Zie voor de online versie met illustraties, muziek en links naar de voorgaande vertaling: http://bhagavata.org/index.ned.html



 



S'RÎMAD BHÂGAVATAM

"Het Verhaal van de Fortuinlijke"

Derde herziene versie 2012


 

Canto 3a

De Status Quo

 

Inleiding

 

Hoofdstuk 1 Vragen gesteld door Vidura

Hoofdstuk 2 Terugdenken aan Krishna

Hoofdstuk 3 Het Spel en Vermaak van de Heer Buiten Vrindâvana

Hoofdstuk 4 Vidura Wendt zich tot Maitreya

Hoofdstuk 5 Vidura Spreekt met Maitreya

Hoofdstuk 6 De Manifestatie van de Universele Gedaante 

Hoofdstuk 7 Verdere Vragen van Vidura.

Hoofdstuk 8 Manifestatie van Brahmâ uit Garbhodakas'âyî Vishnu.

Hoofdstuk 9 Brahmâ's Gebeden voor het Creatief Vermogen.

Hoofdstuk 10 De Afdelingen van de Schepping

Hoofdstuk 11 De Indeling van de Tijd zich Uitbreidend Vanuit het Atoom

Hoofdstuk 12 De Schepping van de Kumâra's en Anderen

Hoofdstuk 13 Het Verschijnen van Heer Varâha

Hoofdstuk 14 De Bevruchting van Diti in de Avond

Hoofdstuk 15 Beschrijving van het Koninkrijk Gods

Hoofdstuk 16 De Twee Poortwachters van Vaikunthha, Vervloekt door de Wijzen

Hoofdstuk 17 De Overwinning van Hiranyâksha over Alle Windstreken van het Universum

Hoofdstuk 18 De Strijd tussen Heer Zwijn en de Demon Hiranyâksha 

Hoofdstuk 19 Het Doden van de Demon Hiranyâksha

 

 

Inleiding

Dit boek verhaalt de geschiedenis van de Heer en Zijn incarnaties sedert de vroegste verslagen van de Vedische geschiedenis, de geschiedenis van de oorspronkelijke kenniscultuur van India. Het is in werkelijkheid de Krishnabijbel van het Hindoe-universum. De Bhagavad Gîtâ verhoudt zich tot dit boek zoals de Bergrede van Heer Jezus in verhouding staat tot de volledige Bijbel. Het telt zo'n 18.000 verzen in 335 hoofdstukken en bestaat uit twaalf onderafdelingen van boeken die Canto's heten. Deze afdelingen vertellen samen de volledige geschiedenis van de Vedische cultuur en omvatten de essentie van de klassieke verzamelingen van verhalen genaamd de Purâna's. Deze specifieke verzameling Vedische verhalen beschouwt men als de belangrijkste van al de achttien grote klassieke Purâna's van India. Het bevat de room van de Vedische kennis verzameld uit al de Vedische literatuur zowel als het verhaal van het leven van Heer Krishna in zijn geheel (10e Canto). Heer Krishna vormt een keerpunt in de geschiedenis tussen de oude Vedische cultuur en de 'moderne' politieke cultuur waarin het bestuur niet langer vanzelfsprekend onder leiding staat van de geestelijkheid.  Het boek vertelt over Zijn geboorte, Zijn jeugd, al Zijn wonderbaarlijke bewijzen van Zijn goddelijke aard en de bovenmenselijke prestaties van het verslaan van allerlei demonen tot aan de grote Mahâbhârata oorlog te Kurukshetra toe. Daarin kwam de Vedische cultuur ten val om plaats te maken voor de verbokkelde godsdienstigheid die we nu Hindoeïsme noemen. Deze toonaangevende Purâna die ook wel de 'perfecte Purâna' wordt genoemd, is een schitterend verhaal dat naar het Westen werd gebracht door S'rîla A.C. Bhaktivedânta Swami Prabhupâda, een Caitanya-vaishnava, een (devotionele) bhakti-monnik van Heer Vishnu [de naam voor de bovenzinnelijke gedaante van Heer Krishna]. Hij nam de gedurfde taak op zich om de materialistische westerlingen, de gevorderde filosofen en de theologen op de hoogte te stellen, teneinde ze te helpen de gevaren en de eenzaamheid van het impersonalisme en de filosofie van de leegte te overwinnen.

Voor de vertaling heeft de auteur van deze internetversie gebruik gemaakt van de vertaling van C.L Goswami. M.A., Sâstrî (van de Gîtâ Press, Gorakhpur), de paramparâ [geestelijke erfopvolging] versie van S'rîla Vishvanâtha Cakravarti Thhâkura en de latere versie van dit boek van de hand van S'rîla A.C. Bhaktivedânta Swami Prabhupâda. De laatstgenoemde vertalers vertegenwoordigen als âcârya's [goeroes onderwijzend door het voorbeeld te geven] van de eeuwenoude Indiase Vaishnava traditie de reformatie van de toewijding voor God of bhakti, zoals die vanaf de zestiende eeuw in India wordt gepraktiseerd. Deze reformatie houdt staande dat het valse gezag van het kastenstelsel en enkel droge boekengeleerdheid moet worden afgewezen. S'rî Krishna Caitanya, ook wel Caitanya Mahâprabhu genaamd (1486-1534), de avatâra [een nederdaling van de Heer] die deze reformatie inluidde, herstelde de oorspronkelijke bedoeling van het ontwikkelen van de toewijding voor de persoon van God en ijverde met name voor de verspreiding van de twee  belangrijkste heilige geschriften waarin die toewijding in relatie tot Krishna als de Hoogste Persoonlijkheid van God wordt uiteengezet. Deze geschriften zijn de
Bhagavad Gîtâ en deze Bhâgavata Purâna, die ook wel het S'rîmad Bhâgavatam wordt genoemd, waar al de Vaishnava leraren van het voorbeeld [âcârya's] hun wijsheid voor het onderricht aan ontlenen en hun toewijding gestalte mee geven. De woord-voor-woord vertalingen zowel als de volledige tekst en commentaren op dit boek werden bestudeerd zowel binnen als buiten de Hare-Krishnatempels waar het onderricht van deze cultuur plaatsvindt. De bedoeling van de vertaling is in de eerste plaats deze glorieuze tekst voor een breder publiek via het internet bereikbaar te maken. Aangezien de Bijbel, de Koran en tal van andere heilige teksten vrij beschikbaar zijn, meende de vertaler dat dit boek niet achter kon blijven op de planken van zijn eigen boekenkast als een bewijs van materiële bezitsdrang. Toen we met deze onderneming begonnen in het jaar 2000 was er nog geen behoorlijke webpresentatie van dit boek. Kennis niet gedeeld is verloren kennis en zeker dit soort kennis, welke de nadruk legt op de yoga van toewijding, die vrij zijn van bezitsdrang als een van haar hoofdwaarden heeft, kon niet achterblijven. De versie van Swami Prabhupâda is zeer uitgebreid en beslaat zo'n 2400 pagina's in dundruk van tekst met commentaren. En dat waren alleen nog maar de eerste tien Canto's. De resterende twee werden postuum uitgegeven door zijn leerlingen in de volheid van zijn geest. Zo stond ik voor twee uitdagingen: de ene was de tekst te concateneren, d.w.z. een leesbaar lopend verhaal van het boek te maken dat was ontleed en becommentarieerd tot op het woord en de andere uitdaging bestond eruit het in een taal te zetten die gepast zou zijn voor de 21e eeuw met al haar moderne en postmoderne ervaring en digitale vooruitgang van de huidige culturele orde in de wereld, zonder ook maar iets van de oorspronkelijke verzen te verliezen. Aldus kwam een andere vers tot vers zoals-het-is vertaling tot stand waarin Cakravarti's, Prabhupâda's en Sâstrî's woorden werden hertaald en aangepast aan het begrip en de realisatie van vandaag de dag. Deze realisatie kwam in mijn geval rechtstreeks van de geestelijke erfopvolging van de Vaishnavalijn van âcârya's zowel als van het totale bereik van de Indiase filosofie van de verlichting en yogadiscipline zoals die naar het Westen werd gebracht door niet-Vaishnava goeroes en gehandhaafd door hun leerlingen. Derhalve moet de auteur zijn dank betuigen aan al deze grote helden die het aandurfden om de koppigheid van de westerse filosofie met al haar twijfels, concretisme en scepticisme het hoofd te bieden. In het bijzonder moeten de leerlingen van Swami Prabhupâda, leden van de wereldverzakende orde (sannyâsî's) worden genoemd die de auteur instrueerden in de onafhankelijkheid en volwassenheid van de filosofie van de bhakti-yogi's van Heer Caitanya. De auteur was in India reeds ingewijd door een non-Vaishnava goeroe en had de naam van Swami Anand Aadhar meegekregen ('leraar van de grondvesting van de gelukzaligheid'). Die naam werd door de Krishnagemeenschap veranderd in Anand Aadhar Prabhu (meester van de grondvesting van het geluk) zonder verdere ceremoniën van Vaishnava initiatie (op een basistraining na). Met de naam Anand Aadhar ben ik een teruggetrokken toegewijde, een zogeheten vânaprashta, die in de stilte en bescheidenheid van zijn eigen lokale aanpassingen van de filosofie en discipline zijn toegewijde dienst doet.

Doorgaans werden de woord-voor-woordvertaling en de grammaticale aanwijzingen aangehouden zoals geboden in de vertalingen van S'rîla A.C. Bhaktivedanta Swami Prabhupâda/ISKCON, Vishavanâtha Cakravarti Thhâkura en C.L Goswami. M.A., Sâstrî en ik heb ze gecontroleerd aan de hand van het Monier-Williams Sanskriet woordenboek [zie
file gebruikte woorden]. In voetnoten en tussen vierkante haakjes [ ] wordt soms in een kleine toelichting voorzien en extra informatie gegeven om het de lezer naar de zin te maken als de oorspronkelijke tekst uitgaat van een meer ervaren lezer. Op de internetsite bhagavata.org bij dit boek refereert mijn versie bij ieder vers met een link naar de tekst van Prabhupâda samen met mijn eigen voorgaande versie, zodat men steeds kan nagaan wat ik met de tekst heb gedaan. Dit beantwoordt aan de wetenschappelijke traditie van de Vaishnava gemeenschap.

Voor de copyrights op deze vertaling geldt het z.g.
Creative Commons Attribution-Noncommercial Share Alike 3.0 Unported License copyright. Dit betekent dat men vrij is te kopiëren en te bewerken onder voorwaarde dat men de naam vermeld (Anand Aadhar en linkt naar deze site bhagavata.org), dat het resulterende werk alleen maar kan worden gedistribueerd onder dezelfde of soortgelijke licentie en dat men de tekst niet kan gebruiken voor commerciële doeleinden. Voor alle andere gebruik zal men contact moeten opnemen (onze linkspagina).

Met liefde en toewijding,

Anand Aadhar Prabhu, Enschede,

Nederland, 17 april 2012.



 

Hoofdstuk 1: Vragen Gesteld door Vidura

(1) S'uka zei: 'Dit is wat Vidura voorheen vroeg aan Zijne Genade Maitreya Rishi nadat hij het woud was ingegaan toen hij zijn leven in welstand had verzaakt: (2) 'Wat te zeggen van het huis [van de Pândava's] waar ik mee geïdentificeerd ben? S'rî Krishna, de Allerhoogste Heer en meester van allen, werd aanvaard als de gezant van de mensen ervan en had het opgegeven het huis van Duryodhana te betreden.'

(3) De koning zei: 'Alstublieft zeg ons meester, waar en wanneer kwam Vidura Zijne Genade Maitreya Rishi tegen om dit te bespreken? (4) De vragen die Vidura de heilige man stelde zullen zeker niet onbelangrijk zijn geweest, ze moeten vol van de hoogste bedoeling zijn geweest zoals die op prijs wordt gesteld door de zoekers van de waarheid.'

(5) Sûta zei: "Hij, de grote wijze S'ukadeva aldus gevraagd door Koning Parîkchit, antwoordde hem volkomen tevredengesteld, sprekend vanuit zijn grote kunde: 'Alstublieft, luister hiernaar'.

(6) S'rî S'ukadeva zei: 'In de tijd dat koning Dhritarâshthra zijn oneerlijke zoons aan het opvoeden was, trad hij, die zich nooit op het rechte pad bevond en zijn gezichtsvermogen verloren had, op als de voogd voor de zoons van zijn jongere broer [de overleden Pându, zie stamboom]. Hij liet hen het huis van schellak ingaan dat hij toen aanstak [zie Mahâbhârata I 139-148]. (7) Toen in de samenkomst de echtgenote van de heilige Kuru's [Draupadî] werd beledigd door zijn zoon [Duhs'âsana] die haar bij haar haar greep, verbood de koning dit niet, ofschoon zijn schoondochter tranen huilde die de kumkuma van haar borsten wegspoelde [zie Mahâbhârata II 58-73]. (8) Op het moment dat hij die geen vijanden heeft [Yudhishthhira] met oneerlijke methoden werd verslagen in een dobbelspel en als een eerlijk man het woud inging, werd hem, toen hij na de afgesproken tijd terugkeerde, door hem die overmand was door illusie [Dhritarâshthra] nimmer zijn gerechte deel toegekend. (9) Ook Heer Krishna, toen Hij op de smeekbede van Arjuna in de bijeenkomst voor hen verscheen als de leraar van de wereld, werd met al Zijn woorden zo goed als nectar, door de koning niet serieus genomen temidden van al de mannen wiens laatste restje vroomheid aan het verdwijnen was.

(10) Toen Vidura op verzoek van zijn oudere broer [Dhritarâshthra] voor consultatie naar het paleis werd geroepen en daar naar binnen ging, was het advies dat hij vervolgens met zijn aanwijzingen gaf zo uitstekend dat alle politici het er nu nog over hebben: (11) 'Geef aan hem die geen vijanden heeft [Yudhishthhira] en die uw onverdraaglijke overtredingen zo geduldig droeg, nu zijn rechtmatige erfdeel terug. Voor hem en zijn jongere broers, waaronder Bhîma die als een slang zo wraakzuchtig is van woede, zou u bang moeten zijn. (12) De zoons van Prithâ vallen nu onder de zorg van de Allerhoogste Heer van de Bevrijding die, met de ondersteuning van de brahmanen en de goddelijke zielen, zich momenteel ophoudt bij Zijn familie, de eerbiedwaardige Yadudynastie, die samen met Hem als hun Heer een ongekend aantal koningen versloeg. (13) Hij [Duryodhana], deze slechte kerel die u voor uw zoon houdt, trad in uw huishouden naar voren als een vijand van de Oorspronkelijke Persoon. U die hem ondersteunend zich aldus tegen Krishna heeft gekeerd bent aldus verstoken van al het goede - aan dat ongeluk moet u, voor het heil van de familie, zo snel mogelijk een einde maken.'

(14) Nadat hij deze woorden had uitgesproken werd Vidura door Duryodhana ter plekke aangesproken. Rood aangelopen van woede en met trillende lippen beledigde hij in de aanwezigheid van Karna, zijn jongere broers en S'akuni [een oom van moeders zijde] de respectabele man van goede kwaliteiten met het volgende: (15) 'Wie heeft hem hier uitgenodigd, deze bastaardzoon van een dienstmaagd die opgroeide terend op de zak van hen die hij verraadt als een vijandelijke spion? Gooi hem onmiddellijk het paleis uit en laat hem slechts zijn adem!' (16) Vidura op zijn beurt zette terstond zijn boog bij de deur neer en verliet het paleis van zijn broer, in het diepst van zijn hart geraakt door het geweld dat op hem afkwam. Ondanks deze voor het oor kwetsende pijlen, zat hij er niet over in want hij zag het als een grote kans die hem werd geboden.

(17) Nadat hij de Kaurava's had verlaten en uit Hastinâpura vertrok nam hij vroom zijn toevlucht tot pelgrimages en bereikte hij vele bedevaartsoorden. Met al de duizenden gedaanten van de Heer [die hij daar zag] verlangde hij enkel naar de hoogste graad van zuiverheid. (18) Hij reisde naar heilige plaatsen van toewijding alwaar de lucht, de heuvels en de boomgaarden, de wateren, rivieren en meren helder zijn en de tempels zijn opgeluisterd met de verschijningsvormen van de Oneindige. Aldus de plaatsen bezoekend trok hij geheel alleen rond door de heilige gebieden. (19) Zuiver en in de geest van het offeren rondtrekkend over de aarde, raakte hij geheiligd door de grond waar hij op sliep. Men zou hem niet herkennen, hij die zonder zijn gebruikelijke kleding was uitgedost als een bedelmonnik en tewerk ging volgens de geloften die de Heer behagen. (20) Aldus door India reizend, arriveerde hij in het land van Prabhâsa, dat toen werd bestuurd door koning Yudhishthhira die bij de genade van de Onoverwinnelijke Heer de wereld onder één krijgsmacht en vlag regeerde [zie 1.13]. (21) Daar hoorde hij hoe al zijn verwanten in een gewelddadige hartstocht waren omgekomen [te Kurukshetra] zoals een bamboebos afbrandt door vlam te vatten als gevolg van de eigen wrijving. Vervolgens begaf hij, in treurnis, zich westwaarts in de richting van de rivier de Sarasvatî. (22) Aan de oever van de rivier bezocht hij de heilige plaatsen genaamd Trita, Us'anâ, Manu, Prithu, Agni, Asita, Vâyu, Sudâsa, Go, Guha en S'râddhadeva en was daar naar behoren van aanbidding. (23) Ook waren er andere plaatsen ingericht door de goddelijke tweemaal geboren zielen en toegewijden van de verschillende gedaanten van Heer Vishnu. Hij als de leidende persoonlijkheid vond zijn uitdrukking in ieder onderdeel van de tempels waarvan enkel de aanblik je al deed denken aan Krishna. (24) Van daaruit trekkend door de welvarende koninkrijken van Surat, Sauvîra en Kurujângala (het westen van India), gebeurde het dat, toen hij na een zekere tijd bij de Yamunâ rivier aankwam, hij Uddhava, de Allerhoogste grootste toegewijde  van de Heer tegenkwam [zie ook Canto 11].

(25) Hij omhelsde de sobere en vriendelijke constante metgezel van Vâsudeva die een voormalige student was van Brihaspati, de meester van alle rituelen, en met grote liefde en veel gevoel ondervroeg hij hem over de familie van de Allerhoogste Heer. (26) 'Hoe gaat het in het huis van S'ûrasena [de vader van koningin Kuntî, tante Prithâ] met de oorspronkelijke persoonlijkheden van God [Krishna en Balarâma] die, op het verzoek van de Schepper die uit de lotus werd geboren, voor de verheffing en het welzijn van een ieder nederdaalden in de wereld? (27) En is onze grootste Kuru en zwager Vasudeva [de vader van Heer Krishna] gelukkig, o Uddhava? Hij is waarlijk als een vader voor zijn zusters en, naar de tevredenheid van zijn vrouwen, vrijgevig door te voorzien in alles wat ze verlangen! (28) Alsjeblieft Uddhava, zeg hoe het met de veldheer van de Yadu's, Pradyumna, gaat. Hij was in zijn voorgaande leven de god van de liefde en is nu de grote held die als de prins van de Allerhoogste Heer uit Rukminî ter wereld kwam nadat ze de brahmanen had tevredengesteld. (29) En is alles goed met Ugrasena, de koning van de Sâtvata's, Vrishni's,  Dâs'ârha's en Bhoja's? Hij moest de hoop op de troon opgeven toen hij buiten spel werd geplaatst [door oom Kamsa] maar Krishna gaf hem zijn plaats weer terug. (30) O ernstige, gaat het goed met Sâmba, de zoon van de Heer? Hij die zoveel op Hem lijkt is de meest vooraanstaande en best gemanierde van alle strijders. Geboren uit Jâmbavatî [een andere vrouw van Krishna] die zo rijk is in haar geloften, was hij in zijn voorgaande leven de goddelijke Kârttikeya die geboren werd uit de echtgenote van S'iva. (31) En hoe is het met Yuyudhâna [Sâtyaki], hij die van Arjuna leerde en zijn doel bereikte als iemand die de finesses van de krijgskunst begreep en, bovendien, door zijn dienstverlening rechtstreeks de bestemming van het Transcendentale bereikte die zelfs voor de grote verzakers zo moeilijk te bereiken is? (32) En de goed onderlegde, onberispelijke zoon van S'vaphalka, Akrûra, hoe gaat het met hem? Hij is degene die in zijn overgave aan de Heer op het pad gemerkt door de afdrukken van Krishna's lotusvoeten, zijn kalmte verloor en, met tekenen van bovenzinnelijke extase, zich rolde in het stof. (33) Is alles in orde met de dochter van Koning Devaka-Bhoja? Precies zoals uit de Veda's de bedoeling van het offeren voortkwam en uit de moeder der halfgoden [Aditi] de godheid ter wereld kwam, bracht zij [Devakî] Vishnu ter wereld. (34) En is ook  Aniruddha, de Persoonlijkheid van God, helemaal gelukkig? Hij, als de vervuller van de verlangens van de toegewijden, wordt van oudsher beschouwd als het geboortekanaal voor de Rig-Veda, als de schepper van de geest en als de vierde transcendentale, volkomen expansie van het Werkelijkheidsprincipe [van Vishnu-tattva]. (35) En anderen als Hridîka, Cârudeshna, Gada en de zoon van Satyabhâmâ die met een absoluut geloof Zijn goddelijkheid [Krishna] volgen als de essentie van hun zelf, o bescheiden ziel, maken ook zij het allen goed?

(36) Handhaaft Yudhishthhira die heerst met de principes van het menszijn, de religieuze verbondenheid die beschermd wordt door de armen van Arjuna en de Onfeilbare? Het was hij die met de rijkdom van zijn koninklijke hofhouding en de dienst van Arjuna, de afgunst van Duryodhana wekte. (37) En koelde de onoverwinnelijke Bhîma, die gelijk een cobra is, zijn lang gekoesterde woede op de zondaren? Hij was niet te weerstaan zoals hij met het wonderbaarlijke spel van zijn strijdknots optrad op het slagveld. (38) Gaat het goed met Arjuna, hij die zo roemrijk is onder de strijdwagenvechters en met zijn boog de Gândîva zo vele vijanden versloeg? Eens behaagde hij Heer S'iva door hem met pijlen te bestoken toen S'iva zich onherkenbaar voordeed als een jager. (39) En zijn de tweelingzoons van Prithâ [Nakula en Sahadeva] vrij van zorgen? Als oogleden die ogen beschermen werden ze beschermd door hun broers toen ze hun eigendommen terughaalden in het gevecht met de vijand, net zoals Garuda [de drager van Vishnu] dat deed [met de nectar] uit de mond van Indra. (40) O beminnelijke, is Prithâ nog in leven? Ze wijdde zich aan de zorg voor de vaderloze kinderen toen ze moesten leven zonder koning Pându, hij die in z'n eentje, als een bevelvoerend strijder, de vier windrichtingen de baas kon met enkel een tweede boog.

(41) O zachtmoedige, ik heb het met hem te doen [Dhritarâshthra] die ten val kwam door zich tegen zijn broer [Pându] te keren nadat hij stierf. Door mij, die hem het beste wenste, te verdrijven uit mijn eigen huis, mat hij zich dezelfde houding aan als zijn zoons. (42) Daarom reis ik bij de genade van Zijn [Krishna's] voeten incognito rond door deze wereld van de Heer die voor anderen dan Hemzelf zo verbijsterend is om in verwikkeld te zijn. Ik verloor Zijn voeten nooit uit het oog omdat ik geen twijfel kende in deze aangelegenheid. (43) Hij als de Allerhoogste Heer die er op uit is het lijden van de overgegeven zielen weg te nemen, wachtte er ondanks de overtredingen van de Kuru's mee om [meteen] deze koningen te doden die van het pad afdwaalden vanwege de drie soorten van valse trots [op bezittingen, afkomst en navolgers] en voortdurend moeder aarde van streek brachten door de bewegingen van hun troepen. (44) De geboorte en handelingen van de Ongeborene, van Hem die geen verplichtingen heeft in de wereld, is er om korte metten te maken met de parvenu's en om mensen tot Hem aan te trekken. Wie anders zou, verheven boven de drie geaardheden, een lichaam aannemen en allerlei soorten van karma op zich nemen? (45) O mijn vriend, bezing de heerlijkheden en bespreek de verhalen van de Heer van alle heilige plaatsen die, vanuit Zijn ongeboren positie, geboorte nam in de familie van de Yadu's voor het heil van al de heersers van het universum die zich overgaven aan Hem en [de devotionele cultuur van] Zijn zelfbeheersing.'

 


Hoofdstuk 2: Terugdenken aan Krishna

((1) S'uka zei: 'De grote toegewijde [Uddhava] ondervraagd door Vidura over wat aangaande de Meest Dierbare kon worden gezegd, moest terugdenken aan de Heer en kon niet direct antwoorden omdat hij overweldigd werd door emoties. (2) Hij was iemand die in zijn kindertijd op vijfjarige leeftijd door zijn moeder aan het ontbijt geroepen, er niets van wilde weten omdat hij was opgegaan in een spel van dienstbaarheid [aan Heer Krishna]. (3) Hoe zou een dergelijke dienstbaarheid van Uddhava in de loop van de jaren nu minder kunnen worden? Toen hem [dus] enkel maar gevraagd werd over Hem te vertellen, schoot hem zich alles van de Heer Zijn lotusvoeten te binnen. (4) Voor een ogenblik viel hij geheel stil als gevolg van de nectar van de voeten van de Heer. Sterk als hij was en goed gerijpt in de verbondenheid van de toewijding, raakte hij volledig in beslag genomen door het geluk van die uitnemendheid. (5) Ieder deel van zijn lichaam vertoonde de tekenen van bovenzinnelijke extase en toen hem de tranen in de ogen sprongen omdat hij Hem zo miste, zag Vidura dat hij het voorwerp van zijn grootste liefde had bereikt. (6) Langzaam keerde Uddhava uit de wereld van de Heer weer terug naar de menselijke wereld en zijn tranen wegwissend sprak hij vol gevoel tot Vidura vanuit al die herinneringen.'

(7) Uddhava zei: 'Wat kan ik nu over ons welbevinden zeggen nu de zon van Krishna is ondergegaan en het huis van mijn familie is verzwolgen door het grote serpent van het verleden? (8) Hoe onfortuinlijk is het voor deze wereld en in het bijzonder de Yadudynastie om, samenlevend met de Heer, Hem net zomin te herkennen als de vissen de maan. (9) Zijn eigen mensen, de Sâtvata's, waren onverschrokken lieden met een goede mensenkennis die zich met Hem als het hoofd van de familie konden ontspannen en over Hem dachten als degene die overal achter stak. (10) De intelligentie van de zielen die zich innerlijk volledig hebben overgegeven aan de Heer, zal nooit op een dwaalspoor raken vanwege de woorden gebezigd door anderen die besmet zijn door de invloed van de verbijsterende uitwendige werkelijkheid van de Godspersoon [of de goden]. (11) Hij die iedereen in de wereld Zijn gedaante toonde, slaagde erin daar een eind aan te maken door Zichzelf aan het gezicht te onttrekken van die mensen die zonder boete leefden en er geen vrede mee hadden Hem te zien. (12) De gedaante die Hij in de sterfelijke wereld toonde, leende zich perfect voor Zijn spel en vermaak waarin Hij de macht van Zijn magie van binnenuit [Zijn yoga-mâyâ] toonde. Die gedaante leidde tot de ontdekking van Zijn wonderen, Zijn opperste weelde en het ultieme ornament der ornamenten: Zijn voeten.

(13) Al de [bewoners van de] drie werelden die tijdens Koning Yudhishthhira's Rajasûya-[konings-]offer Zijn alleraantrekkelijkste gedaante zagen, stonden versteld en vonden dat het vakmanschap van Brahmâ's universele schepping, met Hem aanwezig in de stoffelijke wereld, was overtroffen. (14) Door Zijn lachen, speelse aard en zijdelingse blikken raakten de vrouwen van Vraja meer en meer aan Hem gehecht en volgden ze Hem met hun blikken zodat ze helemaal afgeleid afwezig zaten te dromen zonder nog aan hun huishoudelijk werk toe te komen. (15) De Ongeborene die toch geboren werd, de eindeloos genadige Heer en heerser over het spirituele en materiële bereik, verscheen ter wille van de toegewijden als de Fortuinlijke, de Heer der Volheden, als Bhagavân die onder begeleiding van al Zijn metgezellen als een vuur is voor al de anderen die, [zoals Kamsa] levend volgens hun eigen materiële opvattingen, een plaag vormen.

