Zie voor de online versie met illustraties, muziek en links naar de voorgaande vertaling: http://bhagavata.org/index.ned.html
S'RÎMAD BHÂGAVATAM
"Het verhaal van de fortuinlijke"
Canto 3a
De Status Quo
Hoofdstuk 1 De Vragen van Vidura
Hoofdstuk 2 Terugdenken aan Krishna
Hoofdstuk 3 Het Spel en Vermaak van de Heer Buiten Vrindâvana
Hoofdstuk 4 Vidura Wendt zich tot Maitreya
Hoofdstuk 5 Vidura Spreekt met Maitreya
Hoofdstuk 6 Het Genereren van de Universele Gedaante
Hoofdstuk 7 Verdere Vragen van Vidura.
Hoofdstuk 8 Manifestatie van Brahmâ uit Garbhodakas'âyî Vishnu.
Hoofdstuk 9 Brahmâ's Gebeden voor het Creatief Vermogen.
Hoofdstuk 10 De Afdelingen van de Schepping
Hoofdstuk 11 De Indeling van de Tijd zich Uitbreidend Vanuit het Atoom
Hoofdstuk 12 De Schepping van de Kumâras en Anderen
Hoofdstuk 13 Het Verschijnen van Heer Varâha
Hoofdstuk 14 De Bevruchting van Diti in de Avond
Hoofdstuk 15 Beschrijving van het Koninkrijk Gods
Hoofdstuk 16 De Twee Poortwachters van Vaikunthha, Vervloekt door de Wijzen
Hoofdstuk 17 De Overwinning van Hiranyâksha over Alle Windstreken van het Universum
Hoofdstuk 18 De Strijd tussen Heer Zwijn en de Demon Hiranyâksha
Hoofdstuk 19 Het Doden van de Demon Hiranyâksha
Dit boek verhaalt de geschiedenis van de Heer en Zijn incarnaties sedert de vroegste verslagen van de vedische geschiedenis. Het is waarachtig de Krishna-Bijbel van het Hindoe-universum. De Bhagavad Gîtâ is daarbij vergeleken als de Bergrede van Heer Jezus in verhouding tot de volledige bijbel. Het heeft 18.000 verzen en bestaat uit twaalf boeken, z.g. Canto's. Deze boeken vertellen het volledige verhaal van de vedische kultuur met de essentie van al haar klassieke verhalen genaamd purâna's en bevat de room van de vedische kennis verzameld uit de literatuur zowel als het verhaal van het leven van Heer Krishna in zijn geheel (10e Canto). Het vertelt over Zijn geboorte, Zijn jeugd, al Zijn wonderbaarlijke bewijzen van Zijn Goddelijke aard en de bovenmenselijke prestaties van het verslaan van allerlei demonen tot aan de grote Mahâbhârat oorlog te Kurukshetra toe. Het is een schitterend verhaal dat naar het Westen is gebracht door Swami Bhaktivedânta Prabhupâda, een Caitanya-vaishnava, een (devotionele) bhakti-monnik van Heer Vishnu [de naam voor de bovenzinnelijke gedaante van Heer Krishna] die de gedurfde taak op zich nam om de materialistische westerlingen zowel als de gevorderde filosofen en theologen te verlichten, teneinde ze te helpen de gevaren en de eenzaamheid van het impersonalisme en de filosofie van de leegte te overwinnen.
Voor de vertaling heeft de auteur van deze internet-versie gebruik gemaakt van de vertaling van Swami Prabhupâda. Als âcârya [goeroe onderwijzend door het voorbeeld te geven] uit de eeuwenoude indiase vaishnava-traditie vertegenwoordigt hij de reformatie van de toewijding tot God zoals die vanaf de zestiende eeuw in India werd gepraktiseerd. Deze reformatie houdt staande dat het valse gezag van het kastenstelsel en enkel droge boekengeleerdheid moet worden afgewezen. Heer Krishna-Caitanya, de avatâra [een nederdaling van de Heer] die deze reformatie inluidde, herstelde de oorspronkelijke bedoeling van het ontwikkelen van de toewijding tot God en ijverde m.n. voor de heilige schrift waarin deze toewijding in relatie tot Krishna als de Hoogste Persoonlijkheid van God wordt uiteengezet. Dit geschrift is deze bhâgavata purâna waar al de vaishnava-leraren van het voorbeeld [âcârya's] hun wijsheid voor het onderricht uit putten en hun toewijding gestalte mee geven. De woord-voor-woord-vertalingen zowel als de volledige tekst en commentaren op dit boek werden zowel binnen als buiten de Hare Krishna tempels in zowel Amerika als Europa bestudeerd. De bedoeling van de vertaling is op de eerste plaats deze glorieuze tekst voor een breder publiek via het internet bereikbaar te maken. Aangezien de Bijbel, de Koran en tal van andere heilige teksten vrij beschikbaar zijn, meende de auteur dat dit boek niet achter kon blijven op de planken van zijn eigen boekenkast als een bewijs van materiële bezitsdrang. Kennis niet gedeeld is verloren kennis en zeker dit soort kennis welke de nadruk legt op de yoga van toewijding, die vrij zijn van bezitsdrang als een van haar hoofdwaarden heeft, kon niet achter blijven. De versie van Swami Prabhupâda is zeer uitgebreid en beslaat zo'n 2400 pagina's in dundruk van tekst met commentaren. En dat waren alleen nog maar de eerste tien Canto's. De resterende twee werden posthuum uitgegeven door zijn leerlingen in de volheid van zijn geest. Zo stond de auteur voor twee uitdagingen: de ene was een leesbaar lopend verhaal te maken van het boek dat was ontleed tot op het woord en ten tweede het in een taal te zetten die gepast zou zijn voor de 21-e eeuw met al haar moderne en postmoderne ervaring en digitale vooruitgang in de wereldorde, zonder ook maar iets van de oorspronkelijke verzen te verliezen. Aldus kwam een andere vers tot vers zoals-het-is vertaling tot stand waarin Prabhupâda's woorden werden hertaald en gezet naar het begrip en de realisatie die ikzelf had verworven. Deze realisatie kwam rechtstreeks van de geestelijke erfopvolging van de Vaishnava lijn van âcârya's (leraren) zowel als van het totale bereik van de indiase filosofie der verlichting en yoga-discipline zoals naar het Westen gebracht door niet-vaishnava guru's en gehandhaafd door hun leerlingen. Derhalve moet de auteur zijn dank betuigen aan al deze grote helden die het aandurfden om de koppigheid van de westerse filosofie met al haar twijfels, concretisme en skepticisme het hoofd te bieden. In het bijzonder moeten de leerlingen van Prabhupâda, een lid van de wereldverzakende orde (sannyâsî's) worden genoemd die de auteur instrueerde in de onafhankelijkheid en volwassenheid van de filosofie van de bhakti-yogi's van Heer Caitanya. De auteur was in India reeds ingewijd door een non-vaishnava guru en had de naam van Swami Anand Aadhar meegekregen ('leraar van de grondvesting der gelukzaligheid'). Die naam werd door de Krishna gemeenschap veranderd in Anand Aadhar Prabhu (meester van de grondvesting van het geluk) zonder verdere ceremoniën van Vaishnava initiatie (op een basistraining na). Anand Aadhar is een teruggetrokken toegewijde, een zogeheten vânaprashta, die in de stilte en bescheidenheid van zijn eigen lokale aanpassingen van de filosofie en discipline zijn toegewijde dienst doet.
De spelling van Sanskriet namen is hier en daar aangepast aan de afwezigheid van Sanskriet leestekens zodat b.v. waar normaal een plat streepje boven de letters staat een ^ accent is geplaatst. Het betekent dat men op die plaats twee letters moet lezen i.p.v. één, ofwel dat men op die letter moet rusten bij het uitspreken. Ook de naam Krsna werd zo geschreven als Krishna en rsi (= wijze) als rishi. Doorgaans is de woord voor woord vertaling aangehouden zoals gegeven in de vertalingen van Prabhupâda, zij het dat hier en daar sommige woorden vanwege hun meervoudige betekenis tot iets andere vertalingen hebben geleid. B.v. het woord loka betekent zowel plaats als planeet als leefwereld. Tussen vierkante haakjes [ ] wordt soms in een kleine toelichting voorzien en extra informatie gegeven om het de lezer naar de zin te maken als de oorspronkelijke tekst put uit een meer ervaren benadering. De oorspronkelijke vertaling van Prabhupâda is bij ieder vers opgelinkt zodat men kan nagaan wat de auteur heeft gedaan. Dit beantwoordt aan de wetenschappelijke traditie van de Vaishnava-gemeenschap. Deze teksten, alsook de meeste afbeeldingen, zijn copyright-materiaal en eigendom van de ISCKON-Krishna gemeenschap en mogen alleen gebruikt worden als een fragment en niet gepubliceerd worden door niet-leden zonder toestemming (BBT). Voor het tiende Canto zijn een meer vers-getrouwe nederlandse vertaling van een oud-leerling (S'rî Hayesvar das) van Prabhupâda en een versie van Prabhupâda's godsbroeders/leerlingen gebruikt [m.i.v. hun woord voor woord vertalingen] naast de vertaling van Prabhupâda, daar voor dit deel [maar niet voor het elfde canto] de woord voor woord vertalingen waren weggelaten en vervangen door een meer uitgebreide tekst-omschrijving. Het twaalfde canto werd opgesteld in referentie aan het werk van enkel de ISKCON leerlingen van Prabhupâda die zijn werk afmaakten. Verder werd gedurende het gehele concatenatieproces van deze versie de z.g. Shastri-versie van het Bhâgavatam (van de Gîtâ Press, Gorakpur), zoals die gebruikt wordt door de gewone Hindu in India zelf, ter vergelijking en als tweede opinie geraadpleegd.
Voor copyright-zaken wat betreft de gebruikte afbeeldingen en de teksten van Prabhupâda en verdere commentaren en de woord voor woord vertalingen zelf van Swami Prabhupâda zal men de Bhaktivedanta Booktrust en andere Vaishnava-sites en Hare Krishna sites en/of de gedrukte boeken van Prabhupâda zelf moeten raadplegen. Voor de copyrights op deze vertaling zal men te rade moeten gaan bij ondergetekende. Het is toegestaan deze teksen voor privé- en niet-commercieel gebruik down te loaden en uit te printen. Voor alle andere gebruik zal men contact moeten opnemen (voor links zie onze linkpagina)
Met liefde en toewijding, Anand Aadhar Prabhu, Enschede, 05-28-2000.
De vragen van Vidura
(1) S'uka zei: 'Dit is wat Vidura voorheen vroeg aan Zijne Genade Maitreya Rishi toen hij het woud inging na het verzaken van zijn leven in welstand: (2) 'Wat te zeggen van het huis [van de Pândava's] waar ik mee geïdentificeerd ben? S'rî Krishna, de Allerhoogste Heer en meester van allen, werd aanvaard als de gezant van Zijn volk en had het opgegeven het huis van Duryodhana te betreden.'
(3) De koning zei: 'Alstublieft zeg ons meester, waar en wanneer ontmoette Vidura Zijne Genade Maitreya Rishi om dit te bespreken? (4) De vragen die Vidura de heilige man stelde kunnen zeker niet onbelangrijk zijn geweest, ze moeten vol van de hoogste bedoeling zijn geweest zoals op prijs gesteld door de zoekers der waarheid.'
(5) Sûta zei: "Hij, de grote wijze S'uka deva aldus ondervraagd door Koning Parîkchit, antwoordde hem volkomen tevredengesteld vanuit zijn grote kunde: 'Alstublieft, luister hiernaar'.
(6) S'rî S'ukadeva zei: 'In de tijd dat koning Dhritarâshthra zijn oneerlijke zoons aan het voeden was had hij, zich nooit op het rechte pad bevindend, zijn gezichtsvermogen verloren met de zoons van zijn jongere broer [de verscheiden Pându, zie stamboom] optredend als hun voogd. Hij deed hen het huis van schellak binnengaan welk hij aanstak [zie Mahâbhârata I 139-148]. (7) Toen in de samenkomst de echtgenote van de heilige Kuru's [Draupadî] werd beledigd door zijn zoon [Duhs'âsana] die haar bij haar haar greep, verbad de koning dit niet hoewel zijn schoondochter tranen plengde die het rode stof van haar borst wegwaste [zie Mahâbhârata II 58-73]. (8) Toen hij die geen vijanden heeft [Yudhishthhira] met oneerlijke methoden werd verslagen in een dobbelspel en als waarheidsgetrouw iemand het woud inging, werd hem toen hij na de afgesproken tijd terugkeerde nooit zijn gerechte deel gegeven door hem die overmand was door illusie [Dhritarâshthra] . (9) Ook werd Heer Krishna, toen Hij op de smeekbede van Arjuna voor hen verscheen in de vergadering als de leraar van de wereld, met al Zijn woorden zo goed als nectar, van al de zinnige mannen door de koning niet serieus genomen in het wegkwijnen van het laatste restje van hun vroomheid.
(10) Toen [voorheen] Vidura naar het paleis werd geroepen ging hij daar binnen om raad te geven op verzoek van natuurlijk de oudere broer [Dhritarâshthra] en het advies dat hij toen gaf was precies geschikt voor wat de ministers van staat met zijn instructies wisten te waarderen: (11) 'Geeft nu het rechtmatig deel terug aan hem die zonder vijand is [Yudhishthhira] en die zo verdraagzaam was onder jouw onverdraaglijke overtredingen samen met zijn jongere broers, waaronder Bhîma die als een slang zo wraakzuchtig is van woede, voor wie u waarlijk bevreesd zou moeten zijn. (12) De zoons van Prithâ zijn nu opgenomen door de Allerhoogste Heer der Bevrijding die met de brahmanen en de goddelijken nu hier is tezamen met Zijn familie, de eerbiedwaardige Yadu dynastie, die met Hem een ongekend aantal koningen overwon. (13) Hij [Duryodhana], deze overtreding in eigen persoon, met het idee van hem als uw zoon in uw huishouden naar voren als een vijand van de Oorspronkelijke, terwijl hij, verstoken van alle goedheid, gekant is tegen Krishna - dat ongeluk moet u, voor het heil van de familie, zo gauw mogelijk opgeven.'
(14) Nadat Vidura aldus sprak werd hij daar door Duryodhana aangesproken die, rood aangelopen van woede en met trillende lippen, in de aanwezigheid van Karna, zijn jongere broers en S'akuni [een oom van moeders zijde] de respectabele man van goede kwaliteiten beledigde: (15) 'Wie heeft hem gevraagd hier te zijn, die doortrapte zoon van een bijslaap, die opgroeide levend op het onderhoud van hen met wie hij de positie inneemt van een vijandelijke spion? Gooi hem onmiddellijk het paleis uit en laat hem slechts zijn adem!' (16) Consequent zette Vidura op zijn beurt zijn boog bij de deur en verliet het paleis van zijn broer, in het diepst van zijn hart geraakt door de uitwendige energie; maar ondanks deze voor het oor ernstige pijlen, treurde hij er niet over en voelde hij zich prima.
(17) Na de Kaurava's verlaten te hebben, bereikte hij van Hastinâpura vertrekkend, de vroomheid van de Allerhoogste Heer in het nemen van zijn toevlucht tot pelgrimages, enkel de hoogste graad van toewijding verlangend zoals gevestigd door al die duizenden beeltenissen. (18) Hij reisde naar heilige plaatsen van toewijding waar de lucht, de heuvels en de boomgaarden, wateren, rivieren en meren zuiver zijn met tempels opgeluisterd met de vormen van het Oneindige. Aldus bewoog hij zich alleen voort over de heilige gronden. (19) Zuiver en onafhankelijk de aarde doorkruisend, werd hij geheiligd door de grond waar hij op sliep en zonder zijn gebruikelijke kleding kon men hem niet herkennen in de uitdossing van een bedelaar te werk gaand volgens de geloften de Heer te behagen. (20) Op deze manier enkel door India reizend, kwam hij aan bij het land van Prabhâsa, dat destijds onder het bestuur van koning Yudhishthhira stond die bij de genade van de Onoverwinnelijke Heer de wereld onder één krijgsmacht en vlag regeerde [zie 1-13]. (21) Daar hoorde hij hoe al zijn verwanten waren omgekomen [te Kurukshetra] in een gewelddadige hartstocht als met een bamboebos verbrand door vlam te vatten door zijn eigen wrijving, waarop hij, stil voor zichzelf denkend, westwaarts ging naar de rivier de Sarasvatî. (22) Daar aan de oever van de rivier bezocht hij en naar behoren aanbad hij de heilige plaatsen genaamd Trita, Us'anâ, Manu, Prithu, Agni, Asita, Vâyu, Sudâsa, Go, Guha en S'râddhadeva. (23) Er waren daar eveneens andere plaatsen gevestigd door de goddelijke tweemaal geborenen en toegewijden van de verscheidene vormen van Heer Vishnu, die als de belangrijkste ieder klein deel van de tempels markeerde - hetgeen reeds van een afstand bezien al deed denken aan Heer Krishna. (24)Vandaar komend door het welvarende koninkrijk van Surat, Sauvîra en Kurujângala (het westen van India), gebeurde het dat, toen hij na enige tijd bij de Yamunâ rivier aankwam, hij Uddhava, de Allerhoogste Heer Zijn grootste toegewijde tegenkwam [zie ook Canto 11].
(25) Hij omhelsde de sobere en zachtgeaarde constante metgezel van Vâsudeva die voorheen een student was van Brihaspati, de meester aller rituelen, en met grote liefde en veel gevoel ondervroeg hij hem over de familie van de Allerhoogste Heer: (26) 'Gaat het goed met de oorspronkelijke persoonlijkheden van God [Krishna & Balarâma] in het huis van S'ûrasena [de vader van koningin Kuntî, Prithâ], die, op het verzoek van de Schepper die uit de lotus werd geboren, voor de verheffing en het welzijn van een ieder nederdaalden in de wereld? (27) En, o Uddhava, is onze grootste Kuru en zwager, Vasudeva [de vader van Heer Krishna], die waarlijk als een vader is voor zijn zusters en zo vrijgevig is in het naar hun genoegen voorzien van zijn vrouwen in alles wat ze verlangen, gelukkig? (28) Alsjeblieft, zeg me of de militaire hoofdaanvoerder van de Yadu's, Pradyumna, wel helemaal gelukkig is, o Uddhava - hij was in zijn voorgaande leven de god van de liefde en is nu de grote held waaraan Rukminî, na het tevredenstellen van de brahmanen, geboorte schonk als prins van de Allerhoogste Heer. (29) En gaat alles goed met Ugrasena, de koning van de Sâtvata's van de Vrishni familie van het Dâs'ârha geslacht in de Bhoja-dynastie? Hij is degene die van Heer Krishna de hoop op de troon terugkreeg nadat hij het had moeten opgeven op een afstand gezet te zijn [door oom Kamsa's heerschappij]. (30) O ernstige, gaat het goed met Sâmba, de zoon van de Heer die zoveel op Hem lijkt? Hij is de meest vooraanstaande en best gemanierde onder alle strijders, aan wie Jâmbavatî [een andere vrouw van Krishna] zo rijk in haar geloften het leven schonk na zijn voorgaande leven als de goddelijke Kârttikeya die geboren werd uit de echtgenote van S'iva? (31) En hoe is het met Yuyudhâna [Sâtyaki], hij die leerde van Arjuna en zijn doel bereikte als iemand die de finesses van de krijgskunst begreep en eveneens voorzeker door het leveren van dienst tot de bestemming van het Transcendentale kwam die zelfs voor de grote verzakers zo moeilijk te bereiken is? (32) En de goed onderlegde foutloze zoon S'vaphalka, Akrûra, hoe gaat het met hem - hij is degene die in zijn overgave op het pad van Krishna's lotusvoeten uit zijn evenwicht geraakt neerviel in het stof, de symptomen vertonend van bovenzinnelijke liefde. (33) Is alles goed met de dochter van Koning Devaka-Bhoja; zij [Devakî] die geboorte gaf aan Vishnu zoals de moeder der halfgoden [Aditi] dat deed die uit haar eigen baarmoeder de God voortbracht op de manier zoals de Veda's er kwamen voor het verspreiden van de bedoeling van het offeren. (34) En is ook Hij, de Persoonlijkheid van God geheel gelukkig die van jullie allen de bron van alle verlangens is, Aniruddha, die van oudsher is aanvaard als het geboortekanaal van de Rig-Veda, de schepper van de geest en de transcendentale vierde volkomen expansie van het Werkelijkheidsprincipe [Vishnu-tattva]? (35) En, o ootmoedige, zijn anderen als Hridîka, Cârudeshna, Gada en de zoon van Satyabhâmâ, die het Goddelijke van hun eigen zelf als de ziel aanvaardden, in het navolgen met een absoluut geloof, ook allemaal goed in het doorbrengen van hun tijd?
(36) Handhaaft Yudhishthhira met de principes van het menszijn het religieuze respect onder de bescherming van de armen van Arjuna en de Onfeilbare; met de rijkdom van zijn koninklijke hofhouding en de dienst van Arjuna, wekte hij de afgunst van Duryodhana. (37) En liet de onoverwinnelijke Bhîma, die gelijk een cobra is, zijn lang gekoesterde woede los op de zondaren? Het slagveld kon zijn tred op het pad van het wonderbaarlijke spel van zijn strijdknots niet verdragen. (38) Arjuna, hij die zo roemrijk is onder de strijdwagenvechters met zijn boog de Gândîva en die zo vele vijanden versloeg, gaat het goed met hem? Eens behaagde hij Heer S'ivadoor hem met pijlen te bestoken toen S'ivazich onherkenbaar voordeed als een valse jager. (39) En is het spel van de tweeling zoons van Prithâ [Nakula en Sahadeva] zorgeloos, beschermd als ze zijn door hun broers als oogleden die ogen beschermen met hun teruggrissen van hun eigendom in het gevecht met de vijand, zoals Garuda [de drager van Vishnu] dat deed [met de nectar] uit de mond van Indra? (40) O beminnelijke, is Prithâ nog in leven; zij wijdde haar leven aan de zorg voor de vaderloze kinderen, levend zonder koning Pându, die in z'n eentje als een bevel voerend strijder de vier windrichtingen de baas kon met enkel een tweede boog.
(41) O zachtmoedige, ik beklaag slechts hem [Dhritarâshthra] die afglijdend nadat zijn broer [Pându] stierf in opstand kwam en mij, die hem het beste wenste, verdreef uit mijn eigen huis in het aannemen van dezelfde gedragslijn als zijn zoons. (42) Daarom reis ik zonder door de ogen van de gewone man herkend te worden door deze wereld van de Heer, welke voor anderen zo verbijsterend is om te beheersen, naar de genade van Zijn voeten, welke ikzelf nooit uit het oog verloor zonder twijfel zijnde in deze aangelegenheid. (43) Natuurlijk, wachtte Hij ermee, wat betreft de koningen die afdwaalden door de drie soorten van valse trots [door de hindernissen van het zelf, de anderen en de wereldse invloed] en die voortdurend de aarde van streek brachten door de bewegingen van hun troepen, als de Allerhoogste Heer van de Kuru's en er op uit het lijden van de overgegevenen weg te nemen, hen te doden ondanks hun overtredingen. (44) De verschijning van de Ongeborene, van Hem die zonder enige verplichting in de wereld is, is er om korte metten te maken met de parvenu's zodat allen tot begrip mogen komen; voor welk doel zou Hij anders een lichaam aanvaarden en allerlei soorten van karma? (45) O mijn vriend, bezing de heerlijkheden van de Heer van alle heilige plaatsen die voor het belang van het ongeborene geboorte nam in de familie van de Yadu's en aan wie alle heersers van het universum zich overgaven in de beheersing van Zijn eigen Zelf.
Terugdenken aan Krishna
(1) S'uka zei: 'De grote toegewijde [Uddhava] ondervraagd door Vidura over wat aangaande de meest dierbare kon worden gezegd, kon eerst, zo sterk als hij ernaar uitzag, niet antwoorden vanwege zijn grote bezorgdheid bij het terugdenken aan de Heer. (2) Hij was iemand die in zijn kindertijd op vijfjarige leeftijd, door zijn moeder aan het ontbijt geroepen, er niets van wilde weten omdat hij midden in het spel van het dienen [van Heer Krishna] was. (3) Uddhava groeide op die manier op in dienstbaarheid en dat was in de loop van de tijd nooit minder geworden; toen hem enkel werd gevraagd over Hem te vertellen, herinnerde hij zich alles van de Heer Zijn lotusvoeten. (4) Voor een ogenblik verviel hij in een dodelijke stilte door de nectar van de voeten van de Heer; sterk als hij was en goed gerijpt in de verbondenheid van de toewijding, raakte hij volledig geabsorbeerd door de liefde van de goedheid ervan. (5) Ieder deel van zijn lichaam vertoonde de tekenen van bovenzinnelijke extase en met het bedwingen van de tranen in zijn ogen omdat hij Hem miste, ontdekte Vidura dat hij Zijn uitgebreide liefde volledig in zich had opgenomen. (6) Langzaam keerde hij terug naar de aarde uit het verwijlen met de Heer en zijn tranen wegwissend sprak Uddhava vol gevoel tot Vidura vanuit al die herinneringen.'
(7) Uddhava zei: 'De zon van Krishna is ondergegaan verzwolgen door die grote slang die het verleden is. Wat kan ik anders zeggen over ons welzijn met het verdwijnen van het huis van mijn familie? (8) Hoe onfortuinlijk is deze wereld en in het bijzonder de Yadu-dynastie die samenlevend de Heer niet beter herkenden dan dat de vissen de maan herkennen. (9) Wel bekend met de kennis en hoogst ervaren, waren zijn eigen mannen Zijn toegewijden, die zich met Hem als het hoofd van de familie ontspanden en [alleen maar] over Hem konden denken als Hij die achter alles zat. (10) De uiterlijke illusie van de Godheid infecteerde hen allen en ook de anderen die hun toevlucht zochten tot het onware in de verbijstering van hun intelligentie - maar de woorden van hen werken nooit zo door in de zielen van diegenen in volledige overgave aan de Heer. (11) Door zich te vertonen aan personen die zonder boete en de vervulling van idealen leefden ging Hij over tot het feit van zijn verdwijnen, Zijn eigen vorm aan het gezicht van het publiek onttrekkend. (12) Zijn vergankelijkheid was precies gepast voor Zijn spel en vermaak waarin Hij de macht van Zijn magie van binnenuit toonde die leidde tot de ontdekking van Zijn wonderen, Zijn opperste weelde en het ultieme ornament der ornamenten van Zijn voeten.
(13) Het is de gedaante welke zeker van koning Yudhishthhira's koninklijke offerande [râjasûya] het gezicht werd dat het geheel van de drie werelden behaagde, waarmee Hij, daarbij de positie innemend van normale mensen in de materiële wereld, zodoende vandaag in de wereld de zich bezinnende intelligentie [Brahmâ] heeft voorbij gestreefd (14) Na het hebben verworven van de gehechtheid aan Hem, die werd aangewakkerd door lachen, grappige spelletjes en zijdelingse blikken, kwamen inderdaad de aangedane dames van Vraja die Hem hadden gevolgd met hun ogen, in stille overpeinzing neer te zitten zonder hun huishoudelijke taken af te maken. (15) Voor de toegewijden geplaagd door anderen die naar het materiële begrip leven, verscheen de Ongeborene, de al-barmhartige Heer en heerser over het spirituele en materiële, begeleid door het geheel van Zijn metgezellen, als de Allerhoogste Heer als was Hij vuur.
