Zie voor de online versie met illustraties, muziek en links naar de voorgaande vertaling : http://bhagavata.org/index.ned.html

 

 

S'RÎMAD BHÂGAVATAM

"Het verhaal van de fortuinlijke"

 

CANTO 5:

De Aanzet tot de Schepping

 

Inleiding   

Hoofdstuk 1 De Activiteiten van Mahârâja Priyavrata  

Hoofdstuk 2 De Activiteiten van Mahârâja Âgnîdhra

Hoofdstuk 3 Rishabhadeva's Verschijnen in de Baarmoeder van Merudevî, de Echtgenote van Koning Nâbhi

Hoofdstuk 4 De Eigenschappen van Rishabhadeva

Hoofdstuk 5 Heer Rishabhadeva's Onderricht aan Zijn zoons

Hoofdstuk 6 Heer Rishabhadeva's Activiteiten

Hoofdstuk 7 De Activiteiten van Koning Bharata

Hoofdstuk 8 De Wedergeboorte van Bharata Mahârâja

Hoofdstuk 9 Het Verheven Karakter van Jada Bharata

Hoofdstuk 10 Jada Bharata ontmoet Mahârâja Rahûgana

Hoofdstuk 11 Jada Bharata Onderricht Koning Rahûgana

Hoofdstuk 12 Het Gesprek tussen Mahârâja Rahûgana en Jada Bharata

Hoofdstuk 13 Vervolg van het gesprek tussen Mahârâja Rahûgana en Jada Bharata

Hoofdstuk 14 De Materiële Wereld als het Grote Woud van Genot

Hoofdstuk 15 De Glorie van het Nageslacht van Koning Priyavrata

Hoofdstuk 16 Hoe de Heer als een Feitelijk Iets kan worden Verstaan

Hoofdstuk 17 Hoe de Ganges naar beneden komt

Hoofdstuk 18 Gebeden tot de verschillende Avatâra's

Hoofdstuk 19 De Gebeden van Hanumân en Nârada en de Glorie van Bhârata-varsha

Hoofdstuk 20 De structuur van de Verschillende Dvîpa's en de Gebeden van hun Verschillende Bewoners

Hoofdstuk 21 De Werkelijkheid van de Zonnegod Sûrya

Hoofdstuk 22 De Beweging der Planeten en hun Veronderstelde Effecten

Hoofdstuk 23 Beschrijving van de Sterren van S'is'umâra, ons Spiraalvormig Sterrenstelsel

Hoofdstuk 24 De Lagere Werelden

Hoofdstuk 25 De Heerlijkheid van Heer Ananta

Hoofdstuk 26 De Helse Werelden of de Karmische Terugslag

 

 

 Inleiding

Dit boek verhaalt de geschiedenis van de Heer en Zijn incarnaties sedert de vroegste verslagen van de vedische geschiedenis. Het is waarachtig de Krishna-Bijbel van het Hindu-universum. De Bhagavad Gîtâ is daarbij vergeleken als de Bergrede van Heer Jezus in verhouding tot de volledige bijbel. Het heeft 18.000 verzen en bestaat uit twaalf boeken, z.g. Canto's. Deze boeken vertellen het volledige verhaal van de vedische cultuur met de essentie van al haar klassieke verhalen genaamd purâna's en bevat de room van de vedische kennis verzameld uit de literatuur zowel als het verhaal van het leven van Heer Krishna in zijn geheel (10-e Canto). Het vertelt over Zijn geboorte, Zijn jeugd, al Zijn wonderbaarlijke bewijzen van Zijn Goddelijke aard en de bovenmenselijke prestaties van het verslaan van allerlei demonen tot aan de grote Mahâbhârat oorlog te Kurukshetra toe. Het is een schitterend verhaal dat naar het Westen is gebracht door Swami Bhaktivedânta Prabhupâda, een Caitanya-vaishnava, een (devotionele) bhakti-monnik van Heer Vishnu [de naam voor de bovenzinnelijke gedaante van Heer Krishna] die de gedurfde taak op zich nam om de materialistische westerlingen zowel als de gevorderde filosofen en theologen te verlichten, teneinde ze te helpen de gevaren en de eenzaamheid van het impersonalisme en de filosofie van de leegte te overwinnen.

Voor de vertaling heeft de auteur van deze internet-versie gebruik gemaakt van de vertaling van Swami Prabhupâda. Als âcârya [goeroe onderwijzend door het voorbeeld te geven] uit de eeuwenoude indiase vaishnava-traditie vertegenwoordigt hij de reformatie van de toewijding tot God zoals die vanaf de zestiende eeuw in India werd gepraktiseerd. Deze reformatie houdt staande dat het valse gezag van het kastenstelsel en enkel droge boekengeleerdheid moet worden afgewezen. Heer Krishna-Caitanya, de avatâra [een nederdaling van de Heer] die deze reformatie inluidde, herstelde de oorspronkelijke bedoeling van het ontwikkelen van de toewijding tot God en ijverde m.n. voor de heilige schrift waarin deze toewijding in relatie tot Krishna als de Hoogste Persoonlijkheid van God wordt uiteengezet. Dit geschrift is deze bhâgavata purâna waar al de vaishnava-leraren van het voorbeeld [âcârya's] hun wijsheid voor het onderricht uit putten en hun toewijding gestalte mee geven. De woord-voor-woord-vertalingen zowel als de volledige tekst en commentaren op dit boek werden zowel binnen als buiten de Hare Krishna tempels in zowel Amerika als Europa bestudeerd. De bedoeling van de vertaling is op de eerste plaats deze glorieuze tekst voor een breder publiek via het internet bereikbaar te maken. Aangezien de Bijbel, de Koran en tal van andere heilige teksten vrij beschikbaar zijn, meende de auteur dat dit boek niet achter kon blijven op de planken van zijn eigen boekenkast als een bewijs van materiële bezitsdrang. Kennis niet gedeeld is verloren kennis en zeker dit soort kennis welke de nadruk legt op de yoga van toewijding, die vrij zijn van bezitsdrang als een van haar hoofdwaarden heeft, kon niet achter blijven. De versie van Swami Prabhupâda is zeer uitgebreid en beslaat zo'n 2400 pagina's in dundruk van tekst met commentaren. En dat waren alleen nog maar de eerste tien Canto's. De resterende twee werden posthuum uitgegeven door zijn leerlingen in de volheid van zijn geest. Zo stond de auteur voor twee uitdagingen: de ene was een leesbaar lopend verhaal te maken van het boek dat was ontleed tot op het woord en ten tweede het in een taal te zetten die gepast zou zijn voor de 21-e eeuw met al haar moderne en postmoderne ervaring en digitale vooruitgang in de wereldorde, zonder ook maar iets van de oorspronkelijke verzen te verliezen. Aldus kwam een andere vers tot vers zoals-het-is vertaling tot stand waarin Prabhupâda's woorden werden hertaald en gezet naar het begrip en de realisatie die ikzelf had verworven. Deze realisatie kwam rechtstreeks van de geestelijke erfopvolging van de Vaishnava lijn van âcârya's (leraren) zowel als van het totale bereik van de indiase filosofie der verlichting en yoga-discipline zoals naar het Westen gebracht door niet-vaishnava guru's en gehandhaafd door hun leerlingen. Derhalve moet de auteur zijn dank betuigen aan al deze grote helden die het aandurfden om de koppigheid van de westerse filosofie met al haar twijfels, concretisme en skepticisme het hoofd te bieden. In het bijzonder moeten de leerlingen van Prabhupâda, leden van de wereldverzakende orde (sannyâsî's) worden genoemd die de auteur instrueerden in de onafhankelijkheid en volwassenheid van de filosofie van de bhakti-yogi's van Heer Caitanya. De auteur was in India reeds ingewijd door een non-vaishnava guru en had de naam van Swami Anand Aadhar meegekregen ('leraar van de grondvesting der gelukzaligheid'). Die naam werd door de Krishna gemeenschap veranderd in Anand Aadhar Prabhu (meester van de grondvesting van het geluk) zonder verdere ceremoniën van Vaishnava initiatie (op een basistraining na). Anand Aadhar is een teruggetrokken toegewijde, een zogeheten vânaprashta, die in de stilte en bescheidenheid van zijn eigen lokale aanpassingen van de filosofie en discipline zijn toegewijde dienst doet.

De spelling van Sanskriet namen is hier en daar aangepast aan de afwezigheid van Sanskriet leestekens zodat b.v. waar normaal een plat streepje boven de letters staat een ^ accent is geplaatst. Het betekent dat men op die plaats twee letters moet lezen i.p.v. één, ofwel dat men op die letter moet rusten bij het uitspreken. Ook de naam Krishna werd zo geschreven als Krishna en rsi (= wijze) als rishi. Doorgaans is de woord voor woord vertaling aangehouden zoals gegeven in de vertalingen van Prabhupâda, zij het dat hier en daar sommige woorden vanwege hun meervoudige betekenis tot iets andere vertalingen hebben geleid. B.v. het woord loka betekent zowel plaats als planeet als leefwereld. Tussen vierkante haakjes [] wordt soms in een kleine toelichting voorzien en extra informatie gegeven om het de lezer naar de zin te maken als de oorspronkelijke tekst put uit een meer ervaren benadering. De oorspronkelijke vertaling van Prabhupâda is bij ieder vers opgelinkt zodat men kan nagaan wat de auteur heeft gedaan. Dit beantwoordt aan de wetenschappelijke traditie van de Vaishnava-gemeenschap. Deze teksten, alsook de meeste afbeeldingen, zijn copyright-materiaal en eigendom van de ISCKON-Krishna gemeenschap en mogen alleen gebruikt worden als een fragment en niet gepubliceerd worden door niet-leden zonder toestemming (BBT). Voor het tiende Canto zijn een meer vers-getrouwe nederlandse vertaling van een oud-leerling (S'rî Hayesvar das) van Prabhupâda en een versie van Prabhupâda's godsbroeders/leerlingen gebruikt [m.i.v. hun woord voor woord vertalingen] naast de vertaling van Prabhupâda, daar voor dit deel [maar niet voor het elfde canto] de woord voor woord vertalingen waren weggelaten en vervangen door een meer uitgebreide tekst-omschrijving. Het twaalfde canto werd opgesteld in referentie aan het werk van enkel de ISKCON leerlingen van Prabhupâda die zijn werk afmaakten. Verder werd gedurende het gehele concatenatieproces van deze versie de z.g. Shastri-versie van het Bhâgavatam (van de Gîtâ Press, Gorakpur), zoals die gebruikt wordt door de gewone Hindu in India zelf, ter vergelijking en als tweede opinie geraadpleegd.

Voor copyright-zaken wat betreft de gebruikte afbeeldingen en de teksten van Prabhupâda en verdere commentaren en de woord voor woord vertalingen zelf van Swami Prabhupâda zal men de BhaktiVedânta Booktrust en andere Vaishnava-sites en Hare Krishna sites en/of de gedrukte boeken van Prabhupâda zelf moeten raadplegen. Voor de copyrights op deze vertaling zal men te rade moeten gaan bij ondergetekende. Het is toegestaan deze teksen voor privé- en niet-commercieel gebruik down te loaden en uit te printen. Voor alle andere gebruik zal men contact moeten opnemen (voor links zie onze linkpagina)

Met liefde en toewijding, Anand Aadhar Prabhu, Enschede, 05-28-2000.    

 

 

 Hoofdstuk 1

 De Activiteiten van Mahârâja Priyavrata  

(1) De Koning zei: 'Waarom, o wijze, was Priyavrata, de grote toegewijde van tevredenheid met de ziel, zo gelukkig in het thuis verblijven, die plaats welke de grondoorzaak is van de gebondenheid in karma en het verraad aan de transcendentie? (2) Zoiets als het zwelgen in familieaangelegenheden, o wijste der tweemaal geborenen, is voorzeker niet mogelijk met personen die vrij zijn van gehechtheden. (3) Het lijdt geen twijfel dat het bewustzijn van grote zielen dat verzadigd raakt door de schaduw van de voeten van de Heer geprezen in de verzen, er nimmer is in gehechtheid aan huis en haard. (4) Dit betwijfel ik ten sterkste, o brahmaan: hoe kan er op grond van de krachten van de echtgenote, het huis, de kinderen enzovoorts, volmaaktheid en een feilloze vastbeslotenheid jegens Krishna zijn bestaan vinden?

(5) S'rî S'uka zei: 'Wat u zei over de nectargelijke honing van de verheerlijking van de lotusvoeten van de Heer der geschriften, het behagen waarin de harten van de personen der bevrijding en de toegewijden zijn verzonken, is volkomen juist; hoewel soms belemmerd door beperkingen geven ze zo goed als nooit hun zo hoog verheven positie op. (6) Omdat, inderdaad, o Koning, prins Priyavrata een allerverhevenste toegewijde was werd hij, Nârada's voeten dienstbaar, zich zeer snel bewust van de volledige waarheid van de zaken aangaande het bovenzinnelijke, aanhoudend het spirituele besprekend in toegewijd enthousiasme, zonder af te wijken van de som der hoogste kwaliteiten zoals uitgeduid in de geschriften. Hij werd door zijn vader verzocht over de oppervlakte van de aarde te heersen, maar omdat hij er een zo grote liefde op nahield voor het met al zijn zinnen en handelen in de yoga verzonken zijn in het alles doordringende van de Allerhoogste Heer, was hij er niet blij mee, hoewel het aanvaarden van die post om geen enkele reden door hem kon worden geweigerd daar zeker verval kon worden voorzien als hij op enige andere wijze zou optreden tegen het onware. (7) Zo gebeurde het dat de Heer en eerste onder de halfgoden [Brahmâ] omringd door al zijn persoonlijke metgezellen en de Veda's, nederdaalde uit zijn verblijf; hij die altijd denkt aan het welzijn van het geheel van deze universele schepping van de drie geaardheden en van wie men de uiteindelijke bedoeling van het Universum kent als zijnde de Allerhoogste Ziel van waaruit hij zelf zijn bestaan vond. (8) Toen hij in de buurt van het Gandhamâdana-gebergte kwam [waar Priyavrata aan het mediteren was] was hij, onder het hemeldak, gelijk de maan verlicht door de sterren, links en rechts geflankeerd door de leiders der halfgoden, die vanaf hun hemelse voertuigen hem de hele weg aanbaden zoals ook de één na de ander de volmaakten dat deden, de hemelbewoners, de verfijnden, de zangers en de wijzen [respectievelijk de Siddha's, de Gandharva's, de Cârana's, de Sâdhya's en de Muni's]. (9) Daar herkende de devarishi [Nârada] de zwaan die de almachtige vader Heer Hiranyagarbha [Brahmâ] droeg en stond hij tezamen met Priyavrata en zijn vader onmiddellijk op om hem de eer te bewijzen, met gevouwen handen en alles wat er bij hoort. (10) O zoon van Bhârata, met de Heer geconfronteerd met behulp van alle zaken van aanbidding overeenkomstig de gebruiken en met zijn kwaliteiten geprezen in verheven taal uit dankbaarheid voor de glorie van zijn nederdalen, richtte hij, de oorspronkelijke persoon van het universum, met een glimlach naar Priyavrata kijkend, zich meedogend tot hem.