(16) Het doet me pijn om te zien hoe Hij, ongeboren van aard, Zijn zo verbijsterende geboorte nam [in de gevangenis] waar Vasudeva leefde, hoe Hij thuis bij Vasudeva in Vraja leefde alsof Hij bang was voor de vijand [oom Kamsa] en hoe Hij, de Onbegrensd Machtige, uit de stad Mathurâ vluchtte [de hoofdstad waar Krishna verbleef na Kamsa verslagen te hebben]. (17) Het doet me verdriet wat Hij in Zijn respectbetoon aan de voeten van Zijn ouders zei: 'O moeder, o vader, in onze grote angst voor Kamsa hebben we gefaald in onze dienstverlening, wees alstublieft tevreden over ons!' (18) Hoe kan men, als men eenmaal het stof van Zijn lotusvoeten in de neus heeft, Hem nu vergeten die met enkel het optrekken van Zijn wenkbrauwen de last van de wereld de genadeslag gaf? (19) Uwe goedheid zag toch met eigen ogen hoe tijdens Yudhishthhira's koninklijke offerplechtigheid de koning van Cedi [S'is'upâla] ondanks zijn jaloezie met Krishna de volmaaktheid bereikte, de perfectie die het hoogst begeerde doel vormt voor de yogi's die dankzij hun yoga het kunnen verdragen van Hem gescheiden te zijn. (20) En zeker hebben ook anderen in de menselijke samenleving Zijn hemelverblijf bereikt: zij die als krijgsheren Krishna's zeer aangenaam ogende lotusgezicht en ogen zagen op het slagveld dat door Arjuna's pijlen werd gezuiverd. (21) Hij is niemand minder dan de unieke Opperheer van de drievoudige werkelijkheid door wiens onafhankelijkheid het hoogste geluk wordt bereikt en voor wiens voeten alle [koningen vol van] verlangens hun helmen buigen in aanbidding met alle toebehoren onder leiding van de eeuwige behoeders van de maatschappelijke orde. (22) Daarom doet het ons als dienaren in Zijn dienst verdriet, o Vidura, om te zien hoe Hij Zich voor Koning Ugrasena, die afwachtend op zijn troon zat, onderwierp met de woorden: 'O mijn Heer, alstublieft, bekijk het op deze manier.'

(23) Bij wie moet ik anders mijn heil zoeken? O, wie verzekert me van een grotere genade dan Hij die, ondanks het trouweloze van die demone [Pûtanâ] die uit jaloezie haar borst vergiftigde om Hem met voeden te doden, haar de positie toekende van een moeder? (24) Ik denk dat zij die als tegenstanders vijandigheid koesteren jegens de Heer van de Drievoudigheid in feite grote toegewijden zijn omdat ze, verzonken in de gedachte aan de strijd met Hem, Hem op Zijn drager [Garuda] konden zien aankomen met Zijn cakrawapen. (25) Geboren uit de schoot van Devakî in de gevangenis van de koning van Bhoja [Kamsa], verscheen de Fortuinlijke op de gebeden [van de Schepper] ter wille van het welzijn van de aarde. (26) Daarna werd Hij door Zijn [pleeg-]vader Nanda grootgebracht op de weidegronden, waar Hij uit angst voor Kamsa, tezamen met Baladeva [Balarâma] elf jaar lang [in het geheim] verbleef op de manier waarop men een vlam beschut. (27) Omringd door koeherdersjongens kalveren weidend trok de Almachtige rond langs de oevers van de Yamunâ door tuinen vol van de geluiden van het getjilp van de hemelse vogels in de vele bomen aldaar. (28) Het verlokkelijke vertoon van het spel en vermaak van Zijn jeugd kon alleen worden gewaardeerd door de inwoners van Vraja, het land van Vrindâvana, alwaar Hij, eruit ziend als een leeuwenwelpje, net als andere kinderen huilde en lachte en met verwondering geslagen was. (29) Terwijl Hij de schat aan prachtige koeien hoedde, bracht Hij, als de bron van het geluk, de koeherdersjongens in de stemming door op Zijn fluit te spelen. (30) De grote tovenaars die door de koning van Bhoja waren ingezet om iedere gedaante aan te nemen die ze wilden, werden, toen ze in de loop van Zijn spel en vermaak ten tonele verschenen, door Hem gedood die tewerk ging als een kind dat met poppen speelt. (31) [Om de bewoners van Vrindâvana te helpen die] in moeilijkheden [verkeerden] door het [door hun zonen] drinken van het vergif [van de slang Kâliya in het water van de Yamunâ], onderwierp Hij de aanvoerder van de reptielen. Nadat Hij uit het water kwam, liet Hij de koeien ervan drinken om te bewijzen dat het weer in zijn natuurlijke staat verkeerde. (32) Verlangend de weelde van Nanda, de rijkdom van de koning van de koeherders, naar behoren te gebruiken, liet Hij ze, met behulp van de brahmanen, de koeien en het land aanbidden [in plaats van Indra]. (33) Indra, boos over de belediging, liet hoogst verstoord het zwaar regenen boven Vraja. De koeherders werden toen door de genadevolle Heer daartegen beschermd met de [Govardhana] heuvel die in Zijn spel dienst deed als paraplu, o nuchtere Vidura. (34) Tijdens de herfst schiep Hij eens, in een nacht helder van het maanlicht, er ter vermaak van de vrouwen behagen in om als het schone aangezicht van de nacht Zelve in hun midden liederen te zingen.'

 


Hoofdstuk 3: Het Spel en Vermaak van de Heer Buiten Vrindâvana

(1) Uddhava zei: 'Toen de Heer daarna naar de stad Mathurâ kwam, sleurde Hij, die het welzijn van Zijn ouders [die gevangen zaten] wenste, samen met Baladeva de aanvoerder van de staatsvijandigheid [Kamsa] van de troon en doodde hem door hem met geweld op de grond te trekken. (2) Hij maakte zich ieder detail van de Veda's en hun aanvullende wetenschappen eigen na ze slechts één keer gehoord te hebben van Zijn leraar Sândîpani die Hij met de zegen beloonde dat Hij zijn zoon zou terughalen uit het innerlijke domein van de overleden zielen, uit de dood [Yamaloka]. (3) Op verzoek van de dochter van koning Bhîshmaka [Rukminî] stal Heer Krishna, precies zoals Garuda dat deed [met de nectar van de goden], haar als Zijn aandeel weg door allen het nakijken te geven die volgens het gebruik kandidaat waren om met haar te trouwen en waren gekomen in de hoop op een soortgelijk geluk. (4) In een open wedstrijd voor de verkiezing van de bruidegom voor Prinses Nâgnajitî onderwierp Hij zeven wilde stieren en won Hij haar hand, maar de dwazen die in hun teleurstelling haar niettemin wilden, doodde en verwondde Hij zonder Zelf schade te lijden, goed uitgerust als Hij was met alle wapens. (5) Enkel vanwege het feit dat Hij, als een gewoon levend wezen, Zijn geliefde echtgenote een plezier probeerde te doen die wilde dat Hij voor haar de Pârijâta heester [uit de hemel] haalde, bond Indra, de Koning van de Hemel, op de kop gezeten natuurlijk door zijn eigen vrouwen, in blinde woede met Hem de strijd aan.

(6) Toen moeder Aarde zag hoe Narakâsura [Bhauma], haar zoon die in de slag [tegen Krishna] fysiek vanuit de lucht een overwicht vormde [met projectielen], werd gedood door Zijn Sudars'ana Cakra [werpschijf], bad ze ervoor dat Hij aan Narakâsura's zoon [Bhagadatta] zou geven wat er restte [van het koninkrijk]. Toen Hij dat deed betrad Hij Narakâsura's vesting. (7) Toen de prinsessen die daar, gekidnapt door de demon, verbleven, Hem zagen stonden ze direct voor Hem, de Vriend der Verdrukten, klaar en aanvaardden ze Hem vreugdevol, Hem verlegen met reikhalzende blikken in hun harten sluitend [als hun echtgenoot]. (8) Hoewel ze in verschillende appartementen verbleven accepteerde Hij, in een juiste regeling, middels Zijn innerlijk vermogen de hand van al de vrouwen tegelijkertijd met een gelijk aantal geschikte gedaanten. (9) Met de wens Zijn aanwezigheid uit te breiden, verwekte Hij in ieder van hen een tiental kinderen die allen in ieder opzicht waren zoals Hij.

(10) Toen Kâlayavana, de koning van Magadha [Jarâsandha], Koning S'âlva en anderen met hun soldaten Mathurâ hadden omsingeld, doodde Hij hen middels Zijn goddelijk vermogen in de vorm van de macht van Zijn mannen. (11) Van S'ambara, Dvivida, Bâna, Mura, Balvala en anderen zoals Dantavakra en dergelijken, doodde Hij er enkele, terwijl Hij andere demonen door anderen liet doden [door Balarâma b.v.].

(12) Daarna werden in de slag van Kurukshetra van de beide partijen van neven de koningen gedood die met de kracht van hun aanvallen de aarde deden schudden. (13) Hij was er niet gelukkig mee er getuige van te zijn hoe door het slechte advies van Karna, Duhs'âsana en Saubala, Duryodhana met al zijn macht, van zijn geluk en levensduur was beroofd en nu, samen met zijn metgezellen, met gebroken ledematen [op het slagveld] lag. (14) 'Wat is dit?', zei de Heer toen met de hulp van Bhîshma en Drona [enerzijds], en Arjuna en Bhîma [anderzijds] de enorme last van de aarde van achttien akshauhinî's [een leger bestaande uit tien anikini's, ofwel 21.870 olifanten, 21.870 strijdwagens, 65.610 paarden, en 109.350 man voetvolk] was weggevaagd. 'Nog steeds is er de ondraaglijke last van de grote macht van Mijn verwanten, de Yadudynastie. (15) Op Mijn verdwijnen zullen ze zelf verdwijnen als, onder invloed van drank, er een onderlinge strijd uitbreekt die hun ogen zo rood als koper maakt. Dit is voor hen de enige manier om te verdwijnen.' (16) Met dat in gedachten kroonde de Allerhoogste Heer Yudhishthhira tot koning waarbij Hij Zijn vrienden gelukkig maakte door het pad van de heiligen te laten zien.

(17) De afstammeling van Pûru [Parîkchit] die door de held Abhimanyu werd verwekt in de schoot van Uttarâ, zou zeker verbrand zijn door het wapen van de zoon van Drona als de Opperheer dat niet zou hebben afgewend door hem steeds te beschermen [zie S.B. 1: 7 & 8]. (18) De Almachtige bewoog de zoon van Dharma [Yudhishthhira] ertoe om ook drie paardoffers te brengen en in die onderneming bijgestaan door zijn broers, beschermde en genoot hij de aarde als een trouwe volgeling van Krishna.

(19) De Allerhoogste Heer en Superziel van het Universum die naar gebruik het pad van de Vedische beginselen volgde, genoot in de stad Dvārakā van de geneugten van het leven zonder gehecht te raken. Dat deed Hij door vast te houden aan het analytisch systeem van de yoga [Sânkhya]. (20) Zachtmoedig en met lieve glimlachen en woorden gelijk aan nectar, hield Hij zich daar met Zijn smetteloze karakter op in Zijn bovenzinnelijke lichaam, in het verblijf van de godin van het geluk. (21) Met name de Yadu's behagend genoot Hij van deze aarde en zeker ook van de overige werelden, terwijl Hij, op Zijn gemak gedurende de nacht, vriendschap onderhield met de vrouwen in echtelijke liefde. (22) Aldus genoot Hij voor vele, vele jaren een huishoudelijk bestaan van [zinnelijke] vereniging die de basis vormde voor Zijn onthechting. (23) Het levende wezen wordt beheerst door het lot en zo ook wordt zijn zingenot daardoor beheerst, maar welke persoon die de Heer van de Yoga van dienst is zou daar vertrouwen in stellen?

(24) In de stad Dvârakâ hadden de prinselijke nazaten van Yadu en Bhoja op een dag de wijzen een poets gebakken en zich zo hun woede op de hals gehaald. Bekend met het verlangen van de Allerhoogste Heer vervloekten ze hen toen. (25) Een paar maanden later begaven de afstammelingen van Vrishni, Bhoja en anderen zoals de zonen van Andhaka, begoocheld door Krishna, zich opgetogen met hun strijdwagens naar het pelgrimsoord genaamd Prabhâsa. (26) Daar namen ze een bad en betoonden ze met dat zelfde water hun voorvaderen, de goden en de grote wijzen hun respect. Toen schonken ze in adellijke vrijgevigheid koeien aan de brahmanen. (27) Voor hun levensonderhoud verschaften ze hen ook goud, gouden munten, beddengoed, kleding, dekkleden, dekens, paarden, strijdwagens, olifanten, meisjes en land. (28) Na de brahmanen te hebben voorzien van hoogst kostelijk voedsel dat eerst aan de Opperheer was geofferd, brachten de heldhaftige vertegenwoordigers, voor het heil van een goed leven, hun eerbetuigingen aan de koeien en de brahmanen door de grond met hun hoofden te beroeren.'



Hoofdstuk 4: Vidura wendt zich tot Maitreya

(1) Uddhava zei: 'Na met de permissie van de brahmanen te hebben gegeten van de offers dronken zij [de Yadu's] sterke drank waarmee ze hun geest bedierven zodat ze elkaar diep kwetsten met ruwe taal. (2) Toen de zon onderging waren hun geesten dermate uit evenwicht dat ze, als gevolg van de vergissingen die de bedwelming in de hand werkte, onder ogen moesten zien hoe hun vernietiging plaatsvond zoals een bamboebos vlam vat [door eigen frictie]. (3) De Allerhoogste Heer, die vanuit Zijn innerlijk vermogen het einde had voorzien, begaf Zich naar de rivier de Sarasvatî waar Hij na te nippen van het water onder een boom ging zitten. (4) De Heer verdrijft het leed van de zielen die zich aan Hem overgeven en daarom zei Hij die de vernietiging van Zijn eigen familie wenste: 'Je moet naar Badarikâs'rama gaan.' (5) Maar omdat ik het niet kon verdragen gescheiden te zijn van de lotusvoeten van de Meester, ging ik Hem achterna, ook al wist ik wat Hij wilde, o onderwerper van de vijand [Vidura]. (6) Ik zag toen mijn Beschermheer en Meester, Hij die geen toevlucht hoeft te zoeken, in gedachten alleen aan de oever van de rivier zitten, Zijn toevlucht zoekend bij de godin.

(7) Prachtig met Zijn donkere huidskleur, van zuivere goedheid en vreedzaam met Zijn rood doorlopen ogen, kon Hij worden herkend als degene met de vier armen en de gele zijden kleding [Vishnu]. (8) Met Zijn rechtervoet op Zijn dijbeen rustend tegen een jonge banyanboom zag Hij die Zijn huiselijke gemakken achter Zich had gelaten er majestueus uit.

(9) Op dat moment kwam [Maitreya,] een grote toegewijde en volgeling van Krishna Dvaipâyana Vyâsa [Vyâsadeva], een weldoener en vriend die de drie werelden bereisde, op eigen gelegenheid daar [ook] op die plek aan. (10) Gehecht aan Hem boog de wijze zich voorover in een houding van eerbied en luisterde aandachtig, terwijl de Heer van de Bevrijding met vriendelijke blikken me glimlachend liet uitrusten en het woord tot me richtte. (11) De Opperheer zei: 'Ik weet van binnenuit wat je vroeger verlangde toen de welgestelden die deze wereld opbouwden hun offers aan het brengen waren. Ik schenk je nu wat voor anderen zo moeilijk te bereiken is, o fortuinlijke: de associatie met Mij waarnaar je verlangt als het uiteindelijke doel van het leven. (12) Van al je incarnaties, o oprechte ziel, vormt dit leven de vervolmaking, je hebt immers Mijn genade bereikt nu je Mij hebt gezien in deze afgezonderde positie met het verlaten van de werelden van de mensen. Dit is wat je ziet als je van een niet aflatende toewijding bent [: Vaikunthha, het bevrijd zijn van de dwaasheid]. (13) Lang geleden, aan het begin van de Schepping, stelde Ik Brahmâ, op de lotus die uit Mijn navel kwam, op de hoogte van de sublieme kennis van Mijn transcendentale heerlijkheid: Ik legde hem uit wat de theïsten het Bhâgavatam noemen.'

(14) Met de gunst die Hij mij verleende door zich aldus op mij te richten, zag ik hoe in mijn emotie mijn haren recht overeind gingen staan omdat ik voortdurend het voorwerp was van de genade van de Allerhoogste Persoon. Met mijn ogen wazig van het wissen van de tranen, zei ik met gevouwen handen stamelend: (15) 'O mijn Heer, voor hen die in eerbied voor Uw voeten leven die zo moeilijk te verwerven zijn, is het in deze wereld allemaal een kwestie van die vier levensdoelen [dharma, artha, kâma, moksha; religiositeit, economische ontwikkeling, zinsbevrediging en bevrijding], maar zelf geef ik daar niet zo veel om, o Grootheid,  ik bekommer me er meer om Uw lotusvoeten te dienen. (16) Hoewel U geen verlangens heeft onderneemt U van alles; hoewel U ongeboren bent neemt U niettemin geboorte; hoewel U de heerser over de eeuwige Tijd bent, zoekt U Uw toevlucht tot de vesting uit vrees voor Uw vijanden en hoewel U behagen schept in Uzelf leidt U een huiselijk bestaan in het gezelschap van vrouwen; dit verbijstert de intelligentie van de geleerden in deze wereld. (17) Hoewel U nooit verdeeld bent en altijd fit, wendt U, in Uw eeuwige intelligentie o Meester, zich tot mij voor advies, alsof U het niet meer zou weten. Maar dat is nooit het geval. Dat doet mij versteld staan, o Heer. (18) Als U mij er voldoende geschikt voor acht, werp dan alstUblieft een licht op Uw mysterie mijn Heer. Vertel me - om de wereldse zorgen te boven te komen - tot in detail het geheel van de allerhoogste kennis omtrent Uw Zelf, zoals U dat ook de fortuinlijke Brahmâjî hebt verteld.'

(19) Op die manier door mij aanbeden vanuit het diepst van mijn hart, instrueerde Hij, de lotusogige Opperheer van het voorbije, mij over Zijn bovenzinnelijke positie. (20) Na aldus van de aanbiddelijke Meester, de kennis van de zelfverwerkelijking te hebben geleerd en dat pad te hebben begrepen, bereikte ik, na met achting voor Zijn lotusvoeten Hem te hebben omlopen, deze plek met droefenis in mijn hart vanwege de gescheidenheid. (21) Mijn beste [Vidura], zonder het genoegen Hem te zien lijdt ik pijn. Daarom zal ik, zoals Hij me opdroeg, naar Badarikâs'rama [in de Himalaya's] gaan om Zijn gezelschap te genieten. (22) Op die plek heeft de Allerhoogste Heer geïncarneerd in de gedaante van de wijzen Nârâ en Nârâyana, een lange tijd zware boete ondergaan ter wille van het welzijn van alle levende wezens.'

(23) S'rî S'uka zei: 'Toen hij van Uddhava het ondraaglijke [nieuws] vernam van de vernietiging van zijn vrienden en verwanten, bedaarde de geleerde Vidura zijn opkomende verdriet met behulp van bovenzinnelijke kennis. (24) Op het vertrek van de grote toegewijde van de Heer en beste onder de Kaurava's, legde Vidura in vertrouwen het volgende voor aan deze leidende persoonlijkheid in de toegewijde dienst aan Krishna. (25) Vidura zei: 'De Heer van de Yoga lichtte je in over het mysterie van de bovenzinnelijke kennis van de persoonlijke ziel. Wees zo goed het nu zelf aan mij uit te leggen, zodat we Vishnu en Zijn dienaren die rondtrekken ter wille van anderen, eer aandoen.' (26) Uddhava zei toen: 'Wendt je tot de aanbiddelijke wijze, de zoon van Kushâru [Maitreya] die hier in de buurt verblijft. Hij werd rechtstreeks door de Heer geïnstrueerd toen Hij de vergankelijke wereld achter zich liet.'

(27) S' S'uka zei: 'Vanwege de overweldigende emotie waarmee hij met Vidura de nectar van de kwaliteiten van de Heer van het Universum besprak aan de oever van de Sarasvatî rivier, vloog de nacht in een oogwenk voorbij. Daarna vervolgde de zoon van Aupagava zijn weg.'

(28) De koning [Parîkchit] vroeg: 'Hoe was het mogelijk dat na de vernietiging die de Vrishni- en Bhojadynastie onderging, de grote leider die hen voorging, de vooraanstaande Uddhava, de enige was die overbleef nadat de Heer Zijn spel en vermaak als de Meester over de drie werelden had afgerond?'

(29) S'rî S'uka zei: 'Nadat Hij in naam van de onfeilbare Tijd het einde had afgeroepen over Zijn talrijke familie middels de vloek van de brahmanen, overwoog Hij Zijn uiterlijke verschijning op te geven en dacht Hij bij zichzelf: (30) 'Als Ik deze wereld heb verlaten zal de kennis over Mij en Mijn toevlucht in goede handen zijn met Uddhava. Hij is momenteel de belangrijkste toegewijde. (31) Uddhava doet in geen enkel opzicht onder voor Mij aangezien hij zich niet laat beïnvloeden door de materiële geaardheden. Hij kan blijven als de meester om de kennis over Mij in deze wereld te verspreiden.'

(32) Na aldus door de geestelijk leraar van de drie werelden, de bron van alle Vedische kennis, onderricht te zijn, bereikte hij [Uddhava] het bedevaartsoord Badarikâs'rama, waar hij verzonken raakte in zijn toewijding voor de Heer. (33) Vidura had van Uddhava gehoord hoe Krishna, de Superziel, voor Zijn spel en vermaak op buitengewone wijze een gedaante had aangenomen en dat Hij daarmee zegerijk tewerk was gegaan. (34) Zijn aannemen van een fysiek lichaam is even zo goed voor vasthoudende, grote wijzen als voor gewone mensen, iets dat moeilijk te begrijpen is. En voor mensen met een dierlijke instelling is het helemaal iets verstandsverbijsterends. (35) Met het idee dat Krishna, de Fortuinlijke, bij Zijn vertrek ook aan hem als  toegewijde had gedacht, o beste onder de Kuru's, raakte Vidura overweldigd door liefde en barstte hij uit in tranen.

(36) O beste onder de Bharata's, nadat Vidura enkele dagen had doorgebracht aan de oever van de Yamunâ [zie 3: 1.24], bereikte hij de heilige wateren van de Ganges waar hij de wijze Maitreya ontmoette [de zoon van Mitrâ, zijn moeder].'



Hoofdstuk 5: Vidura spreekt met Maitreya

(1) S'rî S'uka zei: 'Aan de bron van de hemelse rivier [de Ganges] zat Vidura, de beste onder de Kuru's die nader tot de Onfeilbare was gekomen, voor Maitreya Muni wiens kennis peilloos was en met een volmaakt respect stelde hij beleefd vragen vanuit zijn voldoening in de bovenzinnelijkheid. (2) Vidura zei: 'Ter wille van het geluk is iedereen in deze wereld bezig met vruchtdragende activiteiten, maar door die activiteiten wordt men nooit gelukkig of tevreden, in tegendeel, men wordt er eerder ongelukkig van. Alstublieft o grootste, wees zo goed ons in te lichten over wat de juiste benadering is onder welke omstandigheden. (3) Omdat de grote zielen die van opoffering zijn begaan zijn met  de gewone man die zijn gelaat afwendde van Heer Krishna en onder de invloed van de materiële wereld altijd ongelukkig is met het verwaarlozen van zijn plichten jegens God, trekken ze rond voor het heil van de Heer der drie werelden. (4) Derhalve, o grootste onder de heiligen, instrueer me alstublieft over het pad ten gunste van het volmaakt dienen van de Allerhoogste Heer die, verblijvend in het hart van de levende wezens, de zuivere toegewijden de kennis verleent van de fundamentele principes [de Waarheid] waarmee men de klassieke wijsheid leert kennen [de Veda]. (5) Wat voor dingen doet de onafhankelijke Allerhoogste Heer en heerser over de drie werelden allemaal als Hij, zonder Zelf ergens naar te verlangen, het aanvaardt om geïncarneerd te zijn ter wille van de handhaving van het geschapen universum? (6) En hoe kan Hij die Zich in de ether terugtrekt om Zich neer te vleien en niets te doen aan de basis van het universum nu als de Ene Heer der Vereniging, als de enige ware, oorspronkelijke meester dan weer een bestaan hebben in de vorm van vele verschillende [avatâra's?]. (7) Waarom is het zo dat, wat betreft het spel en vermaak dat Hij voor het welzijn van de tweemaal geborenen, de koeien en de verlichte zielen in de bovenzinnelijke handelingen van Zijn verschillende incarnaties aan de dag legt, we er nooit genoeg over vernemen kunnen, ookal horen we steeds weer opnieuw over de gunstige, nectargelijke eigenschappen van de Heer? (8) Wat zijn de verschillende principes op basis waarvan de Heer der Heerscharen de verschillende heersers en hun hogere en lagere leefwerelden genereerde waarin zoals men weet alle klassen van levende wezens hun uiteenlopende bezigheden hebben?  (9) En beschrijf ons alstublieft o eerste onder de brahmanen, hoe de schepper van het universum Nârâyana, de onafhankelijke Heer die voor de mens de weg vormt, kwam tot de samenstelling van de verschillende gedaanten, bezigheden en verspreide culturen van de geïncarneerde zielen.

(10) O fortuinlijke, ik vernam uit de mond van Vyâsadeva herhaaldelijk over het hogere en lagere van deze bezigheden, maar zonder te horen over de nectar van de verhalen over Krishna ben ik weinig tevreden over die zaken en het geluk dat men daaraan ontleent. (11) Wie kan genoeg krijgen van de verhalen over Hem wiens voeten worden gevormd door de pelgrimsoorden en die in de  samenleving wordt aanbeden door de grote toegewijden? Als iemands oren die verhalen opvangen doorbreken ze door de liefde die ze opwekken de banden van  genegenheid die een mens voor zijn familie heeft! (12) Uw vriend de wijze Krishna Dvaipâyana Vyâsa heeft de bovenzinnelijke kwaliteiten van de Opperheer in de Mahâbhârata beschreven. Dat boek is er alleen maar om de aandacht van mensen die behagen scheppen in het luisteren naar wereldse onderwerpen te richten op de verhalen van de Heer. (13) Het gewicht van dat geloof brengt geleidelijk aan onverschilligheid teweeg voor andere zaken. Hij die zich steeds de voeten van de Heer herinnert heeft de gelukzaligheid bereikt die zonder meer alle misère uitbant. (14) Ik heb het te doen met al die arme mensen die, in verval verkerend met de goddelijkheid van de Tijd,  zich in de zondigheid van hun onwetende zieligheid van de verhalen over de Heer hebben afgekeerd en de jaren van hun leven verspillen met nutteloze filosofische oefeningen, denkbeeldige doelen en een diversiteit aan rituelen. (15) O Maitreya, u die als de vriend van hen die lijden het geluk behartigt [van een ieder], beschrijf daarom ter wille van ons welzijn alstublieft dat wat de essentie is van al de gespreksonderwerpen: de verhalen over de Heer die als de nectar van bloemen de glorie vormen van al het pelgrimeren. (16) Alstublieft vertel over alles met betrekking tot de transcendentale, bovenmenselijke handelingen door de Heer verricht in Zijn met alle vermogens toegeruste belichamingen ter wille van een volmaakte greep op de schepping en handhaving van Zijn universum.'

(17) S'rî S'uka zei: 'Aldus ertoe verzocht deed met het oog op ieders welzijn de grote wijze in de Heer, Maitreya, Vidura de grote eer een uiteenzetting te geven [over deze zaken]. (18) S'rî Maitreya zei: 'Alle zegen voor u o goedgeaarde wiens geest steeds gericht is op de Heer voorbij de zinnen. Uw vragen stellen ter wille van het welzijn van allen vormt een bewijs van de goedheid van uw genade om de heerlijkheden van de ziel in deze wereld te verkondigen. (19) O Vidura het verbaast me niet dat u die de Allerhoogste Persoonlijkheid onze Heer hebt aanvaard, zonder af te dwalen in uw denken deze vragen stelt. U werd immers geboren uit het zaad van Vyâsa. (20) Vanwege een vloek van de machtige wijze Mândavya Muni nam u, uit de dienstmaagd van de broeder [Vicitravîrya] en de zoon van Satyavatî [Vyâsadeva], geboorte als de incarnatie van Yamarâja, de heerser over de dood [zie stamboom]. (21) Uwe goedheid wordt gerekend tot de eeuwige metgezellen van de Heer. Toen Hij terugkeerde naar Zijn hemelverblijf gaf Hij mij de opdracht u te instrueren in de geestelijke kennis. (22) Daarom zal ik u nu systematisch een beschrijving geven van de wederwaardigheden van de Allerhoogste Heer in Zijn beheersen van de enorme uitgebreidheid van de uiterlijke illusie ter wille van de handhaving, schepping en beëindiging van het universum.