(16) Met Zijn verbijsterende geboorte uit het ongeborene ben ik er ontdaan over hoe Hij thuis bij Vasudeva in Vraja leefde alsof Hij bang was voor de vijand [oom Kamsa] en hoe Hij, de Onbegrensd Machtige, uit de stad Mathurâ vluchtte [de hoofdstad waar Krishna verbleef na Kamsa verslagen te hebben]. (17) Het doet me pijn te moeten denken aan dit wat Hij in Zijn respectbetoon aan de voeten van Zijn ouders zei: 'O moeder, o vader, in grote angst voor Kamsa hebben we gefaald in onze dienstverlening, wees alstUblieft tevreden over ons!' (18) Wie nu, die eenmaal het stof in zijn neus heeft van Zijn lotusvoeten, is in staat Hem te vergeten die slechts met het optrekken van Zijn wenkbrauwen de last van de wereld de genadeslag gaf ? (19) Natuurlijk kon u, vanuit uw eigen goede zelf zien hoe, gedurende Yudhishthhira's koninklijke offerande, de koning van Cedi [S'is'upâla] ondanks dat hij jaloers was op Krishna, de volmaaktheid bereikte welke ten volle waarlijk wordt verlangd door de yogi's die middels hun yoga het kunnen verdragen van Hem gescheiden te zijn. (20) En ook anderen die zeer zeker vechters waren in de menselijke samenleving en die Krishna's zeer aangenaam ogende lotusgezicht en ogen zagen op het slagveld dat door Arjuna's pijlen werd gezuiverd, hebben Zijn hemels verblijf bereikt. (21) Hij is niemand minder dan de unieke en hogere Heer van de drievoudige werkelijkheid door wiens onafhankelijkheid het opperste fortuin wordt bereikt en voor wiens voeten alle verlangens hun helmen neerbuigen in de aanbidding met alle toebehoren zoals aangevoerd door de eeuwige handhavers van de orde. (22) Derhalve doet het ons als dienaren in Zijn dienst pijn, o Vidura, om te zien hoe Hij voor Koning Ugrasena [hij die door Kamsa buiten spel werd gezet], die op zijn troon in afwachting neerzat, Zichzelf onderwierp zeggende: 'O mijn Heer, alstUblieft, bezie het op deze manier'.
(23) Helaas tot wiens beschutting moet ik anders mijn toevlucht nemen die mij verzekert van een grotere genade dan Hij die, ondanks het trouweloze van de demone [Pûtanâ] die uit afgunst haar borst dodelijk vergiftigde voor het voeden, haar de positie toekende van een moeder? (24) Ik denk dat de tegenstanders die vijandigheid koesteren jegens de Heer van het Drievoudige, grote toegewijden zijn verzonken als ze zijn in de gedachte aan het gevecht waarin ze Hem op Zijn drager konden zien aankomen met Zijn wiel. (25) Geboren uit Devakî in de gevangenis van de koning van Bhoja [Kamsa], kwam de Heer om welvaart te brengen op aarde zoals er voor werd gebeden [door de Schepper]. (26) Daarna werd Hij groot gebracht op de weidegronden van Zijn [pleeg-]vader Nanda, waar Hij uit angst voor Kamsa, tezamen met Baladeva [Balarâma] elf jaar lang werd gehouden zoals men een vlam beschut. (27) Omringd door koeherdersjongens en kalveren weidend trok de Almachtige rond langs de oevers van de Yamunâ door tuinen waarin het getjilp van hemelse vogels weerklonk in de vele bomen aldaar. (28) Met het vertoon van Zijn jeugd konden Zijn activiteiten alleen worden gewaardeerd door de inwoners van Vraja, het land van Vrindâvana, waar Hij net als andere kinderen huilde en lachte en met verwondering geslagen was eruit ziende als een leeuwenwelpje. (29) Voorzeker als de liefde van de weelde aan koeien en de bron van schoonheid, verlevendigde Hij, terwijl Hij die schoonheden hoedde, de koeherdersjongens door op Zijn fluit te spelen. (30) De grote tovenaars die door de koning van Bhoja waren ingezet om iedere vorm aan te nemen die ze wilden werden in de loop van Zijn spel en vermaak gedood toen ze ten tonele verschenen, precies zoals een kind dat met poppen doet. (31) [Om de inwoners van Vrindâvana te helpen] van hun stuk zijnde door het drinken van vergif [van de slang Kâliya in de Yamunâ], onderwierp Hij de aanvoerder der reptielen en liet Hij, nadat Hij uit het water kwam, de koeien ervan van drinken om te bewijzen dat het weer in zijn natuurlijke staat verkeerde. (32) Verlangend de weelde van Nanda, de rijkdom van de koning der koeherders, naar behoren te gebruiken, liet Hij ze met de hulp van de brahmanen de koeien en het land aanbidden [in plaats van Indra ]. (33) Indra boos over de belediging deed hoogst verstoord zware regen neerstromen op Vraja waartegen de koeherders door de genadevolle Heer werden beschermd met de [Govardhana] heuvel die in Zijn spel dienst deed als paraplu, o nuchtere Vidura. (34) In de herfst achtte Hij, in de nacht helder van het maanlicht, het ter vermaak van de vrouwen een genoegen om als de schoonheid in hun midden aangename liederen te zingen.
Het spel en vermaak van de Heer buiten Vrindâvana
(1) Uddhava zei: 'Toen na die tijd de Heer naar de stad Mathurâ kwam, wenste Hij Zijn ouders al het beste toe [ze bevrijdend uit de gevangenschap], na samen met Baladeva de aanvoerder der publieke vijandschap [Kamsa] van de troon gesleurd en gedood te hebben door hem met grote kracht op de grond te trekken. (2) Hij leerde alle Veda's na er slechts één keer van gehoord te hebben, ze in detail bestuderend onder begeleiding van zijn leraar Sândîpani Muni, die hij met de zegen van zijn eigen zoon beloonde door deze van de dood terug te halen uit het rijk der verscheiden zielen [Yamaloka] dat van binnen is. (3) Uitgenodigd door de dochter van koning Bhîshmaka [Rukminî], nam Heer Krishna allen die overeenkomstig het gebruik kandidaat waren om met haar te trouwen en daartoe waren gekomen met de verwachting van dat fortuin, Zijn eigen deel weg door haar te ontvoeren zoals Garuda dat doet met de voeten van de Heer op zijn kop. (4) In een open wedstrijd voor de verkiezing van de bruidegom voor Prinses Nâgnajitî onderwierp Hij zeven wilde stieren en won Hij haar hand, maar de dwazen die niettemin haar wilden in hun teleurstelling, doodde en verwonde Hij zonder Zelf schade te lijden, goed uitgerust als Hij was met alle wapens. (5) Vanwege het feit dat Hij, als een gewoon levend wezen alleen maar Zijn geliefde echtgenote een plezier probeerde te doen, die wenste dat Hij de Pârijâta heester [uit de hemel] bracht, ging Indra, de Koning van de Hemel, met alle macht tegen Hem in, in blinde woede, op de kop gezeten natuurlijk door zijn eigen vrouwen.
(6) De zoon van Narakâsura die fysiek de ether wilde beheersen werd door Zijn Sudars'ana Cakra [de werpschijf] gedood, maar daarom gebeden door moeder aarde gaf Hij aan zijn zoon terug wat van hem was weggenomen, waarop Hij het huis betrad. (7) Daar stonden al de prinsessen die waren gekidnapt door de demon, meteen voor Hem klaar en aanvaardden ze Hem met vreugde, verlegen in de gehechtheid van hun halsreikende blikken. (8) Hij accepteerde de hand van al de vrouwen tegelijkertijd, hoewel ze in verschillende appartementen woonden, met een volmaakt ritueel exact met hen overeenstemmende door Zijn intern vermogen. (9) Verlangend Zich uit te breiden verwekte Hij met een ieder van hen een tiental kinderen die allen in alle opzichten waren zoals Hijzelf.
(10) Kâlayavana, de koning van Magadha [Jarâsandha], Koning S'âlva en anderen die met hun soldaten Mathurâ hadden omsingeld, doodde Hij niet, persoonlijk de macht van Zijn soort bewijzend. (11) Van S'ambara, Dvivida, Bâna, Mura, Balvala en anderen als Dantavakra en soortgelijken, doodde Hij er enkele, terwijl Hij ervoor zorgde dat de anderen werden gedood [door Balarâma b.v.].
(12) Daarna werden van beide partijen van je neven in de slag van Kurukshetra de koningen gedood die de aarde deden schudden onder de kracht van hun heen en weer rijden. (13) Hij beleefde geen genoegen aan de aanblik Karna, Duhs'âsana en Saubala, die van hun geluk en levensduur waren beroofd door de slechte raad van Duryodhana, met hun gevolg en al hun macht met gebroken ledematen neer te zien liggen. (14) 'Wat is dit', zei de Heer toen met de hulp van Bhîshma, Drona, Arjuna en Bhîma en achttien akshauhinî's [een leger bestaande uit tien anikini's, ofwel 21.870 olifanten, 21.870 strijdwagens, 65.610 paarden, en 109.350 man voetvolk] Hij de enorme last van de aarde had teruggedrongen, 'Er is nog steeds het ondraaglijke van de grote macht van de Yadu-dynastie. (15) Ze zullen verdwijnen als onder invloed van drank een onderlinge strijd zal plaatsvinden welke hun ogen rood als koper zal maken; er is geen ander alternatief om Me hiervan op Mijn verdwijnen te verzekeren.' (16) Aldus voor Zichzelf denkend zette de Allerhoogste Heer Zelve Yudhishthhira op de troon van zijn eigen koninkrijk, Zijn vrienden blijmakend met het uitduiden van het pad der heiligen.
(17) De afstammeling van Pûru [Parîkchit] verwekt uit de baarmoeder van Uttarâ door de held Abhimanyu, zou zeker verbrand zijn door het wapen van de zoon van Drona als de Opperheer hem beschermend dat niet zou hebben afgewend [zie S.B. 1: 7 & 8]. (18) De Almachtige bewoog de zoon van Dharma [Yudhishthhira] ertoe om ook drie paardenoffers te brengen en daarmee bijgestaan door zijn broers beschermde en genoot hij de aarde als een trouwe volgeling van Krishna.
(19) De Allerhoogste Heer en Superziel van het Universum naar gebruik het pad der vedische principes volgend, genoot van de lusten des levens in de stad Dvârakâ, zonder, in navolging van het analytische van de yoga [Sânkhya], gehecht te raken. (20) Zachtmoedig en met zoete glimlachen en woorden nectar gelijk, verbleef Hij daar, met Zijn smetteloze karakter, in het geluk van Zijn bovenzinnelijke lichaam. (21) Hij, de Yadu's behagend, genoot deze aarde en zeker ook de overige werelden, in de rust van de nacht met de vrouwen een vriend zijnd in de echtelijke liefde.(22) Op die manier, gedurende vele, vele jaren, genoot Hij het huishoudelijk bestaan van de [zinnelijke] eenheid op grond waarvan Zijn onthechting ontwaakte. (23) Zoals met Hemzelf, wordt het genieten van de zinnen van welk levend wezen dan ook beheerst door het goddelijke, waarin men vertrouwen kan stellen door zich te verbinden in de dienst aan de Heer van de Yoga.
(24) In de stad Dvârakâ hadden eens de prinselijke nazaten van Yadu en Bhoja een streek uitgehaald en zich zo de woede van de wijzen op de hals gehaald die hen vervloekten zoals de Heer dat gewenst had. (25) Een paar maanden later begaven de afstammelingen van Vrishni, Bhoja en anderen als de zonen van Andhaka, begoocheld door Krishna, zich opgetogen naar het pelgrimsoord genaamd Prabhâsa. (26) Daar namen ze een bad en betoonden ze ook zeker bij dat water hun voorvaderen, de goden en de grote wijzen hun respect. Toen schonken ze in koninklijke vrijgevigheid koeien aan de brahmanen. (27) Voor hun levensonderhoud verschaften ze hen ook goud, gouden munten, beddengoed, kleding, zetelbedekkingen, dekens, paarden, strijdwagens, olifanten, meisjes en land. (28) Na de brahmanen te voorzien van hoogst kostelijk voedsel dat eerst aan de Opperheer was geofferd, brachten de heldhaftige vertegenwoordigers, voor het heil van hun goede leven, de koeien en de brahmanen hun eerbetuigingen door de grond met hun hoofden te beroeren.'
Vidura Wendt Zich tot Maitreya
(1) Uddhava zei: 'Na, met de permissie van de brahmanen, te hebben genomen van de offers dronken zij [de Yadu's] sterke drank waarmee ze hun geest bedierven en elkaar in het hart raakten met ruwe bewoordingen. (2) Tegen zonsondergang, zagen zij die hun evenwichtigheid van denken hadden verloren als gevolg van de missers door die bedwelming, hoe de vernietiging van de bamboestokken [waarmee ze elkaar begonnen te bevechten] plaats vond. (3) De Allerhoogste Heer, die vanuit Zijn innerlijk vermogen het einde had voorzien, ging naar de rivier de Sarasvatî en na te nippen van het water ging Hij onder een boom zitten. (4) De Heer der overgegevenen die alle leed wegneemt had me gezegd, dat ik inderdaad naar Badarikâs'rama moest gaan om jou te zien aangaande Hem die ernaar uitzag Zijn eigen familie te vernietigen. (5) Niettemin ging ik tegen Zijn wens in de Meester achterna, o onderwerper van de vijand [Vidura], niet in staat het te verdragen gescheiden te zijn van Zijn lotusvoeten . (6) Ik zag Hem, mijn Beschermheer en Meester, alleen neerzitten diep in gedachten, Zijn toevlucht zoekend bij de godin aan de oever van die rivier, terwijl Hij geen toevlucht hoeft te zoeken. (7) Prachtig met Zijn zwartachtige kleur, van zuivere goedheid en vreedzaam met Zijn rooduitziende ogen, kon Hij worden herkend als hebbende vier armen en gele zijden kledij [Vishnu]. (8) Met Zijn rechtervoet op Zijn dijbeen rustend tegen een jonge banyanboom zag Hij er heel opgewekt uit, Zijn huiselijke gemakken achter zich gelaten hebbend.
(9) Op dat moment kwam [Maitreya,] een grote toegewijde en volgeling van Krishna-dvaipâyana Vyâsa [Vyâsadeva], een weldoener en vriend die de drie werelden bereisde, op eigen gelegenheid daar [eveneens] op die plek aan. (10) Terwijl de wijze, die gehecht aan Hem voorover gebogen stond in een houding van eerbied, vol van aandacht toeluisterde, liet Hij, met vriendelijke blikken en glimlachen, me uitrusten en sprak Hij tot me. (11) De Opperheer zei: 'Ik weet van binnenuit wat je in de dagen van weleer verlangde toen de welvarenden die deze wereld opbouwden hun offers aan het brengen waren. Ik geef je dat wat door de anderen zo moeilijk te bereiken is, o welgestelde: de associatie met Mij waarnaar je verlangt als het uiteindelijke doel van het leven. (12) Dit leven nu is van al je incarnaties, o oprechte, de vervolmaking daar je Mijn genade hebt bereikt; omdat het vanwege Mij is dat je, in de afzondering van het verlaten van de werelden der mensen, te zien kreeg wat je in je niet aflatende toewijding zag [:Vaikunthha]. (13) Lang geleden, bij de aanvang van de Schepping, stelde ik Brahmâ op de lotus die uit Mijn navel kwam op de hoogte van de kennis van het allerhoogste van Mijn bovenzinnelijke heerlijkheden, verduidelijkend wat de godvruchtigen het Bhâgavatam noemen.'
(14) Op die manier begunstigd door het feit dat Hij zich tot mij richtte, zag ik, omdat ik voortdurend het object was van de genade van de Allerhoogste Persoon, in mijn emotie mijn haren recht overeind staan en zei ik met mijn ogen wazig van het wissen der tranen, met gevouwen handen: (15) 'O mijn Heer, voor hen die naar Uw voeten leven, welke zo moeilijk te verwerven zijn, is het in deze wereld allemaal een kwestie van die vier doelen van het leven [dharma, artha, kâma, moksha; religiositeit, economische ontwikkeling, zinsbevrediging en bevrijding], maar niettemin geef ik daar niet de voorkeur aan, o Grote, daar ik mij er alleen maar om bekommer Uw lotusvoeten te dienen. (16) Hoewel U zonder verlangens bent kent U allerlei soorten van activiteiten; hoewel U ongeboren bent neemt U niettemin geboorte; hoewel U de heerser over de eeuwige Tijd bent, zoekt U Uw toevlucht tot de vesting uit vrees voor Uw vijanden en hoewel U behagen schept in Uzelf leidt U een huiselijk bestaan in het gezelschap van vrouwen; dit verbijstert de intelligentie van hen die leerden in deze wereld. (17) Hoewel U nooit verdeeld bent onder de invloed van de tijd, wendt U, in Uw eeuwige intelligentie o Meester, zich tot mij voor advies , alsof U het niet meer weet terwijl dat nooit zo is; dat doet mij versteld staan, o Heer. (18) Als U mij er afdoende voor geschikt acht, onthul me dan, alstUblieft mijn Heer, tot in detail het geheel van de kennis, het mysterie en de opperste verlichting van Uw eigen Zelf, zoals U dat, als de Allerhoogste Heer om de oceaan van ellende over te steken, Brahmâjî hebt verteld.'
(19) Op die manier door mij aanbeden uit het diepst van mijn hart, instrueerde Hij, de lotus-ogige Opperheer van het voorbije, mij over Zijn bovenzinnelijke positie. (20) Aldus heb ik, onder de aanwijzingen van de Meester, de werkelijkheid van de ziel aanbeden en bestudeerd, het pad doorgrondend door Zijn Lotusvoeten te respecteren en bereikte ik, na Hem te hebben omlopen, deze plek met droefenis in mijn hart als gevolg van de gescheidenheid. (21) Derhalve, mijn beste [Vidura], doet het me zonder het genoegen Hem te zien nu pijn en zal ik zoals opgedragen door Hem naar Badarikâs'rama [in de Himalaya's] gaan terwille van de associatie. (22) Het is daar dat Nârâyana in de incarnatie van Zijn menselijkheid en Zijn Opperste Goddelijkheid [Nara en Nârâyana] als een wijze beminnelijk voor een ieder een lange tijd zware boete deed terwille van het welzijn van alle levende wezens.'
(23) S'rî S'uka zei: 'Van Uddhava horend over het ondraaglijke van de vernietiging van zijn vrienden en verwanten, bracht de geleerde Vidura, door middel van bovenzinnelijke kennis, zijn opkomende droefenis tot bedaren. (24) Bij het vertrek van de grote toegewijde van de Heer en beste onder de Kaurava's, legde Vidura in vertrouwen het volgende voor aan de belangrijkste in de toegewijde dienst van Krishna. (25) Vidura zei: 'De Heer van de Yoga lichtte je in over het mysterie van de transcendente kennis van de eigen ziel - vertel het me nu zelf uit je goedheid teneinde Vishnu en de dienaren die rondtrekken terwille van anderen waardig te kunnen zijn.' (26) Uddhava zei toen: 'Wendt je tot de aanbiddelijke wijze, de zoon van Kushâru [Maitreya] die hier in de buurt verblijft en die rechtstreeks door de Heer werd geïnstrueerd toen hij de sterfelijke wereld achter zich liet.'
(27) S'rî S'uka zei: ' Op die wijze de nectar besprekend van de Universele Persoon Zijn kwaliteiten, was Vidura er enorm door overweldigd daar aan de oever van de Sarasvatî rivier en na zo de nacht in een oogwenk doorgebracht te hebben, ging de zoon van Aupagava weg.'
(28) De koning [Parîkchit] vroeg: 'Hoe kon het zo zijn dat na de vernietiging die over de Vrishni en Bhoja dynastie kwam, de grote leider die vooropging onder hen, de prominente Uddhava de enige was die overbleef nadat de Heer Zijn spel en vermaak had afgerond als de Meester over de drie werelden?
(29) S'rî S'uka zei: 'De vervloeking [van de Yadu-dynastie] door de brahmanen was slechts een verzoek, in feite was het de [Heer Zijn] trefzekere verlangen een eind te maken aan de overmaat van Zijn eigen familie waarna Hij Zijn Universele verschijning opgaf en bij Zichzelf dacht: (30) 'Na uit deze wereld te zijn verdwenen zal de kennis over Mij en Mijn toevlucht zeker rechtstreeks Uddhava ten deel vallen, die momenteel de meest vooraanstaande van de toegewijden is. (31) Uddhava is niet in het minst aan Mij ondergeschikt daar hij nooit is aangedaan door de materiële geaardheden en derhalve mag overblijven als de meester van de kennis over Mij om die in deze wereld te verspreiden'. (32) Na op die manier op volmaakte wijze door de geestelijk leraar en bron van alle vedische kennis onderricht te zijn bereikte hij [Uddhava] Badarikâs'rama en was hij gelukkig in zijn verzonkenheid in de Heer. (33) Vidura vernam eveneens van Uddhava over hoe Krishna, de Superziel, op buitengewone wijze een vorm had aangenomen terwille van de gang van zaken in de wereld en eveneens zeer zegerijk Zich er bovenuit werkte. (34) Het is voor de vasthoudende grote wijzen als ook voor de anderen zeker moeilijk Zijn binnengaan in het lichaam te begrijpen en voor de beestachtigen is het simpelweg een geestelijke stoornis. (35) Dit gold ook voor hemzelf, o beste onder de Kuru's, toen hij er aan terugdacht hoe Krishna aan hem had gedacht, en met de Fortuinlijke vertrokken, barstte hij in tranen uit overweldigd door de vreugde der extase.
(36) O beste onder de Bharata's, Vidura die op die manier zijn dagen had doorgebracht aan de oever van de Yamunâ [zie 3:1.24], bereikte daarna de heilige wateren der Ganges alwaar hij, de zoon van Mitra [in de zin van een incarnatie zijn van Yamarâja als de zoon van een s'ûdra, zie 1.13:15], de wijze Maitreya ontmoette.
Vidura spreekt met Maitreya
(1) S'rî S'uka zei: 'Aan de bron van de hemelse rivier [de Ganges], zat de beste van de Kuru's, Vidura die nader tot de Onfeilbare was gekomen, voor Maitreya Muni neer, wiens kennis peilloos was, en met een volmaakt respect stelde hij beleefd vragen vanuit zijn voldoening in de bovenzinnelijkheid. (2) Vidura zei: 'Terwille van het geluk is iedereen in deze wereld bezig met vruchtdragende activiteiten, maar door die activiteiten bereikt men nooit het geluk of een ander idee van tevredenheid, in tegendeel, op die manier vindt men zeker het ongeluk. Alstublieft, o grootste, wees zo goed ons in te lichten over wat de juiste benadering is onder welke omstandigheden. (3) Vanwege hun mededogen met de gewone man, die zijn gelaat afwendde van Heer Krishna en die onder de invloed van de materiële wereld altijd ongelukkig is met het verwaarlozen van zijn plichten jegens God, trekken de grote zielen van opoffering rond voor het heil van de Heer der drie werelden. (4) Derhalve, o grootste onder de heiligen, instrueer me alstUblieft over het pad ten gunste van het volmaakt dienen van de Allerhoogste Heer die, verblijvend in het hart van de levende wezens, de zuivere toegewijden beloont met de kennis van de primaire werkelijkheid waardoor men van de geschiedenis leert [de Veda]. (5) Hoe stelt de Allerhoogste Heer en heerser over de drie werelden die aan Zichzelf genoeg heeft, hoewel Hij zonder verlangens is, middels Zijn transcendentale activiteiten in het gecreëerde universum, de regulerende beginselen in terwille van de handhaving ervan? (6) Hoe kan Hij, terugkerend naar Zijn vorm in het universum, daarin neerliggen zonder Zich te bekommeren over Zijn bestaan als de Heer der Vereniging die de enige ware oorspronkelijke bezitter is naar wie talloze anderen dienovereenkomstig het bestaan binnen gaan? (7) Waarom is het zo dat, in het vertonen van Zijn spel en vermaak voor het welzijn van de tweemaal geborenen, de koeien en zij die toegewijd zijn, en met Zijn te werk gaan in verschillende incarnaties, het denken nooit voldaan is ondanks het voortdurend horen over de onderliggende gunstige eigenschappen van de Heer? (8) Door de werkelijkheid van welke differentiatie plant de Koning aller koningen en werelden van de laagsten af aan met hen daarin voorzeker de existentie zoals die zich voordoet van de levende bestaansvormen in hun verschillende bezigheden? (9) En, beschrijf ons alstUblieft o leider onder de brahmanen, hoe de Heer van de mens, Nârâyana, maatregelen trof, terwille van hen die geboren zijn, voor de differentiatie van hun betrekkingen, de specifieke vormen ervan als ook hun verspreide culturen.
(10) O mijn Heer, ik hoorde bij monde van Vyâsadeva herhaaldelijk over het hogere en lagere van deze bezigheden, maar ik ben maar weinig tevreden over het geluk daaraan ontleend zonder te horen van de nectar van de verhalen over Krishna. (11) Wie kan er bevrediging vinden[zonder de nectar]; door de gesprekken die de oren bereiken over de reis naar de voeten, wordt, door Hem die in de samenleving als zodanig wordt aanbeden door de grote toegewijden, de gebondenheid van de mens in zijn genegenheid voor zijn familie doorsneden! (12) De wijze Krishna-dvaipâyana Vyâsa, die ook uw vriend is, heeft de bovenzinnelijke kwaliteiten van de Opperheer in de Mahâbhârata beschreven die er alleen maar is om de aandacht van de mensen die behagen scheppen in het luisteren naar wereldse onderwerpen weg te trekken in de richting van de verhalen van de Heer. (13) Dat belang van geloof zal onverschilligheid teweegbrengen voor andere zaken; hij die zich voortdurend de voeten van de Heer heugt heeft de gelukzaligheid bereikt die zonder meer alle misère uitbant. (14) Ik heb het te doen met al de onwetende zieligheid van die zieligen die door hun zonden in verval verkeren van waakzaamheid jegens God en die de jaren van hun leven verspillen met nutteloze filosofische oefeningen, denkbeeldige doelen en een diversiteit aan rituelen. (15) Derhalve, o Maitreya, het goede fortuin behartigend van een ieder, beschrijf ons alstUblieft wat de essentie is van al de onderwerpen: de verhandelingen over de Heer die als de nectar van bloemen het glorieuze is van het pelgrimeren. (16) Alstublieft verhaal over alles wat betrekking heeft op de transcendentale bovenmenselijke handelingen die door de Heer zijn volbracht middels Zijn aanvaarden van incarnaties die zich toespitsen op het handhaven van het geschapene van Zijn universum.'