(11) De grote Heer zei: 'Let op wat ik u nu zeg, u moet niet jaloers zijn op de Godheid die ons vermogen tot beheersen te boven gaat; wij, Heer S'iva uw vader en deze grote Rishi [Nârada], voeren allen, er niet toe in staat om af te wijken, Zijn opdrachten uit. (12) Geen enkele bestaansvorm kan met het aanvaard hebben van een materieel lichaam ontsnappen aan Zijn opdracht; niet door verzaking noch door scholing, niet door yoga, noch op basis van de eigen kracht of intelligentie en voorzeker ook nooit door de weelde verworven, de deugd der plichtsbetrachting, door een macht van buitenaf of door welk persoonlijk ijveren ook. (13) Gestuurd door het ongeziene, aanvaarden de levende wezens het om met een materieel lichaam gebonden te zijn aan geboorte, dood, hun droefenis, illusie, voortdurend vrezen, geluk en leed en aan alles wat hen te doen staat met hun karma. (14) In ons gebonden zijn aan de geaardheden en de vruchtdragende arbeid die zo moeilijk uit de weg te gaan is [binnen het varnâs'rama-systeem], mijn zoon, zijn wij, zoals de vierbenigen [de stieren] door de neus gebonden zijn aan de tweebenige [de voerman], aangelijnd aan het lange touw van de vedische instructie en allen bezig de opdrachten uit te voeren bedoeld om de Beheerser te behagen. (15) Als blindemannen geleid door iemand met ogen moeten wij, mijn beste, onvermijdelijk het leed of geluk aanvaarden dat hoort bij de kwaliteiten en het werk meegebracht door de toestand waarin we ons bevinden met het lichaam dat onze Beschermheer ons schonk. (16) Zelfs een bevrijde persoon moet ziin leven lang zijn lichaam handhaven dat werd verkregen als gevolg van het verleden, zonder misverstaan wat werd meegemaakt aanvaardend als iemand die uit de slaap is ontwaakt; maar voor een ander materieel lichaam [een herhaalde geboorte] zou hij nooit toegeven aan de materiële kwaliteiten. (17) Als er zelfs als men in het woud verblijft de angst moet zijn verbijsterd te raken vanwege het leven met de zes bijvrouwen [van het denken en de vijf zinnen], wat voor schade zou dan het huishoudelijk leven zo een in zich tevreden en geleerd iemand berokkenen, die zijn zinnen de baas is? (18) Een ieder die is begonnen aan een huishoudelijk bestaan moet allereerst volijverig trachten de zes tegenstanders te overwinnen zodat, zo gauw hij - als vanbinnen een versterkte vesting - de o zo sterke vijanden van de lustige verlangens heeft weten terug te dringen, hij als een man van ervaring kan gaan en staan waar hij maar wil. (19) U dan, met het uw toevlucht nemen tot de veilige haven van de ruimte geboden door de lotusvoeten van Hem wiens navel lijkt op een lotus, en met het overwinnen van de zes vijanden, geniet in deze wereld van alles wat er te genieten valt, het uwe vindend in het bevrijd zijn van gehechtheden in uw positie, door deze speciale instructies van de Oorspronkelijk Persoon.'

(20) S'rî S'uka zei: 'De grote toegewijde van de machtige Heer die de geestelijk leraar is van de drie werelden, aldus volledig geïnformeerd, boog, geplaatst voor zijn opdracht, als ondergeschikte ziel zijn hoofd en zei: 'Ja mijn Heer, zo zal het, met alle respect, ten uitvoer worden gebracht'. (21) De grote Heer, eveneens door Manu naar behoren gerespecteerd zoals hij dat verdient, met Priyavrata en Nârada in vrede er notie van nemend, keerde toen naar zijn verblijf terug, vertrekkend naar die bovengeschikte plaats die beschrijving en verstand te boven gaat. (22) Manu aldus, eveneens met zijn ondersteuning, ten uitvoer brengend wat hij in gedachten had en met de goedkeuring van Nârada middels zijn zoon de handhaving vestigend van de bescherming van al de werelden in het ganse universum, vond zich persoonlijk verlost van de verlangens van de zo hoogst gevaarlijke oceaan van materiële kommernis. (23) Zo, daadwerkelijk, zoals opgedragen door de Beheerser, volledig begaan met materiële aangelegenheden als de keizer van het universum, raakte hij [Manu's zoon, Priyavrata] door constant te mediteren op de twee lotusvoeten van de Allerhoogste Heer, de Oorspronkelijke Persoon, wiens bovenzinnelijke invloed alle gebondenheid tenietdoet, met al het vuil dat uit zijn hart werd weggewassen volledig gezuiverd en bestuurde hij de materiële wereld enkel om de groten te eren. (24) Nadien trouwde hij ook met Barhishmatî, de dochter van Vis'vakarmâ, een van de stamvaders en verwekte hij glorieus in haar een dochter die als de jongste van allen de naam Ûrjasvatî droeg, zowel als tien zoons, die hem in zijn grootheid evenaarden qua karakter, kwaliteiten, manier van doen, schoonheid en kunnen. (25) De zoons kregen allen de namen van Agni, de god van het vuur: Âgnîdhra, Idhmajihva, Yajñabâhu, Mahâvîra, Hiranyaretâ, Ghritaprishthha, Savana, Medhâtithi, Vîtihotra en Kavi. (26) Drie van hen, Kavi, Mahâvîra en Savana waren celibatairen van binnen aangedreven, die meteen vanaf het begin van hun kindertijd leefden in de bovenzinnelijke kennis en goed op de hoogte waren van de hoogste geestelijke volmaaktheid, waarvan zij vrij van twijfels de orde handhaafden [de paramahamsa-âs'rama]. (27) In die zo zeker aangehouden wereldverzakende orde (*) verkeert het geheel van de grote wijzen die er zijn voor de individuele zielen die, in angst en vrees om hun materiële bestaan, hun heil zoeken bij de lotusvoeten van de Allerhoogste Heer Vâsudeva, die de enige toevlucht is. In de voortdurende heugenis zagen ze, bij genade van het opperste van de yoga der toewijding, gezuiverd vrij van besmettingen, in hun harten de Allerhoogste Heer van alle schepselen als Zich bevindend in henzelve, daarbij rechtstreeks hun zielen als zijnde gelijk in kwaliteit waarnemend, als niet verschillend van de Heer van de Superziel. van de Heer van de Superziel. (28) Het was bij een andere vrouw dat hij drie zoons verwekte die Uttama, Tâmasa en Raivata heetten en die zo de bestuurders van het Manu-tijdperk werden [dat 71 mahâyuga's duurt]. (29) Toegerust met machtige armen van gezag en kunnen, die tezamen de snaar van de boog spanden die luid weerklinkend al degenen versloeg die tegen de heerschappij van het recht opstonden, werden zij allen, al zijn hoogst gekwalificeerde zoons, meesters van het universum en aldus was er zonder onderbreking voor de duur van 110 miljoen jaar de expansie van Priyavrata's heerschappij als een grote ziel, een ziel die van zijn vrouw Barhishmatî haar beminnelijkheid, vrouwelijkheid, verlegenheid, bedeesdheid, lachen en blikken en wederkerigheid in de liefde [in zijn herhaalde geboorten] een aangenaam leven had; maar in zijn ware kennis was hij erdoor verslagen als iemand die minder intelligent was. (30) Er geen waardering voor op kunnende brengen dat, zolang de zonnegod in zijn baan om de berg Meru heendraaide, hij de ene helft van de aarde verlichtte en de andere helft in het donker liet, zei hij die in zijn aanbidding van de Fortuinlijke van een bovenmenselijke invloed was: 'Ik zal de nacht net zo doen schitteren als de dag', en om dat kracht bij te zetten volgde hij toen in een strijdwagen de zon in zijn omloopbaan, hetgeen hij exact zeven keer en even zo snel deed, als was hij een tweede zon. (31) Het op die manier te werk gaan met de wielen van zijn wagen was, groeven makend met het loopvlak, er verantwoordelijk voor dat de zeven oceanen werden voortgebracht die de hemelsfeer rondom de aarde [Bhû-mandala] verdeelde in de zeven eilanden [de kosmische, planetaire bereiken]. (32) Bekend als Jambû, Plaksha, S'âlmali, Kus'a, Krauñca, S'âka en Pushkara had ieder van hen de afmeting van tweemaal die van de voorgaande en was, overal eromheen buiten hen gelegen, er dat wat zij voortbrachten. (33) De zeven oceanen die als de groeven rondom de zeven eilanden waren gevuld met zout water, suikerrietsap, sterke drank, gesmolten boter, melk, vloeibare yoghurt en zoet water, waren van dezelfde grootte als de eilanden die ze aan de buitenkant omsloten, de afzonderlijke eilanden die de een na de andere op een rij tot het aantal van zeven zich om hen heen bevonden. Voor ieder van de eilanden stelde de echtgenoot van Barhishmatî als hun heersers een van zijn getrouwe zoons aan waarvan er eveneens zeven waren: Âgnîdhra, Idhmajihva, Yajñabâhu, Hiranyaretâ, Ghritaprishthha, Medhâtithi and Vîtihotra.

(34) Wat hij ook deed was de dochter die Ûrjasvatî heette aan de grote wijze Us'anâ [S'ukrâcârya] schenken uit wie een dochter genaamd Devayânî werd geboren. (35) Voor de toegewijden wekt de persoonlijke invloed van Hem van de Grote Stappen [Urukrama, zie 1.3: 19] door wiens lotusvoeten de zesvoudige materiële gesel [van de honger, de dorst, het weeklagen, de illusie, de ouderdom en de dood], wordt verslagen, geen verwondering, als een vijfdeklas persoon [een uitgestotene] die slechts één enkele keer Zijn naam uit, meteen zijn materiële gebondenheid opgeeft. (36) Hij [Priyavrata] aldus ongeëvenaard in kracht en invloed, die zich ooit overgaf aan de voeten van de devarishi [Nârada] maar daarna ten val kwam vanwege zijn begaan zijn met de geaardheden der materie waarin hij geen bevrediging vond [vergelijk 1-5: 17], zei toen, over zichzelf nadenkend, in een geest van verzaking dit: (37) 'Helaas, ik heb fout gehandeld want ik was volledig in beslag genomen door de onwetendheid van een zinnelijk leven; de duistere put van het materieel plezier maakte me schuldig aan een hoop verdriet en toonde me als een dansende aap, onbetekenend en van geen belang in de handen van mijn vrouw; zowaar, veroordeeld en verdoemd ben ik!', aldus kritiseerde hij zichzelf. (38) Door de zelfverwerkelijking verworven door de genade van de God Hierboven, met het aan zijn gewetensvol navolgende zoons overdragen van de aarde, met het verdelen van de nalatenschap waarvan hij op zovele manieren had genoten, met het met de koningin en de grote weelde eraan geven van de doodsheid van zijn lichaam en met het met zichzelf in zijn hart in volmaakte overgave zijn overgegaan tot de verzaking, was hij er met die houding zeker van zichzelf op het goede spoor te hebben gezet in combinatie met de verhalen van de Heer aan de voeten van die grootste der heiligen Nârada. (39) Op hem zijn al deze uitspraken van toepassing: 'Wat door Priyavrata werd gedaan kon, behalve dan door de Allerhoogste Beheerser, door niemand anders worden gedaan', 'Door de indrukken van de wielen van zijn wagen verdreef hij de duisternis, waarmee hij de zeven zeeën schiep'. (40) 'Om het vechten van de verschillende naties op de verschillende continenten een halt toe te roepen, was hij het die in de wereld de situatie in het leven riep van de afscheiding door middel van rivieren, bergketens en wouden [vergelijk 4.14: 45-46] en dergelijke.' (41) 'Hij was degene het meest geliefd op het pad in navolging van de Oorspronkelijke Persoon; hij was het voor wie alle weelde van de lagere werelden, de hemelen of de aarde, zoals verworven door vruchtdragende arbeid en de macht van de yoga, te vergelijken was met de hel'.

 *: Er zijn vier stadia in het aanvaarden van de wereldverzakende orde: 1) Kuthîcaka: men verblijft buiten het dorp in een hutje, en wat men nodig heeft, met name iemands voedsel, krijgt men van huis 2) Bahûdaka: men aanvaardt niet langer meer wat dan ook van huis: in plaats daarvan vergaart men, mâdhukarî, met "het beroep van de hommels", wat men nodig heeft, met name iemands voedsel, van verschillende plaatsen 3) Parivrâjakâcârya: men reist over de gehele wereld rond om de heerlijkheden van Heer Vâsudeva te prediken en wat men nodig heeft, met name iemands voedsel, vergaart men van vele plaatsen 4) Paramahamsa: hij rondt zijn preekwerk af en gaat op één plaats zitten, strikt voor het heil van de vooruitgang in het geestelijk leven.  