(23) Voordat het universum werd geschapen was de Allerhoogste Heer, het Zelf en de meester van de levende wezens, er als de enige zonder een ander. Het was [toen] Zijn wens om niet gemanifesteerd te zijn als een [veelvoud aan] individuele ziel[-en] met [ieder] een eigen visie en uiterlijke kenmerken. (24) Hij die dat alles nog niet was, kon toentertijd als ziener helemaal niets waarneembaars herkennen. Alleen ervoor staand vond Hij met Zijn innerlijk vermogen aanwezig, maar met Zijn expansies en Zijn materieel vermogen afwezig dat het was alsof Hij niet bestond. (25) Dat wat Hij als de volmaakte Ziener ziet is energie die wordt gekenmerkt door oorzaak en gevolg. O fortuinlijke, deze energie waarmee de Almachtige deze wereld heeft opgebouwd wordt mâyâ [illusoir, begoochelend] genoemd. (26) Met de uitwerking van de Eeuwige Tijd [kâla] op de drie geaardheden van deze illusoire energie wekte het Opperwezen, Hij die in wezen geestelijk is, door [erin binnen te gaan als] de persoon [als de Purusha] de viriliteit op [de heldenmoed, de mannelijkheid, de kracht]. (27) Uit het ongemanifesteerde ontstond toen door de wisselwerking van de tijd de Mahat-tattva [het geheel van het Allerhoogste, de kosmische intelligentie]. Dit in de totaliteit gesitueerde fysieke zelf dat de duisternis en onwetendheid verdrijft is begrijpend van aard en in staat complete [geestelijke] universa in het leven te roepen. (28) Het [geheel der manifestatie] dat zo een volkomen expansie vormt van guna, kâla en [jîv]-âtmâ, vormt het gezichtsbereik van de Persoonlijkheid van God. Het is het reservoir, de bestaansgrond, het zelf, van de vele gedifferentieerde levensvormen van dit universum dat aanzet tot creatieve inspanning.

(29) Het Mahat-tattva zich omvormend tot de materiële werkelijkheid van het egobewustzijn manifesteert zich in termen van oorzaak, gevolg en doener. Aldus zijn er drie soorten van ego die de weerspiegeling in de geest vormen van [de guna's van] het zelf, de materiële elementen en de zintuiglijkheid:  [respectievelijk] de begaafdheid [sattva] de onwetendheid [tamas] en de veranderlijkheid [rajas]. (30) Met het principe van de veranderlijkheid [vaikârika] van het ego ontstaat er een omvorming van de geest die in zijn emotionaliteit al de godsbewusten in het leven riep die de basis vormen van de materiële kennis over de wereld der verschijnselen. (31) Met de begaafdheid van iemands zinnigheid [taijasâni] overheerst de spirituele kennis omtrent vruchtdragende bezigheden [karma]. (32) In de onwetendheid [tamas] realiseert men zich de subtiele zinsobjecten [van voorgestelde beelden en geluiden] waarvan de ether [hun medium] de representatie vormt van de Superziel. (33) De materiële energie vormt een gedeeltelijke vermenging van de tijd [van expanderen en contraheren]. De Heer die dit vanuit de ether overziet creëerde aldus aangeraakt de transformatie van die aanraking in de vorm van de lucht. (34) De lucht, eveneens getransformeerd door de uiterst machtige ether deed de vorm van het licht ontstaan en [de bio-electriciteit van] de zintuiglijke gewaarwording waarmee de wereld wordt gezien. (35) Van de interactie van de lucht en haar bio-electriciteit met de blik van de Heer [der ether] was er met de vermenging van de tijd een transformatie die de smaak [voor het leven] in water schiep. (36) Het geëlectrificeerde water dat aldus werd geschapen als gevolg van de transformatie van de Allerhoogste Geest [van de ether] die de aarde overschouwde, leidde tot de schepping van de kwaliteit van de geur met het zich deels verenigen van de uitwendige energie met de eeuwige tijd. 

(37) O zachtmoedige, begrijp dat van de ether af aan al de materiële elementen en het grote aantal van hun superieure en inferieure kwaliteiten, [hun bestaan te danken hebben aan] de afronding door de Allerhoogste. (38) De goden die heersen over al deze fysieke elementen zijn allen deel en geheel van Heer Vishnu. In de aan tijd gebonden materiële energie belichaamd als deelaspecten schieten ze in hun persoonlijke verplichtingen tekort en geven ze uiting aan hun oprechte gevoelens voor de Almachtige. (39) De goden zeiden: 'Onze eerbetuigingen aan Uw lotusvoeten o Heer, in nood gaven we ons aan hen over omdat ze de beschermende paraplu vormen die al de grote wijzen beschutting biedt die rigoreus volledig braken met al de grote vormen van ellende van het materiële leven. (40) O Vader, vanwege het feit dat in deze materiële wereld o Heer, de individuele zielen altijd in verlegenheid verkeren door de drie vormen van ellende [voortkomend uit jezelf, anderen en de natuur] zijn ze nooit gelukkig, maar als ze Uw Zelf bereiken o Allerhoogste, verwerven ze de beschutting van de schaduw van Uw lotusvoeten en de kennis. (41) Bij iedere stap hun toevlucht nemend tot het pelgrimsoord van Uw voeten, vinden de wijzen die op de vleugelen der Vedische hymnen met een heldere geest speuren naar Uw lotusgelijke gezicht hun beschutting aan de beste der rivieren [de Ganges] die bevrijdt van de terugslagen der zonde. (42) De meditatie die door geloof, simpelweg luisteren en toewijding het hart zuivert met de kracht van de kennis der onthechting, verplicht hen die de vrede vonden ertoe om af te gaan op het heiligdom van Uw lotusvoeten. (43) Laten we allen de beschutting zoeken van de lotusvoeten van U die de gedaanten van de avatâra's aannam ter wille van de schepping, het behoud en de beëindiging van het universum. O Heer, ze vormen de toevlucht die de moed van de toegewijden met heugenis beloont. (44) Omdat de mensen verstrikt raken en aldus in het materiële lichaam verkeren in de geest van 'ik' en 'mijn', gaan ze op in een ongewenste drift en zien ze zich ver van U verwijderd, ookal bent U in het lichaam aanwezig. Laten we daarom Uw lotusvoeten aanbidden, o Heer. (45) Zij [Uw voeten] kunnen niet worden gezien door hen die, verkerend onder de invloed van de materiële wereld, door hun zintuiglijke waarneming vervreemd zijn van het innerlijk waarnemen o Allerhoogste. Maar o Grootheid, voor hen die wel de [innerlijke] visie hebben is er het spel en vermaak van Uw goddelijk handelen. (46) O Heer, zij die er serieus bij betrokken zijn bereiken eenvoudig door te drinken van de nectar van de verhalen de volle rijpheid van de toegewijde dienst, de ware betekenis van de verzaking, de intelligentie waarin zij snel de spirituele levenssfeer bereiken waar aan de dwaasheid en de indolentie een einde is gekomen [Vaikunthha]. (47) Ook voor anderen die van bovenzinnelijke realisatie  zijn in de yoga waarin men de machtige materiële natuur overwint, bent U de ene, vredestichtende Oorspronkelijke Persoon waarin zij binnengaan. Maar terwijl dat voor hen een zware opdracht is, is dat voor zij die U dienen niet het geval. (48) O Oorspronkelijke Heer, om die reden zijn we allen aan U verplicht. Aangezien we voor het heil van de schepping der wereld de één na de ander werden geschapen en in het verleden van elkaar werden gescheiden als gevolg van wat we deden naar gelang de werking van de drie geaardheden, raakten we verstrikt in onze eigen genoegens en waren we zodoende niet in staat U saamhorig te dienen. (49) O Ongeborene, leidt ons in het op de juiste tijd brengen van onze offers waardoor we samen de maaltijd kunnen delen en ook alle andere levende wezens te eten hebben zodat we met het aanbieden van het voedsel ongestoord kunnen eten. (50) O Heer, U bent voor ons goden, de godsbewusten en onze orden, de ene en dezelfde oorspronkelijke en eigenlijke persoon. U o Heer bent, hoewel U ongeboren bent, voor de materiële energie de oorzaak van de guna's en het karma, gelijk het zaad dat wordt ingebracht voor het verwekken van de soorten. (51) O Allerhoogste Ziel, zeg ons wat wij, die allen werden geschapen van en voor de totaliteit van de kosmos, voor U zouden moeten doen en gun ons in het bijzonder de visie van Uw persoonlijke plan. Schenk ons het vermogen, o Heer, te werken en te handelen overeenkomstig Uw speciale genade voor ons [van statusoriëntaties en hun overstijging].'



Hoofdstuk 6: De Manifestatie van de Universele Gedaante

(1) De wijze [Maitreya] zei: 'En zo werd de Heer geplaatst voor het feit dat de vooruitgang van wat er geschapen was in het universum tijdelijk was opgehouden bij een gebrek aan samenhang tussen Zijn verschillende vermogens [zie 3.5: 48]. (2) Toen ging Hij met Zijn oppermachtige vermogen dat bekend staat als Kâlî, de godin van de kracht van de vernietiging, tegelijkertijd al de drieëntwintig elementen binnen [de vijf elementen en hun kwaliteiten, de vijf organen van handelen en de zintuigen en de drie vormen van individueel bewustzijn: geest, intelligentie en ego; vergelijk 2.4: 23]. (3) Dat later binnengaan van de Allerhoogste Heer in de vorm van de kracht van de materie, Kâlî, zette ieder van de levende wezens afzonderlijk aan het werk door ze uit hun onbewuste staat op te wekken tot hun karma. (4) Toen de drieëntwintig hoofdelementen aldus door de wil van God tot [samenhangende] actie werden opgewekt, bracht hun combinatie de manifestatie voort van Zijn volkomen expansie van de Oorspronkelijke Persoon [in de vorm van de Universele Gedaante]. (5) Op het moment dat Hij er aldus met Zijn volkomen expansie [van de materiële kracht] in binnenging, transformeerden al de elementen van de schepping, die elkaar daarin toen vonden, tot de werelden van een organisch en anorganisch bestaan. (6) Hij, de Oorspronkelijke Persoon, deze [Garbhodakas'âyî] Vishnu genaamd Hiranmaya, verbleef voor de tijd van duizend hemelse jaren [één zo'n jaar is 360 jaar voor de mens] samen met alles wat behoorde tot Zijn goedheid, in het eivormige universum dat werd gedragen door de [causale] wateren.  

(7) Met de inhoud van dat ei, het geheel van de gigantische persoon, aan het werk gezet door Zijn  goddelijke Zelf vol van Zijn [vrouwelijke] kracht, verdeelde Hij aldus Zichzelf in één [bewustzijn], drie [identificaties van het zelf, zie 2.10: 14] en tien [activiteiten, zinnen van handelen en waarnemen]. (8) Deze oneindige uitgebreidheid vormt het zelf van de levende wezens, de eerste incarnatie en het volkomen deelaspect van de Superziel, waarop het geheel van hen allen tezamen floreert. (9) Het drievoudige van het gigantische hangt samen met de drie aspecten van âdhyâtmika [het zelf met zijn zintuigen en de geest], âdhidaivika [de natuur met al haar goden] en âdhibhautika [de anderen en wat zich meer aan de zinnen voordoet], het tienvoudige heeft betrekking op de [organen van de] levenskracht [de prâna: de handen, de voeten, de anus, de geslachtsorganen, de ogen, de neus, de oren, de tong, de huid en de mond; zie brahma sûtra 2.4: 5-6] en het enkelvoudige verwijst naar het hart. (10) De Heer voorbij de zinnen die Zich het gebed herinnerde van de godheden van het universum verlichtte met Zijn eigen straling [aldus] de gigantische gedaante ter wille van hun begrip. (11) Luister nu naar mijn beschrijving van de vele verschillende posities van de halfgoden die zich toen vanuit Zijn overweging manifesteerden.

(12) Er manifesteerde zich een mond en toen dat gebeurde was het de god van het vuur die onder de bestuurders van de materiële wereld zijn plaats innam tezamen met zijn vermogen: het spraakorgaan waarmee men zich uitdrukt in woorden. (13) Er verscheen een verhemelte. Het was de verblijfplaats van Varuna [de god van de wateren] die in [het lichaam van] de Heer onder de bestuurders van de materiële wereld zijn positie innam tezamen met zijn vermogen: het lichaamsdeel van de tong waarmee men proeft. (14) Toen verschenen de neusvleugels, waar de  twee As'vinî Kumâra's zich ophouden met de reukzin waarmee men geur kan ervaren [zie ook 2.1: 29 en 2.5: 30]. (15) Er verschenen ogen in de gigantische gedaante die plaats boden aan Tvashthâ, de god van het licht en het gezichtsvermogen waarmee vormen kunnen worden waargenomen. (16) Toen vertoonde zich de huid van de gigantische gedaante, een positie die werd ingenomen door Anila, de heerser over de lucht, die met de macht van de adem de tastzin mogelijk maakt. (17) Met het zich manifesteren van de oren van de gigantische gedaante werd die positie ingenomen door de godheden van de windrichtingen [de Digdevatâ's] met het vermogen te horen waarmee geluiden worden waargenomen. (18) Daarna manifesteerde zich van de gigantische gedaante de [beharing van de] huid voor de heersende goddelijkheid van [de kruiden en planten met] het vermogen te voelen middels de haren waarmee jeuk wordt ervaren. (19) Toen de genitaliën van de gigantische gedaante verschenen nam het eerste levende wezen [Brahmâ, de Prajâpati] zijn positie in met de functie van het zaad waarmee het [seksueel] genot wordt ervaren. (20) Er vormde zich een anus in de oorspronkelijke belichaming die plaats bood aan de god Mitra met de functie van uitscheiding waarmee men zich ontlast. (21) Met de manifestatie van de handen van de Universele Gedaante nam de koning van de hemel Indra zijn positie in met het vermogen te handelen waarmee men zich in zijn levensonderhoud kan voorzien. (22) De benen die zich in de grote gedaante vormden werden bezet door Vishnu, de godheid van het vermogen zich te verplaatsen waarmee men zijn reisbestemming bereikt. (23) Met het zich vormen van de intelligentie van de Universele Gedaante trad de godheid Brahmâ, de Heer van het gesproken woord naar voren met de macht van het inzicht waarmee men tot begrip komt. (24) Vervolgens manifesteerde zich het hart van  het Universele Wezen waarin Candra, de god van de maan, zijn positie innam met de functie van de mentale activiteit waardoor men zich verliest in gedachten. (25) Vervolgens ontwikkelde het ik-besef zich in de Universele Gedaante waarin [Heer Rudra heersend over] de vereenzelviging met het lichaam [het 'valse ego'] zijn plaats heeft met de functie van het karma waarmee men overgaat tot concrete handelingen. (26) Wat volgde was de manifestatie van de spirituele essentie van de goedheid in de gigantische gedaante. Daarin vond de volledigheid [van de mahat-tattva] zijn plaats met de macht van het bewustzijn waarmee men de wijsheid cultiveert.

(27) Uit het hoofd van de kosmische gedaante kwamen de hemelse werelden voort, de aardse werelden kwamen uit Zijn benen voort en de ruimte ontstond uit Zijn buik. In die gebieden treft men de verlichte zielen en de andere levende wezens aan die zich ontwikkelden als gevolg van de werking van de drie basiskwaliteiten van de natuur. (28) Door het oneindig goede [van sattva] vonden de goden hun plaats in de hemelen terwijl al de menselijke wezens, die op aarde de aard van hun hartstocht [rajas] volgen, aan hen ondergeschikt zijn. (29) Zij die behoren tot de derde soort [de geesten en de spoken] treft men vanwege hun aard [van tamas] aan als de metgezellen van Rudra in het bereik van de atmosfeer - de navel van de Heer - dat zich bevindt tussen de andere twee.

(30) De spirituele wijsheid ontsproot aan de mond van de Universele Gedaante, o aanvoerder van de Kuru dynastie. Degenen die zich tot deze wijsheid aangetrokken voelen vormen de leiding [de belangrijkste varna] van de samenleving. Zij, de brahmanen, zijn de erkende leraren en spirituele woordvoerders [de goeroes]. (31) De macht om de burgers te beschermen manifesteerde zich uit de armen [van de gigantische gedaante]. De beoefenaars van die macht [de kshatriya's of bestuurders] zijn de volgelingen [van de brahmanen] en vrijwaren, als vertegenwoordigers van de Hoogste Persoonlijkheid, de andere klassen van de ondeugd van storende maatschappelijke elementen. (32) Ter wille van de productie en distributie van de goederen voor het levensonderhoud, manifesteerde zich uit de dijen van de Almachtige de handelsgemeenschap [de vais'ya's], wiens beroep eruit bestaat in de behoeften van ieder mens te voorzien. (33) Uit de benen van de Opperheer manifesteerde zich de dienstverlening die van essentieel belang is voor het vervullen van alle heilige plichten. Het is van oudsher het beroep van de arbeider [de s'ûdra] waardoor de Heer tevreden wordt gesteld [*]. (34) Om hun ziel te zuiveren aanbidden, middels hun beroepsmatige bezigheden, al deze klassen van de samenleving onder leiding van hun geestelijk leraar met geloof en toewijding de Heer uit wie ze samen met hun plichten voortkwamen.

(35) O Vidura, wie denkt er nu een volledige beschrijving te kunnen geven van de goddelijke aard, de werking en het persoonlijke zelf van het kosmische lichaam dat de Allerhoogste Heer manifesteerde vanuit de kracht van Zijn innerlijk vermogen [yogamâyâ]? (36) O broeder, niettemin zal ik een beschrijving geven voor zover mijn intelligentie dat toestaat en de kennis reikt van wat mij ter ore kwam over de heerlijkheden van de Heer waardoor men gezuiverd raakt, want als we ons niet openlijk uitlaten [over Hem] verliezen we ons in onwaarheid. (37) Men zegt dat men Hem Die Alle Beschrijvingen Te Boven Gaat bereikt met de besprekingen over de Hoogste Persoonlijkheid die historisch vroom werden overgedragen ter wille van de verheerlijking van Zijn handelingen. Ook is het oor het best gediend met de nectar van de bovenzinnelijke boodschap zoals die [mede in geschreven vorm] werd verschaft door de geleerden. (38) Mijn zoon, kon de oorspronkelijke poëet [Brahmâ] al de heerlijkheden van de Opperziel kennen toen zijn intelligentie een duizendtal hemelse jaren was gerijpt in meditatie? (39) Daarom, als zelfs zij die bedreven zijn in het creëren van illusies het niet weten omdat zij - zowel als de zelfvoldane [de Schepper] in eigen persoon - in de ban verkeren van het begoochelend vermogen van de Allerhoogste Heer, wat kan je dan verwachten van anderen? (40) Hem die buiten ons bereik ligt en die noch voor ons ego, onze geest en onze woorden, noch voor de desbetreffende goden grijpbaar is, bieden wij onze eerbetuigingen.'

*: S'astri Gosvâmî merkt in dit verband op dat de arbeider, de s'ûdra, een belangrijke plaats inneemt onder de klassen in de samenleving. Van de purushârtha's, de vier burgerdeugden, behartigt de brahmaan de moksha, de bevrijding. De kshatriya behartigt de regulatie van de zinsbevrediging, kâma, en de vaishya is er voor de distributie van de welvaart, artha. Maar de arbeider maakt in feite de religiositeit, de dienst aan God van alle plichtsbetrachting mogelijk. Hij die gewoon ten dienst staat, is net zo belangrijk voor het dharma.


Hoofdstuk 7: Verdere Vragen van Vidura

(1) S'rî S'uka zei: 'Op die manier met Maitreya Muni pratend, formuleerde de geleerde zoon van Dvaipâyana Vyâsa, Vidura, respectvol een verzoek. (2) Vidura zei: 'O brahmaan, de Opperheer is de onveranderlijke Ene van het volkomen geheel. Hoe kan ondanks het feit dat Hij zich buiten de geaardheden van de materiële natuur bevindt Zijn spel en vermaak plaatsvinden van handelen met de basiskwaliteiten van de materiële natuur? (3) Jongens die met andere jongens willen spelen zijn geestdriftig wat betreft hun spel, maar in welk opzicht is dat anders met iemand die aan zichzelf genoeg heeft en te allen tijde onthecht is? (4) De Allerhoogste Heer bracht middels Zijn intern vermogen het universum tot stand dat uitgerust is met drie basiskwalitieten, de guna's. En op basis van dat innerlijk vermogen handhaaft Hij dat geheel en vernietigt Hij het ook weer. (5) Hoe kan Hij, het Zuivere Zelf wiens bewustzijn nimmer wordt versluierd door plaats of tijd, door eigen toedoen, door anderen of door wat zich manifesteerde [als de natuur], nu [in de normale positie van een levend wezen verkeren en] gevangen zijn in de materiële energie? (6) Hoe kan de Ene Opperheer die aanwezig is in ieder veld van handelen [in alle kshetra's van de levens] van al de levende wezens [zie ook B.G. 13: 3], nu op karmisch bepaald ongeluk en tegenstand stuiten? (7) O wijze, door de onwetendheid waaraan ik lijdt bezorgt mijn geest mij moeilijkheden. O machtige ziel, verdrijf daarom de grote onzuiverheid van mijn denken.'

(8) S'rî S'uka zei: 'De wijze aldus er door Vidura's ijver toe aangezet om erachter te komen hoe het zat, deed verbaasd en gaf toen zonder aarzeling een godsbewust antwoord. (9) Maitreya zei: 'Het is met elkaar in tegenspraak om te beweren dat de Fortuinlijke enerzijds onder de invloed van de materiële illusie verkeert en dat Hij anderzijds vrij is van onvolkomenheden en gebondenheid. (10) Van een dergelijke tegenstrijdigheid omtrent de ziel raakt een mens het spoor bijster, het is alsof je van buitenaf jezelf ziet met je hoofd eraf gehakt. (11) Zoals door de kwaliteit van water de erin gespiegelde maan rimpelt, vormt de kwaliteit van het fysieke zelf een drogbeeld voor de innerlijke getuige die ervan verschilt. (12) Als je, met de genade van Vâsudeva, tewerk gaat in onthechting en je in relatie tot de Fortuinlijke je bewustzijn verenigt in toewijding [in bhakti-yoga], zal, in dit bestaan, dat [begoocheld zijn] geleidelijk aan afnemen. (13) Met de zinnen aldus tevreden in het bovenzinnelijke ware zelf van de ziener, lost alle misère volkomen op in de Heer, alsof je een gezonde nachtrust hebt genoten. (14) Als men enkel al een einde kan maken aan allerlei soorten van ellende door eenvoudig te vernemen over [te mediteren op] de kwaliteiten en zo meer van Murâri [Krishna als de vijand van Mura], wat kan je dan wel niet verwachten van het, volgens je eigen aard, van dienst zijn in het stof van Zijn lotusvoeten?'

(15) Vidura zei: 'O machtige wijze, u hebt mijn twijfels bestreden met het wapen van uw woorden, o allergrootste, nu is mijn geest wat betreft beide [de onafhankelijke Heer en het levend wezen], tot een volmaakte eenheid gekomen. (16) Beste geleerde, u hebt volkomen gelijk als u stelt dat [redeneren vanuit] de begoochelende energie van de Heer voor de ziel niet het juiste pad vormt; het bewijst zich als betekenisloos als men tewerk gaat zonder de basis van de Allerhoogste Bron waarbuiten men het eenvoudig bij het verkeerde eind heeft. (17) In deze wereld geniet zowel de onwetende dwaas als hij wiens intelligentie de bovenzinnelijke positie bereikte het geluk, terwijl de personen die zich tussen die twee posities bevinden te lijden hebben. (18) Er zeker van dat men de essentie, de ziel, mist als men zich baseert op uiterlijkheden, kan ik met het dienen van uw voeten afzien [van het verkeerde idee dat de Allerhoogste onderhevig zou zijn aan illusie]. (19) In het dienen van de Persoonlijkheid van God die de onversaagde vijand van de demon Madhu is, ontwikkelt men, in verschillende relaties [râsa's] behagen scheppend in de lotusvoeten, de intensiteit [van de vervoering] die het leed verdrijft. (20) Van hen die moeite hebben met de versobering ziet men zelden dat ze zich op het pad van dienst bevinden naar Vaikunthha [het uiteindelijke spirituele doel] waar de Heer onophoudelijk door de goden wordt verheerlijkt als de heerser over alle levende wezens.

(21) Na de schepping in het begin van de kosmische intelligentie en de overige elementen, manifesteerde zich in een geleidelijk proces van differentiatie [evolutie] daaruit de universele gedaante met inbegrip van de zintuiglijke functies waarin later de Almachtige binnenging [voor Zijn incarnaties]. (22) Hij die de oorspronkelijke persoon wordt genoemd heeft duizenden ledematen, benen en handen en herbergt al de werelden van het universum met al het leven dat daarop zijn bestaan heeft. (23) U verklaarde hoe er drie verschillende soorten van leven zijn [overeenkomstig de geaardheden] waarin men tien soorten van levenskracht met de [vijf] zinnen en hun [vijfvoudig] belang heeft. Beschrijf alstublieft nu voor me wat de specifieke capaciteiten zijn van de maatschappelijke onderverdelingen. (24) In dezen [in deze onderverdelingen] heeft, met de zonen, kleinzonen en familieleden van de verschillende generaties, dat vermogen zich uitgespreid in verschillende vormen van bestaan. (25) Wie zijn de oorspronkelijke stamvaders [de Prajâpati's] die door hun oorspronkelijke leider [Brahmâ] tot ontwikkeling werden gebracht? Wat zijn de generaties van de vaders van de mensheid en welke generaties volgden op hen? En welke Manu's heersten over de verschillende manvantara's [culturele tijdperken]? (26) Welke werelden bevinden zich boven de aardse werelden en welke eronder, o zoon van Mitrâ? Beschrijf alstublieft wat hun posities en afmetingen zijn en ook wat de maten en verhoudingen zijn van de aardse werelden. (27) Vertel me wat de generaties en onderafdelingen zijn van de onmenselijke, menselijke en bovenmenselijke levende wezens, zoals geboren uit eieren, uit baarmoeders, uit vocht [micro-organismen] en uit de aarde [de planten]. (28) Wees zo goed de incarnaties overeenkomstig de basiskwaliteiten van de materiële natuur te beschrijven ter wille van de schepping, handhaving en vernietiging van het universum [Brahmâ, Vishnu en S'iva] en de grootse activiteiten van de Persoonlijkheid van God die samenleeft met de Godin van het Fortuin, van Hem [S'rînivâsa] die de uiteindelijke toevlucht vormt.

