Zie voor de online versie met illustraties, muziek en links naar de voorgaande vertaling : http://bhagavata.org/index.ned.html
S'RÎMAD BHÂGAVATAM
"Het verhaal van de fortuinlijke"
CANTO 9:
Bevrijding
Hoofdstuk 1 Koning Sudyumna Wordt een Vrouw
Hoofdstuk 2 De Dynastieën van Zes van de Zoons van Manu
Hoofdstuk 3 Het Huwelijk van S'ukanyâ en Cyavana Muni
Hoofdstuk 4 Ambarîsha Mahârâja Aangevallen door Durvâsâ Muni
Hoofdstuk 5 Durvâsâ Gered: de Cakra-gebeden van Ambarîsha
Hoofdstuk 6 De Val van Saubhari Muni
Hoofdstuk 7 De Nazaten van Koning Mândhâtâ
Hoofdstuk 8 De Zonen van Sagara Ontmoeten Heer Kapiladeva
Hoofdstuk 9 De Dynastie van Ams'umân
Hoofdstuk 10 Het Spel en Vermaak van Heer Râmacandra
Hoofdstuk 11 Heer Râmacandra Regeert de Wereld
Hoofdstuk 12 De Dynastie van Kus'a, de Zoon van Heer Râmacandra
Hoofdstuk 13 Het Verhaal van Nimi en de Dynastie van zijn Zoon Mithila.
Hoofdstuk 14 Koning Purûravâ in de Ban van Urvas'î
Hoofdstuk 15 Paras'urâma, de Heer als Krijgsheer
Hoofdstuk 16 Hoe Heer Paras'urâma er Toe Kwam de Heersende Klasse Eenentwintig Keer te Vernietigen
Hoofdstuk 17 De Dynastieën van de Zoons van Purûravâ
Hoofdstuk 18 Koning Yayâti Herkrijgt zijn Jeugd
Hoofdstuk 19 Koning Yayâti Bereikt de Bevrijding: de Geiten van de Wellust
Hoofdstuk 20 De Dynastie van Pûru tot aan Bharata
Hoofdstuk 21 De Dynastie van Bharata: het Verhaal van Rantideva
Hoofdstuk 22 De Nakomelingen van Ajamîdha: de Pândava's en Kaurava's
Hoofdstuk 23 De Dynastieën van de Zoons van Yayâti: het Verschijnen van Heer Krishna
Hoofdstuk 24 De Yadu en Vrishni Dynastieën, Prithâ en de Glorie van Heer Krishna
Dit boek verhaalt de geschiedenis van de Heer en Zijn incarnaties sedert de vroegste verslagen van de vedische geschiedenis. Het is waarachtig de Krishna-Bijbel van het Hindoe-universum. De Bhagavad Gîtâ is daarbij vergeleken als de Bergrede van Heer Jezus in verhouding tot de volledige bijbel. Het heeft 18.000 verzen en bestaat uit twaalf boeken, z.g. Canto's. Deze boeken vertellen het volledige verhaal van de vedische kultuur met de essentie van al haar klassieke verhalen genaamd purâna's en bevat de room van de vedische kennis verzameld uit de literatuur zowel als het verhaal van het leven van Heer Krishna in zijn geheel (10e Canto). Het vertelt over Zijn geboorte, Zijn jeugd, al Zijn wonderbaarlijke bewijzen van Zijn Goddelijke aard en de bovenmenselijke prestaties van het verslaan van allerlei demonen tot aan de grote Mahâbhârat oorlog te Kurukshetra toe. Het is een schitterend verhaal dat naar het Westen is gebracht door Swami Bhaktivedânta Prabhupâda, een Caitanya-vaishnava, een (devotionele) bhakti-monnik van Heer Vishnu [de naam voor de bovenzinnelijke gedaante van Heer Krishna] die de gedurfde taak op zich nam om de materialistische westerlingen zowel als de gevorderde filosofen en theologen te verlichten, teneinde ze te helpen de gevaren en de eenzaamheid van het impersonalisme en de filosofie van de leegte te overwinnen.
Voor de vertaling heeft de auteur van deze internet-versie gebruik gemaakt van de vertaling van Swami Prabhupâda. Als âcârya [goeroe onderwijzend door het voorbeeld te geven] uit de eeuwenoude indiase vaishnava-traditie vertegenwoordigt hij de reformatie van de toewijding tot God zoals die vanaf de zestiende eeuw in India werd gepraktiseerd. Deze reformatie houdt staande dat het valse gezag van het kastenstelsel en enkel droge boekengeleerdheid moet worden afgewezen. Heer Krishna-Caitanya, de avatâra [een nederdaling van de Heer] die deze reformatie inluidde, herstelde de oorspronkelijke bedoeling van het ontwikkelen van de toewijding tot God en ijverde m.n. voor de heilige schrift waarin deze toewijding in relatie tot Krishna als de Hoogste Persoonlijkheid van God wordt uiteengezet. Dit geschrift is deze bhâgavata purâna waar al de vaishnava-leraren van het voorbeeld [âcârya's] hun wijsheid voor het onderricht uit putten en hun toewijding gestalte mee geven. De woord-voor-woord-vertalingen zowel als de volledige tekst en commentaren op dit boek werden zowel binnen als buiten de Hare Krishna tempels in zowel Amerika als Europa bestudeerd. De bedoeling van de vertaling is op de eerste plaats deze glorieuze tekst voor een breder publiek via het internet bereikbaar te maken. Aangezien de Bijbel, de Koran en tal van andere heilige teksten vrij beschikbaar zijn, meende de auteur dat dit boek niet achter kon blijven op de planken van zijn eigen boekenkast als een bewijs van materiële bezitsdrang. Kennis niet gedeeld is verloren kennis en zeker dit soort kennis welke de nadruk legt op de yoga van toewijding, die vrij zijn van bezitsdrang als een van haar hoofdwaarden heeft, kon niet achter blijven. De versie van Swami Prabhupâda is zeer uitgebreid en beslaat zo'n 2400 pagina's in dundruk van tekst met commentaren. En dat waren alleen nog maar de eerste tien Canto's. De resterende twee werden posthuum uitgegeven door zijn leerlingen in de volheid van zijn geest. Zo stond de auteur voor twee uitdagingen: de ene was een leesbaar lopend verhaal te maken van het boek dat was ontleed tot op het woord en ten tweede het in een taal te zetten die gepast zou zijn voor de 21-e eeuw met al haar moderne en postmoderne ervaring en digitale vooruitgang in de wereldorde, zonder ook maar iets van de oorspronkelijke verzen te verliezen. Aldus kwam een andere vers tot vers zoals-het-is vertaling tot stand waarin Prabhupâda's woorden werden hertaald en gezet naar het begrip en de realisatie die ikzelf had verworven. Deze realisatie kwam rechtstreeks van de geestelijke erfopvolging van de Vaishnava lijn van âcârya's (leraren) zowel als van het totale bereik van de indiase filosofie der verlichting en yoga-discipline zoals naar het Westen gebracht door niet-vaishnava guru's en gehandhaafd door hun leerlingen. Derhalve moet de auteur zijn dank betuigen aan al deze grote helden die het aandurfden om de koppigheid van de westerse filosofie met al haar twijfels, concretisme en skepticisme het hoofd te bieden. In het bijzonder moeten de leerlingen van Prabhupâda, een lid van de wereldverzakende orde (sannyâsî's) worden genoemd die de auteur instrueerde in de onafhankelijkheid en volwassenheid van de filosofie van de bhakti-yogi 's van Heer Caitanya. De auteur was in India reeds ingewijd door een non-vaishnava guru en had de naam van Swami Anand Aadhar meegekregen ('leraar van de grondvesting der gelukzaligheid'). Die naam werd door de Krishna gemeenschap veranderd in Anand Aadhar Prabhu (meester van de grondvesting van het geluk) zonder verdere ceremoniën van Vaishnava initiatie (op een basistraining na). Anand Aadhar is een teruggetrokken toegewijde, een zogeheten vânaprashta, die in de stilte en bescheidenheid van zijn eigen lokale aanpassingen van de filosofie en discipline zijn toegewijde dienst doet.
De spelling van Sanskriet namen is hier en daar aangepast aan de afwezigheid van Sanskriet leestekens zodat b.v. waar normaal een plat streepje boven de letters staat een ^ accent is geplaatst. Het betekent dat men op die plaats twee letters moet lezen i.p.v. één, ofwel dat men op die letter moet rusten bij het uitspreken. Ook de naam Krsna werd zo geschreven als Krishna en rsi (= wijze) als rishi. Doorgaans is de woord voor woord vertaling aangehouden zoals gegeven in de vertalingen van Prabhupâda, zij het dat hier en daar sommige woorden vanwege hun meervoudige betekenis tot iets andere vertalingen hebben geleid. B.v. het woord loka betekent zowel plaats als planeet als leefwereld. Tussen vierkante haakjes [ ] wordt soms in een kleine toelichting voorzien en extra informatie gegeven om het de lezer naar de zin te maken als de oorspronkelijke tekst put uit een meer ervaren benadering. De oorspronkelijke vertaling van Prabhupâda is bij ieder vers opgelinkt zodat men kan nagaan wat de auteur heeft gedaan. Dit beantwoordt aan de wetenschappelijke traditie van de Vaishnava-gemeenschap. Deze teksten, alsook de meeste afbeeldingen, zijn copyright-materiaal en eigendom van de ISCKON-Krishna gemeenschap en mogen alleen gebruikt worden als een fragment en niet gepubliceerd worden door niet-leden zonder toestemming (BBT). Voor het tiende Canto zijn een meer vers-getrouwe nederlandse vertaling van een oud-leerling (S'rî Hayesvar das) van Prabhupâda en een versie van Prabhupâda's godsbroeders/leerlingen gebruikt [m.i.v. hun woord voor woord vertalingen] naast de vertaling van Prabhupâda, daar voor dit deel [maar niet voor het elfde canto] de woord voor woord vertalingen waren weggelaten en vervangen door een meer uitgebreide tekst-omschrijving. Het twaalfde canto werd opgesteld in referentie aan het werk van enkel de ISKCON leerlingen van Prabhupâda die zijn werk afmaakten. Verder werd gedurende het gehele concatenatieproces van deze versie de z.g. Shastri-versie van het Bhâgavatam (van de Gîtâ Press, Gorakpur), zoals die gebruikt wordt door de gewone Hindu in India zelf, ter vergelijking en als tweede opinie geraadpleegd.
Voor copyright-zaken wat betreft de gebruikte afbeeldingen en de teksten van Prabhupâda en verdere commentaren en de woord voor woord vertalingen zelf van Swami Prabhupâda zal men de Bhaktivedanta Booktrust en andere Vaishnava-sites en Hare Krishna sites en/of de gedrukte boeken van Prabhupâda zelf moeten raadplegen. Voor de copyrights op deze vertaling zal men te rade moeten gaan bij ondergetekende. Het is toegestaan deze teksen voor privé- en niet-commercieel gebruik down te loaden en uit te printen. Voor alle andere gebruik zal men contact moeten opnemen (voor links zie onze linkpagina)
Met liefde en toewijding, Anand Aadhar Prabhu, Enschede, 05-28-2000.
Koning Sudyumna Wordt een Vrouw
(1) De koning zei: 'Ik heb geluisterd naar uw beschrijvingen over al de tijdperken van de Manu's en al de wonderbaarlijke handelingen die de Heer der Eeuwige Heldhaftigheid tentoonspreidde in die perioden. (2-3) Hij die bekend stond onder de naam Satyavrata, de wijze koning en heerser over Dravidades'a, ontving aan het einde van de voorgaande dag van Brahmâ de geestelijke kennis door de Oorspronkelijke Persoon van dienst te zijn [de purusha]. Van u hoorde ik hoe hij daadwerkelijk als een zoon van Vivasvân [de zonnegod] aldus de Manu werd. U hebt gesproken over zijn vele zoons, de koningen aangevoerd door Ikshvâku [8.13: 1]. (4) O brahmaan, beschrijf alstublieft ieder van de dynastieën van die koningen en wat hen kenmerkte, o hoogst fortuinlijke, daar zij staan voor het eeuwige van onze dienst aan u. (5) Alstublieft vertel ons over de wederwaardigheden van al die vrome en gevierde zielen die hebben geleefd, die in de toekomst er zullen zijn en waar we in het heden mee leven.'
(6) S'rî Sûta zei: "Aldus in de bijeenkomst van al de volgelingen van het brahmaanse ertoe verzocht door Parîkchit gaf de meest geleerde in het dharma, de machtige S'uka een antwoord. (7) S'rî S'uka zei: 'Verneem nu van mij over de dynastie van Manu, o onderwerper der vijanden, zover als mogelijk besproken, omdat men er in nog geen honderd jaar mee klaar zou zijn dat uitvoerig te doen. (8) Toen de Superziel die de Oorspronkelijke Transcendentale Persoon is van alle hogere en lagere levensvormen zich aan het einde van de kalpa bevond, was er buiten Hem niets van dit universum of wat dan ook te bekennen. (9) Uit Zijn navel kwam een lotus voort en op die lotus, o Koning, was er de uit zichzelf geborene met zijn vier hoofden [zie ook 3.8]. (10) Marîci nam geboorte uit Brahmâ's geest en van hem was er Kâs'yapa die daarna in de dochter van Daksha, Aditi, Visvasvân verwekte als zijn zoon [zie ook 6.6: 38-39]. (11-12) Van hem verscheen in Samjñâ, Manu S'râddhadeva en in zijn vrouw S'râddha verwekte hij vanuit zijn zelfbeheersing tien zoons die van hem de namen Ikshvâku, Nriga, S'aryâti, Dishtha, Dhrishtha, Karûshaka, Narishyanta en Prishadhra, en Nâbhaga en Kavi de machtige kregen. (13) Aanvankelijk had hij, de Manu, geen zoon maar de grote persoonlijkheid, de machtige Vasishthha, bracht voor de halfgoden Mitra en Varuna een offer dat voor een zoon zou zorgen. (14) Maar S'râddha, Manu's echtgenote, die zoals staat voorgeschreven met eerbetuigingen en het zich houden aan een payo vrata [gelofte van enkel drinken, zie 8.16] naar voren trad, smeekte de dienstdoende priester om een dochter. (15) Aldus verzocht voerde de ritvik de ceremonie uit, met grote aandacht met de ghee aan de slag om een begin te maken met de offerande waarbij de brahmaan de mantra 'vashat' ['voor het Levend Wezen'] opzei.
(16) Met die overtreding van de dienstdoende priester werd een dochter geboren genaamd Ilâ ['de uitgieting'] en Manu toen hij haar zag, zei toen misnoegd tot zijn goeroe: (17) 'O mijn heer, wat is dit nou, als gevolg van wat jullie volgelingen van Brahmâ hebben gedaan, is er helaas dit tegenovergestelde resultaat dat pijnlijk afwijkt van wat er naar de mantra's die werden gebruikt was te verwachten; dit had nooit mogen gebeuren! (18) Hoe kon, van de associatie der wijzen en geleerden, van u allen zo bewust van de Absolute Waarheid en zo zelfbeheerst in boetvaardigheid, met alle onzuiverheden weggebrand, er een dergelijke ongerijmdheid, zo een valsheid, zijn met wat het plan was?'
(19) Toen hij hem dat hoorde zeggen, de meest machtige, de Manu, sprak, met begrip voor de vergissing begaan door de dienstdoende priester, hun overgrootvader Vasishthha tot de zoon van de zonnegod. (20) 'Ondanks dit afwijkend resultaat als gevolg van wat uw priester verkeerd heeft gedaan, ben ik ertoe in staat u te verzekeren van een fraaie zoon!'