 

Hoofdstuk 2  

De activitieiten van Mahârâja Âgnîdhra

(1) S'rî S'uka zei: 'Toen zijn vader aldus zich begaf op het pad der bevrijding en Âgnîdhra, zoals hij had opgedragen, zijn plaats innam, beschermde hij, met het strikt in acht nemen van de principes, de burgers, de bewoners van Jambûdvîpa, als waren ze zijn kinderen. (2) Eens, zich een vrouw uit het bereik der goddelijken wensend, raakte hij aan de voet van de bergen, naar zijn voorvaderen alle benodigdheden voor de eredienst bijeen gebracht hebbend, verzonken in de geest der boetvaardigen, en gaf hij zich over aan verzakingen en was hij van eerbetoon voor de meester, de hoogste macht van het geschapene in het universum [Heer Brahmâ].

(3) Dat begrijpend zond de Machtige Heer, de eerste persoon van het universum, vanuit zijn verblijf een hemels meisje, de Apsara Pûrvacitti naar beneden. (4) Rondwandelend in de bossen was zij toen daar te vinden in die plaats van meditatie, welke zeer mooi was met een schat aan allerlei bomen en massa's hoog reikende gouden klimplanten gehecht aan de takken. In het heldere water van het meer vol lotussen, zong ze mee met het klanken van de aangename geluiden van de communicerende paartjes landvogels en watervogels als eenden, zwanen en dergelijke. (5) De zoon van de god der mensen nu, hoorde, in de vervoering van zijn yoga, de aangename geluiden van haar enkelbelletjes die tinkelden bij iedere stap van haar zo bijzonder aantrekkelijke manier van speels rondbewegen en, opkijkend met zijn half open ogen, die de vorm hadden van lotusknoppen, ontwaarde hij haar. (6) Dichtbij, daadwerkelijk als een honingbij aan de prachtige bloemen ruikend, maakte ze met het plezier ontleend aan haar speelse bewegingen, verlegen blikken en bescheidenheid, haar lieflijke stem en leden, voor de ogen en het denken van zowel de normale man als de mannen van de hemel, de weg vrij voor de bloemendragende god der liefde. De godin was verbijsterend met het plezier van het horen van de zoete nectar die uit haar glimlachende en pratende mond stroomde, de aanblik van de haastige, stijlvolle, kleine bewegingen van haar voeten in reactie op de bedwelmde bijen die haar omringden, de bewegingen van haar goed gevulde borsten, het gewicht van haar heupen, de tressen van haar haar en de gordel om haar middel. Door de enkele aanblik van de godin volledig in de greep van de almachtige Cupido geraakt, greep hij toen de kans haar aan te spreken.

(7) 'Wie ben jij en waar ben je op uit op deze berghelling, o keuze der muni's; ben je een of andere geestverschijning van de Allerhoogste Heer, onze God in het voorbije, met de twee bogen zonder pezen [haar wenkbrauwen] die je met je meevoert; is het terwille van jezelf of van een vriend dat je hier bent, of ben je van zins jacht te maken op de gekke beesten in dit bos? (8) Deze twee pijlen [deze ogen] van jou, o magische schone, die veren hebben als lotusblaadjes, hebben geen schacht en zijn vreedzaam en zeer mooi; wie is het die jij, hier rondhangend, met hun scherpe punten wilt doorboren; moge jouw kunnen er zijn voor het welzijn van ons allen die maar traag in hun denken dit niet begrijpen! (9) Deze volgelingen om je heen [de bijen] o aanbiddelijke, zijn, met hun genieten van je haarlokken en de tal van bloemen die eruit vallen, onophoudelijk allen zingend voor de Heer, de Sâmaveda en de Upanishad aan het reciteren, als waren ze wijzen van respect voor de afdelingen van de Veda. (10) Van het geluid gemaakt door alleen al je enkelbelletjes kan ik heel duidelijk de tittiri vogeltjes horen, o liefde van Brahmâ, zonder dat ik hun vorm zie; ben je eigenlijk wel aangekleed, daar ik je prachtige ronde heupen kan zien met hun mooie kleur van kadambabloemen met daaromheen een gordel zo rood als gloeiende kolen. (11) En wat vult die twee hoorns, o hemelse verschijning der schoonheid, die je bij je zo slanke middel draagt? Wat bevatten ze dat zo aantrekkelijk is voor mijn ogen? En wat is dat geurige rode poeder op hen beide waarmee je, o bode van het geluk, mijn spirituele verblijfplaats parfumeert? (12) Laat me alsjeblieft zien waar je woont, o liefste vriendin; waar in godsnaam werd iemand zo prachtig van leden als jij geboren? Voor een persoon als ik zijn de vele wonderen van jouw lieflijke woorden en uitnodigende gebaren, die zo zoet als nectar zijn voor de mond, iets zeer opwekkends. (13) En waar leef je op, met het kauwen van de betel der offers [een rode smakelijke noot], mijn beste; je moet zijn voortgekomen als een deel van Vishnu, met je twee wijd open schitterende haaien van ogen en je oren met hun rusteloze visvormige oorhangers, de rijen van je schitterende tanden en je gezicht dat is als een meer temidden van de bijen om je heen. (14) Mijn ogen kennen geen rust in alle richtingen bewegend, afgeleid door de bal geraakt door je lotusvormige handpalm. Maal je niet om al je loshangende krullende haar? Bezorgt die jurk van je je geen moeilijkheden zoals die door de wind wordt opgetild zoals een man dat doet die zich aangetrokken voelt tot een vrouw? (15) O schoonheid, schat der wijzen, bij de genade van welke verzaking slaagde je erin op deze manier zo feilloos de boetedoening te ontregelen van allen die zich teruggetrokken hebben. Je zou het verzaken met mij moeten beoefenen, o vriendin, daar je misschien wel, met de schepper van het geschapene [Brahmâ] tevreden over mij, bedoeld bent voor mij. (16) Ik zal jou niet opgeven, op wie, geschonken door de god der geestelijke wedergeboorte, ik mijn geest en ogen heb gevestigd; ik zal je niet in de steek laten en je dicht bij me houden, o schoonheid van de borsten; leidt me zoals je wenst, ik ben je volgeling, waarheen dan ook de fijnste van je vriendinnen je volgen mogen.

(17) S'rî S'uka zei: 'Aldus slaagde hij, zeer bedreven in het inpalmen van vrouwen, er met de intelligentie der goden met zijn vleierij in aan de smaak van het hemelse meisje te beantwoorden en won hij haar gunst. (18) Zij in haar geest eveneens bekoord door de intelligentie, manieren, schoonheid, jeugd, het kunnen en de grootmoedigheid van hem, de meester onder de helden, genoot voor een oneindig, talloos aantal jaren van alle geneugten tussen hemel en aarde, de tijd met hem als zijnde de koning van Jambûdvîpa doorbrengend. (19) Hij, Âgnîdhra, de beste der koningen, slaagde erin in haar negen zoons te verwekken die de namen Nâbhi, Kimpurusha, Harivarsha, Ilâvrita, Ramyaka, Hiranmaya, Kuru, Bhadras'va en Ketumâla droegen. (20) Nadat ze jaar na jaar het leven had geschonken aan haar zoons, verliet Pûrvacitti haar huis om er zeker van te zijn dat ze weer zou terugkeren naar de ongeboren god. (21) Dankzij de kwaliteit van hun moeder verkregen de zonen van Âgnîdhra sterke, goed gebouwde lichamen en verdeelde de vader, naar gelang ieder zijn naam, naar behoren de verschillende delen van Jambûdvîpa [waarschijnlijk het euraziatische continent] om door hen te worden geregeerd. (22) Âgnîdhra, de koning, niet geheel bevredigd in zijn verlangens en iedere dag meer en meer aan haar denkend, bracht het met de Veda's zover als tot die plaats van haar, waar de voorvaderen in verrukking leven. (23) Na het vertrek van hun vader huwden de negen broers de negen dochters van Meru genaamd Merudevî, Pratirûpâ, Ugradamshthrî, Latâ, Ramyâ, S'yâmâ, Nârî, Bhadra en Devavîti.

 

Hoofdstuk 3  

Rishabhadeva's Verschijnen in de Baarmoeder van Merudevî, de Echtgenote van Koning Nâbhi.

(1) S'rî S'uka zei: 'Nâbhi, de zoon van Âgnîdhra, er naar verlangend zoons te krijgen van Merudevî die kinderloos was, bracht met veel zorg gebeden in aanbidding van de Allerhoogste Heer Vishnu, de genieter van alle offers. (2) Toen hij zelfzeker met een groot geloof en devotie en een zuivere geest met de aanbidding bezig was, manifesteerde de Allerhoogste Heer vanuit Zijn liefde aan de verlangens van Zijn toegewijden tegemoet te komen, Zichzelf in Zijn mooiste, niet te overtreffen gedaante die met Zijn betoverend schone ledematen zo'n genoegen is voor het oog en de geest, alhoewel dat niet kon worden verkregen met de inleidende pravargya ceremonie zoals begonnen, en wat er bij hoorde, de juiste plaats en tijd, de hymnen, de priesters, de giften aan de priesters, en door middel van de regulerende beginselen zelf. (3) Nadat Hij Zichzelf allerduidelijkst in Zijn vierhandige gedaante zeer helder, als de bovenste beste van alle levende wezens had gemanifesteerd, met een geel zijden gewaad en de schoonheid van het S'rîvatsa merkteken dat Hij op Zijn borst heeft, met Zijn schelphoorn, lotusbloem, schijf, bloemenkrans, het Kaustubha-juweel en Zijn knots en dergelijke zaken kenmerkend voor Hem, en schitterend stralend met de helm, oorhangers, armbanden, gordel, halssnoer, armversieringen en de enkelbelletjes etc. die Zijn lichaam sierden, voelde koning Nâbhi en de priesters en de anderen zich als arme mensen die een grote schat verworven hadden en met grote achting en alles van de aanbidding bogen ze eerbiedig hun hoofden. (4-5) De priesters zeiden: 'AlstUblieft aanvaard keer op keer, o meest verhevene, het ons in aanbidding aanbieden van ons respect, de eerbetuigingen van ons, Uw dienaren. Alzo zijn wij in staat te handelen voor zover geïnstrueerd door hen die boven ons staan; welke mens, wiens geest niet in het minst in staat in beslag wordt genomen door de gedaantewisselingen van de materiële natuur, vermag het zich te verzekeren, met de Allerhoogste Beheerser die Zich bevindt voorbij de zeggenschap van de materiële natuur, van de namen, gedaanten en kwaliteiten behorend bij Zijn positie alhier! Door het allergunstigst in woorden uitdrukken van de uitnemendheid van Uw bovenzinnelijke kwaliteiten, welke alle zondig handelen van de mensheid wegvagen, kunnen we U slechts ten dele kennen. (6) Het is werkelijk door de aanbidding van Uw dienaren, die in hevige vervoering met haperende stemmen hun gebeden doen, daarbij te werk gaand met water, verse twijgjes groen, tulasî-blaadjes en verse grassprieten, dat U tevreden gesteld raakt. (7) Alle overige bezorgdheid alhier over de gebruiksartikelen in dezen benodigd, is, zo onderkennen wij, dankzij Uw grootheid zelfs niet nodig. (8) Al de geestelijke deugden - Uw eigenlijke identiteit - nemen, in zichzelf genoeg, ongetwijfeld op ieder moment, rechtstreeks en zonder ooit te stoppen, eindeloos toe; maar, o Heer, het immer door ons verlangen in dezen naar de zegeningen van het materieel plezier, kan er alleen maar zijn met het doel Uw genade te verwerven. (9) Hoewel U, persoonlijk, met de overmaat van Uw grondeloze genade en heerlijkheid ernaar verlangend het spirituele pad [genaamd apavarga] open te leggen, naar hier bent gekomen en aanwezig bent en te zien bent zoals men elke gewone persoon kan zien, schieten we tekort in ons eerbetoon aan U daar we, o Heer der Heerscharen, zijn als dwazen onbekend met dat uiteindelijke welzijn van U. (10) Dit dan, het in dit offer van de deugdzame koning Nâbhi, o Heer, o Beste der Begunstigers, zijn geworden tot een voorwerp van onze aanschouwing, van ons Uw toegewijden, is zonder twijfel werkelijk de grootste zegening, o meest aanbiddelijke. (11) U bent voor hen, van wie de eindeloze onzuiverheid, Uw kwaliteiten bereikt hebbend, is weggenomen door de kracht der onthechting en het vuur der kennis, U bent voor die wijzen die in zichzelf vergenoegd, onophoudelijk verslag deden van al het goede van U in het vertellen van Uw verhalen, de allerhoogste verrukking voortgebracht.  (12) Niettemin strompelen we op de een of andere manier verder, hongerig ten val komend en geeuwend omdat we ons niet op onze plaats voelen enzovoorts, en ook zijn we er uit onszelf niet toe in staat U te herinneren in de koorts van onze doodstrijd; laat het mogelijk zijn dat we in staat zijn Uw namen te uiten en dat we van Uw handelingen en eigenschappen kunnen spreken, daar zij het vermogen hebben al onze zonden te verdrijven. (13) Daarenboven, hoopt deze vrome koning door U gezegend te worden met nageslacht, een zoon waarvan hij hoopt dat hij precies als U is: een allerhoogste beheerser van de zegeningen van de hemel en het pad dat daarnaar leidt; ookal gedraagt deze koning zich met U, de grote liefde van het eerbetoon, met het idee van kinderen als het uiteindelijk levensdoel, maar als een arme man die van een persoon van liefdadigheid en rijkdom slechts een greintje vraagt.  (14) Wie o wie zonder respect voor de voeten van de groten in deze wereld van U is niet overmeesterd door de onoverkomelijke illusoire energie waarvan men het pad niet kan vinden; wie is in zijn intelligentie niet verbijsterd door het materiële genoegen dat als een vergif is; wie is in zijn aard niet belemmerd door die stroom? (15) Vanwege het inderdaad U weer uitgenodigd zijn in dit offerperk als degeen der wonderbaarlijkheden - alstUblieft tolereer vanuit Uw gelijkgezindheid jegens allen en alles derhalve ons, de onwetenden, die, niet bijster intelligent in minachting voor de goddelijkheid van U als de God der Goden, een materiële uitkomst op het oog hebben.' 