(29) Wat zijn de verdelingen van maatschappelijke status [varna] en de geestelijke orde [âs'rama] en wat zijn hun uiterlijke kenmerken, hoe gedragen ze zich en wat is hun wezensaard? Wat zijn de geboorten en handelingen van de wijzen en wat zijn de verdelingen van de Veda? (30) Wat, o meester, zijn al de plechtigheden van het offeren en wat zijn de verschillende wegen van de yogaperfecties, van de analytische studie van de kennis en van het zich verhouden tot de Persoonlijkheid van God met regulerende beginselen? (31) Welke wegen bewandelen de ongelovigen en wat zijn hun onvolkomenheden? Welke plaats bekleden zij die uit gemengde huwelijken voortkomen en wat is de levensbestemming van de vele verschillende soorten individuele zielen naar gelang de geaardheden die ze volgen en de soorten van arbeid die ze verrichten? (32) Hoe zijn de verschillende belangen van de religiositeit, economische ontwikkeling, zinsbevrediging en verlossing, de middelen van bestaan, de regels van de wet, de schriftuurlijke voorschriften en de verschillende regulerende beginselen met elkaar in evenwicht te brengen? (33) O brahmaan, wat zijn de regelingen voor de [S'râddha] periodieke offerplechtigheden om de overledenen te eren en voor het respecteren wat de voorvaderen tot stand brachten? En hoe zijn de tijden ingesteld met achting voor de posities van hemellichten als de planeten en de sterren? (34) Wat mag men verwachten van liefdadigheid, boetedoening en het aanleggen van vergaarbekkens en wat zijn de plichten voorgeschreven voor iemand die van huis weg is en voor iemand die zich in gevaar bevindt? (35) Alstublieft beschrijf voor me, o zondeloze, hoe Hij die de Allerhoogste Persoon is, de Vader van de Religie en de Heerser over Allen, volledig kan worden tevredengesteld en wie van ons zou dat dan kunnen? (36) O beste onder de brahmanen, de geestelijk leraren, die zo genadig zijn voor de behoeftigen, vertellen hun toegewijde leerlingen en zonen zelfs dat waar ze niet om vroegen. (37) O allerhoogste meester, hoeveel vernietigingen [of eindtijden] bestaan er voor de elementen van de natuur? Wie zijn zij die dan gered worden en wie zijn zij die [vol lof zijnde] Hem dan mogen dienen? En wie mag zich met Hem verenigen als Hij zich ten ruste legt? (38) En wat is de wezensaard en identiteit van zowel de individuele persoon als het Allerhoogste, wat is het leidmotief van de Vedische wijsheid en wat beweegt de goeroe en zijn leerlingen? (39) Onberispelijke toegewijden spreken van deze bron van kennis in de wereld. Hoe zou iemand nu uit zichzelf kennis kunnen hebben van de toegewijde dienst en de onthechting?

(40) Ik stelde al deze vragen in het verlangen kennis te nemen van het spel en vermaak van de Heer. Alstublieft beantwoord ze als een vriend voor mij [en ieder ander] die in zijn onwetendheid met de uitwendige energie het zicht heeft verloren. (41) O onberispelijke wijze, de verzekering van een angstvrij bestaan die we krijgen van iemand als u, is in geen enkel opzicht te vergelijken met de bevrijding geboden door al de Veda's, offers, boetedoeningen en liefdadigheid.'

(42) S'rî S'uka zei: 'Met deze vragen van de voornaamste onder de Kuru's was hij [Maitreya], de eerste onder de wijzen die zo goed thuis was in de verhalen [Purâna's], zeer ingenomen en gaf hij, aldus aangespoord tot de onderwerpen betreffende de Heer, Vidura met een glimlach antwoord.' 



Hoofdstuk 8: Manifestatie van Brahmâ uit Garbhodakas'âyî Vishnu

(1) S'rî Maitreya zei: 'De afstammelingen van Koning Pûru verdienen het respect van de wijzen omdat hun koningen in hoofdzaak de Hoogste Persoonlijkheid zijn toegewijd; en met u die ook geboren bent in deze opeenvolging van toegewijde activiteit voor de Onoverwinnelijke, wordt er stap voor stap [met iedere vraag die u stelt] steeds weer een nieuw licht op de zaak geworpen. (2) Laat me dan nu dit Bhâgavatam bespreken, dit Vedisch supplement dat oorspronkelijk door de Allerhoogste Heer persoonlijk werd uitgesproken voor de wijzen ter verzachting van het grote lijden van de mensen die zo weinig geluk ervaren.

(3) De zoon van Brahmâ [Sanat-kumâra] ondervroeg, als de leider van de grote wijzen [de vier kind-heiligen, de Kumâra's], net als u Heer Sankarshana over de waarheid aangaande de Oorspronkelijke Persoonlijkheid [het eerste volkomen deelaspect en de eerste metgezel van de Heer] die Zich altijd helder in de kennis ophoudt aan de basis van het universum. (4) Hij had in die positie met Hem die men met de hoogste achting Vâsudeva noemt, Zijn blik inwaarts gekeerd, maar ter aanmoediging van de hoogst geleerde wijzen opende Hij Zijn lotusgelijke ogen een beetje. (5) Met de haren op hun hoofden nat van het water van de Ganges beroerden ze de toevlucht van Zijn lotusvoeten die door de dochters van de slangenkoning, met grote toewijding en verscheidene parafernalia, wordt aanbeden in het verlangen naar een goede echtgenoot. (6) Bekend met Zijn spel en vermaak verheerlijkten ze, met woorden en met veel gevoel ritmisch overeenstemmend, herhaaldelijk Zijn handelingen terwijl zich vanuit de duizenden opgeheven kragen [van Ananta, de slangenkoning] de stralende gloed verspreidde van de edelstenen op hun duizenden helmen. (7) O Vidura, naar verluid besprak Hij toen de strekking van het Bhâgavatam met Sanat-kumâra die de [yoga]gelofte van de verzaking had afgelegd en het, op verzoek, verder vertelde aan Sânkhyâyana die eveneens de eed had afgelegd. (8) Toen de grote wijze Sânkhyâyana als de belangrijkste van de transcendentalisten die dit Bhâgavatam reciteren er [daarna] uitleg aan gaf, waren zowel de geestelijk leraar Parâs'ara die ik volgde als Brihaspati er bij aanwezig. (9) Er toe aangezet door de wijze Pulastya, vertelde hij [Parâs'ara] mij welwillend deze allerbelangrijkste onder de Purâna's die ik op mijn beurt voor u zal uitspreken, mijn beste zoon, daar u een immer trouwe volgeling bent.

(10) Toen de drie werelden waren verzonken in het water lag Hij [Garbhodakas'âyî Vishnu] daarin inactief alleen neergevleid met vrijwel gesloten ogen op het slangenbed Ananta zonder iets anders te willen dan de voldoening van Zijn innerlijk vermogen. (11) Zoals de macht van het vuur verborgen is in hout, verbleef Hij daar op Zijn plaats in het water en behield Hij al de levende wezens in hun subtiliteit in Zijn bovenzinnelijk lichaam vanwaaruit Hij leven geeft in de vorm van de Tijd [kâla]. (12) Voor de duur van duizend keer vier yuga's [4.32 miljard jaar] sluimerde Hij met Zijn innerlijk vermogen ter wille van de verdere ontwikkeling - middels Zijn kracht genaamd kâla [tijd] - van de werelden van de levende wezens die afhankelijk zijn van vruchtdragende handelingen. Die rol deed Zijn lichaam er blauwkleurig uitzien [het blauw van de toevlucht van het levengevend water]. (13) Overeenkomstig de bedoeling van Zijn innerlijke aandacht voor de subtiele kwestie van het scheppen, was er na de nodige tijd, door de materiële activiteit van de basiskwaliteiten van de natuur, de agitatie [van de subtiele elementen, de wezens] die toen zeer subtiel uit Zijn buik [uit de ether] tevoorschijn brak[en]. (14) Met de Tijd die het karma in gang zette, verscheen daarmee [met die agitatie] spoedig uit het oorspronkelijke zelf [van Vishnu] een lotusknop die, net als een zon, de uitgestrekte wateren verlichtte middels zijn gloed.

(15) Die lotusbloem van feitelijk het universum ging Vishnu binnen als het reservoir van alle kwaliteiten van waaruit Hij in het begin de persoonlijkheid van de Vedische wijsheid voortbracht, de heerser van het universum [Brahmâ] die, zo zegt men, uit zichzelf geboren werd. (16) Hij [Brahmâ] in dat water gezeten op de werveling van de lotus was niet in staat om de wereld te zien en al rondspiedend in de vier richtingen kreeg hij [aldus] zijn vier hoofden. (17) [Brahmâ] gezeten op en behoed door de lotusbloem die, vanwege de stormlucht aan het einde van de yuga, uit de roerige wateren was verschenen, kon in zijn verbijstering het mysterie van de schepping niet doorgronden, noch begrijpen dat hij de eerste halfgod was. (18) 'Wie ben ik die bovenop deze lotus zit? Waar kwam deze lotus vandaan? Er moet iets onder het water zitten. Hier aanwezig zijn houdt in dat dat waaruit het zijn bestaan vond er ook moet zijn!' (19) Op deze wijze zich bezinnend op de steel van de lotus, kon hij door dat kanaal in het water te volgen naar de navel [van Vishnu], ondanks dat hij daar binnen ging en uitvoerig over de oorsprong nadacht, de basis niet doorgronden. (20) In het duister tastend, o Vidura, gebeurde het dat met zijn contemplatie aldus de enormiteit van de driedimensionale werkelijkheid van de tijd tot stand kwam [tri-kâlika] die, als een wapen [een cakra], de belichaamde ongeboren ziel vrees inboezemt door zijn levensduur tot een honderdtal jaren te beperken [vergelijk 2.2: 24-25].

(21) Toen hij het doel dat hij zich had gesteld niet kon bereiken, gaf de godheid de onderneming op en ging hij weer op de lotus zitten om vol vertrouwen daar stap voor stap zijn adem te beheersen, zijn geest terug te trekken en zijn bewustzijn te verenigen in meditatie. (22) Met het voor de duur van zijn leven [aldus] beoefenen van yoga, ontwikkelde de zelfgeborene mettertijd het begripsvermogen en zag hij hoe zich in zijn hart vanzelf dat manifesteerde wat hij voordien niet kon waarnemen. (23) Op het bed van de volledig witte gigantische S'esha-nâga [slang] lotusbloem lag de Oorspronkelijke Persoon geheel alleen onder de overkapping van de slangenkraag die was bedekt met de hoofdsieraden waarvan de gloed de duisternis in het water van de vernietiging verdreef. (24) De aanblik van Zijn handen en benen, juwelen, bloemenkrans en aankleding, overtrof het panorama van het groene koraal van de avondschittering van de zon boven de grote gouden bergtoppen met hun watervallen, kruiden, bloemen en bomen. (25) Het geheel van de drie werelden in al hun diversiteit werd, met de lengte en breedte van de uitgestrektheid van Zijn bovenzinnelijke aanwezigheid, overdekt door de schoonheid van de hemelse gloed van de ornamenten die Zijn lichaam sierden.

(26) Overeenkomstig het verlangen van het menselijk wezen dat, in de aanbidding van Zijn iedere wens vervullende lotusvoeten, het pad van de toegewijde dienst volgt, toonde Hij in Zijn grondeloze genade, met de maangelijke glans van Zijn teen- en vingernagels, de prachtigste [bloem] verdeling. (27) Met Zijn glimlachende gelaat gesierd met de pracht van Zijn oorsieraden, met de aanblik van het licht gereflecteerd van Zijn lippen en de reactie van Zijn fraaie neus en wenkbrauwen, verdrijft Hij het leed van de wereld. (28) Beste Vidura, Zijn middel was fraai gesierd met een gordel en met stof met de saffraankleur van kadambabloemen, er was een kostbare halsketting en op Zijn borst was er het aantrekkelijke S'rîvatsa teken [een paar witte haren]. (29) Zoals de bomen in de wereld hun eigen bestaan hebben en met hun duizenden takken hun grote waarde [aan bloemen en vruchten] tentoonspreiden alsof ze gesierd zijn met kostbare juwelen, is ook de Heer, de heerser van Ananta, [Garbhodakas'âyî Vishnu] getooid met de kragen boven Zijn schouders. (30) De Allerhoogste Heer vormt, net als een berg, de toevlucht voor alle zich rondbewegende en niet rondbewegende levende wezens. Als de vriend van Anantadeva is Hij, gelijk een berg, verzonken in het water en met Zijn duizenden gouden helmen [en juwelen] en met Zijn Kaustubha juweel manifesteert Hij Zichzelf als een bergketen van goud in de oceaan. (31) Met om Zijn nek de bloemenkrans van Zijn heerlijkheden in de vorm van de lieflijke, fraaie klanken van de Vedische wijsheid, was de Heer van de zon, de maan, de lucht en het vuur voor al de drie werelden [zo zag Brahmâ toen] zeer moeilijk te bereiken omdat Hij omringd werd door Zijn persoonlijke wapens [zoals Zijn cakra]. (32) En zo kon het gebeuren dat de godheid van het universum, de schepper van het lot, het meer van Zijn navel kon aanschouwen, de lotusbloem, de wateren van de vernietiging, de lucht met zijn winden en de hemel, maar dat hij zijn blik niet kon werpen voorbij het geschapene van de kosmische manifestatie. (33) Met de reikwijdte van die visie raakte hij, als het zaadbeginsel van alle wereldse handelingen, toen geïnspireerd door de geaardheid hartstocht. Daarom bad hij, in overweging van de zich enthousiast voortplantende levende wezens, tot Hem om, op het bovenzinnelijk pad van de standvastige ziel, de Aanbiddelijke creatief van dienst te mogen zijn.'



Hoofdstuk 9: Brahmâ's gebeden voor het Creatief Vermogen

(1) Brahmâ zei: 'Vandaag, na een lange tijd [van boeten], heb ik U leren kennen en kan ik zeggen dat het heel spijtig is als de belichaamde ziel geen kennis heeft van Uw optreden als de Allerhoogste Heer. Er is niemand die U overtreft, mijn Heer, en alles wat er de schijn van heeft kan nooit het absolute zijn, want U bent [de transcendentie van] de grotere werkelijkheid voor de geaardheden van de materiële energie die zijn evenwicht verloor. (2) Die [grote] gedaante is altijd vrij van de duisternis van de materie omdat U in het begin ter wille van de toegewijden Uw innerlijk vermogen manifesteerde, het vermogen dat de bron is van de honderden avatâra's en waaruit ook ikzelf op de lotusbloem die aan Uw navel ontsproot mijn bestaan vond. (3) O mijn Heer, hier voorbij [aan deze bron] zie ik geen andere [gedaante] die superieur is aan Uw eeuwige gedaante vol van gelukzaligheid die vrij is van verandering en verlies van vermogen. U bent de enige echte Schepper van de kosmische manifestatie en de onstoffelijke Allerhoogste Ziel Zelf. Ik die zo trots ben in mijn identificatie met het lichaam en de zinnen, zoek mijn toevlucht bij U. (4) Die gedaante - of hoe U Uw aanwezigheid ook gestalte geeft - is alleszins gunstig voor het hele universum en bevorderlijk voor onze meditatie.  U, Allerhoogste Heer die Zich manifesteerde voor ons toegewijden, biedt ik mijn eerbetuigingen. Voor U volbreng ik dat wat door personen wordt verwaarloosd die, in hun voorkeur voor materiële zaken, recht op de hel afstevenen. (5) Maar zij die vasthouden aan de smaak en geur van Uw lotusvoeten die wordt meegevoerd door de geluiden van de Veda die hun oren bereiken, aanvaardden Uw bovenzinnelijke weg door hun toegewijde dienst. Voor hen die Uw toegewijden zijn is er nimmer de scheiding van U [die zich heeft geplaatst] op de lotus van hun harten, o Heer. (6) Tot dat het geval is zal er angst zijn vanwege de weelde, het lichaam en de verwanten, en zal het weeklagen en het verlangen, alsook de begeerte en de minachting groot zijn. Zolang de mensen van de wereld niet hun toevlucht nemen tot de geborgenheid van Uw lotusvoeten, zullen ze steeds vol van zorgen zijn met het ondernemen overeenkomstig het vergankelijke idee dingen te bezitten. (7) Hoe onfortuinlijk zijn zij die het moeten stellen zonder de herinnering aan Uw onderwerpen! Met hun zinnen niet op U gericht belanden ze in allerlei ongunstige zaken en vinden ze handelend naar hun begeerten slechts kortstondig geluk. Het zijn arme stakkers wiens geesten voortdurend beheerst worden door bezitsdrang en handelingen vol van stress. (8) Het feit dat ze aanhoudend geplaagd worden door [valse] honger, dorst en hun drie afscheidingen [slijm, gal en gassen], door winter en zomer, wind en regen en door vele andere verstoringen alsook door een sterke seksuele aandrang en een onvermijdelijke boosheid, zie ik allemaal als spiritueel hoogst ondraaglijk, o Man van de Grote Stappen. Het doet me veel verdriet. (9) Zolang iemand, onder de invloed van Uw materiële illusie, o Fortuinlijke, een dienaar is van zijn zintuigen en zich geplaatst ziet voor een afgescheiden bestaan in een lichaam, zal, o Heer, zo iemand niet aan het rad van herhaalde wedergeboorten in de materiële wereld  kunnen ontsnappen. Hoewel het werken voor uiterlijke resultaten feitelijk van geen betekenis is [voor de ziel], zal het onophoudelijk ellende bezorgen. (10) Gedurende de dag zijn hun zinnen druk met stressvolle arbeid en 's nachts lijden ze onder slapeloosheid vanwege al hun gepieker dat steeds hun intelligentie verstoort en slaap onderbreekt. De goddelijke orde frustreert hun plannen. Zij en zelfs de wijzen, o Heer, die zich tegen Uw onderwerpen keerden, zullen moeten blijven ronddolen in deze wereld. (11) Verenigd in toewijding voor honderd procent op U gericht en met U verblijvend op de lotus van hun harten, zien de toegewijden die zich op het pad van het luisteren bevinden, o mijn Heer,  hoe U, in het hier en nu, in Uw grondeloze genade precies die bovenzinnelijke gedaante manifesteert die ze in gedachten hebben van U, door zovelen verheerlijkt. (12) U bent nooit echt tevreden met de pompeuze vertoningen met alles erop en eraan van hooggeplaatste dienaren die van aanbidding zijn met harten vol van allerlei verlangens. Want U, de zo verschillend waargenomen Ene en Unieke Weldoener, de Superziel in het hart van de levende wezens, bent er om alle levende wezens Uw grondeloze genade te tonen; U kan niet worden bereikt door hen die zich richten op wat door mensen is geschapen en tijdelijk is [asat]. (13) Het dharma [de juiste, onvergankelijke handelwijze] bestaat daarom uit die verschillende resultaatgerichte handelingen, vormen van liefdadigheid, zware boetedoeningen en bovenzinnelijke vormen van dienstverlening die door de mensen worden volbracht om enkel U te aanbidden, om enkel U, de Fortuinlijke, te behagen. Nimmer zal de plicht die zo wordt verricht tevergeefs zijn.

(14) Laat me U, de Allerhoogste, mijn eerbetuigingen brengen die Zich altijd, door de heerlijkheden van Uw bovenzinnelijke gedaante, onderscheidt in het genieten van het spel en vermaak van Uw kosmische schepping, vernietiging en behoud. U, de Transcendentie die men zich realiseert door intelligent om te gaan met de illusoire verscheidenheid, breng ik mijn eerbetuigingen. (15) Ik neem mijn toevlucht tot de Ongeborene wiens namen, die staan voor Zijn nederdalingen, bovenzinnelijke kwaliteiten en handelingen, de weg openen voor het bereiken van Zijn eeuwige geluk. Als ze worden aangeroepen op het moment dat men dit leven verlaat, nemen ze terstond automatisch alle zonden weg die zich van vele, vele levens ophoopten. (16) Hij, de Almachtige Persoonlijkheid die om redenen van de schepping, handhaving en vernietiging [deze wereld] doordringt met drie stammen - die van mij, S'iva en Hemzelf - groeide, wortelend in de ziel, als de enige ware [samenhang] voor de vele takken [van de religie]. Hem, de Persoonlijkheid van God, deze boom van het systeem der werelden, breng ik mijn eerbetuigingen. (17) Zolang de mensen van de wereld bezig zijn met ongewenste activiteiten en in de handelingen voor hun eigenbelang de door U gunstig verklaarde toegewijde activiteiten minachten, zal de strijd om het bestaan van deze mensen zeer hard zijn en met [het weerstaan van het gezag van] Uw Waakzaamheid [in de vorm van de Tijd] rechtstreeks op een janboel uitlopen. Moge er mijn eerbetuiging zijn voor U. (18) Zelfs ik, die besta in een plaats die twee parârdha's lang voortbestaat [2 x 50 jaar, waarvan één dag en nacht twee maal 4.32 miljard aardse jaren duurt: 311.04 biljoen jaar], die gerespecteerd wordt in al de werelden en die voor vele jaren zware boetedoeningen heb ondergaan voor mijn zelfrealisatie, verlangt ernaar U te bereiken die ik mijn respectvolle eerbetuigingen breng, mijn Heer, o Hoogste Persoonlijkheid en genieter van alle offers. (19) In het verlangen Uw plicht te doen spreidt U bij de genade van Uw wilsbesluit, zich projecterend in de verschillende levensvormen van de dieren, de mensen en de goden, Uw bovenzinnelijk spel en vermaak tentoon. Daarbij verkeert U, ondanks het manifesteren van Uw Goddelijke gedaante, nimmer onder de invloed van de materie. Mijn eerbetuigingen voor die Heer van de Volheden, de Allerhoogste Persoonlijkheid. (20) En ook de onwetendheid [avidya] die zich op vijf manieren doet kennen [zie verder 3.12: 2] raakt U niet. Integendeel, temidden van de gewelddadige reeksen golven in het water op het slangenbed in contact verkerend [met Ananta S'esha], houdt U rust en slaapt U, in Uw buik al de levende wezens en werelden dragend ter wille van hun behoud. Zo laat U de [intelligente] mens Uw geluk zien. (21) Ik bied U mijn eerbetuigingen op het gezag van wie ik manifesteerde vanuit het lotushuis dat ontsprong aan Uw navel, met de bedoeling om, met Uw genade U, de Aanbiddelijke, bij te staan in de schepping van de drie werelden. Ik vereer U, de Aanbiddelijke, die het universum in Zijn buik heeft en wiens ogen na het beëindigen van Uw yogasluimer bloesemen als lotussen.

(22) Moge hij, de Heer van alle universa, die ene vriend en filosoof, de Superziel die als de Allerhoogste Heer van de zes volheden [schoonheid, intelligentie, boetvaardigheid, macht, roem en rijkdom] het geluk schenkt via de geaardheid goedheid, mij de macht van de introspectie gunnen zodat ik, als voorheen, in staat zal zijn om dit universum te creëren als een overgegeven ziel die Hem lief is. (23) Tot deze begunstiger van de overgegeven ziel die, samen met de Godin van het Fortuin [Lakshmî], geniet van wat Hij ook maar tentoon spreidt vanuit Zijn innerlijk vermogen in het aanvaarden van Zijn incarnaties van de goedheid, bidt ik dat ik, begiftigd met Zijn almacht, van dienst mag zijn en mag scheppen en dat ik, ondanks de materiële emoties van mijn hart, er toe in staat zal zijn er ook weer mee op te houden. (24) Ik, die voor de manifestatie van de verscheidenheid van Zijn onbegrensde macht als de energie van het totale universum werd geboren uit het meer van de Allerhoogste Persoon Zijn navel, bidt ervoor dat ik niet zo onfortuinlijk zal zijn de geluidstrillingen van de Vedische waarheid kwijt te raken. (25) Moge de Allerhoogste Heer die zo eindeloos genadevol is in Zijn opperste liefde en glimlachen, Zijn lotusogen openen. Laat de kosmische schepping aldus gedijen en Zijn heerlijkheid vinden als Hij met Zijn lieve woorden, als de oudste en Oorspronkelijke Persoon, onze neerslachtigheid wegneemt.'

(26) Maitreya zei: 'Nadat hij de bron van Zijn verschijnen had gadegeslagen en boetvaardig, vol van kennis en met een geconcentreerde geest naar zijn beste vermogen aandacht had besteed aan de woorden van zijn gebed, viel hij stil alsof hij moe was. (27-28) Toen Madhusûdana [Krishna als de doder van Madhu] de oprechtheid van Brahmâ zag, hoe terneergeslagen hij was over de verwoestende wateren van het tijdperk en in dubio verkeerde over de toestand van de verschillende werelden, sprak Hij tot hem in diepe, betekenisvolle bewoordingen om zijn zorgen weg te nemen.'

(29) De Opperheer zei: 'Begiftigd als je bent met de diepgang van alle Vedische wijsheid, wanhoop niet over de onderneming van de schepping. Dat wat je van Me vraagt, werd door Mij reeds geregeld. (30) Om zeker te zijn van Mijn ondersteuning moet je, als vanouds, boetvaardig zijn en bidden [mediteren op de mantra's]. Door die kwaliteiten zal je de hele wereld in je hart geopenbaard zien, o brahmaan. (31) Als je je verbonden in de toewijding geheel hebt verdiept in het universum, zal je zien dat Ik Mij er overal in bevindt, o Brahmā, en dat jij, met inbegrip van al de werelden en al de levensvormen, deel van Mij uitmaakt. (32) Je zal Me aanwezig zien in het universum en in alle levende wezens als vuur aanwezig in hout en je zal ongetwijfeld datzelfde moment in staat zijn de zwakheid achter je te laten. (33) Zo gauw je Mij benaderd hebt en je, met je zinnen niet meer beïnvloed door de natuurlijke geaardheden, vrij bent van het grove en subtiele zelf, zal je je zuivere essentie [svarûpa] zien en het koninkrijk van de hemel genieten. (34) Met je verlangen de verscheidenheid aan diensten uit te breiden en de bevolking eindeloos te doen toenemen, zal je ziel daarin nimmer bedroefd zijn omdat aan Mijn genade geen grenzen gesteld zijn. (35) Omdat je de oorspronkelijke ziener bent, zal de verraderlijke geaardheid van de hartstocht je nooit bekruipen en zal je denken, ondanks dat je nageslacht genereert, altijd op Mij gefixeerd zijn. (36) Hoewel Ik voor de geconditioneerde ziel moeilijk te kennen ben, word Ik vandaag door jou gekend omdat je begrijpt dat Ik niet een product ben van de materie, de zinnen, de geaardheden of de verbijstering van het zelf. (37) Ik manifesteerde Mij van binnenuit voor jou toen je, in je overwegen van de bron van de lotus, via zijn stengel in het water Mij probeerde te ontdekken. (38) De gebeden die je voor Mij deed, o Brahmâ, de verhalen over Mij die Mijn heerlijkheden opsommen en  je boete verankerd in geloof, zijn allemaal [te beschouwen als] Mijn grondeloze genade. (39) Moge alle zegen op jou rusten die in je verlangen bad voor de victorie van al de werelden door zo fraai Mijn kwaliteiten en Mijn transcendentale positie te beschrijven. Je hebt Mij er zeer mee behaagd. (40) Een ieder die regelmatig deze verzen bidt zoals gesteld, zal door zijn aanbidding zeer spoedig al zijn verlangens vervuld zien, want Ik ben de Heer van alle zegening. (41) Door Mij met goede werken, boetedoeningen, offers, liefdadigheid en verzonkenheid in yoga tevreden te stellen, zal het menselijk wezen zich verzekeren van zijn uiteindelijke succes, zo luidt de mening van hen die de Absolute Waarheid kennen. (42) Omdat Ik de Superziel ben, de bepaler van alle andere zielen en de meest dierbare van al het dierbare, zou men al zijn gehechtheid aan Mij moeten opdragen. Want de liefde immers die men heeft voor zijn lichaam en andere zaken, heeft men aan Mij te danken. (43) Breng nu, met je beheersing van de Vedische kennis en je lichaam, die beiden rechtstreeks hun bestaan aan de [Super]ziel ontlenen, zoals te doen gebruikelijk de levens voort van allen die nauw met Mij verbonden zijn.'

(44) Maitreya zei: 'Na de schepper van het universum aldus te hebben geïnstrueerd, verdween de voorwereldlijke, oorspronkelijke Heer in Zijn persoonlijke Nârâyanagedaante uit het zicht.'

 

Hoofdstuk 10: De Afdelingen van de Schepping

(1) Vidura zei: 'Hoeveel levende wezens werden door de almachtige grootvader van alle schepselen op deze planeet geschapen vanuit zijn lichaam en geest, nadat de Hoogste Persoonlijkheid was verdwenen? (2) Wees zo goed al mijn twijfels uit te bannen en beschrijf van het begin tot het einde alles dat ik u vroeg, o machtige man, o beste onder de zielen die goed thuis zijn in de kennis.' "

(3) Sûta zei [zie Canto 1]: "O zoon van Bhrigu [S'aunaka], de grote wijze, de zoon van Kushâra [Maitreya] aldus gestimuleerd door Vidura, voelde zich tevredengesteld en gaf, sprekend vanuit zijn hart, antwoord op de vragen.