(17) S'rî S'uka zei: 'Aldus deed de grote wijze in de Heer, Maitreya, Vidura de grote eer dit voor hem uiteen te zetten met het oog op het uiteindelijke welzijn van allen. (18) S'rî Maitreya zei: 'Alle zegen voor u, o goedgeaarde, het feit dat u het me vraagt voor het heil van allen is bewijs van de goedheid van uw genade om de heerlijkheden van de ziel in het Transcendentale van de geest in deze wereld te verkondigen. (19) Het verbaast me niet u hier te vinden, zonder afwijkingen in uw denken, in het aanvaarden van de Allerhoogste Persoonlijkheid onze Heer, o Vidura, daar u werd geboren uit het zaad van Vyâsa. (20) U bent degene die geboren werd dankzij de vloek van de machtige wijze Mândavya Muni als de incarnatie van Yamarâja, de heerser over de dood, uit de dienstmaagd van de broeder [Vicitravîrya] en de zoon [Vyâsadeva] van Satyavatî [zie stamboom]. (21) U, uwe goedheid, wordt gerekend tot de eeuwige metgezellen van de Heer, die, op Zijn terugkeer naar Zijn woning, mij de kennis en opdracht heeft gegeven u te instrueren. (22) Derhalve zal ik u systematisch het spel en vermaak uit de doeken doen met betrekking tot de Allerhoogste Heer Zijn enorm uitgebreide uitwendige energie voor de handhaving, schepping en beëindiging van de kosmische werkelijkheid.
(23) De ene en Allerhoogste Heer was er voorafgaand aan de schepping als de ziel van de levende wezens in het beheersen van het zelf en opgegaan in het verlangen ervan wordt Hij gezien als zijnde verschillend met verschillende kenmerken. (24) Te dien tijde werd Hij met dit alles niet gezien als de onbetwiste eigenaar in de kosmische schepping en dacht men over Hem dat Hij niet bestond met Zijn volkomen deelaspecten ongemanifesteerd naar de macht van Zijn manifeste innerlijk vermogen. (25) De uitwendige energie wordt door de perfektie van de ziener, die de Heer is, gezien als de macht van de werking van oorzaak en gevolg en wordt de mâyâ [of de illusoire invloed der materie] genoemd, o fortuinlijke, waaruit de Almachtige deze wereld heeft opgebouwd. (26) Het Opperste Levende Wezen bezwangerde, door de incarnatie van de Oorspronkelijke Persoon, welke de volkomen expansie is van de oorspronkelijke ziel, door het zaad van de levende wezens, onder de invloed van de tijd, de uitwendige energie in het zijn van de Transcendentie naar de geaardheden van mâyâ. (27) Daarop volgend kwam, door de interactie van de tijd, uit het ongemanifesteerde, het totaal van de zuivere goedheid tot stand dat kon wortelen in het belichaamde om het hoogste licht van volledige universa te manifesteren. (28) Dat eindtotaal - welk eveneens moet worden beschouwd als een volkomen expansie van de ziel naar de geaardheid en de tijd - differentieerde, als het vergaarbekken van de wezens in wording, zich in de vele verschillende vormen van het gezichtsbereik van de Persoonlijkheid van God en hiervan zag men het verlangen te scheppen tot stand komen.
(29) Het grote van de causale waarheid [mahâtattva], getransformeerd in de materiële werkelijkheid van het valse ego, gaf aanleiding tot effecten, de materiële oorzaak en de doener en aldus ontsprongen aan de zintuigen van het zelf de materiële ingrediënten van de drie soorten van vals ego bekend als de geaardheden der goedheid, hartstocht en onwetendheid die men vindt op het mentale vlak. (30) Door de omvorming van deze werkelijkheid werd, in interactie met de geaardheid goedheid, de geest gegenereerd en manifesteerde door deze interactie zich het fenomeen van al de goddelijken die de bron vormen van de materiële kennis. (31) De zinnen zijn zeker van de geaardheid hartstocht en zo is dat dus ook in hoofdzaak waar voor de kennis van zaken en vruchtdragende activiteiten die erbij komen kijken. (32) Uit de traagheid werden de subtiele zinsobjecten [van het geluid] gerealiseerd en daarvan kan de ether worden gezien als de symbolische representatie van de Opperziel. (33) De Allerhoogste Heer die, als de [cyclische] tijd de uitwendige energie vermengend, met Zijn blik de ether bestrijkt, schiep van de aanraking van het in contact komen met de ether de lucht. (34) De lucht, eveneens getransformeerd door de uiterst machtige ether deed toen het bliksemen [de bio-electriciteit] der zintuiglijke gewaarwording ontstaan en dat gaf op die manier het licht van de wereld om te zien. (35) Het interacteren van de lucht en de blik van het Allerhoogste met die electriciteit schiep door de tijdmix van de materiële energie de smaak [voor het leven] in water. (36) Vervolgens kwam het geëlectrificeerde water, als gevolg van het omvormende overzien door het Allerhoogste van de aarde, tot de kwaliteit van de geur in het gedeeltelijk vermengen van de cyclische [eeuwige] tijd met de uitwendige materiële energie.
(37) Begrijp dat, te beginnen met de ether, alle materiële elementen, en o allervriendelijkste, het grote aantal van hun superieure en inferieure kwaliteiten, de laatst gelegde hand zijn van de Allerhoogste. (38) De goddelijken van al deze fysieke elementen zijn deel en geheel van Vishnu en worden belichaamd als deel en geheel van het cyclische van de tijd naar de uitwendige energie. Omdat ze vanwege hun verschillende verplichtingen niet in staat zijn [tot de volledigheid] spreken ze fascinerende gebeden uit voor de Heer. (39) De goddelijken zeiden: 'Onze eerbetuigingen aan Uw lotusvoeten, o Heer, in nood gaven we ons aan hen over daar ze de beschermende paraplu zijn die beschutting biedt aan de grote wijzen die met alle macht al de grote vormen van ellende van het materiële leven in z'n geheel over boord zetten. (40) O Vader, vanwege het feit dat in deze materiële wereld, o Heer, de individuele zielen altijd in verlegenheid verkeren door de drie vormen van ellende [voortkomend uit jezelf, anderen en de natuur] zijn ze nooit gelukkig, maar in het winnen van Uw (Super-)ziel, o Allerhoogste, de schaduw van Uw lotusvoeten, zijn ze vol van de kennis en vinden ze beschutting. (41) Bij iedere stap hun toevlucht nemend tot de voeten der pelgrimage, vinden zij die speuren naar uw lotusgelijke gezicht er de bescherming die wordt gedragen op de vleugelen der vedische hymnen van de wijzen aan de beste der rivieren [de Ganges], wiens helderheid van geest bevrijdt van de terugslagen der zonde. (42) De meditatie die met geloof en door eenvoudig te luisteren alsook door toewijding het hart zuivert met de kracht van de kennis der onthechting, verplicht hen die tot vrede kwamen te gaan voor het heiligdom van Uw voeten. (43) Laten wij allen, terwille van de geboorte in, de standvastigheid met en het internaliseren met de pijnigende materiële werkelijkheid, de beschutting zoeken van de incarnaties van Uw lotusvoeten die de toevlucht zijn, o Heer, en die de moed van de toegewijden met heugenis beloont. (44) Vanwege het verstrikt raken en aldus verkeren van het materiële lichaam in de geest van ik en mijn, zijn wij als personen verzonken in een ongewenste volijver en zien we U als ver van ons staand hoewel we in Uw [universele] lichaam aanwezig zijn; laat ons daarom Uw lotusvoeten aanbidden, o Heer. (45) Zij [Uw voeten] zijn er zeker voor diegenen onder de materiële invloed die door hun zintuiglijke waarneming vervreemd zijn van het innerlijke waarnemen, o Allerhoogste, en daarom nooit Uw grootheid kunnen zien, maar voor hen die Uw goddelijk handelen wel zien is er het genoegen van het transcendentale. (46) O Heer, zij die van een serieuze houding zijn komen eenvoudig door het drinken van de nectar van de verhalen tot verlichte toegewijde dienst, de volle strekking der verzaking en de intelligentie waarin zij snel de spirituele levenssfeer bereiken waar geen achteloosheid bestaat [Vaikunthha]. (47) Voor anderen van de bovenzinnelijke realisatie van het zich verenigen in de kracht van het machtig overwinnen van de materiële natuur, bent U ook die ene vredestichtende Oorspronkelijke Persoon waarin zij binnengaan, maar voor hen is het een hoop werk terwijl dat voor hen die U dienen niet zo is. (48) O Oorspronkelijke, daarom zijn we [nu] allen de Uwe; omdat voor het heil van de schepping der wereld wij de één na de ander geschapen werden en in het verleden gescheiden waren door onze eigen handelingen naar de drie geaardheden en zodoende, in het netwerk van onze eigen geneugten, niet in staat waren U te behagen. (49) O Ongeborene, leidt ons in ons pogen U op het juiste moment offers te brengen zodat we zowel de maaltijd kunnen delen alsook de voorzieningen voor U en zeker ook al degenen waar we mee leven, en dat we, met onze offerdiensten, daarmee het voedsel in vrede mogen genieten. (50) O Heer, U bent voor ons, de godbewusten en onze orden, de ene en dezelfde oorspronkelijke grondlegger; U o Heer, hoewel U ongeboren bent, bent voor de energie, de oorzaak van de materiële geaardheden en de activiteiten werkelijk gelijk het ingebrachte zaad voor het verwekken van de variëteit. (51) O Allerhoogste Ziel, zeg ons wat wij, die allen werden geschapen van en voor de totaliteit van de kosmos, voor U zouden moeten doen, en gun ons in het bijzonder de visie van Uw persoonlijke plan en het vermogen, o Heer, te werken en te handelen overeenkomstig onze verschillende afdelingen [van statusoriëntaties en hun overstijging].
Het genereren van de Universele Gedaante
(1) De wijze [Maitreya] zei: 'Zo stond de Heer voor het feit dat in de vooruitgang van de universele scheppingen Zijn eigen vermogen in sluimering verkeerde als gevolg van het een gebrek aan orde. [zie 3.5.: 24] (2) Toen ging in één keer het oppermachtige vermogen de drieëntwintig elementen binnen [de vijf elementen en hun kwaliteiten, de vijf organen van handelen en de zintuigen en de drie vormen van individueel bewustzijn: het denken, de intelligentie en het ego; vergelijk 2.4: 23] en stond bekend als Kâlî, de godin der vernietiging. (3) Dat later binnengaan van de Allerhoogste Heer in de vorm van de kracht der materie, Kâlî, zette afzonderlijk de levende wezens aan het werk waarbij ze uit hun onbewuste staat werden opgewekt tot hun karma. (4) Teweeggebracht door de combinatie van de drieëntwintig hoofdelementen wekte de wil van het Allerhoogste op die manier de activiteiten op middels Zijn persoonlijke volkomen expansie van de Universele Gedaante. (5) De Heer die met een volkomen deelaspect van Zijn eigen Zelf [Kâlî] al de elementen van de schepping binnenging, transformeerde Zich aldus tot de vormen waar Hij in combinatie toe kwam, waarin al het bewegende en niet-bewegende [der scheppingen] van de werelden zijn vrede vindt. (6) Hij, deze Vishnu Hiranmaya, de oorspronkelijke persoon, spreidde zichzelf zo voor een duizendtal hemelse jaren [één zo'n jaar is 360 jaar voor de mens] uit in de wereld in het water, daar verblijvend met alles wat er van Zijn goedheid was.
(7)Vanuit de actieve ziel vol van vermogen was die totaliteit van de levende energie van de gigantische vorm er zeker van het goddelijke zelf te verdelen ten opzichte van zichzelf als de eenheid die zich verhoudt tot het drie- en tienvoudige. (8) Dit voorzeker onbegrensde van de zielen van de levende wezens die deel uitmaken van de Superziel, is de eerste incarnatie waarop het geheel van al die levende wezens tezamen floreert. (9) De gigantische gedaante in drieën heeft betrekking op het fundament van het zelf [of de tijdruimte, âdhyâtma], het fundament van de goddelijkheid [van de lotus der schepping, de âdhidaiva], en het fundament van de wereld en haar schepselen [de âdhibhûta], het tienvoudige heeft betrekking op [de organen van] de levenskracht [de prâna: de handen, de voeten, de anus, de geslachtsorganen, de ogen, de neus, de oren, de tong, de huid en de mond; zie brahma sûtra 2.4: 5-6], en het één zijn heeft betrekking op het hart. (10) De heugenis van de begiftigde wezens van de Heer die voor Hem baden als de Transcendentie, had zo de schittering voor ogen van de gigantische vorm die er was voor hun begrip. (11) Luister nu naar hoe ik voor u beschrijf hoeveel belichamingen van halfgoden er daarom waren als de afgescheiden delen in deze contemplatie van Hem.
(12) Uit de mond van Zijn vuur [Agni] werden zo de lokale bestuurders van het materiële leven afgescheiden en in hun relatie met de ideeën van hun eigen afdeling ontstond de spraak waarmee ze zich uitdrukken. (13) Varuna, de godheid die de lucht beheerst scheidde zich van deze wereldse heersers af als het verhemelte en ging van de Heer [Zijn vermogen] het deel van de tong binnen en schonk het levend wezen de expressie in de smaak. (14) De twee As'vinî Kumâra's werden afgescheiden als de twee neusgaten van Vishnu en door het innemen van die positie kwam de desbetreffende ervaring van geuren tot stand [zie ook 2.1: 29 en 2.5: 30]. (15) Als Zijn ogen, de zon, ging de lokale heerser van het licht het gigantische binnen waarvan, naar de vormen, de ervaring van het deel van het zien tot stand kwam. (16) De huid onderscheidde zich van de Universele Gedaante, als de lokale heerser in de lucht [Anila, de Vasu van de wind] en ging zo als het ademende deel binnen, waarvan het levend wezen in staat is tot ervaren in aanraking. (17) Van de oren van de gigantische gedaante werden toen de heersers naar de oorspronkelijke richtingen afgescheiden die binnengingen met de principes van het horen waarmee de volmaaktheid van het geluid wordt ervaren. (18) Met de afzonderlijke manifestatie van de huid van de universele gedaante gingen de heersers van het gevoel en hun afdelingen binnen, waarvan met de haren op het lichaam [of de vegetatie] het levend wezen jeuk ervaart. (19) Toen de genitaliën van de gigantische gedaante werden afgescheiden kwam hij die de eerste is [Brahmâ, de Prajâpati] tot zijn positie en ging op die manier het deel van het zaad het bestaan binnen waarmee de wezens het genot [van de seks] ervaren. (20) De ontlastingsopening manifesteerde zich afzonderlijk waarmee de lokale heerser ervan met de naam Mitra met het deel van het uitscheidingsproces [de dood] binnenging en daarvan verricht het levend wezen zijn ontlastingstaken. (21) Naar de afzonderlijke manifestatie van de handen van de gigantische gedaante, vond Indra de heerser van het oorspronkelijke [de hemel] zijn bestaan met het deel van de handelsprincipes waarvan het levend wezen zijn zaken kan afhandelden. (22) Met de benen van de gedaante die toen afzonderlijk hun bestaan vonden, ging de plaatselijke orde van Vishnu binnen met zijn eigen deel van het vermogen tot beweging waarmee het levend wezen zich naar zijn bestemming verplaatst. (23) Met het zich onderscheiden van de intelligentie van het universele, vond de Heer van het gesproken woord [de Veda] zijn bestaan als de heersende macht die binnenging als dat deel van de intelligentie waarmee de ervaring van het begrijpen van dingen kon worden gerealiseerd. (24) Ook het hart van het Universele Wezen manifesteerde zich afzonderlijk als Candra, de orde van de maan, die binnenging als de heersende macht over de mentale activiteit waarmee het levend wezen beslissingen neemt en overeenkomsten sluit. (25) Het ego van het zich identificeren met de [materie van de] universele gedaante manifesteerde zich eveneens afzonderlijk, de positie innemend [als Rudra, Heer S'iva] met het deel van de activiteiten waarmee het levend wezen onderneemt in objectieve handelingen. (26) Toen ook de goedheid zich afzonderlijk manifesteerde van de universele gedaante, ging de beheersing over het geheel van de energie het bestaan binnen als het deel van Zijn bewustzijn waarmee het levend wezen specifieke kennis cultiveert.
(27) Van het hoofd van de Universele Gedaante met de hemelse werelden, de aardse werelden als Zijn benen en het belang van de ether van Zijn onderbuik, ontstonden de reacties op de drie geaardheden waarmee de halfgoden en anderen zich manifesteren. (28) In de overmaat van de geaardheid goedheid vonden de goddelijken hun plaats in de hogere posities terwijl al die menselijke wezens die leven naar de aard van hun hartstocht aan hen ondergeschikt zijn op aarde. (29) Al degenen die, in de overmaat van de derde geaardheid, van de aard [der traagheid] zich bevinden tussen die twee [van hemel en aarde] in, behoren bij de ether van Zijn navel tot de bevolking als de metgezellen van Rudra.
(30) De leiders van de vedische wijsheid, welke voortkwamen uit de mond van de Universele Gedaante, o aanvoerder van de Kuru-dynastie, werden, in hun toeneiging tot de orden in de samenleving [de roepingen], de zogeheten brahmanen, de erkende leraren of spirituele woordvoerders. (31) Zij die zich toen manifesteerden uit de armen [van de gigantische gedaante] waren de volgelingen [van de brahmanen] in relatie tot de macht der bescherming [de kshatriya's of bestuurders] die, als vertegenwoordigers van de Hoogste Persoonlijkheid, de andere beroepen bevrijden van de ondeugd van storende maatschappelijke elementen. (32) Uit Zijn dijen genereerde de Almachtige, voor de productie en distributie van de middelen van bestaan, de handelsgemeenschap [de vais'ya's] wiens beroep het is zorg te dragen voor de verschaffing voor een ieder. (33) Voor het vervolmaken van de plichten vanuit de benen van de Opperheer werd de dienst in het leven geroepen waarnaar het primaire belang van het beroep der arbeiders [s'ûdra's] werd gegenereerd waarmee de Heer wordt tevredengesteld. (34) Al deze orden van de samenleving naar de individuele plichtsbetrachtingen aanbidden met de leraren zelve de Heer door wie met geloof en toewijding een ziel tezamen met zijn beroepsmatige bezigheid zijn zuivering vindt.
(35) Wie, o Vidura, heeft een idee van de totaliteit van deze gedaante van het goddelijke werkzame Zelf van de Allerhoogste Heer, die zich manifesteerde door de kracht van de illusoire materiële eenheid [van Zijn innerlijk vermogen]? (36) Derhalve, o broeder, beschrijf ik, ondanks dit feit, de intelligentie voor zover begrepen uit het vernemen over de heerlijkheden van de Heer in lezingen van zuiverheid, anders zal het denken zich tot het onware wenden. (37) De Onvergelijkelijke wint men voor zich door besprekingen over de Allerhoogste Persoon Zijn fameuze handelingen, waarvan men in hun verheerlijking spreekt van nectargelijke transcendentie voor het oor en die, op schrift gesteld door de geschoolden, de ware bedoeling ten dienst staan van het nader tot elkaar komen. (38) De heerlijkheden van de Allerhoogste Ziel werden, mijn zoon, door de oorspronkelijke poëet [Brahmâ] na een duizendtal hemelse jaren gekend door een intelligentie gerijpt in meditatie. (39) Daarom wordt dat wat zelfs voor de manipulerenden een bekoorlijk goddelijk vermogen is, ook door de ziel die aan zichzelf genoeg heeft niet gekend; en wat dan te zeggen van anderen? (40) Van wie wij, niet in staat tot inschatting, ermee opgehouden zijn het te proberen met woorden en het denken, ego en al deze andere goden; Hem, de Allerhoogste Heer, bieden we onze respectvolle eerbetuigingen.
Verdere Vragen van Vidura.
(1) S'rî S'uka zei: 'Op die manier met Maitreya Muni pratend, formuleerde de geleerde zoon van Dvaipâyana Vyâsa, Vidura, respectvol een verzoek. (2) Vidura zei: ' O brahmaan, hoe kan van de Opperheer, hoewel Hij van het volkomen geheel en het onveranderlijke is, het spel en vermaak plaatsvinden van handelen met de geaardheden der natuur terwijl Hij zich er Zelf buiten bevindt? (3) Jongens die met andere jongens willen spelen zijn geestdriftig wat betreft hun spel, maar in welk opzicht is dat anders met iemand die aan zichzelf genoeg heeft en te allen tijde onthecht is? (4) Ertoe aangezet het universum te scheppen met de drie natuurlijke geaardheden, handhaaft het Oorspronkelijke Zelf met het vermogen van de Allerhoogste Heer alles ervan en beëindigt het tegengesteld daaraan ook alles weer. (5) Hoe kan Hij, het Zuivere Zelf wiens bewustzijn, noch door Hemzelf, noch door anderen, noch door enige tijd, plaats of omstandigheid is versluiered, in de normale positie van een levend wezen verwikkeld zijn in onwetendheid? (6) De Ene Opperheer bevindt zich in alle levende wezens; door welke soort van activiteiten is er ofwel het ongeluk ofwel de belemmering van de levende wezens? (7) Hierover, o hooggeleerde, in onwetendheid lijdend, bezorgt mijn geest mij moeilijkheden en daarom, o allergrootste, neem de grote onzuiverheid van mijn denken weg.
(8) S'rî S'uka zei: 'Hij, er op deze manier toe aangespoord door Vidura die zo bezorgd was over de realiteit, gedroeg zich als een grote wijze en deed alsof hij verbaasd was en gaf toen zonder aarzeling godsbewust antwoord. (9) Maitreya zei: 'Te beweren dat men van de Allerhoogste Heer in staat van illusie verkeert, dat van het eeuwig verloste van Zijn Heerlijkheid er onvolkomenheid zou zijn of het idee van gebondenheid, leidt tot een logische tegenspraak. (10) Van dat soort verwarring van het zich identificerende zelf van mensen is men op die manier beroofd van betekenis; alsof men van buienaf zichzelf ziet met het hoofd eraf gehakt. (11) Zoals vanwege de kwaliteit van water de erin gespiegelde maan rimpelt, vormt de kwaliteit van het lichaam een drogbeeld voor de getuige die ervan verschilt. (12) In dit bestaan neemt, in bhakti-yoga ten gunste van de Fortuinlijke, dat [begoocheld zijn] geleidelijk aan af, als men bij de genade van Vâsudeva te werk gaat in onthechting. (13) Als de zinnen, van de waarnemende ziel die betrokken raakt in transcendentie tot de Heer, op die manier hun bevrediging vinden, is het volledig gedaan met de misère alsof men van een gezonde nachtrust heeft genoten. (14) Als men al een einde kan maken aan allerlei soorten van ellende door eenvoudig te luisteren naar de herhaalde verklaringen over de kwaliteiten van Murarî [Krishna als de vijand van Mura], wat kan men dan wel niet verwachten van het, zoals het hart het ingeeft, dienen van het stof van Zijn lotusvoeten?
(15) Vidura zei: 'O almachtige, u hebt mijn twijfels bestreden met het wapen van uw overtuigende bewoordingen o Heer, nu is mijn geest wat betreft beide [God en het levend wezen], o allerhoogste, tot een volmaakte eenheid gekomen. (16) O geleerde, u heb volkomen gelijk als u stelt dat [redeneren vanuit] de begoochelende energie van de Heer voor de ziel niet het juiste pad vormt; het bewijst zich als zijnde betekenisloos zonder de basis van de wortel van het Allerhoogste waarbuiten men het eenvoudig bij het verkeerde eind heeft. (17) In deze wereld genieten hij die het traagst van begrip is en hij die van een bovenzinnelijke intelligentie is het geluk, terwijl de personen die zich daartussen bevinden lijden. (18) Ingezien hebbend en overtuigd zijnd van dat wat niet essentieel is, van dat wat niet de ziel is, ben ik door de dienst van uw voeten, aldus in staat [de misvatting dat de Heer de oorzaak van de illusie zou vormen] op te geven. (19) In het dienen van de Persoonlijkheid van God die de onversaagde vijand van de demon Madhu is, ontwikkelt men, in verschillende relaties [râsa's] naar de voeten, het hoogst extatische dat het leed verdrijft. (20) Van hen die het er slecht van afbrengen qua versobering ziet men zelden dat ze zich op het pad van dienst bevinden naar het Koninkrijk Gods [Vaikunthha] waarin de Heer zonder ophouden door de goddelijken wordt verheerlijkt als de heerser over alle levende wezens.
(21) Na de schepping van eerst het volledige van de materiële energie, manifesteerde zich in een geleidelijk proces van differentiatie [evolutie] de universele gedaante tezamen met de zintuigen en organen waarin later de Almachtige binnenging [voor Zijn incarnaties]. (22) Hij die de Oorspronkelijke Persoon wordt genoemd heeft duizenden ledematen, benen en handen levend in al de werelden van het universum overeenkomstig de evolutie van ieder van hen. (23) U verklaarde hoe er drie verschillende soorten van leven zijn [naar de geaardheden] waarin men tien soorten van levenskracht met de [vijf] zinnen en hun [vijfvoudig] belang heeft; beschrijf me alstUblieft nu wat de specifieke capaciteiten zijn van de maatschappelijke onderverdelingen. (24) In dezen [in deze onderverdelingen] heeft, met de zonen en familieleden van de verschillende generaties, dat vermogen zich uitgespreid in verschillende vormen van bestaan. (25) Wie waren al de Manu's [hoofden van het tijdperk], en de navolgende generaties zeker ook, waartoe Hij was besloten als de eerste of de vader van de levende wezens [de prajâpati, of Brahmâ] van de geslachten, en wie waren hun nakomelingen? (26) Welke werelden staan er aan het hoofd en welke aardse werelden bevinden zich daaronder, o zoon van Mitrâ; beschrijf alstUblieft wat hun situatie is en wat de uitgebreidheid van hun wereldse lokaties is. (27) Beschrijf me de generaties en onderafdelingen van het onmenselijke, menselijke en bovenmenselijke, zoals geboren uit reptielen [en vogels], uit baarmoeders, uit vocht, uit tweemaal geborenen en uit de aarde [de planten]. (28) Wees zo goed de incarnaties naar de geaardheden der materiële natuur te beschrijven voor de schepping, handhaving en vernietiging van het universum en de grootse activiteiten van de ene Persoonlijkheid van God die de uiteindelijke toevlucht vormt.