(16) S'rî S'uka zei: 'De Allerhoogste Heer, de leidsman der wijzen, aldus verheerlijkt met de ongebonden recitatie door hen voor wiens voeten zelfs de keizer van Bhâratavarsha [India] boog, sprak toen tot hen. (17) De Allerhoogste Heer zei: 'Helaas, tevreden als Ik ben over u wijzen wiens woorden allen waar zijn, is die zegening waar u om vroeg - dat er een zoon van Nâbhi mag zijn die is zoals Ik - alzo zeer moeilijk te bereiken; als de Ene zonder weerga is er enkel dat Ik van Mij dat zo gelijk is, niettemin met het bramaanse van wat u zei niet onwaar zijnde, behoort dat van Mij voorzeker zo tot stand te komen, zoals het is verwoord door de goddelijkheid van de klasse der tweemaal geborenen. (18) Daar er niemand aan MIj gelijk te vinden is, zal ik daarom door persoonlijke expansie in een volkomen deel van Mijzelf, verschijnen in de echtgenote van Âgnîdhra's zoon.'

(19) S'rî S'uka zei: 'Na aldus gesproken te hebben tot de echtgenoot in de aanwezigheid van Merudevî, verdween de Allerhoogste Heer. (20) O genade van Vishnu [Parîkchit], teneinde koning Nâbhi tevreden te stellen verscheen de Allerhoogste Heer, op deze manier gunstig gestemd door de besten der wijzen, in de oorspronkelijke gedaante van zuivere goedheid van een avatâra in zijn vrouw Merudevî, in een verlangen de groten der verzaking, zij die zich teruggetrokken hebben en zij die van studie zijn [de sannyâsî's, de vânaprastha's en de brahmacârî's] de manier te tonen waarop men met de principes van dharma [rechtgeaardheid, de religie, de ware natuur] tewerk gaat.

 

Hoofdstuk 4

 De Eigenschappen van Rishabhadeva

(1) S'rî S'uka zei: 'Vanaf de aanvang van Zijn verschijnen onderscheidde Hij [als de zoon van koning Nâbhi, zie voorgaand hoofdstuk en 2.7: 10] zich in het hebben van al de eigenschappen van de Opperheer zoals gelijkgezindheid jegens allen, het van een volmaakte vrede en verzaking zijn en het hebben van alle macht en de grote kenmerken, daarbij dag na dag in Zijn effectiviteit toenemend in een groot verlangen te heersen over ministers, burgers, de brahmanen, de goddelijken en de gehele oppervlakte van de aarde. (2) Aldus voorzeker allerverhevendst in zowel de gestalte van zijn lichaam als in het hebben van al de kwaliteiten door de poëten beschreven, gaf de vader Hem vanwege Zijn kunnen, kracht, schoonheid, roem, invloed en heldhaftigheid, de naam Rishabha, de Allerbeste. (3) Koning Indra die zeer afgunstig op Zijn grootsheid bleek te zijn stond het niet toe dat er ook maar enige regen viel op het land beneden de Himâlaya's; de Allerhoogste Heer Rishabhadeva die daar weet van had, glimlachte als de meester der yoga daarover en deed door de macht van Zijn spirituele zelf het water naar beneden stromen over Zijn plaats die Ajanâbha werd genoemd. (4) Door Zijn onafhankelijke wil had Hij, de Allerhoogste Heer en de oudste, Oorspronkelijke Persoon, middels Zijn begoochelend vermogen de geest verbijsterd van koning Nâbhi, die naar zijn zin zonder twijfel de mooiste zoon had gekregen die hij zich maar wensen kon, en dat deed hem, overweldigd door een overmaat aan een groot enthousiasme, door zijn extase met een haperende stem in zijn grote genegenheid dingen zeggen als: 'mijn liefste zoon, mijn lieveling', met het in zijn opvoeden bereiken van een bovenzinnelijke verrukking. (5) Wel bekend met de populariteit van Zijn dienstbaarheid aan de burgers en de staat, zette koning Nâbhi, in zijn verlangen de burgerij strikt volgens de principes te beschermen, zijn zoon op de troon, hem toevertrouwend aan de brahmanen. Met Merudevî volbracht hij in Badarikâs'rama met grote voldoening en vaardigheid boetedoeningen, volledig opgegaan in de yoga met de aanbidding van Nara-Nârâyana, de Allerhoogste Heer Vâsudeva, waarmee hij in de loop van de tijd Zijn zegerijke verblijf bereikte.

(6) O zoon van Pându [Parîkchit, zie stamboom], van hem doen er twee uitspraken de ronde: 'Welke mens die het voorbeeld van de zedige koning Nâbhi volgt is in staat tot wat hij deed en door de zuiverheid van zijn optreden de Allerhoogste Persoonlijkheid van God als zijn zoon te krijgen?' en (7) 'Is er behalve Nâbhi ook maar één toegewijde van de brahmanen die in eerbetoon hen tevreden stellend in het offerperk, bij de genade van hun toegewijde dienst de opwachting werd vergund van de Allerhoogste Genieter van alle offers?'.

(8) De Allerhoogste Heer Rishabha vormde toen, met het aanvaarden van Zijn koninkrijk als Zijn werkterrein, een voorbeeld door te verblijven bij de geestelijk leraar, schenkingen te doen bij het afronden van Zijn studie en, zoals dat door de goeroe werd verlangd, de plichten van een huishouder op zich te nemen. Aldus, getrouwd met Jayantî die Hem door Indra was geschonken, gaf Hij door het voorbeeld te geven onderricht in het verrichten van de twee vormen van arbeid zoals vermeld in de geschriften [het hooghouden van de religie en het bestrijden van onrecht], daarbij een honderdtal zoons [bij haar en bij bijvrouwen of via zijn zonen bij schoondochters] verwekkend die precies als Hij waren. (9) Van hen was daadwerkelijk de oudste, Bharata, een grote beoefenaar van de yoga; hij had de beste kwaliteiten en het was door hem dat de mensen dit land Bhârata-varsha noemden. (10) Na hem volgden Kus'âvarta, Ilâvarta, Brahmâvarta, Malaya, Ketu, Bhadrasena, Indrasprik, Vidarbha en Kîkatha die de oudere zoons waren van de negenennegentig anderen. (11-12) Van de laatstgenoemden waren Kavi, Havi, Antariksha, Prabuddha, Pippalâyana, Avirhotra, Drumila, Camasa en Karabhâjana negen zeer gevorderde toegewijden die de waarheid van dit Bhâgavatam verdedigden; van hun goede karakters die blijk gaven van de heerlijkheden van de Heer, zal ik op latere datum [in Canto 11] een kleurrijk verslag doen in het bespreken van de conversatie tussen Vâsudeva en Nârada die de geest de volste bevrediging schenkt. (13) De eenentachtig jongere zoons van Jayantî waren, in navolging van wat hun vader had opgedragen, van een goede ontwikkeling met een uitstekende beheersing van de heilige schrift en een grote vaardigheid in het brengen van offers; zeer zuiver in hun handelingen, werden ze grote brahmanen.

(14) De Allerhoogste Heer genaamd Rishabha was daadwerkelijk een onafhankelijk Heerser vol van bovenzinnelijke verrukking die persoonlijk altijd vrij van alle ondeugd was; door strikt in overeenstemming met de tradities te werk te gaan, bracht Hij, met het onderricht aan de onwetenden van wie in de loop van de tijd enkel het tegenovergestelde in het verwaarlozen van de religie wordt gevonden, gelijkmoedig en onverstoorbaar, vriendelijk en genadig, het tot het instellen van het eeuwige van de rechtgeaardheid en de economie, zodat zij een goede naam konden genieten, nageslacht konden verwekken en genoegen konden ondervinden in het huishoudelijk bestaan [vergelijk B.G. 4: 13]. (15) Wat ook gedaan door leidende persoonlijkheden wordt door de gewone man nagevolgd [zie ook B.G 3: 21]. (16) Hoewel Hij weet had van de strekking van de verschillende vedische plichten op het pad van de brahmanen, regeerde Hij [als een kshatriya] over de mensen middels gecontroleerde zinnen, een beheerste geest en tolerantie. (17) Tezamen met het nodige in overeenstemming met de plaats en de tijd verzekerde Hij, geholpen door de goede [jeugdige] leeftijd en de geloofsijver van de priesters die de verschillende goden voor verschillende doeleinden aanbaden, zoals is voorgeschreven, Zich een honderdtal keren van allerlei soorten van ceremoniële offerdiensten. (18) Beschermd door de Allerhoogste Heer Rishabha koesterde niemand op de planeet, zelfs niet de gewoonste man, ook maar enige behoefte om wat dan ook, waneer dan ook, voor zichzelf te hebben of van een ander te bezittien, net zo min als men zich ook niets voorstelt van wat niet bestaat; men bekommerde zich enkel om een vanbinnen immer toenemende, grote genegenheid jegens degene die de last torste. (19) Toen Hij, de Allerhoogste, eens rondtoerde en het heilige land van Brahmâvarta bereikte [tussen de rivieren de Sarasvatî en de Drishadvatî ten N. W. van Hastinâpura] zei Hij, in het bijzijn van de burgers in een bijeenkomst van de besten der brahmanen, het volgende tegen zijn oplettende en welgemanierde zoons, tot hen predikend ondanks het feit dat zij uitmuntten in zelfbeheersing en toewijding.

 

Hoofdstuk 5

Heer Rishabhadeva's Onderricht aan Zijn zoons.

(1) Heer Rishabha zei: 'Mijn beste zoons; dit lichaam dat jullie met je meedragen in deze materiële wereld verdient het moeizame niet van de zinsbevrediging eigen aan honden en zwijnen, maar verdient de moeite van de verzakingen en boetedoeningen ter wille van het goddelijke waardoor het hart gezuiverd raakt en dan een oneindig spiritueel geluk wordt gevonden. (2) Het dienen van de groten, zegt men, is de weg der bevrijding en het opzoeken van het gezelschap van degenen die aan vrouwen gehecht zijn is de weg van de kerker, de duisternis; de vergevorderden zijn mensen die in het spirituele een gelijke achting hebben voor allen, ze verwijlen in vrede, voelen zich niet tekort gedaan, wensen allen het beste en weten hoe ze zich moeten gedragen. (3) Zij die in het zich verhouden tot Mij, hun Heer, volijverig zijn liefde te ontwikkelen* , en die aan mensen, die geïnteresseerd in het onderhoud van hun lichaam verzot zijn op hun thuis, hun vrouw, kinderen, weelde en vrienden, niet zo gehecht zijn, zij vergaren van en houden zich bezig met de wereld alleen voor zover dat nodig is. (4) Inderdaad, Ik denk dat het doldwaas opgegaan zijn in het begaan van ongewenste daden gekoppeld aan de bevrediging die, hoewel het misère met zich meebrengt, dit tijdelijke bestaan van het lichaam mogelijk maakte, de ziel niet past. (5) Zo lang als er de verslagenheid is die resulteert uit onwetendheid, zolang men geen navraag doet over de werkelijkheid van de ziel, zolang de geest vol is van vruchtdragende handelingen, is men in feite bevangen door zijn karma waarvan er de gebondenheid aan dit materiële lichaam is. (6) Als de ziel zodoende overdekt is door onwetendheid gedraagt de geest zich in onderwerping aan vruchtdragende handelingen voor zolang er jegens Mij, Vâsudeva, geen liefde is; zolang dat het geval is, is men niet verlost van het vastzitten aan een fysiek lichaam. (7) Zelfs als men als een opgeleid iemand niet inziet hoe zinloos de onderneming van het bevredigen van de zinnen is, zal men er zeer snel, onnadenkend zijnd in het eigenbelang, gek van worden en een dwaas zijn die niets anders ontdekt dan materiële narigheden in een leven thuis dat gebaseerd is op geslachtsgemeenschap. (8) Van de seksuele aantrekking tussen man en vrouw zijn hun beider harten aan elkaar gebonden en naar gelang daarvan roepen ze om een thuis, privacy, kinderen, welvaart en verwanten; dit is de illusie van het levende wezen die bekend staat als 'ik' en 'mijn'. (9) Als het denken, de hechte knoop in het hart van zo'n persoon die gebonden is door de resultaten van het handelen in het verleden, ontward wordt, keert de geconditioneerde zich te dien tijde af van de misvatting van het 'ik', en gaat hij, het opgevend, bevrijd naar de bovenzinnelijke wereld die de oorspronkelijke oorzaak is. (10-13) Door het volgen van een spiritueel gevorderde persoon, een goeroe; in toegewijde dienst jegens Mij, door niet te begeren, met tolerantie voor de wereld der tegenstellingen en door eveneens navraag te doen en door realisatie van de waarheid van al de ellende van het levend wezen overal; door verzakingen te beoefenen en boete te doen en zinnelijke genoegens op te geven; door voor Mij te werken, te luisteren naar verhalen over Mij alsook door altijd vast te houden aan het gezelschap der toegewijden; door te zingen over Mijn kwaliteiten; door geen vijandschap te koesteren, allen gelijkgezind te zijn, door de emoties te beteugelen, o zonen; door er naar te verlangen de vereenzelviging met je thuis en het lichaam op te geven, door het bestuderen van de yogageschriften; door in afzondering te leven, door een volledige controle over de ademhaling, de zinnen en de geest; door geloof te ontwikkelen, door altijd het celibaat in acht te nemen, door immer waakzaam te zijn, door zich te beperken in het spreken; door aan Mij te denken, Mij overal te herkennen; door kennis te ontwikkelen, door wijsheid en door verlicht te zijn door de yogapraktijk; door geduld, enthousiasme en behept te zijn met goedheid en liefdadigheid, kan men de valse identificatie met de materiële wereld, de oorzaak van de materiële gebondenheid, opgeven. (14) Volledig bevrijd rakend van de hang naar profijt, en door middel van deze yogapraktijk, zoals ik jullie dat zei, de knoop van de gebondenheid in het hart die werd teweeggebracht door onwetendheid aanpakkend, behoort men [verder] afstand te doen van de middelen der bevrijding. (15) De koning of goeroe voor zijn zoons of discipelen die, in zijn verlangen naar Mijn verblijf, ervan uitgaat dat Mij bereiken het levensdoel is, behoort op deze wijze, vrij van woede, instructie te verschaffen; als men de geestelijke kennis ontbeert behoort men niet tot vruchtdragende handelingen aan te zetten - want wat kan een man simpelweg zedig of onzedig voor het profijt werkend bereiken? In feite zal hij er de oorzaak van zijn dat degenen wiens visie vertroebeld is, in de put zullen raken [vergelijk B.G. 3: 26]. (16) Mensen die persoonlijk het zicht verloren hebben op het pad der goedgunstigheid en die geobsedeerd zijn in hun verlangen naar de goederen, belanden jaloers op elkaar voor het heil van tijdelijk geluk in talloze vormen van lijden en hebben als dwazen geen idee [zie ook B.G. 7: 25]. (17) Welke man van studie die persoonlijk welbekend is met de spirituele kennis zou in zijn genade iemand anders er toe aanzetten uit te zien naar nogmaals dat, waarop gericht die persoon, in onwetendheid als een blindeman levend verslaafd aan materiële slimmigheid, de verkeerde weg aan het bewandelen is? (18) Een dergelijke persoon vermag niet een verwant te zijn, een vader, een moeder, een huwelijkspartner, noch kan hij de werkelijkheid vormen, de geestelijk leraar of de godheid van aanbidding zijn of degene die de verlost brengt uit de herhaling van geboorte en dood. (19) Het is in deze belichaming van Mij, die ondoorgrondelijk van het eeuwige is, dat daadwerkelijk Mijn hart is ingesteld op het dharma, het devotionele, en Mijn rug is weggekeerd naar het adharma, het niet-devotionele; derhalve noemen de beschaafden mij naar waarheid De Beste, Rishabha. (20) Daarom, jullie allen, geboren uit Mijn hart, probeer met een zuivere intelligentie de meest verhevene van dienst te zijn, die broeder Bharata van jullie die over de mensen regeert.