(4) Maitreya zei: 'Brahmâ verrichtte aldus, voor het heil van de ziel, voor een honderdtal hemelse jaren boete zoals hem dat gezegd was door de Ongeboren Allerhoogste Heer. (5) Hij die op de lotus zijn bestaan gevonden had zag toen hoe de lotus waarop hij zat en het water eromheen trilden vanwege de wind die werd aangewakkerd door de kracht van de eeuwige Tijd. (6) Omdat door zijn boete zijn bovenzinnelijke kennis en zelfbewustzijn was toegenomen was zijn praktisch inzicht gerijpt, en met dat vermogen nam hij de wind tezamen met het water in zich op. (7) Toen hij zag hoe uitgebreid de lotus was waarop hij zich bevond dacht hij bij zichzelf: 'Ik zal hiermee [met deze lotus in het Tijdbewogen water] al de werelden die voorheen in mij zijn opgegaan weer tot leven wekken.' (8) Er door de Opperheer toe aangemoedigd om tot actie over te gaan, ging hij daarop de werveling van de lotus binnen en verdeelde hij het geheel ervan in drie hoofdafdelingen die hij verder in veertien onderafdelingen verdeelde [zie ook 2.5: 42]. (9) Deze verschillende leefomstandigheden vormen samen het gevolg van de [min of meer] onzelfzuchtige plichtsvervulling [het dharma] van de individuele zielen in relatie tot de Hoogste Persoonlijkheid.'

(10) Vidura zei: 'Toen u de keuze aan verschillende gedaanten van de Heer, de wonderbaarlijke acteur, besprak, had u het over de eeuwige tijd als één van Zijn namen. O brahmaan, kan u alstublieft beschrijven hoe de tijd zich feitelijk laat kennen, o meester, wat zijn zijn kenmerken?'

(11) Maitreya zei: 'Hij [de Eeuwige Tijd] vormt de bron van de verschillende [organische en anorganische] interacties van de natuurlijke geaardheden, hij is onverdeeld en onbegrensd en vormt het instrument van de Oorspronkelijke Persoon om met Zijn spel en vermaak het materiële leven van de ziel gestalte te geven. (12) Het was door  middel van de tijd [kâla], het verborgen, onpersoonlijke aspect, dat de Heer van  het Allerhoogste Absolute [van God of brahma] het materiële fenomeen losmaakte dat zijn plaats vond als het zinsbegoochelende materiële vermogen van Vishnu. (13) Zoals hij [de Eeuwige Tijd] er is in het heden, was hij er in het begin en zal hij er ook hierna zijn.

(14) De conditionering [of schepping] wordt verdeeld in negen soorten. Behalve de vorming overeenkomstig de basiskwaliteiten [d.w.z. de guna's ofwel de geaardheden van de goedheid, hartstocht, en onwetendheid] is er de vorming overeenkomstig de materiële kwaliteiten van de tijd [van beweging, kennis en onbeweeglijkheid] en zijn er de drie scheppingsvormen die tot een eind komen [van de planten, de dieren en de mensen]. (15) De eerste schepping is die van de [goedheid van de] kosmische intelligentie [de mahat-tattva] van de Allerhoogste Heer waarin de wisselwerking van de natuurlijke kwaliteiten plaatsvindt. De tweede schepping bestaat uit [de hartstocht van] het geïdentificeerde zelf, het valse ego, op basis waarvan er kennis is van de materiële elementen die dan hun werking vinden. (16) De derde soort van materiële vorming bestaat uit die van de [onwetendheid van de] elementen die aanleiding geven tot zinswaarneming. De vierde schepping bestaat uit [de materiële beweging van] dat wat basaal leidt tot de kennisverwervende en handelende functies [van de zintuigen]. (17) De vijfde soort van schepping wordt gevormd door de wisselwerking met de geaardheid goedheid die samen met de geest die er uit voortkomt resulteert in de godheden [die over de zintuigen heersen]. Ten zesde is er dan de schepping van de duisternis [uit de traagheid van de materie] die van meesters dwazen maakt. (18) Dit zijn de zes primaire materiële scheppingen. Verneem nu van mij over de drie secundaire scheppingen [van plant, dier en mens voortgebracht] met het tijdverdrijf van de almachtige incarnatie van de geaardheid hartstocht [Brahmâ] die de de intelligentie van Heer heeft.

(19) De zevende hoofdafdeling van de schepping betreft de zes soorten van wezens die niet uit zichzelf bewegen: bomen die vruchten dragen zonder bloemen, planten en struiken die bestaan totdat de vrucht is gerijpt, de klimplanten, de gewassen met een holle stengel, planten die opklimmen zonder steun en de bloesemende vruchtbomen. (20) Deze wezens voeden zich van bovenaf, zijn vrijwel onbewust met enkel een innerlijk voelen en bestaan uit vele soorten. (21) De achtste schepping wordt gevormd door de lagere diersoorten. Er zijn er achtentwintig verschillende en men gaat ervan uit dat ze geen kennis hebben van hun lot, buitengewoon onwetend zijn, zaken onderscheiden middels de reuk en van een gebrekkige gewetensfunctie zijn. (22) O allerzuiverste, de koe, de geit, de buffel, de antiloop, het zwijn, de gavaya [een soort van os], het hert, het schaap en de kameel hebben allen gespleten hoeven. (23) De ezel, het paard en het muildier, de gaura, de s'arabha bison en het wilde rund hebben slechts één teen. O Vidura, laat me je nu vertellen over de dieren met vijf nagels. (24) Dat zijn de hond, de jakhals, de vos, de tijger, de kat, het konijn, het sajâru stekelvarken, de leeuw, de aap, de olifant, de schildpad, de iguana ['vierbenige slang'], de krokodil en anderen. (25) De reiger, de gier, de kraanvogel, de havik, de bhâsa [een ander soort aaseter], de bhallûka, de pauw, de zwaan, de sârasa [indische kraanvogel], de cakravâka, de kraai, de uil en zo meer, zijn de vogels. (26) Maar er is nog een negende soort die [ook] zijn buik vult, o Vidura. Die bestaat slechts uit één verschijningsvorm: de mensen. Bij hen staat de geaardheid hartstocht voorop. Ze hebben het heel druk met [het terugdringen van] hun misère, maar beschouwen zichzelf altijd als heel gelukkig.

(27) Deze drie secundaire scheppingen zijn, met inbegrip van de schepping van de halfgoden [als een extra categorie], mijn beste, in tegenstelling tot de andere scheppingen die ik beschreef, [wat betreft hun geaardheden en kwaliteiten] onderhevig aan aanpassingen [aan mutaties ofwel aan een evolutie], ofschoon de Kumâra's [de zonen van Brahmâ, de brahmanen, de wijzen] van beider aard zijn [d.w.z. ze passen zich fysiek aan, maar veranderen niet in kwaliteit].  (28-29) De schepping van de halfgoden bestaat uit acht typen: (1) de zelfgerealiseerde zielen, (2) de voorvaderen, (3) de atheïsten, (4) de transcendentale wezens, de engelen en de heiligen, (5) de beschermers en de reuzen, (6) de hemelse zangers, (7) de leidgeesten voor het goede en het kwade en de hemelbewoners en (8) de bovenmenselijke wezens en dergelijken. Alle tien soorten van scheppingen die ik je beschreef, o Vidura, zijn geschapen door Brahmâ, de schepper van het universum. (30) Hierna zal ik de verschillende nakomelingen van de Manu's bespreken en hoe de Schepper, bewogen door de geaardheid hartstocht, zijn scheppingswerk doet in de verschillende tijdperken en dat doet met een feilloze vastbeslotenheid vol achting voor de Allerhoogste Heer die, middels Zijn eigen energie, vanuit Zichzelf ten tonele verschijnt als Zichzelf.'


 

Hoofdstuk 11: De Indeling van de Tijd zich Uitbreidend vanuit het Atoom

(1) Maitreya zei: 'Men moet weten dat de uiteindelijke aanwezigheid van dat wat zichzelf in het vele toont als het ondeelbare, bestaat uit een oneindig klein deeltje [paramânu] waarvan de combinatie [in verschillende vormen] illusie opwekt in de mens. (2) De opperste eenheid van dat deeltje dat aanwezig is in de materiële vormen, behoudt zijn oorspronkelijke gedaante tot het einde der tijden, het is van een eeuwigdurende, onovertroffen uniformiteit. (3) De tijd, mijn beste, die behalve dat hij gekend wordt als de ongemanifesteerde Almachtige Heer die alle fysieke actie beheerst, kan derhalve ook worden afgemeten aan de beweging van zowel de kleinste als de grootste vormen van deeltjescombinaties. (4) De tijd van dat kleinste deeltje bestaat uit de tijd die het nodig heeft om zich uit te strekken over [of te vibreren in] een bepaalde atomaire ruimte. De allergrootste tijd is de tijd die in beslag genomen wordt door het bestaan van het geheel van alle atomen.

(5) Twee oneindig kleine deeltjes vormen een atoom [een anu] en drie atomen vormen een trasarenu waaraan men wordt herinnerd met een straal zonlicht vallend door het latwerk van een raam waarin men iets [een stofdeeltje] in de lucht naar boven ziet bewegen. (6) De tijd in beslag genomen door de combinatie van drie trasarenu's wordt een truthi genoemd [1/16.875 seconde] waarvan er honderd een vedha worden genoemd. Drie van hen worden een enkele lava genoemd. (7) De tijdsduur van drie ervan staat gelijk aan één nimesha [± 0.53 seconde] en de tijd van drie van hen heet een kshana [± 1.6 seconde], vijf daarvan staan voor een kâshthhâ [± 8 seconden] en een laghu bestaat uit vijftien van hen [± 2 minuten]. (8) Een aantal van vijftien van die laghu's wordt een nâdikâ [of danda van ± 30 minuten] genoemd en twee van hen vormen één muhûrta [ongeveer een uur], terwijl zes tot zeven van hen een yâma vormen [een kwart van een lichtdag of een nacht] afhankelijk van de menselijke berekening [het seizoen of de breedtegraad]. (9) Het meetvat [de waterklok] heeft een gewicht van zes pala's [± 4 ons] met een vier mâsha [17 karaats] gouden peilstift van vier vingers lang die een gat bedekt waardoor het zich vult met water tot 'prastha' [volledig, tot het zinkt]. (10) Vier yâma's beslaan de duur van zowel de dag als de nacht van het menselijk wezen en vijftien dagen [van acht yâma's elk] vormen één pakshah [periode van twee weken] welke men gemeten kent als zijnde ofwel zwart ofwel wit [afhankelijk van het feit of er een volle maan dan wel een nieuwe maan in optreedt]. (11) Het samenstel van zo een 'dag' en 'nacht' wordt een voorouderlijke [traditionele of solaire] maand genoemd waarvan een tweetal een seizoen vormt. Zes van hen [resp. 'koude' of hemanta, 'dauw' of s'is'ira, 'lente' of vasanta, 'warmte' of grîshma, 'regen' of varshâs en 'herfst' of s'arad, gerekend vanaf de 22e december] stroken met de beweging van de zon gaande door de noordelijke en zuidelijke hemel. (12) Deze beweging van de zon wordt gezegd één dag van de halfgoden te vormen en wordt een vatsara genoemd [een tropisch jaar] van twaalf maanden. De levensduur van het menselijk wezen wordt geschat op een groot aantal [een honderdtal] van dergelijke jaren [zie ook de 'volledige kalender van orde'].

(13) De oneindig kleine deeltjes en hun combinaties, de planeten, de hemellichamen [zoals de maan] en de sterren, draaien allen rond in het universum om hun omloop in een jaar te volbrengen van het Almachtige [het cyclische, de sturing] van de eeuwige tijd. (14) We spreken van een omloop van de zon alsook van de omloop van een planeet, de omloop van onze sterren [in ons sterrenstelsel rond Sagittarius A in de hemel], de omloop van de maan en de omloop van de aarde, o Vidura, als zijnde één enkel [maar verschillend benoemd] jaar [resp. een sterrenjaar, een planetair jaar, een galactisch jaar, een lunatie en een tropisch jaar]. (15) Met achting voor al Zijn vijf verschillende typen van jaren moet men respect oefenen voor de Ene [Heer van de Tijd] die, verschillend van al het geschapene, Zich roert onder de naam van de Eeuwige Tijd en die, met Zijn energie op verschillende manieren de zaden van de schepping tot leven wekkend, gedurende de dag de duisternis van de levende wezens verdrijft. Door aldus offers te brengen, ontwikkelt men kwaliteit in het materieel bestaan.'

(16) Vidura zei: 'U gaf de maat aan van de uiteindelijke levensduur van de voorvaderen, de goden en de mensen. Kan u, o grote geleerde, nu een beschrijving geven van de tijdsperioden van de levens van de verheven zielen die meer dan een millennium beslaan? (17) O machtige meester, u kent de bewegingen van de Allerhoogste Heer in de gedaante van de eeuwige tijd, want u hebt, in de beheersing van de yoga, de ogen van een zelfgerealiseerde om het gehele universum te overzien.'

(18) Maitreya zei: 'De vier yuga's [tijdperken of millennia] genaamd Satya, Tretâ, Dvâpara en Kali beslaan tezamen ongeveer [één mahâyuga van] 12.000 godenjaren [welke ieder uit 360 vatsara's bestaan].  (19) De opeenvolgende yuga's beginnende met Satya-yuga zijn respectievelijk ieder vier, drie, twee en één maal 1.200 halfgodenjaren lang. (20) Experts zeggen dat de overgangsperioden aan het begin en einde van iedere yuga verschillende honderden godenjaren beslaan. Het zijn millennia [zoals het millennium waarin we nu leven] waarin allerlei soorten van religieuze activiteiten plaatsvinden. (21) Het plichtsbesef van de mensheid wat betreft zijn vier principes van dharma [die van satya, dayâ, tapas, s'auca; waarheid, mededogen, boete en zuiverheid] werd gedurende Satya-yuga naar behoren nageleefd, maar in de andere yuga's namen de principes geleidelijk aan de één na de ander af [eerst boete, dan mededogen, dan zuiverheid]. (22) Naast de duizend [mahâ-]yuga's die samen één dag van Brahmâ [van 4.32 miljard jaar] van de drie werelden uitmaken, mijn beste [de hemelse, svarga; aardse, martya en lagere, pâtâla werelden], is er ook een nacht die net zo lang duurt waarin de Schepper van het universum zich te rusten legt. (23) Na het einde van de nacht als een andere dag van Heer Brahmâ aanbreekt, begint de schepping van de drie werelden, die in totaal de levens van veertien Manu's beslaat, weer van voren af aan. (24) Iedere Manu geniet aldus een tijd van leven van iets meer dan eenenzeventig [mahâ-]yuga's.

(25) Na iedere Manu verschijnt de volgende ten tonele met inbegrip van zijn afstammelingen, de zeven wijzen, de godsbewusten en de koning van de halfgoden [Indra] alsook allen die hen volgen. (26) Dit is Heer Brahmâ's schepping van dag tot dag waarin de lagere dieren, de menselijke wezens, de voorvaderen en de halfgoden zich rondbewegen, verschijnend in de drie werelden op basis van hun karma. (27) Telkens als de ene Manu de andere opvolgt, spreidt de Allerhoogste Heer Zijn goedheid tentoon in Zijn verschillende incarnaties, als de Manu zelf en als anderen, en handhaaft Hij met het zich ontvouwen van Zijn goddelijke vermogens dit universum. (28) Aan het einde van de dag [van Brahmâ] staakt de Hoogmogende Tijd zijn manifestatie en verkeren daarop, met het volkomen geheel vervallen in duisternis, alle levende wezens in diepe stilte. (29) Precies zoals dat gaat met een gewone nacht, zijn al de drie werelden die uit het zicht verdwenen, daarbij verstoken van het licht van de zon en de maan. (30) Als de drie werelden in vuur en vlam gezet zijn door de kracht van het vuur dat voortkomt uit de mond van Heer Sankarshana [zie 3.8: 3], bewegen Bhrigu en andere bewoners die worden geteisterd door de hitte, zich van de wereld van de heiligen [Maharloka] naar de wereld van de goddelijke mensen [Janaloka, de volgende wereld van celibataire heiligen, zie 2.5: 38]. (31) Direct na het begin van de verwoesting van de drie werelden stromen al de zeeën over met gewelddadige winden en orkanen die de golven hoog opstuwen. (32) De Heer die in Zijn mystieke sluimering met gesloten ogen ligt op het bed van Ananta in het water, wordt verheerlijkt door de bewoners van de werelden van de godsbewuste mensen.

(33) Met de symptomen van de dagen en nachten van de voortgang van de tijd, wordt zijn [Brahmâ's] leven en worden ook onze levens beperkt tot een duur van honderd jaar, zij het dat het in zijn geval een honderdtal van zijn jaren duurt [met zijn leven bestaande uit twee parârdha's of twee maal 155.5 biljoen menselijke jaren, zie ook 3.9: 18]. (34) De eerste helft van zijn tijd van leven genaamd één parârdha is voorbij en nu zijn we in dit tijdperk begonnen met de tweede helft. (35) De superieure eerste helft begon met een grootse kalpa genaamd de Brâhma-kalpa waarin Heer Brahmâ zich manifesteerde die men kent als de [bron van de] Vedische klanken. (36) Aan het einde van die enorme tijdspanne kwam wat men de Pâdma-kalpa noemt tot stand waarin aan het waterbekken van de navel van de Heer de lotus van het universum ontsproot. (37) De huidige kalpa [aan het begin] van de tweede helft, o afstammeling van Bharata, wordt gevierd als die van Vârâha waarin de Heer verscheen in de gedaante van een everzwijn [zie 1.3: 7]. (38) De tijd afgemeten aan de twee helften van Brahmâ's leven beslaat voor de ongeboren, onveranderlijke en onbegrensde Ziel van het universum slechts een kort moment. (39) Deze eeuwige tijd die vanaf het allerkleinste deeltje reikt tot de uiteindelijke tijdsduur van twee parârdha's, is nimmer bepalend voor de Allerhoogste Heer, hij is de heerser over die zielen die zich met het lichaam identificeren. (40) Als een combinatie van de basiselementen en hun transformaties heeft dit manifeste universum zich uitgebreid tot een diameter van een half miljard [yojana's - een dynamische kosmische maat]. (41) [De ruimte van de oneindig kleine deeltjes, de oerether, pradhâna] breidde zich uit tot het tienvoudige [van de omvang van de zich eruit condenserende basiselementen en hun transformaties] die verschijnend als atomen er in binnengingen om samen te clusteren tot vele andere eivormige verblijfplaatsen [of sterrenstelsels]. (42) Die oorzaak aller oorzaken [waarin men al de universa aantreft] wordt de onvergankelijke Absolute Waarheid genoemd, het bovenzinnelijk verblijf van de rechtstreekse, persoonlijke manifestatie van de Opperziel: Heer Vishnu.'

Zie ook de pagina: "S'rîmad Bhâgavatam & Bhagavad Gîtâ Tijdcitaten".



Hoofdstuk 12: De Schepping van de Kumâra's en Anderen

(1) Maitreya zei: 'Tot dusverre heb ik u de glorie van de Superziel onder de naam van kâla, de tijd, beschreven, o Vidura, probeer nu van me te begrijpen hoe de bron van de Veda's [Brahmâ] de dingen schiep zoals ze zijn.

(2) Allereerst schiep hij [de vijf] vormen van onwetend bezig zijn: het idee dat men zou sterven [andha-tâmisra], gevolgd door verongelijktheid [tâmisra], de hunkering van de dwaasheid [mahâ-moha], het begoochelende van fouten [zoals het zich met het lichaam identificeren en dergelijke, moha] en het duister van het tekortschieten in zelfbewustzijn [tamas]. (3) Toen hij [Brahmâ] een dermate problematische schepping voor zich zag, had hij geen hoge dunk van wat hij gedaan had en vond hij daarop, na zich gezuiverd te hebben door te mediteren op de Allerhoogste Heer, de geest voor een andere schepping. (4) De zelfgeborene schiep toen Sanaka, Sananda, Sanâtana en Sanat-kumâra, [de Kumâra's] die celibatairen zijn ['zij wiens zaad opwaarts gaat'] vrij van iedere vorm van baatzuchtig handelen. (5) Hij zei hen vanbinnen: 'O mijn zoons, plant je voort', maar ze wilden dat niet, omdat ze, in hun toewijding voor de Allerhoogste Heer, zich op het pad bevonden van de principes van de bevrijding.  (6) Niet gerespecteerd door zijn zoons die weigerden de opdracht uit te voeren, deed hij zijn best de moeilijk te beheersen woede in te tomen die toen in hem opwelde. (7) Ondanks de meditatieve beheersing van de oorspronkelijke vader kwam er vanuit zijn woede, rechtstreeks van tussen zijn wenkbrauwen, een kind ter wereld dat een kleur had die bestond uit een combinatie van rood [staande voor hartstocht] en blauw [staande voor onwetendheid]. (8) Het kind riep luidkeels naar de vader van al de goden: 'O machtige heerser van het lot, wijs me mijn namen toe en zeg me wat mijn plaatsen zijn, o leraar van het universum.'

(9) Hij, de almachtige geboren uit de lotus, ging in op dat verzoek en suste het kind met de woorden: 'Schreeuw maar niet, ik zal doen wat je wil. (10) O belangrijkste van de halfgoden, omdat je als een jongen zo heftig een keel opzette, zullen de mensen je aanspreken met de naam Rudra. (11) Het hart, de zinnen, de levensadem, de ether, de lucht, vuur en water, aarde en de zon, de maan en ook de verzaking vormen samen de plaatsen die voor jou bestemd zijn. (12) Je [andere] namen zijn: Manyu, Manu, Mahinasa, Mahân, S'iva, Ritadhvaja, Ugraretâ, Bhava, Kâla, Vâmadeva en Dhritavrata. (13) Dhî, Dhriti, Rasalâ, Umâ, Niyut, Sarpi, Ilâ, Ambikâ, Irâvatî, Svadhâ en Dîkshâ zijn, o Rudra, je [elf] echtgenotes [de Rudrânî's]. (14) Aanvaard alsjeblieft deze namen, plaatsen en vrouwen en verwek nageslacht met hen op grote schaal, want je bent de meester van de levende wezens.' (15) Aldus geïnstrueerd door zijn geestelijk leraar, bracht de machtige heer van de vermenging van blauw en rood generaties voort die dezelfde kracht, verschijning en aard bezaten als hij. (16) Maar toen hij zag wat de zonen die door Rudra waren voortgebracht allemaal deden en hoe hun eindeloze aantallen samen het hele universum in beslag namen, werd de vader van de levende wezens bang. (17) 'O beste van de halfgoden, [zei hij,] jullie hebben genoeg van dit soort levende wezens voortgebracht. Ze verschroeien alle windrichtingen en ook mij met het laaiende vuur van hun ogen. (18) Doe [vrijwillig] boete, dat zal jullie goed doen en alle levende wezens geluk brengen. Alleen door boete te doen zal je zoals voorheen het universum tot stand kunnen brengen. (19) Enkel door boetvaardigheid kent een persoon het hoogste licht en kan hij volledig zijn in zijn respect voor de Opperheer voorbij de zinnen die in ieders hart verblijft.'

(20) Maitreya zei: 'Aldus geïnstrueerd door de zelfgeborene, omliep hij [Rudra] de meester van de Veda's terwijl hij 'Zo zij het' zei. Daarop begaf hij zich in het woud om boete te doen. (21) Vastbesloten tot schepping over te gaan verwekte hij [Brahmâ] die door de Allerhoogste Heer ertoe in staat was gesteld, toen tien zonen teneinde de wereld te bevolken: (22) Marîci, Atri, Angirâ, Pulastya, Pulaha, Kratu, Bhrigu, Vasishthha, Daksha met als de tiende Nârada. (23) Nârada kwam voort uit zijn schoot, Daksha kwam uit de duim voort, uit de levensadem zag Vasishthha het licht, terwijl Bhrigu voortkwam uit zijn aanraking en de wijze Kratu uit zijn hand. (24) Pulaha kwam voort uit de navel, Pulastya uit de oren, de grote wijze Angirâ uit de mond, uit de ogen kwam de wijze Atri voort en de wijze Marîci verscheen uit zijn geest. (25) Uit de rechter zijde van de borst, waar Nârâyana huist, manifesteerde zich de religie terwijl de ongelovigheid, waardoor de wereld de verschrikkingen van de dood vreest, uit zijn rug verscheen. (26) Uit het hart manifesteerde zich de lust, uit de wenkbrauwen de woede, van tussen zijn lippen de hebzucht, uit de mond kwam de aandrang tot spreken voort terwijl uit zijn penis de oceanen verschenen en uit de anus, de bron van alle ondeugd, de laagste activiteiten voortkwamen. (27) Uit zijn schaduw manifesteerde zich Kardama Muni, de echtgenoot van Devahûti. Dit is hoe het geheel van dit levende universum van de schepper zich ontwikkelde uit zowel het lichaam als de geest van de meester.

(28) O Vidura, we hoorden dat de dochter Vâk die uit zijn lichaam werd geboren, de geest van Brahmâ afleidde en verlangens bij hem opwekte, hoewel zij zelf geen lust koesterde. (29) Toen de zonen, de wijzen met Marîci aan het hoofd, zagen dat zijn geest werd bewogen door ondeugd, legden ze met het nodige respect het volgende aan hem voor: (30) 'Dat wat u nu met uw dochter aan het doen bent zonder uw seksuele verlangen te beheersen, hebt u, noch iemand anders, ooit eerder gedaan, noch zal iemand in de toekomst ooit zoiets doen, o meester. (31) O meester van het universum, een dergelijke houding is zeker niet gepast voor u, de machtigste ziel, wiens goede gedrag en karakter een voorbeeld vormt dat wordt gevolgd door de hele wereld strevend naar voorspoed. (32) Laten we de Allerhoogste Heer onze eerbetuigingen brengen die, vanuit de ziel, met de kracht van Zijn eigen luister deze manifestatie tot stand bracht. Moge Zijn plichtsbetrachting ons allen beschermen.' (33) Toen hij zijn zonen voor zich zag staan die zich aldus tot hem richtten, verliet de vader aller vaders van de mensheid hoogst beschaamd zijn lichaam. Dat lichaam werd opgenomen door de windrichtingen als een verschrikkelijke mist die bekend staat om zijn duisternis. (34) Toen de schepper zich op een goede dag afvroeg hoe hij opnieuw de drie werelden tot stand moest brengen als voorheen, manifesteerde de Vedische literatuur zich uit zijn vier monden. (35) Aldus manifesteerden zich de vier functies van het [op offeren gerichte] handelen [het offer, de offeraar, het vuur en het offeren] en de aanvullingen op de Veda met hun logische gevolgtrekkingen, alsmede de vier beginselen van de religie [waarheid, reinheid, versobering en mededogen] en de spirituele afdelingen [âs'rama's] en de afdelingen van de roepingen [varna's].'

(36) Vidura zei: 'Kan u, o weelde der verzaking, alstublieft zeggen met welke mond welke Veda werd voortgebracht door de god die de heerser over de scheppers van het universum is?'