(21) Aldus besloten, o Koning, droeg de beroemde, machtige meester Vasishthha gebeden op aan de Oorspronkelijke Persoon om bij Ilâ een keer tot de mannelijkheid te bewerkstelligen. (22) Door hem behaagd verleende de Allerhoogste Beheerser Hari de verlangde gunst zodat Ilâ veranderde in een mooie man genaamd Sudyumna. (23-24) Toen Sudyumna eens op jacht was in het woud, o Koning, begeleid door een gezelschap van getrouwen en rijdend op een paard uit Sindhupradesha, ging hij noordwaarts achter de dieren aan, ter gelegenheid waarvan hij als een held was uitgerust met zijn boog en pijlen en een opvallend mooi kuras. (25) Aan de voet van de berg Meru betrad hij het Sukumâra bos alwaar de machtige Heer S'iva geniet met zijn vrouw Umâ. (26) Daar binnengegaan zag Sudyumna, de held die allen de baas was, zichzelf inderdaad in een vrouw veranderen en zijn paard in een merrie, o heerser der mensen [zie ook 5.17: 15]. (27) Zo geschiedde het dat hij met al zijn metgezellen in het andere geslacht veranderde en toen ze elkaar op die manier aanschouwden raakten ze diep in de put.'
(28) De achtenswaardige koning [Parîkchit] zei: 'Hoe kan dat gebied een dergelijke kwaliteit bezitten of om welke reden, o machtige, vond dat plaats, hierover zou ik u graag willen zien uitwijden.'
(29) S'rî S'uka antwoordde: 'Ooit kwamen daar in dat bos de grote heiligen op bezoek bij de Heer van de Berg, S'iva; als de besten in de eed hadden ze alle duisternis overwonnen van welke kant ook en zo kwamen ze daar dan aan. (30) Ambikâ [Durgâ] die naakt op de schoot van haar man zat schaamde zich diep toen ze hen zag en snel stond ze op om haar borsten te bedekken. (31) De heiligen die zagen hoe de twee daar van de sex genoten zagen van hun voornemens af en verlieten onmiddellijk die plek om naar de âs'rama van Nara-Nârâyana te gaan. (32) Om die reden zei de machtige heer voor het genoegen van zijn lieveling: 'Een ieder die deze plaats betreedt zal bijgevolg ter plekke in een vrouw veranderen!' (33) Sedertdien betraden met name mannen dat bos niet meer in de buurt waarvan zij [Sudyumna] in het gezelschap van haar metgezellen gedoemd was rond te zwerven. (34) Met haar, de meest opwindende vrouw, op deze manier omringd door andere vrouwen rondhangend in de buurt van zijn âs'rama, begeerde de machtige Budha [de zoon van de maan en de godheid van Mercurius] het haar te genieten. (35) Zij verlangde er ook naar om hem, de mooie zoon van de koning van de maan, als echtgenoot te hebben en zodoende bracht ze van hem een zoon ter wereld genaamd Purûravâ. (36) Op deze manier het tot de vrouwelijkheid hebben gebracht herinnerde Sudyumna, als een koning geboren uit Manu, zich Vasishthha, de geestelijk leraar van de familie, zo heb ik vernomen. (37) Toen die hem in die toestand zag was hij zeer bedroefd en de mannelijkheid verlangend begon hij vanuit zijn genade tot Heer S'ankara [S'iva] te bidden. (38-39) Tevreden met hem, o wetsdienaar, zei hij om zijn woord gestand te doen en om de wijze zijn liefde te tonen: 'Deze discipel van uw lijn zal iedere andere maand een vrouw zijn en met deze regeling mag Sudyumna dan naar wens de wereld regeren.' (40) Met dit ingesteld verkreeg hij door de genade van de âcârya de begeerde mannelijkheid en heerste hij over de wereld, hoewel de burgerij er niet helemaal gelukkig mee was. (41) Van Sudyumna waren er drie zoons die luisterden naar de namen Utkala, Gaya en Vimala, o Koning; zij werden de koningen van de zuidelijke gebieden en waren zeer religieus. (42) Daarna, toen het er de tijd voor was, droeg de meester van het koninkrijk die zo machtig was de wereld over aan zijn zoon Purûravâ en vertrok hij naar het woud.
De Dynastieën van Zes van de Zoons van Manu
(1) S'rî S'uka zei: 'Nadat Sudyumna, de zoon, aldus zijn lot had aanvaard, volbracht Vaivasvata Manu, in zijn verlangen zoons te krijgen, voor een honderdtal jaren verzakingen aan de Yamunâ. (2) Nadat Manu van eerbetoon was geweest jegens de Godheid, Heer Hari, met de bedoeling nageslacht te verwekken, kreeg hij tien zoons gelijk aan hem van wie de oudste de naam Ikshvâku droeg [zie ook 8.13: 2-3]. (3) Onder de zonen van Manu kreeg Prishadhra van zijn goeroe de opdracht koeien te hoeden en terwille van hun bescherming 's nachts had hij de vîrâsana gelofte afgelegd om ze in het veld te beschermen [zie ook 4.6: 38]. (4) Op een nacht terwijl het regende, drong een tijger het terrein van de koeienschuur binnen en stonden alle koeien die daar lagen, op in angst, zich overal in het veld verspreidend. (5-6) Toen het sterke beest een van hen greep begon die koe uit pijn en angst te schreeuwen. Prishadhra toen hij het geschreeuw hoorde volgde het haastig zijn zwaard ter hand genomen hebbend, maar onder de door wolken bedekte sterren sloeg hij in het donker zonder het te beseffen de koe de kop af haar voor de tijger houdend. (7) De tijger ook geraakt kreeg zijn oor eraf geslagen en ging er toen in grote angst vandoor bloed in zijn spoor achterlatend. (8) Prishadhra, de held die iedereen de baas zou zijn echter, ontdekte, in de veronderstelling dat hij de tijger had gedood, tot zijn ontgoocheling de volgende ochtend dat hij de koe had gedood. (9) De geestelijk leraar van de familie [Vasishthha] vervloekte hem voor de - onopzettelijke - zondige daad met: 'Nu je je gedragen hebt als een s'ûdra, kan je niet langer tot de kshatriya's behoren, en om die reden is het van die onheilige daad je karma er een te worden.' (10) De held aldus vervloekt door zijn goeroe aanvaardde het met gevouwen handen en nam de gelofte van het celibaat op zich zoals goedgekeurd door de wijzen. (11-13) Jegens Vâsudeva de Allerhoogste Heer en Ziel van allen, de Transcendente en Zuivere, was hij, onverdeeld in de geaardheid bhakti, gelijkgezind en liefdevol jegens ieder levend wezen. Bevrijd van gehechtheden, vreedzaam van binnen en zelfbeheerst, was hij, niet uit op bezittingen, van een visie waarin hij kon aanvaarden wat er ook maar voor handen was voor zijn lichamelijke behoeften zoals voor het heil van de ziel beschikt door Zijn genade. Altijd met zijn geest gevestigd op het Allerhoogste Zelf van binnen, volledig verzonken en bevredigd in spirituele realisatie, trok hij rond door de hele wereld zich voordoend alsof hij doof, stom en blind was. (14) Na in die levensorde het bos te zijn binnengegaan bereikte hij als een heilige het uiteindelijke bovenzinnelijke doel toen hij, geconfronteerd met een bosbrand aldaar, het vuur toestond hem te verteren [zie ook B.G. 4: 9].
(15) Een andere zoon, Kavi [of Vasumân], de jongste, kende geen gehechtheid aan materiële genoegens en nadat hij het koninkrijk van zijn vader op had gegeven ging hij, nog maar een jonge man, in het gezelschap van zijn vrienden het woud binnen en bereikte hij de transcendentale wereld met altijd in zijn hart de stralende Allerhoogste Persoon.
(16) Van de zoon van Manu Karûsha [of Tarûsha] was er een dynastie van kshatriya's genaamd de Kârûsha's die als koningen van de noordelijke gebieden zeer religieuze beschermers van het brahmaanse waren.
(17) Van Dhrishtha [of Shrishtha] kwam een kaste van kshatriya's tot stand die in de wereld, met het bereikt hebben van de positie van brahmanen, de naam Dhârshtha kregen. Van Nriga was er de opvolging van eerst Sumati, toen Bhûtajyoti en daarna Vasu. (18) Van Vasu zijn zoon Pratîka was er een die Oghavân heette ['de ononderbroken traditie'] die de vader was van een andere Oghavân die een dochter had die ook Oghavatî heette. Zij huwde Sudars'ana.
(19) Uit Narishyanta was er Citrasena, Riksha was zijn zoon, en van hem was er Mîdhvân. Mîdhvân's zoon was Pûrna en Indrasena was Pûrna's zoon. (20) Van Indrasena was er Vîtihotra, van hem was er Satyas'ravâ, Urus'ravâ was zijn zoon en van hem werd Devadatta geboren. (21) Devadatta's zoon werd de hoogst machtige Agnives'ya die Agni in eigen persoon was; hij was een maharishi ookwel bekend als Kânîna en Jâtûkarnya. (22) Uit Agnives'ya kwam een dynastie voort van brahmanen die bekend stonden als de Âgnives'yâyana's. O Koning, aldus beschreef ik u de nakomelingen van Narishyanta, verneem nu vervolgens over de dynastie van Dishtha.
(23-24) De zoon van Dishtha was Nâbhâga [niet te verwarren met zijn ooms Nâbhaga of de Nâbhâga die ook Nriga werd genoemd]. Hij, verschillend, volgde de roeping van de vais'ya's [kooplieden, zie 7.11: 23]. Zijn zoon was Bhalandana en van hem was er Vatsaprîti. Van hem was er de zoon genaamd Prâms'u en zijn zoon was Pramati. Weet dat Khanitra de opvolger is van Pramati. Hij werd opgevolgd door Câkshusha en zijn zoon Vivims'ati. (25) Vivims'ati's zoon was Rambha en zijn zoon was een zeer religieus iemand genaamd Khanînetra. Van hem was er de nazaat Karandhama, o grote Koning, (26) De laatstgenoemde zijn zoon was Avîkshit en zijn zoon was Marutta die keizer werd. De grote mysticus Samvarta, de zoon van Angirâ, betrok hem in het uitvoeren van een yajña. (27) Het offer van Marutta is nooit geëvenaard, daar alles waar hij gebruik van maakte van goud was en alles wat hij bezat van de grootste schoonheid was. (28) Indra raakte beschonken van het drinken van de soma-rasa, de tweemaal geborenen werden schadeloos gesteld, die der schittering [de Maruts] offerden allerlei voedsel en alle godheden in het universum maakten deel uit van de vergadering. (29) Marutta's zoon was Dama en van hem was er een die de macht had het koninkrijk uit te breiden: Râjyavardhana. Van zijn zoon Sudhriti werd een zoon ter wereld gebracht genaamd Nara. (30) Zijn zoon werd Kevala genoemd en Dhundhumân was de zijne. Van hem kwam er Vegavân en van Vegavân was er Budha wiens zoon Trinabindu was, een grote koning. (31) Alambushâ aanvaardde hem als haar echtgenoot, zij was een godin hem waardig, een meisje uit de hemel en een reservoir van alle goede eigenschappen uit wie een stel zoons en een dochter genaamd Ilavilâ werden geboren. (32) Vis'ravâ, die een heilige en meester was in de yoga die zijn kennis van zijn vader had ontvangen, verwekte in haar Kuvera: hij die de weelde brengt. (33) Van Trinabindu's zoons Vis'âla, S'ûnyabandhu en Dhûmraketu kwam uit Vis'âla, de koning, een dynastie voort en werd er een paleis gebouwd genaamd Vais'âlî. (34) Hemacandra was zijn zoon en Dhûmrâksha was de zijne en van zijn zoon Samyama waren er twee zoons genaamd Kris'âs'va en Devaja. (35-36) Van Kris'âs'va was er een zoon genaamd Somadatta. Hij bereikte door het aanbidden van de Allerhoogste Persoon in een as'vamedha offer voor de beste van allen, de Heer aller Lofprijzingen [Vishnu], de hoogste bestemming waar zich alle grote mystici ophouden. Een zoon van Somadatta genaamd Sumati verwekte er daarna een genaamd Janamejaya. Al deze koningen van Vais'âlî hielden de naam van koning Trinabindu hoog.
Het Huwelijk van S'ukanyâ en Cyavana Muni
(1) S'rî S'uka zei: 'De zoon van Manu genaamd S'aryâti was een brahmaanse koning en zo ontwikkelde hij zich tot iemand die uitleg verschafte over zaken als de plechtigheden die op de tweede dag in het offerperk van de nazaten van Angirâ moesten worden uitgevoerd. (2) Er was een lotus-ogige dochter van hem genaamd Sukanyâ die met hem naar het bos ging om de âs'rama van de wijze Cyavana te bezoeken. (3) Toen zij in het gezelschap van haar vriendinnen vruchten en bloemen van de bomen aan het verzamelen was, zag ze in een mierenheuvel een tweetal soort lichtjes schijnen [vergelijk 7.3: 15-16]. (4) Toen het jonge meisje, maar wat proberend, met een doorn in de twee oplichtende dingen prikte, druppelde er bloed naar buiten. (5) De tieners stonden verschrikt als aan de grond genageld zodat de koning, die zag wat zich had voorgedaan, zich tot de verraste kinderen moest richten waar hij voor verantwoordelijk was. (6) 'Helaas, we hebben iets verkeerds gedaan in het benaderen van de verlichte wijze; het moge duidelijk zijn dat met wat een van ons heeft aangericht hier zijn âs'rama is geschonden!'
(7) Bang zei Sukanyâ tot haar vader: 'Ik was het die, niet wetend waar ik mee bezig was, met een doorn in twee lichtende dingen heb geprikt.'
(8) Toen hij zijn dochter dit hoorde zeggen maakte S'aryâti zich er zeer bezorgd over om hem, de wijze die zich in de mierenheuvel bleek op te houden, tevreden te stellen. (9) Doorhebbend wat er nodig was om alles goed te maken schonk hij, er de grootste moeite mee hebbend, zijn dochter weg aan de muni en keerde hij met zijn permissie weer terug naar huis. (10) Sukanyâ nadat ze Cyavana als haar echtgenoot had gekregen had begrip voor hem die nogal knorrig met haar bleef en ze probeerde hem te behagen door hem zonder lichtzinnigheid van dienst te zijn. (11) Maar nadat er enige tijd was verstreken op deze manier bereikten de twee As'vins [de heelmeesters van de hemel] de âs'rama. Nadat hij hun zijn eerbetuigingen gebracht had zei de wijze: 'O Meesters, alstublieft vergun mij de jeugd! (12) Ik beloof u dat ik een vat vol soma-rasa zal offeren - hoewel u geen soma drinkt - geef me enkel de jeugd en schoonheid terug die zo begeerlijk is voor de vrouwen.'
(13) 'Zo zij het' zegden ze toen de geleerde man toe hem in hun rol van de twee grote heelmeesters complimenterend, 'duik enkel in dit meer dat u alle volmaaktheid zal schenken.'