(21-22) Van de levenden en niet-levenden, zijn in verre superieur aan de planten die wezens die zich rondbewegen; van hen zijn zij die intelligentie ontwikkelden beter en beter dan zij zijn de menselijke wezens van wie degenen van de geest, de mediteerders van S'iva, de besten zijn. Beter dan zij zijn de zangers van de hemel [de Gandharva's] en superieur aan hen zijn de volmaakten [de Siddha's], boven wie men de bovenmenselijke wezens [de Kinnara's] aantreft. De goddelijken zijn beter dan de onverlichten en van de directe zonen van Brahmâ, zoals Daksha, geleid door Indra, is Heer S'iva de beste; boven hem vinden we hij die ontsprong aan Heer Brahmâ, Mijn toegewijde [de brahmaan], naar wiens goddelijkheid van tweemaal geboren zijn, Ik er ben als de Heer. (23) Geen andere bestaansvorm doorstaat de vergelijking met de brahmaan noch ken ik, weledelgeleerden, ook maar iemand die boven hem staat. Door hem eet Ik met meer voldoening van het voedsel dat door de mensen met geloof en liefde werd geofferd in gepast eerbetoon [voor de mond van Mij en de mijnen], dan van het voedsel dat aldus in [de mond van] het vuur werd geofferd. (24) Van het lichaam [van de Veda] gevoed door het eeuwige van Mijn geest die vrij is van materiële smetten, heeft men in deze wereld de [acht brahmaanse kwaliteiten van de] aard der opperste goedheid [sattva], de zuivering [pavitra], de beheersing over de geest [s'ama] en de zinnen [dama], de waarheidlievendheid [satya], de genade [anugraha], de boete [tapasya] en de tolerantie [titikshâ], waarin de verwezenlijking van God wordt gevonden. (25) Oh, aan wie anders zouden jullie [Mijn zoons] behoefte hebben dan aan diegenen die, zonder verlangens en bezittingen in toegewijde dienst jegens Mij, in staat zijn de hemel, de bevrijding en het plezier van Mij af te roepen, en zelfs het onbeperkte van een kracht en weelde hoger dan het hoogste? (26) Mijn beste zoons, indachtig de heldere visie dat Ik in hen allen verblijf, behoor je te allen tijde van respect te zijn voor een ieder en voor alles, wetend dat met het respecteren van hen je indirect van respect bent jegens Mij. (27) Betrek al je denken, al je woorden en al wat je ziet van je actieve en ontvankelijke zinnen, rechtstreeks bij Mijn aanbidding, omdat een persoon anders nimmer in staat zal zijn zichzelf te bevrijden van de grote illusie die Yama's val van de dood is.'

(28) S'rî S'uka zei: 'Na voor het heil van de mensen persoonlijk op deze manier Zijn zoons instructie te hebben verschaft ondanks dat ze hoogst ontwikkeld waren, plaatste de grote persoonlijkheid, de begunstiger en Opperheer van allen die werd gevierd als De Beste, Rishabha, Bharata, de oudste van Zijn honderd zoons en allerhoogste toegewijde en navolger van de goddelijke orde, op de troon om over de planeet te regeren. Dit is de instructie wat betreft de plichten van de grote wijze, die de beste is van al die menselijke wezens die vrij van verlangen niet langer voor het profijt werken en die gekenmerkt zijn door toegewijde dienst, spirituele kennis en onthechting. Alhoewel hij achterbleef met wat hij thuis was, aanvaardde Hij, enkel lichamelijk, als een halve gek met Zijn haar in wanorde, de hemel als zijn kleed en zwierf Hij rond, het vedisch vuur vanbinnen brandend houdend, wijd en zijd buiten Brahmâvarta. (29) Hoewel Hij, ledig, blind, doof, stom, als een geest en als een halve gek, de mensen toescheen als iemand die zich niet bekommert om de wereld [een avadhûta], hield Hij zich met de gelofte der zwijgzaamheid stil. (30) Her en der door steden komend, dorpen, delfplaatsen, landerijen, tuinen, leefgemeenschappen gelegen in valleien, militaire kampementen, veeschuren, boerderijen, rustoorden voor pelgrims, heuvels en wouden, toevluchtsoorden enzovoorts, was Hij omringd door slechte mensen en vliegen en werd Hij, als een olifant die uit het bos komt, weggejaagd en bedreigd, bewaterd en bespuugd, in het stof geworpen tussen de stenen en de ontlasting, weggescheten en uitgescholden; maar Hij gaf er niet om omdat Hij, vanuit Zijn begrip over hoe het lichaam zich verhoudt tot de ziel, wist dat de verblijfplaats die dit lichaam is en die men voor echt houdt, niet een levensomstandigheid was die geschikt is voor een man van eer; in plaats daarvan verwijlde Hij in Zijn persoonlijke glorie in ontkenning van het "ik' en "mijn" en zwierf Hij onverstoord moederziel alleen over de aarde rond. (31) Met Zijn zeer delicate handen, voeten, borst, lange armen, schouders, nek en gelaat etc.; met de prachtige aard van Zijn goed geproportioneerde ledematen, Zijn natuurlijke glimlach, mooie lotusblaadjesgelijke gracieuze mond, het wonder van Zijn roodachtige wijdopen ogen en de grote schoonheid van Zijn voorhoofd, oren, halslijn, neus en expressieve lip, waarvan Zijn gezicht als een feest was voor al de huisvrouwen in het alom opwekken van Cupido in het hart, zag Hij, met het hebben van Zijn overvloed aan krullend bruin haar, dat samengeklit, smerig en verwaarloosd was, er in het lichaam uit als iemand die door de duivel was bezeten. (32) Toen Hij, de Allerhoogste Heer, zag dat de mensen zich over het algemeen tegen Zijn yoga waren gekant, ging Hij, om dat karma tegen te gaan, er toe over zich op de grond liggend als een python te gedragen, waarbij hij met het kauwen van Zijn voedsel en drinken van Zijn drinken, het unrineren en Zich ontlasten, Zijn lichaam besmeurde door zich in de uitwerpselen te wentelen. (33) Zijn ruiken naar de ontlasting was van een dermate prettige geur dat de lucht van de landstreek in een omtrek van tien yojana's doortrokken raakte van een aangenaam aroma. (34) Aldus in Zijn handelingen zich bewegend, staand, zittend en neerliggend met de koeien, de kraaien en de herten at Hij, dronk Hij, en urineerde Hij ook zoals de koeien, de kraaien en de herten dat doen. (35) Met het op die manier bewandelen van de verschillende wegen van de mystieke yoga genoot de Opperheer, de Meester der Verlichting, Rishabha, onophoudelijk in grote gelukzaligheid van het Allerhoogste. Door Zijn fundamentele onverschilligheid bereikte Hij in het Hoogste Zelf, de volkomen perfectie van het onbegrensde van het geheel van de weelde en de symptomen van liefdevolle emoties jegens de Allerhoogste Persoonlijkheid Vâsudeva die zich ophoudt in het hart van alle levende wezens; maar het volle van de mystieke vermogens, zoals het reizen door de lucht, zich met de snelheid van de bliksem bewegen, het vermogen ongezien te blijven, het vermogen in het lichaam van anderen binnen te gaan, de macht om zonder moeite dingen op afstand waar te nemen en andere perfecties [siddhi's, zie eveneens 2.2: 22; 2.9: 17; 3.15: 45; 3.25: 37] die hij aldus bereikte, o Koning Parîkchit, aanvaardde Hij nimmer rechtstreeks in Zijn hart.

* De vijf belangrijkste relaties van liefde of rasa's waarin met de Heer alle hogere emoties worden ervaren, zijn de neutrale (santa), de relatie tussen meester en dienaar (dâsya), de vriendschapsrelatie (sakhya), de ouder-kind relatie (vâtsalya) en de liefdesrelatie (srngâra).

 

 

Hoofdstuk 6

Heer Rishabhadeva's Activiteiten

(1) De koning zei: 'O Allerhoogste, door die in zichzelf tevreden zielen van wie het zaad van het baatzuchtig handelen is verbrand door de spirituele kennis verkregen door de praktijk van de yoga, worden de mystieke vermogens automatisch verworven; hoe is het mogelijk dat die enige belemmering vormen? '

(2) De wijze zei: 'U hebt volkomen gelijk, maar in deze wereld stelt men, precies als een slimme jager, ook geen direct vertrouwen in de geest die [net als wild] er altijd vandoor gaat. (3) En daarom, zo zegt men, behoort men nooit en te nimmer vriendschap te sluiten met de zo onrustige geest; van de praktijk van het voor een langere tijd stellen van te veel vertrouwen erin werd de verzaking van zelfs de grootsten [zoals Heer S'iva of de wijze Saubhari] verstoord. (4) Zoals een man met een echtgenote die gecharmeerd is van mededingers, zullen aspiranten van de yoga die vertrouwen op het denken dat steeds voor het lustmotief openstaat, de weg aan het vrijmaken zijn voor de vijanden die haar op de voet volgen. (5) Waarom, zou dan welke man ook die zijn lesje geleerd heeft, daadwerkelijk vertrouwen stellen in het [ongestuurde] denken dat ten grondslag ligt aan de lust, de woede, de trots, de hebzucht, het weeklagen, de illusie, en de angst die allen tezamen iemand aan zijn karma binden? (6) Hoewel Hij [Rishabha] aan het hoofd stond van alle koningen en bestuurders van dit universum, handelde hij naar deze manier van denken in de uitdossing, taal en het karakter van een avadhûta [5.5: 29] alsof Hij dom was, het allerhoogste van Zijn heerlijkheid verbergend door het yogagewijs verzaken te onderrichten middels Zijn eigen persoonlijke voertuig van de tijd; alsof Hij een normale sterveling was die het probeert op te geven met het fysieke, hield hij voor Zichzelf naar het Allerhoogste gebod van de Ziel, ongehinderd door het illusoire der materie, altijd de visie van binnenuit van de liefde die boven alle ondeugd is verheven en maakte Hij een einde aan Zijn koninklijke spel en vermaak. (7) Van Hem zagen we aldus de ogenschijnlijk fysieke aanwezigheid, het gedreven optreden in deze illusoire wereld, van het lichaam van Hem als de Allerhoogste Heer Rishabhadeva die Zelve vrij was van ieder belang in het vitale. Hij bereisde geheel op zichzelf de landen van Zuid-India: Konka, Venka en Kuthaka in de provincie Karnâta, en bereikte een bos in die omgeving genaamd Kuthakâcala. Aldaar met een handvol stenen in Zijn mond, zwierf Hij gelijk een waanzinnige naakt rond met verwarde haren. (8) Bij een felle, van alle kanten oplaaiende bosbrand die werd veroorzaakt door de wrijving van bamboestaken tegen elkaar gedrukt door de kracht van de wind, werd Zijn lichaam toen in dat bos verbrand tot as.

(9) Horend van Zijn wederwaardigheden van het vrij zijn van alle ritueel en gebruik, ging de koning van Konka, Venka en Kuthaka die de naam Arhat [de Jain, de eerbiedwaardige] droeg over tot een imitatie van Hem; verbijsterd door een toename van ongelovig leven dat een aankondiging vormde voor de komst van het Kali-yuga Tijdperk van de Redetwist, gaf hij het veilige pad van de religie op dat alle vrees zou afwenden en nam hij een verkeerd ketters standpunt in in weerwil van de vedische voorschriften met het hoogst dwaas introduceren van een eigen bedenksel. (10) Door dergelijke praktijken zullen de meest deerniswekkende onder de mensen in het Kali-tijdperk, verbijsterd door de uitwendige energie van God, verstoken van karakter, reinheid en de regels en voorschriften van de persoonlijke plicht, zwerend bij hun zedeloosheid en in minachting voor de goddelijkheid, vasthouden aan hun verlangens, met denkbeeldige principes van verzaking zoals het onrein blijven, het niet spoelen van hun mond en het uitplukken van hun haar. Van de Kali-yuga overmaat aan goddeloosheid zullen degenen wiens zuivere bewustzijn is vernietigd zo goed als volkomen godslasterlijk worden jegens de strikte brahmaan en zijn vedische cultuur, de ceremoniën van het offeren en de Allerhoogste Persoonlijkheid van God en Zijn toegewijden. (11) Zij die er zeker in zijn af te wijken van eeuwige principes van de religie met een praktijk gebaseerd op hun eigen speculaties, voelen zich aangemoedigd door verblinde voorlopers en zijn er zeker van zelf verblind te belanden in de duisternis der onwetendheid [vergelijk B.G. 16: 16, 16: 23]. (12) Deze nederdaling van de Heer was er om hen die overweldigd zijn door de hartstocht te onderrichten in de zaak der verlichting. (13) Over Hem worden door hen die uit zijn op de bevrijding de volgende verzen aangehaald: 'O, van deze aarde met zijn zeven zeeën en vele landen op haar continenten, is dit land [Bhârata-varsha, India] het meest verdienstelijk; hun bevolking bezingt de algunstige kwaliteiten van Murâri [Hij als de vijand van de verdwaasde, van Mura] in Zijn vele incarnaties.' (14) 'O wat te zeggen over de dynastie van koning Priyavrata waarin de Oorspronkelijke Persoon, de Allerhoogste Persoonlijkheid, nederdaalde als een incarnatie; Hij, de Ongeëvenaarde, vervulde de religieuze plicht welke de oorzaak is van het einde der baatzuchtige arbeid.' (15) 'O, welke andere yogi is er te vinden die, zelfs maar in de geest, in staat is het voorbeeld te volgen van Hem, de Ongeborene, en die, als zijnde niet-essentieel, alle verlangen verzaakte naar de perfecties van de yoga, welke worden nagestreefd door de mystieke yogi's zo vol van ijver om te dienen.'