(29) Wat zijn naar de desbetreffende afdelingen van de statusoriëntaties van leeftijd en roeping in de samenleving de belichamingen, het karakter en de geboorten van de wijzen en hun activiteiten en de verdelingen van de Veda in categorieën? (30) En wat zijn de offers en methoden van de expansies van het yogavermogen, o meester, en wat is het pad van de toegewijde dienst, in het niet-materiële belang als ook in de analytische studie, in het zich verhouden tot de Persoonlijkheid van God met regulerende beginselen? (31) De wegen en onvolkomenheden der ongelovigen, zij die die zich tegendraads gedragen, en de situatie en bewegingen van de individuele zielen zoveel als die er zijn naar de geaardheden en de soorten van arbeid; wat zijn ze? (32) En wat zijn de, onderling niet strijdige, belangen van de religiositeit, economische ontwikkeling, zinsbevrediging en verlossing, de middelen van bestaan, de regels van de wet, de schriftuurlijke voorschriften, en wat zijn de verschillende regulerende beginselen? (33) Hoe zijn de periodieke respectbetuigingen geregeld, o brahmaan, naar dat wat de voorvaderen tot stand hebben gebracht en hoe zijn de tijdsperioden ingesteld naar de planeten, de sterren en hemellichten? (34) Wat mag men verwachten van liefdadigheid, boetedoening en het aanleggen van vergaarbekkens en wat zijn de voorgeschreven plichten van iemand die van huis weg is of van een man die zich in gevaar bevindt? (35) Alstublieft beschrijf me, o zondeloze , hoe Hij als ofwel de Allerhoogste Persoon, de Vader van de Religie, de Heerser over Allen, of als al dezen tezamen, volledig kan worden tevredengesteld? (36) O beste onder de brahmanen, alstUblieft beschrijf de geestelijk leraren die zo genadig zijn voor de behoeftigen, en die hun volgelingen, hun leerlingen en zonen, zelfs dat vertellen waar ze niet om vroegen. (37) O allergrootste, hoeveel ontbindingen zijn er voor de elementen van de natuur, wie zijn zij die daarin vervolgens worden gered, en wie zijn zij die [van lof zijnde] zich bij Hem mogen voegen in Zijn sluimertoestand? (38) En wat is de wezensaard en identiteit van zowel de individuele persoon als het Allerhoogste, wat is het leidmotief van de vedische wijsheid en wat beweegt de goeroe en zijn leerlingen? (39) Hoe is, vanuit een persoon zijn toewijding als ook vanuit zijn onthechting, er op deze wereld de bron van de onafhankelijke spirituele kennis, zoals hooggehouden door de onberispelijke toegewijden?
(40) Ik stelde al deze vragen in het verlangen te weten van het spel en vermaak van de Heer; alstUblieft beantwoord ze voor mij als een vriend voor die onwetenden die hun visie verloren met de uitwendige energie. (41) Al de Veda's, offers, boetedoeningen en liefdadigheid, laten zich zeer zeker nog niet eens ten dele vergelijken met, o smetteloze, de geborgenheid die de individuele ziel wordt geboden door iemand die de kennis overdraagt [zoals u].
(42) S'rî S'uka zei: 'Hij [Maitreya], de eerste onder de wijzen zo goed bekend met de verhalen [purâna's], was, aldus ondervraagd door de voornaamste onder de Kuru's afdoende tevredengesteld en geïnspireerd, en zo gestimuleerd over de onderwerpen betreffende de Heer, gaf hij Vidura glimlachend antwoord.'
Manifestatie van Brahmâ uit Garbhodakas'âyî Vishnu.
(1) S'rî Maitreya zei: 'De afstammelingen van Koning Pûru zijn zeker waardig het ware te dienen omdat hun koningen in hoofdzaak de Hoogste Persoonlijkheid zijn toegewijd; en ook met u die geboren bent in deze opeenvolging van toegewijde activiteit voor de Onoverwinnelijke, is er stap voor stap voortdurende vernieuwing. (2) Daartoe zal ik dit Bhâgavatam spreken, dit vedisch supplement welk rechtstreeks werd uitgesproken tot de wijzen door de Allerhoogste Heer ter verzachting van het grote lijden van de menselijke wezens die zo weinig geluk ervaren.
(3) De zoon van Brahmâ [Sanat-kumâra] deed, aan het hoofd van de grote wijzen [de vier kind-heiligen, de Kumâra's], net als u navraag over de waarheid aangaande de Oorspronkelijke Persoonlijkheid bij Heer Sankarshana [het eerste volkomen deelaspect en de eerste metgezel van de Heer] die onverschrokken van kennis verblijft aan de basis van het Universum. (4) Hij op die wijze gevestigd voor de meditatie van Hem die hogelijkst gewaardeerd wordt met de naam van Vâsudeva, had Zijn blik inwaarts gekeerd, maar voor de vooruitgang van de hoog geleerde wijzen opende Hij Zijn lotusgelijke ogen enigszins. (5) Met de haren op hun hoofden nat van het water van de Ganges beroerden ze de toevlucht van Zijn lotusvoeten die wordt aanbeden door de dochters van de slangenkoning met grote toewijding en verscheidene parafernalia in het verlangen naar een goede echtgenoot. (6) Met woorden en met veel gevoel in ritmische overeenstemming bij herhaling de activiteiten van de Heer verheerlijkend, verspreidde zich vanuit de duizenden van opgeheven kragen [van Ananta, de slangenkoning] de stralende gloed van de edelstenen van hun duizenden helmen. (7) Naar verluid sprak Hij vervolgens over de strekking van het Bhâgavatam met Sanat-kumâra die de gelofte van de yoga had afgelegd en werd het op verzoek ook verteld [op zijn beurt door hem], o Vidura, aan Sânkhyâyana die eveneens de eed had afgelegd. (8) Toen de grote wijze Sânkhyâyana als de belangrijkste der transcendentalisten die dit Bhâgavatam reciteren [daarna] uitleg gaf, werd hij gehoord door de geestelijk leraar Parâs'ara die ik volgde als ook door Brihaspati. (9) Hij [Parâs'ara] vertelde me vriendelijk van hart, op aanraden van de wijze Pulastya, de meest vooraanstaande der purâna's welke ik ook voor U zal spreken, mijn beste zoon, daar u een immer gewetensvolle volgeling bent.
(10) Toen de drie werelden waren verzonken in het water lag Hij daarin met vrijwel gesloten ogen neer op het slangenbed Ananta en was Hij zonder enige interesse in het uiterlijke druk met het genoegen van Zijn innerlijk vermogen. (11) Hij, van binnenuit het lichaam der transcendentie, behield het subtiele van de materiële elementen als de ziel van de tijd [kâla], leven en energie gevend van Zijn eigen positie van verblijf in het water, op de manier waarop de macht van vuur is gelegen in het brandhout. (12) Voor een duizend keer vier yuga's [4.32 miljard jaar], lag Hij [hiervoor] met Zijn innerlijk vermogen ten ruste terwille van de verdere ontwikkeling - middels Zijn eigen kracht genaamd kâla [tijd] - van de hele wereld gebonden in vruchtdragende handelingen, hetgeen Hem in Zijn eigen lichaam er blauwkleurig deed uitzien [als de toevlucht van het levengevend water]. (13) Naar de bedoeling van Zijn innerlijke aandacht voor de subtiele kwestie, was er na de nodige tijd door de materiële activiteit van de geaardheden der natuur, het geagiteerde [van de oer-substantie] dat toen zeer subtiel [met organische vormen] het doorboren van Zijn buik [van de ether] genereerde. (14) Die knop van de lotusbloem, van binnen uit gegenereerd, verscheen mettertijd vrij plots, de vruchtdragende activiteiten opwekkend en, met zijn eigen uitstraling, de uitgestrekte wateren der vernietiging verlichtend gelijk de zon.
(15) Die lotusbloem die het universum is ging Vishnu in eigen persoon binnen als het reservoir van alle kwaliteiten waarvan, zo men zegt, Hij in het verleden de persoon der vedische wijsheid, de heerser van het universum of de uit zichzelf-geborene voortbracht. (16) En in dat water gezeten op de werveling van de lotus was [de Brahmâ van] de wereld niet in staat te zien en ging hij zo rond met ogen spiedend in de vier richtingen, op die manier tot zijn hoofden komend ['de vier hoofden' van Brahmâ]. (17) Vanaf daar aan het eind van de Yuga kon, vanwege de lucht der vernietiging [donder en bliksem] uit de kolking van het water, het mysterie van de schepping gezeten op en behoed door de lotusbloem, door zijn verbazing zichzelf niet volkomen begrijpen als zijnde de eerste halfgod [Brahmâ]. (18) 'Wie ben ik, hij die bovenop deze lotus zit? Waar kwam deze lotus vandaan? Er zit zeker iets onder het water. Of hij nou uit zichzelf ontsproot of niet, hij moet toch tot iets anders behoren!' (19) Hij [Brahmâ], op deze wijze zich bezinnend op de steel van de lotus, kon, door dat kanaal in het water waar hij in binnenging, ondanks het feit dat hij zich naar binnen keerde en uitvoerig nadacht over dat ontsproten zijn uit de navel [van Vishnu], niet begrijpen hoe die uit zichzelf kon zijn geboren. (20) Omdat hij het in onwetendheid bezag, o Vidura, kwam het, met het zich aldus bezinnen op de oorzaak van de schepping, tot het overwicht van de driedimensionale [tri-kâlika] tijd welke voor de belichaamden het beangstigende en het bekorten van de levensduur tot een honderdtal jaren met zich meebrengt in relatie tot dat wat uitzichzelf voortkwam en het rad [de s'is'umâra cakra of het galactische] van de eeuwige tijd [vergelijk 2.2.: 24-25].
(21) Daarna zich terugtrekkend uit die onderneming zonder te hebben bereikt wat hij verlangde, kwam hij terug naar zijn eigen zitplaats [of materiële positie] waar hij als de halfgod terstond neerzat en zijn intelligentie terugtrok met het beheersen van de ademhaling, zelfverzekerd verzonken in yoga. (22) Na de nodige tijd, ontwikkelde hij, de zelfgeborene voor de duur van zijn leven [een 'honderd jaren van Brahmâ', vier yuga's of 4.32 miljard jaar], in zijn meditatie de intelligentie die zich uit zichzelf manifesteerde in het hart, waardoor hij zag wat voorheen niet kon worden gezien. (23) Op het bed van de volledig witte gigantische S'esha-nâga [slang] lotusbloem lag de Oorspronkelijke Persoon alleen neer onder de overkapping van de slangenkraag die was bedekt met de hoofdsieraden waarvan de stralen de duisternis in het water der vernietiging [de oersoep] verdreef. (24) Het panorama overtrof het groen en koraal van de avondschittering van de zon en het grote en gouden van de bergtoppen met hun juwelen aan watervallen en kruiden, en zo was het landschap van bloemen en bomen [slechts] de opsier van Zijn handen en benen. (25) De lengte en breedte van de afmeting van zijn bovenzinnelijke aanwezigheid dekte het totaal van de drie werelden in al hun diversiteit met de schoonheid van de goddelijke straling der ornamenten die Zijn lichaam sierden.
(26) Naar het verlangen van het menselijk wezen op het pad der toegewijde dienst in de aanbidding van Zijn lotusvoeten die belonen met alles waarnaar verlangd wordt, toonde Hij van die voeten in Zijn grondeloze genade de maangelijke glans van Zijn teen- en vingernagels die de prachtigste [bloemachtige] verdeling vertoont. (27) Van Zijn gelaatsuitdrukking beantwoordend aan ieder zijn verdienste, betovert Hij, die het leed van de wereld verdrijft, met Zijn glimlachen en opsmuk met oorsieraden, en met het licht gereflecteerd van Zijn lippen en fijne neus en wenkbrauwen. (28) Mijn beste Vidura, Zijn middel was mooi gesierd met een gordel en stof in de saffraankleur van kadambabloemen; er was een kostbare halsketting en op Zijn borst was er het aantrekkelijke S'rîvatsa teken [een paar witte haren]. (29) Zoals de bomen in de wereld op zich bestaan en met hun duizenden takken hun grote waarde [aan bloemen en vruchten] tentoonspreiden alsof gesierd met kostbare juwelen, zo ook is de Heer, de heerser van Ananta, [Garbhodakas'âyî Vishnu] bekleed met de kragen boven Zijn schouders. (30) De Opperheer als de bergketen vormt de leefplaats van wat zich rondbeweegt en zich niet beweegt met de vriendschap van Anantadeva die, vanuit het water bedekt met duizenden gouden helmen, als de top van die bergen het Kaustubha [onschatbare juweel] in de oceaan manifesteert. (31) Temidden daarvan met het zoete geluid van de schoonheid en de bloemenkransen van vedische wijsheid [zag Brahmâ dat] door Zijn eigen heerlijkheden de Heer van de zon, de maan, de lucht en het vuur zeer moeilijk te bereiken was, onbenaderbaar als Hij was in Zijn omzwervingen door de drie werelden, al vechtend voor de plicht. (32) Zo kon het zijn dat de godheid van het universum, de schepper van het lot, er zeker van was de navel van Hem te zien, het meer, the lotusbloem, de ziel zijn wateren der vernietiging, de droogmakende lucht en de hemel; maar hij kon zijn blik niet werpen voorbij het geschapene van de kosmische manifestatie. (33) Hij als het zaad van de wereldse activiteiten verlevendigd door de geaardheid der hartstocht bad met die blik aldus, met het [zinnelijk] vijfvoudige van de wezens begeertig naar voortplanting, om creatief te zijn naar het aanbiddelijk bovenzinnelijke op het pad van de standvastige ziel.
Brahmâ's Gebeden voor het Creatief Vermogen.
(1) Brahmâ zei: 'Vandaag, na een lange tijd, mag ik het zo zien dat de belichaamde wezens die U niet kennen van Uw handelen als de Allerhoogste Heer, niet veilig zijn in dit leven. Voorbij aan U is er niemand te vinden, o mijn Heer, en alles wat wel zo schijnt te zijn kan nooit het absolute zijn; U bent de macht waardoor er een vermenging van de materiële energie is. (2) Die gedaante, welke altijd vrij is van materiële onwetendheid, vond zijn bestaan met de manifestatie van Uw innerlijk vermogen ter wille van de toegewijden als de oorspronkelijke incarnatie in honderden van vormen en is de bron van de lotusbloem waaruit ikzelf voortkwam. (3) O mijn Heer, voorbij aan U zie ik geen gedaante die superieur is aan Uw eeuwige gedaante van gelukzaligheid, die zonder veranderingen en verval van vermogen is; U bent de enige echte Schepper van de kosmische manifestatie en de onstoffelijke Allerhoogste Ziel Zelve; Ik die trots is in de identificatie met het lichaam en de zinnen ben aan U overgegeven. (4) Die gedaante, of hoe U Uw aanwezigheid dan ook vormt, is alleszins gunstig voor het gehele universum en bevorderlijk voor onze meditatie, en aan U, Allerhoogste Heer, die het gemanifesteerde bent voor ons toegewijden, biedt ik mijn eerbetuigingen; voor U volbreng ik dat wat verwaarloosd is door personen die recht op de hel afstevenen in hun begaan zijn met materiële onderwerpen. (5) Zij die van binnen slechts het aroma van Uw lotusvoeten ruiken en met hun oren de geluiden van de toegewijde dienst horen, verkeren in aanvaarding van de school der bovenzinnelijkheid en voor hen, Uw eigen toegewijden, is er nimmer de gescheidenheid van U van de lotus van hun harten, o Heer. (6) Tot dan zal er angst zijn vanwege de weelde, het lichaam en de verwanten, en zal het weeklagen en het verlangen, alsook de begeerte en de minachting zeer groot zijn; tot dan, zolang als de mensen van de wereld niet hun toevlucht zoeken tot de geborgenheid van Uw lotsusvoeten, zal men, ondernemend naar het vergankelijke idee van iets te bezitten, vol van zorgen zijn. (7) Hoe onfortuinlijk zijn zij die beroofd zijn van de heugenis van Uw onderwerpen; in beslag genomen door ongeluk en met hun zinnen ertegenin, handelen ze naar hun begeerten slechts voor een kort ogenblik geluk vindend: het zijn arme stakkers wiens geesten zijn overweldigd door bezitsdrang en wiens handelingen vol van stress zijn. (8) Hun altijd geplaagd zijn door [neurotische] honger, dorst en hun drie afscheidingen [slijm, gal en lucht], winter en zomer, wind en regen en vele andere verstoringen alsook door een sterke seksuele aandrang en een onvermijdelijke boosheid, zie ik alles bij elkaar als hoogst ondraaglijk, o grote acteur - en dat doet me veel verdriet. (9) Zolang als iemand, onder de invloed van de materiële illusie handelend terwille van de zinnen, zich geplaatst ziet voor het afgescheiden zijn in een lichaam, o Fortuinlijke, er niet toe in staat zijn het rad van herhaalde wedergeboorten in de materiële wereld te boven te komen; hoewel het werken voor resultaten geen feitelijke betekenis heeft [voor de ziel], zal het hem een eindeloze ellende bezorgen. (10) Gedurende de dag zijn ze bezig met stressvolle arbeid en 's nachts lijden ze onder slapeloosheid vanwege hun gepieker dat hun intelligentie en hun slaap voortdurend breekt; de goddelijke orde frustreert hun plannen en ook de wijzen, o mijn Heer, die zich tegen Uw vertoog keerden, blijven in deze wereld rondhangen. (11) Naar U voor honderd procent verenigd in toewijding, met U verblijvend op de lotus van hun harten, zien de toegewijden die zich op het pad van het luisteren bevinden, o mijn Heer, U, in het hier en nu, in Uw grondeloze genade Uw eigenlijke bovenzinnelijke gedaante manifesteren, overeenkomstig wat ieder van hen in zijn meditaties ook denkt van U die door zovelen wordt verheerlijkt. (12) U bent nooit zo zeer tevredengesteld met de grote vertoningen met alles erop en eraan van hooggeplaatste dienaren die van aanbidding zijn met harten vol van allerlei soorten van verlangens, daar U, de zo verschillend waargenomen Ene en Unieke Weldoener, de Superziel in het hart van de levende wezens, er bent om alle levende wezens Uw grondeloze genade te tonen en niet kan worden bereikt door hen die voor het tijdelijke gaan. (13) Daarom is het de aanbidding door de mensen die, met verschillende vruchtdragende handelingen, vormen van liefdadigheid, zware boetedoeningen en bovenzinnelijke diensten, wordt volbracht om enkel U, de Fortuinlijke, te behagen, die de juiste handelwijze vormt waar men op ieder willekeurig moment op gefixeerd is en die nimmer teloor zal gaan.
(14) Laat me U, die dit Allerhoogste bent die in het genieten van het spel en vermaak inzake de kosmische schepping, handhaving en vernietiging, voorzeker is onderscheiden door de heerlijkheden van de eeuwige oorspronkelijke gedaante, mijn eerbetuigingen brengen: alle glorie aan de intelligentie van de zelfkennis naar Uw transcendentie van het illusoire begrip. (15) Ik neem mijn toevlucht tot de Ongeborene wiens nederdalingen, bovenzinnelijke kwaliteiten en handelingen ondoorgrondelijk zijn; tot Hem wiens namen aangeroepen ten tijde van het verlaten van dit leven, al is het maar onbewust, onverwijld voorzeker alle verzamelde zonden tezamen van vele vele levens wegnemen en de weg naar onsterfelijkheid openen. (16) Degene die inderdaad met mij en S'iva als de Almachtige persoonlijkheid en de oorzaak van schepping, handhaving en voleinding wortelt in de ziel, doordringt [deze wereld] drie stammen groeiend als de enige ware voor de vele takken; aan Hem, de Persoonlijkheid van God, deze boom van het systeem der werelden, mijn eerbetuigingen. (17) Zolang als de mensen van de wereld bezig zijn met ongewenste activiteiten en in de vastgelegde handelingen van hun eigen zaken minachting hebben voor uw goedgunstige activiteiten, zal de strijd om het bestaan van deze mensen zeer hard zijn en door de Waakzame [van de Tijd] allemaal recht op een janboel uitlopen; moge er mijn eerbetuiging zijn voor Hem. (18) U die ook ik vrees, hoewel ik besta in een plaats die twee parârdha's lang voortduurt [2 x 50 jaar, waarvan één dag en nacht twee maal 4.32 miljard aardse jaren duurt: 311.04 biljoen jaar], in al de werelden gerespecteerd ben en voor vele jaren zware boetedoeningen heb ondergaan voor de zelfrealisatie, biedt ik niettemin mijn respectvolle eerbetuigingen mijn Heer, Hoogste Persoonlijkheid en genieter van alle offers. (19) Bij machte van Uw eigen wil projecteert U Uzelf onder de lagere en de menselijke wezens, onder de gevolmachtigden en in de verschillende soorten, bovenzinnelijk spel en vermaak tentoonspreidend in het verlangen aan Uw verplichtingen te voldoen, waartoe U nooit onder de invloed van de materie verkeert maar welzeker Uw goddelijke gedaante aan het manifesteren bent; mijn eerbetuigingen aan die voorwereldlijke Heer, de Allerhoogste Persoonlijkheid. (20) Ondanks dat U de vijfvoudige interactie van de zinnen hebt aanvaard blijft U onaangedaan en slaapt U, neerliggend op het slangenbed, er gelukkig mee in contact te staan vanuit de wateren der vernietiging met hun gewelddadige golven - en dat doet U voor de handhaving van de verschillende levensvormen in Uw buik waarbij U de reeks van intelligenten Uw geluk toont. (21) Aan Hem door wie ik, van het lotushuis dat ontspringt aan de navel, tot stand kwam om Hem, de Aanbiddelijke bij te staan in de schepping van de drie werelden; aan Hem die het universum in Zijn buik heeft en aan Hem wiens ogen bloesemen als lotussen na het einde van Zijn slaap, mijn eerbetuigingen.
(22) Moge Hij, de Heer van alle universa, die ene vriend en filosoof, de Superziel die door de geaardheid goedheid geluk schenkt als de Allerhoogste Heer van de zes vormen van weelde [schoonheid, intelligentie, boetvaardigheid, macht, roem en rijkdom], mij zo zeker de macht der introspectie schenken zodat ik in staat zal zijn dit universum te creëren als voorheen in overgave en liefde met Hem. (23) Tot deze begunstiger van de overgegeven ziel, die [als Râma] met de Godin van het Fortuin [Lakshmî] geniet in wat Hij ook moge tentoon spreiden vanuit Zijn innerlijk vermogen met het aanvaarden van incarnaties van goedheid, bidt ik dat ik mag scheppen begiftigd met Zijn omnipotentie en dat ondanks de materiële emoties van mijn hart verzonken in het werk, ik er ook toe in staat zal zijn er mee op te houden. (24) Ik bidt dat ik, die werd geboren uit het meer van de Allerhoogste Persoon Zijn navel als de energie van het totale universum naar de manifestatie van de verscheidenheid van het onbeperkt machtige van Hem, niet de geluidsvibraties van de vedische waarheid uit het oog zal verliezen. (25) En moge Hij, de Allerhoogste Heer die eindeloos genadevol is in Zijn opperste liefde en Zijn glimlachen bij het openen van Zijn lotusogen ter wille van de bloei en de heerlijkheid van de kosmische schepping, met Zijn zoete woorden als de oudste en Oorspronkelijke Persoon liefdevol onze neerslachtigheid wegnemen.'
(26) Maitreya zei: 'Na aldus de bron van Zijn verschijnen in boete, kennis en concentratie van geest te hebben overwogen, voor zover mogelijk aandacht bestedend aan de woorden van zijn gebed, viel hij stil alsof hij moe was. (27-28) Madhusûdana [Krishna als de doder van Madhu] zag de oprechtheid van Brahmâ en zijn verslagenheid van hart over de vernietigende wateren van het tijdperk. Ziende dat hij afdoende bezorgd was over Zijn wetenschap naar de toestand van de planeet, sprak Hij in diepe betekenisvolle bewoordingen tot hem, op die manier zijn zorgen wegnemend.
(29) De Opperheer zei: 'Jij die de diepgang hebt van alle vedische wijsheid, vertwijfel niet over de onderneming der schepping. Met waar je jezelf toe gezet hebt en voor bidt, heb Ik heel zeker reeds voorheen ingestemd. (30) Breng jezelf als van ouds ertoe boete te doen en de principes van de waarheid te behartigen om zeker te zijn van Mijn ondersteuning en van die kwaliteiten zal je de hele wereld in je hart geopenbaard zien, o brahmaan. (31) Dan, als je naar het universum toe volledig bent verzonken, verbonden in toewijding, zal je zien dat Ik Mij er overal in bevindt, o Brahmâ en dat jij, al de werelden en al de levensvormen, deel van Mij uitmaken. (32) Het moment dat je Me in alle levensvormen en het universum ziet op de manier zoals vuur aanwezig is in hout, zal je zonder twijfel in staat zijn de zwakheid achter je te laten. (33) Als je je ziel bevrijd hebt van de materiële gedachten van de zintuigen onder de invloed van de geaardheden, zal je met die visie het zuivere in de relatie met Mij vinden en het rijk van het spirituele genieten. (34) Met al de verscheidenheid van dienst en het verlangen de bevolking talloos uit te breiden, zal je ziel nooit bedroefd zijn; wat betreft jou zal Mijn grondeloze genade voor altijd bestaan. (35) Jij bent de oorspronkelijke wijze; de verraderlijke geaardheid der hartstocht zal je nooit bekruipen omdat, ondanks dat je nageslacht genereert, je denken altijd tot Mij beperkt is. (36) Alhoewel Ik voor de gekonditioneerde ziel moeilijk te kennen ben, word Ik vandaag Zelf door jouw gekend omdat je Me begrijpt als zijnde niet opgebouwd uit materie, zinnen, geaardheden en de verbijstering van het zelf. (37) Aan jou, toen je over Mij probeerde te weten te komen in het overwegen van de bron van de lotus via zijn stengel in het water, toonde Ik Mezelf van binnen uit. (38) De gebeden die je voor Me deed, o Brahmâ, in Mijn woorden vervat, Mijn heerlijkheden opsommend of de boete en je geloof; beschouw deze allen als het resultaat van Mijn grondeloze genade. (39) Laat er met dit alles wat Mij behaagde, alle zegen rusten op jij, die in je verlangen bad voor de verovering van al de werelden door zo mooi Mijn kwaliteiten en Mijn erboven staan te beschrijven. (40) Moge welke persoon ook die in zijn eerbetoon regelmatig op deze manier met deze verzen bidt, zeer spoedig al zijn verlangens vervuld zien, daar Ik de Heer van alle zegening ben. (41) Door de goede werken, boetedoeningen, offers, liefdadigheid en verzonkenheid in yoga die worden volbracht in liefde voor Mij, zal het menselijk wezen zijn uiteindelijke succes vinden, zo luidt de mening van hen die de werkelijkheid kennen. (42) Ik ben de Superziel, de bepaler van alle andere zielen, de meest geliefde van alles wat dierbaar is en zeker zou men daarom al de gehechtheid waarin het eigen lichaam en denken zo dierbaar zijn, op Mij moeten worden gericht. (43) Breng nu, met de beheersing van uw kennis van de Veda en met uw lichaam welk rechtstreeks zijn leven vond vanuit de Ziel, als van ouds gebruikelijk de levens voort, welke eveneens in Mij liggen.
(44) Maitreya zei: 'Na hem, de schepper van het universum, aldus te hebben geïnstrueerd, verdween de voorwereldlijke oorspronkelijke Heer in Zijn persoonlijke gedaante van Nârâyana uit het zicht.'
De Afdelingen van de Schepping.
(1) Vidura zei: 'Hoeveel verschillende soorten schiep de grootvader van alle schepselen op deze planeet naar het lichaam en de geest van de Almachtige, nadat de Hoogste Persoonlijkheid was verdwenen? (2) Met het oog op alles waar ik naar gevraagd heb, o machtige, wees zo goed ze me allemaal van het begin tot het eind te beschrijven, o hoogst geleerde persoon; wees zo genadig al mijn twijfels weg te nemen'."
(3) Sûta zei [zie Canto 1]: "O zoon van Bhrigu [S'aunaka], de grote wijze, de zoon van Kusâra [Maitreya] aldus gestimuleerd door Vidura, voelde zich tevredengesteld en gaf zodoende antwoord op de vragen vanuit de bodem van zijn hart.