(14) Aldus toegesproken werd de bejaarde met zijn grijze haar, slappe huid en zwakke lichaam waarvan je de aderen kon zien, door de As'vins het meer in geholpen. (15) De drie toen ze weer uit het meer tevoorschijn kwamen waren van de grootst mogelijke schoonheid die maar voor een vrouw aantrekkelijk kon zijn: met lotusbloemenslingers, oorhangers, gelijksoortige trekken en mooie kleren. (16) Toen de jonge schoonheid ze zag kon de kuise vrouw niet uitmaken welke van hen nu haar echtgenoot was daar ze allen evenzo mooi als de zon straalden en dus nam ze haar toevlucht maar tot de As'vins. (17) Verheugd over de kracht van haar geloof toonden ze haar de heilige die haar echtgenoot was en keerden ze, met zijn toestemming, in hun hemelwagen terug naar het hemelrijk. (18) Vertrokken richting Cyavana's âs'rama, met de wens een yajña uit te voeren, zag koning S'aryâti aldus hoe aan de zijde van zijn dochter er een man was die straalde als de zon. (19) De koning toen gunde zijn dochter, nadat ze hem de eer had bewezen, niet zijn zegen daar hij in het geheel niet zo gelukkig met haar bleek: (20) 'Waar denk je nu mee bezig te zijn met het bedriegen van je echtgenoot, die grote wijze die geëerd wordt door alle mensen? Heb je hem, omdat hij gebrekkig is van de ouderdom, o overspelige, en je hem niet zo aantrekkelijk vindt, opgegeven om deze kerel, deze bedelaar, als minnaar te nemen? (21) Ben je je verstand kwijt? Jij, het houdend met deze minnaar, als dochter uit de meest gerespecteerde familie, bent een schandvlek voor de gehele dynastie; jij, zo schaamteloos, doet je vader zowel als je echtgenoot in het diepste duister belanden.'
(22) Kuis lachend gaf ze haar vader die haar aldus terecht wees ten antwoord: 'O vader hij hier is uw schoonzoon, de zoon van Bhrigu!'
(23) Ze beschreef haar vader alles over hoe hij was veranderd van leeftijd en schoonheid waarop hij toen uiterst verheugd en verrast gelukkig zijn dochter omhelsde. (24) Cyavana Muni stelde bij de genade van zijn eigen vermogen de grote man er toe in staat het soma-offer te brengen, waarbij hij de As'vins, die er geen interesse in hadden het te drinken, een vat vol van de soma-rasa leverde. (25) Hoogst verstoord nam Indra om hem ter dood te brengen, heetgebakerd, terstond zijn bliksemstraal ter hand maar de man van Bhrigu verlamde de arm van Indra die de bliksemschicht vasthield. (26) Met de instemming van al de halfgoden was er van toen af aan voor de As'vins, die als artsen voordien een aandeel in de soma-yajña was ontzegd, het vat vol met soma.
(27) Uttânabarhi, Ânarta en Bhûrishena waren S'aryâti's drie zonen en verwekt door Ânarta werd Revata geboren. (28) Hij, nadat hij in de diepte van de oceaan een stad had gebouwd genaamd Kus'asthalî, leefde een materieel gelukkig leven en heerste over koninkrijken als Ânarta en anderen, o onderwerper der vijanden, en zijn honderd zonen waarvan de oudste Kakudmî was werden geboren als degenen die [na hem] aan de macht zouden zijn. (29) Met het doel een echtgenoot te bedingen voor zijn dochter leidde Kakudmî zijn dochter Revatî voor aan Heer Brahmâ in zijn streven te ijveren voor zijn verblijf voorbij de geaardheden. (30) Omdat hij druk was te genieten van het spel van de muzikanten van de hemel had hij geen seconde tijd voor hem maar toen dat was afgelopen kon Kakudmî Heer Brahmâ zijn verlangen voorleggen onder het brengen van zijn eerbetuigingen. (31) De almachtige Heer moest lachen over wat hij te horen kreeg en zei tot hem: 'Helaas, o Koning, in de loop van de tijd, zijn al degenen die u graag in uw hart had willen sluiten verdwenen! (32) We vernemen niet langer over de zoons, de kleinzoons, de nazaten en de geslachten, daar een tijdsspanne van drie maal negen mahâ-yuga's is verstreken! (33) Zoek derhalve naar Baladeva, Hij is de grootheid van de macht van wie Heer Vishnu een volkomen deelaspect is, en schenk Hem, de Uitnemendheid van de Mens, deze schone dochter o Koning. (34) De Allerhoogste Heer, de Eeuwige Barmhartigheid die de last der wereld wegneemt, de Deugd van het luisteren en zingen, is nu nedergedaald met alles wat bij Hem hoort.' [zie ook 5.25] (35) Met die opdracht keerde de koning, nadat hij de Ongeborene zijn respect had betoond, terug naar zijn eigen woonplaats die door zijn broers was verlaten; zij hadden zich bevreesd voor de mensen van verdienste in alle richtingen verspreid. (36) Nadat hij zijn volmaakt geschapen dochter aan de meest machtige, Heer Baladeva, had overgedragen ging de koning ter wille van zijn boetedoeningen naar Badarikâs'rama, de plaats van Nara-Nârâyana.
Ambarîsha Mahârâja Aangevallen door Durvâsâ Muni
(1) S'rî S'uka zei: 'Nâbhâga, de geleerde jongste zoon van Nâbhaga [zie 9.1: 11-12, niet de oom die ook wel Nriga heet, noch de Nâbhâga van Dishtha, zie: 9.2: 23] ontving, terugkerend van een celibatair bestaan, [als zijn aandeel] de vader toen de oudere broers het bezit verdeelden [onder elkaar].
(2) 'O, mijn broeders' [zei hij] 'Wat is het aandeel waar jullie mij mee bedacht hebben?'
'We wijzen je onze vader toe als het jouwe.' [gaven ze ten antwoord].
[Hij zei toen tegen zijn vader:] 'O vader, mijn oudere broers hebben me niet mijn aandeel gegeven!'
[De vader gaf daarop ten antwoord:] 'Mijn zoon, sla daar geen acht op! (3) Al deze zo heel intelligente afstammelingen van Angirâ [zie 6.6: 19] zijn vandaag een offer aan het brengen maar iedere zesde dag na zo'n dag zullen ze, o geleerde zoon, door hun karma in onwetendheid vervallen. (4-5) Jijzelf, reciteer voor al die grote zielen, twee vedische hymnen met betrekking tot de God van het Universum zodat, nadat ze weer met hun eigen zaken bezig zijn, ze je de weelde zullen geven van wat overbleef van het offeren van hun eigendom; ga daarom naar hen toe.'
Hij deed toen wat zijn vader hem had gezegd en zo gaven ze hem wat er van de yajña was overgebleven toen ze naar hun eigen hemelse plaatsen terugkeerden. (6) Terwijl hij zijn rijkdommen bijeengaarde zei een zwart eruitziende persoon die uit het noorden was aangekomen tegen hem: 'Al deze rijkdommen die van het offer over zijn gebleven zijn de mijne!'
(7) [Hij antwoordde:] 'Ze zijn allemaal van mij, de wijzen hebben ze aan me overgedragen!'
[De zwarte man zei:] 'Laten we wat dit betreft ons wenden tot de zoon van Manu, uw vader en het hem vragen', en zo deed hij navraag bij zijn vader zoals was voorgesteld.
(8) [Vader Nâbhaga zei] 'Alles dat behoort tot het offerperk, en dat soms overblijft wordt door de wijzen apart gezet als een aandeel voor Heer S'iva; hij is de halfgod die het allemaal verdient.'
(9) Nâbhâga bracht hem [S'iva] zijn eerbetuigingen en zei: 'Zoals mijn vader het zei: het is van u, o Heer, en evenzo voorzeker alles wat behoort tot het offerperk - o u die er van Brahmâ bent [zie: 3.12: 6-14], laat me voor u mijn hoofd buigen, ik biedt u mijn verontschuldigingen aan.'
(10) [Heer S'iva zei: ] 'Alles wat uw vader zei is waar en ook is wat u zegt de waarheid; laat mij, de kenner der mantra's, u de spirituele kennis vergunnen die bovenzinnelijk en eeuwig is. (11) Neemt u alstublieft al de rijkdommen; ik schenk u alles aan mij werd geofferd', en aldus gesproken hebbende, verdween Rudra, de grote heer en bewaker van het dharma. (12) Een ieder die in de ochtend en in de avond met grote zorg zich dit herinnert wordt geleerd: gelijk een zelfverwerkelijkte ziel zal hij een kenner van de mantra's en de bestemming zijn. (13) Door Nâbhâga kwam de meest hoogstaande en gevierde toegewijde Ambarîsha ter wereld; een vloek van een brahmaan tegen hem faalde: die kon hem nooit raken.'
(14) De koning zei: 'O heer, ik zou graag over hem vernemen, die koning die een dermate nuchtere persoonlijkheid was dat de zo onoverkomelijke macht van een brahmaanse maatregel geen effect op hem had.'
(15-16) S'rî S'uka zei: 'Ambarîsha, de man van het grote geluk, meende, na op deze aarde bestaande uit de zeven continenten een onbegrensde weelde te hebben vergaard, dat alles wat door menig leider zo zelden wordt verkregen is als de rijkdom die men zich voorstelt in een droom: bij zinnen gekomen is het allemaal verdwenen; het vormt de reden waarom een mens in onwetendheid beland. (17) Jegens Vâsudeva, de Allerhoogste Persoonlijkheid, jegens de toegewijden alsook jegens de heiligen was hij als iemand die de eerbied en de toewijding had bereikt in het bovenzinnelijke waarvan men dit ganse universum houdt voor iets dat zo onbeduidend is als een stuk steen. (18-20) Hij was er zeker van zijn geest te vestigen op de lotusvoeten van Krishna, zijn woorden op de beschrijving van de kwaliteiten van Vaikunthha, zijn handen op dingen als het reinigen van de Heer Zijn tempel en zijn oren te zetten naar de Onfeilbare. Luisterend naar de bovenzinnelijke gesprekken, zijn ogen gebruikend om de beeltenissen, de tempels en de gebouwen van Mukunda te aanschouwen, fysiek in contact staand met de lichamen van de toegewijden, de geur van de tulsîblaadjes op te snuiven aan de lotusbloem van Zijn voeten, om op zijn tong het voedsel te hebben aan Hem geofferd, om met zijn benen zich te bewegen naar de heilige plaatsen van de Heer, om zijn hoofd te buigen voor de voeten van Hrishîkes'a, om zijn zinnen er meer naar te zetten een dienaar te zijn dan zijn zinnen te bevredigen, was hij als die ene man [Prahlâda] die zijn toevlucht zoekt bij de Heer Verheerlijkt in de Geschriften. (21) Aldus in de hem voorgeschreven verplichtingen altijd van opoffering voor de Transcendentie, de Oorspronkelijke van het Offer, de Allerhoogste Heerlijkheid en Hij die Zich Bevind Voorbij de Zinnen, beoefende hij al de verschillende vormen van liefde voor de Ware van de Ziel en bestuurde hij, op aanwijzing van de Heer Zijn getrouwen der geleerdheid, deze planeet aarde in het verleden [zie ook 5.18: 12 en B.G. 5: 29]. (22) In paardoffers uitgevoerd door brahmanen als Vasishthha, Asita en Gautama, aanbad hij, overal waar de rivier de Sarasvatî door de woestijngebieden stroomde, de Heer van het Offer, de Allerhoogste Beheerser, met grote weelde en met al de voorgeschreven parafernalia en schadeloosstellingen. (23) De getrouwen der boete en de deskundigen die als de deelnemers aan de offerande voor hem als de priesters waren belast met het uitvoeren van de offerplechtigheid, werden, tot in de puntjes gekleed, gezien als de nimmer met hun ogen knipperende halfgoden. (24) Het hemels bestaan zo dierbaar voor zelfs de halfgoden, was niet iets dat werd nagestreefd door zijn burgerij die het gewoon was te luisteren naar en te zingen over de heerlijkheden van Uttamas'loka, de Heer Geprezen in de Geschriften. (25) Omdat zulke strevingen niet bevorderlijk zijn voor het geluk van hen die voldaan zijn in hun oorspronkelijke positie van dienst verlenen, zijn de personen die het zo gewend zijn Mukunda in hun harten te hebben, zelden uit op de perfecties van de groten [zie siddhi's]. (26-27) Hij, de koning, van de bhakti-yoga en tegelijkertijd van de verzaking, gaf, in zijn authentieke handelingen jegens de Heer alle soorten van verlangens bevredigend, op deze manier het geleidelijk op zijn geest te richten naar het onware dat men aantreft in een thuis, de echtgenote, in kinderen, in vrienden en verwanten, een goede olifant, een mooie wagen, fijne paarden en in duurzame goederen als juwelen, sieraden, een uitdossing en dergelijke en een nimmer lege schatkist. (28) Tevreden over zijn zuivere toegewijde dienst schonk de Heer voor de bescherming van de toegewijden hem Zijn cakra die zo bedreigend is voor hen die tegenstand bieden [zie tevens 7.9: 43 en B.G. 9: 31]. (29) Ernaar strevend met zijn evenzo geschikte koningin samen Krishna te vereren, legde de koning de gelofte van dvâdas'î af [vasten op bepaalde maankalender-dagen] voor een heel jaar. (30) Toen hij eens aan de oever van de Yamunâ was nam hij, aan het einde van zijn gelofte, in de maand Kârtika [okt. - nov.] voor een drietal nachten een volledig vasten in acht waarna hij een bad nam en de Heer in Madhuvana vereerde [een deel van het Vrindâvana gebied]. (31-32) Naar de regels van het baden van de beeltenis [mahâbhisheka] met alle benodigdheden voor de verering - mooie kleding en sieraden, geurige bloemenslingers en andere middelen van aanbidding - deed hij de puja met een geest vervuld van goddelijke liefde in bhakti jegens het hoogst fortuinlijke van Kes'ava en de brahmanen, met wiens vrede hij evenzo vredig werd. (33-35) De brahmanen, de geleerden die bij hem thuis waren gearriveerd, voedde hij, de tweemaal geborenen voorop, rijkelijk met het meest hemelse, kostelijke voedsel na eerst zestig croren fraai versierde, jonge en prachtige koeien te hebben weggeschonken met goud bedekte hoorns en zilver beslagen hoeven, volle uiers en extra kalveren aan hun zijde. Toen hij naar volle tevredenheid en met hun instemming het vasten beëindigde en er juist toe was aan de afsluitende ceremonie te volbrengen werden ze opeens geconfronteerd met een onverwacht bezoek van de machtige wijze Durvâsâ. (36) Hoewel hij onuitgenodigd kwam opdagen betoonde de koning hem zijn respect door op te staan en hem een zitplaats aan te bieden, en vroeg hij hem met alle eerbied ten voeten gevallen of hij misschien iets wilde eten. (37) Gretig ging hij op zijn verzoek in en ging om de noodzakelijke rituelen op te voeren naar de Yamunâ om een duik te nemen in het zegenrijke water en te mediteren op het Allerhoogste Brahmân. (38) Dat, met minder dan een uur nog over voor het beëindigen van het in acht genomen dvâdas'î vasten, deedde koning zich met de tweemaal geborenen afvragen wat nu het juiste idee van het dharma zou zijn in de precaire situatie waarin hij was beland: (39-40) 'Erin mislukken de brahmaanse wijze te respecteren is een overtreding zowel als het niet op het juiste tijdstip beëindigen van het dvâdas'î vasten; wat kan je nu het beste doen, wat is nu in strijd met de religie en wat niet? Laat me daarom enkel water beroeren zodat ik op de juiste manier mijn gelofte kan afronden, aangezien, o weledelen, gezegd wordt dat de daad van het drinken van water feitelijk zowel een vorm van eten is als van niet eten.'