(37) Maitreya zei: 'De vier Veda's genaamd Rig-, Yajur-, Sâma- en Atharva Veda kwamen, te beginnen bij de voorkant [oost, zuid, west, noord], ieder uit een van de vier monden tevoorschijn en in dezelfde volgorde volgden de schriftuurlijke beschouwingen [de S'astra voor de Hotâpriester], de rituelen [de Ijya voor de Adhvaryupriester], het recitatiemateriaal [de Stutistoma voor de Udgâtâpriester] en de bovenzinnelijke dienst van de verzoening [de Prâyas'citta voor de Brahmâritvik]. (38) Op dezelfde manier werden te beginnen bij de voorste mond in de oostelijke richting de Vedische wetenschappen van de geneeskunde [de Âyurveda], het boogschieten [de Dhanurveda], de muziekwetenschap [de Ghandarvaveda] en de bouwkunst [de Sthâpatyaveda] voortgebracht [die samen de Upaveda's worden genoemd]. (39) De Itihâsa's - de  aparte geschiedenissen - en de verzamelingen van klassieke verhalen genaamd de Purâna's, die samen bekend staan als de z.g. vijfde Veda, werden voortgebracht door al de monden van hem die in iedere richting kijkt. (40) Uit zijn oostelijke mond alsmede uit ieder van de andere monden bracht hij een tweetal offers voort: shodas'î, uktha [uit het oosten], purîshi, agnishthoma [uit het zuiden], âptoryâma, atirâtra [uit het westen] en vâjapeya en gosava [uit het noorden]. (41) Educatie [vidyâ of ook wel zuiverheid - s'auca - verkregen door kennis genoemd], liefdadigheid [dâna], boete [tapas] en waarheid [satya] zijn de vier pijlers van de religie die in dezelfde volgorde tot stand kwamen samen met de levensorden [de studenten, gehuwden, teruggetrokken mensen en de verzakers] en de roepingen [de arbeiders, de handelaren, de bestuurders en de intellectuelen]. (42) Toen kwamen er [ter regulatie van de brahmacârî, de celibataire student] de geloften van Sâvitra [drie dagen van celibaat na de heilige draadceremonie], Prâjâpatya [celibaat voor één jaar], Brâhma [celibaat tijdens de studie van de Veda] en Brihat [levenslang celibaat] en de geloften [ter regulering van het huishoudelijk leven] van Vârtâ [beroepsuitoefening volgens de geschriften], Sañcaya [leiden van plechtigheden], S'âlîna [leven van alles wat zonder te vragen wordt verkregen] en S'îluñcha [leven van wat er overblijft in het veld en op de marktplaats]. (43) [Ook manifesteerden zich zo de aanwijzingen voor] de [vânaprashta's of] teruggetrokken zielen: de vaikhânasa's [die leven van wat in het wild groeit], de vâlakhilya's [zij die hun voorraad opgeven als ze nieuwe granen ontvangen], de audumbara's [die leven van het voedsel dat ze op hun weg vinden] en de phenapa's [zij die leven van vruchten die van de bomen vielen], alsmede [voor] de wereldverzakende orde [van de sannyâsî's die] bestaat uit de kuthîcaka's [kluizenaars met een vaste plek], de bahûdaka's [of de bahvoda's, zij die de voorkeur geven aan kennis boven handelingen], de hamsa's [zij die zich volledig op het pad van de bovenzinnelijke kennis bevinden] en de nishkriya's of paramahamsa's [zij die de spirituele wijsheid bereikten en zich onthouden van handelingen]. (44) In dezelfde volgorde verschenen [de vier takken van kennis]: ânvîkshikî [de spirituele kennis van de bevrijding], trayî [de kennis van de rituelen], vârtâ [technische kennis] en dandanîti [politieke wetenschap]. Zo ook verschenen de vyâhriti's [van de eerste regel en de drie eerste woorden van de Gâyatrî mantra] tezamen met de Pranava [de mantra Aum] die uit zijn hart opwelde. (45) Uit de haren op zijn lichaam kwam ushnik [een bepaald metrum in de poëzie] voort, uit de huid van de machtige kwam de gâyatrî [de drievoet] voort, trishthup [een ander metrum] kwam voort uit zijn vlees, uit de aderen kwam anushthup voort en uit de beenderen van de vader van de levende wezens werd jagatî gegenereerd [twee andere metrums]. (46) Uit zijn beenmerg manifesteerde zich pankti terwijl brihatî, voortkwam uit de levensadem [twee vers-soorten]. (47) Zijn individuele ziel manifesteerde zich als de spars'a letters [de harde medeklinkers] van het Sanskriet alfabet [van ka tot ma], terwijl zijn lichaam zich uitdrukte in de Sanskriet medeklinkers [a, â, i, î, u, û, ri, rî, l, e, ai, o, au]. Zijn zinnen worden de dubbelklanken genoemd [s'a, sha sa en ha], zijn kracht toonde zich als de tussenklanken [ya, ra, la en va] en vanuit de innerlijke vreugde van de heer van de levende wezens manifesteerden zich de zeven muzieknoten [*]. (48) Bestaand in de vorm van het bovenzinnelijke geluid van het Oorspronkelijke Zelf, de Superziel, is hij zowel manifest [als Vedische uitingen] als niet manifest [als de innerlijke klank van omkâra]. Verschijnend als het Absolute [van het volkomen geheel van brahman], breidde hij zich uit toegerust met vele verschillende energieën.

(49) Na een ander lichaam te hebben aanvaard richtte hij [wederom] zijn aandacht op de zaak van de schepping. (50) O zoon van de Kuru's, in de wetenschap dat, ondanks het grote vermogen van de wijzen, de bevolking zich niet uitbreidde, wijdde hij zijn hart opnieuw aan deze materie. Hij dacht: (51) 'Helaas, hoe is het mogelijk dat met mij altijd zo druk bezig de bevolking niet toeneemt! Er moet een bepaalde goddelijke voorbeschikking zijn die me in dezen tegenwerkt.' (52) Terwijl hij aldus zijn situatie overzag en zich erop bezon, manifesteerde zich een tweevoudige gedaante waarvan men zegt dat het zijn lichaam is [de menselijke gedaante geschapen naar zijn evenbeeld - kâya - 'dat wat hoort bij Ka of Brahmâ']. (53) Met zijn gedaante aldus in tweeën verdeeld, ging hij daarop een seksuele relatie aan. (54) De man werd de onafhankelijke heerser, de vader van de mensheid [de Manu] genaamd Svâyambhuva en de vrouw raakte bekend als S'atarûpâ. Zij was de koningin voor de grote ziel die hij was. (55) Als gevolg van de seksuele activiteit overeenkomstig de regulerende beginselen [zie vers 41], vermeerderden zich sedertdien de geslachten. (56) O beste van allen, in de loop van de tijd verwekte hij in S'atarûpâ vijf kinderen: Priyavrata, Uttânapâda en de drie dochters, o zoon van Bharata, geheten Âkûti, Devahûti en Prasûti. (57) Zij die Âkûti werd genoemd huwde hij uit aan de wijze Ruci, de middelste [Devahûti] schonk hij aan de wijze Kardama en Prasûti werd aan Daksha gegeven. Door hen raakte de gehele wereld bevolkt.'

*: De zeven Vedische muzieknoten zijn: sa, ri, gâ, ma, pa, dha en ni [resp. c, d, e, f, g, a, bes] ookwel genaamd shadja, rishabha, gândhâra, madhyama, pañcama, dhaivata en nishâda.


  

Hoofdstuk 13: Het Verschijnen van Heer Varâha

(1) S'rî S'uka zei: 'Na te hebben geluisterd naar deze zo heilige woorden van Maitreya Muni, o Koning, stelde de beste onder de Kuru's nog meer vragen betreffende de verhalen over Vâsudeva waar hij zo van hield. (2) Vidura zei: 'O grote wijze, wat deed Svâyambhuva Manu, de koning aller koningen en beminde zoon van Brahmâ, nadat hij zijn liefdevolle echtgenote had verworven? (3) Wees zo goed me te vertellen over de handelingen van deze heilige, oorspronkelijke koning, o beste van allen. Ik zou heel graag vernemen over die koning die zijn toevlucht zocht bij Vishvaksena  [de almachtige Heer Vishnu]. (4) Personen die standvastig zich moeite getroosten te luisteren naar dat wat uitvoerig wordt verklaard door zuivere toegewijden, zullen dankzij de uitspraken van hen die de lotusvoeten van de Heer van de Bevrijding in hun hart plaatsten, de bovenzinnelijke kwaliteit van een trouwe geest vinden.' (5) S'rî S'uka zei: 'Nadat hij, zo uiterst bescheiden, zich aldus had uitgelaten kreeg Vidura, die op zijn schoot de lotusvoeten ontving van Hem met de duizend hoofden, de complimenten alsook een antwoord van de wijze van wie, in extase, de haren overeind stonden toen hij het woord nam met zijn verhalen over de Allerhoogste Heer.

(6) Maitreya zei: 'Nadat Svâyambhuva Manu samen met zijn vrouw was verschenen, richtte hij, de vader van de mensheid, met gevouwen handen en eerbetuigingen zich tot het reservoir van de Vedische wijsheid [Brahmâ]: (7) 'U bent de ene, ware verwekker van alle levende wezens, de vader en bron van hun levensonderhoud, maar wij, die allen uit u werden geboren, vragen ons af hoe we u van dienst kunnen zijn. (8) Geef ons, met alle respect, o aanbiddelijke, daarvoor aanwijzingen. Wat zijn die plichten die we, voor zover dat in ons vermogen ligt, voor u moeten naleven? Wat moet men doen voor Zijn goede naam [Zijn roem] alom in deze wereld en wat moet men doen om te vorderen naar de volgende wereld?'

(9) Brahmâ zei: 'Ik ben heel tevreden over jou, mijn zoon, moge al mijn zegen op jullie beiden rusten, o heer van de wereld, want je hebt je in je hart zonder enige terughoudendheid aan mij overgegeven vragend om mijn leiding. (10) Dit is precies de goede manier, o heer van de wereld, om de geestelijk leraar te eren. Zij die een gezond verstand hebben en hun jaloezie de baas zijn, behoren naar hun volle vermogen en met de hoogste achting, deze instructie te aanvaarden. (11) Zorg in die rol daarom bij haar voor kinderen met dezelfde eigenschappen als jij, zodat ze, eenmaal geboren, over de wereld kunnen heersen op basis van de religieuze beginselen [de vidhi], het brengen van offers en het aanbidden van de Oorspronkelijke Persoonlijkheid. (12) Beschouw het beschermen van de levende wezens als de beste manier om mij van dienst te zijn, o heerser over de mensen. Hrishîkes'a, de Opperheer van de Zinnen, zal tevreden zijn als je de bewaker van hun levens bent. (13) Het werk van hen die er nooit in slaagden de Allerhoogste Heer Janârdana ['de Heer van alle levende wezens'], het voorwerp van alle offeranden, tevreden te stellen, is gegarandeerd tevergeefs, want ze respecteerden niet hun eigen ware zelf als zijnde de Allerhoogste Ziel.'

(14) Manu zei: 'Ik zal me houden aan wat uw machtige zelf heeft opgedragen, o doder van alle zonde, alstublieft zeg me wat mijn plaats is in deze wereld en wat de plaats is van hen die uit mij geboren zijn. (15) O god van deze planeet, de aarde, de verblijfplaats van alle wezens, is verzonken in de uitgestrekte wateren [van de Garbhodhaka oceaan van het geschapen universum]. Wilt u haar alstublieft naar boven halen?'

(16) Maitreya zei: 'De persoonlijkheid van de transcendentie [Brahmâ] die ook zag dat de aarde was ondergedompeld dacht: 'Hoe zal ik haar opheffen?' en mediteerde daarop er een lange tijd als volgt over: (17) 'Toen ik bezig was met haar schepping, werd de aarde overspoeld door een vloed en raakte ze diep ondergedompeld. Wat kunnen wij die verwikkeld zijn in deze kwestie van het scheppen nu het beste doen? Moge de Heer uit wiens hart ik werd geboren me hierin bijstaan!' (18) Aldus in gedachten verzonken kwam er opeens uit zijn neusgat, o zondeloze, een klein zwijntje [Varâha] tevoorschijn dat niet groter was dan het topje van een duim. (19) Toen hij dat zag gebeuren,  breidde de gedaante zich op wonderbaarlijke wijze plotseling uit in de lucht, transformerend tot het formaat van een gigantische olifant, o zoon van Bharata. (20) Met de gedaante van die zwijnachtige verschijning voor zich begon hij toen met Manu, de brahmanen die door Marîci werden aangevoerd en de Kumâra's de zaak op verschillende manieren onder woorden te brengen: (21) 'Wie is dit uitzonderlijke wezen dat zich voordoet als een zwijn? En hoe wonderlijk dat Hij uit mijn neus tevoorschijn kwam! (22) Het ene moment is Hij slechts zo groot als de top van een duim en direct daarop is Hij zo groot als een megaliet! Zou dit de Opperheer van de offers Vishnu zijn? Ik sta versteld!' (23) Terwijl Brahmâ aldus met zijn zoons aan het overleggen was, produceerde de Allerhoogste Heer van de Opoffering, de Oorspronkelijke Persoon, een woeste schreeuw alsof Hij wilde aanvallen. (24) Met het ongekende stemgeluid dat in alle richtingen weergalmde, verzette de almachtige Heer zowel Brahmâ als de hoog verheven brahmanen in grote vreugde. (25) Met in hun oren het luide gebrul waarmee de algenadige Heer in de gedaante van een Zwijn aan het persoonlijk leed een einde maakte, hieven de bewoners van Tapoloka, Satyaloka en Janaloka [zie 2.5: 39] toen allen een lofzang aan met de heilige mantra's van de drie Veda's.

(26) Zichzelf heel goed kennend als de gedaante die het resultaat is van de verbreiding van het Vedische geluid dat voortspruit uit de kennis van de autoriteiten van de Waarheid, brulde Hij nogmaals in reactie op het bovenzinnelijk eerbetoon van de wijzen en intelligenten en ging, speels als een olifant, ter wille van hun het water in. (27) Met Zijn staart in de lucht zwiepend en huiverend met de scherpe en harde haren van Zijn vacht, dreef Hij de wolken met Zijn hoeven uiteen en straalde Hij met Zijn blinkend witte slagtanden als de glorie van de Opperheer en Handhaver van de wereld. (28) Met Zijn neus naar de aarde snuffelend, speurde Hij die het bovenzinnelijk lichaam van een zwijn had aangenomen, overal en toonde Hij Zijn schrikwekkende slagtanden, maar niettemin begonnen al de brahmanen te bidden toen ze zagen hoe Hij Zijn blik op hen wierp terwijl Hij het water inging. (29) De enorme berg van Zijn lichaam dreef door de kracht van de duik de oceaan uiteen in twee hoge golven waardoor die, als met twee armen behept, in nood hardop het gebed uitsprak: 'O Meester van alle Offers, bescherm mij alstUblieft!' (30) Hij, die als de Meester van alle Offers met Zijn vlijmscherpe hoeven het water binnendrong, vond haar tenslotte toen Hij de grenzen van de grenzeloze oceaan bereikte. Hij zag haar, de weelde van de levende wezens, daar liggen zoals ze altijd was geweest en tilde haar persoonlijk omhoog. (31) Omhoog komend uit het water verscheen Hij, die de ondergedompelde aarde ophief met Zijn slagtanden, in Zijn volle glorie. Maar toen moest Hij, gloeiend in een heftige woede, Zijn cakra [Zijn werpschijf of wiel] inzetten tegen de demon [Hiranyâksha - 'hij met de gouden ogen'] die zich met een strijdknots in Zijn richting spoedde. (32) Niet te bedwingen doodde Hij toen vaardig zonder moeite de zich in het water tegenover Hem opgestelde vijand, zoals een olifant zich ontdoet van een leeuw. Daarbij raakten Zijn kaken en tong met bloed besmeurd als was Hij een olifant die heeft zitten graven in de [roodgekleurde] aarde. (33) Op het moment dat Hij blauwgekleurd als een tamâla-boom, als was Hij een spelende olifant, de aarde omhoog hield op Zijn gekromde slagtanden, o Vidura, konden zij die werden aangevoerd door Brahmâ Hem herkennen als de Allerhoogste Heer. Daarop brachten ze Hem met gevouwen handen gebeden uit de Vedische hymnen.

(34) De wijzen zeiden: 'U zij de glorie en victorie, o Onoverwinnelijke, U die middels het brengen van offers wordt begrepen. Al onze eerbetuigingen gelden U die met Uw lichaam schudt dat bestaat uit de drie Veda's en in wiens poriën van de haren op Uw lichaam deze [Vedische waarheid] schuilt. Wij betuigen U de eer die Zich geroepen voelde de gedaante van een Zwijn aan te nemen! (35) O Heer, voor de onverlaten is deze gedaante van U maar moeilijk te zien die men middels het brengen van offers kan aanbidden: met de Gâyatrî en andere mantra's vereert men Uw huid, met het kus'agras [waarop men zit als men mediteert] vereert men de haren op Uw lichaam; met de geklaarde boter [die wordt gebruikt bij het offeren] eert men Uw ogen en met de vier functies van het offeren respecteert men Uw vier poten [zie 3.12: 35]. (36) Uw tong is het offerbord en Uw neusgaten vormen een ander bord, o Heer. In Uw buik herkennen we het bord om van te eten en de gaten van Uw oren vormen ook zo'n bord. Uw mond is het [Brahmâ]bord voor het  geestelijk aspect van het offeren en Uw keel is het bord voor de soma [een rituele drank], maar dat wat U vermaalt met Uw tanden, o Allerhoogste Heer, is wat U tot Zich neemt middels het offervuur [agni-hotra]. (37) De drie [upasada ishthi's of] inzegeningen vormen samen Uw nek. Uw herhaalde incarnaties vormen de inleidende offers van uitgietingen in het vuur [genaamd de dîkshanîya ishthi], Uw slagtanden vormen samen het [prâyanîya ishthi] verloop en de [udayanîya ishthi] afsluiting van de inzegening. Uw tong wordt gevormd door de [pravargya] aanheffingen [voor de drie upasada's]. Uw hoofd zijn de vuren zonder offerplechtigheden [satya] alsook de vuren met offerplechtigheden [âvasatya] en Uw levensadem bestaat uit de combinatie van alle offers. (38) Uw semen is de soma offerande, Uw stabiliteit respecteert men met de rituelen in de ochtend, de middag en de avond, o Heer, de verschillende lagen van Uw lichaam vormen de zeven soorten offers [zie 3.12: 40] en de gewrichten van Uw lichaam zijn de verschillende offerplechtigheden [genaamd de satrâni's] die men gedurende een periode van twaalf dagen uitvoert. U, o Heer, die Zich slechts laat binden door offers, bent het voorwerp van aanbidding van al de soma- en asoma-offers. (39) Wij bewijzen U de eer die, als de Allerhoogste Heer voor al de ingrediënten en soorten van offers, te aanbidden bent met behulp van de universele gebeden. Als men met verzaking en toewijding de geest de baas is, kan men zich U realiseren als de essentie van alle offers. U als de geestelijk leraar van dergelijke kennis, brengen we keer op keer onze eerbetuigingen. (40) O Allerhoogste Heer, met het ondersteunen van de aarde en haar bergen zo prachtig gesitueerd op de toppen van Uw vooruitstekende tanden, o Heer van de Verheffing, kwam U uit het water tevoorschijn als een statige olifant met op Zijn slagtand een lotus compleet met zijn bladeren. (41) Deze gedaante van U van de Veda's in eigen persoon die als een zwijn de planeet aarde op Zijn slagtanden omhoog houdt, straalt met de schoonheid van grote bergtoppen die nog mooier lijken door de wolken eromheen. (42) U als de vader tilt deze moeder aarde als Uw echtgenote op, waar de zich bewegende en niet-bewegende levende wezens hun verblijf hebben. Laten we U onze eerbetuigen brengen alsook haar in wie U Uw vermogen investeerde, zoals een offeraar aranihout in brand steekt. (43) Wie anders dan U, o meester, kon de aarde uit haar positie in het water bevrijden? Voor U zijn zulke daden niet verwonderlijk, want het wonder van het wonderbaarlijke universum dat U op basis van Uw vermogens schiep, overtreft alle andere. (44) Toen U als de verpersoonlijking van de Veda's Uw lichaam uitschudde, werden wij als de bewoners van Janaloka, Tapoloka en Satyaloka besprenkeld met de druppels die waren achtergebleven in het haar op Uw schouders en raakten zo geheel gezuiverd, o Allerhoogste Heer. (45) Hij die de grens wil kennen die aan Uw talloze handelingen gesteld zou zijn is zijn verstand kwijt. Het hele universum dat wordt beheerst door de materiële kwaliteiten is begoocheld door de eenheid van Uw innerlijk [yogamâyâ] vermogen. O Heer van de Volheden, schenk ons Uw genade!'

(46) Maitreya zei: 'Aldus geprezen door de grote wijzen en transcendentalisten plaatste Heer Zwijn, de Handhaver, de aarde op het water dat Hij beroerde met Zijn hoeven. (47) Nadat de Almachtige Persoonlijkheid van God Vishvaksena, de Meester van Alle Levende Wezens, aldus de aarde en haar schepselen bij wijze van spel en vermaak boven water had getild, keerde de Heer terug naar Zijn hemelverblijf. (48) Over degene die met een toegewijde houding luistert naar of anderen vertelt over deze heilzame en waardevolle geschiedenis van de Heer die een einde maakt aan het materiële motief, zal de Heer aanwezig in 't hart [van een ieder] terstond tevreden zijn. (49) Wat zou er moeilijk te bereiken zijn voor iemand die de grenzeloze genade van Zijn tevredenheid geniet? Als iets buiten die genade valt ziet het er onbeduidend uit. Die toegewijden die niets anders dan Zijn genade wensen verheft Hij, die persoonlijk verblijft in het hart, tot de allerhoogste transcendentie van Zijn woning. (50) Och, ben je wel een mens te noemen als je, eenmaal vertrouwd met de essentie van de klassieke verhalen, je verzet via je oren te laven aan de nectar van de vertellingen over de Heer die een einde maakt aan de pijn van het materiële bestaan?'



Hoofdstuk 14: De Bevruchting van Diti in de Avond

(1) S'rî S'uka zei: 'Nadat hij van de wijze Maitreya de beschrijving had gehoord van het verhaal over de Allerhoogste Persoonlijkheid die voor het opheffen van de wereld als een zwijn was verschenen, verzocht Vidura, als gezworen toegewijde, hem met gevouwen handen om meer, aangezien hij zich niet geheel voldaan voelde. (2) Vidura zei: 'O beste van de wijzen, ik hoorde van u dat de eerste onder de demonen, Hiranyâksha, werd gedood door de Heer, het doel van alle offers. (3) Om welke redenen had Hij in Zijn spel en vermaak waarin Hij de aarde optilde met Zijn slagtanden, o brahmaan, een gevecht met de koning van de demonen? (4) Alstublieft vertel deze trouwe persoon, deze toegewijde, tot in detail over Zijn verschijnen, o grote wijze, want ik heb met mijn nieuwsgierige geest nog niet genoeg gehoord.'

(5) Maitreya zei: 'Mijn beste toegewijde, o grote held, dat wat u me vraagt over de onderwerpen aangaande de Allerhoogste Persoonlijkheid, vormt voor hen die gedoemd zijn te sterven de bron van de bevrijding van geboorte en dood. (6) De zoon van koning Uttânapâda [Dhruva] werd als kind door Nârada over deze onderwerpen op de hoogte gesteld en plaatste, toen hij [bij zijn dood] vertrok om op te stijgen naar het verblijf van de Heer, zijn voet op het hoofd van Mrityu [de god van de dood, als opstapje om in de vimâna van Nanda en Sunanda te stappen, zie 4.12: 30]. (7) Wat betreft deze kwestie [van het verschijnen van Heer Varâha] vernam ik van Brahmâ, de god van de goden, lang geleden de nu volgende geschiedenis die hij vertelde vanwege vragen gesteld door de halfgoden.

(8) O Vidura, op een avond smeekte Diti, de dochter van Daksha, in seksuele nood verkerend haar echtgenoot Kas'yapa, de zoon van Marîci, om bij haar een kind te verwekken. (9) Na het aanbidden van de Oorspronkelijke Persoonlijkheid van Alle Offers met uitgietingen op Zijn tong gevormd door het offervuur, zat hij diep verzonken in de tempelkamer terwijl de zon onderging.

(10) Diti zei: 'O geleerde, Cupido heeft met jou op het oog al zijn pijlen op mij gericht en brengt, me daarmee opjagend als een dolle olifant die een bananenboom te lijf gaat, mijn arme zelf in verlegenheid. (11) Wees zo goed, het doet me pijn om de kinderen en de welstand te zien van je andere vrouwen. Verleen me deze gunst en maak [daarmee] ook jezelf gelukkig in ieder opzicht. (12) De roem van die echtgenoten die veel liefde hebben voor hun vrouw zal zich in de wereld verspreiden, want door de kinderen van een goede echtgenoot als jij zal de samenleving bloeien. (13) Lang geleden vroeg onze vader, de zeer vermogende Daksha, vol genegenheid ieder van zijn dochters: 'Aan wie geef je de voorkeur als je echtgenoot, mijn kind?' (14) Hij die zijn kinderen het beste wenste, schonk ze, indachtig hun wensen, alle dertien aan jou; en ze zijn je nu allemaal trouw. (15) Wees daarom zo aardig aan mijn verlangens tegemoet te komen, o lotusogige, de verzoeken van hen die in nood een persoon van formaat benaderen zullen, o almachtige, toch zeker niet vergeefs zijn?'

(16) O held, de zoon van Marîci antwoordde haar toen met kalmerende woorden want ze was, behoeftig en praatgraag, zeer van streek door de lust die bezit van haar genomen had. (17) 'Ik zal ingaan op je verzoek, ik zal doen wat je van me verlangt, mijn gekwelde lieveling! Wie zou er nu niet ingaan op de wensen van degene die garant staat voor de realisatie van zijn drie perfecties [de levensdoelen van dharma, artha, kâma: het regelen van de religie, de economie en de zinsbevrediging]? (18) Levend met een metgezel kan iemand die alle levensstadia doorloopt, samen met alle roepingen, de gevaarlijke oceaan van het materiële bestaan oversteken zoals men een oceaan met zeewaardige schepen oversteekt. (19) Met iemand die de wederhelft van je lichaam vormt kan je al je verlangens in goede banen leiden, o achtenswaardige ziel, en kan je met het aan de ander toevertrouwen van verantwoordelijkheden een [relatief] onbezorgd leven leiden. (20) De zinnen zijn, voor andere levensorden dan die van de huishouders, moeilijk te overwinnen vijanden. Wij die in die orde ons heil zoeken kunnen ze makkelijk de baas, net zoals een bevelhebber van een vesting dat kan met binnendringende plunderaars. (21) We zullen er nimmer in slagen om voor jou te doen wat jij voor ons hebt gedaan, o koningin van het huis. Ons hele leven zal dat niet lukken, noch in een volgend leven. Ook anderen die je kwaliteiten waarderen zullen dat niet kunnen. (22) Laat mij, nu dat gezegd is, meteen werk maken van deze seksuele belangstelling van je om een kind te verwekken. Maar wacht eerst eventjes, zodat me niets te verwijten valt. (23) Deze tijd is het minst gunstige moment voor zoiets, het is de akelige tijd waarin de geesten en hun meester iemands constante gezelschap vormen. (24) Om deze tijd van de dag, o kuise vrouw, in de schemering, waart [S'iva] de Heer en weldoener van de spoken die hem omringen, rond als hun koning op de rug van de stier [Nandî]. (25) Met de schoonheid van het onberispelijk zuiver, stralende lichaam van de halfgod dat besmeurd is met het stof en de rook opgewaaid van de crematie van de doden en met zijn samengeklitte haar overdekt door as, beziet je [zuster's, d.w.z. Satî's] echtgenoot [een ieder] met zijn drievoudige blik [van zon, maan en vuur]. (26) Hij beschouwt niemand in deze wereld als zijn verwant noch wie dan ook als niet verbonden. Hij acht niemand groter noch minacht hij wie dan ook. Trouw eerbiedigen wij verplicht aan hem zijn voeten en verzekeren wij ons van de restanten van het geofferde voedsel dat hij terugstuurde. (27) Hoewel wat betreft zijn onberispelijke karakter, nageleefd door de wijzen in hun verlangen een eind te maken aan de onwetendheid van de massa, er niemand is die even zo groot is, treedt hij niettemin, ter wille van de realisatie van de toegewijden, persoonlijk op als een antagonist [naakt en besmeurd met as]. (28) De ongelukkigen die, met wat ze doen, hem uitlachen zonder zich bewust te zijn van zijn bedoeling dat men zich moet bezinnen op zijn eigen ziel, koesteren met luxe als kleding, bloemenslingers en smeersels hun lichaam als was het het ware zelf, het lichaam dat uiteindelijk dienst doet als hondenvoer. (29) Brahmâ zowel als de andere goden houden zich aan de rituele gedragscode van hem, die staat voor het principe van de materiële energie van mâyâ. Oh, het tegendraadse optreden van dit grootse karakter is niets dan een schijnvertoning [waarin hij het karma op zich neemt]!'

(30) Maitreya zei: 'Ondanks dat ze hiermee door haar echtgenoot op de hoogte was gesteld, greep ze, met haar zinnen onder de druk van Cupido, de grote wijze brahmaan bij zijn kleren, als was ze een schaamteloze publieke vrouw. (31) Met begrip voor de koppigheid van zijn vrouw over de verboden daad, boog hij zich voor zijn lot en sliep hij met haar. (32) Daarna nam hij een bad en mediteerde hij, met het in gebed [met de Gâyatrî] beheersen van zijn adem en zijn stem, op het licht van de eeuwigheid met behulp van de zuivere geest van het Absolute. (33) O zoon van Bharata, Diti, beschaamd over de foute daad, benaderde de geleerde wijze met haar gezicht naar beneden gewend en sprak tot hem. (34) Diti zei: 'Laat deze zwangerschap van mij, o brahmaan, o edelste van allen, niet worden afgebroken door Rudra [S'iva], de meester van de schepselen tegen wie ik een overtreding beging. (35) Ik betuig Rudra de eer, de woeste, grote halfgod die alle verlangens vervult, de algunstige en vergevingsgezinde die je onmiddellijk woedend terecht wijst. (36) Moge hij, die grote en genadige verheven persoonlijkheid, mijn zwager gehuwd met Satî ['de kuise', de zuster van Diti], tevreden over ons zijn, hij die de god van alle vrouwen is voor wie zelfs de laagsten nog sympathie koesteren.'

(37) Maitreya zei: 'Deze vader van de mensheid richtte zich toen tot de [van angst] trillende echtgenote die zich had onttrokken aan de regels en voorschriften voor de avond en het welzijn nastreefde van haar kinderen in de wereld. (38) Kas'yapa zei: 'Vanwege je onzuivere geest, omdat je de heiligheid van het moment schond en ook door je te grote onverschilligheid over mijn aanwijzingen, had je eveneens te weinig achting voor de goden. (39) O ongelukkige, uit je noodlottige baarmoeder zullen twee kwalijke zoons hun geboorte nemen en zij, o hartstochtelijke, zullen een voortdurende bron van verdriet vormen onder de bestuurders van de drie werelden. (40) Ze zullen arme en onschuldige levende wezens doden, vrouwen kwellen en de grote zielen kwaad maken. (41) Als dat gebeurt zal de Hoogste Persoonlijkheid en Heer van het Universum die het welzijn van de gewone man op het oog heeft, in eigen persoon nederdalen en hen beiden in grote woede doden als was Hij de gesel van de bergen met de bliksemschicht zelf [Indra].'

(42) Diti zei: 'Het is een grote eer om ter plekke te worden gedood door de werpschijf in handen van de Fortuinlijke. O echtgenoot, ik bid [slechts] dat mijn zonen nimmer hun einde zullen vinden als gevolg van de woede van de brahmanen. (43) Een persoon afgestraft door de vloek van een brahmaan en iemand die andere levende wezens in angst doet leven, worden niet gewaardeerd door hen die van de hel zijn, noch door de andere levensvormen waaronder een overtreder zijn geboorte kan nemen.'

(44-45) Kas'yapa zei: 'Omdat je meteen met een juiste bekentenis blijk geeft van spijt en je je boetvaardig opstelt, omdat je grote bewondering hebt voor de Allerhoogste Persoonlijkheid, voor Heer S'iva en ook mij respecteert, zal één van de [vier] zoons [Prahlâda] van jouw zoon [Hiranyakas'ipu] wèl de goedkeuring van de toegewijden genieten. Zijn bovenzinnelijke glorie zal de geschiedenis ingaan als gelijk aan die van de Allerhoogste Heer. (46) Zoals goud van een inferieure kwaliteit door zuivering wordt veredeld, zullen heilige personen die zuivering zoeken in hun streven naar vrijheid van vijandigheid en dergelijke, in het voetspoor treden van deze levenshouding en dit karakter. (47) Hij, de Hoogste Persoonlijkheid door wiens genade dit universum zijn geluk vindt, zal als het zelf van getuigenis [in de bijzondere zorg die Hij aan dat karakter in Zijn toegewijden besteed], zeer tevreden zijn over iemand met zo'n rotsvast geloof. (48) Hij zal zonder twijfel de beste onder de toegewijden zijn, de grootste ziel met de grootste invloed die goed gerijpt is door zijn toegewijde dienst [*]. Met een hart vol extatische liefde zal hij ongetwijfeld Vaikunthha [de uiteindelijke werkelijkheid, het paradijs, de hemel] bereiken als hij deze materiële wereld verlaat. (49) Hij zal een deugdzaam en gekwalificeerd reservoir vol goede kwaliteiten zijn, hij zal zich verheugen op het geluk van anderen en van streek zijn als anderen ongelukkig zijn. Hij zal geen vijanden hebben en een einde maken aan alle treurnis in de wereld, zoals er een aangename maan is na een hete zomerzon. (50) Je kleinkind zal, in zichzelf en buiten zichzelf, de zuivere gedaante [van de Heer] met de lotusogen zien die de vorm aanneemt die Zijn toegewijde zich wenst en die, met een gezicht gesierd met schitterende oorhangers, de excellentie vormt van de prachtige Godin van het Geluk.'

(51) Maitreya zei: 'Toen ze hoorde dat haar kleinzoon een grote toegewijde zou zijn, was Diti zeer verheugd en had ze er vrede mee te weten dat haar twee zoons door Krishna zouden worden gedood.'


*: Bij vers 48: Goed gerijpt betekent gerijpt in drie stadia: sthâyi-bhâva, een bepaalde emotionele relatie hebben met God; anubhâva, bepaalde emoties in die relaties ervaren, en mahâbhâva of het stadium waarin men extatische gevoelens van liefde voor God ervaart.

 

Hoofdstuk 15: Beschrijving van het Koninkrijk Gods

(1) Maitreya zei: 'Diti was er bang voor dat ze door de macht van [het zaad van] de grote Prajâpati een eeuw lang de macht van anderen zou vernietigen en ze de godsbewuste mensen ellende zou bezorgen. (2) De wereld was door die dreiging verstoken van licht en dus raadpleegden de plaatselijke autoriteiten die hun greep zagen verslappen de schepper van het universum [Heer Brahmâ] omtrent de duisternis die zich in alle richtingen uitbreidde. (3) De halfgoden zeiden: 'U, o machtige, moet op de hoogte zijn van deze duisternis waar we zo heel erg bang voor zijn. Uw goddelijkheid is vrij van de invloed van de tijd en dus is er niets wat voor u verborgen is. (4) O god van de goden die het universum in stand houdt, u als het  kroonjuweel van al de bewakers van de geestelijke en materiële werelden bent op de hoogte van de beweegredenen van alle levende wezens. (5) Wij brengen u wiens kracht in de wijsheid schuilt onze eerbetuigingen. Met het verworven hebben van dit lichaam van de uitwendige energie en in aanvaarding van uw bijzondere aard [van de hartstocht] betonen wij u, o ongeziene bron, ons respect. (6) Zij die onwankelbaar zijn in hun toewijding mediteren op u die de oorsprong bent van alle schepselen, de bovenzinnelijke oorzaak van het ware en onware en het zelf waarin al de werelden met elkaar verbonden zijn. (7) Zielen die gerijpt zijn in de praktijk van de yoga en uw genade bereikten met het beheersen van hun zinnen en geest middels hun ademhaling, zullen nimmer door wat dan ook verslagen worden. (8) Hem door wiens aanwijzingen alle levende wezens worden geleid zoals een stier met een touw wordt geleid, hem onder wiens gezag de offers worden gebracht, hem die allerbelangrijkste persoon, u, bieden we onze eerbetuigingen aan. (9) Vanwege deze duisternis komen we niet meer toe aan onze voorgeschreven plichten. We vragen u om ten gunste van ons op te treden, o grote Heer, gun ons, overgegeven zielen, de weldaad van uw genadige blik. (10) O god, dit zaad dat Kas'yapa uitstortte in de schoot van Diti, veroorzaakt een algehele duisternis in alle richtingen zoals een vuur beladen met te veel brandhout.'

(11) Maitreya zei: 'O machtig gearmde, hij, de zelfgeborene die in de gebeden werd aangesproken als de Allerhoogste Heer, stelde glimlachend de halfgoden tevreden door ze in aangename bewoordingen antwoord te geven. (12) Brahmâ zei: 'Zij die vóór uw tijd uit mijn geest hun geboorte namen en door Sanaka worden aangevoerd [Sanâtana, Sanandana en Sanat-kumâra], reisden zonder verlangens te koesteren heen en weer tussen de bewoners van de geestelijke en materiële werelden. (13) Op een dag gingen zij die vrij zijn van alle materiële besmetting Vaikunthha binnen, het eeuwige verblijf van de Hoogste Persoonlijkheid Heer Vishnu, een bereik waarvoor men bidt in al de werelden. (14) Alle personen die daar leven hebben dezelfde gedaante als de Heer van Vaikunthha en houden er geen verlangens op na vanwege hun toegewijde dienst van onafgebroken eerbetoon aan de Hoogste Persoonlijkheid. (15) De Heer van het Fortuin, de oorspronkelijke persoon die men verstaat middels de geschriften, houdt zich daar op als de verpersoonlijking van de religieuze beginselen om tot het grote geluk van ons die bij Hem horen, in Zijn goedheid onze zuiverheid te aanvaarden. (16) Aldaar, waar alles spiritueel en persoonlijk is, zijn er bossen ter bevordering van het geluk die tegemoet komen aan alle verlangens met [wens]bomen die gedurende alle seizoenen zijn overladen met bloemen en vruchten. (17) Met hun vrouwen in paleizen wonend, bezingen de toegewijden daar vrij van alle ongunstige kwaliteiten, onophoudelijk de Allerhoogste Heer, waarbij ze zelfs kritisch zijn over de door de wind meegevoerde geestverruimende geur van de mâdhavîbloemen die vol nectar bloeien in het water. (18) Als de koning van de hommels luid de heerlijkheid van de Heer bezingt komt er even een einde aan het tumult van de duiven, koekoeken, kraanvogels, cakravâka's en zwanen, andere watervogels, papegaaien, patrijzen en pauwen. (19) De geurige mandâra, de kunda, de kurabaka, de utpala, de campaka, de arna, de punnâga, de nâgakes'ara, de bakula, de lelie en de pârijâta zijn het er allemaal over eens dat de tulsîplant [de basilicumplant waarmee de Heer zich opsiert en] die in de vorm van een slinger [door Hem] wordt geëerd vanwege haar geur, het meest van hen allen recht doet aan de goede geest van de boete daar. (20) Door eenvoudig van eerbetoon te zijn voor de voeten van de Heer, verdienden de toegewijden de paleizen die er overal staan, gemaakt van lapis lazuli met smaragd en goud, waarvan de [vrouwelijke] bewoners brede heupen hebben en mooie glimlachende gezichten. Maar met hun vriendelijke lachen en grappenmakerij geven ze, spiritueel verzonken in Krishna, nooit enige aanleiding tot lustmatigheid. (21) In dat huis van de Heer wordt [soms], weerspiegeld in de kristalheldere muren ingelegd met goud, de Godin van het Geluk waargenomen die vrij is van alle fouten. Ze neemt dan een prachtige gedaante aan met rinkelende [enkelbanden aan haar] voeten en spelend met een lotusbloem. Die genade van haar is iets ter wille waarvan de andere dames zich met de grootste inspanning manifesteren als ware poetsvrouwen. (22) Omringd door hun dienaressen in hun tuinen op de met koraal omlijste oevers van de vijvers vol met kristalhelder, heerlijk water, offeren ze tulsîblaadjes aan de Heer. Daarbij stellen ze zich voor hoe met de aanblik van de mooie haarlokken van de godin gereflecteerd in het water, haar gezicht gekust wordt door de Heer. (23) Hoe onfortuinlijk zijn zij die nimmer deze Vaikunthha-schepping van de Overwinnaar van Alle Zonde bereiken, maar liever vernemen over onderwerpen vervat in slechte bewoordingen die je intelligentie doden. Helaas belanden dergelijke personen die ver verwijderd zijn van de waarden van het leven, verstoken van alle toevlucht in de diepste duisternis. (24) Zij die de menselijke vorm van leven bereikten,  kennis verkregen over het Absolute en van de juiste gedragswijze [dharma] zijn zoals wij [Heer Brahmâ en de halfgoden] het wensen, maar niet de Allerhoogste Heer gunstig weten te stemmen, zijn helaas verbijsterd door Zijn alomtegenwoordige, begoochelende energie. (25) [Maar] tredend in het voetspoor van [mij,] de leider van de halfgoden, zullen ze naar Vaikunthha gaan, het bereik dat zich boven dat van mij bevindt, zij die, aangetrokken tot elkaar in besprekingen over de Heer zijn begeerlijke, superieure kwaliteiten en heerlijkheden, extase ondervinden, tranen in hun ogen hebben en de rillingen over hun lijf voelen lopen, en aldus Yamarâja [de heer van de dood] op een afstand houden.

(26) [Brahmâ vervolgde:] Toen de wijzen [met Sanaka voorop] bij machte van hun spiritueel vermogen Vaikunthha bereikten, ervoeren ze een bovenzinnelijk geluk dat ze nog nooit eerder hadden ervaren. Het was de plaats, stralend met de paleizen van de meest verdienstelijke en geleerde toegewijden, waar de leraar van het universum heerst die het voorwerp van aanbidding is in alle werelden. (27) Nadat ze aldaar zes poorten waren gepasseerd zonder er veel belang aan te hechten, vonden ze bij de zevende poort twee halfgoden op hun weg van gelijke leeftijd die waren uitgerust met kostbare knotsen, armbanden, oorhangers, helmen en prachtige kledij. (28) Om hun nek hadden ze, tussen hun vier blauwe armen, een slinger van woudbloemen met daaromheen bedwelmde bijen. Maar om zich heenkijkend met opgetrokken wenkbrauwen, een onrustige adem en rood doorlopen ogen, zagen ze er enigszins opgewonden uit. (29) Hen beide bij de poort zien staand, passeerden de zonen van Brahmâ, zoals ze voorheen deden, zonder op of om te kijken de gouden en diamanten deuren. Zij waren immers de grote wijzen die uit eigen beweging zich overal begaven zonder te worden gecontroleerd of betwijfeld. (30) Toen ze hen zagen, vier naakte, oudere jongens die de waarheid van het zelf hadden gerealiseerd, maar er uitzagen alsof ze niet ouder dan vijf jaar oud waren, hielden de twee poortwachters in weerwil van de glorie en de etiquette, ze met een houding die de Heer onwelgevallig is onterecht tegen met hun staf. (31) Op het moment dat ze werden geplaatst voor de onbeduidende belemmering van de twee poortwachters die hen, ondanks dat ze de meest geschikten waren van de Heer, weigerden voor ogen van de bewoners van Vaikunthhakleurden hun ogen, in hun verlangen hun meest geliefde persoon te ontmoeten, plots rood van woede ['het jongere broertje van de lust'].

(32) De wijzen zeiden: 'Wie zijn jullie twee, dat je door je deugdzame daden in het verleden het hier schopten tot de dienst van de Opperheer? Welke toegewijde die zonder angst en vijandschap in Hem verkeert, kan nu zo vals bezig zijn als jullie? Wie houdt er nu zo'n bedrieglijke mentaliteit als jullie op na die het vertrouwen beschaamt? (33) Niemand hier is een vreemde voor de Allerhoogste Persoonlijkheid die een ieder in Zijn buik heeft. Het levende wezen heeft zijn plaats in de Superziel zoals het kleine beetje lucht dat men in zijn longen heeft deel uitmaakt van de lucht erbuiten. Je vraagt je als een nuchtere ziel af hoe, met de twee van jullie voor ogen die zijn uitgedost als bewoners van Vaikunthha, die eruitzien als ontwaakte zielen die onderscheid maken tussen lichaam en ziel, er nu zo'n angst vanwege Hem kan bestaan? (34) Daarom zijn we van mening dat, met het oog op het afroepen van de genade van de Heer van Vaikunthha, de gepaste maatregel voor jullie antipathieke geesten die de dingen tegengesteld zien, eruit bestaat dat jullie beiden van hier vertrekken naar de materiële wereld van tegenstellingen waar je deze drievoudige zonde vindt die de vijand van het levende wezen is [lust, woede en begeerte, zie B.G. 16: 21].'

(35) De twee [poortwachters] die begrepen dat er een verschrikkelijke brahmaanse vloek over hen was uitgesproken, een vloek die met geen wapen kan worden tegengegaan, vielen terstond bevangen door vrees voor de toegewijden van de Heer ter aarde om in grote angst hun voeten vast te grijpen: (36) 'Het zij zo dat u ons vanwege onze zonden heeft bestraft. Een gebrek aan respect voor grote wijzen zoals u moet worden bestreden. Maar we bidden dat we, met een beetje van uw onbegrensd mededogen voor ons berouw, als we afdalen in de materiële wereld niet in staat van illusie de herinnering zullen verliezen aan de Allerhoogste Heer.'

(37) Datzelfde moment vernam de Allerhoogste Heer, uit wiens navel de lotus ontsproot, van de overtreding jegens de rechtschapen wijzen. Hij kwam toen tot hun grote vreugde daar naar toe, begeleid door Zijn geluksgodin, lopend op dezelfde voeten die worden aanbeden door de kluizenaars en wijzen. (38) Toen ze Hem samen met al Zijn toegewijden en toebehoren op hen af zagen komen, raakten de wijzen, die nu degene waar ze altijd naar hadden uitgezien voor zich zagen, in extase over de aanblik van de câmara's [wuifkwasten van yak-haar] die als fraaie zwanen een koele bries gaven en de parels van Zijn witte parasol bewogen, waardoor ze eruit kwamen te zien als druppels water op een gereflecteerde maan. (39) Allen zegenend met Zijn genadige gelaat als de verlangde toevlucht, bezag Hij hen vol genegenheid en ontroerde Hij hen zich uitbreidend in hun harten. Met Zijn donkergekleurde huid en Zijn brede borst opgesierd door de geluksgodin, spreidde Hij het goede geluk tentoon als het hoogtepunt van de geestelijke werelden en de verblijfplaats van de ziel. (40) Gehuld in het geel had Hij een helder glanzende gordel rond Zijn heupen en zoemende bijen om Zijn slinger van woudbloemen. Om Zijn polsen had Hij fraaie armbanden en terwijl één van Zijn handen rustte op de schouder van de zoon van Vinatâ [Garuda], wuifde Hij een lotusbloem met een andere. (41) Helderder stralend dan de bliksem completeerde de versiering van Zijn krokodilvormige oorhangers de kaken en rechte neus van Zijn voorkomen. Hij droeg een met juwelen versierde kroon, had een bekoorlijk, hoogst waardevol halssnoer tussen Zijn sterke armen en het Kaustubhajuweel sierde Zijn hals. (42) Met Zijn prachtige uitdossing bemediteerd door zijn volledig aandachtige toegewijden, stelde Hij de glimlachen van de Godin van de Schoonheid in de schaduw. Van de aanblik van de zeer mooie gedaante aanbiddelijk voor zowel mij als voor S'iva alsook voor jullie allen, konden de wijzen niet genoeg krijgen en daarvoor bogen ze vol van vreugde hun hoofden. (43) Toen de bries, met het aroma van de tulsîblaadjes van de tenen van de lotusvoeten van de Heer met de Lotusogen, hun neusgaten binnendrong, ondergingen ze een innerlijke transformatie, ondanks het feit dat ze in lichaam en geest [de onpersoonlijke realisatie van] Brahman waren toegewijd. (44) Daarna opkijkend zagen ze Zijn gezicht dat leek op het hart van een blauwe lotus en zagen ze ook de nog mooiere jasmijnbloem van Zijn glimlachende lippen. Aldus hun levensdoel bereikt hebbend keken ze vervolgens weer naar beneden naar de robijnrode nagels van Zijn lotusvoeten en mediteerden ze op hun toevlucht. (45) Voor hen die in deze wereld bevrijding zoeken langs de wegen van de yoga, is Hij het voorwerp van meditatie op prijs gesteld door velen. Met het tentoonspreiden van Zijn menselijke gedaante de ogen behagend wordt Hij, eeuwig aanwezig, geprezen te zijn toegerust met de perfectie van de acht verworvenheden, een perfectie die voor anderen niet bereikbaar is [de zogeheten acht perfecties of siddhi's zijn: animâ: klein zijn, mahimâ: groot zijn, garimâ: gewicht, laghimâ: lichtheid, prâpti: vrije toegang, prâkâmyam: op wens handelen, vas'itva: controle over de elementen en îs'itvam: heerschappij over alles].'

(46) De Kumâra's zeiden: 'Ook al bevindt U zich in het hart, toch bent U niet zichtbaar voor hen die zich ver van de ziel verwijderd hebben. Vandaag, o Onbegrensde, zien we U van aangezicht tot aangezicht, U die ons innerlijk wezen via onze oren bereikte toen we van onze vader [Brahmâ] de beschrijving hoorden van de mysteriën van Uw verschijnen. (47) U, o Allerhoogste Heer, die met Uw persoonlijkheid bestaande uit zuivere goedheid allen in verrukking brengt [die zijn zoals wij], kennen we nu als de uiteindelijke werkelijkheid van de ziel. Deze werkelijkheid kan men, overeenkomstig het begrip van de wijzen die niet geïnteresseerd zijn in een materieel leven, bij Uw genade doorgronden in standvastige toegewijde dienst met een hart vrij van gehechtheden. (48) Zij [die deze praktijk volgen] bekommeren zich zelfs niet om de zegeningen van Uw onvergankelijke zaligheid [kaivalya, de verlichting] of om welk ander ondergeschikt geluk dan ook waarmee zij het fronsen van Uw wenkbrauwen te vrezen hebben. Zij, o Allerhoogste, nemen hun toevlucht tot Uw lotusvoeten en de verhalen over Uw zuivere heerlijkheden die het zo waard zijn om door de uiterst ter zake kundige kenners van Uw rasa's [de emotionele relaties die men met U kan hebben] bezongen te worden. (49) Door de valsheid van de levens die we begeerden kunnen we van een lage geboorte zijn en geesten hebben die zo druk zijn als bijen, maar als we betrokken worden bij de toegewijde dienst aan Uw lotusvoeten en onze oren zich vullen met Uw bovenzinnelijke kwaliteiten, worden de woorden die we bezigen zo mooi als de tulsîblaadjes van Uw genade. (50) Het schonk ons zo enorm veel voldoening deze eeuwige gedaante die U manifesteerde te zien, o alom geprezen Heer. Laten we daarom U onze eerbetuigingen brengen, de Hoogste Persoonlijkheid van God, de Heer die door spirituele personen als wij kan worden herkend maar niet door personen die niet spiritueel zijn.


Hoofdstuk 16: De Twee Poortwachters van Vaikunthha, Vervloekt door de Wijzen

(1) Brahmâ zei: 'Na de vier wijzen van het yogageweten gecomplimenteerd te hebben met hun woorden van lof, richtte de Almachtige van de verblijfplaats Vaikunthha het woord tot hen. (2) De Opperheer zei: 'Deze twee dienaren van Mij genaamd Jaya en Vijaya hebben, met minachting voor Mij, zich schuldig gemaakt aan een ernstige overtreding  jegens u. (3) De straf die u, die van toewijding bent, hen toebedeelde, keur Ik goed, o grote wijzen, omdat ze zich vijandig tegen u keerden. (4) Ik zoek nu uw vergeving omdat die overtreding jegens u, brahmanen, die de hoogsten van God bent, geheel de Mijne is. Ik beschouw Mezelf  als degene die de overtreding beging aangezien zij die u niet respecteerden Mijn dienaren zijn. (5) Als een dienaar iets verkeerd doet, verwijt men dat over het algemeen degene in wiens naam de overtreding werd begaan. Het schaadt de reputatie van die persoon zoveel als lepra de huid schaadt. (6) De nectar van de onbezoedelde glorie [van Mijn naam en faam] die iemand ter ore komt, zuivert het ganse universum op slag, met inbegrip van de laagsten der lagen. Ik ben die persoon van de vrijheid van nalatigheid en dwaasheid, van Vaikunthha, en voor u, die de heerlijkheid van dat verheven pelgrimsoord hebt bereikt, zou Ik zelfs mijn arm afhakken als dat oord vijandig tegen u zou werken. (7) Van hen die dienen in het stof van Mijn heilige lotusvoeten worden alle zonden terstond uitgewist. Daaraan ontleen Ik een zodanige aard dat, ondanks dat Ik niet gehecht ben aan de Godin van het Geluk, ze Me nimmer verlaat, terwijl anderen heilige geloften in acht moeten nemen om de geringste gunst van haar te verkrijgen. (8) Anderzijds geniet Ik niet zoveel van de uitgietingen in het vuur van de offeraar die de ghee, die overvloedig vermengd is met het voedsel, in die mond van Mij offert, als Ik geniet van de beetjes voedsel die de monden van de brahmanen in actie tevredenstellen die de resultaten van hun handelen aan Mij opdroegen. (9) Als Ik die met de macht van Mijn oneindig en ongehinderd inwendig vermogen en met het Gangeswater dat van Mijn voeten spoelde, waarmee Heer S'iva terstond de drie werelden heiligt, op Mijn kroon het heilige stof weet te dragen van de voeten van de brahmanen, wie zou dat dan niet [kunnen]? (10) Zij die omdat hun oordeelsvermogen door zonde is belemmerd, de besten van de tweemaal geboren zielen, de koeien en de hulpeloze schepselen die deel uitmaken van Mijn lichaam, als verschillend van Mij beschouwen, zullen door de kwade gieren van boodschappers van de meester van de straf [Yamarâja] verscheurd worden als waren ze nijdige slangen. (11) Maar Ik wordt beheerst door de brahmanen die zich met het leveren van kritiek [kunnen] uiten. Daarom zijn zij in Mij die er, als waren ze hun zonen, intelligent met verheugde harten en de nectar van hun glimlachende lotusgezichten, in slagen om hen te erkennen met waarderende en liefdevolle woorden. (12) Moge het daarom zo zijn dat de verbanning van deze twee dienaren niet te lang duurt. Niet bekend met de bedoeling van hun meester waren ze in overtreding jegens u. Daardoor moeten ze het onmiddellijke gevolg ervan onder ogen zien, zodat ze spoedig weer de gunst van Mijn nabijheid mogen genieten.'

(13) Heer Brahmâ zei: 'Hoewel ze nu Zijn liefdevolle, goddelijke toespraak hadden gehoord die klonk als een reeks mantra's, waren hun zielen, gebeten door de slang van de woede, niet bevredigd. (14) Met hun oren wijd open de uitnemende en zorgvuldig gekozen woorden van monumentaal belang aanhorend, hadden ze er moeite mee ze te begrijpen. Ze konden, diep nadenkend over hun ondoorgrondelijke wijsheid, zich geen voorstelling maken van de bedoeling van de Heer. (15) De grootse conclusie die de Allerhoogste Heer had geopenbaard vanuit Zijn innerlijk vermogen, deed de vier brahmanen met gevouwen handen spreken in de hoogste staat van verrukking met hun haren overeind. (16) De wijzen zeiden: 'O Fortuinlijke, we snappen niet wat U wilt zeggen, o Heer, omdat U, ondanks dat U de heerser bent, spreekt over [het van onze kant] genade hebben met U! (17) U bent de allerhoogste leider van de geestelijke wereld en de hoogste autoriteit van de brahmanen. U, o meester van de geleerden, bent de God van de goden, de Fortuinlijke die de Ziel is, de aanbiddelijke godheid. (18) U vormt in al Uw verschillende verschijningen de bescherming van de eeuwige roeping [sanâtana dharma]. U bent het verheven doel van de religieuze beginselen; volgens ons bent U de ene onveranderlijke werkelijkheid. (19) Omdat dankzij Uw genade de transcendentalisten die breken met alle materiële verlangens zonder moeite geboorte en dood overwinnen, kan het nooit zo zijn dat U afhankelijk zou zijn van de genade van anderen. (20) De Genade van het Fortuin [de godin Lakshmî], van wie anderen, in hun verlangen naar materieel voordeel, bij gelegenheid op hun hoofd het stof van haar voeten aanvaarden, staat voor U klaar, bezorgd om een plaatsje gelijk aan dat van de koning van de hommels die uit zijn op het aroma van de krans van verse tulsîblaadjes die door de toegewijden wordt aangeboden. (21) Hoe kan U, die als het reservoir van alle volheden zich geen zorgen maakt om haar feilloze toegewijde diensten, U, die voor de zuivere toegewijden het voorwerp van de grootste toewijding bent, worden geheiligd door het stof op het pad van de brahmanen of nu het geluk vinden aan de hand van het S'rîvatsa-teken [de paar witte haren op Uw borst]? (22) U, o Fortuinlijke, bent drievoudig [tapas, s'auca, dayâ] aanwezig in al de drie [voorgaande] yuga's [zie 3.11] ter bescherming van het levende en het levenloze van dit universum. Moge voor het heil van de goden en de brahmanen Uw bovenzinnelijke gedaante van zuivere goedheid de onwetendheid en de hartstocht uitbannen en ons zo al het beste brengen. (23) Als U als de beschermer van de brahmanen - de hoogste klasse - hen niet als de besten acht die alle respect verdienen en die het waard zijn in vriendelijke bewoordingen te worden aangesproken, dan zal, o God, Uw heilzame pad verloren zijn, het pad op basis waarvan de gewone man het gezag van de wijsheid zou aanvaarden. (24) En dat is niet wat U wilt. U, die als het vergaarbekken van alle goedheid het goede wenst te doen voor de mensen in het algemeen, vernietigde middels Uw vermogens de tegenstand. O Heer, U bent de Ene van de drievoud van de natuur en de handhaver van het universum en daarom heeft Uw vermogen niet [onder de rol die U nu speelt] te lijden. Die onderworpen houding is slechts [een spel voor] Uw genoegen. (25) Welke straf dan ook, o Heer, waarvan U denkt dat deze twee of zij die van een beter leven zijn [wij], hem verdienen, zullen we met heel ons hart aanvaarden. Neem welke maatregel U ook maar gepast acht; we begrijpen dat we de zondelozen hebben vervloekt.'

(26) De Allerhoogste Heer zei: 'Deze twee zullen spoedig elders geboorte nemen uit een goddeloze moederschoot. Met de door woede versterkte focus van hun geest, zullen ze hecht met Mij verenigd zijn en snel weer naar Mijn aanwezigheid terugkeren. Weet dat uw vloek door Mij alleen is afgeroepen, o wijzen.'

(27) Brahmâ zei: 'De wijzen hadden nu het oogstrelende, zelfverlichte bereik van Vaikunthha gezien, de verblijfplaats van de onweerstaanbare Heer. (28) Ze omliepen de Allerhoogste Heer, toonden hun respect en keerden opgetogen terug, er vol van kennis gemaakt te hebben met de glorie van de Vaishnava's [de dienaren van Heer Vishnu]. (29) De Opperheer zei toen tegen Zijn twee dienaren: 'Ga hier weg, weest onbevreesd, maar leef in saamhorigheid. Hoewel Ik in staat ben de vloek van een brahmaan te herroepen, wens Ik dat niet te doen, integendeel, Ik keur hem zelfs goed. (30) Dit vertrek werd voorzien door Lakshmî die boos op jullie was toen jullie haar ooit eens de toegang weigerden terwijl Ik lag te rusten. (31) Als Mijn vijand verenigd in jullie bewustzijn, zullen jullie worden bevrijd van de gevolgen van het niet respecteren van de brahmanen en na slechts een korte tijd naar Mij terugkeren.'

(32) Na aldus de twee poortwachters te hebben toegesproken, keerde de Opperheer terug naar Zijn verblijfplaats die wordt opgesierd door reeksen paleizen vol van de weelde [van de dienstbaarheid] van de godin Lakshmî. (33) Maar dat gold niet voor de twee excellente halfgoden die, vanwege de vloek van de brahmanen, onvermijdelijk de schoonheid en luister van Vaikunthha moesten missen en versomberden. (34) Toen de twee in de hemel van de Heer van Vaikunthha ten val kwamen, steeg er een luide kreet van teleurstelling op uit de excellente paleizen van de toegewijden. (35) Deze twee vooraanstaande  metgezellen van de Heer kregen nu via het zeer krachtige zaad van Kas'yapa toegang tot de schoot van Diti. (36) Omdat de Allerhoogste Heer het zo wenste, zijn jullie nu geplaatst voor het vermogen van deze twee onverlichte zielen van de Heer en allen uit je doen. (37) Met Hem als de oorzaak van het handhaven, scheppen en vernietigen van het universum, kan het begoochelend yogamâyâ-vermogen van de Alleroudste zelfs door de meesters van de yoga niet makkelijk worden doorgrond. Maar Hij is onze Opperheer en Meester over de Geaardheden en zal alles in orde brengen. Wat zou [anders] de bedoeling zijn van ons uitweiden over dit onderwerp?'





Hoofdstuk 17: De overwinning van Hiranyâksha over Alle Windstreken van het Universum

(1) Maitreya zei: 'Toen de hemelbewoners de verklaring van Brahmâ hoorden over de oorzaak [van de duisternis], raakten ze bevrijd van hun angst en keerden ze vervolgens allen terug naar hun hemelplaatsen. (2) De deugdzame Diti, vol van zorgen over de levenslange problemen waarover haar echtgenoot had gesproken met betrekking tot haar kinderen, bracht tweelingzonen ter wereld. (3) Toen ze werden geboren, waren er vele zeer angstwekkende, ongunstige voortekenen waar te nemen in de hemel, op aarde en in de lucht. (4) De bergen en de aarde schudden van de aardbevingen en het leek alsof er uit alle richtingen vuur kwam met vallende meteoren, bliksemschichten, kometen en ongunstige gesternten. (5) Scherpe winden bliezen die voortdurend huilden en legers van cyclonen met stofwolken als hun vaandel ontwortelden de grootste bomen. (6) Samenpakkende wolken verduisterden de hemellichten met de bliksem schaterend in de hemel; alles was gehuld in duisternis en men kon niets meer onderscheiden. (7) Getroffen door verdriet huilde de oceaan vol van geagiteerde schepselen met hoge golven, de drinkplaatsen en rivieren waren verstoord en de lotussen kwijnden weg. (8) Voortdurend verschenen er mistige halo's rondom de zon en de maan die verduisteringen lieten zien, men hoorde donderslagen en er kwamen ratelende geluiden van strijdwagens uit de grotten in de bergen. (9) In de dorpen braakten angstaanjagende jakhals-teven vuur uit hun muilen en er waren de schreeuwen van uilen en het onheilspellende gehuil van jakhalzen. (10) De honden hieven hun koppen allerlei geluiden voortbrengend, soms alsof ze zongen en dan weer alsof ze huilden. (11) De ezels, o Vidura, renden in groepen rond van hot naar haar, als gekken wild balkend waarbij ze de aarde hard raakten met hun hoeven. (12) Opgeschrikt door de ezels vlogen de vogels krijsend op van hun nesten en stond het vee zich te ontlasten en te urineren in de stallen en de bossen. (13) De koeien gaven in hun angst bloed [in plaats van melk] en uit de wolken regende het pus, de beeltenissen huilden met tranen en bomen vielen om zonder een zuchtje wind. (14) De gunstigste planeten en de andere hemellichten stonden in conjunctie, beschreven retrograde banen of namen conflicterende posities in. (15) Met uitzondering van de zonen van Brahmâ waren al de mensen, die meer van dit soort grote voortekenen zagen en niet op de hoogte waren van het waarom ervan, bang en dachten ze dat de wereld ten onder ging. (16) De twee van God verlaten, eerste Daitya's van de geschiedenis, groeiden snel op en ontwikkelden ongewone lichamen die hard als staal waren en zo groot als een berg. (17) Met hun schitterende armbanden om hun armen en met de schoonheid van de versierde gordels om hun middel die de zon deed verbleken, schudde de aarde bij iedere stap van hun voeten, waarbij de toppen van hun helmen de hemel raakten en ze het zicht in alle richtingen blokkeerden.

(18) Prajâpati Kas'yapa gaf de twee hun namen: hij van de tweeling die van zijn vlees en bloed het eerst werd verwekt [en als tweede ter wereld kwam] noemde hij Hiranyakas'ipu ['hij die op goud teert'] en degene die het eerste uit Diti ter wereld kwam [en als tweede werd verwekt] noemde hij Hiranyâksha ['hij met een oog voor goud']. (19) Hiranyakas'ipu, die vanwege een zegen van Heer Brahmâ vol van verbeelding niet bang was dat ook maar iemand hem zou doden, slaagde erin de drie werelden en hun beschermheren in zijn greep te krijgen. (20) Hiranyâksha, zijn geliefde jongere broer die altijd voor hem klaar stond, doorkruiste, met een knots in zijn handen klaar om te vechten, de hogere sferen op zoek naar gewapend verzet. (21) Hij had een moeilijk te weerstreven drift, rinkelende enkelbanden van goud en was versierd met een bijzonder grote bloemenkrans op zijn schouders waarop een gigantische strijdknots rustte. (22) Trots als hij was op de fysieke en mentale kracht die hij ontleende aan de zegen, vreesde hij niemand omdat niemand hem de baas was, zodat de halfgoden zich vol vrees voor hem verborgen als waren ze slangen bevreesd voor Garuda. (23) Toen hij ontdekte dat Indra en de halfgoden geplaatst voor zijn macht verdwenen waren en nergens meer te vinden, wond de leider van de Daitya's zich op en brulde hij luid. (24) Het machtige wezen gaf zijn zoektocht op en dook, wraaklustig als een olifant, voor de sport diep de oceaan in onder het uitstoten van een verschrikkelijk geluid.

(25) Toen hij de oceaan inging, raakten de dieren in het water, de verdedigers van Varuna, bevangen door angst door hem te pakken te worden genomen en vluchtten toen, geïntimideerd door zijn schittering, zo ver weg als ze maar konden. (26) Jarenlang dwaalde hij rond in de oceaan en sloeg hij met zijn knots met grote kracht keer op keer op de machtige, door de wind opgestuwde, golven. Zo bereikte hij Vibhâvarî, o Vidura, de hoofdstad van Varuna. (27) Toen hij daar de regionen van de gewelddadige wezens [de demonen] had bereikt, verboog hij, om de spot te drijven, met een lach op zijn gezicht zich als een laaggeborene voor Varuna, de heer en beschermer van de waterdieren en zei: 'O grote Heer, ga de strijd met me aan! (28) U bent de beschermer van dit oord, een beroemd heerser. Door uw macht, die de trots terugdrong van de ingebeelde helden en waarmee u al de Daitya's en Dânava's [de zoons van Diti en Daksha's dochter Danu, beschouwd als demonen] in de wereld hebt overwonnen, wist u ooit een groot koningsoffer [râjasûya] te brengen, o meester.'

(29) Aldus zwaar bespot door een vijand wiens ijdelheid geen grenzen kende, werd de respectabele heer van de wateren kwaad, maar zich met gezond verstand intomend antwoordde hij: 'O mijn beste, we hebben het pad van de gewapende strijd achter ons gelaten. (30) Er schiet me niemand anders te binnen dan de Alleroudste Persoon [Heer Vishnu], die naar uw tevredenheid afdoende krijgsvaardig zal zijn met u in de strijd, o koning van de wereld. Benader Hem maar die zelfs door helden als u wordt gewaardeerd. (31) Als u Hem bereikt, o grote held, zal u snel van uw trots zijn genezen en op het slagveld het onderspit delven om tussen de honden te belanden. Om het kwaad uit te roeien dat u bent en om de deugdzamen Zijn genade te tonen, wenst Hij het om Zijn gedaanten aan te nemen.'

 

Hoofdstuk 18: De Strijd tussen Heer Zwijn en de Demon Hiranyâksha

(1) Maitreya vervolgde: 'Nadat hij de trotse woorden van de Heer van de zeeën gehoord had, trok de hoogmoedige demon zich er weinig van aan. Hij had van Nârada gehoord waar de Heer zich ophield, o mijn beste Vidura, en begaf zich toen haastig naar de diepten van de oceaan. (2) Daar zag hij hoe de Glorieuze Heer die de aarde op de punten van Zijn slagtanden droeg hem in de schaduw stelde met Zijn stralende, rooddoorlopen ogen. Hij lachte luid en zei: 'O een beest van de wildernis!'  (3) Hij zei tegen de Heer: 'Kom en vecht, o dwaas, laat de wereld maar aan ons de bewoners van de lagere werelden over. De schepper van het universum vertrouwde ons deze aarde toe. Nu ik zie dat Je de gedaante van een zwijn hebt aangenomen, o laagste van de goden, zal dat Je gezondheid zeker niet ten goede komen! (4) Werd Je door onze vijanden ertoe opgeroepen ons te doden, Jij die door onzichtbaar te blijven met misleiding hen doodt die aan de wereld hechten? De macht van Je inwendig begoochelend vermogen stelt niks voor. Ik zal de treurnis van mijn verwanten wegwissen door Jou te doden, jij schurk! (5) Als ik Jou gedood heb met je schedel verbrijzeld door de knots in mijn hand, zullen al de wijzen en godsbewusten die voor Jou hun offers brachten, bevrijd raken en automatisch ophouden te bestaan zonder Jou als basis.'

(6) Toen Hij, getroffen door het offensieve misbaar van woorden van de vijand, zag dat de aarde die Hij op Zijn slagtanden droeg angstig was, verdroeg Hij die pijn en kwam Hij uit het water als een olifant die in het gezelschap van zijn wijfjes wordt aangevallen door een krokodil. (7)
Met Hem tevoorschijn komend uit het water, jaagde hij, met zijn gouden haren en schrikwekkende tanden, Hem op zoals een krokodil dat zou doen met een olifant. Hij brulde luid als de donder: 'Is er ook maar iets waar een vervloekte arme duivel [als Jij die voor me wegvlucht] zich voor schaamt?' (8) Terwijl  de vijand toekeek plaatste Hij [Heer Zwijn] de aarde binnen Zijn gezichtsveld op het water en begiftigde haar met de macht van Zijn eigen kracht [om boven water te blijven]. [Daarvoor werd] Hij geprezen door de schepper van het universum en door de halfgoden vereerd met bloemen. (9) Hiranyâksha, die met zijn weelde aan gouden sieraden, zijn enorme strijdknots en zijn prachtige gouden wapenrusting Hem dicht op de hielen zat, krenkte Hem onophoudelijk in het diepst van Zijn hart met verschrikkelijk kwade scheldwoorden. Maar Hij lachte erover en sprak tot hem. (10) De Allerhoogste Heer zei: 'Wij [everzwijnen] zijn inderdaad schepselen van de jungle die erop uit zijn honden als jij, o kwaadaardige, te doden. Helden vrij van de banden van de dood [als Wij] slaan geen acht op de loze praat van iemand [als jij] die wel gebonden is. (11) Wij stalen de bewoners weg van de lagere werelden en schamen ons er niet voor. Ondanks dat We door jouw knots worden belaagd zullen We op één of andere manier hier stand moeten houden. Waar kan je nu naar toe als je zo'n machtige tegenstander hebt uitgedaagd? (12) Als de aanvoerder van de legercommandanten moet je stappen ondernemen om Ons zonder meer direct te verslaan. Als je Ons gedood hebt wis je daarmee de tranen weg van je naaste verwanten. Is het niet zo dat hij die niet nakomt wat hij beloofd heeft geen plaats verdient in een vergadering?'

(13) Maitreya zei: 'De aanvaller die aldus beledigd en belachelijk gemaakt werd door de Allerhoogste van de Toewijding, raakte zodanig aangeslagen dat hij zo nijdig was als een belaagde cobra. (14) Briesend van woede en in al zijn zinnen gedreven door wraaklust, viel de Daitya Hem met grote snelheid aan en wierp hij zijn strijdknots naar de Heer. (15) De Heer echter deed een stap opzij en ontweek de klap van de knots gelanceerd door de vijand, als een volleerde yogi die aan de dood ontsnapt. (16) Na zijn knots weer te hebben opgepakt, zwaaide hij er mee heen en weer en beet de demon in zijn laaiende woede op zijn lip om zich opnieuw op de Heer te storten. (17)
De Heer sloeg toen met Zijn knots de vijand op zijn rechter wenkbrauw. Maar de demon weerde, o zachtmoedige [Vidura], als een expert met de knots, de slag af met zijn eigen wapen. (18) En zo waren Hiranyâksha en de Heer, die het beiden wilden winnen, elkaar verwoed met hun enorme strijdknotsen aan het bewerken. (19) Met hun lichamen verwond door de scherpgepunte knotsen, roken de twee vechtenden het gutsende bloed, hetgeen ze er nog meer toe dreef verschillende manoeuvres uit te voeren in hun pogen het te winnen. Het zag eruit als een confrontatie tussen twee stieren die elkaar om een koe betwisten.

(20) O nazaat van Kuru, Brahmâ, de zelfgeborene, wilde getuige zijn van het gevecht dat zich voor het heil van de wereld afspeelde en kwam, begeleid door de wijzen, af op de Daitya Hiranyâksha en de Superziel van alle offers, die Zijn vermogen had aangewend om de gedaante van een everzwijn aan te nemen. (21)
Toen hij zag welke macht de Daitya Hiranyâksha had verworven en hoe hij, zonder angst, op een niet te weerstane wijze de oppositie had gekozen, richtte de achtenswaardige Brahmâ, de leider van duizenden wijzen, zich tot de oorspronkelijke Heer Nârâyana in Zijn zwijnengedaante. (22-23) Brahmâ zei: 'Hij hier, o god van de hemel, is voor de goden, de brahmanen, de koeien, de normale levende wezens en de onschuldigen die Uw voeten verwierven, een kwaadwillige, een bron van angst die onheil sticht op basis van een gunst die ik hem verleende. Rondwarend tot overlast van iedereen heeft hij als een duivel het gehele universum afgezocht bij gebrek aan een geschikte tegenstander. (24) Speel geen onschuldig spel met hem, o god van de hemel. Eenmaal aangeslagen gaat hij tekeer als een slang vol trucs, hoogst arrogant, verwaten en doortrapt. (25) Mijn Heer, o Onfeilbare, wendt Uw mystiek vermogen aan en doodt de zondaar alstUblieft ter plekke, opdat hij niet de kans krijgt de formidabele macht die hij verwierf verder uit te bouwen. (26) Deze donkerste avondstond die ons bekruipt vernietigt de wereld, o Ziel van de Zielen, alstUblieft, schenk de godsbewusten de overwinning. (27) Dit gunstige moment genaamd abhijit [de achtste muhûrta, ongeveer 's middags] is nu bijna voorbij. Maak ter wille van het welzijn van ons, Uw vrienden, snel een eind aan deze formidabele vijand. (28) De dood van dit heerschap die gelukkig uit eigen beweging hierheen kwam, is door U voorbeschikt. Toon hem in het duel Uw macht, doodt hem en herstel de vrede van de werelden.'




Hoofdstuk 19: Het doden van de demon Hiranyâksha

(1) Maitreya zei: 'Het horen van Brahmâ's oprechte, nectargelijke woorden ontlokte een hartelijke lach aan de Heer toen Hij ze aanvaardde met een blik vol liefde. (2) Toen, opspringend, bracht de Heer die uit Brahmâ's neusgat was verschenen, met Zijn strijdknots zijwaarts de demonische vijand, die zich onbevreesd voor Hem bewoog, een slag toe op zijn kin. (3) Maar die klap werd door Hiranyâksha zodanig met zijn knots afgeweerd, dat de  knots van de Heer wonderlijk, met een verrassende gloed naar beneden wervelend, uit Zijn handen glipte. (4) Hoewel Hiranyâksha zodoende een uitstekende kans kreeg, hield hij zich aan de gevechtscode dat men iemand die geen wapen heeft niet aanvalt. Dit wond de Heer op. (5) Toen Zijn strijdknots viel rees er een angstkreet op [onder de toeschouwers] maar de Almachtige Heer, geplaatst voor Hiranyâksha's rechtzinnigheid, moest aan Zijn Sudars'ana-cakra denken. (6) Spelend met de gemene zoon van Diti, deze grootste van Zijn metgezellen, liet Hij Zijn werpschijf roteren en werd toen onthaald op verschillende uitingen van ongeloof van de kant van hen die zich onbewust [van al Zijn vermogens] in de hemel verdrongen en zeiden: 'We wensen U alle geluk, doodt hem alstUblieft.'

(7) Toen de Daitya Hem, die ogen had gelijk de blaadjes van lotusbloemen, met Zijn schijf gewapend voor zich zag, klaar voor hem en hem aankijkend, raakte hij buiten zinnen van verontwaardiging en beet hij in grote weerzin sissend als een slang op zijn lippen. (8) Met zijn angstaanjagende, enorme tanden en starende, vuurschietende ogen viel hij Hem toen aan met zijn knots, uitroepend: 'En zo wordt Je dan verslagen!', en slingerde hem naar de Heer. (9) Hoewel die knots, o zoeker van de waarheid, de kracht had van een orkaan, werd hij door de Heer van de offers die de vorm van een everzwijn had aangenomen, voor ogen van Zijn vijand speels met Zijn linkerpoot afgeweerd.

(10) Toen zei Hij: 'Raap hem op en probeer het nog eens, als je het zo graag wil winnen'. De aldus uitgedaagde Hiranyâksha sloeg daarop luid brullend opnieuw toe. (11) De Heer die de strijdknots op zich af zag komen zette zich schrap en ving hem op met het gemak waarmee Garuda een slang grijpt. (12) Met zijn bravoure aldus gefrustreerd had de grote demon, gekrenkt in zijn trots, er vernederd geen zin meer in de knots opnieuw te accepteren die de Heer hem aanbood. (13) In plaats daarvan nam hij een drietand ter hand en stoof laaiend als vuur verbeten op de Varâhagedaante van de Heer van de Offers af, gelijk iemand die met kwaad in de zin tegen een brahmaan ingaat. (14) De glanzende drietand die de machtigste onder de Daitya's met al zijn kracht naar de Heer had geworpen, lichtte in zijn vlucht helder op maar, zoals Indra Garuda zijn vleugel afsneed [toen hij ooit eens een pot nectar had weggegrist], werd hij in stukken gehakt door de scherpgerande cakra. (15) Toen hij zijn drietand in stukken gehakt zag door de Heer Zijn werpschijf, kwam hij woedend brullend naar voren en bracht met zijn vuist de brede, met het S'rîvatsateken gemerkte borst van de Heer, de verblijfplaats van de godin, hard een slag toe. Daarna verdween de demon uit het gezicht. (16) Door hem aldus getroffen, o Vidura, was de Allerhoogste Heer, in Zijn eerste incarnatie als een zwijn, niet in het minst geraakt. Hij was niet meer beroerd dan een olifant geslagen met een bos bloemen. (17) De omstanders echter zagen hoe de Heer van het inwendig vermogen daarop belaagd werd door een reeks trucs en vol van angst dachten ze dat het einde van de wereld op handen was. (18) Felle winden raasden en in alle richtingen verspreidde zich vanwege het stof duisternis, terwijl er stenen naar beneden kwamen alsof een heel leger bezig was. (19) De hemellichten verdwenen achter massa's wolken waaruit het donderde en bliksemde, terwijl het de hele tijd pus, haar, bloed, ontlasting, urine en beenderen regende. (20) O zondeloze, vanuit de bergen werden allerlei soorten wapens gelanceerd en men zag naakte duivelinnen met loshangende haren die gewapend waren met drietanden. (21) Vele woeste duivels en demonen te voet, te paard, op strijdwagens en met olifanten verschenen ten tonele die wrede, moorddadige woorden riepen. (22) Volgend op dit magisch machtsvertoon van de demon lanceerde de geliefde genieter van de drie offers [van het luisteren, de goederen en de adem, zie B.G. 4: 26-27], die een einde aan dat alles wilde maken, het wapen van Zijn hoogst excellente aanwezigheid [de Sudars'ana-cakra].

(23) Op dat moment doortrok plots een huivering het hart van Diti [de moeder van de demon] waarop, met het zich herinneren van de woorden van haar echtgenoot [Kas'yapa], er bloed uit haar borsten vloeide. (24) Toen zijn magische krachten verdreven waren [door de lancering van de cakra] doemde de demon opnieuw op voor de Opperheer. Hij omhelsde Hem vol razernij om Hem te pletten, maar ontdekte dat de Heer zich buiten zijn greep bevond. (25) Hiranyâksha sloeg Heer Adhokshaja ['Hij voorbij de controle van de zinnen'] met zijn vuist hard als een donderslag, maar kreeg van Hem een trap precies onder zijn oor, net zoals de heer van de Maruts [Indra] dat deed met de demon Vritra. (26) Hoewel de onoverwinnelijke Heer hem slechts terloops raakte, tolde het lichaam van de duivel in het rond met zijn ogen puilend uit hun kassen, waarop hij, met zijn armen en benen levenloos en zijn haar in wanorde, neerstortte als een gigantische boom geveld door de wind.

(27) De zelfgeborene [Brahmâ] en de anderen die hem op de grond zagen liggen met zijn bloed nog niet uit zijn gezicht weggetrokken en zijn schrikwekkende tanden door zijn lip, zeiden, vol bewondering naderbij komend: 'O waarachtig, wie kan er nu zo zijn eindbestemming vinden? (28) Hij op wie de yogi's, in afzondering verzonken in de vereniging van hun bewustzijn, mediteren om bevrijding te vinden uit het onwerkelijke, materiële lichaam, trof met één van Zijn poten hem, de zoon, het kroonjuweel van de Daitya's, die zijn lichaam verliet terwijl hij Hem in het gelaat staarde. (29) Beide medewerkers van de Heer zijn vervloekt om enkele levens opnieuw geboorte te nemen in goddeloze families. Daarna zullen ze weer naar hun posities terugkeren.'

(30) De halfgoden zeiden: 'Alle eer aan U, o Genieter van Alle Offers die ter wille van de handhaving [van deze wereld] een gedaante van zuivere goedheid hebt aangenomen. Tot ons grote geluk hebt U een einde gemaakt aan hem hier die zo'n chaos veroorzaakte in al de werelden. Met de toewijding tot Uw voeten zijn we nu op ons gemak.'

(31) S' Maitreya zei: 'Na aldus de zo hoogst machtige Hiranyâksha te hebben gedood, werd de Heer, de oorsprong van de zwijnincarnatie, geprezen door hem die op de lotus is gezeten en de andere goden, waarop Hij terugkeerde naar Zijn hemelverblijf waar men ononderbroken [Zijn glorie] viert. (32) Ik heb u, beste vriend, uiteengezet zoals het mij werd verteld, hoe de Opperheer, door neder te dalen in een materiële gedaante, een einde maakte aan de acties van die zo heel machtige Hiranyâksha die in een groots gevecht werd gedood alsof hij een speeltje was.' "

(33) Sûta zei: "Nadat Vidura, de grote toegewijde, aldus van de zoon van Kushâru [Maitreya] had vernomen over het verhaal van de Fortuinlijke, bereikte hij het opperste geluk, o brahmaan [S'aunaka]. (34) Als men al vreugde ontleent aan het luisteren naar verhalen over deugdzame zielen van naam en faam, wat voor een vreugde geeft het dan niet om te luisteren naar een verhaal over Hem met het S'rivatsateken op de borst? (35) Toen de koning van de olifanten [Gajendra] door een krokodil werd aangevallen, mediteerde hij op de lotusvoeten terwijl zijn wijfjes jammerden en werd hij snel van het gevaar verlost [zie 8.2-4]. (36) Wie zou er niet zijn toevlucht nemen tot Hem die zo makkelijk te aanbidden is voor eerlijke en oprechte personen; welke dankbare ziel zou nu geen dienst verlenen aan degene die onmogelijk te aanbidden is voor hen die niet deugdzaam en eerlijk zijn? (37) Hij die verneemt over, zingt over en genoegen beleeft aan dit wonderlijke avontuur van de Allerhoogste, die als een zwijn de aarde ophief uit de oceaan en Hiranyâksha doodde, zal terstond worden bevrijd [van de terugslagen van zijn zonden], zelfs als hij een brahmaan doodde, o tweemaal geborene. (38) Deze vertelling is hoogst stichtelijk, is zeer heilig en verschaft weelde, roem en een lang leven en zal iemand alles bezorgen wat hij nodig heeft. Wie er ook maar naar luistert zal op het slagveld er zijn levenskracht en zinnen door gesterkt zien en aan het eind van zijn leven er de toevlucht van Nârâyana mee verwerven, beste S'aunaka."



 

Aldus eindigt het eerste deel van het derde Canto van het S'rîmad Bhâgavatam

 

Vertaald door: Anand Aadhar Prabhu http://bhagavata.org/c/8/AnandAadhar.html

Productie: de Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd en in het bijzonder Sakhya Devî Dâsî voor het proeflezen en corrigeren van het manuscript. http://theorderoftime.com/ned/info/gasten-vrienden.html

 

© 2009 Anand Aadhar srimadbhagavatam.org http://bhagavata.org/
© ShareAlike: refereren aan naam en website verplicht; aanpassen, uploaden en uitprinten toegestaan voor niet-commercieel gebruik.
Overig gebruik met toestemming: email verzenden vanaf http://bhagavata.org/email.html

De brontekst, illustraties en muziek bij deze vertaling kan men vinden door de links te volgen vanaf http://bhagavata.org/index.ned.html

Bij deze oorspronkelijke vertaling is naast het Sanskriet woordenboek en de versie van de Gita Press een alles-in-een band exemplaar met uitgebreid commentaar van A.C. Bhaktivedanta Swami Prabhupâda geraadpleegd. ISBN: o-91277-27-7. Voor links naar andere sites betreffende dit onderwerp en de bijbehorende muziek zie verder op de Linkspagina van de S'rîmad Bhâgavatam Schatkamer http://bhagavata.org/treasury/