(4) Maitreya zei: 'En zodoende verrichtte Brahmâ voor een honderdtal hemelse jaren boetedoeningen voor het heil van de ziel, te werk gaand zoals hem dat gezegd was door de Ongeborene, de Allerhoogste Heer. (5) Daarin zag hij, die was geboren uit de lotus, dat door de inherente macht van de natuurkrachten [de eeuwige tijd] de wind de wateren scheidde waarop de lotus zich bevond. (6) Door zijn boete had hij zeker gewonnen aan bovenzinnelijke kennis en was hij gerijpt in zijn zelfbewustzijn en praktische kennis, en met dat vermogen nam hij de wind tezamen met het water in zich op. (7) Toen zag hij hoe uitgebreid de lotus was waarop hij zich bevond; door de actie was heel de wereld die voorheen verzonken was nu afgescheiden en lag ze open voor zijn schepping, was zijn bevinding. (8) Binnengaand in die werveling van de lotus, in zijn activiteiten aangemoedigd door de Opperheer, verdeelde hij de ene in de drie werelden en kon hij er daar veertien van in het leven roepen [zie ook 2.5.42]. (9) Wat betreft dezen had de hoogste persoon in het universum geen ander leidmotief dan het bepalen van de plichten in alle opzichten naar het volwassen stadium van het belang van de individuele lokaliteiten waar de zielen hun leven hadden.
(10) Vidura zei: 'U sprak aangaande de variëteit van de verschillende gedaanten van de Heer, de wonderbaarlijke acteur, van het eeuwige van de tijd, o brahmaan; kan u alstUblieft beschrijven hoe zich die feitelijk heeft voorgedaan, o Heer?'
(11) Maitreya zei: 'Hij is de bron van de verschillende interacties naar de natuurlijke geaardheden, hij is onverdeeld en onbegrensd en het instrument van de Oorspronkelijke Persoon die door Zijn spel en vermaak het materiële leven schiep van de ziel. (12) Het fenomenale welk er voorzeker is als dezelfde energie van Vishnu, scheidde Zichzelf van de geest af door de Allerhoogste Heer in de vorm van de tijd [kâla], welke beschouwd wordt als Zijn ongemanifesteerde [onpersoonlijke] aspect. (13) Zoals het in het heden is, zo was het in het begin en tot het einde toe zal het ook hetzelfde blijven.
(14) Er zijn negen soorten van scheppingen: de drie geaardheden van de materie [naar prakriti: hartstocht, goedheid en onwetendheid], de drie kwaliteiten naar deze geaardheden [naar vikriti: beweging, kennis en onbeweeglijkheid], en de drie soorten van voleinding welke dan de materiële verdelingen van de tijd vormen [naar kâla: het ten hemel varen van de mensen, het uitsterven van de diersoorten en het eindigen van de planten samen met het universum]. (15) De eerste [de mahat-tattva, van de goedheid] is niets anders dan het geheel van de schepping dat voortkwam uit de Heer met de interactie van de drie geaardheden. De tweede [van de passie] is enkel het valse ego van de ontwaakte activiteiten van de materiële ingrediënten en hun interrelaties. (16) Het geschapene van de materie zelf is de derde soort [die van onwetendheid] die enkel van de zintuiglijke waarneming is waarnaar als vierde er naar de materie van de zinnen de praktische basis is van de materiële kennis. (17) De interactie naar de geaardheid goedheid geeft het goddelijke [van de beweging] naar de materiële schepping welke met het geheel van de geest de vijfde soort vormt waarnaar ten zesde er de duisternis der schepping is [het inerte van de materie] dat van meesters dwazen maakt. (18) Naast de eerste zes scheppingen van de materiële energie [van de natuur of de Heer] zijn er de secundaire scheppingen [van plant, dier en mens]; verneem van mij wat hen betreft enkel over de zo machtige die de incarnatie is van de geaardheid hartstocht [Brahmâ] en over de wederwaardigheden van dat brein van de Allerhoogste Heer.
(19) Het zevende principe der schepping betreft de zes soorten van wezens die niet uit zichzelf bewegen: bomen die vruchten dragen zonder bloemen, planten en struiken die bestaan totdat de vrucht is gerijpt, de klimplanten, de gewassen met een holle stengel, planten die opklimmen zonder steun en de bloesemende vruchtbomen. (20) Die [onbeweeglijke] wezens zoeken hun voeding opwaarts, zijn vrijwel onbewust met enkel een gevoel van binnen en bestaan uit vele soorten. (21) De achtste schepping zijn de soorten van lagere dieren; er zijn achtentwintig verschillende soorten en ze worden beschouwd als zijnde zonder kennis van hun lot, van een buitengemene onwetendheid, van een onderscheid door middel van ruiken en van een slechte memorie van hart [geweten]. (22) O allerzuiverste, de koe, de geit, de buffel, de antiloop, het zwijn, de gavaya [een soort van os], het hert, het schaap en de kameel hebben allen gespleten hoeven. (23) De ezel, het paard en het muildier, de gaura, de s'arabha-bison en het wilde rund hebben zo enkel slechts één teen, o Vidura en laat je me nu enkel vertellen van de dieren met vijf nagels. (24) Dat zijn de hond, de jakhals, de vos, de tijger, de kat, het konijn, het sajâru-stekelvarken, de leeuw, de aap, de olifant, de schildpad, de iguana ['vier-benige slang'], de krokodil en anderen. (25) De reiger, de gier, de kraanvogel, de havik, de bhâsa [een ander soort aaseter], de bhallûka, de pauw, de zwaan, de sârasa [indiase kraanvogel], de cakravâka, de kraai, de uil en anderen zijn de vogels. (26) De negende soort die [ook] zijn buik vollaad, o Vidura, is slechts van één soort: de mensen; in hen treedt de geaardheid hartstocht zeer naar voren, ze zijn zeer actief tot hun misère maar denken altijd dat ze heel gelukkig zijn.
(27) Al deze drie scheppingen zowel als de halfgoden in hen veschijnend [als de tiende soort] zijn, mijn beste, in tegenstelling tot de voorgaande [van de geaardheden en de kwaliteiten] die ik voorheen beschreef, onderworpen aan aanpassingen [ofwel evolueren], maar de zonen van Brahmâ [de brahmanen, de Kumâra's] zijn van beide [d.w.z. ze passen zich ook aan, maar veranderen niet in kwaliteit]. (28-29) Van de schepping van de toegewijden zijn er acht soorten: (1) de halfgoden, (2) de voorvaderen, (3) de atheïsten, (4) de bovenzinnelijke wezens, engelen en de heiligen (5) de beschermers en de giganten (6) de hemelse zangers (7) de leidgeesten voor het goede en het kwade en zij die verblijven in de hemel en (8) de bovenmenselijke wezens en anderen. Al de tien soorten van scheppingen die ik je beschreef o Vidura, zijn geschapen door Brahmâ, de schepper van het universum. (30) Hierna zal ik de verschillende afstammelingen van de Manu's bespreken en op die manier hoe de Schepper, gedreven door de geaardheid hartstocht, in de verschillende tijdperken met een feilloze vastbeslotenheid creëert naar de Heer die, van Zich Zelve als Zichzelf, kwam door Zijn eigen energie.
De Indeling van de Tijd Zich Uitbreidend Vanuit het Atoom
(1) Maitreya zei: 'De uiteindelijke waarheid van wat zichzelf in het vele toont als het ondeelbare, is altijd het atomaire waardoor de eenheid van de mens verkeerd wordt begrepen. (2) Zeker wordt, van het ware der fysieke lichamen [der atomen] die dezelfde vorm behouden tot het einde der tijden, dat wat emancipeert naar het Allerhoogste steeds tot een onbeperkte hoeveelheid vormen samengesteld. (3) En zodoende, kan in relatie tot zowel de grove als de subtiele vormen, de tijd worden afgemeten, mijn beste, aan de beweging van de combinatie der atomen waarvan de Allerhoogste ongemanifesteerde Heer de grote kracht is die alle fysieke actie beheerst. (4) Van die eeuwige tijd van de atomen verzekert men zich m.b.v. de gehele ruimte die tezamen door de atomen in beslag wordt genomen in hun enkelvoudige bestaan [hun expansie], welke het opperste of grote is van de [kosmische] tijd.
(5) Drie keer het dubbele van twee atomen wordt een hexatoom waaraan men wordt herinnerd door dat wat men kan zien oplichten in het oogvocht [als een stofdeeltje] dat zich naar boven beweegt als men in de lucht kijkt. (6) De tijd gevormd door de combinatie van drie hexatomen [in hun uitbreiding naar de ruimte die ze in beslag nemen] wordt een truthi [berekend als 1/16.875 van een seconde] genoemd waarvan er honderd een vedha worden genoemd; drie van hen worden in geval enkel één lava genoemd. (7) De tijdsduur van drie ervan moet men zien als één nimesha [± 0.53 seconde] en de tijd van drie van hen wordt een kshana genoemd [± 1.6 seconde], vijf daarvan moet men kennen als een kâshthhâ [± 8 seconden] waarvan een laghu er uit vijftien bestaat [± 2 minuten]. (8) Precies vijftien van die laghus wordt een nâdikâ [of danda, ± 30 minuten] genoemd en twee van hen vormen één muhurta [ongeveer een uur] terwijl zes tot zeven van hen een yâma vormen [een kwart van een lichtdag of een nacht] afhankelijk van de menselijke rekening [het seizoen of de breedtegraad]. (9) Het meetvat [de waterklok] heeft een gewicht van zes pala's [± 4 ons] en een vier mâsha [17 karaats] gouden peilstift van vier vingers lang die een gat bedekt waardoor het zich vult met water tot de volgende zonsopgang. (10) Vier yâma's beslaan de duur van zowel de dag als de nacht van het menselijk wezen en vijftien dagen [van acht yâma's elk] vormen één pakshah [periode van twee weken] welke men gemeten kent als zijnde ofwel zwart ofwel wit [afhankelijk van het feit of er een volle maan dan wel een nieuwe maan in optreedt]. (11) Het samenstel van zo een 'dag' en 'nacht' wordt een voorouderlijke [traditionele of solaire] maand genoemd waarvan een tweetal een seizoen vormt waarvan er zes zijn [resp. 'koude' of hemanta, 'dauw' of s'is'ira, 'lente' of vasanta, 'warmte' of grîshma, 'regen' of varshâs en 'herfst' of s'arad, gerekend vanaf de 22-e dec.] overeenkomstig de beweging van de zon zoals die gaat door de noordelijke en zuidelijke hemel. (12) Deze beweging van de zon wordt gezegd één dag van de halfgoden te vormen en wordt een vatsara genoemd [een tropisch jaar] van twaalf maanden. De levensduur van het menselijk wezen wordt geschat op een groot aantal [een honderdtal] van dergelijke jaren [zie ook 'de volledige kalender van orde'].
(13) De planeten, de hemellichamen [zoals de maan] en de sterren draaien allemaal samen met de atomen rond in het universum hun omloopbanen voltooiend als een jaar in het Almachtige [of cyclische] van het eeuwige van de tijd. (14) De omwenteling rond de zon van de aarde als ook van de andere planeten, het ronddraaien van onze sterren [in ons sterrenstelsel rond Sagittarius A in de hemel] en ook de omloop van de maan, is o Vidura, aldus besproken als zijnde één [maar verschillend benoemd] jaar [resp. tropisch jaar, galactisch jaar, lunatie]. (15) De Ene [Heer van de Tijd] die zich los van alle verscheidenheid beweegt onder de naam van de Eeuwige Tijd [de cyclische en lineaire tijd gecombineerd] en middels Zijn eigen energie op verschillende manieren de zaden van de schepping tot leven wekt en gedurende de dag de duisternis verdrijft, moet aandacht worden geschonken met achting voor al Zijn vijf verschillende typen van [dynamische] jaren [het zonnejaar, het galactische jaar, het planetaire jaar, de lunatie of welk jaar van viering ook], zodat men aldus door offers te brengen kwaliteit voortbrengt in het materieel bestaan.
(16) Vidura zei: 'Gegeven het traditionele, goddelijke en menselijke van de uiteindelijke berekening in het meten van de tijdsperioden van de levens van al de verheven levende bestaansvormen, wat zou dan de berekening van de tijdsperioden zijn die meer dan een millennium beslaan, o hoogst geleerde? (17) O machtige van de Geest, bij genade van de ogen van uw yogavisie bent u degene die in uw zelfverwerkelijking van het eeuwige van de tijd de bewegingen van de Allerhoogste Heer in de gedaante van het gehele universum ziet. '
(18) Maitreya zei: 'De vier yuga's [tijdperken of millennia] genaamd Satya, Tretâ, Dvâpara en Kali beslaan tezamen ongeveer [één mahâyuga van] 1.2000 halfgoden-jaren [welke ieder 360 vatsara's worden toegekend]. (19) De opeenvolgende yuga's beginnende met Satya-yuga zijn respectievelijk ieder vier, drie, twee en één maal 1.200 halfgodenjaren lang. (20) Experts zeggen dat de overgangsperioden aan het begin en einde van iedere yuga verschillende honderden halfgodenjaren beslaan en dat dat de millennia zijn [zoals de millennia waarin we nu leven] waarin allerlei soorten van religieuze activiteiten plaatsvinden. (21) Het volledige plichtsbesef van de mensheid in zijn vier principes der religie [die van satya, dayâ, tapas, s'auca; waarheid, mededogen, boete en reinheid] werd gedurende Satya-yuga naar behoren nageleefd, maar voorzeker in de andere yuga's namen de principes geleidelijk aan de één na de ander af met het naar verhouding meer en meer toestaan van het niet-religieuze. (22) Behalve het duizendtal [mahâ-]yuga's voor de drie werelden [de hemelse, svarga; aardse, martya en lagere, pâtâla werelden] in het bereik van het Absolute [Brahmaloka] die voorzeker één dag van Brahmâ vormt [van 4.32 miljard jaar], o mijn beste, is er ook een nacht die net zo lang is en waarin de Schepper van het universum zich ten ruste legt. (23) Volgend op het einde van de nacht met het begin van een andere dag van Heer Brahmâ neemt de schepping van de drie werelden weer opnieuw een aanvang, in zijn totaliteit de levens van veertien Manu's beslaand. (24) Iedere Manu geniet een tijd van leven van iets meer dan eenenzeventig [mahâ- d.w.z. een samenstel van vier] yuga's.
(25) Met het eindigen van iedere Manu, komt daarop de volgende met de bloei van zijn afstammelingen, de zeven wijzen, de godbewusten en de halfgoden met allen die hen navolgen. (26) Al deze scheppingen van de lagere dieren, de menselijke wezens, de voorvaderen en de halfgoden die behoren tot de ene schepping van een dag van Brahmâ, bewegen zich rond door de drie werelden daarin optredend in de cycli van hun eigen vruchtdragende activiteiten. (27) Bij de wisseling van iedere Manu manifesteert de Allerhoogste Heer Zijn goedheid in Zijn verschillende incarnaties als de Manu Zelve die dit universum onderhoudt voor het zich ontvouwen van de goddelijke vermogens. (28) Op het einde van de dag [van Brahmâ] wordt door de Hoogmogende Tijd alle macht van manifestie ingetrokken en blijven, met de materiële wereld samengetrokken in de duisternis, alle levende wezens stil in hun opgegaan zijn. (29) Voorzeker moeten daarna al de werkelijkheden van de drie werelden die de nacht van Brahmâ binnengingen, precies zoals dat is met een gewone nacht, het stellen zonder het schijnsel van de zon en de maan. (30) Als de levenssferen van de drie werelden in vuur en vlam gezet zijn door de kracht van het vuur dat voortkomt uit de mond van Heer Sankarshana [zie 3-8: 3], dan bewegen zich de wijze Bhrigu en anderen die aangedaan zijn door de hitte zich van de wereld van de heiligen [Maharloka, de vierde wereld] naar de wereld van de mensen [Janaloka, de volgende wereld]. (31) Onmiddellijk volgend op het begin van de verwoesting van de drie werelden stromen al de zeeën over met de verstoring van gewelddadige winden en orkanen die de golven opblazen. (32) In het water wordt daar op de zetel van Ananta de Heer in Zijn mystieke sluimering met Zijn gesloten ogen verheerlijkt door de bewoners van de werelden der mensen.
(33) Op die manier is er in de loop van de tijd neergang door deze dagen en nachten van het eindigen van zijn [Brahmâ's] leven precies zoals dat is met onze levens, ookal duurt het een honderdtal jaren [voor hem: twee parârdha's of twee maal 155.5 biljoen jaar, zie ook 3.9: 18] (34) De eerste helft van zijn tijd van leven genaamd één parârdha is nu voorbij en zeker zijn we in dit tijdperk begonnen met de tweede helft. (35)In het begin van de superieure eerste helft was er een millennium genaamd de Brâhma-kalpa waarin het grote zich manifesteerde waarop Heer Brahmâ en de bekende geluiden van de Veda verschenen. (36) En daarop aan het einde van het Brâhma-millennium kwam wat de Pâdma-kalpa genoemd wordt tot stand waarin uit de navel van de Heer de lotus van het universum ontsproot. (37) Dit huidige millennium aan het begin van de tweede helft wordt in feite gevierd, o afstammeling van Bharata, als die van Vârâha waarin de Heer verscheen in de gedaante die is als die van een zwijn [zie 1.3: 7] (38) Deze eeuwige tijd van de twee helften van Brahmâ's leven is slechts een seconde vergeleken bij de onveranderlijke, onbegrensde Ziel van het universum die zeker zonder een aanvang is. (39) Deze eeuwige tijd die, beginnend vanaf het atoom reikend tot aan de uiteindelijke tijdsduur van twee parârdha's, de heerser is over hen die van het lichamelijk bewustzijn zijn, is voorzeker nimmer in staat te heersen over het Allerhoogste. (40) Tezamen met de transformatie van de elementen expandeerden de vandaaruit verenigde manifestaties zich naar buiten met een universum van een half miljard. (41) Vergroot tot het tienvoudige kwamen deze eenheden [of de secundaire elementen] die er gelijk atomen in binnengingen klaarblijkelijk bijeen en groepeerden ze zich tezamen in enorme universa [of sterrenstelsels]. (42) Daarvan zegt men dat het de onfeilbare allerhoogste oorzaak aller oorzaken, de hemelse woning van de Handhaver en zonder twijfel de oorspronkelijke incarnatie van de persoon van de Universele Geest is [Mahâ-Vishnu].'
De Schepping van de Kumâra's en Anderen
(1) Maitreya zei: 'Tot dusverre heb ik u de glorie van de Superziel onder de naam van kâla beschreven, o Vidura, probeer nu enkel van me te begrijpen hoe de bron der Veda's [Brahmâ] de dingen schiep zoals ze zijn.
(2) Allereerst ontstond er [als de vijf soorten van onwetendheid:] het idee dat men zou sterven [andhatâmisra], de verongelijktheid [tâmisra], de hunkering van de verzotheid [mahâmoha], de begoocheling met fouten [zoals het zich met het lichaam identificeren, etc., moha] alsmede het duister van de onwetendheid aangaande wat men zelf doet [tamas]. (3) Een dergelijke problematische schepping ziende voelde hij [Brahmâ] niet veel voor zichzelf; hij vond toen, gezuiverd door het mediteren op de Allerhoogste Heer, de geest voor een andere. (4) Daartoe vonden de grote uit het zelf geboren wijzen Sanaka, Sananda, Sanâtana en Sanat-kumâra hun bestaan, die vrij zijn van alle vruchtdragende handelingen en van het celibaat zijn ['wiens zaad opwaarts gaat']. (5) Aan hen, zijn zonen droeg hij van binnenuit op: 'O mijn zoons, plant je voort', maar ze zagen daar niet naar uit, met de trouw die ze gezworen hadden aan de principes der bevrijding in de toewijding voor de Persoonlijkheid van God. (6) Hij, op die manier niet gerespecteerd door de zoons die weigerden de opdracht na te leven, ontwikkelde een woede welke hij niet kon tonen en die hij naar zijn beste vermogen tot een einde trachtte te brengen. (7) Ondanks het door meditatie te beheersen, kwam terstond van tussen de wenkbrauwen van de oorspronkelijke vader zijn woede, een kind ter wereld met een gemengde kleur van rood [staande voor hartstocht] en blauw [staande voor onwetendheid]. (8) Dat kind riep luidkeels uit tot de vader van al de goden: 'O machtige, heerser van het lot, wijs me mijn namen en plaatsen van toewijding toe, o leraar van het universum.'
(9) Verzocht als de almachtige geboren uit de lotus, accepteerde hij het verzoek en bracht hij het zachtjes tot rust met de woorden: 'Schreeuw niet, ik zal doen wat je verlangt. (10) O jongen, belangrijkste der halfgoden, omdat je het zo angstig hardop uitschreeuwde, zullen de mensen je aanspreken met de naam Rudra. (11) Het hart, de zinnen, de levensadem, de ether, de lucht, vuur en water, aarde en de zon, de maan en ook de versobering zijn voorzeker allen de plaatsen die voor jou weggelegd zijn. (12) Al je namen zijn: Manyu, Manu, Mahinasa, Mahân, S'iva, Ritadhvaja, Ugraretâ, Bhava, Kâla, Vâmadeva en Dhritavrata. (13) Dhî, Dhriti, Rasalâ, Umâ, Niyut, Sarpi, Ilâ, Ambikâ, Irâvatî, Svadhâ en Dîkshâ zijn, o Rudra, je elf echtgenotes. (14) Aanvaard deze verschillende namen en plaatsen en de vrouwen die erbij horen; verwek nageslacht met hen op grote schaal, aangezien je de meester van de levende wezens bent.' (15) Aldus opgedragen door zijn eigen geestelijk leraar, bracht de machtigste van de vermenging van blauw en rood de generaties voort die gelijk hemzelf van dezelfde kracht, uiterlijkheid en furieuze natuur waren. (16) Toen hij van de activiteiten van de zonen die door Rudra waren voortgebracht zag dat het onbeperkte aantal van hen allen tezamen het gehele universum verslonden, werd de vader van de levende wezens bang: (17) O beste der halfgoden, [zei hij,] het is genoeg geweest, jouw voortbrengen van dit soort levende wezens; zij verschroeien, met het laaiend vuur van hun ogen, alle windrichtingen en mij eveneens. (18) Ga over tot boetedoening, dat is gunstig voor je. Door boete alleen zullen de levende wezens geluk vinden en zal je zoals dat voorheen was een wereld scheppen die je zint. (19) Alleen door boete kan een persoon volledig het Allerhoogste Licht kennen van respect voor de Opperheer voorbij de zinnen die in het hart van een ieder verblijft.'
(20) Maitreya zei: 'Aldus, op het verzoek van de uit zichzelf geborene omliep hij [Rudra] de meester der Veda's, op die wijze hem met mantra's bevestigend, en ging hij terwille van de boete het woud in. (21) Met de overweging om tot schepping over te gaan bracht, [Brahmâ] begiftigd met het vermogen van de Aanbiddelijke, toen tien zonen voort zodat de wereldbevolking tot stand kon worden gebracht. (22) Aldus werden Marîci, Atri, Angirâ, Pulastya, Pulaha, Kratu, Bhrigu, Vasishthha, Daksha en de tiende zoon, Nârada, geboren. (23) Uitweidend over de bovenzinnelijkheid vond Nârada zijn bestaan, Daksha kwam uit de duim voort, uit de levensadem zag Vasishthha het licht, terwijl Bhrigu voortkwam uit zijn aanraking en de wijze Kratu uit zijn hand. (24) Pulaha kwam voort uit de navel, Pulastya uit de oren, de grote wijze Angirâ uit de mond, uit de ogen kwam de wijze Atri voort en de wijze Marîci verscheen uit het denken. (25) Van de rechter zijde van de borst, waar Nârâyana huist, manifesteerde zich de religie terwijl de ongelovigheid, waardoor de wereld de verschrikkingen van de dood vreest, uit zijn rug verscheen. (26) Uit het hart manifesteerde zich de lust, uit de wenkbrauwen de woede, van tussen zijn lippen de hebzucht, uit de mond kwam de aandrang tot spreken voort terwijl van zijn penis de vloed kwam en van de anus, het reservoir van alle ondeugd, de laagste activiteiten. (27) Uit zijn schaduw manifesteerde zich Kardama Muni, de echtgenoot van Devahuti. Aldus ontwikkelde zich deze meester van het lichaam en de geest van het universum die de kosmische manifestatie danst.
(28) O Vidura, we hebben vernomen dat de dochter Vâk die werd geboren uit zijn lichaam de geest van Brahmâ afleidde en hem verlangen bezorgde en alhoewel hij geen seksuele toeneiging had, ontwikkelde hij aldus een seksuele voorkeur. (29) De zonen, de wijzen met Marîci aan het hoofd, die op die manier zagen dat de geest op hem gericht zijn zin voor verplichtingen had verloren, dienden zich met het benodigde respect als volgt aan: (30) 'Nooit tevoren werd zoiets door u noch door wie ook gedaan wat u zich, zonder de seksuele aandrang te beheersen, veroorlooft naar uw dochter toe, o meester. (31) Zeker is een dergelijke houding niet gepast voor de meest machtige wiens goede gedrag en karakter, o meester van het universum, de wereld zeker navolgt in haar keuze van voorspoed. (32) Laten we onze eerbetuigingen aanbieden aan de Allerhoogste Heer die in Zichzelf verwijlend door zijn eigen uitstraling de goedheid heeft het gepaste plichtsbesef voor onze bescherming ten toon te spreiden.' (33) Op die manier al de zonen die zich tot hem richtten voor zich ziende, verliet de vader van alle vaders der mensheid, beschaamd het lichaam de schuld aanvaardend voor de mist die alom [nog steeds] bekend staat als de duisternis. (34) Toen er eenmaal de bezinning was over hoe hij zichzelf al deze werelden zou moeten creëren zoals ze in het verleden waren samengesteld, manifesteerde zich uit de vier monden van Brahmâ de vedische literatuur. (35) Zo ontstonden de vier functies van het handelen [het offer, de offeraar, het vuur en het offeren zelf] en de aanvullingen op de Veda met hun logische gevolgtrekkingen tezamen met de vier principes der religie [waarheid, reinheid, versobering en mededogen] en daarbij aansluitend openbaarden zich eveneens de sociale orden en afdelingen der roepingen.'
(36) Vidura zei: 'Verklaart u mij alstUblieft, o weelde der verzaking, hoe en met behulp van welke goddelijkheid de Veda's, welke voortkwamen uit de mond, tot stand werden gebracht door hem die de heerser van het geschapen universum is.'
(37) Maitreya zei: 'De vier Veda's genaamd Rig, Yajur, Sâma en Atharva, kwamen van voren af uit de mond voort, de een na de ander de schriftuurlijke discussies tot stand brengend, de rituelen, het recitatie materiaal en de gebeden der bovenzinnelijke activiteit [met voor ieder van die vier een type priester, een ritvik]. (38) Ook werden zoals hiervoor van de voorkant van de monden de vedische wetenschap van de geneeskunde, de krijgskunst, de muziekwetenschap en de bouwkunst voortgebracht [genaamd de upaveda's]. (39) Ook werden de itihâsa's, de aparte geschiedenissen, en de verzamelingen van klassieke verhalen genaamd de purâna's allen bij elkaar als de z.g. vijfde Veda voortgebracht door de monden van hem die alles van de tijd rondom beziet. (40) De verschillende soorten van vuuroffers genaamd sodas'î, uktha, purîshi, agnishthoma, âptoryamâ, atirâtra, vâjapeya en gosava manifesteerden zich vanuit de oostelijke mond[en]. (41) Educatie (door zuiverheid), liefdadigheid (door mededogen), boete en waarheid als de vier pijlers van de religie, de levens-orden [de studenten, gehuwden, teruggetrokken mensen en de verzakers] en de roepingen [de arbeiders, de handelaren, de bestuurders en de intellectuelen] werden zo ook op die manier geschapen. (42) Toen was er de inwijding [de ceremonie van de heilige draad] voor de twee maal geborenen, de regel der loyaliteit voor één jaar, de cultuur der seksuele onthouding en het onderhoud overeenkomstig de regels en plichten van het voorzien in de levensbehoeften door te nemen van wat er over is zonder verder te vragen zelfs al leidt men een huishoudelijk bestaan. (43) Zij die zich terugtrokken en bescheiden hun potje koken, zij die het opgaven zich te bevoorraden, zij die aanvaarden wat ze op hun weg vinden, en zij die zich afzijdig houdend leven van wat hun ten deel valt, zijn diegenen die teruggetrokken leven, terwijl de wereldverzakende orde bestaat uit diegenen die van het begin af aan onthecht geleefd hebben binnen een familie, zij die alle materiële belangstelling hebben opgegeven en zich altijd met het bovenzinnelijke bezighouden, zij die volkomen zijn in hun verzonkenheid in bovenzinnelijke kennis en zij die het handelen in zijn geheel hebben opgegeven. (44) Uit zijn hart vonden zo ook de logica van de spirituele kennis, de drie levensdoelen [religie, economie, bevrijding en de regulatie der zinsbevrediging], de politieke wetenschap en de morele gedragscodes hun bestaan tezamen met de lofzangen op de aarde, de geest en de hemel als zeker ook de Pranava [de aum-mantra]. (45) Uit de haren op zijn lichaam werd ushnik [een bepaald metrum in de poëzie] voortgebracht, uit de huid van de machtige kwam de gâyatrî [de drievoet en de grote zuiveringsmantra] voort, trishthup [een ander metrum] kwam voort uit zijn vlees, uit de aderen kwam anushthup voort en uit de beenderen van de vader der levende wezens werd jagatî gegenereerd [twee andere metrums]. (46) Uit zijn beenmerg manifesteerde zich pankti terwijl brihatî, voortkwam uit de levensadem [twee vers-soorten]. (47) De individuele ziel van de vader der levende wezens manifesteerde zich als de medeklinkers [van ka tot ma], zijn lichaam gaf uitdrukking aan de klinkers [a, â, i, î, u, û, ri, rî, l, e, ai, o, au], de dubbelklanken [sa-types en ha] worden zijn zinnen genoemd, zijn kracht manifesteerde zich als de tussenklanken [ya, ra, la en va] en de activiteiten van zijn zinnen als de zeven noten van de muziek. [*] (48) Het bovenzinnelijke geluid van Zijn Ziel, die zich voorbij het begrip van gemanifesteerd of niet gemanifesteerd zijn bevindt, is de bron van waaruit het Absolute [of Brahmâ], dat is bekleed met vele verschillende energieën, zich volledig manifesteerde.
(49) Nadat hij een ander lichaam had aanvaard schonk hij daarop aandacht aan de zaak der voortplanting. (50) O zoon van de Kuru's, wetende dat ondanks het aardse vermogen van de grote wijzen de bevolking zich niet uitbreidde, begon hij opnieuw in zijn hart dit te overwegen: (51) 'Helaas, hoe verrassend is het voor mij om steeds zo druk bezig te zijn maar niettemin het nagslacht niet aan het voortplanten te hebben; in dezen moet er een bepaalde goddelijke voorbeschikking zijn die me tegenzit.' (52) Terwijl hij zich aldus op zijn goddelijkheid bezon en alles overzag, manifesteerden zich op dat ogenblik naar zijn evenbeeld twee anderen van wie men zegt dat ze zijn lichaam zijn. (53) Zijn vorm die met hen aldus was opgedeeld ging toen op volmaakte wijze over tot een seksuele relatie. (54) Degene van de twee die van het mannelijk geslacht was werd de volledig onafhankelijke vader der mensheid [de Manu] genaamd Svâyambhuva en degene die de vrouw was stond bekend als S'atarûpâ; zij was de koningin voor de grote ziel die hij was. (55) Vanaf die tijd, voltrok door de seksuele activiteit volgens de regels der religie, zich voorzeker de toename der geslachten. (56) Na verloop van tijd schonk S'atarûpâ hem vijf kinderen: Priyavrata en Uttânapâda en drie dochters, o zoon van Bharata, Âkûti, Devahûti en Prasûti, o beste van allen. (57) Zij die Âkûti werd genoemd vergaf hij aan de wijze Ruci, de wijze Kardama schonk hij de middelste [Devahûti] en Daksha werd Prasûti gegeven. Hiervan raakte de gehele wereld bevolkt.
*: De zeven vedische muzieknoten zijn: sa, ri, gâ, ma, pa, dha en ni [resp. c, d, e, f, g, a, bes].
Het Verschijnen van Heer Varâha
(1) S'rî S'uka zei: 'Nadat hij Maitreya Muni die sprak over het meest deugdzame had aangehoord, o Koning, stelde de beste der Kuru's van aanbidding voor de verhalen over Vâsudeva, nog meer vragen. (2) Vidura zei: 'O grote wijze, wat deed Svâyambhuva Manu, de koning aller koningen en beminde zoon van Brahmâ, nadat hij zijn liefdevolle echtgenote verkregen had? (3) Wees zo goed me te vertellen over het karakter van deze heilige, oorspronkelijke koning, o meest deugdzame, ik zou heel graag vernemen over die koning die zijn toevlucht gezocht moet hebben in de veilige haven van Vishnu. (4) Personen die standvastig en met inspanning luisteren naar dat wat zeer zeker uitvoerig wordt verklaard door zuivere toegewijden, zullen door hun uitspraken de kwaliteit van geest vinden van hen die de lotusvoeten van de Heer der Bevrijding in hun hart hebben geplaatst'.'
(5) S'rî S'uka zei: 'Aldus heel bescheiden sprekend vond hij de lotusvoeten van het wonder der energieën en intelligentie in zijn schoot en stonden zijn haren overeind in de realisatie ervan. Toen, geïnspireerd door de geest van de woorden in relatie tot de Heer, nam de wijze het woord. (6) Maitreya zei: 'Toen Svâyambhuva Manu tezamen met zijn vrouw was verschenen, richtte de vader van de mensheid met gevouwen handen en eerbetuigingen zich tot het reservoir der vedische wijsheid: (7) 'U bent de enige ware verwekker van alle levende wezens, de vader en bron van het bestaan, maar hoe kunnen wij, van allen die uit u geboren zijn, u eveneens van dienst zijn? (8) Geef ons, met alle respect, o aanbiddelijke, daarvoor aanwijzingen aangaande de verplichtingen naar u toe, naar gelang onze capaciteiten van het handelen in deze wereld zoals men dat behoort te doen voor de verspreiding van de roem alom en de vooruitgang naar de volgende wereld.'
(9) Brahmâ zei: 'Ik ben heel tevreden over jou, mijn zoon, moge al mijn zegen op jullie allebei rusten, o Heer van de wereld, omdat je zonder enige terughoudendheid van hart je ziel aan mij hebt overgegeven. (10) Precies op deze manier behoort nageslacht, o held, voorzeker respect te oefenen voor de leraren; zij die goed bij hun verstand zijn behoren naar hun beste kunnen, met grote vreugde en vrij van afgunst, lering te trekken. (11) Zorgt U daarom bij haar voor kinderen die gelijk uzelve van eigenschappen zijn, zodat ze eenmaal geboren over de wereld kunnen heersen met de principes der menselijkheid, offerend en respect tonend voor de Oorspronkelijke Persoonlijkheid. (12) De levende wezens in bescherming nemen moet u zien als de beste manier om mij van dienst te zijn, o heerser over de mensen; met u als de bewaker van hun levens is Hrishîkes'a, de Opperheer der Zinnen, het meest tevreden. (13) Het werk van diegenen die nooit de Allerhoogste Heer Janârdana [Krishna als Hij die de mens voortdrijft en], het voorwerp van alle offeranden tevredenstelden, is zeker nutteloos daar ze niet de Allerhoogste Ziel respecteerden als hun eigen zelf.'
(14) Manu zei: 'Ik zal me houden aan de opdracht van uw machtige zelf, o doder van alle zonde, alstUblieft zeg me wat mijn plaats is in deze wereld en wat de plaats is van diegenen die uit mij zijn geboren. (15) Laat, omdat deze wereld die is verzonken in de uitgestrekte wateren [van de Garbhodhaka ocean van het geschapen universum] de verblijfplaats is van alle wezens, o god van deze planeet, het alstUblieft zo zijn dat u probeert deze op te heffen.'
(16) Maitreya zei: 'Hij van het voorbije [Brahmâ] die eveneens zag dat de aarde zich in het water bevond dacht: 'Hoe zal ik haar opheffen?' en besteedde er zo aandacht aan er een lange tijd [als volgt] op mediterend: (17) 'Toen ik bezig was met haar schepping, is de aarde diep ondergedompeld geraakt tenondergaand in een vloed. Wat zou voor ons, die verwikkeld zijn in deze kwestie van de schepping, de juiste handelwijze zijn? Moge Hij uit wiens hart ik werd geboren de Heer zijn die me daarin leidt.' (18) Terwijl hij aldus nadacht kwam er opeens uit zijn neusgat, o zondeloze , een klein zwijntje [Varâha], tevoorschijn dat niet groter was dan het topje van een duim. (19) Toen hij Hem zo in de lucht zag breidde waarlijk die vorm zich in één keer uit, o zoon van Bharata, tot een wonderbaarlijke gigantische gedaante met de afmeting van een olifant. (20) De vorm van die zwijnachtige verschijning beziend, begon hij met Manu en al de geleerde zonen met Marîci aan het hoofd met zichzelf op verschillende manieren te argumenteren: (21) 'Wie is dit uitzonderlijke wezen dat zich voordoet als een zwijn? O hoe wonderbaarlijk is het feit dat Hij uit mijn neus tevoorschijn kwam! (22) Het ene moment is Hij slechts zo groot als de top van een duim en direct daarop is Hij zo groot als een monoliet! Zou dit de Opperheer der offers Vishnu zijn? Ik sta versteld!' (23) Terwijl Brahmâ zo met zijn zoons aan het uitweiden was, maakte de Allerhoogste Heer der Opoffering, de Oorspronkelijke Persoon, een enorm tumult. (24) Brahmâ en de rest der brahmanen opwekkend, liet de almachtige Heer een tot dusverre onbekend stemgeluid uit alle richtingen weerklinken. (25) Toen de grote wijzen en denkers als de inwoners van de werelden der mensen, heiligen en de waarheid het luide gebrul hoorden waarmee de al-genadige Heer als Zwijn al het geweeklaag vernietigde, zongen zij allen van de drie Veda's de alles begunstigende mantra's.
(26) Zichzelf heel goed kennend als de uitgebreide vorm van het vedisch geluid van al de kennis der groten van de waarheid, brulde Hij wederom in reactie op de bovenzinnelijke verheerlijkingen der wijzen en intelligenten en ging Hij, spelend als een olifant, het water in tot hun voordeel. (27) Met Zijn staart in de lucht zwiepend en huiverend met de scherpe en harde haren van Zijn vacht, verdreef Hij de wolken met Zijn hoeven en straalde Hij met Zijn blinkend witte slagtanden als de Opperheer en Handhaver van de wereld. (28) Naar de aarde snuffelend, was Hij die het transcendentale lichaam van een zwijn had aangenomen, op zoek en toonde Hij zijn schrikwekkende slagtanden, hoewel desondanks al de brahmanen die bezig waren met bidden onbevreesd waren toen ze zagen hoe Hij Zijn blik op hen wierp terwijl Hij het water inging. (29) Die enorme berg van een lichaam dreef door de kracht van de duik de oceaan uiteen twee hoge golven teweegbrengend waardoor die als met twee armen in nood het gebed uitriep: 'O meester van alle offers, alstUblieft bescherm me hiertegen!'. (30) Als de Meester der Offers met Zijn hoeven scherp als pijlen het water binnendringend vond Hij de grens van het onbegrensde en zag Hij daar de aarde zoals in den beginne liggen, de weelde van de levende wezens, en hief Hij haar persoonlijk op. (31) Omhoog komend uit het water, de ondergedompelde aarde opheffend met Zijn slagtanden, verscheen Hij in Zijn volle glorie en hief Hij met een heftige woede daar Zijn cakra [Zijn werpschijf of wiel] op tegen de demon [Hiranyâksha - die met de gouden ogen] die zich met een strijdknots in Zijn richting spoedde. (32) Met Zijn onnavolgbare kunnen doodde Hij toen in het water met gemak de tegenstrevende vijand precies zoals een olifant dat doet met een leeuw en raakten Zijn kaken en mond met bloed besmeurd zoals een olifant er uitziet door het graven in de [roodgekleurde] aarde. (33) Blauwachtig als een tamâla-boom terwijl Hij de aarde omhoog hield op Zijn gekromde slagtanden zoals een spelende olifant dat doet, o Vidura, konden zij die geleid werden door Brahmâ Hem begrijpen als zijnde de Allerhoogste Heer en brachten ze Hem bijgevolg met gevouwen handen hun gebeden.
(34) De wijzen drukten zich uit: 'Alle glorie en victorie aan U, o Onoverwinnelijke, die door offers wordt bemind en de persoonlijke belichaming bent van de Veda's, alle eer voor Hem in wiens poriën van Zijn lichaam de verzonken oceanen zich roeren; onze eerbetuigingen aan Hem die zich geroepen voelde de gedaante van een Zwijn aan te nemen! (35) O Heer, voor de onverlaten is deze gedaante van U maar moeilijk te zien; dat wat door opoffering te aanbidden is, de gâyatrî en andere mantra's, is Uw aanraking; de haren op Uw lichaam zijn het kus'agras [waarop men zit als men mediteert]; de geklaarde boter [gebruikt bij het offeren] is als Uw ogen en Uw vier poten zijn de vier functies van het offeren [zie 3.12:35]. (36) Uw tong is het offerbord en Uw neusgaten vormen een ander bord, o Heer; in Uw buik zien we het offerbord voor het voedsel en de gaten van Uw oren zijn ook zo'n bord; Uw mond is het bord van het geestelijk offeren en Uw keel is het bord voor de soma [een rituele drank], maar dat wat van Uw kauwen is, o Allerhoogste Heer, is wat U tot zich neemt middels het offervuur [agni-hotra]. (37) Met Uw herhaalde incarnaties wijdt U in, Uw nek staat voor de drie verlangens [naar een relatie, activiteiten en het uiteindelijke doel] en Uw slagtanden zijn het begin van U en het einde van alle begeerte; Uw tong is de voorbereiding, Uw hoofd is het vuur met, zowel als het vuur zonder offerande en voorzeker herbergt Uw levensadem alle verlangens [of offers]. (38) Uw zaad is het soma van de offerande, Uw stadia van groei zijn de ochtendrituelen, o Heer, Uw vlees en beenderen zijn de zeven soorten van offers [zie 3.12:40], de gewrichten van Uw lichaam zijn de verschillende offers die men in een tijd van twaalf dagen brengt; o Heer, U bent het voorwerp van alle verlangens en alle soma- en niet-soma-offeranden die binden. (39) Onze eerbetuigingen aan U, die te aanbidden bent middels de universele gebeden als de Allerhoogste Heer voor al de ingrediënten en soorten van offers; U kan worden gerealiseerd als het opperste der offers door de geest te overwinnen in toewijding. U als de geestelijk leraar van dergelijke kennis, brengen we keer op keer onze eerbetuigingen. (40) Met de aarde en zijn bergen zo prachtig zich bevindend op de toppen van Uw vooruitstekende tanden, o Opperheer der Verheffing, kwam U uit het water tevoorschijn als een verwoede olifant die met zijn slagtand een lotus met bladeren en al gegrepen heeft. (41) Deze gedaante van een zwijn en de Veda in eigen persoon, die nu de aarde omhoog houdt op Zijn slagtanden, schittert voorzeker als de toppen van grote bergen waarvan de schoonheid wordt verhoogd door de omlijsting van wolken. (42) Voor het verblijf van wat zich zowel beweegt als niet beweegt, heft U als de vader deze moeder aarde als Uw echtgenote op; zowel als naar U toe, betonen wij deze moeder aarde in wie U Uw vermogen heeft geïnvesteerd, zoals het offervuur ontstoken in arani-hout, ons respect. (43) Wie anders dan U, o meester, kon, de aarde uit het water bevrijden. Voor U zijn zulke daden niets wonderlijks daar het wonder van het wonderbaarlijke universum dat U schiep uit Uw vermogens alle andere overtreft. (44) Toen U als de verpersoonlijking van de Veda's Uw lichaam uitschudde, werden wij als de bewoners van de werelden der mensen, heiligen en de waarheid met de druppels die waren achtergebleven in het haar op Uw schouders besprenkeld en gezuiverd, o Allerhoogste Heer. (45) Hij die het verlangt de limiet te kennen van Uw handelingen is zeker onzinnig; de eenheid en het vermogen van Hem die van onbeperkte activiteiten is verbijstert met mystiek vermogen het gehele universum van de natuurlijke geaardheden; o Hoogste Persoonlijkheid van God, vergun ons enkel Uw grondeloze genade.'
(46) Maitreya zei: 'Aldus geprezen door de grote wijzen en transcendentalisten plaatste Heer Zwijn, de Handhaver, de aarde op het water dat Hij met Zijn hoeven had beroerd. (47) Hij, de Persoonlijkheid van God, Vishvaksena, de Meester van Alle Levende Wezens, bracht op deze wijze als de Allerhoogste Heer, de aarde en haar schepselen bij wijze van spel en vermaak van onder het water er boven op en keerde toen naar Zijn woning terug. (48) Met diegene die met een toegewijde houding anderen verteld van deze gunstige en waardevolle geschiedenis over Hem die het materiële motief vernietigt, is de Heer ofwel zeer tevreden of zal Hij zeer spoedig in het hart tevreden zijn. (49) De Heer, tevredengesteld, is van alle zegen jegens hem en zal hem, van wat zo moeilijk te bereiken is, alles schenken wat zich los staande van de toegewijde dienst toont als onbeduidend gewin; verblijvend in de harten van hen die van toewijding zijn verheft Hij persoonlijk tot de allerhoogste transcendentie van Zijn woning. (50) Inderdaad, wie anders dan, helaas, het niet-menselijke wezen, zou, in de wereld bekend met het levensdoel en de essentie van de klassieke geschiedenissen aangaande de Fortuinlijke, de nectar weigeren van deze vertellingen welke, ingedronken door de oren, een einde maken aan alle materiële pijnen?
De Bevruchting van Diti in de Avond
(1) S'rî S'uka zei: 'Na van de wijze de beschrijving te hebben gehoord van het verhaal over de Allerhoogste Persoonlijkheid die voor het opheffen van de wereld als een zwijn verscheen, verzocht Vidura, gezworen als hij was, hem met gevouwen handen om meer, aangezien hij zich niet geheel voldaan voelde. (2) Vidura zei: 'O belangrijkste onder de wijzen, luisterend naar u hoorde ik dat de demon Hiranyâksha werd gedood door de Allerhoogste Persoon, het oorspronkelijke doel der offers. (3) Om welke redenen kwam het in Zijn spel en vermaak, toen Hij de aarde ophief op Zijn slagtanden, o brahmaan, tot een gevecht met de koning der demonen? (4) Alstublieft vertel deze trouwe persoon, deze toegewijde, tot in detail over Zijn verschijnen, o grote wijze, daar ik, met mijn nieuwsgierige geest, nog niet genoeg heb gehoord.
(5) Maitreya zei: 'Mijn beste toegewijde, grote held, dat wat u, uit uw goede zelf, me vraagt over de onderwerpen aangaande de Allerhoogste Persoonlijkheid vormt de bron der bevrijding van geboorte en dood voor degenen die gedoemd zijn te sterven. (6) Omdat hij als kind van Nârada over hen vernam, plaatste de zoon van koning Uttânapâda [Dhruva], toen hij [bij zijn dood] opsteeg naar het verblijf van de Heer, zijn voeten op het hoofd van de dood. (7) Lang geleden hoorde ik Brahmâ, de God der Goden, de geschiedenis van deze gebeurtenissen beschrijven naar aanleiding van vragen gesteld door de halfgoden.
(8) O Vidura, op een avond smeekte Diti, de dochter van Daksha, in seksuele nood haar echtgenoot Kas'yapa, de zoon van Marîci, om een kind te verwekken. (9) Na het aanbidden van de Oorspronkelijke Persoonlijkheid Aller Offers met uitgietingen op de tong van het offervuur, zat hij volledig verzonken in de tempelkamer terwijl de zon onderging.
(10) Diti zei: 'O geleerde, Cupido heeft naar mij toe voor jou al zijn pijlen opgevat, mijn arme zelf in verlegenheid opjagend als een dolle olifant die een bananenboom te lijf gaat. (11) Wees daarom zo goed voor me, ik ben van streek als ik zie hoe goed het je andere vrouwen gaat; schenk me volledige genoegdoening met al de welvaart voor jou. (12) De roem van de echtgenoot die van zijn vrouw houdt zal zich in de wereld verspreiden daar van de kinderen van een goede echtgenoot als jij, de samenleving zich zeker uitbreidt. (13) Lang geleden vroeg onze vader, de hoogst welvarende Daksha, vol genegenheid ieder van zijn dochters: 'Aan wie geef je de voorkeur als je echtgenoot, mijn kind?' (14) Hij, zijn kinderen het beste wensend, schonk, met achting voor hun wensen, ze alle dertien weg; ze zijn in hun gedrag je nu allemaal trouw. (15) Wees daarom zo aardig mijn wensen te vervullen, o lotus-ogige; de verzoeken van hen die in nood verkeren en een groot persoon benaderen zullen, o grote, toch zeker niet vergeefs zijn?'
(16) Aldus, o held, gaf de zoon van Marîci de arme en praatgrage in kalmerende bewoordingen antwoord, daar ze zeer ontdaan was besmet door de lust. (17) 'Ik zal doen wat je ook maar van me vraagt, mijn liefste zo gekweld. Door wie anders dan door jou zouden de drie perfecties der bevrijding [dharma, artha, kâma: het regelen van de religie, de economie en de zinsbevrediging] kunnen worden bereikt? (18) Levend met een echtgenote kan een persoon die alle levensstadia doorloopt en zijn eigen roeping naleeft, de gevaarlijke oceaan van het materiële bestaan oversteken zoals men een zee met zeewaardige schepen doorkruist. (19) De echtgenote wordt, met al [de perfecties met] wat zij verlangt, beschouwd als de betere helft van iemands lichaam. Met het aan haar, o respectabele, overlaten van alle [materiële] verantwoordelijkheden, zal een man zich zonder zorgen bewegen. (20) De zinnen zijn, voor andere levensorden dan die van de huishouders, moeilijk te overwinnen vijanden; wij die aldus onze toevlucht nemen kunnen ze gemakkelijk de baas zoals de bevelhebber van een veste dat kan met binnendringende plunderaars. (21) Nimmer zullen we in staat zijn te beantwoorden wat jij allemaal voor ons gedaan hebt, o koningin van het huis; ons gehele leven niet, noch in het volgende leven, noch zullen anderen die waardering hebben voor je kwaliteiten dat kunnen. (22) Laat mij, dat gezegd hebbende, er onverwijld zorg voor dragen dit belang van jou te behartigen; wacht enkel een paar seconden zodat men mij niets te verwijten heeft. (23) Dit ogenblik is hoogst ongeschikt, het is de verschrikkelijke tijd waarin de akelige geesten en hun meester daadwerkelijk iemands constante metgezel zijn. (24) Om deze tijd van de dag, o kuise, in de schemering, trekt [S'iva] de Heer en weldoener der spookachtigen die hem omringen, als hun koning rond op de rug van de stier [Nandî]. (25) Met de schoonheid van het smetteloze stralende lichaam van de halfgod besmeurd met het stof en de rook opgewaaid van het verbranden van de doden, en met zijn samengeklitte haar overdekt door as, ziet je [zuster's, d.w.z. Satî's] echtgenoot [allen] met zijn drievoudige blik [van zon, maan en vuur]. (26) Hij ziet niemand in deze wereld als zijn verwant noch staat men los van hem; hij ziet niemand als groter noch beschouwt hij wie dan ook evenmin als misdadig; gezworen eerbiedigen wij verplicht aan hem zijn voeten, ons verzekerend van de overblijfselen van wat hij afwees van het geofferde voedsel. (27) Hoewel er wat betreft zijn onberispelijke karakter, dat wordt nagevolgd door de wijzen in hun verlangen de onwetendheid van de massa te ontmantelen, niemand is van een gelijke grootheid, treedt hij niettemin, terwille van de realisatie der toegewijden, persoonlijk op als een antagonist [naakt en besmeurd met as]. (28) De onfortuinlijken die in hun activiteiten daadwerkelijk om hem lachen, niet wetend van zijn bedoeling van bezig zijn in het zelf, vertroetelen hun lichaam - dat uiteindelijk slechts hondenvoer is - als was het de ziel zelve, met luxe als kleding, bloemenslingers en smeersels. (29) Goden als Brahmâ zijn, als de beschermers van de riten, in hun optreden gelijkgericht met hem, de heerser over de materiële energie onder wiens gezag de schepping zijn bestaan vindt; het antagonistisch optreden van dit grootse karakter is, bij God, slechts een nabootsing [in het op zich nemen van het karma].
(30) Maitreya zei: 'Ondanks op die manier door haar echtgenoot te zijn geïnformeerd, greep ze, met haar zinnen gedreven door Cupido, de kleding van de grote brahmaanse wijze vast, als was ze een schaamteloze publieke vrouw. (31) Hij, de koppigheid van zijn vrouw over de verboden daad begrijpend, bracht het aanbiddelijke lot zijn eerbetuigingen en vleide zich in afzondering neer met zijn vrouw. (32) Daarna een bad nemend mediteerde hij, met behulp van de zuivere geest van het Absolute zijn adem en zijn stem beheersend in gebed, op het licht der eeuwigheid. (33) O zoon van Bharata, Diti, beschaamd over de foute daad, benaderde de geleerde wijze met haar gezicht naar beneden gewend en sprak beleefd tot hem. (34) Diti zei: 'Laat deze zwangerschap van mij, o brahmaan, edelste van allen, niet door Rudra een einde vinden, daar ik zeker een overtreding heb begaan tegenover de meester der schepselen. (35) Ik betuig Rudra de eer, de woeste grote halfgod die alle verlangens vervult, de al-gunstige en vergevingsgezinde, die onmiddellijk woedend terecht wijst. (36) Moge hij, de hoogste, grote en genadige persoon, de aangetrouwde broer die gehuwd is met Satî ['de kuise', de zuster van Diti] over ons tevreden zijn, hij die de God van alle vrouwen is en zelfs van genade is voor de slechten.'
(37) Maitreya zei: 'Voor haar eigen kinderen het welzijn in de wereld wensend en bevend door het zich hebben afgekeerd van de regels en voorschriften van de avond, werd de echtgenote toegesproken door deze vader van de mensheid. (38) Kas'yapa zei: 'Door je verontreinigde geest, het onteren van de heiligheid van het moment alsook door het al te onverschillig staan tegenover mijn aanwijzingen, was je te onachtzaam jegens de goden. (39) O ongelukkige, uit je noodlottige baarmoeder zullen twee zoons vol minachting geboorte nemen, die een voortdurende treurnis onder de bestuurders van al de drie werelden zullen veroorzaken, o hoogmoedige. (40) Ze zullen arme en onschuldige levende wezens doden, vrouwen kwellen en de grote zielen kwaad maken. (41) Als dat gebeurt zal de Hoogste Persoonlijkheid en Heer van het Universum in grote woede het welzijn van de mensen in het algemeen verlangend, hen doden, in eigen persoon nederdalend als was Hij de gesel der bergen met de bliksemschicht [Indra].'
(42) Diti zei: 'Ter plekke te worden gedood door de werpschijf in handen van de Fortuinlijke is het beste; ik wens dat mijn zonen nooit eindigen als gevolg van de woede der brahmanen, o echtgenoot. (43) Een persoon bestraft door de vloek van een brahmaan en hij die andere levende wezens in angst doet leven, wordt noch door hen die van de hel zijn, noch door welke vormen van leven dan ook die de overtreder bereikt, begunstigd.'
(44-45) Kas'yapa zei: 'Het betreurd hebbend en boetvaardig zijnde in een onmiddellijke, gepaste bekentenis en door je grote bewondering voor de Allerhoogste Persoonlijkheid, Heer S'ivaen je respect voor mij, zal er voorzeker uit een van de twee zoons [Hiranyakas'ipu] een zoon worden geboren [Prahlâda] die de goedkeuring van de toegewijden zal wegdragen; zijn bovenzinnelijke glorie zal als zijnde gelijk aan de glorie van de Allerhoogste Heer worden verkondigd. (46) Zoals goud van een inferieure kwaliteit door zuivering wordt veredeld, zullen heilige personen, die zuivering zoeken in het nastreven van het vrij zijn van vijandigheid, in het voetspoor van het karakter van deze ziel treden. (47) Hij, de Opperheer, door wiens genade dit universum zijn geluk vindt vanwege Zijn omnipotentie in de speciale zorg voor Zijn toegewijden, zal zeer tevreden zijn over zijn onwankelbare intelligentie. (48) Hij zal zeker de beste der toegewijden zijn, de grootste ziel met de grootste invloed en goed gerijpt door de toegewijde dienst [*]; met zijn geest in extatische liefde, zal hij ongetwijfeld Vaikunthha [de plaats zonder angst, de hemel] bereiken bij het verlaten van deze materiële wereld. (49) Hij zal een deugdzaam en gekwalificeerd vergaarbekken van goede kwaliteiten zijn; hij zal zich verheugen op het geluk van anderen en van streek zijn als anderen ongelukkig zijn; hij zal zonder vijanden zijn en een eind maken aan alle treurnis in de wereld zoals de maan dat doet na te hebben geleden onder de zomerzon. (50) Je kleinkind zal, in zich en buiten zich, de zuivere gedaante [van de Heer] met de lotusogen aanschouwen, die de vorm aanneemt die Zijn toegewijde zich wenst, die het sieraad is van de prachtige Godin van het Geluk en wiens gezicht is gesierd met schitterende oorhangers.
(51) Maitreya zei: 'In het horen dat haar kleinzoon een grote toegewijde zou zijn schiep Diti een groot behagen en eveneens wetend van het doden van haar twee zoons door Krishna raakte haar geest hoogst voldaan.
* Bij vers 49: Goed gerijpt betekend gerijpt in drie stadia: sthâyi-bhâva, een bepaalde emotionele relatie hebben met God; anubhâva, bepaalde emoties in die relaties ervaren, en mahâbhâva of het stadium waarin men extatische gevoelens van liefde voor God ervaart.
Beschrijving van het Koninkrijk Gods
(1) Maitreya zei: 'Diti begreep dat door het krachtige zaad van de grote Prajâpati, anderen die de leiding hadden in moeilijkheden zouden verkeren en dus droeg ze het in twijfel over hoe het een eeuw lang zijn effect zou hebben op de goddelijken. (2) De wereld was erdoor verstoken van licht en de verscheidene lokale vormen van goddelijkheid die hun macht verminderd zagen, keerden zich tot God [Brahmâ] zich afvragend waar de duisternis die zich in alle richtingen uitbreidde vandaan kwam. (3) De godbewusten zeiden: 'Door deze duisternis waar u weet van hebt, o machtige, zijn we erg bang omdat we niet ongemanifesteerd zijn zoals u dat bent; uw allerhoogste goddelijke weg is vrij van de invloed der tijd. (4) O god der goden, die het universum onderhoudt, u als kroonjuweel van de geestelijke en materiële werelden van alle lokale goddelijkheid, bent op de hoogte van de bedoelingen van alle levende wezens. (5) Al ons respect voor u, o oorspronkelijke bron van kracht en objectieve kennis. Op het verwerven van dit lichaam van uitwendige energie en met het aanvaarden van de differentiatie van uw geaardheid der hartstocht, bieden we u onze eerbetuigingen daar u de oorspronkelijke ongemanifesteerde bron bent. (6) Zij die van een niet aflatende toewijding zijn mediteren op u als de oorsprong aller schepselen; al de werelden zijn verbonden door uw zelf welk de allerhoogste veroorzaker is die tot oorzaak en gevolg leidt. (7) Voor hen die gerijpt zijn in de praktijk der yoga en uw genade bereikten in het beheersen van de zinnen en de geest middels de ademhaling, is er van geen enkele kant een nederlaag. (8) Hij door wiens aanwijzingen alle levende wezens worden geleid zoals een stier door het touw, hij wiens kracht van beheersing niet ongedaan kan worden gemaakt, aan hem die allerbelangrijkste, aan u, bieden we onze eerbetuigingen aan. (9) Hem, u, verzoeken wij te handelen tot ons goede geluk, o grote Heer, daar door de duisternis al onze voorgeschreven taken oponthoud ondervinden. Door de weldadige genade van uw blik, zijn wij, die zich hebben overgegeven, in staat om te zien. (10) O god, dit zaad van Kas'yapa uitgestort in de baarmoeder van Diti, is oorzaak van een complete verduistering in alle richtingen zoals een vuur dat is overladen met brandstof.
(11) Maitreya zei: 'Glimlachend gaf hij, de zelf-geborene, o machtig gearmde, die in de gebeden wordt begrepen als de oorspronkelijke eigenaar van alle weelde, de goddelijken antwoord hen tevredenstellend in zoete bewoordingen. (12) Brahmâ zei: 'Met Sanaka voorop werden zij [Sanâtana, Sanandana en Sanat-kumâra], vóór uw tijd, uit mijn geest geboren en reisden ze zonder enig verlangen rond langs de bewoners van de geestelijke en materiële werelden. (13) Op een dag gingen zij, vrij van alle materiële besmetting, Vaikunthha binnen, het hemelse verblijf van de Hoogste Persoonlijkheid Heer Vishnu; een bereik aanbeden in alle werelden. (14) Alle personen die daar leven hebben dezelfde gedaante als de Heer van Vaikunthha en leven zonder verlangens vanwege hun toegewijde dienst van onafgebroken eerbetoon aan de Hoogste Persoonlijkheid. (15) Aldaar is de Oorspronkelijke Persoon de Opperheer Zelve die middels de geschriften wordt begrepen in het aanvaarden, in de geaardheid goedheid, van het onbesmette van Zijn eigen metgezellen, hetgeen ons geluk doet toenemen over de personificatie der religieuze beginselen. (16) Te Vaikunthha, waar alles spiritueel en persoonlijk is, zijn er bossen in naam van het geluk die tegemoet komen aan alle verlangens met bomen die in alle seizoenen zijn overladen met bloemen en vruchten. (17) Hoog verheven bezingen ze daar samen met hun echtgenotes zonder ophouden, vrij van alle ongunstige kwaliteiten, de Allerhoogste Heer, daarbij zelfs de geestverruimende geur van de mâdhavî-bloemen vol van nectar overtreffend die temidden van het water bloeien. (18) Het tumult van duiven, koekoeken, kraanvogels, cakravâka's, en zwanen, andere watervogels, papegaaien, patrijzen en pauwen wordt slechts voor een enkel moment onderbroken door het luide gegons van de koning der hommels in zijn bezingen van de heerlijkheden van de Heer. (19) De geur van de mandâra, de kunda, de kurabaka, de utpala, de campaka, de arna, de punnâga, de nâgakes'ara, de bakula, de lelie en de pârijâtâ, vereerd in de goede geest van de verzaking van Vaikunthha, vindt er zijn volle glorie in een slinger van tulsî-blaadjes. (20) Eenvoudig door eerbetoon aan de Heer Zijn voeten realiseerdenen de toegewijden paleizen, gemaakt van lapis lazuli met smaragd en goud, waarvan de [vrouwelijke] bewoners brede heupen hebben en mooie glimlachende gezichten. Maar met hun geesten verzonken in Krishna geeft dit geen aanleiding tot enige lust met hun vriendelijke lachen en grappenmakerij. (21) In dat huis van de Heer wordt somtijds, weerspiegeld in de kristalheldere muren ingelegd met goud, de Godin van het Geluk vrij van alle fouten waargenomen, een prachtige gedaante aannemend met rinkelende [enkelbanden aan haar] voeten en spelend met een lotusbloem; [een visie] waarvoor de andere dames, teneinde haar genade te verwerven, zich vertonen als poetsvrouwen van de grootste zorg. (22) In de vijvers omlijst met koraal offeren ze, in hun tuinen omringd door hun dienaressen, de Heer tulsîblaadjes, daarbij hun gezichten, gezien in het kristalheldere water met de tilaka [heilige klei] hoog op hun neus, aldus gekust door de Heer beschouwend als een deel van Zijn schoonheid. (23) Helaas, hoe onfortuinlijk zijn diegenen die zich nooit op de hoogte stellen van deze Vaikunthha-schepping van de Overwinnaar van Alle Zonde, maar liever vernemen over onderwerpen gevat in slechte bewoordingen die de intelligentie doden. Dergelijke personen, ver van de waarden van het leven, zijn, verstoken van alle toevlucht, teneer geworpen in de duisternis. (24) Zij, en ook wij, die het zo verlangden, bereikten de menselijke vorm van leven en kennis van wat het Absolute inhoudt dank zij de juiste gedragswijze [dharma]. Waar men niet in een dergelijk respect verkeert voor de Allerhoogste Heer, is men helaas bezig in de verbijstering van Zijn alles doordringende illusieverwekkende energie. (25) Hoewel men in gezelschap [te Vaikunthha] afziet van strikte soberheid en het volgen in de voetsporen van de belangrijke wijzen, verlangt men er daar zeker naar om, meer dan over ons, van Zijn metgezellen te vernemen over de goede kwaliteiten, waarbij, onder elkaar de heerlijkheden besprekend, ze in de vervoering van de aantrekking de tranen in hun ogen krijgen en de rillingen over hun lijf.'
(26) Toen de wijzen [met Sanaka voorop] die plaats bereikten bij de kracht van hun spiritueel vermogen, kwamen ze tot een onvergelijkelijk, allerhoogst geluk toen ze de verlichting zagen van het hoog verhevene van de besten der toegewijden en het vooropgaan van de Leraar van het Universum die van de hele wereld de enige is die de aanbidding waard is. (27) Na het daar passeren van zes poorten zonder zich bijzonder aangetrokken te voelen, troffen ze bij de zevende poort toen twee poortwachters van gelijke leeftijd aan die waren uitgerust met kostbare knotsen, armbanden, oorhangers, helmen en prachtige kledij. (28) Er waren bedwelmde bijen rond de slingers van verse bloemen die tussen hun armen om hun nekken hingen, en met hun opgetrokken wenkbrauwen, opengesperde neusvleugels en rood doorlopen ogen zagen ze er enigszins opgewonden uit. (29) Hen beide bij de poort zien staand passeerden de zonen van Brahmâ, zoals ze voorheen deden, zonder te vragen met een open geest de gouden en diamanten deuren; ze waren de grote wijzen die uit eigen beweging zich overal begaven zonder te worden gecontroleerd of betwijfeld. (30) Hen ziende, vier naakte jongens die al ouder waren en de waarheid van het zelf hadden gerealiseerd, maar er uitzagen alsof ze maar vijf jaar oud waren, hielden de twee poortwachters hen tegen met hun staf, met minachting voor de glorie en de etiquette in een weerbarstige houding jegens de Heer. (31) Toen voor ogen van de inwoners van Vaikunthha ze door de twee werden geweigerd, hoewel ze alleszins de meest geschikten waren van de Heer, werden hun ogen, op de geringe hindernis die de poortwachters vormden plots rood van woede in hun volijver hun meest geliefde te zien.
(32) De wijzen zeiden: 'Wie zijn jullie twee die door je deugdzame daden in het verleden het schopten tot de dienst van de Opperheer? Wie ook, die niet in overeenstemming met de mentaliteit van de toegewijden - die in Hem verkeren zonder angst en vijandschap -, is in staat om, zoals jullie twee dat doen, er een dergelijke dubbelhartigheid op na te houden die het vertrouwen niet waard is? (33) Zoals er harmonie is tussen het beetje lucht dat men vasthoudt en de lucht buiten het lichaam, is er van de ziel de harmonie gevat in de relatie van de Hoogste Persoonlijkheid met de levende wezens. Hoe kunnen zij die geleerd hebben jullie twee in de kleding van Vaikunthha beschouwen als zijnde ontwaakt en als het hebben ontwikkeld van een zeker onderscheid naar lichaam en ziel? Vanwaar, bij God, deze bevreesdheid? (34) Laat ons daarom in overweging nemen hoe, terwille van het afroepen van het voordeel van de genade van de Heer van Vaikunthha, we deze antipatieke overtreding moeten afhandelen. Mogen, vanwege het in de dualiteit trekken van de zaken, jullie van hieruit naar de materiële wereld vertrekken, alwaar men leeft met de drievoudige zonde die de vijand is [het verlangen, de lust en de woede].'
(35) De twee begrepen hoe verschrikkelijk het was wat er was gezegd en werden bang van de toegewijden, daar de vloek van een brahmaan niet kan worden tegengegaan. Meteen wierpen ze zich in grote angst ter aarde en grepen ze naar hun voeten: (36) 'Het mag zo zijn dat u ons vanwege onze zonden heeft gestraft. Een gebrek aan respect voor grote wijzen zoals u, moet worden teniet gedaan. Maar we bidden dat met de tijd, door uw mededogen en door ons berouw, we niet zullen lijden onder de illusie van het vergeten van de Allerhoogste Heer, als we meer en meer moeten afdalen tot het nivo van de gewone sterveling.'
(37) Op dat moment vernam de Allerhoogste Heer, uit wiens navel de lotus ontsproot, van de belediging jegens de rechtgeaarde wijzen en begaf Hij zich, begeleid door Zijn geluksgodin, in die richting met dezelfde voeten als aanbeden door de kluizenaars en wijzen. (38) Hem op zich af zien komend met alle toebehoren en Zijn toegewijden, vervielen de grote wijzen, die nu degene waar ze altijd naar hadden uitgezien zagen, in extase, ziende hoe als prachtige zwanen, de câmara's [wuifkwasten van yak-haar] een koele bries gaven en de parels van Zijn witte parasol bewogen, waardoor ze eruit kwamen te zien als druppels water op een gereflecteerde maan. (39) Allen zegenend met Zijn genadige gelaat als de verlangde toevlucht, bezag Hij hen vol genegenheid en ontroerde Hij hen zich in hun harten uitbreidend; met Zijn donkergekleurde huid en Zijn brede borst opgesierd door de geluksgodin, spreidde Hij het goede geluk ten toon als het hoogtepunt der geestelijke werelden en de verblijfplaats van de ziel. (40) Gekleed in gele stof had Hij een helder glanzende gordel rond Zijn heupen en zoemende bijen om Zijn bloemenslinger.. Om zijn polsen had Hij fraaie armbanden en één van Zijn handen rustte op de schouder van de zoon van Vinatâ [Garuda] terwijl een andere wuifde met een lotusbloem. (41) De bliksem overtreffend completeerde de versiering van Zijn krokodil-vormige oorhangers Zijn voorkomen gekend met Zijn kaken en rechte neus, een met juwelen versierde kroon, een bekoorlijk hoogst waardevol halssnoer tussen Zijn sterke armen en het Kaustubha-juweel dat Zijn hals opsierde. (42) Aldaar stelde Hij de glimlachen van de Godin der Schoonheid in de schaduw ter wille van de intelligentie van Zijn eigen mediterende toegewijden; de zeer mooie gedaante aanbiddelijk voor zowel mij als voor S'iva als ook voor jullie allen, gezien door de wijzen, kon hun ogen niet genoeg bevredigen en deed hen vreugdevol neerbuigen. (43) Toen de bries die het aroma van de tulsîblaadjes van de tenen van de lotusvoeten hun neusgaten binnendrong, sloeg hun opwinding om, ondanks dat ze zowel in lichaam als geest gehecht waren aan het onpersoonlijke. (44) Daarna opkijkend zagen ze Zijn gezicht dat leek op het hart van een blauwe lotus en zagen ze de zelfs nog mooiere jasmijnbloem van Zijn glimlachende lippen. Zo hun levensdoel bereikt hebbend keken ze wederom naar beneden naar de robijn-rode nagels van Zijn lotusvoeten en mediteerden ze op hun Toevlucht. (45) Voor hen die in deze wereld bevrijding zoeken met de wegen van de yoga is Hij het voorwerp van meditatie goedgekeurd door de groten; met de bevredigimng die Hij de ogen schenkt met het tentoonspreiden van Zijn menselijke gedaante, eeuwig aanwezig als Hij die Verbindt, wordt Hij geprezen als de vervolmaking van de acht verworvenheden die voor anderen niet bereikbaar is [de zogeheten acht perfecties of siddhi's zijn: animâ: klein zijn, mahimâ: groot zijn, garimâ: gewicht, laghimâ: lichtheid, prâpti: vrije toegang, prâkâmyam: op wens handelen, vas'itva, controle over de elementen en îs'itvam: heerschappij over alles].
(46) De Kumâra's zeiden: 'Hij die zich in het hart bevindt is niettemin niet zichtbaar voor hen die ver van de ziel staan. U, die Hem voorzeker van aangezicht tot aangezicht bent vandaag, o Onbegrensde, kan worden bereikt als men, alleen al via de oren, reikt tot de beschrijving door onze vader [Brahmâ] van het geheim van de mysteriën beschreven door Uw verschijning. (47) Hem, U, kennen we, o Opperheer, als de hoogste werkelijkheid van de ziel die van zuivere goedheid is. Nu kan U door ons wijzen worden begrepen als de genade en liefde van God die alles en iedereen gestalte geeft die standvastig is in de eenheid van de toewijding, vrij is van gebondenheid in het hart en geen belangs stelt in een materieel leven. (48) Zelfs om werelds succes of wat voor materieel geluk dan ook bekommert men zich niet [onder Uw invloed]; bevreesd voor het heffen van Uw wenkbrauwen nemen wij als toegewijden, O Allerhoogste, onze toevlucht tot Uw lotusvoeten en de verhalen over U waarvan de zuivere heerlijkheden het waard zijn bezongen te worden door de uiterst ter zake kundige kenners van Uw rasa's [individuele relaties met Hem]. (49) Zoals we dat door onze zonden hebben verdiend mogen we van lage geboorten zijn en geesten hebben die druk zijn als zoemende bijen; als we betrokken mogen zijn op Uw lotusvoeten en onze woorden mogen hebben als de tulsîblaadjes van Uw genade, zullen ze de schoonheid vinden met het vullen van onze oren met Uw transcendentale kwaliteiten. (50) Door deze eeuwige gedaante van U die U manifesteerde, o Hoogst Aanbedene, o Heer, raakten we zo voldaan in onze visie van U als de Allerhoogste Heer. Laat ons daarom U alleen onze eerbetuigingen brengen; U die door hen die vervreemd zijn niet kan worden gezien als de Allerhoogste Heer zoals wij U gezien hebben.
De Twee Poortwachters van Vaikunthha, Vervloekt door de Wijzen
(1) Brahmâ zei: 'Na de vier wijzen van het yoga-geweten gecomplimenteerd te hebben met hun woorden van lof, richtte de Almachtige van de verblijfplaats Vaikunthha het woord tot hen. (2) De Opperheer zei: 'Deze twee dienaren van Mij genaamd Jaya en Vijaya begingen voorzeker, omdat ze Mij negeerden, een ernstige overtreding jegens u. (3) De straf die u, die van toewijding bent, hen bedeelde, keur Ik zeker goed, o grote wijzen, daar ze zich vijandig tegen u keerden. (4) Derhalve zoek Ik nu uw vergeving omdat die overtreding jegens u de brahmanen, die de hoogsten van God zijn, de Mijne is; Ik beschouw Mezelf als degene die hem beging daar zij, door wie u niet bent gerespecteerd, Mijn eigen dienaren zijn. (5) In het algemeen, als een dienaar iets verkeerd doet, geeft men degene in wiens naam de overtreding is begaan de schuld; het schaadt de reputatie van die persoon zoveel als lepra dat met de huid doet. (6) De nectar van de onbezoedelde glorie die iemand ter ore komt, zuivert het ganse universum op slag met inbegrip van de laagsten der lagen; Ik ben die persoon van de Vrijheid van Luiheid en Dwaasheid, van Vaikunthha, en voor u die de heerlijkheid van dat verheven pelgrimsoord heeft bereikt, zou Ik zelfs mijn arm afhakken als dat vijandig tegen u zou werken. (7) Door hen wiens zonden alle terstond zijn uitgewist door het dienen in het stof van Mijn heilige lotusvoeten, heb Ik een zodanige aard verworven dat zelfs al ben Ik niet gehecht aan de Godin van het Fortuin zij, voor wie anderen heilige geloften in acht nemen om de geringste gunst te verkrijgen, Me nimmer verlaat. (8) Anderzijds, geniet Ik niet zoveel van de uitgietingen in het vuur van de offeraar die de ghee, die overvloedig vermengd is met het voedsel, in die mond van Mij offert, als dat Ik geniet van de hoeveelheden voedsel die de monden van de optredende brahmanen tevredenstelden die de resultaten van hun handelen aan Mij opdroegen. (9) Als Ik, ongebroken en niet gehinderd in Mijn innerlijk vermogen, de zuivere weelde van het stof van hun voeten op Mijn hoofd kan dragen, welk wijs mens zou dan niet het Ganges-water dragen dat de voeten waste en terstond tezamen met Heer S'iva, de drie werelden heiligt? (10) Die personen die de besten der tweemaal geborenen, de koeien en de hulpeloze schepselen die Mijn lichaam vormen, als verschillend van Mij zien, omdat hun oordeelsvermogen door zonde is belemmerd, zullen, zelf zo kwaad zijnd als een slang, verscheurd worden door de kwade, gierachtige boodschappers van de meester der bestraffing [Yamarâja]. (11) Maar zij die met verheugde harten en de nectar van hun lotusgelijke, glimlachende gezichten intelligent de brahmanen die van ernstige bewoordingen zijn respecteren, met lieve woorden zoals een vredelievende zoon zou in zijn lof, zijn in Mij, daar Ik beheerst wordt door die brahmanen. (12) Laat het daarom zo zijn dat de verbanning van deze twee dienaren, die, niet wetend van de bedoeling van hun meester, in overtreding waren jegens u en het onmiddellijke gevolg onder ogen moeten zien, niet te lang moge zijn, zodat ze spoedig de gunst van Mijn nabijheid herkrijgen.'
(13) Heer Brahmâ zei: 'Alhoewel ze nu Zijn liefdevolle goddelijke toespraak hadden gehoord die als één doorlopende hymne van wijsheid was, waren hun zielen, die waren gebeten door de slang der woede, niet bevredigd. (14) Toen ze met hun oren wijd open vernamen van de uitnemendheid van de zorgvuldig gekozen woorden van monumentaal belang, konden zij, diep nadenkend over het gewicht ervan, zich geen voorstelling maken van de Heer Zijn bedoeling. (15) De grootse glorie die de Allerhoogste had geopenbaard vanuit Zijn innerlijk vermogen deed de vier brahmanen, in de hoogste verrukking en met gevouwen handen, spreken met hun haren overeind. (16) De wijzen zeiden: 'O Allerhoogste Heer, we hadden er geen idee van wat U, o God wilde dat we deden en niettemin sprak U ten gunste van ons; daarom, wat zegt U, als de Allerhoogste Heerser, ons nu? (17) U bent de allerhoogste leider van de geestelijke wereld en van de hoogste positie van de brahmanen die de anderen onderrichten; o Meester, als zodanig bent U de Opperheer en Ziel, de Godheid, voor de goddelijken en de geschoolden. (18) Van U is er de bescherming van de eeuwige roeping door al Uw manifestaties en het allerhoogste van de menselijke beginselen; naar onze mening bent U het onveranderlijke doel. (19) Omdat bij Uw genade de transcendentalisten zonder moeite de dood en geboorte te boven komen met het beëindigen van alle materiële verlangens, kan het nooit zo zijn dat U als zodanig door anderen kan worden begunstigd. (20) De Genade van het Fortuin [de godin Lakshmî], het goede waarvan anderen bij gelegenheid het stof van de voeten op hun hoofd aanvaarden, zit op U te wachten, er naar uitziend zich van een plaats te verzekeren gelijk die van de koning der hommels met het aroma van de krans van verse tulsîblaadjes die door de toegewijden wordt aangeboden. (21) U, als de Hoogste van het zuivere van haar toegewijde dienst, bent nimmer gehecht aan het dienen; hoe kan U dan, als de gehechtheid van de toegewijden, worden gezuiverd door het heilige stof op het pad of door het S'rîvatsa-teken [een paar witte haren op Zijn borst] het reservoir van al het goede verwerven? (22) Van U, de verpersoonlijking der religie, de Allerhoogste Heer, zijn de voeten waarneembaar in al de drie yuga's [zie 3 -11] in dit universum van het levende en het levenloze. De tweemaal-geborenen en de goddelijken echter, beschermd door die voeten, zagen de hartstocht en de onwetendheid door hen vernietigd; alstUblieft, ban [het kwade] met Uw bovenzinnelijke gedaante uit, schenk ons al Uw zegeningen van zuivere goedheid. (23) Als U, als de beschermer der tweemaal-geborenen, de hoogste klasse, hen in feite niet waardig acht om als de besten te worden gerespecteerd en met milde woorden te worden aangesproken, dan zal voorzeker het goedgunstige pad, waarvan de mensen in het algemeen de autoriteit der wijsheid zouden aanvaarden, o God, verloren zijn. (24) En dat wordt door U niet gewenst - U, die als het vergaarbekken van alle goedheid het goede wenst te doen voor de mensen in het algemeen, vernietigde door Uw eigen vermogens de tegenstand; hierdoor o Heer, o Ene van de drievoud der natuur en handhaver van het universum, blijft Uw vermogen onverminderd en is die onderworpen houding slechts Uw genoegen. (25) Wat voor straf ook, o Heer, U denkt dat deze twee verdienen, die van een beter bestaan zijn, zullen we met heel ons hart aanvaarden; doe wat U ook maar denkt dat een gepaste sanctie zou zijn; we begrijpen dat we de zondeloze n hebben vervloekt.'