(41) De grote koning, na aldus water te hebben gedronken, wachtte, met zijn geest ingesteld op de Onfeilbare, de terugkeer af, o beste der Kuru's, van hem, de brahmaanse mysticus. (42) Toen Durvâsâ klaar was met zijn rituelen aan de oever van de Yamunâ en terugkeerde werd hem door de koning een goede ontvangst geboden maar hij wist met zijn inzicht te achterhalen wat zich had voorgedaan. (43) Boos geworden en over zijn gehele lijf trillend, met zijn gezicht verwrongen en fronsend, en dorstend naar actie, richtte hij zich tot de overtreder die daar met gevouwen handen stond. (44) 'Helaas, heeft deze mijnheer hier, deze 'liefde van iedereen', gek van zijn weelde, voor het oog van iedereen, gebroken met het dharma; in het geheel geen toegewijde van Vishnu, denkt hij dat hij de Beheerser Zelve is! (45) Deze man heeft jegens mij, die hier onverwacht aankwam, na mij te verwelkomen als zijn gast voedsel tot zich genomen zonder mij ervan te geven: ik zal hem nu direct laten zien wat voor repercussies dat heeft.'
(46) Zich aldus uitdrukkend trok hij, rood van woede, zich een bos haar uit zijn hoofd en schiep hij daaruit een demon die verscheen als het vuur aan het einde der tijden. (47) Toen de demon op hem af kwam met een drietand laaiend van vuur in zijn hand en een tred die de aarde deed schudden, bewoog de koning, die hem recht voor zich zag, zich geen centimeter van zijn plaats [vergelijk 6.17: 28]. (48) Zoals het door de Oorspronkelijke Persoonlijkheid van de Superziel was voorbeschikt ter bescherming van Zijn toegewijden, verbrandde de cakra [die Ambarîsha had gekregen, zie vers 28] als een vuur dat nijdige serpent van een gekunstelde duivel tot as [zie ook B.G. 18: 66]. (49) Ziend hoe de werpschijf in zijn richting bewoog en hoe zijn eigen pogen had gefaald, zocht Durvâsâ om zijn leven te redden in grote angst verzet een heenkomen in alle richtingen die hij maar wist. (50) Als een slang achtervolgd door een hoog oplaaiende, ziedende bosbrand rende de muni, die zag hoe de werpschijf, dat wiel van de Heer Zijn wagen, hem in de rug brandde, snel naar de berg Meru om daar een grot binnen te gaan. (51) Maar in welke richting hij zich ook wegvluchtte, in de hemel, op het aardoppervlak, in grotten, in de zeeën, in alle plaatsen schuilend bij alle heersers over de drie werelden - waarheen hij zich ook begaf, zag Durvâsâ zich geplaatst voor het acute van Zijn zo angstwekkende aanwezigheid [de Sudars'ana cakra]. (52) Zonder de toevlucht van een beschermer was hij overal, met een constante vrees in het hart, op zoek naar iemand die hem bescherming kon bieden. Ten leste benaderde hij Heer Brahmâ: 'O mijn Heer, o Zelfgeborene, bescherm me tegen het vuur op mij losgelaten door de Onoverwinnelijke.'
(53-54) Heer Brahmâ zei: 'Als de Allerhoogste Heer klaar is met Zijn spel en vermaak zal, volgend op Zijn verlangen het in de vorm van de tijd te verzengen, met een enkele beweging van Zijn wenkbrauwen de plaats waar ik me bevind, mijn verblijf, tezamen met dit hele universum, na één dag van mijn leven [een dvi-parârdha, zie 3.11: 33], daadwerkelijk worden verslagen. Ik, Heer S'iva, Daksha, Bhrigu en anderen onder hun leiding, de heersers over de mens, de levende wezens en de halfgoden - wij en allen door ons geleid, die voor het heil van alle levende wezens ons hoofd buigen overgegeven aan de beginselen die ons leven beheersen, handelen naar Zijn wilsbeschikking.'
(55) Afgewezen door Heer Brahmâ zocht Durvâsâ, verschroeid door de cakra, zijn toevlucht bij hem die altijd op Kailâsa verblijft [Heer S'iva]. (56) S'rî Sankara zei: 'Wij in verhouding tot de Allerhoogste schieten tekort in macht, mijn beste - met ons ronddraaiend in Hem, de Verhevenheid, kunnen [Ik en] de andere levende wezens tot aan de Ongeborene, Heer Brahmâ, toe en ook de universa niet, zich die macht eigen maken; inderdaad kunnen wij en al de duizenden en miljoenen van onze werelden zich in die mate ontwikkelen. (57-59) Ik, Sanat en de andere Kumâra's, Nârada, de grote Ongeboren Heer, Kapila, Vyâsadeva, Devala [de grote wijze], Yamarâja, Âsuri [de heilige] en Marîci, en de anderen volkomen in de kennis aangevoerd door hen, hebben de grenzen ontdekt van alle weten, maar geen van ons is in staat zijn illusiewekkende energie en dat wat er door overdekt wordt volledig te doorgronden. De beheerser van het universum Zijn wapen [de cakra] is daadwerkelijk zelfs voor ons moeilijk te hanteren en derhalve moet u uw toevlucht zoeken bij de Heer die in Zijn goedgunstigheid niet zal falen.'
(60) Teleurgesteld ging Durvâsâ daarna naar de Allerhoogste Heer Zijn plaats die bekend staat als Vaikunthha alwaar Hij als S'rînivâsa, de Meester van het Verblijf, zich constant ophoudt met de godin van het geluk. (61) Verschroeid door het vuur van het onoverwinnelijke wapen viel hij neer aan Zijn lotusvoeten trillend over zijn gehele lijf en zei hij: 'O Onfeilbare en Onbegrensde, o Verlangen der Heiligen, o Meester bescherm mij, deze grote overtreder, o Weldoener van het Ganse Universum! (62) Geen weet hebbende van Uw ondoorgrondelijke vermogen heb ik een grote overtreding begaan aan de voeten van een van hen die Uwe Heerlijkheid dierbaar zijn; alstUblieft wees zo genadig alles te doen wat maar noodzakelijk is om een overtreding als deze tegen te gaan o Vidhâta, Heer der Regulatie, bij wiens naam, eenmaal opgewekt, zelfs een persoon bestemd voor de hel zijn bevrijding kan vinden.'
(63) De Allerhoogste Heer zei: 'Zo is het precies o tweemaal geborene, Ik heb geen wil voor Mezelf, Ik ben waarlijk volledig betrokken bij Mijn toegewijden; omdat ze toegewijden zijn wordt Mijn hart beheerst door de geheiligden en door hen die die bhakta's dierbaar zijn. (64) Ik als hun uiteindelijke bestemming ben, zonder Mijn geheiligde toegewijden, niet te vinden voor de gelukzalige essentie of het Allerhoogste van Mijn vormen van weelde [zie om pûrnam]. (65) Hun vrouw, huis, kinderen, verwanten, hun hele hebben en houden - als zij jegens Mij voor de Transcendentie dit alles eraan gaven met het nemen van hun toevlucht, hoe kan Ik dan uit zijn op dergelijke zaken en hen de rug toekeren? (66) Zoals een kuise vrouw een zachtaardige echtgenoot beheerst, hebben de geheiligden, zuiver en gelijkgezind [zie ook 7.9: 43], met hun harten stevig verankerd in Mij, met het het zich instellen op hun toegewijde dienst, Mij onder controle. (67) In Mijn dienst bereiken ze vanzelf de vier vormen van bevrijding en talen ze, eenvoudig dienend, niet naar de volkomenheid [de pûrnam] zodat er geen sprake is van andere zaken: in de loop van de tijd zijn ze die te boven gekomen. (68) De geheiligden bevinden zich altijd in Mijn hart en Ik ben waarlijk altijd in hun harten aanwezig; zij kennen niets buiten Mij en Ik koester niet de geringste belangstelling buiten hen [zie ook B.G 9: 29]. (69) Laat me u zeggen hoe u uzelf in dezen moet beschermen, o geleerde, luister enkel naar wat Ik zeg: met dit optreden van u bent u uw eigen vijand geworden; verdoe nu niet langer uw tijd en begeef u terstond naar hem [Ambarîsha] door wie dit alles zich afspeelde - u ziet: de macht ingezet tegen de toegewijde is schadelijk voor hem die hem toepast. (70) Boete en kennis zijn de twee oorzaken van de verheffing der geschoolden, maar in de praktijk gebracht door een opstandig iemand leiden ze tot precies het tegenovergestelde. (71) O brahmaan, ga derhalve naar de koning, de zoon van Nâbhâga, om hem, de grote persoonlijkheid, tevreden te stellen - dan zal er vrede zijn.'
Durvâsâ Gered: de Cakra-gebeden van Ambarîsha
(1) S'rî S'uka zei: 'Durvâsâ [wat betekent: 'de moeilijkheid van het ergens verblijven'] die, geplaagd door de cakra, er aldus door de Heer toe was opgedragen, benaderde Ambarîsha en greep zwaar bedrukt zijn voeten beet. (2) Hem met die praktijk bezig ziend schaamde Ambarîsha zich ervoor dat hij zijn voeten beroerde en zodoende bracht hij, met zijn genade in verlegenheid, gebeden aan het wapen van de Heer [zie ook 6.8: 23]. (3) Ambarîsha zei: 'U bent het vuur, de allerhoogste macht van de zon en de maan bent u, u bent de meester van al de hemellichten, de wateren, de aarde, de hemel, de lucht en de zinnen en hun voorwerpen. (4) O acute aanwezigheid en gunstige aanblik [ofwel Sudars'ana], mijn eerbetuigingen aan u met uw duizenden spaken, o liefde van de Onfeilbare, u bent de ondergang van alle wapens, wees deze brahmaan goedgezind, o meester over de wereld. (5) U bent het dharma, de oorspronkelijke natuur en religie, u zet aan tot de uitdrukkingen van de Uiteindelijke Waarheid, u bent in alle opzichten de genieter van de resultaten van de offers en handhaaft de verscheidenheid der werelden; de alles doorvarende almacht bent u van de Bovenzinnelijke Persoonlijkheid. (6) Alle respect voor u, het gelukbrengend centrum van de omwentelingen, de maat voor de ganse natuur, die inderdaad is als een kwaad voorteken voor de onverlichte zielen die het stellen zonder de religie; de handhaver van de drie werelden bent u, de opperste goedheid tewerk gaand met een wonderbaarlijke uitstraling die zo snel is als de geest die ik tracht te verwoorden. (7) Door uw kracht alle religiositeit dragend wordt de duisternis verdreven en zijn alle richtingen verlicht; voor de grote persoonlijkheden zijn uw heerlijkheden onoverkomelijk, o meester der spraak, uw manifestatie omvat het gemanifesteerde en niet-gemanifesteerde, het hogere en het lagere. (8) Als u door de Transcendentale Persoonlijkheid bent afgestuurd op de strijders van de Daitya's en Dânava's, o onvermoeibare, doorklieft u, zich ophoudend op het slagveld, zonder ophouden hun armen en rompen, dijen en onderbenen. (9) Voor de geschoolde ziel die ik ben, is uw goede zelf, o beschermer van het universum, degene die, ertoe gemachtigd door de Volle Autoriteit van de Strijdknots, zich bezighoudt met het bezorgen van de nederlaag; mogen wij alstublieft de gunst van uw goede daden genieten voor het heil van onze dynastie? (10) Als er liefdadigheid is, de verering van de beeltenis en de plichten naar behoren zijn nageleefd; als op onze dynastie de zegen rust van de geleerden, laat deze tweemaal geboren ziel er dan vrij van zijn met u [af] te branden. (11) Als met ons de ene Opperheer, het reservoir van alle eigenschappen en het leven en de ziel van alle levende wezens, tevreden is gesteld, mag deze tweemaal geborene dan het vuur bespaard blijven?'
(12) S'rî S'uka zei: 'Toen het schijfwapen van Vishnu genaamd de Sudars'ana alsdus werd verheerlijkt door de koning, hield het als gevolg van zijn smeekbeden ermee op de geleerde op alle mogelijke manieren in het nauw te drijven. (13) Hij, Durvâsâ, bevrijd van de hitte van het vuur van het wapen prees toen hoogst voldaan hem, de heerser over de aarde, de koning die hij zegende met alle heilswensen. (14) Durvâsâ zei: 'Van welk een grootheid mag ik vandaag getuige zijn met de dienaren van de Eeuwige; ondanks het kwaad dat ik begaan heb hebt u, o Koning, gebeden voor mijn goede geluk! (15) Wat zou er ook moeilijk zijn of onmogelijk te verzaken voor die geheiligde, grote zielen, die personen die de leider bereikten, Hari, de Allerhoogste Heer van de toegewijden. (16) Wat valt er voor toegewijden nog meer te doen als door het eenvoudig aanhoren van de heilige naam van Hem wiens lotusvoeten de heilige plaatsen zijn, een persoon gezuiverd raakt? (17) O Koning, u zo hoogst genadig was mij, zelfbeheerst met mijn overtredingen, zeer gunstig gezind en hebt mij zo het leven gered.'
(18) De Koning, die zijn terugkeer al vastend had afgewacht, was vol van genade voor hem in ieder opzicht en wilde graag zijn voeten zoeken door hem rijkelijk te spijzen. (19) Hij nadat hij gegeten had van het uitgelezen voedsel dat, beantwoordend aan iedere smaak, werd gegeven met het grootste respect, zei aldus volledig bevredigd tot de koning: 'Alstublieft, eet u met me mee', en gaf op deze manier blijk van zijn zorg. (20) [Hij vervolgde:] 'Ik ben er zeer gelukkig mee zo goed te zijn bedacht met de zuiverheid van uw toewijding; waarlijk ben ik, u ziend, uw voeten beroerend, met u converserend, en van uw gastvrijheid genietend, zeer verplicht aan u. (21) De zuiverheid van de dingen die u gedaan hebt zal voor altijd door de schonen van de hemel worden bezongen; de hele wereld zal het nooit moe zijn de loftrompet te steken over de heerlijkheid van uw hoogste deugd!'
(22) S'rî S'uka ging verder: 'Aldus de koning verheerlijkend nam Durvâsâ, die in ieder opzicht tevreden was, afscheid om vandaar te vertrekken en bereikte hij opstijgend naar de hemel de verblijfplaats van Brahmâ alwaar geen nevenmotief standhoudt. (23) Een heel jaar was verstreken en voor de tijd dat de grote muni niet was teruggekeerd had de koning, die hem graag weer wilde terug zien, zichzelf gehouden aan het enkel drinken van water. (24) Op Durvâsâ's terugkeer toen gaf Ambarîsha hem toen het beste voedsel te eten dat er maar te krijgen was en geschikt zou zijn voor een tweemaal geborene en zag hij in, met voor ogen hoe de wijze bevrijd was geraakt van de zonde, dat hij zijn kracht te danken had aan zijn toewijding voor het Allerhoogste [zie ook B.G. 6: 47]. (25) Aldus gezegend met alle goede kwaliteiten was de koning van toewijding voor de Superziel, de Allerhoogste Geest en voor Vâsudeva met de vele plichten die hij in acht nam, met hen altijd in gedachten houdend dat met wat men ook doet van de hoogste positie in de hemel tot aan de laagste in de hel men goed op moet letten [wat het verschil is tussen dat wat naar de letter is en dat wat naar de geest is; vergelijk: 6.17: 28].'
(26) S'rî S'uka zei: 'Ambarîsha, die als de wijste zijn koninkrijk verdeelde onder zijn evenzo gekwalificeerde zoons, ging aldus het woud in zijn geest richtend op het Ware Zelf van Vâsudeva en overwon zo de golven [de guna's] van de materiële oceaan. (27) Door het reciteren van of regelmatig mediteren op dit vrome verhaal kan men een toegewijde worden van de Allerhoogste Persoonlijkheid van God. (28) Een ieder die verneemt over het karakter van deze grote ziel Ambarîsha zal eenvoudig door de bhakti bij genade van Vishnu vorderen naar het doel van de bevrijding.'
De Val van Saubhari Muni
(1) S'rî S'uka zei: 'De drie zoons van Ambarîsha [zie voorgaande hoofdstukken] waren Virûpa, Ketumân en S'ambhu; van Virûpa was er Prishadas'va en van hem was er een zoon genaamd Rathîtara. (2) Rathîtara had geen zoons en alzo werd [de wijze] Angirâ verzocht kinderen bij zijn [Rathîtara's] vrouw te verwekken, hetgeen leidde tot de geboorte van ['kshetra jâta'-] zonen met brahmaanse kwaliteiten. (3) Zij weer waren allen zoons van Rathîtara, het gezinshoofd, daar zij, geboren uit zijn echtgenote, inderdaad deel uitmaakten van de familie, maar ze werden herinnerd als de dynastie van Angirâ en dubbel-geboren [van gemengde kaste] genoemd aangezien ze werden geboren van dat veld [of: ksetra]. (4) Toen Manu eens moest niezen werd uit zijn neusgaten de zoon Ikshvâku geboren [zie ook 8.13] en van zijn honderd zonen waren Vikukshi, Nimi en Dandakâ de meest vooraanstaande. (5) Vijfentwintig van hen werden koningen in Âryâvarita in het oosten [in het Himalaya- en Vindhyagebergte], o Koning, zoals ook [vijfentwintig anderen dat werden] in het westen [van dat gebied], drie heersten over het middengebied, terwijl de anderen heersten over andere plaatsen. (6) Hij, koning Ikshvâku, gaf zijn zoon eens tijdens een ashthakâ-s'râddha [offers aan de voorvaderen gebracht in januari, februari en maart] de opdracht: 'Breng me zuiver vlees [van de jacht] o Vikukshi, en ga er nu meteen op uit, zonder te dralen'.
(7) Aldus ging hij daartoe naar het bos om dieren te doden die geschikt waren voor de offerandes, maar toen hij vermoeid en hongerig was at de held vergeetachtig [zonder zich te realiseren dat het vlees bestemd was voor het offer] een konijn [zie voetnoot *] (8) Wat er over was bood hij zijn vader aan die op zijn beurt hun goeroe [Vasishthha] vroeg het te zuiveren en die gaf ten antwoord: 'Dit alles is bezoedeld en voor gebruik ongeschikt.'
(9) Door de geestelijk leraar verwittigd wist de heerser wat zijn zoon had gedaan en zodoende verdreef hij, er kwaad over dat hij de vidhi had geschonden, zijn zoon uit het land. (10) Hij, er in de discussies met de geleerde die hij als zijn leermeester had toe aangezet, gaf toen in overeenstemming met die kennis [van de Absolute Waarheid die hij zo verkreeg], als een yogi zijn voertuig van de tijd op en bereikte zo de allerhoogste positie. (11) Op de troonsafstand van zijn vader keerde Vikukshi terug om te heersen over deze planeet de aarde, met verschillende yajña's de Heer aanbiddend, en stond alzo bekend als S'as'âda ['de konijnen-eter']. (12) Purañjaya ['de veroveraar van de hoofdstad'] was zijn zoon. Hij stond ook wel bekend als Indravâha ['gedragen door Indra'] en Kakutstha ['hij die op de bult van een stier zit']. Verneem nu over wat hij deed om deze namen te krijgen. (13) Er had zich een alles vernietigende oorlog voorgedaan, een strijd tussen de goddelijken en de Dânava's, waarin hij, van de grootste hulp, zich voor de godvrezenden opwierp als een held in het overwinnen van het demonische. (14) Bij monde van de God der Goden Heer Vishnu, de Superziel en Meester van de Ganse Schepping, raakte Indra betrokken in zijn dienst als zijn draagdier, als een grote stier. (15-16) Hij, met alle lof en goed toegerust, besteeg hem met een eerste klas boog de scherpste pijlen ter hand nemend en nam op de bult plaats, klaar om te vechten. Begunstigd door de macht van Vishnu, de Oorspronkelijke Persoon en Superziel, nam hij, omringd door de dienaren van de hemel, in de westelijke richting de daitya hoofdstad in. (17) Tussen hen en hem vond een veldslag plaats die zo gewelddadig was dat het de haren te berge deed rijzen te horen hoe hij in de strijd naar voren trad en de Daitya's met zijn pijlen naar Yamarâja stuurde. (18) Geconfronteerd met zijn regen van pijlen zo vernietigend als het vuur aan het einde der tijden, gaven de Daitya's allen tezamen hun aanval op en gingen zij die nog niet waren gedood er vandoor naar hun eigen plaatsen. (19) Over hen zegevierend droeg hij, de wijze koning, al hun weelde en vrouwen over aan de drager van de bliksemschicht [Indra] en werden hem aldus de namen verleend.
(20) Van Purañjaya werd een zoon geboren genaamd Anenâ, zijn zoon was Prithu en de zoon die hij had heette Vis'vagandhi die op zijn beurt weer een zoon had genaamd Candra wiens zoon Yuvanâs'va werd genoemd. (21) S'râvasta was zijn zoon en hij bouwde een stad genaamd S'râvastî; door S'râvasta werd toen Brihadas'va verwekt en van hem was er Kuvalayâs'va. (22) Hij was het die van een grote macht, tezamen met de eenentwintigduizend zonen die hem omringden, voor het genoegen van de wijze Utanka een demon ter dood bracht genaamd Dhundhu. (23-24) Hij stond aldus bekend als Dhundhumâra [de doder van Dhundhu]. Op drie na waren alle zoons verbrand door het vuur uit de mond van Dhundhu. De enigen die in leven bleven waren Dridhâs'va, Kapilâs'va en Bhadrâs'va, o zoon van Bharata. Dridhâs'va's zoon was Haryas'va en de beroemde Nikumbha was zijn zoon. (25) Nikumbha's zoon was Bahulâs'va en Kris'âs'va was de zijne. Na hem was er Senajit van wie Yuvanâs'va ter wereld kwam. Yuvanâs'va had geen zoons en trok zich [samen met zijn echtgenotes] terug in het woud. (26) Aldaar tezamen met zijn honderd vrouwen was hij terneergeslagen zodat de wijzen allergenadigst met hem met de grootste zorg een begin maakten met een [vruchtbaarheids-] ceremonie die bekend staat als de Indra-yajña. (27) Hij op een nacht zeer dorstig ging het offerperk binnen en dronk, toen hij zag dat al de brahmanen lagen te slapen, zelf van het ingezegende water [in plaats van het voor zijn vrouwen te bewaren]. (28) Toen de rest wakker was en vervolgens de waterpot leeg aantroffen, o prabhu, vroegen ze wie er verantwoordelijk was voor het drinken van het water dat bestemd was voor het krijgen van een kind. (29) Toen ze begrepen dat het bij goddelijke beschikking was opgedronken door de koning baden ze allen tot de Allerhoogste Heerser zeggend: 'Helaas, het is de macht van God die de dienst uitmaakt!' (30) Zo opende, wonder boven wonder, daarop toen de tijd er rijp voor was, zich de onderbuik van koning Yuvanâs'va aan de rechterzijde en kwam er een zoon ter wereld met alle goede kenmerken van een koning. (31) Wie moest nou het kind de borst geven? Het huilde er dorstig zo hard om dat koning Indra zei: 'Huil niet mijn kind, drink maar van mij' en bood het toen zijn wijsvinger om op te zuigen. (32) De vader stierf dankzij de genade van de godgeleerden niet als gevolg van de baby die hij ter wereld bracht. Yuvanâs'va bereikte daarna de volmaaktheid zijn tapas doend op diezelfde plek. (33-34) Mijn beste koning, Indra gaf het kind de naam Trasaddasyu ['de vrees van het boeventuig'], en voor hem waren inderdaad schurken als Râvana en dergelijken, hoogst bevreesd. Aldus heerste Yuvanâs'va's zoon Mândhâtâ bij de macht van de Onfeilbare over het oppervlak van de aarde met haar zeven continenten als haar ongeëvenaarde meester. (35-36) Ook hij aanbad in het volle bewustzijn van het ware zelf Yajña, de Heer der Offers, de God en Superziel boven de zinnelijkheid van iedereen, in groots opgezette erediensten die werden bijgewoond door al de godvruchtigen en waarbij hij grote sommen geld wegschonk. Alle benodigdheden, de mantra's en de regulerende beginselen, de aanbidding en de aanbidder en de priesters met al het dharma van tewerk gaan naar plaats en tijd, droegen er allemaal toe bij dat het belang van het ware zelf recht werd gedaan. (37) Men spreekt over al de besproken gebieden die zich uitstrekken van waar de zon opkomt boven de horizon tot overal waar hij weer ondergaat, als het veld van handelen van de zoon van Yuvanâs'va, Mândhâtâ.
(38) In de dochter Bindumatî van een koning genaamd S'as'abindu verwekte de heerser [Mândhâtâ] Pûrukutsa, Ambarîsha en Mucukunda die een grote yogi was. Hun vijftig zussen aanvaardden de wijze Saubhari als hun echtgenoot. (39-40) Hij [Saubhari] bezig met een ongebruikelijke vorm van verzaking zag, diep onder water in de Yamunâ rivier, in zijn boetedoening hoe een grote vis zich vermaakte met seksuele zaken. Sexueel ontwaakt verzocht de geleerde de koning [Mândhâtâ] toen om een enkele dochter. De koning zei: 'U mag een dochter van mij nemen, o brahmaan, als het dat is waar zij voor kiest.'
(41-42) Hij dacht bij zichzelf: 'Vrouwen houden niet zo van mij, ik ben te oud, ik ben niet aantrekkelijk voor ze, gerimpeld, met grijs haar en een hoofdtremor; ze zullen me afwijzen! Laat me het zo maken dat mijn lichaam begeerlijk is voor de schonen van de hemel, om nog maar te zwijgen van de dochters van wereldse koningen!' Zo luidde toen het besluit van de mysticus. (43) Voorafgegaan door een boodschapper werd de wijze toen toegang verleend tot de in ieder opzicht weelderige vertrekken van de prinsessen alwaar hij, ook al was hij maar een enkele man, door al de vijftig prinsessen aanvaard werd als hun echtgenoot. (44) Er ontstond toen een hevig gekibbel onder hen toen ze aangetrokken tot hem hun onderlinge verstandhouding op het spel zetten door dingen te beweren als: 'Hij is de man die bij mij past, niet bij jou!' (45-46) Hij, als gevolg van zijn ascese op de hoogte van menige mantra, genoot met zijn vrouwen van een ongekende weelde met alles wat men zich maar kon wensen: allerhande fijn gestoffeerde leefruimten en boudoirs, parken, het helderste water in vijvers temidden van geurige tuinen, kostbaar beddegoed en meubilair, kleding en sierselen; er waren plaatsen om te baden, smakelijke gerechten, er was sandelhoutpulp en een uitdossing met bloemenslingers en sieraden van alle mannen en vrouwen die in een voortdurende verrukking verkeerden onder het begeleidende gezang van vogels, hommels en artiesten. (47) De enkele aanblik van Saubhari's huishouding deed de heerser der zeven continenten [Mândhâtâ] versteld staan zodat hij zich niet langer nog op zijn borst kon kloppen wat betreft zijn eigen positie als de keizer van de wereld gezegend met alle weelde. (48) En Saubhari, die altijd druk in de weer was met het geluk en de talrijke materiële besognes van zijn huishouden, was in zijn genietingen, net als een vuur gevoed door vet, nimmer voldaan. (49) Op een dag moest hij, neergezeten zich afvragend hoe het verval weg van het ware zelf had kunnen plaatsvinden, constateren dat het veroorzaakt was door een stel parende vissen: (50) 'Helaas, kijk nu toch hoe ik, die zo'n grote asceet was, zo trouw en strikt de geloften nalevend, van het ascetisch leven waar ik me zo lang mee heb bezig gehouden weg ben gevallen; enkel om wat waterdieren onder water uitspoken! (51) Hij die de bevrijding verlangt heeft de omgang op te geven met mensen die verslingerd zijn aan zinnelijke zaken; hij moet het in ieder opzicht vermijden zijn uitwendige zinnen aan het werk te zetten, hij behoort zich in eenzaamheid op te houden in afgezonderde plaatsen en zijn hart te vestigen op de Onbegrensde Heer en, àls hij dan gezelschap zoekt, dient hij om te gaan met gelijkgestemde lieden als de heiligen. (52) Op mezelf als een verzaker had ik, onder water, omgang met vissen (!) en kreeg ik vijftig vrouwen, om nog maar te zwijgen van de vijfduizend zoons die ik verwekte; er komt zo geen eind aan mijn verplichtingen hier en hierna die mijn geest maar bezighouden. Onder de invloed van de geaardheden der materie ben ik, uit op mijn eigenbelang, verloren in de grote aantrekking van materiële dingen.'
(53) Zo [met spijt] thuis levend verstreek de tijd en kwam hij, onthecht, tot de wereldverzakende levensorde; hij ging naar het woud en werd daarin gevolgd door al zijn vrouwen aangezien hij hun voorwerp van aanbidding was. (54) Aldaar in zijn boetedoening van de strengste verzaking zijnd die bevorderlijk is voor de zelfverwerkelijking, hield hij, nu op de hoogte van de vuren van het persoonlijke zelf, zich bezig met de Allerhoogste Ziel. (55) O Mahârâja, de vrouwen die zagen hoe hun echtgenoot spiritueel vorderde, slaagden er onder die invloed in hem na te volgen precies zoals vlammen dat doen met een vuur dat uitdooft [vergelijk B.G. 9: 32].'
*: In dezen is er een citaat uit de Brahmâ-vaivarita Purâna zo stelde S'rî Caitanya Mahâprabhu:
as'vamedham gavâlambham
sannyâsam pala-paitrikam
devarena sutotpattim
kalau pañca vivarjayet
"In dit Kali-tijdperk zijn vijf handelingen verboden: het offeren van een paard in een plechtigheid, het offeren van een koe in een plechtigheid, het aanvaarden van de levensorde van sannyâsa, het brengen van vleesoffers voor de voorvaderen, en het door een man verwekken van kinderen bij de echtgenote van zijn broer"
De Nazaten van Koning Mândhâtâ
(1) S'rî S'uka zei: 'De belangrijkste zoon van Mândhâtâ genaamd Ambarîsha [naar de Ambarîsha van Nâbhâga, zie 4.13], werd door zijn grootvader Yuvanâs'va geadopteerd als zijn zoon en hij op zijn beurt had een zoon genaamd Yauvanâs'va die weer een zoon had die Hârîta heette. Deze [drie, Ambarîsha, Yauvanâs'va en Hârîta,] waren de meest gedenkwaardige van alle leden van de Mândhâtâ dynastie. (2) Purukutsa [een andere zoon van Mândhâtâ] werd door zijn vrouw Narmadâ meegevoerd naar de lagere regionen, zij was in dienst van de koning der serpenten [Vâsuki] aan hem uitgehuwelijkt door haar slangenbroeders. (3) Aldaar vernietigde hij, in feite daartoe in staat gesteld door Heer Vishnu, hen die, het goddelijke lied levend, het verdienden te worden bestraft [vanwege hun Gandharva-zonde van het gokken]. Van de slangachtigen ontving hij de zegen dat zij die zich dit voorval herinneren niets te vrezen hebben van het slangenras [de reptielachtige humanoïden].
(4) De zoon van Pûrukutsa Trasaddasyu [vernoemd naar de andere: 9.6: 32-34] was de vader van Anaranya wiens zoon de naam Haryas'va droeg [naar: 6: 23-24]. Van hem was er Prâruna en Prâruna's zoon was Tribandhana. (5-6) Van Tribandhana was er een zoon genaamd Satyavrata [naar de Manu, zie 8.24: 10], die, vervloekt door zijn vader [voor het ontvoeren van een brahmanendochter tijdens haar huwelijk], de kwaliteit van een uitgestotene [een cândâla] had verworven en om die reden Tris'anku werd genoemd ['bevreesd voor de hemelen']. Onder de invloed van Kaus'ika [de wijze Vis'vâmitra] ging hij naar de hemel alwaar hij, er ten val gekomen, [halverwege in zijn val] gefixeerd door de goddelijke almacht van de wijze, tot op de dag van vandaag inderdaad kan worden waargenomen met zijn hoofd uit de hemel naar beneden hangend. (7) Tris'anku's zoon was Haris'candra; vanwege hem was er tussen Vis'vâmitra en Vasishthha een grote tweestrijd om reden waarvan de twee voor vele jaren als vogels waren [*]. (8) Hij was er zeer over terneergeslagen dat hij geen opvolger had en zocht toen op aanraden van Nârada zijn heil bij Varuna die hij vroeg: 'O heer, laat er een zoon van mij ter wereld komen.'
(9) O Mahârâja, en toen zei hij: 'En als er dan een zoon is, ben ik zelfs bereid met hem een offer te bereiden als u dat zo wenst'. Varuna aanvaardde het en zo werd er daadwerkelijk een zoon van hem geboren die Rohita ['uit het bloed'] werd genoemd.
(10) 'Aangezien er een zoon is geboren, mijn beste, bereid me dan een offer met hem', zei Varuna tot Haris'candra die toen antwoordde: 'Tien dagen nadien [na de geboorte] moet men een dier geschikt achten om te worden geofferd.'
(11) Tien dagen later daar weer verschijnend zei hij: 'En nu, breng het offer!' Daarom gaf Haris'candra het antwoord: 'Als de tanden van een dier zijn verschenen, is het ervoor geschikt te worden geofferd!'
(12) Toen de tanden waren gegroeid zei Varuna: 'Offer nu', waarop Haris'candra antwoordde: 'Als hij zijn [melk-]tanden kwijt is, zal hij geschikt zijn.'
(13) Toen de tanden waren uitgevallen zei hij: 'Offer nu dan!', waarop het antwoord luidde: 'Als het 'offerdier' zijn tanden weer zijn teruggegroeid, is het pas zuiver!'
(14) Toen ze waren aangegroeid zei Varuna: 'Offert U nou', waarna Haris'candra zei: 'Als hij zich als een krijger kan verdedigen met een schild, o Koning, dan zal het 'offerdier' zuiver zijn.'
(15) Op deze manier met zijn geest beheerst door de genegenheid voor zijn zoon leidde hij de god om de tuin over de tijd die het zou kosten en liet hij hem zo wachten tot het moment daar zou zijn. (16) Rohita zich bewust van wat zijn vader van zins was, nam, in een poging zijn leven te redden, zijn boog en pijlen op en ging het woud in. (17) Toen hij vernam dat zijn vader vanwege Varuna geplaagd werd door waterzucht en een grote opgezette buik had gekregen, wilde Rohita terugkeren naar de hoofdstad, maar Indra verbood het hem daar naartoe te gaan. (18) Indra zei hem dat hij de wereld moest bereizen terwille van de heilige plaatsen en bedevaartsoorden en dat hij voor de duur van een jaar in het woud moest verblijven. (19) En zo gebeurde het dat voor een tweede, een derde, een vierde en nog eens een vijfde jaar Indra in de gedaante van een oude brahmaan voor hem verscheen om hem dat telkens weer opnieuw te vertellen. (20) Het zesde jaar dat Rohita in het bos ronddoolde, begaf hij zich naar de hoofdstad alwaar hij Ajîgarita zijn tweede zoon S'unahs'epha ervan kocht om te dienen als het 'offerdier'. Hij bood hem zijn vader aan onder het brengen van zijn eerbetuigingen. (21) Met het daarop offeren van [het wereldse leven van] de man in de yajña [**] werd Haris'candra evenzo vermaard en geroemd als halfgoden als Varuna zijn in het bereiden van offers en raakte hij bevrijd van de waterzucht. (22) Vis'vâmitra deed tijdens de plechtigheid de uitgietingen [als de adhvaryu], de zelfverwerkelijkte Jamadagni leidde de recitaties van de [Yayur-veda] mantra's, Vasishthha was de brahmaan die de leiding had [de brahmâ] en Ayâsya [of Âgastya] deed de [Sâma-veda] hymnen [als de udgâtâ]. (23) Indra, zeer behaagd, bezorgde hem een gouden wagen. Van de heerlijkheden van S'unahs'epha zal ik verslag doen met de beschrijving van de zoons van Vis'vâmitra.
(24) Het behaagde Vis'vâmitra zeer om waarachtigheid, betrouwbaarheid en verdraagzaamheid te zien bij de heerser [Haris'candra] en zijn vrouw en dus schonk hij hen de onvergankelijke kennis om hun bestemming te bereiken. (25-26) Met het laten opgaan van het denken in de aarde, de aarde in het water, het water in het vuur, het vuur in de lucht en de lucht in de ether alsook met het doen opgaan daarvan in het geïdentificeerd zijn met de materie, dat valse ego in het geheel van de materie en die volledigheid in de geestelijke kennis in al zijn geledingen, werd door dat specifieke meditatieproces de onwetendheid bedwongen en de materiële ambitie verzaakt. Door liefdevolle zelfverwerkelijking en bevrijdende bovenzinnelijke gelukzaligheid konden ze bij de Ondoorgrondelijke blijven, volledig bevrijd van materiële gebondenheid.'
*: Prabhupâda geeft als commentaar: 'Vis'vâmitra en Vasishthha waren elkaar altijd vijandig gezind. Voorheen was Vis'vâmitra een kshatriya en door het ondergaan van strenge boetedoeningen en verzakingen wilde hij een brâhmana worden, maar Vasishthha wilde er niet mee instemmen hem op die manier te aanvaarden. En zo was er voortdurend onenigheid tussen de twee. Later echter, aanvaardde Vasishthha hem vanwege Vis'vâmitra's kwaliteit van vergevingsgezindheid. Eens voerde Haris'candra een yajña uit waarvoor Vis'vâmitra de priester was, maar Vis'vâmitra, die boos was op Haris'candra, nam al zijn bezittingen in beslag, ze claimend als een Dakshina bijdrage. Vasishthha echter stond dit niet aan en zodoende ontstond er een vete tussen Vasishthha en Vis'vâmitra. Het vechten werd zo erg dat ieder van hen de ander vervloekte. Een van hen zei, "Dat je een vogel moge worden," en de ander zei, "Dat je een eend wordt!" Op die manier werden ze beiden vogels en gingen ze voor vele jaren door met hun strijd vanwege Haris'candra.'
**: Het offeren van een menselijk wezen moet hier worden beschouwd als iets geweldloos aangezien de vidhi mededogen voorschrijft met alle levende wezens (dayâ of ahimsâ ) en het Bhâgavatam voorzeker het offeren van mensenlevens veroordeelt in de geschiedenis van Jada Bharata [zie 5.9: 17]. De context doet vermoeden, en uit 9.16: 31-32 blijkt, dat, omdat Haris'candra er de oorzaak van was geweest dat de wijzen Vis'vâmitra en Vasishthha in onenigheid verkeerden, het offeren van een menselijk wezen betekende dat iemand zijn wereldse leven op moest geven om de wijzen te dienen in hun verzoening. De troonopvolger, de meest waarschijnlijke kandidaat voor de opdracht, kon zijn wereldse verantwoordelijkheid niet opgeven, en zo werd er toen een andere man opgetrommeld om die plicht op zich te nemen.
De Zonen van Sagara Ontmoeten Heer Kapiladeva
(1) S'rî S'uka zei: 'Hârîta was de zoon van Koning Rohita [zie voorgaand hoofdstuk] en zijn zoon Campa bouwde een stad genaamd Campâpurî. Na hem was er Sudeva die ook een zoon had genaamd Vijaya. (2) Bharuka was de zoon van Vijaya, hij had er een genaamd Vrika en Vrika had Bâhuka van wie al het land dat hij bezat werd ingepikt door zijn vijanden zodat de koning met zijn vrouw het bos in moest. (3) Toen hij van ouderdom was gestorven wilde zijn koningin tezamen met hem sterven maar de wijze Aurva, die begreep dat ze zwanger was met een jongetje in haar schoot, verbood dat. (4) De bijvrouwen die dit ontdekten dienden haar vergif toe met haar voedsel, maar met het gif werd Sagara ['met vergif'] geboren, die een keizer werd met een grote vermaardheid. Zijn zonen waren verantwoordelijk voor de plaats genaamd Gangâsâgara. (5-6) Hij doodde niet de anti-socialen [Tâlajangha's, of boom-mensen], zij die tegenstreefden [de Yavana's, ook: bezetters als de Moslims en de Europeanen], de goddelozen [de S'akâ's], de schurken [Haihaya's] en de barbaren [Barbara's]. In opdracht van de goeroe deed hij hen verschijnen in ongewone kleding, glad geschoren, snorren dragend of soms accepteerde hij ze als mensen met loshangend haar, half geschoren, zonder ondergoed aan of als ze helemaal geen kleren aan hadden. (7) Hij naar wat Aurva had gezegd was in de yoga met de Superziel van alle vedische kennis en de verlichte zielen, en was met paardoffers van aanbidding voor de Heer, het Oorspronkelijke Zelf en de Beheerser. Op een dag ontdekte hij dat het paard dat werd gebruikt voor het offer was gestolen door Purandara [Indra[Indra, zie ook 4.19: 17]. (8) De trotse zoons geboren uit Sumati [een vrouw van Sagara] zetten toen in opdracht van hun vader het hele land op z'n kop om uit te vinden waar het paard was gebleven. (9-10) In de noordoostelijke richting zagen ze een paard nabij de âs'rama van Kapila en zeiden: 'Nu weten we waar die paardendief met zijn ogen dicht leeft; doodt hem, doodt hem die zondaar!' Toen aldus de zestigduizend mannen van Sagara met hun wapens geheven op hem afkwamen, opende de muni op dat moment zijn ogen. (11) Van hun verstand beroofd [door Indra] en in overtreding met zo een grote persoonlijkheid [als Kapila], vatten hun lichamen ter plekke spontaan vlam en veranderden ze in as. (12) Het is niet het standpunt van de wijzen te beweren dat de zonen van de keizer dus tot as werden verbrand door de woede van de muni, want hoe kan nu met hem [Hem] als de hemel der goedheid door wiens genade het ganse universum gezuiverd raakt, de geaardheid der onwetendheid overwegen en er woede ontstaan - hoe kan aards stof de ether vervuilen? (13) Met hem die zo diepgaand de wereld analytisch verklaarde [zie 3.25-33] en er in deze wereld is als een boot waarmee een zoeker de oceaan der onwetendheid kan oversteken die men in zijn materiële bestaan zo moeilijk te boven kan komen - hoe kan er daar, met een geleerd persoon verheven in bovenzinnelijkheid, enig idee van een onderscheid zijn tussen vriend en vijand? [zo iemand is altijd vreugdevol: prasannâtmâ] (14) Hij die geboren uit Kes'inî [Sagara's andere echtgenote] Asamañjasa werd genoemd had als prins een eigen zoon bekend als Ams'umân die altijd zijn best deed om voor zijn grootvader te doen wat hij maar kon. (15-16) Voorheen een yogi, zoals hij zich dat kon herinneren uit een vorig leven, was Asamañjasa van het pad van de yoga afgedwaald vanwege slecht gezelschap en had hij zich persoonlijk bewezen op een hoogst storende manier. Zich slecht gedragend bezorgde hij iedereen in de samenleving moeilijkheden en was hij, voor de sport met zijn verwanten bezig, alleronaardigst geweest door al de jongens in de rivier de Sarayû te smijten. (17) Van deze daden [de jongens waren verdwenen] werd hij door zijn vader, die zijn liefde voor hem op had gegeven, zowaar verbannen. Met de macht van de yoga [echter] slaagde hij erin de jongens weer te laten verschijnen en ging hij weg. (18) O Koning, de bewoners van Ayodhyâ waren stomverbaasd om hun zonen weer te zien opduiken terwijl het de koning oprecht speet [dat nu zijn zoon verdwenen was]. (19) Ams'umân er door de koning toe opgedragen op zoek te gaan naar het paard, ging er op uit het spoor volgend dat zijn ooms hadden achtergelaten en trof het paard aan nabij een hoop as. (20) Toen hij de Bovenzinnelijke [de Vishnu avatâra] die bekend stond als Kapila zag, bracht hij de grote persoonlijkheid oplettend met gevouwen handen gebeden waarbij hij zich languit voorover wierp.
(21) Ams'umân zei: 'Niemand van ons levende wezens kan zich een voorstelling maken van U als de Transcendentale. Tot op de dag van vandaag kan zelfs Heer Brahmâ U niet doorgronden en door welk mediteren of ernaar raden zouden anderen dat, wij schepselen van de materiële wereld die, het lichaam aanziend voor het zelf, de bovenzinnelijkheid missen [zie ook B.G. 7: 27]? (22) Zij die een materieel lichaam aanvaardden onder de invloed van de drie geaardheden [de guna's, zie ook B.G. 14: 5] kunnen enkel die drie geaardheden zien, zo zegt men, en verbijsterd door de illusieverwekkende energie U niet kennen die zich in goedheid bevindt in de kern van het hart van het lichaam; ze zien enkel maar de uiterlijke bijprodukten. (23) Door Sanandana en andere aanbiddelijke wijzen die vrij zijn van de vervuilende en verbijsterende illusoire differentiatie veroorzaakt door de guna's, wordt alle wijsheid met de oorspronkelijke aard [svabhâva] tot één geheel samengevoegd [zie B.G. 14: 26 & 2: 45], maar hoe kan ik als een dwaas der materie nu U, de Persoonlijkheid [van die eenheid], in gedachten houden? (24) O Vreedzame, ik bied U, de Oorspronkelijke Allerhoogste Persoonlijkheid, mijn eerbetuigingen, U die zonder een naam en een vorm, transcendentaal aan het tijdelijke en eeuwige, teneinde de bovenzinnelijke kennis uit te dragen, naar de geaardheden der natuur een materieel lichaam heeft aangenomen dat zich kenmerkt door vruchtdragende handelingen. (25) Met hun huis en haard, Uw materiële energie aanvaardend als ware het datgene waar het om gaat, dolen ze [geboorte na geboorte] rond in deze wereld in hun harten verbijsterd door lust, hebzucht, afgunst en illusie. (26) O Allerhoogste Heer, door U enkel maar te zien is vandaag deze harde en hechte knoop van onze illusie doorbroken als gevolg waarvan men in zijn zinnelijkheid onder de invloed staat van de lust en de baatzucht, o Ziel van alle levenden!'
(27) S'rî S'uka zei: 'O meester der mensen, de grote wijze en Allerhoogste Heer Kapila op deze manier verheerlijkt, zei Ams'umân genadig het volgende over het pad der kennis. (28) De Allerhoogste Heer zei: 'Neem dit paard mijn zoon, het is het offerdier van uw grootvader, maar al deze lichamen van uw voorvaderen die tot as verbrand zijn kunnen op geen enkele andere manier worden gered dan door Ganges-water.' (29) Na om Hem heen gelopen te hebben, voor Hem buigend tot Zijn voldoening, bracht hij het paard terug naar Sagara en werd door middel van het offeren van dat dier de afsluitende ceremonie volbracht. (30) Het pad volgend uitgestippeld door Aurva droeg hij [Sagara], bevrijd van gehechtheden en verlangens, het koninkrijk over aan Ams'umân en bereikte hij de allerhoogste bestemming.'
De Dynastie van Ams'umân
(1) S'rî S'uka zei: 'Ams'umân die voor een lange tijd boete deed met het verlangen om de Ganges te doen nederdalen was niet succesvol en stierf toen na verloop van tijd. (2) Zijn zoon Dilîpa was, net als zijn vader, er ook niet toe in staat en stierf eveneens ten prooi aan de tijd. Daarop was zijn zoon Bhagîratha in zijn boetedoening van de grootste verzaking. (3) Aan hem verscheen de godin [moeder Gangâ] die zei: 'Zeer tevreden als ik ben zal ik uw gebeden verhoren', en aldus aangesproken zijn wens in vervulling zien gaand [dat de Ganges de as zou wegwassen, zie 9.8: 28] verboog die heerser der mensen zich vol respect.
(4) [Moeder Gangâ zei:] 'Wie is er in staat om het geweld van mijn golven te dragen met mij neerkomend op deze aarde? Als niemand mij opvangt zou ik het oppervlak van de aarde opensplijten, o meester der mensen, en op weg zijn naar de lagere regionen! (5) Bovendien kan ik me niet richting aarde begeven omdat - en neemt u alstublieft dit in overweging o Koning - ik van de mensen die zich reinigen met mijn water de zondigheid zal moeten wegwassen.'
(6) S'rî Bhagîratha zei: 'De geheiligde verzakers van de wereld die vreedzaam en deskundig naar de regels allen verlossen, zullen de zondigheid van u wegnemen, daar ze badend in uw water de Overwinning op Alle Zonde, de Heer [zie ook 1.13: 10 en 6.1: 15] in zich dragen. (7) De god der vernietiging, Rudra, zal uw geweld dragen daar hij van de belichaamde wezens de Superziel is in wie het gehele universum lang en breed zich ophoudt als de draden in een doek [*].'
(8) Nadat dit was gezegd was hij, de heerser, van boete met Heer S'iva; onverwijld stemde hij de Al-gunstige tevreden zodat zijne goddelijkheid waarlijk snel was behaagd, o Koning [**]. (9) 'Zo zij het', zei Heer S'iva die allen steeds welgezind is, nadat hij door de koning was toegesproken, en met grote aandacht droeg hij de Ganges die zuiver is van het afspoelen van Vishnu's voeten [zie ook 5.17]. (10) Hij Bhagîratha, de heilige koning, bracht haar die het hele universum kon verlossen naar de plaats waar de as zich bevond van de lichamen van zijn voorvaderen. (11) Vooropgaand, met de snelheid van de wind zich voortbewegend in een wagen, werd hij door haar gevolgd terwijl ze alle landen zegende met haar heiligheid tot ze over de verbrande zonen van Sagara vloeide. (12) Alhoewel de zoons van Sagara verdoemd waren vanwege het schofferen van een brahmaan, kon enkel de eenvoudige beroering van haar water met hun overblijfselen ze het goddelijke doen bereiken. (13) Als de zoons van Sagara wiens lichamen tot as verbrandden al naar de hemel gingen na in aanraking te zijn gekomen [met de Ganges], hoezeer zou dat dan niet gelden voor hen die volhardend in geloften met geloof en toewijding de godin aanbidden? (14) Het wonder van haar water dat hiermee beschreven is, is op zich niet zo bijzonder; ze is er van nature toe in staat de banden der gehechtheid te doorbreken omdat ze ontspringt aan de Lotusvoeten van de Eeuwige. (15) Geheiligde mensen die in geloof met hun geesten vol van aandacht zijn, vinden zuivering ondanks de moeilijkheid het op te geven met de drie geaardheden der natuur; door hen wordt de spirituele kwaliteit van het Allerhoogste terstond bereikt.
(16-17) Van Bhagîratha werd een zoon geboren genaamd S'ruta, van hem was er Nâbha - die verschilt van degene die ik eerder beschreef [zie 5.3] - en door Nâbha werd Sindhudvîpa geboren door wie later Âyutâyu werd geboren. Zijn zoon Ritûparna was een vriend van Nala. Van Nala kreeg hij kennis van het trainen van paarden in ruil voor de geheimen van het gokken. Ritûparna had een zoon genaamd Sarvakâma. (18) Van hem was er Sudâsa wiens zoon [Saudâsa] als de echtgenoot van Damayantî de troon besteeg en naar verluid ook wel bekend stond als Mitrasaha en Kalmâshapâda. Hij, die vanwege zonden zonder een zoon bleef, werd ooit eens vervloekt door Vasishthha om een menseneter te worden [een Râkshasa].
(19) De koning zei: 'Zeg me alstublieft, als het geen geheim is, wat was de reden van de vloek van de geestelijk leraar tegen Saudâsa, deze grote ziel? Dat zou ik graag willen weten.'
(20-21) S'rî S'uka zei: 'Saudâsa ging er soms op uit om te jagen en had in het verleden een Râkshasa gedood, maar de broer die hij liet ontkomen, vervolgde hem daarna in wrake. Met kwade bedoelingen deed hij zich voor als de kok van de koning en schotelde de geestelijk leraar die bij hem thuis kwam dineren, het vlees van een mens voor dat hij klaargemaakt had. (22) Zijn voedsel inspecterend vond de machtige meester het van binnenuit wel aanvoelend ongeschikt om te consumeren en vervloekte hij de koning zeer kwaad met: 'Hiervoor zal je voorwaar in een menseneter veranderen!' (23-24) Toen hij erachter kwam dat het te wijten was aan de Râkshasa volbracht hij, om ermee af te doen, een twaalfjarige boetedoening. Saudâsa echter had een handvol water genomen met de bedoeling zijn goeroe te vervloeken, maar zijn vrouw Madayantî verbood dat. Hij morste het water potent van de [s'apa-]mantra over zijn benen waarna die heer der mensen toen in alle richtingen in de ether overal de oppervlakte van de aarde kon zien krioelen van het leven. (25) Hij kreeg de neigingen van een wildeman en een zwarte vlek op zijn been [om reden waarvan hij bekend stond als Kalmâshapâda]. In het bos levend zag hij [eens] een brahmaans echtpaar op het moment dat ze geslachtsgemeenschap hadden. (26-27) Honger lijdend greep hij de brahmaan maar zijn vrouw zei: 'U moet wel zeer ongelukkig zijn, arm en hongerig, maar een Râkshasa bent u niet; in feite bent u een grote krijgsheer van de Ikshvâku-dynastie, de echtgenoot van Madayantî, o held; het is niets voor u om tegen het dharma te handelen. Alstublieft laat mijn man gaan, deze tweemaal geboren ziel wiens verlangen een zoon te krijgen nog niet in vervulling is gegaan. (28) O Koning, dit menselijk lichaam is van goede daden terwille van het Volledige van het Levende Wezen en zo zou, zogezegd, het doden van hem, o held, gelijk staan aan het beëindigen van alle goede kansen! (29) Hij hier is een in de Veda goed onderlegde brâhmana, die van verzaking, goed gedrag en toegerust met alle goede eigenschappen vastbesloten is het Brahmân te eren, de Allerhoogste Persoonlijkheid die bekend staat als de levende Ziel van alle wezens boven wie Hij de kwaliteit is. (30) Hij, deze brahmaan en beste van alle wijzen, hoe kan hij, zoals het is met een zoon met zijn vader, het verdienen om door u, de beste van alle geheiligde koningen, met uw bewustzijn van de religie, o macht van de staat, te worden gedood? (31) Hij is een heilige vrij van zonden, een spreker van de Absolute Waarheid; hoe kan u vanuit uw goede zelf van waardering in de hoogste kringen, eraan denken om hem ter dood te brengen: dat zou zoiets zijn als het doden van een embryo of een koe! (32) Zonder hem kan ik zelfs niet een moment leven en ben ik als een lijk; als hij u tot voedsel moet dienen eet mij op dan in zijn plaats.'
(33) Met de vrouw, op deze manier zo deerniswekkend smekend en weeklagend als een vrouw die haar man heeft verloren, verorberde hij, Saudâsa, daar hij door de vloek ertoe was verdoemd, hem zoals een tijger dat doet met zijn prooi. (34) De brâhmana vrouw, de kuise dame, toen ze zag hoe de man, die op het punt stond haar te bevruchten, door de Râkshasa werd opgegeten, moest hard vanuit het diepst van haar wezen huilen en sprak kwaad geworden een vloek uit tegen de koning. (35) 'Omdat u de echtgenoot hebt gedood van een vrouw die moeite deed om geslachtsgemeenschap te hebben zal u, o zondaar, onder de vloek te lijden hebben eveneens de dood te vinden als u het probeert uw zaad te lozen, o verrader der beschaving!'
(36) Na op deze manier Mitrasaha ['zich te buiten gaand met vrienden' ofwel Saudâsa] te hebben vervloekt vond ze, ertoe geneigd bij hem te blijven, haar bestemming het vuur binnengaand dat oplaaide uit de botten van haar echtgenoot. (37) Toen na twaalf jaar Saudâsa bevrijd was [van de vloek van Vasishthha] en hij het probeerde om sex met zijn vrouw te hebben werd hij tegengehouden door de koningin die hem aan de vloek van de brâhmanî herinnerde. (38) Zodoende moest hij van toen af aan ervan afzien met zijn vrouw gelukkig te zijn en bleef hij door het lot zonder een zoon. Vasishthha werd het toen toegestaan een kind te verwekken in Madayantî, zijn vrouw. (39) Zij droeg waarachtig het kind voor de duur van zeven jaren in haar schoot het niet ter wereld brengend, maar met het slaan van een steen tegen haar onderbuik was er een zoon van haar die om die reden As'maka ['van ons'] werd genoemd. (40) Van As'maka werd Bâlika geboren. Dit kind werd beschermd door een menselijk schild bestaande uit vrouwen en daarnaar vernoemd [als 'Nârîkavaca']. Toen er nergens meer heersers waren te bekennen [daar Heer Paras'urâma ze allen ter dood had gebracht] werd hij Mûlaka ['ontsprongen uit'], hij die alle kshatriya's voortbracht. (41) Van Bâlika was er een zoon genaamd Das'aratha, zijn zoon was Aidavidi en van hem was er de beroemde koning Vis'vasaha die Khathvânga voortbracht die keizer werd. (42-43) Hij, zeer verwoed, doodde op verzoek van de goddelijken de Daitya's op het slagveld en fixeerde toen hij huiswaarts keerde, wetend dat hij geen seconde langer te leven had, zich in de geest met het bidden van: 'Noch de aarde, mijn koninkrijk of mijn beminde echtgenote; noch mijn zoons en dochters, mijn weelde of mijn leven zijn voor mij zo aanbiddelijk als de goddelijken van de brahmaanse gemeenschap gerespecteerd in mijn familie [***]. (44) Zelfs niet als kind voelde ik me aangetrokken tot of genoot ik van het areligieuze, noch heb ik er ooit iets in gezien om iets anders als zijnde van enige waarde te achten dan de Heer Geprezen in de Geschriften, Uttamas'loka. (45) Door de godvrezenden werd mij de gunst toegekend te hebben wat ik ook maar verlangde maar die claim over de drie werelden kon ik niet aannemen; al wat ik verlang in deze wereld is volledig verzonken te zijn in de Allerhoogste Heer [vergelijk B.G. 9: 34]. (46) Als zelfs zij, de goddelijken, in hun zinnen en geesten altijd zijn afgeleid zonder de meest geliefde Eeuwige van de Ziel te kennen die zich ophoudt in hun harten, wat kan men dan van anderen verwachten [zie B.G. 18: 55]? (47) Laat me daarom in liefdevolle dienst de gehechtheid opgeven aan de geaardheden der natuur, de zo machtige materiële heerschappij van mâyâ in door mensen tot stand gebrachte zaken welke als luchtkastelen zijn, en mezelf aan Hem overgeven, de Ene Ziel die het hele universum schiep.'
(48) Aldus op een intelligente manier vastbesloten volledig in de greep van Nârâyana verkerend, gaf hij het op met alle andere zorgen die enkel maar onwetendheid zijn en vond hij zichzelf daarna in de positie van zijn oorspronkelijke liefdevolle dienst. (49) Dat wat zodanig wordt gekend als het Allerhoogste Brahmân dat alle beschrijving te boven gaat is niet iets onpersoonlijks of leegs zoals men zou kunnen denken; het is de Allerhoogste Heer Vâsudeva van wie de waarheidlievende mensen aan het zingen zijn [zie ook 1.2: 11].'
*: Prabhupâda citeert: Heer S'iva wordt beschreven in de Brahmâ-samhitâ (5.45):
ks'îram yathâ dadhi vikâra-visesa-yogât
sanjâyate na hi tatah prithag asti hetoh
yah S'ambhutâm api tathâ samupaiti kâryâd
govindam âdi-purusham tam aham bhajâmi
"Melk verandert in yoghurt als die wordt vermengd met een yoghurt cultuur, maar eigenlijk is yoghurt in de grond niets anders dan melk. Zo ook neemt, Govinda, de Hoogste Persoonlijkheid van God, de gedaante van Heer S'iva aan voor het bijzondere doel van materiële transacties. Ik biedt de voeten van Heer Govinda mijn eerbetuigingen."**: Heer S'iva wordt ook wel Âs'utosha genoemd: snel behaagd.
***: De vaishnava geeft dagelijks uitdrukking aan zijn respect voor het brahmaanse in zijn offerandes de Heer aanbiddend met dit gebed:
namo brâhmanya-devâya
go brâhmana-hitâya ca
jagad-dhitâya krishnâya
govindâya namo namah
"Ik biedt de Allerhoogste Absolute waarheid, Krishna mijn eerbetuigingen aan, die de wensvervuller van de koeien en de brahmanen is zowel als van de levende wezens in het algemeen. Ik biedt telkens weer mijn eerbetuigingen aan Govinda, die de bron van vreugde is voor alle zinnen."
Het Spel en Vermaak van Heer Râmacandra
(1) S'rî S'uka zei: 'Van Khathvânga was Dîrghabâhu er, van hem werd de roemrijke en bedreven Raghu geboren, van wiens zoon Aja de grote koning Das'aratha ter wereld kwam. (2) Op de gebeden van de godsbewusten was er van hem de Absolute Waarheid in vier gedaanten met de Allerhoogste Heer in eigen persoon en drie deelaspecten van Hem; zij verschijnend als vier zoons, stonden aldus bekend als: Râma, Lakshmana, Bharata en S'atrughna. (3) Van Zijn bovenzinnelijke wederwaardigheden als de echtgenoot van Sîtâ, o Koning, hebt u meer dan genoeg vernomen [*] middels de fraaie beschrijvingen door de vele zieners en kenners van de Werkelijkheid [vergelijk B.G. 4: 34]. (4) Trouw aan de leer [gehoor gevend aan een belofte die Zijn vader had gedaan] liet Hij de koninklijke positie achter zich en trok Hij, op Zijn blote lotusvoeten die zo teergevoelig waren als de palm van een hand, van woud tot woud rond in het gezelschap van Zijn beminden [Sîtâ en Lakshmana] die Zijn vermoeidheid op het pad wegnamen. Hij werd [door Râvana] gescheiden van Zijn lieveling Sîtâ omdat hij S'ûrpanakhâ had verminkt [de zuster van Râvana wiens neus eraf werd gesneden] en kreeg ondersteuning van de koning der apen [Hanumân]. Over de oceaan, die in angst verkeerde voor Zijn in woede geheven wenkbrauwen, werd een brug geslagen [naar Lankâ, de verblijfplaats van Râvana] en werd Hij, als een bosbrand de afgunstigen verzengend, de koning van Ayodhyâ. Moge Zijn genade op ons rusten.
(5) Met een [as'vamedha-]offer van Vis'vâmitra werd Zijn eer verdedigd van het daadwerkelijk met Lakshmana als de toezichthouder, gedood hebben van de dolenden in de duisternis aangevoerd door Mârîca, de grote aanvoerders van de Râkshasa's.
(6-7) Het was Hij die van al de helden in de wereld in de zaal waar Sîtâ haar echtgenoot zou uitkiezen de machtige boog van S'iva oppakte die door driehonderd man gedragen moest worden. Hij spande hem op, o Koning, en brak hem in tweeën zoals een olifantje een stuk suikerriet in tweeën breekt. Na eerst de overwinning behaald te hebben het goddelijke meisje genaamd Sîtâ aan Zijn borst te vinden, die qua kwaliteiten, manier van doen, leeftijd en leden een volmaakt koppel met Hem vormde, ontmoette en versloeg Hij op weg naar huis met haar de diepgewortelde trots van Bhrigupati [Paras'urâma] die drie keer [zeven, dus een-en-twintig keer] de aarde had bevrijd [van haar last aan onrechtvaardige heersers] die nu zonder de adel Hem als het zaad had. (8) Hij had inderdaad, het hoofd buigend voor het gebod van Zijn vader die al te gehecht zijn vrouw een belofte had gedaan [**], te aanvaarden dat Hij het koninkrijk, het paleis, de weelde, de verwanten, en vrienden achter zich moest laten en in het bos moest gaan leven als een bevrijde ziel. (9) Met Hem, rondtrekkend door het woud ontberingen doorstaand, werd de zuster van de Râkshasa [Râvana] haar lichaam verminkt omdat ze een geest had bedorven door de lust en werden, met in Zijn handen Zijn onoverwinnelijke boog en pijlen, de veertienduizend van haar vele vrienden met Khara, Tris'ira en Dûshana voorop, door Hem gedood.
(10) O heerser der mensen, het aanhoren van de verhalen over Sîtâ, bracht het hart van de tien-koppige Râvana op hol en deed hem zich verlustigen bij de gedachte haar te zien. Mârîca in de gedaante van een gouden hert leidde Hem toen af, weg van waar ze zich ophielden, en werd, zoals S'iva dat deed met Daksha [zie 4.5: 22], toen door Hem ter plekke met een scherpe pijl gedood. (11) Met Hem samen met Zijn broer in het bos, werd de onbeschermde dochter van de koning van Videha [Janaka] door de tijger, de inslechte Râkshasa, weggekaapt waarna Hij rondtrekkend, zich voordoend als een man die aangetrokken tot vrouwen erover in ellende verkeert dat hij gescheiden is van zijn vrouw, aldus een [s'ringâra-rasa] voorbeeld gaf van waar gehechtheid allemaal toe leidt. (12) Na de crematie van hem die terwille van Hem zijn leven had gegeven [de adelaar Jathâyu], doodde Hij Kabandha [een vormloos monster zonder kop] en sloot Hij vriendschap met de aanvoerders van de horden apen zodat hij Sîtâ kon bevrijden. Hij wiens voeten worden aanbeden door Brahmâ en S'iva, maar zich vertoonde als een normaal mens, bracht vervolgens in hun kringen Vâli ter dood [een slechte broer van Hanumân] waarna Hij zich, begeleid door de apensoldaten, naar de kust van de oceaan begaf. (13) De oceaan stil van angst voor Zijn woedende blik - waarvan alle krokodillen en haaien van streek waren - droeg, een persoonlijke gedaante aannemend, op zijn hoofd alles mee wat noodzakelijk was voor de aanbidding van Hem, en zei, met het bereiken van de lotusvoeten, het volgende: (14) 'Wij, die traag van begrip zijn, zijn er werkelijk niet toe in staat, o Allerhoogste, U te kennen als zich ophoudend in de kern van het hart als de Oorspronkelijke Persoon en Allerhoogste Meester van alle Universa; de God-bewusten onder Uw leiding gefixeerd in hun aandacht zijn zot van de goedheid, de heersers over de mensen zijn zot van de hartstocht, terwijl de beheersers van het fysieke bestaan [als spoken] onder de invloed van de traagheid staan, maar Uwe Heerlijkheid bent in Uw positie de Heerser over al deze geaardheden. (15) U mag oversteken naar Uw wens! Versla enkel die zoon van Vis'ravâ genaamd Râvana, die smet van urine over de drie werelden, en win Uw vrouw weer terug o held. Sla hier een brug zodat Uw roem zich mag verbreiden; de grote koningen en helden die er nog zullen zijn zullen daarvoor allen de loftrompet over U steken.'
(16) Nadat de Meester van de Raghu-dynastie met allerhande bergpieken compleet met bomen en planten, die met de hand werden vervoerd door de apen, een brug had gebouwd in de oceaan [***], betrad Hij, geholpen door de aanwijzingen van Vibhîshana [een deugdzame broer van Râvana], met de soldaten aangevoerd door Sugrîva, Nîla en Hanumân [het eiland] Lankâ dat even te voor in brand was gestoken [door Hanumân's staart]. (17) Aldaar waren de huizen van plezier, graanschuren, schatkamers, paleisdeuren en stadspoorten, vergaderruimten, uitbouwen van de paleizen en [zelfs de] duiventillen met geweld ingenomen en ontmanteld door de Vânara [mensapen]-leiders die als een kudde olifanten de pleinen en kruispunten, met al hun vlaggen en gouden waterpotten op de daken veranderden in één kolkende rivier. (18) De meester der Râkshasa's beval, toen hij dat zag, Nikumbha, Kumbha, Dhûmrâksha, Durmukha, Surântaka en Narântaka het gevecht aan te gaan, en riep daarbij ook zijn zoon Indrajit, zijn volgelingen Prahasta, Atikâya, Vikampana en op het laatst ook Kumbhakarna [zijn machtige broer, zie 4.1: 37, 7.1: 44 en 7.10: 36] tot de strijd op. (19) Al de râkshasa soldaten met hun moeilijk te weerstane zwaarden, lansen, bogen, gekartelde projectielen en spiesen, toortsen, speren en kromzwaarden stelden zich voor Hem op die omringd werd door Sugrîva, Lakshmana, Hanumân, Gandhamâda, Nîla, Angada, Riksha, Panasa en anderen.
(20) De commandanten van de soldaten van de Heerser van de Raghu-dynastie, gezamenlijk tegen alle vijanden, bevochten de horden op olifanten, te voet, vanaf strijdwagens en te paard. Door de krijgers geleid door Angada en anderen werden ze met bomen, bergpieken, knuppels en pijlen allen gedood daar de kansen van Râvana's aanhang zich hadden gekeerd, vervloekt als ze waren door de woede van moeder Sîtâ. (21) De râkshasa leider ziedend dat zijn troepen waren verslagen dirigeerde vervolgens zijn voertuig naar de frontlinie in de richting van de stralende Râma die, schitterend op de strijdwagen van Indra die Mâtali [de menner] had gebracht, hem raakte met de scherpste pijlen. (22) Râma zei tot hem: 'Jij dienaar van het schuim der aarde, aangezien jij, misdadiger, als een hond Mijn weerloze vrouw hebt ontvoerd zal Ik, als de Tijd in eigen persoon, als degene die in Zijn heldhaftigheid nimmer faalt, je als gevolg van die schaamteloze daad vandaag bestraffen, jij waanzinnige schurk [zie ook B.G. 16: 6-18!'
(23) Hem aldus terechtwijzend liet Hij de pijl los die Hij op Zijn boog had aangelegd en die pijl doorboorde als een bliksemstraal zijn hart. Bloed opgevend uit al zijn tien monden stortte hij vanuit zijn hemelwagen naar beneden terwijl al zijn mensen brulden: 'Och arme, wat is ons nu overkomen?', net zoals de vromen dat doen als ze ten val komen [zie ook B.G. 9: 21]. (24) Daarna kwamen de vrouwen van de demonen aangevoerd door Mandodarî [Râvana's echtgenote] uit Lankâ tevoorschijn en weeklaagden ze toen ze naderbij kwamen [en hun dode echtgenoten zagen]. (25) Hun geliefden en vrienden die allen door Lakshmana's pijlen waren gedood, sloegen, zo zielig, zich op hun borst en huilden daarbij, [voor de overwinnaars] aangenaam om te horen, deerniswekkend: (26) 'O helaas, gedood is hij die in het verleden ons allen beschermde! O, Râvana, oorzaak van ons huilen, tot wie moet de staat van Lankâ zich nu wenden, haar toevlucht zoeken nu ze, overweldigd door de vijand, verstoken is van jouw goede zelf? (27) O grote beschermheer, als gevolg van een val onder de invloed van wellustige verlangens, had je er werkelijk geen idee van hoezeer moeder Sîtâ je in een situatie als deze kon doen belanden. (28) O glorie van de dynastie, om wat je gedaan hebt moeten wij en de staat Lankâ het nu zonder een beschermer stellen en is je lichaam er als voer voor de gieren en je ziel tot de hel verdoemd [vergelijk B.G. 16: 19].'
(29) S'rî S'uka zei: 'Met de goedkeuring van de Koning van Kosala [Râma] voerde, van de [Râvana-]familie, Vibhîshana de begrafenisriten uit die voor een overledene in acht moeten worden genomen om hem van de hel te redden. (30) Vervolgens trof de Allerhoogste Heer in een as'oka-bos Zijn lief aan schuilend in een klein hutje aan de voet van een s'ims'apâ [as'oka]boom, zeer vermagerd onder het lijden van Hem gescheiden te zijn. (31) Râma die Zijn teerbeminde echtgenote er zo slecht aan toe zag was zeer bewogen door medeleven toen Hij haar aantrof, en met haar, toen ze haar geliefde zag, maakte een grote vreugde zich meester van haar lotusgelijke mond. (32) De Allerhoogste Heer, die voor de duur van een kalpa Vibhîshana belastte met de heerschappij over de Râkshasa's van Lankâ, plaatste haar op Zijn voertuig en stapte er toen zelf in tezamen met Hanumân en de broeders [Lakshmana en Sugrîva, de commandant] om terug te keren naar hun thuishaven [Ayodhyâ] en om een einde te maken aan de tijd van de gelofte [om voor veertien jaar weg te blijven]. (33) Onderweg werd Hij bedolven onder een keur aan geurige bloemen aangeboden door de hogere klasse ter ere van Zijn buitengewone optreden en waren de ziener van de absolute waarheid [Brahmâ] en zij die bij hem hoorden van een uitbundige vreugde. (34) Hem van het Grote Mededoge speet het erg om te horen hoe Zijn broeder Bharata met samengeklit haar neerliggend op een kus'a-mat, at van rijst die in koeienurine was gekookt en zichzelf hulde in boomschors. (35-38) Bharata vernemend over de aankomst nam de twee sandalen op Zijn hoofd [die Râma op de troon had achtergelaten om Hem te vertegenwoordigen] en ging, in gezelschap van de hele burgerij, de ministers en de priesters, Zijn oudste broer tegemoet om Hem te verwelkomen. Vertrekkend vanuit Zijn kamp Nandigrâma waren er gezangen, de geluiden van muziekinstrumenten, een niet aflatende recitatie van mantra's door brahmanen, met goud geborduurde vlaggen op gouden wagens getrokken door de prachtigste, met goud opgetuigde, paarden en soldaten in met goud overdekte wapenrustingen. In processie met fraai aangeklede courtisanes en dienaren en ook soldaten te voet en al het verdere dat gepast zou zijn voor een koninklijke ontvangst, zoals een grote rijkdom aan allerlei soorten juwelen, viel Hij neer aan de lotusvoeten in een extatische liefde die de kern van Zijn [ascetisch] hart deed smelten en Zijn ogen deed vullen met tranen. (39-40) De twee slippers plaatste Hij met gevouwen handen voor Zijn gouden broeder waarop Hij Hem omhelsde met Zijn wangen nat en Hij Hem in Zijn armen voor een lange tijd baadde met het water van Zijn ogen. Râma, tezamen met Lakshmana en Sîtâ, boden persoonlijk de geleerden en de andere eerbiedwaardige personen hun eerbetuigingen en ontvingen die ook weer terug van al de burgers. (41) Toen ze hun Heer weer terug zagen keren na zo vele jaren, wuifden de burgers van Kosala met hun bovenkleding, boden ze Hem bloemenslingers en begonnen ze in grote vreugde te dansen. (42-43) De sandalen werden door Bharata gedragen, de wuifkwast en de rijk versierde waaier door Vibhîshana en Sugrîva, een witte parasol door de zoon van de Maruts [Hanumân], de boog en de twee pijlenkokers door S'atrughna, Sîtâ droeg de waterpot met water van de heilige plaatsen, Angada had het zwaard van goud en de koning van de Riksha's [Jâmbavân, de leider van de beren die ook hielpen bij de strijd] hield het schild vast, o Koning. (44) Zittend op Kuvera's hemelse wagen [de 'Pushpaka' veroverd op Râvana] deed Hem, de Allerhoogste Heer, met de devote gebeden van de vrouwen en de reciteerders, o Koning, voorkomen zo mooi als de maan gerezen tussen de planeten.
(45-46) Naar behoren verwelkomd door Zijn broeder werd Hij daarna feestelijk ingehaald in de stad Ayodhyâ. Het koninklijk paleis binnengaand bewees Hij moeder Kaikeyî, Zijn andere stiefmoeders en Zijn eigen moeder [Kaus'alyâ] de eer. De geestelijk leraren, vrienden van hun leeftijd en de jongeren waren allen vol aanbidding en gepast werd het welkom door Hem, de prinses van de Videha's [Sîtâ] en Lakshmana geretourneerd. (47) Als lichamen ontwakend uit de slaap kwamen hun moeders tot leven en bevochtigden ze, met hun zoons op hun schoot, hen met een onophoudelijke stroom tranen met het opgeven van hun verdriet [zo lang van hen gescheiden te zijn geweest]. (48) Met het eraf scheren van het samengeklitte haar, werd door de familiepriester en de ouderen van de familie overeenkomstig de vidhi met het water van de vier oceanen en andere benodigdheden een baad-ceremonie uitgevoerd naar model van de zuivering van Koning Indra [zie 6: 13]. (49) Na aldus van top tot teen te zijn gebaad, fraai aangekleed, opgesierd en met bloemen te zijn omhangen, straalde Hij helder met Zijn broeders en Zijn echtgenote. (50) Behaagd met de overgave aanvaardde Hij de troon Hem aangeboden door Zijn broeder en sloot Hij ook de burgers in Zijn hart die, bezig met de beroepsmatige verplichtingen van hun status-oriëntaties [varnâs'rama, zie B.G. 4: 13], allen in aanmerking kwamen voor Zijn bescherming; Râma was daarin precies als een vader en door hen werd Hij ook beschouwd als zijnde hun vader.
(51) