van hun superieure en inferieure kwaliteiten, de laatst gelegde hand zijn van de Allerhoogste. (38) De goddelijken van al deze fysieke elementen zijn deel en geheel van Vishnu en worden belichaamd als deel en geheel van het cyclische van de tijd naar de uitwendige energie. Omdat ze vanwege hun verschillende verplichtingen niet in staat zijn [tot de volledigheid] spreken ze fascinerende gebeden uit voor de Heer. (39) De goddelijken zeiden: 'Onze eerbetuigingen aan Uw lotusvoeten, o Heer, in nood gaven we ons aan hen over daar ze de beschermende paraplu zijn die beschutting biedt aan de grote wijzen die met alle macht al de grote vormen van ellende van het materiële leven in z'n geheel over boord zetten. (40) O Vader, vanwege het feit dat in deze materiële wereld, o Heer, de individuele zielen altijd in verlegenheid verkeren door de drie vormen van ellende [voortkomend uit jezelf, anderen en de natuur] zijn ze nooit gelukkig, maar in het winnen van Uw (Super-)ziel, o Allerhoogste, de schaduw van Uw lotusvoeten, zijn ze vol van de kennis en vinden ze beschutting. (41) Bij iedere stap hun toevlucht nemend tot de voeten der pelgrimage, vinden zij die speuren naar uw lotusgelijke gezicht er de bescherming die wordt gedragen op de vleugelen der vedische hymnen van de wijzen aan de beste der rivieren [de Ganges], wiens helderheid van geest bevrijdt van de terugslagen der zonde. (42) De meditatie die met geloof en door eenvoudig te luisteren alsook door toewijding het hart zuivert met de kracht van de kennis der onthechting, verplicht hen die tot vrede kwamen te gaan voor het heiligdom van Uw voeten. (43) Laten wij allen, terwille van de geboorte in, de standvastigheid met en het internaliseren met de pijnigende materiële werkelijkheid, de beschutting zoeken van de incarnaties van Uw lotusvoeten die de toevlucht zijn, o Heer, en die de moed van de toegewijden met heugenis beloont. (44) Vanwege het verstrikt raken en aldus verkeren van het materiële lichaam in de geest van ik en mijn, zijn wij als personen verzonken in een ongewenste volijver en zien we U als ver van ons staand hoewel we in Uw [universele] lichaam aanwezig zijn; laat ons daarom Uw lotusvoeten aanbidden, o Heer. (45) Zij [Uw voeten] zijn er zeker voor diegenen onder de materiële invloed die door hun zintuiglijke waarneming vervreemd zijn van het innerlijke waarnemen, o Allerhoogste, en daarom nooit Uw grootheid kunnen zien, maar voor hen die Uw goddelijk handelen wel zien is er het genoegen van het transcendentale. (46) O Heer, zij die van een serieuze houding zijn komen eenvoudig door het drinken van de nectar van de verhalen tot verlichte toegewijde dienst, de volle strekking der verzaking en de intelligentie waarin zij snel de spirituele levenssfeer bereiken waar geen achteloosheid bestaat [Vaikunthha]. (47) Voor anderen van de bovenzinnelijke realisatie van het zich verenigen in de kracht van het machtig overwinnen van de materiële natuur, bent U ook die ene vredestichtende Oorspronkelijke Persoon waarin zij binnengaan, maar voor hen is het een hoop werk terwijl dat voor hen die U dienen niet zo is. (48) O Oorspronkelijke, daarom zijn we [nu] allen de Uwe; omdat voor het heil van de schepping der wereld wij de één na de ander geschapen werden en in het verleden gescheiden waren door onze eigen handelingen naar de drie geaardheden en zodoende, in het netwerk van onze eigen geneugten, niet in staat waren U te behagen. (49) O Ongeborene, leidt ons in ons pogen U op het juiste moment offers te brengen zodat we zowel de maaltijd kunnen delen alsook de voorzieningen voor U en zeker ook al degenen waar we mee leven, en dat we, met onze offerdiensten, daarmee het voedsel in vrede mogen genieten. (50) O Heer, U bent voor ons, de godbewusten en onze orden, de ene en dezelfde oorspronkelijke grondlegger; U o Heer, hoewel U ongeboren bent, bent voor de energie, de oorzaak van de materiële geaardheden en de activiteiten werkelijk gelijk het ingebrachte zaad voor het verwekken van de variëteit. (51) O Allerhoogste Ziel, zeg ons wat wij, die allen werden geschapen van en voor de totaliteit van de kosmos, voor U zouden moeten doen, en gun ons in het bijzonder de visie van Uw persoonlijke plan en het vermogen, o Heer, te werken en te handelen overeenkomstig onze verschillende afdelingen [van statusoriëntaties en hun overstijging].
Het genereren van de Universele Gedaante
(1) De wijze [Maitreya] zei: 'Zo stond de Heer voor het feit dat in de vooruitgang van de universele scheppingen Zijn eigen vermogen in sluimering verkeerde als gevolg van het een gebrek aan orde. [zie 3.5.: 24] (2) Toen ging in één keer het oppermachtige vermogen de drieëntwintig elementen binnen [de vijf elementen en hun kwaliteiten, de vijf organen van handelen en de zintuigen en de drie vormen van individueel bewustzijn: het denken, de intelligentie en het ego; vergelijk 2.4: 23] en stond bekend als Kâlî, de godin der vernietiging. (3) Dat later binnengaan van de Allerhoogste Heer in de vorm van de kracht der materie, Kâlî, zette afzonderlijk de levende wezens aan het werk waarbij ze uit hun onbewuste staat werden opgewekt tot hun karma. (4) Teweeggebracht door de combinatie van de drieëntwintig hoofdelementen wekte de wil van het Allerhoogste op die manier de activiteiten op middels Zijn persoonlijke volkomen expansie van de Universele Gedaante. (5) De Heer die met een volkomen deelaspect van Zijn eigen Zelf [Kâlî] al de elementen van de schepping binnenging, transformeerde Zich aldus tot de vormen waar Hij in combinatie toe kwam, waarin al het bewegende en niet-bewegende [der scheppingen] van de werelden zijn vrede vindt. (6) Hij, deze Vishnu Hiranmaya, de oorspronkelijke persoon, spreidde zichzelf zo voor een duizendtal hemelse jaren [één zo'n jaar is 360 jaar voor de mens] uit in de wereld in het water, daar verblijvend met alles wat er van Zijn goedheid was.
(7)Vanuit de actieve ziel vol van vermogen was die totaliteit van de levende energie van de gigantische vorm er zeker van het goddelijke zelf te verdelen ten opzichte van zichzelf als de eenheid die zich verhoudt tot het drie- en tienvoudige. (8) Dit voorzeker onbegrensde van de zielen van de levende wezens die deel uitmaken van de Superziel, is de eerste incarnatie waarop het geheel van al die levende wezens tezamen floreert. (9) De gigantische gedaante in drieën heeft betrekking op het fundament van het zelf [of de tijdruimte, âdhyâtma], het fundament van de goddelijkheid [van de lotus der schepping, de âdhidaiva], en het fundament van de wereld en haar schepselen [de âdhibhûta], het tienvoudige heeft betrekking op [de organen van] de levenskracht [de prâna: de handen, de voeten, de anus, de geslachtsorganen, de ogen, de neus, de oren, de tong, de huid en de mond; zie brahma sûtra 2.4: 5-6], en het één zijn heeft betrekking op het hart. (10) De heugenis van de begiftigde wezens van de Heer die voor Hem baden als de Transcendentie, had zo de schittering voor ogen van de gigantische vorm die er was voor hun begrip. (11) Luister nu naar hoe ik voor u beschrijf hoeveel belichamingen van halfgoden er daarom waren als de afgescheiden delen in deze contemplatie van Hem.
(12) Uit de mond van Zijn vuur [Agni] werden zo de lokale bestuurders van het materiële leven afgescheiden en in hun relatie met de ideeën van hun eigen afdeling ontstond de spraak waarmee ze zich uitdrukken. (13) Varuna, de godheid die de lucht beheerst scheidde zich van deze wereldse heersers af als het verhemelte en ging van de Heer [Zijn vermogen] het deel van de tong binnen en schonk het levend wezen de expressie in de smaak. (14) De twee As'vinî Kumâra's werden afgescheiden als de twee neusgaten van Vishnu en door het innemen van die positie kwam de desbetreffende ervaring van geuren tot stand [zie ook 2.1: 29 en 2.5: 30]. (15) Als Zijn ogen, de zon, ging de lokale heerser van het licht het gigantische binnen waarvan, naar de vormen, de ervaring van het deel van het zien tot stand kwam. (16) De huid onderscheidde zich van de Universele Gedaante, als de lokale heerser in de lucht [Anila, de Vasu van de wind] en ging zo als het ademende deel binnen, waarvan het levend wezen in staat is tot ervaren in aanraking. (17) Van de oren van de gigantische gedaante werden toen de heersers naar de oorspronkelijke richtingen afgescheiden die binnengingen met de principes van het horen waarmee de volmaaktheid van het geluid wordt ervaren. (18) Met de afzonderlijke manifestatie van de huid van de universele gedaante gingen de heersers van het gevoel en hun afdelingen binnen, waarvan met de haren op het lichaam [of de vegetatie] het levend wezen jeuk ervaart. (19) Toen de genitaliën van de gigantische gedaante werden afgescheiden kwam hij die de eerste is [Brahmâ, de Prajâpati] tot zijn positie en ging op die manier het deel van het zaad het bestaan binnen waarmee de wezens het genot [van de seks] ervaren. (20) De ontlastingsopening manifesteerde zich afzonderlijk waarmee de lokale heerser ervan met de naam Mitra met het deel van het uitscheidingsproces [de dood] binnenging en daarvan verricht het levend wezen zijn ontlastingstaken. (21) Naar de afzonderlijke manifestatie van de handen van de gigantische gedaante, vond Indra de heerser van het oorspronkelijke [de hemel] zijn bestaan met het deel van de handelsprincipes waarvan het levend wezen zijn zaken kan afhandelden. (22) Met de benen van de gedaante die toen afzonderlijk hun bestaan vonden, ging de plaatselijke orde van Vishnu binnen met zijn eigen deel van het vermogen tot beweging waarmee het levend wezen zich naar zijn bestemming verplaatst. (23) Met het zich onderscheiden van de intelligentie van het universele, vond de Heer van het gesproken woord [de Veda] zijn bestaan als de heersende macht die binnenging als dat deel van de intelligentie waarmee de ervaring van het begrijpen van dingen kon worden gerealiseerd. (24) Ook het hart van het Universele Wezen manifesteerde zich afzonderlijk als Candra, de orde van de maan, die binnenging als de heersende macht over de mentale activiteit waarmee het levend wezen beslissingen neemt en overeenkomsten sluit. (25) Het ego van het zich identificeren met de [materie van de] universele gedaante manifesteerde zich eveneens afzonderlijk, de positie innemend [als Rudra, Heer S'iva] met het deel van de activiteiten waarmee het levend wezen onderneemt in objectieve handelingen. (26) Toen ook de goedheid zich afzonderlijk manifesteerde van de universele gedaante, ging de beheersing over het geheel van de energie het bestaan binnen als het deel van Zijn bewustzijn waarmee het levend wezen specifieke kennis cultiveert.
(27) Van het hoofd van de Universele Gedaante met de hemelse werelden, de aardse werelden als Zijn benen en het belang van de ether van Zijn onderbuik, ontstonden de reacties op de drie geaardheden waarmee de halfgoden en anderen zich manifesteren. (28) In de overmaat van de geaardheid goedheid vonden de goddelijken hun plaats in de hogere posities terwijl al die menselijke wezens die leven naar de aard van hun hartstocht aan hen ondergeschikt zijn op aarde. (29) Al degenen die, in de overmaat van de derde geaardheid, van de aard [der traagheid] zich bevinden tussen die twee [van hemel en aarde] in, behoren bij de ether van Zijn navel tot de bevolking als de metgezellen van Rudra.
(30) De leiders van de vedische wijsheid, welke voortkwamen uit de mond van de Universele Gedaante, o aanvoerder van de Kuru-dynastie, werden, in hun toeneiging tot de orden in de samenleving [de roepingen], de zogeheten brahmanen, de erkende leraren of spirituele woordvoerders. (31) Zij die zich toen manifesteerden uit de armen [van de gigantische gedaante] waren de volgelingen [van de brahmanen] in relatie tot de macht der bescherming [de kshatriya's of bestuurders] die, als vertegenwoordigers van de Hoogste Persoonlijkheid, de andere beroepen bevrijden van de ondeugd van storende maatschappelijke elementen. (32) Uit Zijn dijen genereerde de Almachtige, voor de productie en distributie van de middelen van bestaan, de handelsgemeenschap [de vais'ya's] wiens beroep het is zorg te dragen voor de verschaffing voor een ieder. (33) Voor het vervolmaken van de plichten vanuit de benen van de Opperheer werd de dienst in het leven geroepen waarnaar het primaire belang van het beroep der arbeiders [s'ûdra's] werd gegenereerd waarmee de Heer wordt tevredengesteld. (34) Al deze orden van de samenleving naar de individuele plichtsbetrachtingen aanbidden met de leraren zelve de Heer door wie met geloof en toewijding een ziel tezamen met zijn beroepsmatige bezigheid zijn zuivering vindt.
(35) Wie, o Vidura, heeft een idee van de totaliteit van deze gedaante van het goddelijke werkzame Zelf van de Allerhoogste Heer, die zich manifesteerde door de kracht van de illusoire materiële eenheid [van Zijn innerlijk vermogen]? (36) Derhalve, o broeder, beschrijf ik, ondanks dit feit, de intelligentie voor zover begrepen uit het vernemen over de heerlijkheden van de Heer in lezingen van zuiverheid, anders zal het denken zich tot het onware wenden. (37) De Onvergelijkelijke wint men voor zich door besprekingen over de Allerhoogste Persoon Zijn fameuze handelingen, waarvan men in hun verheerlijking spreekt van nectargelijke transcendentie voor het oor en die, op schrift gesteld door de geschoolden, de ware bedoeling ten dienst staan van het nader tot elkaar komen. (38) De heerlijkheden van de Allerhoogste Ziel werden, mijn zoon, door de oorspronkelijke poëet [Brahmâ] na een duizendtal hemelse jaren gekend door een intelligentie gerijpt in meditatie. (39) Daarom wordt dat wat zelfs voor de manipulerenden een bekoorlijk goddelijk vermogen is, ook door de ziel die aan zichzelf genoeg heeft niet gekend; en wat dan te zeggen van anderen? (40) Van wie wij, niet in staat tot inschatting, ermee opgehouden zijn het te proberen met woorden en het denken, ego en al deze andere goden; Hem, de Allerhoogste Heer, bieden we onze respectvolle eerbetuigingen.
Verdere Vragen van Vidura.
(1) S'rî S'uka zei: 'Op die manier met Maitreya Muni pratend, formuleerde de geleerde zoon van Dvaipâyana Vyâsa, Vidura, respectvol een verzoek. (2) Vidura zei: ' O brahmaan, hoe kan van de Opperheer, hoewel Hij van het volkomen geheel en het onveranderlijke is, het spel en vermaak plaatsvinden van handelen met de geaardheden der natuur terwijl Hij zich er Zelf buiten bevindt? (3) Jongens die met andere jongens willen spelen zijn geestdriftig wat betreft hun spel, maar in welk opzicht is dat anders met iemand die aan zichzelf genoeg heeft en te allen tijde onthecht is? (4) Ertoe aangezet het universum te scheppen met de drie natuurlijke geaardheden, handhaaft het Oorspronkelijke Zelf met het vermogen van de Allerhoogste Heer alles ervan en beëindigt het tegengesteld daaraan ook alles weer. (5) Hoe kan Hij, het Zuivere Zelf wiens bewustzijn, noch door Hemzelf, noch door anderen, noch door enige tijd, plaats of omstandigheid is versluiered, in de normale positie van een levend wezen verwikkeld zijn in onwetendheid? (6) De Ene Opperheer bevindt zich in alle levende wezens; door welke soort van activiteiten is er ofwel het ongeluk ofwel de belemmering van de levende wezens? (7) Hierover, o hooggeleerde, in onwetendheid lijdend, bezorgt mijn geest mij moeilijkheden en daarom, o allergrootste, neem de grote onzuiverheid van mijn denken weg.
(8) S'rî S'uka zei: 'Hij, er op deze manier toe aangespoord door Vidura die zo bezorgd was over de realiteit, gedroeg zich als een grote wijze en deed alsof hij verbaasd was en gaf toen zonder aarzeling godsbewust antwoord. (9) Maitreya zei: 'Te beweren dat men van de Allerhoogste Heer in staat van illusie verkeert, dat van het eeuwig verloste van Zijn Heerlijkheid er onvolkomenheid zou zijn of het idee van gebondenheid, leidt tot een logische tegenspraak. (10) Van dat soort verwarring van het zich identificerende zelf van mensen is men op die manier beroofd van betekenis; alsof men van buienaf zichzelf ziet met het hoofd eraf gehakt. (11) Zoals vanwege de kwaliteit van water de erin gespiegelde maan rimpelt, vormt de kwaliteit van het lichaam een drogbeeld voor de getuige die ervan verschilt. (12) In dit bestaan neemt, in bhakti-yoga ten gunste van de Fortuinlijke, dat [begoocheld zijn] geleidelijk aan af, als men bij de genade van Vâsudeva te werk gaat in onthechting. (13) Als de zinnen, van de waarnemende ziel die betrokken raakt in transcendentie tot de Heer, op die manier hun bevrediging vinden, is het volledig gedaan met de misère alsof men van een gezonde nachtrust heeft genoten. (14) Als men al een einde kan maken aan allerlei soorten van ellende door eenvoudig te luisteren naar de herhaalde verklaringen over de kwaliteiten van Murarî [Krishna als de vijand van Mura], wat kan men dan wel niet verwachten van het, zoals het hart het ingeeft, dienen van het stof van Zijn lotusvoeten?
(15) Vidura zei: 'O almachtige, u hebt mijn twijfels bestreden met het wapen van uw overtuigende bewoordingen o Heer, nu is mijn geest wat betreft beide [God en het levend wezen], o allerhoogste, tot een volmaakte eenheid gekomen. (16) O geleerde, u heb volkomen gelijk als u stelt dat [redeneren vanuit] de begoochelende energie van de Heer voor de ziel niet het juiste pad vormt; het bewijst zich als zijnde betekenisloos zonder de basis van de wortel van het Allerhoogste waarbuiten men het eenvoudig bij het verkeerde eind heeft. (17) In deze wereld genieten hij die het traagst van begrip is en hij die van een bovenzinnelijke intelligentie is het geluk, terwijl de personen die zich daartussen bevinden lijden. (18) Ingezien hebbend en overtuigd zijnd van dat wat niet essentieel is, van dat wat niet de ziel is, ben ik door de dienst van uw voeten, aldus in staat [de misvatting dat de Heer de oorzaak van de illusie zou vormen] op te geven. (19) In het dienen van de Persoonlijkheid van God die de onversaagde vijand van de demon Madhu is, ontwikkelt men, in verschillende relaties [râsa's] naar de voeten, het hoogst extatische dat het leed verdrijft. (20) Van hen die het er slecht van afbrengen qua versobering ziet men zelden dat ze zich op het pad van dienst bevinden naar het Koninkrijk Gods [Vaikunthha] waarin de Heer zonder ophouden door de goddelijken wordt verheerlijkt als de heerser over alle levende wezens.
(21) Na de schepping van eerst het volledige van de materiële energie, manifesteerde zich in een geleidelijk proces van differentiatie [evolutie] de universele gedaante tezamen met de zintuigen en organen waarin later de Almachtige binnenging [voor Zijn incarnaties]. (22) Hij die de Oorspronkelijke Persoon wordt genoemd heeft duizenden ledematen, benen en handen levend in al de werelden van het universum overeenkomstig de evolutie van ieder van hen. (23) U verklaarde hoe er drie verschillende soorten van leven zijn [naar de geaardheden] waarin men tien soorten van levenskracht met de [vijf] zinnen en hun [vijfvoudig] belang heeft; beschrijf me alstUblieft nu wat de specifieke capaciteiten zijn van de maatschappelijke onderverdelingen. (24) In dezen [in deze onderverdelingen] heeft, met de zonen en familieleden van de verschillende generaties, dat vermogen zich uitgespreid in verschillende vormen van bestaan. (25) Wie waren al de Manu's [hoofden van het tijdperk], en de navolgende generaties zeker ook, waartoe Hij was besloten als de eerste of de vader van de levende wezens [de prajâpati, of Brahmâ] van de geslachten, en wie waren hun nakomelingen? (26) Welke werelden staan er aan het hoofd en welke aardse werelden bevinden zich daaronder, o zoon van Mitrâ; beschrijf alstUblieft wat hun situatie is en wat de uitgebreidheid van hun wereldse lokaties is. (27) Beschrijf me de generaties en onderafdelingen van het onmenselijke, menselijke en bovenmenselijke, zoals geboren uit reptielen [en vogels], uit baarmoeders, uit vocht, uit tweemaal geborenen en uit de aarde [de planten]. (28) Wees zo goed de incarnaties naar de geaardheden der materiële natuur te beschrijven voor de schepping, handhaving en vernietiging van het universum en de grootse activiteiten van de ene Persoonlijkheid van God die de uiteindelijke toevlucht vormt.
(29) Wat zijn naar de desbetreffende afdelingen van de statusoriëntaties van leeftijd en roeping in de samenleving de belichamingen, het karakter en de geboorten van de wijzen en hun activiteiten en de verdelingen van de Veda in categorieën? (30) En wat zijn de offers en methoden van de expansies van het yogavermogen, o meester, en wat is het pad van de toegewijde dienst, in het niet-materiële belang als ook in de analytische studie, in het zich verhouden tot de Persoonlijkheid van God met regulerende beginselen? (31) De wegen en onvolkomenheden der ongelovigen, zij die die zich tegendraads gedragen, en de situatie en bewegingen van de individuele zielen zoveel als die er zijn naar de geaardheden en de soorten van arbeid; wat zijn ze? (32) En wat zijn de, onderling niet strijdige, belangen van de religiositeit, economische ontwikkeling, zinsbevrediging en verlossing, de middelen van bestaan, de regels van de wet, de schriftuurlijke voorschriften, en wat zijn de verschillende regulerende beginselen? (33) Hoe zijn de periodieke respectbetuigingen geregeld, o brahmaan, naar dat wat de voorvaderen tot stand hebben gebracht en hoe zijn de tijdsperioden ingesteld naar de planeten, de sterren en hemellichten? (34) Wat mag men verwachten van liefdadigheid, boetedoening en het aanleggen van vergaarbekkens en wat zijn de voorgeschreven plichten van iemand die van huis weg is of van een man die zich in gevaar bevindt? (35) Alstublieft beschrijf me, o zondeloze , hoe Hij als ofwel de Allerhoogste Persoon, de Vader van de Religie, de Heerser over Allen, of als al dezen tezamen, volledig kan worden tevredengesteld? (36) O beste onder de brahmanen, alstUblieft beschrijf de geestelijk leraren die zo genadig zijn voor de behoeftigen, en die hun volgelingen, hun leerlingen en zonen, zelfs dat vertellen waar ze niet om vroegen. (37) O allergrootste, hoeveel ontbindingen zijn er voor de elementen van de natuur, wie zijn zij die daarin vervolgens worden gered, en wie zijn zij die [van lof zijnde] zich bij Hem mogen voegen in Zijn sluimertoestand? (38) En wat is de wezensaard en identiteit van zowel de individuele persoon als het Allerhoogste, wat is het leidmotief van de vedische wijsheid en wat beweegt de goeroe en zijn leerlingen? (39) Hoe is, vanuit een persoon zijn toewijding als ook vanuit zijn onthechting, er op deze wereld de bron van de onafhankelijke spirituele kennis, zoals hooggehouden door de onberispelijke toegewijden?
(40) Ik stelde al deze vragen in het verlangen te weten van het spel en vermaak van de Heer; alstUblieft beantwoord ze voor mij als een vriend voor die onwetenden die hun visie verloren met de uitwendige energie. (41) Al de Veda's, offers, boetedoeningen en liefdadigheid, laten zich zeer zeker nog niet eens ten dele vergelijken met, o smetteloze, de geborgenheid die de individuele ziel wordt geboden door iemand die de kennis overdraagt [zoals u].
(42) S'rî S'uka zei: 'Hij [Maitreya], de eerste onder de wijzen zo goed bekend met de verhalen [purâna's], was, aldus ondervraagd door de voornaamste onder de Kuru's afdoende tevredengesteld en geïnspireerd, en zo gestimuleerd over de onderwerpen betreffende de Heer, gaf hij Vidura glimlachend antwoord.'
Manifestatie van Brahmâ uit Garbhodakas'âyî Vishnu.
(1) S'rî Maitreya zei: 'De afstammelingen van Koning Pûru zijn zeker waardig het ware te dienen omdat hun koningen in hoofdzaak de Hoogste Persoonlijkheid zijn toegewijd; en ook met u die geboren bent in deze opeenvolging van toegewijde activiteit voor de Onoverwinnelijke, is er stap voor stap voortdurende vernieuwing. (2) Daartoe zal ik dit Bhâgavatam spreken, dit vedisch supplement welk rechtstreeks werd uitgesproken tot de wijzen door de Allerhoogste Heer ter verzachting van het grote lijden van de menselijke wezens die zo weinig geluk ervaren.
(3) De zoon van Brahmâ [Sanat-Kumâra] deed, aan het hoofd van de grote wijzen [de vier kind-heiligen, de Kumâra's], net als u navraag over de waarheid aangaande de Oorspronkelijke Persoonlijkheid bij Heer Sankarshana [het eerste volkomen deelaspect en de eerste metgezel van de Heer] die onverschrokken van kennis verblijft aan de basis van het Universum. (4) Hij op die wijze gevestigd voor de meditatie van Hem die hogelijkst gewaardeerd wordt met de naam van Vâsudeva, had Zijn blik inwaarts gekeerd, maar voor de vooruitgang van de hoog geleerde wijzen opende Hij Zijn lotusgelijke ogen enigszins. (5) Met de haren op hun hoofden nat van het water van de Ganges beroerden ze de toevlucht van Zijn lotusvoeten die wordt aanbeden door de dochters van de slangenkoning met grote toewijding en verscheidene parafernalia in het verlangen naar een goede echtgenoot. (6) Met woorden en met veel gevoel in ritmische overeenstemming bij herhaling de activiteiten van de Heer verheerlijkend, verspreidde zich vanuit de duizenden van opgeheven kragen [van Ananta, de slangenkoning] de stralende gloed van de edelstenen van hun duizenden helmen. (7) Naar verluid sprak Hij vervolgens over de strekking van het Bhâgavatam met Sanat-Kumâra die de gelofte van de yoga had afgelegd en werd het op verzoek ook verteld [op zijn beurt door hem], o Vidura, aan Sânkhyâyana die eveneens de eed had afgelegd. (8) Toen de grote wijze Sânkhyâyana als de belangrijkste der transcendentalisten die dit Bhâgavatam reciteren [daarna] uitleg gaf, werd hij gehoord door de geestelijk leraar Parâs'ara die ik volgde als ook door Brihaspati. (9) Hij [Parâs'ara] vertelde me vriendelijk van hart, op aanraden van de wijze Pulastya, de meest vooraanstaande der purâna's welke ik ook voor U zal spreken, mijn beste zoon, daar u een immer gewetensvolle volgeling bent.
(10) Toen de drie werelden waren verzonken in het water lag Hij daarin met vrijwel gesloten ogen neer op het slangenbed Ananta en was Hij zonder enige interesse in het uiterlijke druk met het genoegen van Zijn innerlijk vermogen. (11) Hij, van binnenuit het lichaam der transcendentie, behield het subtiele van de materiële elementen als de ziel van de tijd [kâla], leven en energie gevend van Zijn eigen positie van verblijf in het water, op de manier waarop de macht van vuur is gelegen in het brandhout. (12) Voor een duizend keer vier yuga's [4.32 miljard jaar], lag Hij [hiervoor] met Zijn innerlijk vermogen ten ruste terwille van de verdere ontwikkeling - middels Zijn eigen kracht genaamd kâla [tijd] - van de hele wereld gebonden in vruchtdragende handelingen, hetgeen Hem in Zijn eigen lichaam er blauwkleurig deed uitzien [als de toevlucht van het levengevend water]. (13) Naar de bedoeling van Zijn innerlijke aandacht voor de subtiele kwestie, was er na de nodige tijd door de materiële activiteit van de geaardheden der natuur, het geagiteerde [van de oer-substantie] dat toen zeer subtiel [met organische vormen] het doorboren van Zijn buik [van de ether] genereerde. (14) Die knop van de lotusbloem, van binnen uit gegenereerd, verscheen mettertijd vrij plots, de vruchtdragende activiteiten opwekkend en, met zijn eigen uitstraling, de uitgestrekte wateren der vernietiging verlichtend gelijk de zon.
(15) Die lotusbloem die het universum is ging Vishnu in eigen persoon binnen als het reservoir van alle kwaliteiten waarvan, zo men zegt, Hij in het verleden de persoon der vedische wijsheid, de heerser van het universum of de uit zichzelf-geborene voortbracht. (16) En in dat water gezeten op de werveling van de lotus was [de Brahmâ van] de wereld niet in staat te zien en ging hij zo rond met ogen spiedend in de vier richtingen, op die manier tot zijn hoofden komend ['de vier hoofden' van Brahmâ]. (17) Vanaf daar aan het eind van de Yuga kon, vanwege de lucht der vernietiging [donder en bliksem] uit de kolking van het water, het mysterie van de schepping gezeten op en behoed door de lotusbloem, door zijn verbazing zichzelf niet volkomen begrijpen als zijnde de eerste halfgod [Brahmâ]. (18) 'Wie ben ik, hij die bovenop deze lotus zit? Waar kwam deze lotus vandaan? Er zit zeker iets onder het water. Of hij nou uit zichzelf ontsproot of niet, hij moet toch tot iets anders behoren!' (19) Hij [Brahmâ], op deze wijze zich bezinnend op de steel van de lotus, kon, door dat kanaal in het water waar hij in binnenging, ondanks het feit dat hij zich naar binnen keerde en uitvoerig nadacht over dat ontsproten zijn uit de navel [van Vishnu], niet begrijpen hoe die uit zichzelf kon zijn geboren. (20) Omdat hij het in onwetendheid bezag, o Vidura, kwam het, met het zich aldus bezinnen op de oorzaak van de schepping, tot het overwicht van de driedimensionale [tri-kâlika] tijd welke voor de belichaamden het beangstigende en het bekorten van de levensduur tot een honderdtal jaren met zich meebrengt in relatie tot dat wat uitzichzelf voortkwam en het rad [de s'is'umâra cakra of het galactische] van de eeuwige tijd [vergelijk 2.2.: 24-25].
(21) Daarna zich terugtrekkend uit die onderneming zonder te hebben bereikt wat hij verlangde, kwam hij terug naar zijn eigen zitplaats [of materiële positie] waar hij als de halfgod terstond neerzat en zijn intelligentie terugtrok met het beheersen van de ademhaling, zelfverzekerd verzonken in yoga. (22) Na de nodige tijd, ontwikkelde hij, de zelfgeborene voor de duur van zijn leven [een 'honderd jaren van Brahmâ', vier yuga's of 4.32 miljard jaar], in zijn meditatie de intelligentie die zich uit zichzelf manifesteerde in het hart, waardoor hij zag wat voorheen niet kon worden gezien. (23) Op het bed van de volledig witte gigantische S'esha-nâga [slang] lotusbloem lag de Oorspronkelijke Persoon alleen neer onder de overkapping van de slangenkraag die was bedekt met de hoofdsieraden waarvan de stralen de duisternis in het water der vernietiging [de oersoep] verdreef. (24) Het panorama overtrof het groen en koraal van de avondschittering van de zon en het grote en gouden van de bergtoppen met hun juwelen aan watervallen en kruiden, en zo was het landschap van bloemen en bomen [slechts] de opsier van Zijn handen en benen. (25) De lengte en breedte van de afmeting van zijn bovenzinnelijke aanwezigheid dekte het totaal van de drie werelden in al hun diversiteit met de schoonheid van de goddelijke straling der ornamenten die Zijn lichaam sierden.
(26) Naar het verlangen van het menselijk wezen op het pad der toegewijde dienst in de aanbidding van Zijn lotusvoeten die belonen met alles waarnaar verlangd wordt, toonde Hij van die voeten in Zijn grondeloze genade de maangelijke glans van Zijn teen- en vingernagels die de prachtigste [bloemachtige] verdeling vertoont. (27) Van Zijn gelaatsuitdrukking beantwoordend aan ieder zijn verdienste, betovert Hij, die het leed van de wereld verdrijft, met Zijn glimlachen en opsmuk met oorsieraden, en met het licht gereflecteerd van Zijn lippen en fijne neus en wenkbrauwen. (28) Mijn beste Vidura, Zijn middel was mooi gesierd met een gordel en stof in de saffraankleur van kadambabloemen; er was een kostbare halsketting en op Zijn borst was er het aantrekkelijke S'rîvatsa teken [een paar witte haren]. (29) Zoals de bomen in de wereld op zich bestaan en met hun duizenden takken hun grote waarde [aan bloemen en vruchten] tentoonspreiden alsof gesierd met kostbare juwelen, zo ook is de Heer, de heerser van Ananta, [Garbhodakas'âyî Vishnu] bekleed met de kragen boven Zijn schouders. (30) De Opperheer als de bergketen vormt de leefplaats van wat zich rondbeweegt en zich niet beweegt met de vriendschap van Anantadeva die, vanuit het water bedekt met duizenden gouden helmen, als de top van die bergen het Kaustubha [onschatbare juweel] in de oceaan manifesteert. (31) Temidden daarvan met het zoete geluid van de schoonheid en de bloemenkransen van vedische wijsheid [zag Brahmâ dat] door Zijn eigen heerlijkheden de Heer van de zon, de maan, de lucht en het vuur zeer moeilijk te bereiken was, onbenaderbaar als Hij was in Zijn omzwervingen door de drie werelden, al vechtend voor de plicht. (32) Zo kon het zijn dat de godheid van het universum, de schepper van het lot, er zeker van was de navel van Hem te zien, het meer, the lotusbloem, de ziel zijn wateren der vernietiging, de droogmakende lucht en de hemel; maar hij kon zijn blik niet werpen voorbij het geschapene van de kosmische manifestatie. (33) Hij als het zaad van de wereldse activiteiten verlevendigd door de geaardheid der hartstocht bad met die blik aldus, met het [zinnelijk] vijfvoudige van de wezens begeertig naar voortplanting, om creatief te zijn naar het aanbiddelijk bovenzinnelijke op het pad van de standvastige ziel.
Brahmâ's Gebeden voor het Creatief Vermogen.
(1) Brahmâ zei: 'Vandaag, na een lange tijd, mag ik het zo zien dat de belichaamde wezens die U niet kennen van Uw handelen als de Allerhoogste Heer, niet veilig zijn in dit leven. Voorbij aan U is er niemand te vinden, o mijn Heer, en alles wat wel zo schijnt te zijn kan nooit het absolute zijn; U bent de macht waardoor er een vermenging van de materiële energie is. (2) Die gedaante, welke altijd vrij is van materiële onwetendheid, vond zijn bestaan met de manifestatie van Uw innerlijk vermogen ter wille van de toegewijden als de oorspronkelijke incarnatie in honderden van vormen en is de bron van de lotusbloem waaruit ikzelf voortkwam. (3) O mijn Heer, voorbij aan U zie ik geen gedaante die superieur is aan Uw eeuwige gedaante van gelukzaligheid, die zonder veranderingen en verval van vermogen is; U bent de enige echte Schepper van de kosmische manifestatie en de onstoffelijke Allerhoogste Ziel Zelve; Ik die trots is in de identificatie met het lichaam en de zinnen ben aan U overgegeven. (4) Die gedaante, of hoe U Uw aanwezigheid dan ook vormt, is alleszins gunstig voor het gehele universum en bevorderlijk voor onze meditatie, en aan U, Allerhoogste Heer, die het gemanifesteerde bent voor ons toegewijden, biedt ik mijn eerbetuigingen; voor U volbreng ik dat wat verwaarloosd is door personen die recht op de hel afstevenen in hun begaan zijn met materiële onderwerpen. (5) Zij die van binnen slechts het aroma van Uw lotusvoeten ruiken en met hun oren de geluiden van de toegewijde dienst horen, verkeren in aanvaarding van de school der bovenzinnelijkheid en voor hen, Uw eigen toegewijden, is er nimmer de gescheidenheid van U van de lotus van hun harten, o Heer. (6) Tot dan zal er angst zijn vanwege de weelde, het lichaam en de verwanten, en zal het weeklagen en het verlangen, alsook de begeerte en de minachting zeer groot zijn; tot dan, zolang als de mensen van de wereld niet hun toevlucht zoeken tot de geborgenheid van Uw lotsusvoeten, zal men, ondernemend naar het vergankelijke idee van iets te bezitten, vol van zorgen zijn. (7) Hoe onfortuinlijk zijn zij die beroofd zijn van de heugenis van Uw onderwerpen; in beslag genomen door ongeluk en met hun zinnen ertegenin, handelen ze naar hun begeerten slechts voor een kort ogenblik geluk vindend: het zijn arme stakkers wiens geesten zijn overweldigd door bezitsdrang en wiens handelingen vol van stress zijn. (8) Hun altijd geplaagd zijn door [neurotische] honger, dorst en hun drie afscheidingen [slijm, gal en lucht], winter en zomer, wind en regen en vele andere verstoringen alsook door een sterke seksuele aandrang en een onvermijdelijke boosheid, zie ik alles bij elkaar als hoogst ondraaglijk, o grote acteur - en dat doet me veel verdriet. (9) Zolang als iemand, onder de invloed van de materiële illusie handelend terwille van de zinnen, zich geplaatst ziet voor het afgescheiden zijn in een lichaam, o Fortuinlijke, er niet toe in staat zijn het rad van herhaalde wedergeboorten in de materiële wereld te boven te komen; hoewel het werken voor resultaten geen feitelijke betekenis heeft [voor de ziel], zal het hem een eindeloze ellende bezorgen. (10) Gedurende de dag zijn ze bezig met stressvolle arbeid en 's nachts lijden ze onder slapeloosheid vanwege hun gepieker dat hun intelligentie en hun slaap voortdurend breekt; de goddelijke orde frustreert hun plannen en ook de wijzen, o mijn Heer, die zich tegen Uw vertoog keerden, blijven in deze wereld rondhangen. (11) Naar U voor honderd procent verenigd in toewijding, met U verblijvend op de lotus van hun harten, zien de toegewijden die zich op het pad van het luisteren bevinden, o mijn Heer, U, in het hier en nu, in Uw grondeloze genade Uw eigenlijke bovenzinnelijke gedaante manifesteren, overeenkomstig wat ieder van hen in zijn meditaties ook denkt van U die door zovelen wordt verheerlijkt. (12) U bent nooit zo zeer tevredengesteld met de grote vertoningen met alles erop en eraan van hooggeplaatste dienaren die van aanbidding zijn met harten vol van allerlei soorten van verlangens, daar U, de zo verschillend waargenomen Ene en Unieke Weldoener, de Superziel in het hart van de levende wezens, er bent om alle levende wezens Uw grondeloze genade te tonen en niet kan worden bereikt door hen die voor het tijdelijke gaan. (13) Daarom is het de aanbidding door de mensen die, met verschillende vruchtdragende handelingen, vormen van liefdadigheid, zware boetedoeningen en bovenzinnelijke diensten, wordt volbracht om enkel U, de Fortuinlijke, te behagen, die de juiste handelwijze vormt waar men op ieder willekeurig moment op gefixeerd is en die nimmer teloor zal gaan.
(14) Laat me U, die dit Allerhoogste bent die in het genieten van het spel en vermaak inzake de kosmische schepping, handhaving en vernietiging, voorzeker is onderscheiden door de heerlijkheden van de eeuwige oorspronkelijke gedaante, mijn eerbetuigingen brengen: alle glorie aan de intelligentie van de zelfkennis naar Uw transcendentie van het illusoire begrip. (15) Ik neem mijn toevlucht tot de Ongeborene wiens nederdalingen, bovenzinnelijke kwaliteiten en handelingen ondoorgrondelijk zijn; tot Hem wiens namen aangeroepen ten tijde van het verlaten van dit leven, al is het maar onbewust, onverwijld voorzeker alle verzamelde zonden tezamen van vele vele levens wegnemen en de weg naar onsterfelijkheid openen. (16) Degene die inderdaad met mij en S'iva als de Almachtige persoonlijkheid en de oorzaak van schepping, handhaving en voleinding wortelt in de ziel, doordringt [deze wereld] drie stammen groeiend als de enige ware voor de vele takken; aan Hem, de Persoonlijkheid van God, deze boom van het systeem der werelden, mijn eerbetuigingen. (17) Zolang als de mensen van de wereld bezig zijn met ongewenste activiteiten en in de vastgelegde handelingen van hun eigen zaken minachting hebben voor uw goedgunstige activiteiten, zal de strijd om het bestaan van deze mensen zeer hard zijn en door de Waakzame [van de Tijd] allemaal recht op een janboel uitlopen; moge er mijn eerbetuiging zijn voor Hem. (18) U die ook ik vrees, hoewel ik besta in een plaats die twee parârdha's lang voortduurt [2 x 50 jaar, waarvan één dag en nacht twee maal 4.32 miljard aardse jaren duurt: 311.04 biljoen jaar], in al de werelden gerespecteerd ben en voor vele jaren zware boetedoeningen heb ondergaan voor de zelfrealisatie, biedt ik niettemin mijn respectvolle eerbetuigingen mijn Heer, Hoogste Persoonlijkheid en genieter van alle offers. (19) Bij machte van Uw eigen wil projecteert U Uzelf onder de lagere en de menselijke wezens, onder de gevolmachtigden en in de verschillende soorten, bovenzinnelijk spel en vermaak tentoonspreidend in het verlangen aan Uw verplichtingen te voldoen, waartoe U nooit onder de invloed van de materie verkeert maar welzeker Uw goddelijke gedaante aan het manifesteren bent; mijn eerbetuigingen aan die voorwereldlijke Heer, de Allerhoogste Persoonlijkheid. (20) Ondanks dat U de vijfvoudige interactie van de zinnen hebt aanvaard blijft U onaangedaan en slaapt U, neerliggend op het slangenbed, er gelukkig mee in contact te staan vanuit de wateren der vernietiging met hun gewelddadige golven - en dat doet U voor de handhaving van de verschillende levensvormen in Uw buik waarbij U de reeks van intelligenten Uw geluk toont. (21) Aan Hem door wie ik, van het lotushuis dat ontspringt aan de navel, tot stand kwam om Hem, de Aanbiddelijke bij te staan in de schepping van de drie werelden; aan Hem die het universum in Zijn buik heeft en aan Hem wiens ogen bloesemen als lotussen na het einde van Zijn slaap, mijn eerbetuigingen.
(22) Moge Hij, de Heer van alle universa, die ene vriend en filosoof, de Superziel die door de geaardheid goedheid geluk schenkt als de Allerhoogste Heer van de zes vormen van weelde [schoonheid, intelligentie, boetvaardigheid, macht, roem en rijkdom], mij zo zeker de macht der introspectie schenken zodat ik in staat zal zijn dit universum te creëren als voorheen in overgave en liefde met Hem. (23) Tot deze begunstiger van de overgegeven ziel, die [als Râma] met de Godin van het Fortuin [Lakshmî] geniet in wat Hij ook moge tentoon spreiden vanuit Zijn innerlijk vermogen met het aanvaarden van incarnaties van goedheid, bidt ik dat ik mag scheppen begiftigd met Zijn omnipotentie en dat ondanks de materiële emoties van mijn hart verzonken in het werk, ik er ook toe in staat zal zijn er mee op te houden. (24) Ik bidt dat ik, die werd geboren uit het meer van de Allerhoogste Persoon Zijn navel als de energie van het totale universum naar de manifestatie van de verscheidenheid van het onbeperkt machtige van Hem, niet de geluidsvibraties van de vedische waarheid uit het oog zal verliezen. (25) En moge Hij, de Allerhoogste Heer die eindeloos genadevol is in Zijn opperste liefde en Zijn glimlachen bij het openen van Zijn lotusogen ter wille van de bloei en de heerlijkheid van de kosmische schepping, met Zijn zoete woorden als de oudste en Oorspronkelijke Persoon liefdevol onze neerslachtigheid wegnemen.'
(26) Maitreya zei: 'Na aldus de bron van Zijn verschijnen in boete, kennis en concentratie van geest te hebben overwogen, voor zover mogelijk aandacht bestedend aan de woorden van zijn gebed, viel hij stil alsof hij moe was. (27-28) Madhusûdana [Krishna als de doder van Madhu] zag de oprechtheid van Brahmâ en zijn verslagenheid van hart over de vernietigende wateren van het tijdperk. Ziende dat hij afdoende bezorgd was over Zijn wetenschap naar de toestand van de planeet, sprak Hij in diepe betekenisvolle bewoordingen tot hem, op die manier zijn zorgen wegnemend.
(29) De Opperheer zei: 'Jij die de diepgang hebt van alle vedische wijsheid, vertwijfel niet over de onderneming der schepping. Met waar je jezelf toe gezet hebt en voor bidt, heb Ik heel zeker reeds voorheen ingestemd. (30) Breng jezelf als van ouds ertoe boete te doen en de principes van de waarheid te behartigen om zeker te zijn van Mijn ondersteuning en van die kwaliteiten zal je de hele wereld in je hart geopenbaard zien, o brahmaan. (31) Dan, als je naar het universum toe volledig bent verzonken, verbonden in toewijding, zal je zien dat Ik Mij er overal in bevindt, o Brahmâ en dat jij, al de werelden en al de levensvormen, deel van Mij uitmaken. (32) Het moment dat je Me in alle levensvormen en het universum ziet op de manier zoals vuur aanwezig is in hout, zal je zonder twijfel in staat zijn de zwakheid achter je te laten. (33) Als je je ziel bevrijd hebt van de materiële gedachten van de zintuigen onder de invloed van de geaardheden, zal je met die visie het zuivere in de relatie met Mij vinden en het rijk van het spirituele genieten. (34) Met al de verscheidenheid van dienst en het verlangen de bevolking talloos uit te breiden, zal je ziel nooit bedroefd zijn; wat betreft jou zal Mijn grondeloze genade voor altijd bestaan. (35) Jij bent de oorspronkelijke wijze; de verraderlijke geaardheid der hartstocht zal je nooit bekruipen omdat, ondanks dat je nageslacht genereert, je denken altijd tot Mij beperkt is. (36) Alhoewel Ik voor de gekonditioneerde ziel moeilijk te kennen ben, word Ik vandaag Zelf door jouw gekend omdat je Me begrijpt als zijnde niet opgebouwd uit materie, zinnen, geaardheden en de verbijstering van het zelf. (37) Aan jou, toen je over Mij probeerde te weten te komen in het overwegen van de bron van de lotus via zijn stengel in het water, toonde Ik Mezelf van binnen uit. (38) De gebeden die je voor Me deed, o Brahmâ, in Mijn woorden vervat, Mijn heerlijkheden opsommend of de boete en je geloof; beschouw deze allen als het resultaat van Mijn grondeloze genade. (39) Laat er met dit alles wat Mij behaagde, alle zegen rusten op jij, die in je verlangen bad voor de verovering van al de werelden door zo mooi Mijn kwaliteiten en Mijn erboven staan te beschrijven. (40) Moge welke persoon ook die in zijn eerbetoon regelmatig op deze manier met deze verzen bidt, zeer spoedig al zijn verlangens vervuld zien, daar Ik de Heer van alle zegening ben. (41) Door de goede werken, boetedoeningen, offers, liefdadigheid en verzonkenheid in yoga die worden volbracht in liefde voor Mij, zal het menselijk wezen zijn uiteindelijke succes vinden, zo luidt de mening van hen die de werkelijkheid kennen. (42) Ik ben de Superziel, de bepaler van alle andere zielen, de meest geliefde van alles wat dierbaar is en zeker zou men daarom al de gehechtheid waarin het eigen lichaam en denken zo dierbaar zijn, op Mij moeten worden gericht. (43) Breng nu, met de beheersing van uw kennis van de Veda en met uw lichaam welk rechtstreeks zijn leven vond vanuit de Ziel, als van ouds gebruikelijk de levens voort, welke eveneens in Mij liggen.
(44) Maitreya zei: 'Na hem, de schepper van het universum, aldus te hebben geïnstrueerd, verdween de voorwereldlijke oorspronkelijke Heer in Zijn persoonlijke gedaante van Nârâyana uit het zicht.'
De Afdelingen van de Schepping.
(1) Vidura zei: 'Hoeveel verschillende soorten schiep de grootvader van alle schepselen op deze planeet naar het lichaam en de geest van de Almachtige, nadat de Hoogste Persoonlijkheid was verdwenen? (2) Met het oog op alles waar ik naar gevraagd heb, o machtige, wees zo goed ze me allemaal van het begin tot het eind te beschrijven, o hoogst geleerde persoon; wees zo genadig al mijn twijfels weg te nemen'."
(3) Sûta zei [zie Canto 1]: "O zoon van Bhrigu [S'aunaka], de grote wijze, de zoon van Kusâra [Maitreya] aldus gestimuleerd door Vidura, voelde zich tevredengesteld en gaf zodoende antwoord op de vragen vanuit de bodem van zijn hart.
(4) Maitreya zei: 'En zodoende verrichtte Brahmâ voor een honderdtal hemelse jaren boetedoeningen voor het heil van de ziel, te werk gaand zoals hem dat gezegd was door de Ongeborene, de Allerhoogste Heer. (5) Daarin zag hij, die was geboren uit de lotus, dat door de inherente macht van de natuurkrachten [de eeuwige tijd] de wind de wateren scheidde waarop de lotus zich bevond. (6) Door zijn boete had hij zeker gewonnen aan bovenzinnelijke kennis en was hij gerijpt in zijn zelfbewustzijn en praktische kennis, en met dat vermogen nam hij de wind tezamen met het water in zich op. (7) Toen zag hij hoe uitgebreid de lotus was waarop hij zich bevond; door de actie was heel de wereld die voorheen verzonken was nu afgescheiden en lag ze open voor zijn schepping, was zijn bevinding. (8) Binnengaand in die werveling van de lotus, in zijn activiteiten aangemoedigd door de Opperheer, verdeelde hij de ene in de drie werelden en kon hij er daar veertien van in het leven roepen [zie ook 2.5.42]. (9) Wat betreft dezen had de hoogste persoon in het universum geen ander leidmotief dan het bepalen van de plichten in alle opzichten naar het volwassen stadium van het belang van de individuele lokaliteiten waar de zielen hun leven hadden.
(10) Vidura zei: 'U sprak aangaande de variëteit van de verschillende gedaanten van de Heer, de wonderbaarlijke acteur, van het eeuwige van de tijd, o brahmaan; kan u alstUblieft beschrijven hoe zich die feitelijk heeft voorgedaan, o Heer?'
(11) Maitreya zei: 'Hij is de bron van de verschillende interacties naar de natuurlijke geaardheden, hij is onverdeeld en onbegrensd en het instrument van de Oorspronkelijke Persoon die door Zijn spel en vermaak het materiële leven schiep van de ziel. (12) Het fenomenale welk er voorzeker is als dezelfde energie van Vishnu, scheidde Zichzelf van de geest af door de Allerhoogste Heer in de vorm van de tijd [kâla], welke beschouwd wordt als Zijn ongemanifesteerde [onpersoonlijke] aspect. (13) Zoals het in het heden is, zo was het in het begin en tot het einde toe zal het ook hetzelfde blijven.
(14) Er zijn negen soorten van scheppingen: de drie geaardheden van de materie [naar prakriti: hartstocht, goedheid en onwetendheid], de drie kwaliteiten naar deze geaardheden [naar vikriti: beweging, kennis en onbeweeglijkheid], en de drie soorten van voleinding welke dan de materiële verdelingen van de tijd vormen [naar kâla: het ten hemel varen van de mensen, het uitsterven van de diersoorten en het eindigen van de planten samen met het universum]. (15) De eerste [de mahat-tattva, van de goedheid] is niets anders dan het geheel van de schepping dat voortkwam uit de Heer met de interactie van de drie geaardheden. De tweede [van de passie] is enkel het valse ego van de ontwaakte activiteiten van de materiële ingrediënten en hun interrelaties. (16) Het geschapene van de materie zelf is de derde soort [die van onwetendheid] die enkel van de zintuiglijke waarneming is waarnaar als vierde er naar de materie van de zinnen de praktische basis is van de materiële kennis. (17) De interactie naar de geaardheid goedheid geeft het goddelijke [van de beweging] naar de materiële schepping welke met het geheel van de geest de vijfde soort vormt waarnaar ten zesde er de duisternis der schepping is [het inerte van de materie] dat van meesters dwazen maakt. (18) Naast de eerste zes scheppingen van de materiële energie [van de natuur of de Heer] zijn er de secundaire scheppingen [van plant, dier en mens]; verneem van mij wat hen betreft enkel ov