(26) De Allerhoogste Heer zei: 'Deze twee zullen elders spoedig geboorte nemen uit een goddeloze moederschoot. Versterkt door woede en geconcentreerd van geest zullen ze hecht verenigd met Mij zijn en opnieuw Mijn aanwezigheid verkrijgen als ze snel weer terugkeren; weet dat die vervloeking van u door Mij alleen is afgeroepen, o wijzen.'
(27) Brâhma zei: 'De wijzen hadden nu het oogstrelende van het zelf-verlichte bereik van Vaikunthha, de verblijfplaats van de Heer der Onbevreesdheid, gezien. (28) Na de Allerhoogste Heer te hebben omlopen en hun respect te hebben getoond keerden ze terug, in de hoogste staat verkerend over het hebben ontdekt van de alleszins vreedzame heerlijkheid de Vaishnava's [de dienaren van Heer Vishnu]. (29) De Opperheer zei toen tegen Zijn twee dienaren: 'Ga hier weg, weest onbevreesd, maar leef in saamhorigheid; hoewel Ik in staat ben een brahmaanse vloek teniet te doen, wens Ik dat niet en keur Ik hem zelfs goed. (30) Dit vertrek was voorzien door Lakshmî, die voorheen furieus was toen jullie haar beletten de poort binnen te gaan terwijl Ik lag te rusten. (31) Door in woede mystieke yoga te beoefenen zullen jullie worden bevrijd van het gevolg van het niet respecteren van de brahmanen en over een niet al te lange tijd in mijn nabijheid terugkeren.'
(32) Aldus de twee poortwachters te hebben toegesproken, keerde de Opperheer terug naar Zijn woning, Hij die altijd in het hoogste van de cultuur wordt gevonden omringd door al de weelde van de godin Lakshmî. (33) Maar de twee die niet in staat waren [de vloek van] de besten der wijsheid uit de weg te gaan, vielen uit Vaikunthha neer en verloren, vanwege de vloek der brahmanen, hun schoonheid en luister terwijl ze neerslachtig raakten. (34) Toen ze ten val kwamen, rees er in reactie daarop vanuit de verblijfplaats van de Heer der Onbevreesdheid, uit de paleizen van al de toegewijden een grote schreeuw van teleurstelling op. (35) Deze twee mannen, op deze manier aangesproken door de belangrijke metgezellen van de Heer, gingen de schoot van Diti binnen door het zeer krachtige zaad van Kas'yapa. (36) Het is door het vermogen van hen, die godverlaten tweeling, dat jullie goddelijken nu zo zijn aangedaan; voorzeker is dit de wil van de Allerhoogste Heer. Hij verlangde dat dit zou gebeuren. (37) Als de oorzaak van het handhaven, scheppen en vernietigen van het universum, kan de Alleroudste zelfs door de meesters der yoga niet gemakkelijk worden begrepen; Zijn begoochelende eenheid echter zal goed doen daar Hij onze Opperheer en Meester over de Geaardheden is; welk doel zou er dus mee gediend zijn als we hier nog verder over uitweiden?'
De overwinning van Hiranyâksha over Alle Windstreken van het Universum
(1) Maitreya zei: 'Het aanhoren van de verklaring van Brahmâ over de oorzaak van de angst, bevrijdde hen die van het bovenzinnelijke waren. Vervolgens keerden ze allen terug naar het drievoudige van hun werelden. (2) Diti, de deugdzame vrouwe, in zorgen over de moeilijkheden voor de duur van een mensenleven waarover haar echtgenoot had gesproken met betrekking tot haar kinderen, kreeg een tweeling, twee zonen. (3) Toen ze werden geboren, deden zich vele natuurlijke verstoringen voor in het goddelijke, het aardse en in de buitenruimte, welke de wereld grote angst inboezemden. (4) De bergen en de aarde schudden van de aardbevingen en het leek alsof er uit alle richtingen vuur kwam met vallende meteoren, bliksemschichten, kometen en ongunstige gesternten. (5) Scherpe winden bliezen voortdurend huilende geluiden makend en legers van cyclonen ontwortelden de grootste bomen met stofwolken als hun vaandel. (6) Samenpakkende wolken verduisterden de hemellichten met de bliksem hardop lachend in de hemel; alles was gehuld in duisternis en men kon niets meer onderscheiden. (7) Getroffen door verdriet, huilde de oceaan met hoge golven en schepselen vol ontzetting en waren de drinkplaatsen en rivieren verstoord met de lotussen wegkwijnend. (8) Voortdurend verschenen er mistige halo's rondom de zon en de maan die verduisteringen vertoonden, men hoorde donderslagen en ratelende geluiden van strijdwagens uit de grotten in de bergen. (9) In de dorpen braakten angstaanjagende jakhalzen vuur uit hun muilen met schreeuwende uilen en het onheilspellende gehuil van jakhals-teven. (10) Dan weer alsof ze zongen en dan weer huilend hieven de honden hun koppen allerlei geluiden voortbrengend. (11) De ezels, o Vidura, raakten de aarde hard met hun hoeven, terwijl ze als gekken wild van hot naar haar in groepen rondrenden. (12) Krijsend van de commotie vlogen vogels opgeschrikt op van hun nesten en stond het vee zich te ontlasten en te urineren in de stallen en de bossen. (13) Vol angst gaven de koeien bloed en regende het pus uit de wolken; de beeltenissen huilden tranen en bomen vielen om zonder een zuchtje wind. (14) De gunstigste planeten en de andere hemellichten stonden in conjunctie, beschreven retrograde banen of namen conflicterende posities in. (15) Meer van dit alles ziende, niet op de hoogte van het geheim van al deze grote voortekenen van het kwade, waren alle mensen, behalve de zonen van Brahmâ, vol van angst en dachten ze dat de wereld op zijn einde liep. (16) De twee van God verlaten zielen, geboren uit de oorspronkelijke bron, groeiden snel, ongewone lichamen manifesterend die als van staal waren en zo groot als een berg. (17) Met hun schitterende armbanden om hun armen en de toppen van hun helmen die de hemel raakten blokkeerden ze het zicht in alle richtingen, en de aarde schudde bij iedere stap van hun voeten terwijl de schoonheid van de versierde gordels om hun middel de zon deed verbleken.
(18) Kas'yapa gaf de twee hun namen: de ene van de tweeling van zijn vlees en bloed die het eerst ter wereld kwam noemde hij Hiranyakas'ipu ['hij die op goud teert'] en degene die uit Diti ter wereld kwam die de eerste was die door de mensen gekend werd noemde hij Hiranyâksha ['hij met de geest voor goud']. (19) Door een zegen van Heer Brahmâ slaagde Hiranyakas'ipu erin de macht te verkrijgen over de drie werelden en hun beschermheren, opgeblazen zonder angst door wie dan ook te zullen sterven. (20) Hiranyâksha, zijn geliefde jongere broer die altijd voor hem klaar stond, doorkruiste, met een knots in zijn handen en klaar om te vechten, de hogere sferen gewapend verzet zoekend. (21) Hij had een moeilijk te weerstreven drift, rinkelende enkelbanden van goud en was versierd met een bijzonder grote bloemenkrans over zijn schouders waarop een gigantische strijdknots rustte. (22) Trots op zijn fysieke en mentale kracht en de gunst die hem verleend was, kon hij niet worden bedwongen, daar hij voor niemand bang was. De goddelijken verborgen zich vol vrees voor hem als waren ze slangen bevreesd voor Garuda. (23) Toen hij, het werktuig van de Diti-mensen [de Daitya's], ontdekte dat Indra en de machts-beluste schare der goddelijken waren verdwenen zo dat hij ze niet kon vinden, brulde hij het uit. (24) Zijn zoektocht opgevend dook het machtige wezen, enkel voor de sport dat verschrikkelijke geluid voortbrengend, de oceaan in, wraaklustig als een olifant.
(25) Toen hij de oceaan inging, raakten de verdedigers van Varuna, zij die onder water leefden, in de put van de angst en nog niet door hem te pakken genomen vluchtten ze, onder de indruk van zijn schittering, zo ver weg als ze maar konden. (26) Hij, de oceaan voor vele jaren doorkruisend, sloeg met zijn knots met grote kracht keer op keer op de machtige golven opgeworpen door de wind en bereikte aldus Vibhâvarî, o Vidura, de hoofdstad van Varuna. (27) Aldaar de regionen der onverlichte zielen bereikt hebbend, boog hij met een lach op zijn gezicht - alleen maar om de draak te steken - als een laag-geborene voor Varuna, de Heer en bewaarder van hen die onder water leven en zei: 'O grote Heer, lever strijd met Mij! (28) U bent de bewaarder van dit oord, een bekend heerser. Door uw macht, die de trots terugdrong van de ingebeelde helden en waardoor u al de Daitya's en Dânava's in de wereld hebt overwonnen [te weten de zoons van Diti en Daksha's dochter Danu, beschouwd als demonen], hebt u ooit een groot koningsoffer [râjasûya] weten te brengen, o meester.'
(29) Aldus op de hak genomen door een vijand behept met een grenzeloze ijdelheid, werd de respectabele heer der wateren kwaad, maar zich met gezond verstand vermannend gaf hij ten antwoord: 'O mijn beste, we hebben het pad der gewapende strijd achter ons gelaten. (30) Er schiet me niemand anders te binnen dan de Alleroudste Persoon die in het gevecht met u dermate vaardig zal zijn in de krijgstkunst dat het u een genoegen zal zijn, o koning van de wereld; benader Hem maar, die zelfs door helden als u wordt gewaardeerd. (31) Als u Hem bereikt, o grote held, zal u snel van uw trots genezen en op het slagveld tenondergaan om u bij de honden te voegen. Het is voor het uitroeien van het valse dat u bent en om de deugdzamen Zijn genade te tonen, dat Hij het verlangt Zijn gedaanten aan te nemen.'
De strijd tussen Heer Zwijn en de Demon Hiranyâksha
(1) Maitreya vervolgde: 'De trotse woorden van de Heer der zeeën aangehoord hebbend, trok de hoogmoedige zich er weinig van aan. Toen hij van Nârada had gehoord waar de Heer zich ophield, o mijn beste Vidura, haastte hij zich om aanwezig te zijn op de plaats der bestraffing. (2) Aldaar zag hij hoe de Glorieuze, de aarde op de toppen van Zijn slagtanden dragend, hem van zijn licht aan het beroven was met Zijn stralende roodachtige ogen. Hij lachte hardop: 'O beest van de wildernis!', (3) en zei de Heer: 'Kom en vecht o dwaas, laat de wereld aan ons, de bewoners van de lagere werelden, over; de schepper van het universum vertrouwde ons deze aarde toe - het feit dat ik Jou hier aantref zal Je niet goed bekomen, o toppunt van goddelijkheid die de vorm van een zwijn heeft aangenomen. (4) Jij bent het die misleidend Zichzelf handhaafde door, middels onze vijanden, ons een halt toe te roepen en hen die van de wereld zijn te doden, onderwijl Zelf buiten schot blijvend; van Jouw zinsbegoochelende macht zal weinig over blijven nadat ik Je gedood heb en de treurnis van mijn verwanten heb weggewist, o dwaas! (5) Als Jij gedood bent door mijn knots die je schedel verbrijzelt, zullen al die wijzen en goddelijken die voor Jou hun offers brachten, worden bevrijd en automatisch ophouden te bestaan zonder die wortel. '
(6) Toen Hij, gepijnigd door het offensieve misbaar van de vijand, zag dat de aarde die Hij op Zijn slagtanden droeg schrik werd aangejaagd, kwam Hij uit het water als een olifant in gezelschap van zijn wijfje onder de aanval van een krokodil. (7) Onderwijl jaagde hij, met zijn gouden haren, Hem, die uit het water kwam, op zoals de krokodil dat zou doen met de olifant, en met zijn angstwekkende tanden brullend als de donder zei hij: 'Wat een afgang inderdaad om Je zo schandalig voor de waarheid uit de voeten te maken!'. (8) Met de vijand toekijkend plaatste Hij de aarde binnen Zijn gezichtsveld op het water en begiftigde Hij haar met de macht van Zijn eigen bestaan, waarvoor Hij geprezen werd door de Schepper van het universum en behaagd werd door de bloemen van hen die aan de macht stonden. (9) Hem op de hielen volgend met zijn weelde aan gouden sierselen, zijn enorme strijdknots en zijn prachtige gouden wapenrusting, doorboorde Hiranyâksha zonder aflaten het diepst van Zijn hart met verschrikkelijk kwade scheldpartijen. Maar Hij sprak lachend tot hem. (10) De Allerhoogste Heer zei: 'We zijn inderdaad schepselen van de jungle, daar ik er naar uitkijk om honden zoals jij, o kwaadaardige, af te maken. Helden die vrij zijn van de gebondenheid aan de dood slaan geen acht op de loze praat van iemand die gebonden is. (11) We zijn beiden schaamteloze dieven van wat de bewoners van de lagere wereld werd toevertrouwd. Schaamteloos rondwarend met de strijdknots, zullen we niettemin op een of andere manier op het slagveld moeten verwijlen - waar moeten we het anders zoeken als we een dusdanige vijandschap hebben opgeroepen met zo'n machtige vijand ? (12) Als de bevelhebber van de grondtroepen moet men stappen ondernemen om terstond de nederlaag toe te brengen, zonder blikken of blozen - en gedood hebbend, zijn Ons de tranen weggewist van vrienden en verwanten. Hij die zijn beloften niet nakomt verdient geen plaats in een vergadering '.'
(13) Maitreya zei: 'De aanvaller, op die manier beledigd en belachelijk gemaakt door de Allerhoogste der Toewijding raakte danig aangeslagen en werd nijdig als een uitgedaagde cobra. (14) Briesend van woede en buiten zijn zinnen van de wraaklust viel de demon Hem snel aan en wierp hij zijn strijdknots naar de Heer. (15) De Heer echter ontweek de klap van de geworpen knots en stapte opzij, als een volleerde yogi aan de dood ontsnappend. (16) Nadat hij zijn knots weer had opgepakt, stortte hij zich wederom op de Heer, er mee heen en weer zwaaiend en op zijn lip bijtend in het vuur van zijn woede. (17) Maar toen bracht de Heer de vijand een slag toe op zijn rechter zij, o zachtgeaarde [Vidura], en redde Hij als een expert met de knots aldus Zichzelf met Zijn wapen. (18) Op deze manier waren Hiranyâksha en de Heer, beiden op de overwinning uit, elkaar verwoed met hun enorme strijdknotsen aan het bewerken. (19) De twee vechtenden met hun lichamen verwond door de scherpgepunte knotsen, roken het gutsende bloed, hetgeen hun inzet verhoogde om verscheidene manoeuvres uit te voeren in de poging het te winnen. Het zag eruit als een confrontatie tussen twee stieren die elkaar de heerschappij betwisten.
(20) O nazaat van Kuru, Brahmâ, de zelfgeborene in het universum, zag er naar uit getuige te zijn van wat zich afspeelde voor het heil van de wereld en kwam, begeleid door de wijzen, af op de Daitya en de Grootste Ziel benaderd door offers die middels Zijn vermogen de gedaante van een zwijn had aangenomen. (21) Toen hij de macht die de Daitya had bereikt aanschouwde en zag hoe hij, zonder angst, stelling had genomen tegen dat waar men niet tegenin kan gaan, richtte de respectabele Heer Brahmâ, de leider van duizenden wijzen, zich tot de oorspronkelijke Heer Nârâyana in Zijn zwijnengedaante. (22-23) Brahmâ zei: 'Hij hier, o God, is voor de goddelijken die Uw voeten verwierven, en voor de brahmanen, de koeien, de normale levende wezens en de onschuldigen, een overtreder en bron van angst die kwaad doet met een gunst van mij verkregen; hij was als een duivel het gehele universum aan het doorvorsen een geschikte tegenstander missend, rondwarend tot overlast van iedereen. (24) Speel niet als een kind met hem, o God, hij zit vol trucs, is arrogant, verwaten, hoogst doortrapt en als een slang als hij eenmaal op gang is. (25) Voordat hij de kans krijgt in macht toe te nemen met de slechte tijd die hij zo formidabel tot stand bracht, doodt de zondaar alstUblieft ter plekke, o Onfeilbare, middels Uw eigen mystiek vermogen. (26) Deze donkerste avondstond die ons bekruipt vernietigt de wereld, o Ziel der zielen, breng de godbewusten de overwinning. (27) Verlos ons, nu dit gunstige moment genaamd abhijit [de achtste muhurta, ongeveer 's middags] bijna is verstreken, voor het welzijn van ons, Uw vrienden, snel van deze formidable vijand. (28) Tot ons geluk is de dood van dit heerschap, die uit eigen beweging hier kwam, door U beschikt; toon hem Uw macht in het duel, doodt hem en vestig de vrede der werelden.'
Het Doden van de Demon Hiranyâksha
(1) Maitreya zei: 'Het horen van de nectar-gelijke woorden vrij van zondige bedoelingen van Brahmâ, ontlokten een hartelijke lach aan de Heer die ze aanvaardde met een blik vol van liefde. (2) Toen, opspringend, bracht Hij de demonische vijand die onbevreesd voor Hem heen en weer sloop, een slag met Zijn strijdknots toe, zijwaarts op zijn kin. (3) Maar die klap werd door Hiranyâksha zijn knots gestopt, zodat de knots die aan de Heer Zijn handen ontglipte met een verrassend wonderbaarlijke gloed naar beneden wervelde. (4) Hoewel Hiranyâksha daardoor toen een uitstekende kans kreeg, viel hij niet aan, de gevechtscode respecterend dat in de strijd geen wapen hebben in acht moet worden genomen. Dit dreef de Heer verder. (5) Toen Zijn strijdknots viel, rees er een kreet van alarm op [van de toeschouwers] en moest de Almachtige Heer, toen Hij Hiranyâksha's rechtsgevoel zag, aan Zijn Sudars'ana-cakra denken. (6) Terwijl Hij Zijn werpschijf liet rondspinnen, werd Hij, spelend met de gemene zoon van Diti, die allerbelangrijkste van Zijn metgezellen, begroet met verschillende uitdrukkingen van ongeloof die de lucht vulden met: 'Alle geluk aan U, breng hem alstUblieft tot zijn einde.'
(7) Toen de Daitya Hem met Zijn schijf gewapend voor zich zag, klaar voor hem en hem aankijkend met ogen gelijk de blaadjes van lotusbloemen, raakte hij buiten zinnen van verontwaardiging en beet hij sissend als een slang op zijn lip in grote weerzin. (8) Met zijn angstwekkende enorme tanden en zijn beide starende vuurschietende ogen viel hij toen aan uitroepend: 'Zo wordt Je verslagen door Je eigen strijdknots!', en slingerde hem naar de Heer. (9) Die knots, o zoeker van de waarheid, werd, voor ogen van Zijn vijand, hoewel die de kracht had van een orkaan, speels door de rechtervoet van de Heer der offers die de vorm van een zwijn had aangenomen afgeweerd.
(10) Toen zei Hij: 'Raap hem maar op en probeer het nog eens, als je zo graag wilt winnen'. Op dat ogenblik, deed Hiranyâksha, aldus uitgedaagd, luid brullend opnieuw een uitval. (11) De strijdknots op zich af zien komend, ving de Heer hem, stevig op Zijn voeten staand, met gemak op, hem grijpend zoals Garuda dat zou met een slang. (12) De frustratie van zijn bravoure sloeg de trots van de grote demon aan diggelen en er geen zin meer in hebbend weigerde hij de knots weer terug te nemen die de Heer hem aanbood. (13) In plaats daarvan nam hij een drietand ter hand en laaiend als vuur stoof hij verwoed op de Heer der Offers in de gedaante van Varâha af, zoals iemand met kwaad in de zin dat zou tegen een brahmaan. (14) De glanzende drietand die de machtigste onder de Daitya's met al zijn kracht naar de Heer had geworpen werd in zijn vlucht met een lichtflits in stukken gehakt door de scherpe rand van de cakra, zoals Indra de vleugel van Garuda afsneed [toen hij ooit een pot nectar had weggegrist]. (15) Toen hij zijn drietand in stukken gehakt zag door de Heer Zijn werpschijf, werd hij woedend en ging hij Hem brullend te lijf waarbij hij de brede met het S'rîvatsa-teken gemerkte borst van de Heer hard met zijn vuist trof, waarna de demon uit het gezicht verdween. (16) Zo door hem getroffen, o Vidura, was de Allerhoogste Heer in Zijn eerste incarnatie als een zwijn niet in het minst beroerd en niet meer aangedaan dan een olifant geslagen met een bos bloemen. (17) De mensen eromheen echter zagen de Heer van de eenheid in de materie nu belaagd door een reeks van trucs en vol van angst dachten ze dat het einde van de wereld was aangebroken. (18) Felle winden raasden en in alle richtingen verspreidde zich door het stof een duisternis terwijl het stenen regende alsof een heel leger bezig was. (19) De hemellichten verdwenen achter massa's wolken waaruit het donderde en bliksemde, terwijl het de hele tijd pus, haar, bloed, ontlasting, urine en beenderen regende. (20) O zondeloze , bergen van allerlei soorten wapens die hun lading verschoten kwamen tevoorschijn en men zag naakte duivelinnen gewapend met drietanden en loshangende haren. (21) Vele woeste duivels en demonen te voet, te paard, op strijdwagens en met olifanten verschenen, die wrede moorddadige woorden riepen. (22) Volgend op dit magisch machtsvertoon van de demon gebrand op de vernietiging, lanceerde de geliefde genieter van de drie offers [van het luisteren, de goederen en de adem zie B.G. 4: 26-27] het wapen van Zijn meest uitnemende aanwezigheid [de Sudars'ana-cakra].
(23) Op dat moment doortrok een huivering het hart van Diti [de moeder van de demon] en zich de woorden van haar echtgenoot [Kas'yapa] herinnerend vloeide er bloed uit haar borsten. (24) Met zijn magische krachten verdreven kwam de demon opnieuw in het zicht van de Opperheer, en vol razernij omhelsde hij Hem om Hem te pletten, maar hij ontdekte dat de Heer zich buiten zijn greep bevond. (25) Hiranyâksha sloeg Heer Adhokshaja [Hij voorbij de controle der zinnen] met zijn vuist hard als een donderslag, maar kreeg van Hem een mep precies onder zijn oor, zoals de heer der Maruts [Indra] dat deed met de demon Vritra. (26) Hoewel door de onoverwinnelijke Heer slechts terloops geraakt, tolde het lichaam van de duivel in het rond; puilden zijn ogen uit hun kassen en viel hij, met zijn armen en benen levenloos en zijn haar in wanorde, als een gigantische boom geveld door de wind ter aarde.
(27) De zelfgeborene [Brahmâ] en de anderen die hem op de grond zagen met zijn bloed nog niet uit zijn gezicht weggetrokken en zijn tanden door zijn lip, zeiden, vol bewondering naderbij komend: 'O waarlijk wie is een dergelijke eindbestemming zo vergund?'. (28) Hij op wie de yogi's in afzondering mediteren verzonken in de eenheid, bevrijding zoekend uit het onwerkelijke van het lichaam - door een voet van Hem werd de zoon, het kroonjuweel van de Diti-mens, getroffen en wierp hij daadwerkelijk zijn lichaam af Hem in het gelaat starend. (29) Beide medewerkers van de Heer zijn vervloekt wederom voor enkele levens geboorte te nemen uit de goddelozen, waarna ze daadwerkelijk weer terug zullen keren.'
(30) De godbewusten zeiden: 'Alle eer aan U, Genieter Aller Offers die terwille van de handhaving de gedaante van de zuivere goedheid heeft aangenomen; tot het grote geluk van de wereld hebt U deze hier, die zoveel onheil stichtte, tot zijn einde gebracht. Met de toewijding tot Uw voeten, zijn we nu op ons gemak.'
(31) S'rî Maitreya zei: 'Na aldus de zo hoogst machtige Hiranyâksha te hebben gedood, keerde de Heer, de oorsprong van de zwijn-incarnatie terug naar Zijn verblijf, in één ononderbroken viering geprezen door hem die op de lotus is gezeten en de anderen. (32) Ik heb voor U, zoals het mij werd verteld, beste vriend, uiteengezet hoe door de handelingen van de Opperheer in het op Zich nemen van Zijn zwijn-incarnatie, Hiranyâksha, die zo'n grote macht had, in een groots gevecht werd gedood alsof hij een speeltje was'."
(33) Sûta zei: "Toen Vidura, de grote toegewijde, van de zoon van Kushâru [Maitreya], aldus vernam van de vertelling over de Allerhoogste Heer, bereikte hij het opperste geluk, o brahmaan [S'aunaka]. (34) Wat moet ik zeggen van het horen over de Heer met het S'rîvatsa merkteken, als zelfs de bekendheid van anderen, toegewijden trouw aan de verzen, tot dat genoegen kan voeren? (35) Toen de koning der olifanten [Gajendra] die door een krokodil werd aangevallen, mediteerde op de lotusvoeten terwijl zijn wijfjes weeklaagden werd hij snel van het gevaar verlost. (36) Wie zou er niet z'n toevlucht nemen tot Hem die zo gemakkelijk te aanbidden is voor mensen zonder pretenties; welke dankbare ziel zou geen dienst verlenen aan degene die onmogelijk te aanbidden is door hen die geen echte zoekers zijn? (37) Hij die daadwerkelijk verneemt van, zingt over en genoegen beleeft aan dit wonderlijke avontuur van de Allerhoogste die als een zwijn de aarde ophief uit de oceaan en Hiranyâksha doodde, zal terstond worden bevrijd, zelfs als hij een brahmaan aan zijn eind hielp, o tweemaal geborene! (38) Deze vertelling brengt een grote verdienste, is zeer heilig en brengt weelde, roem en een lang leven en zal alles doen toekomen wat men nodig heeft. Wie er ook maar naar luistert zal zijn levenskracht en zinnen erdoor gesterkt zien op het slagveld en aan het eind van zijn leven er de toevlucht van Nârâyana mee verkrijgen, o beste S'aunaka."
Aldus eindigt het eerste deel van het derde Canto van het S'rîmad Bhâgavatam
Vertaald door: Anand Aadhar Prabhu http://bhagavata.org/c/8/AnandAadhar.html
Produktie: de Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd http://theorderoftime.com/ned/info/gasten-vrienden.html
© 2009 srimadbhagavatam.org
Downloaden en uitprinten alleen voor privé- en niet-commercieel gebruik toegestaan. Overig gebruik met toestemming: email verzenden vanaf http://bhagavata.org/email.htmlDe brontekst, illustraties en muziek bij deze vertaling kan men vinden door de links te volgen vanaf http://bhagavata.org/index.ned.html
Bij deze oorspronkelijke vertaling is naast het Sanskriet woordenboek een alles-in-een band exemplaar met uitgebreid commentaar van A.C. Bhaktivedanta Swami Prabhupâda geraadpleegd. ISBN: o-91277-27-7 . Voor links naar andere sites betreffende dit onderwerp en de bijbehorende muziek zie verder op de Linkspagina van de S'rîmad Bhâgavatam Schatkamer http://bhagavata.org/treasury/