(16) Aldus heb ik uitleg verschaft over de zuivere handelingen van de Opperheer genaamd Rishabha, de hoogste geestelijk leraar voor de mensen in het algemeen, de goddelijken, de brahmanen en de koeien; hij die in navolging van de groten, met een groeiend geloof en toewijding aandachtig luistert naar, of voor anderen spreekt over deze meest vooraanstaande en grootste toevlucht van de heilzaamheid die alle zonden van ieder levend wezen vernietigt, zal zonder twijfel ten gunste van Hem, de Allerhoogste Heer Vâsudeva, feitelijk in de beide vormen van het luisteren en spreken een begin hebben gemaakt met een standvastige toewijding. (17) In die toewijding baadt de ziel die van vooruitgang is zich onophoudelijk teneinde steeds bevrijd te zijn van het lijden onder de zorgwekkende omstandigheden in het materieel bestaan; hoewel op zichzelf die zo zeker door geluk verkregen ononderbroken bevrijding, de grootste van alle wapenfeiten, zeker niet dat is waar men op uit is, omdat men in het zich verhouden tot de Allerhoogste Heer volkomen is in alles waar men naar gestreefd heeft. (18) Mijn beste Koning, Hij, de aanbiddelijke godheid van de Yadu's, is zonder twijfel, uw meest dierbare vriend en meester van de geslachtslijn; om het duidelijk te stellen, hij trad soms zelfs op als uw dienaar en aldus mijn beste vraag ik u: is Hij dan niet daadwerkelijk de Allerhoogste Heer Mukunda van de Yoga der toewijding die te allen tijde verlossing schenkt door allen te bevrijden die van dienst zijn? (19) Altijd gericht op Zijn werkelijke identiteit en in Zichzelf volkomen zonder verdere verlangens, werd door Zijn genade van het uitbreiden van Zijn activiteiten op het materiële vlak, de ware betekenis van een leven van onbevreesdheid met het ware zelf overgedragen aan de intelligentie van de mens die zo lang had gesluimerd; alle respect voor Hem, die Allerhoogste Heer Rishabhadeva.

 

Hoofdstuk 7

De Activiteiten van Koning Bharata

(1) S'rî S'uka zei: 'Toen Bharata ['hij die in stand wordt gehouden'], als hoogst ontwikkelde toegewijde, op aanwijzing van zijn vader het besluit had genomen over het oppervlak van de aarde te regeren, trouwde hij, toen hij de troon overnam, met de dochter van Vis'varûpa, Pañcajanî. (2) Daadwerkelijk, zoals iemand, geïdentificeerd met het lichaam de vijf objecten van de zintuigen op zijn weg vindt, verwekte hij in haar vijf zoons, Sumati, Râshthrabhrita, Sudars'ana, Âvarana en Dhûmraketu, die precies zoals hijzelf waren. (3) Dit deel van de wereld genaamd Ajanâbha [slaand op koning Nâbhi, zie 5: 3] werd vanaf het begin van zijn heerschappij door hen alzo gevierd als Bhârata-varsha [het land van Bharata, nu India]. (4) Hij, die zeer ver gevorderd was in de kennis, was, regerend met een zorgzaam hart, een heerser zo groot als zijn vader en grootvader waren; hij hield de burgers en zichzelf aan ieders eigen plicht. (5) Hij aanbad de Allerhoogste Heer eveneens met grote en kleine offerandes met en zonder offerdieren; met veel geloof werden volledig of ten dele agni-hotra-, dars'a-, pûrnamâsa-, câturmâsya-, pas'u- en soma-rasa-yajña's uitgevoerd, die overeenkomstig de regulerende beginselen praktisch altijd onder leiding stonden van vier priesters (*). (6) Altijd denkend aan Vâsudeva, de Allerhoogste Heer, zag hij, als de ter zake kundige priesters met alle bijkomende riten begonnen met het uitvoeren van de verschillende offers, door de vedische hymnen in die geest bevrijd van lust en woede, al de verschillende halfgoden, zij die de resultaten in ontvangst namen, de toebehoren van de offerplechtigheden en zichzelf als de offeraar, als allen deel uitmakend van de Oorspronkelijke Persoon, die hun Beheerser is, Degene die Handelt en de Oorsprong is; en dat ongeacht wat op de lange duur ook het resultaat zou zijn van dergelijke offers die in naam van de religie werden gebracht aan de Allerhoogste Geest in het voorbije, de Genieter van alle offers die verantwoordelijk is voor de hele goddelijkheid. (7) Zodoende in het zuiverste van de dienstverlening was hij van de zuiverste goedheid jegens de Superziel in het hart van het lichaam, jegens de onpersoonlijke geest van het Brahman en jegens Bhagavân, de Allerhoogste Heer, Vâsudeva, de Allerhoogste Persoon wiens gedaante men herkent aan het S'rîvatsa teken op de borst, het Kaustubha juweel, de bloemenkrans, de werpschijf, de schelphoorn, de knots en andere symbolen. Op het hoogste nivo gekend door Zijn stralende persoonlijke gedaante is Hij, als Hij eenmaal als een onuitwisbaar beeld in het hart van de toegewijde is verschenen, zo machtig dat hij dag na dag de toewijding doet toenemen. (8) Aldus voor de duur van talloze millennia werd de weelde genoten die hij, die ontvangen hebbend van zijn voorvaderen, aan het eind van zijn bestuur overeenkomstig de wetten van Manu, zijn zonen had verzekerd; na persoonlijk de uiteenlopende rijkdommen onder hen verdeeld te hebben, verliet hij die verblijfplaats van het voorouderlijk huis en vertrok hij naar de Pulaha-âs'rama in Hardwar. (9) Het is daar dat zelfs vandaag nog men er zeker van kan zijn dat de Opperheer Hari in die plaats verblijvend, door Zijn bovenzinnelijke genegenheid voor Zijn eigen toegewijden zichtbaar wordt zoals dat wordt verlangd vanuit iemands toewijding. (10) Op die plek worden alle hermitages alom geheiligd door de rivier die de Cakra-nadî wordt genoemd (de Gandakî) waarvan men de concentrische cirkels vind die als een navel kunnen worden waargenomen op en onder [de zwarte ovale kiezelstenen die dienen als voorwerp van toewijding, de zogenaamde S'âlagrâma-s'ilâ's]. (11) Geheel alleen in de velden van dat meditatieoord aanbad hij door offerandes van wortelen, bollen en vruchten met water, twijgen, tulasî-blaadjes en allerhande bloemen, de Allerhoogste Heer en raakte hij bevrijd van alle verlangen naar materieel genot met een gestage toename van de bovenzinnelijke rust en bevrediging die hij verwierf. (12) Door die constante praktijk van dienst aan de Oorspronkelijke Persoonlijkheid van de Allerhoogste Heer, smolt door het gewicht van de zonder ophouden toenemende gehechtheid aan Hem, de slapte weg van zijn hart; door de kracht van de bovenzinnelijke verrukking stonden de haren van zijn lichaam overeind en sprongen van het intense verlangen tranen van liefde in zijn ogen die zijn blik vertroebelden. Aldus op de roodkleurige voeten van de Heer mediterend was er bij de genade van zijn bhakti-yoga, een toename die zich overal verspreidde van de hoogste en diepste spirituele bevlogenheid in het hart, het meer waarin verzonken - alhoewel zijn intelligentie werkte voor de Heer - hij zich niet langer het geregelde dienstbetoon kon herinneren. (13) Op deze manier gezworen aan de Allerhoogste Heer, bracht hij, gekleed in een hertenvel en met zijn massa bruin, krullend en samengeklit haar, nat van het drie maal daags baden, zo prachtig in aanbidding van de godheid van de zon (**), zijn eerbetoon aan de Oorspronkelijke Persoonlijkheid, door bij zonsopkomst zijn respect te betuigen met het reciteren van het volgende: (14) 'Indachtig dit geschapen universum, voorbij de hartstocht, is er daar, de hele wereld verlichtend, de eigen gloed, de genade der goddelijkheid die de verlangens van alle toegewijden vervuld; telkens weer erin binnengaand [als de zon, als de avatâra] waakt Hij over het levend wezen dat hunkert naar materieel plezier - al dit [mijn respect] voor de intelligentie die alles beweegt!'  

 

 

Hoofdstuk 8

 De Wedergeboorte van Bharata Mahârâja

(1) S'rî S'uka zei: 'Toen hij eens een bad had genomen in de grote Gandakî, zijn dagelijkse rituelen had verricht en zijn mantra's had gezongen, ging hij [Bharata] voor enkele minuten aan de oever van de rivier zitten. (2) O Koning, daar zag hij een eenzaam hert dat door dorst naar de rivier was gedreven. (3) Precies op het moment dat het met grote voldoening van het water dronk, rees van heel dichtbij het luide gebrul op van de koning der dieren die alle levende wezens zoveel schrik aanjaagt. (4) Met het horen van dat luide rumoer was de hinde, welke doorlopend schichtig om zich heen keek, zeer bevangen door de verstoring door de leeuw, en van streek met rusteloze ogen zonder dat ze afdoende haar dorst had weten te lessen, nam ze in angst verzet opeens een grote sprong over de rivier. (5) Omdat ze zwanger was, slipte door de angst en het krachtige opspringen, haar baby uit haar baarmoeder en viel het in het stromende water. (6) Door de miskraam van de angst en het springen, viel het zwarte hert, van de kudde gescheiden en geplaagd door uitputting ergens in een spelonk, waardoor het kwam te sterven. (7) Toen hij zag dat dat hertenjong, gescheiden van zijn soortgenoten, hulpeloos wegdreef in de golven, nam de wijze koning Bharata die het als verweesd beschouwde, het als een vriend mee naar zijn ashram. (8) Het als zijn eigen kind aannemend, het iedere dag te eten gevend, het beschermend, opvoedend en koesterend, raakte hij aan dit hertje zeer gehecht. Binnen enkele dagen was daadwerkelijk, met het opgeven van zijn persoonlijke zorg voor zichzelf, zijn plichtplegingen en aanbidding van de Oorspronkelijke Persoon, zijn hele praktijk van onthechting in het ongerede. (9) 'Helaas! [dacht hij bij zichzelf], is door de Heerser die het rad van de tijd beweegt, deze hier verstoken van zijn soort, zijn vrienden en verwanten en heeft het in het vinden van mij als zijn toevlucht, mij alleen als vader, moeder, broeder en soortgenoot behorend bij de kudde. Vanzelfsprekend stelt het, niemand anders hebbend, een groot vertrouwen in mijn persoon als steun en toeverlaat en is het volledig van mij afhankelijk om te kunnen leren en voedsel, liefde en bescherming te vinden; ik behoor niet weg te kijken maar moet inzien wat de fout is van het verwaarlozen van iemand die zijn toevlucht heeft genomen en daarnaar moet ik dan ook handelen. (10) Inderdaad is het zeker van het grootste belang dat de geciviliseerden, zij die van de heiligheid zijn, ook al zijn ze nog zo volkomen in hun verzaking, als vrienden van de hulpelozen de principes zijn toegedaan, zelfs als dat ten koste gaat van hun eigenbelang.'

(11) Zodoende gehecht geraakt zat hij, rustte hij, lag hij, liep hij, baadde hij en dergelijke, met het jonge dier en raakte hij in zijn hart volledig door de genegenheid in beslag genomen. (12) Als hij het bos inging voor bloemen, brandhout, kus'agras, bladeren, vruchten en wortels en water ging halen, nam hij, bedacht op wolven, honden en andere roofdieren, altijd het hertje met zich mee. (13) Onderweg droeg hij, met een geest en een hart vervuld van liefde, het hier en daar op zijn schouders mee, gesteld als hij was op zo'n kleintje, en hield hij, aan dat alles het grootste genoegen belevend, het koesterend op zijn schoot of op zijn borst als hij sliep. (14) Tijdens het gebed, was hij gewoon bij tijden op te staan hoewel hij nog helemaal niet klaar was, alleen maar om te zien hoe het met het hertenjong gesteld was en schonk het hem veel voldoening het al het beste toe te wensen met de woorden: 'O mijn lieve jong, moge er voor jou steeds het beste zijn'. (15) Soms was hij dermate bezorgd dat hij van streek raakte als een zielige, ellendige man die zijn rijkdom kwijt is; met een grote bezorgdheid van hart, aangedaan gescheiden van het hertenjong, bevond hij zich in een toestand waarin hij voortdurend enkel en alleen maar daaraan dacht en was hij er alzo zeker van te belanden in de grootste illusie met het koesteren van gedachten als: (16) 'Och arme! Mijn liefste kleintje, dat weeskind van een hert, moet in hoge nood verkeren; het zal weer naar me terugkeren, geloof in mij stellend als zijnde een volmaakt zachtaardige persoon en als iemand van zijn eigen soort - het zal niet meer aan me denken als zijnde zo'n slechtgemanierde bedrieger, zo'n barbaar met een geest die maar niet wil deugen. (17) Zal ik het weer terugzien, onbekommerd zien rondlopen in mijn ashram en het onder de hoede der goden weer van het gras zien eten? (18) Of zou het arme schepsel een van de vele wolven of honden tegen het lijf zijn gelopen, of een troep zwijnen of een ronddwalende tijger? (19) Helaas, de Allerhoogste Heer van het ganse universum, de vedische drievoud voor de voorspoed van allen, is [in de gedaante van de zon] reeds aan het ondergaan; en nog steeds is de baby die de moeder aan mij heeft toevertrouwd niet teruggekeerd! (20) Zou dat prinselijke hertje van mij werkelijk weerom keren en genoegen schenken aan mij die de oefening der zeden eraan gaf; het was zo schattig om te zien - het te behagen zoals dat zijn soort past, verdreef alle ongeluk! (21) Met me spelend als ik met gesloten ogen voorwendde te mediteren, kwam het steeds boos uit liefde, trillend en schuchter naar me toe om mijn lichaam te beroeren met toppen van hoorntjes zo zacht als waterdruppels. (22) Als ik het verwenste omdat het de dingen op het kus'agras klaargelegd voor het offeren had bevuild, stopte het meteen doodsbenauwd met spelen, precies zoals de zoon van een heilige dat doet, neerzittend in het volledige inperken van zijn zinnen. (23) Och, welke boetedoening van de grootste verzakers op deze planeet ook kan de aarde de weelde schenken van de lieve, kleine, prachtige, en hoogst gunstige, zachte hoefafdrukken van dit zo hoogst ongelukkige schepsel dat lijdt in verdoling! Voor mij wijzen ze me de weg om de weelde tot stand te brengen van haar landen die, van alle kanten door hen opgesierd, zijn omgetoverd in plaatsen van offeren aan de goden en de brahmanen vol van verlangen op het pad naar de hemel! (24) Zou het zo kunnen zijn dat de hoogst machtige maan die de ongelukkigen zo welgezind is, uit mededogen voor de angst van het jong voor het machtige roofdier, nu dit moederloze hertenkind beschermt dat wegdwaalde van haar beschuttende toevlucht? (25) Of mag hij, door zijn stralen, zo vredig en koel, uit liefde, uit zijn mond water sprenkelend zo goed als nectar, mijn hart, die rode lotusbloem waaraan het hertje zich zo had overgegeven, vertroosten, daar het vuur van de gescheidenheid brandt met de vlammen van een bosbrand.'

(26) Op deze manier was hij, wiens hart bedroefd was met een geest die beruste op slecht karma, in de ban van de onmogelijkheid van het hebben van een zoon die er als een hertje uitzag en was hij van zijn yoga-oefeningen, van de boetedoening van de yoga en de toegewijde dienst jegens de Allerhoogste Heer gevallen. Op welke manier kon hij, zo gehecht aan het lichaam van een andere soort, een hertenkalfje, rechtstreeks het levensdoel bereiken met een dergelijke hindernis - hij die voorheen de zoons geboren uit zijn hart had opgegeven, ookal was dat dan moeilijk op te brengen. Door dat obstakel van hem aldus gedwarsboomd in de beoefening van zijn yoga, was koning Bharata, alzo in beslag genomen door het onderhouden, het behagen, beschermen en het koesteren van het babyhertje, zijn eigen ziel aan het verwaarlozen en zag hij dat met rasse schreden het onvermijdelijke van zijn tijd was aangebroken dat zich aandiende als een slang die een muizenholletje binnendringt. (27) Toen hij daarop deze wereld opgaf zag hij inderdaad aan zijn zijde treurend als zijn eigen zoon het hertje waarin zijn geest was verzonken; met zijn lichaam stervend met het hertje erbij aanwezig, verkreeg hij daarna het lichaam van een hert, maar tegen de verwachting zoals dat was met andere geboorten, was de heugenis aan wat voorheen had plaats gevonden met zijn sterven niet verloren gegaan. (28) In die wedergeboorte, als gevolg van zijn toegewijde activiteiten in het verleden, zich voortdurend herinnerend wat de oorzaak was van het gekregen hebben van het lichaam van een hert, zei hij berouwvol: (29) 'Oh wat een ellende! Ik ben van de levenswandel der zelfgerealiseerden gevallen, hoewel ik mijn zoons en thuis had opgegeven, in afzondering leefde in een heilig woud als iemand volmaakt naar de ziel die zijn toevlucht zoekt in de Superziel van alle wezens en hoewel ik voortdurend luisterde naar en nadacht over Hem, de Allerhoogste Heer Vâsudeva, met het zingen, aanbidden en mij heugen verzonken, al mijn uren doorbrengend; mettertijd verandert een geest gefixeerd in een dergelijke praktijk in een geest volledig verankerd in het eeuwige, maar alweer, gevallen in genegenheid voor een hertenjong, ben ik een grote dwaas verre van dat!'

(30) Aldus op deze manier in stilte verkerend voor zichzelf gaf [hij als] het hert ongemotiveerd de moeder op en keerde het van de berg Kâlañjara waar het was geboren, weer terug naar de plaats, naar de ashram van Pulastya en Pulaha in de nederzetting S'âlagrâma, waar hij voorheen de Allerhoogste Heer had aanbeden die de grote heiligen die daar in volledige onthechting leefden zo dierbaar is. (31) Op die plaats, etend van gevallen bladeren en kruiden, wachtte hij zijn tijd af in het eeuwige gezelschap van de Superziel en bestond hij, voortdurend bedacht op een slechte omgang, slechts in overweging van het einde van de oorzaak van zijn hertenlichaam, het lichaam dat hij, badend in het water van die heilige plaats, uiteindelijk opgaf.

 

Hoofdstuk 9

Het Verheven Karakter van Jada Bharata

(1-2) S'rî S'uka zei: 'Nadat hij zijn leven in het lichaam van een hert had opgegeven verkreeg Bharata, de meest verheven toegewijde en hoogst vereerde van alle heilige koningen, zijn laatste lichaam als een brahmaan zo wordt gezegd. Als het mannelijk kind van een tweeling broer en zus werd hij geboren uit de tweede echtgenote van een van de brahmanen van de lijn van de heilige Angirâ die was begiftigd met de kwaliteiten van een volmaakte beheersing over geest en zinnen, die van boetvaardigheid was, vedische studie en recitatie, van verzaking, tevredenheid, tolerantie, zachtgeaardheid, kennis, zonder afgunst was en van spirituele gelukzaligheid in de wijsheid van de ziel; bij zijn eerste vrouw had hij negen zonen die qua scholing, karakter, gedrag, schoonheid en grootmoedigheid gelijk waren aan hem. (3) Zich ook in die geboorte dankzij de speciale genade van de Heer zijn voorgaande levens herinnerend, was hij, er zeer beducht op niet nogmaals ten val te komen in de omgang met zijn dierbaren, altijd bang dat hij zou worden gehinderd op het pad van de toegewijde dienst en hield hij zijn geest dicht bij zijn ziel door altijd te denken aan de twee lotusvoeten van de Allerhoogste Heer, luisterend naar en zich de beschrijvingen heugend van de kwaliteiten die de gebondenheid aan baatzuchtige arbeid overwinnen; maar voor de mensen in zijn omgeving gaf hij blijk van zichzelf als behept zijnde met het karakter van een gek, een dwaas en iemand blind voor de werkelijkheid [reden waarom hij Jada werd genoemd]. (4) Zijn brahmaanse vader die zich voorzeker emotioneel verplicht voelde jegens zijn zoon, meende dat hij, als een vader naar zijn zoon toe, hem erin behoorde te onderrichten, ookal had hij er geen oren naar, dat daadwerkelijk de regulerende beginselen moesten worden nageleefd, zodat hij opnieuw, tot het einde van zijn schooljaren, als iemand van de heilige draad, de plichten van reinheid zou beoefenen van het zuiveringsproces zoals voorgeschreven door de s'âstra's. (5) Maar ook voor zijn vader deed hij alsof hij geen zier kon begrijpen van wat er werd onderwezen. Gedurende de vier maanden van de zomer wenste hij het hem te onderrichten in de vedische mantra's met inbegrip van de Gâyatrî voorafgegaan door Omkâra, maar hij slaagde, ondanks de volle studie ervan, er niet in hem de volledige beheersing ervan bij te brengen. (6) Aldus denkend dat zijn zoon, hoewel hij er niet naar taalde, door hemzelf ten volle zou moeten worden onderwezen in al de reinheid, de vedische studie, geloften, principes, offers en dienst aan de goeroe die hoort bij de celibataire staat [de brahmacarya-âs'rama], was de brahmaan, in dezen zijn zoon beschouwend als zijn ziel en zaligheid, in werkelijkheid zelf zwaar gehecht aan zijn thuis zodat, in de loop van de niet zo vergeetachtige tijd, hij van deze wereld afscheid moest nemen als een man gefrustreerd over de ongeschikte opstandigheid van zijn zoon. (7) Nadien vertrouwde de jongste vrouw, uit wiens baarmoeder de tweeling ter wereld kwamen, de zorg voor hen toe aan de eerste echtgenote en volgde ze haar man naar zijn verblijf in het hiernamaals [Patiloka].

(8) Na de dood van de vader stopten de stiefbroers van Jada Bharata, die er met de drie Veda's goed in waren geslaagd hun weg te vinden met de rituelen en met hun trage geesten er geen idee van hadden hoe hoog hij stond, met de onderneming hun broer te onderrichten. (9-10) Zoals hij door de tweebenige, dier-gelijke materialisten werd aangesproken als zijnde een gek, een sufferd, een doveman en een stomkop, was hij het gewoon ook in die termen zijn antwoorden te geven. Hij deed de dingen die hem met geweld werden opgedragen om te doen. Hij at altijd welke grote of kleine hoeveelheid smakelijk of smakeloos voedsel hij ook kreeg door te bedelen, door verdienste of wat vanzelf tot hem kwam. Hij leefde nooit voor het genoegen van zijn zinnen daar hij voor altijd was gestopt te leven voor de materiële bedoeling. Uit zichzelf had hij de bovenzinnelijke gelukzalige visie verworven als iemand in de kennis van het ware zelf, die met de tweevoudige aangelegenheid van geluk en ongeluk, zomer en winter, wind en regen, zichzelf niet identificeerde met het lichaam. Ferm van leden bedekte hij, sterk als een stier, nooit zijn lichaam. Zich niet wassend was hij smerig van het liggen op de grond en masseerde hij zijn lichaam nimmer. Met zijn lendenen bedekt door een vuile lap en met een van vuil zwarte heilige draad, was hij in zijn spirituele schittering als een verborgen edelsteen. Hij zwierf rond onder de minachting van het onwetende volk dat hem, als brahmaan van geboorte, enkel een vriend van hen noemde ['brahma-bandu']. (11) Daar hij alleen maar omkeek naar arbeid om in ruil voedsel te krijgen van anderen, zetten zelfs zijn stiefbroers hem aan het werk met boerenarbeid in de velden - een karwei waarin hij er geen idee van had van wat zou moeten vereffend of uitgegraven of waar hij de zaken diende op te stapelen. Gewoonlijk enkel gebroken rijst etend, oliekoeken, kaf, door wormen aangevreten graan, of verbrande rijst die aan de pan kleefde, was het niettemin allemaal nectar voor hem.

(12) Daaropvolgend, na een zekere tijd, dook er een roofzuchtig leider van de arbeidersklasse op die uitzag naar een mensenzoon die, niet beter zijnd dan een dier, hij kon gebruiken om een offerplechtigheid te houden voor de godin Bhadra Kâlî. (13) Het soort van beest dat hij had, had kans gezien te ontsnappen en zijn volgelingen die op pad waren het te vinden konden, in het holst van de nacht temidden van de duisternis, het dierlijke type niet te pakken krijgen. Door het lot voorbeschikt stuitten ze op de brahmaanse zoon uit de lijn van Angirâ, die vanaf een hoger gelegen positie de velden bewaakte tegen herten en wilde zwijnen en dergelijke. (14) Toen ze vervolgens ontdekten dat hij er het goede karakter voor had namen ze, met opgetogen en stralende gezichten omdat ze begrepen hadden hoe ze tot het werk van hun meester konden bijdragen, hem stevig met touwen vastgebonden met zich mee naar de tempel van de godin. (15) Toen staken de volgelingen van de schurk, overeenkomstig hun eigen gebruiken hem in nieuwe kleren en wasten ze hem, bedekten ze zijn lichaam met sieraden, smeerden ze hem in met sandelhoutpasta en omhingen ze hem met bloemen zodat hij als een diergelijke persoon, klaar was voor het offer. Onder de klanken van liederen, gebeden, trommels en trompetten, gaven ze hem een plaats voor de godin Kâlî, volledig uitgedost en naar behoren gevoed, met wierook, lampen, bloemenslingers, geweekte granen, twijgen en jong groen, vruchten en andere artikelen voor de eredienst. (16) Daarop hief de priester van die leider van het boeventuig, zich in voorbereiding op het offeren van een stroom bloed van de diermens voor de godheid Bhadra Kâlî, een schrikwekkend vlijmscherp zwaard, dat hij heiligde met de daarvoor bestemde mantra's. (17) Door een hartstochtelijke en onwetende aard werden deze verwerpelijke types, die het materialistisch verbijsterd mis hadden, voortgedreven door geesten vol van verbeelding, zodat, in het op hun eigen manier bewandelen van een foute weg, de gemeenschap der helden van de Opperheer, de brahmanen, geminacht werd. Tewerkgaand met een voorkeur voor geweld jegens anderen traden ze allerwreedst rechtstreeks op tegen iemand van een brahmaanse geboorte, een zoon van spirituele wijsheid die geen vijanden had en die een ieder het beste wenste. Op het laatste moment echter brak zowaar de godin Bhadra Kâlî, die zag wat tegen de wil van God en in strijd met de wet stond te gebeuren, uit het beeld tevoorschijn met een vurige fysieke verschijning van een bovenmatig helle, onverdraaglijke, spirituele gloed. (18) Kwaad geworden vertoonde ze in totale weerzin haar kenmerken van geheven wenkbrauwen, een vreselijk gebit, bloeddoorlopen ogen, een opgewonden beangstigend gezicht alsof ze het hele universum wilde vernietigen en een afgrijselijke lach. Door haar grote woede vrijgekomen, sloeg ze, van het altaar afkomend, met hetzelfde staal als ze wilden gebruiken de hoofden van al de zondige overtreders eraf en dronk ze samen met haar metgezellen, het bloed dat uit de nekken stroomde als een zeer hete bedwelmende drank. Onder de invloed van al het bedwelmende drinken zette ze het met haar volgelingen luidkeels op een zingen en dansen, en wierpen ze voor de lol de hoofden naar elkaar.

(19) Als men op deze manier daadwerkelijk in afgunst met de groten te ver is gegaan, zal men bijkomstig voor zichzelf dit als resultaat oogsten. (20) Oh, Vishnudatta ['beschermd door Vishnu'; Parîkchit], dit is geen groot wonder voor hen die niet verbijsterd zijn, die zonder vijandschap en van goedheid voor allen, door de Allerhoogste Heer der onoverwinnelijke tijd, die de beste van alle wapenen met zich voert [de Sudars'ana schijf], rechtstreeks volledig zijn vrijgemaakt van de zeer sterke en vaste knoop in het hart van een lichamelijk levensbegrip. Zelfs al zijn ze bedreigd met onthoofding, hebben die verloste zielen en toegewijden die van een volledige overgave zijn en die zijn beschermd door Zijn lotusvoeten, niets te vrezen en zijn ze nimmer van slag door dit soort van stemmingen van de Goddelijkheid.

 

   

Hoofdstuk 10

Jada Bharata ontmoet Mahârâja Rahûgana

(1) S'rî S'uka zei: 'Zo viel het voor dat Rahûgana ['hij die helderder straalt dan de zon'], de heerser van Sindhu en Sauvîra, toen hij op pad was, aan de oever van de rivier de Ikshumatî een andere drager voor zijn draagstoel nodig had en hun aanvoerder er op uit stuurde om te zoeken naar een geschikte persoon. Zijn zoektocht leidde bij toeval naar de tweemaal geboren zoon Jada Bharata die, omdat hij zo'n stoere jongeman leek die ferm van leden zo sterk als een ezel was, hij uitkoos, hem in staat achtend de last te dragen. Hoewel hij niet geschikt was voor het karwei, droeg hij, de grote ziel, de draagstoel, er toe gedwongen zoals de gewoonte was. (2) Toen hij hiermee bezig was liep de tweemaal geboren zoon, voortdurend drie stappen voor zich uit kijkend [om niet op mieren te trappen], steeds uit de pas met de anderen en schudde daardoor de draagstoel heen en weer. Rahûgana, die dit in de gaten kreeg zei tot de mannen die hem droegen: 'O dragers, loop alsjeblieft in de pas! Waarom wordt deze draagstoel zo ongelijkmatig gedragen?'

(3) Zij, die hun meester zo berispend hoorden spreken, stelden hem angstvallig ervan op de hoogte dat dat te wijten was aan de vierde drager: (4) 'O, het is niet, o God der Mensen, dat wij, altijd trouw aan uw orders, het laten afweten. We doen welzeker wat we maar kunnen, maar het is deze nieuwe man die recentelijk is aangetrokken om met ons te werken met wie wij niet in staat zijn om ons werk als dragers te doen; hij is nogal langzaam namelijk!'

(5) Hoewel hij er door die ontboezemingen zeker van was dat het inderdaad zo ver was gekomen als gevolg van een fout van één van hen, gaf koning Rahûgana, de angstige woorden van zijn dienaren horend, in weerwil van zijn politieke ervaring, vanuit zijn kshatriya-aard enigermate toe aan het geweld der woede. Tot hem wiens spirituele gloed, als een vedisch vuur overdekt door as, niet duidelijk kon worden onderscheiden, zei hij met een geest vol hartstocht: (6) 'Wat een moeite is het helaas mijn broeder! Zo helemaal alleen op zo'n lange reis ben je zeker heel moe geworden. Noch is je gewillige, stevige lichaam erg sterk; je hebt zeker zelf last van de ouderdom mijn vriend! En natuurlijk zijn deze andere medewerkers van geen enkel nut voor je'.

Aldus oefende hij sarcastisch hevige kritiek op hem uit, maar geen valse overtuiging van 'ik' en 'mijn' kwam bij hem op die in stilte als voorheen doorging met het dragen van de draagstoel; als iemand op het spirituele vlak was hij van die bijzondere instelling wat betreft fysieke zaken als het hebben van een bepaald zichzelf besturend lichaam dat is voortgekomen uit een mix van de kwaliteiten en de werklast van de onwetende materie. (7) Daaropvolgend wederom door elkaar geschud door het ongelijkmatig dragen van zijn draagstoel zei Rahûgana zeer kwaad wordend: 'O dwaas, wat is dit voor een onzin! Jij, levend lijk, negeert gewoon mijn berispingen ze in de wind slaand! Ben je je verstand kwijt? Zoals Yamarâja met het gewone volk, zal ik je eens een lesje leren zodat je erachter komt wat je plaats is in dezen!'

(8) Hoewel hij zo'n lading onzin over zich uitgestort kreeg door hem die, uit hartstocht en onwetendheid berispend, dacht dat hij kon heersen als een god der mensen, een meest geliefd voorvechter van de Heer en een wijze geleerde, glimlachte de zelfgerealiseerde brahmaan flauwtjes die, met een houding van een meester in de yoga, de vriend van alle levende wezens was, alsof een last van hem afviel en sprak hij als volgt tot de niet zo wijze heerser. (9) De brahmaan zei: 'Wat u zo duidelijk stelde is innerlijk niet strijdig als ik mijn zou kunnen zeggen tegen dat lichaam, o grote held, en tegen die drager van de last; als het dat zou zijn wat men sterk en onversaagd moet verwerven op het pad, dan moet ik u zeggen dat dat, voor de persoon van zelfverwerkelijking die zich bevindt in het lichaam, geen onderwerp van discussie is. (10) Sterk en stoer zijn, mager en zwak, pijn ondervinden met het fysieke of de geest, hongerig, dorstig, van de angst, van mening verschillend, verlangend, van hoge leeftijd en zinnelijk gemotiveerd; van het kwade, de valsheid, de illusie en het weeklagen zijn, zijn in dit lichaam zaken van hem die geboren is, maar voor wat ik ben vormen ze zeker niet de realiteit. (11) Een levende ziel te zijn gebonden aan de dood [een 'levend lijk' te zijn] is iets dat is geregeld door de natuur o Koning, alles heeft een begin en een eind; maar, hoog vereerde, als men het onveranderlijke ziet in de dingen die voorbijgaan - waarvan we spreken van meesters en dienaren - dan zegt men dat men van het juiste handelen in de yoga is. (12) Onderscheid maken naar de persoon getuigt van een vernauwde blik en, behalve dan voor wat gebruikelijk is, zie ik niet in van wat voor nut het verder zou zijn; wie is die meester en wie is hij die moet worden overheerst? Desalniettemin, o Koning, wat kan ik voor u betekenen? (13) Van zoals ik mezelf ben, o Koning, leidde u af dat ik een chaotisch, gek stuk onbenul zou zijn; wat zou het dan voor nut hebben door u te worden bestraft; hoe kan men een waanzinnige, stupide persoon iets bijbrengen - het is alsof je meel probeert te malen!'

(14) S'rî S'uka zei: 'Consequent zo op ieder woord dat was gevallen ingaand, hield de grote wijze kalm en vredig het voor gezien - wat betreft de zaak van dingen die vreemd zijn aan de ziel aanvaarde hij alles wat zich voordeed als een gevolg van wat hij voorheen genoten had, en zo ging hij, teneinde zijn verworven karma tot een goed einde te brengen, weer verder met het dragen van de draagstoel van de koning zoals hij dat gedaan had. (15) O beste van de Pându-dynastie, hij, de heerser van Sindhu en Sauvîra, was in feite eveneens van een groot geloof aangaande de controlekwestie in relatie tot de Absolute Waarheid; aldus ter zake kundig zijnde vernemend wat de tweemaal geborene zei over dat wat de valsheid uitroeit in het hart en wat de goedkeuring wegdraagt van alles van de yoga en de cultuur eromheen, kwam hij haastig naar beneden en viel hij met zijn hoofd naar voren plat ter aarde voor de lotusvoeten om zich te excuseren voor zijn overtreding. Het zo opgevend met zijn valse claim de te respecteren koning te zijn zei hij: (16) 'Wie van al de tweemaal geborenen bent u, zich verholen rondbewegend in deze wereld? Ik zie dat u een heilige draad draagt. Van welke verzaker van de wereld bent u de discipel? Vanwaar en met welke bedoeling bent u hier gekomen? Bent u, als iemand van de zuivere goedheid, hier voor ons heil of niet misschien? (17) Ik ben niet bang voor Indra's bliksemschicht noch vrees ik S'iva's drietand of de straf van Yamarâja, noch schuw ik de hitte van de zonnestralen, de maan, de wind of de wapens van Kuvera; waar ik het meest beducht voor ben is in overtreding te verkeren met de klasse der brahmanen. (18) Derhalve, als een volledig onthecht persoon die de macht der wijsheid verhult, als iemand die zich rondbeweegt terwijl hij in het voorbije verblijft, spreek tot ons, daar niemand van ons, o heilige, in staat is ook maar in enige mate te bevatten wat de woorden vol van yogabetekenis inhouden die u te berde bracht. (19) Daartoe waag ik het u zowaar te vragen, meester van de yoga, o allerbeste leraar der heilige geleerden van de werkelijkheid van de ziel, wat in deze wereld de beste bezigheid is, de veiligste toevlucht, o rechtstreekse incarnatie van de Heer der geestelijke kennis [zie Kapila: 3.25]. (20) Als zijnde Hem in eigen persoon trekt uwe goedheid rond over deze aardkloot, u bekommerend om de motieven van de mensen alhier en dat zonder uw ware identiteit te tonen; mag ik weten hoe wij, die gebonden aan familiezaken de intelligentie moeten missen, niettemin zich kunnen richten op de eindbestemming van de meesters in de yoga? (21) Men kent de vermoeidheid als men op een bepaalde manier in relatie tot de ziel tewerk gaat, zoals de manier waarop u zich beweegt met het dragen van de draagstoel; ik veronderstel dat, in navolging van het respect voor de uiterlijkheid, het evenzo goed een bewijs is van iets dat materieel niet bestaat, als het hebben van iets dat water kan bevatten als er helemaal geen water is. (22) Vanwege de hitte onder een kookpan, wordt de melk erin gedaan heet en vanwege de verhitte melk wordt de harde kern van de rijst erin gekookt; zo ook is er van het gebonden zijn aan de zintuigen de ervaring van vermoeidheid en dergelijke door de ziel die zich moet schikken naar de materie. (23) De bestuurder die goed is voor zijn onderdanen is, als een menselijk heerser over de burgerij, iemand die daadwerkelijk opdrachten ten uitvoer brengt; niet vermalend wat reeds vermalen is, is men in de plichtsvervulling van zijn eigen beroep van aanbidding voor de Onfeilbare, voor wie men handelend, verlost wordt van allerlei vormen van zonde. (24) Wees derhalve vanuit uw goede zelf waarachtig in boete, jegens mij, deze gek geworden en trotse god der mensen, zo goed uw grondeloze genade te tonen als een vriend, een vriend van mensen in nood, zodat ik bevrijding kan vinden van de zonde van het in minachting verkeren met een zo grote persoonlijkheid als u. (25) U, vriend van de Vriend van Allen, bent, als iemand ver van het lichamelijk begrip van het leven, niet uit evenwicht gebracht; maar zelfs als men zo machtig is als Heer S'iva [S'ûlapâni], zal een persoon als ik, met mijn praktijk van hooghartigheid in relatie tot de groten, zeker spoedig zijn vernietiging vinden.'

 

Hoofdstuk 11

Jada Bharata Onderricht Koning Rahûgana

(1) De brahmaan [Jada Bharata] zei: 'Door een gebrek aan ervaring spreekt u niet over het belangrijkste gebruikmakend van de termen van hen die de ervaring hebben; deze zaken van werelds en sociaal gedrag behoort men in feite te bespreken met de intelligenten die wèl behept zijn met zo'n verfijnde zin voor de waarheid. (2) Om deze reden, o Koning, wordt inderdaad onder hen, die met name met de Veda's [veda-vâdî] belangstellen in de eindeloos toenemende zorg voor de rituelen van een materiële huishouding, zo goed als nooit de eigenlijke spirituele wetenschap [tattva-vâda] gevonden die zichzelf zo duidelijk openbaart bij hen die gevorderd zijn in de zuiverheid. (3) Hoewel afdoende bekend met de woorden, is de zeer verheven kijk op de ware bedoeling van de Veda niet direct de hunne, daar het geluk van een werelds leven te vergelijken is met een droom waarvan men zich vanzelf later pas realiseert dat die onwerkelijk is. (4) Zolang als iemands geest onder de controle staat van de geaardheid hartstocht, goedheid of duisternis, zijn handelingen, gunstig of anderszins, op het gezag van de zinnen van waarnemen en handelen, automatisch het gevolg, net als bij een olifant die zich vrij mag rondbewegen. (5) Die geest begaan met zo vele verlangens is, voortgedreven door de geaardheden der natuur, gehecht aan materieel geluk; als de belangrijkste van de zestien elementen eigen aan een materieel bestaan [de fysieke, de handelende en de waarnemende plus de geest] doolt de geest, vervreemd, rond in benamingen [in upâdhi's - voorstellingen] en doet hij zich in verschillende gedaanten voor in lichamen van een hogere en lagere kwaliteit [vergelijk B.G. 3: 27]. (6) Met het geluk, het ongeluk en de ernstige onmatigheid die in de loop van de tijd als resultaat werd verworven, creëert de inwonende geest, waarmee het eigenlijke levende wezen de geschapen natuur omarmt, zich het vicieuze van materiële handelingen en terugslagen. (7) Om die reden spreken de geleerden van het denken als zijnde de oorzaak van het, in hogere dan wel lagere toestanden, opgaan in de materiële geaardheden waarbij men dan de kwaliteiten ontbeert, en daarvan vormen de voor die tijd gemanifesteerde uiterlijke kenmerken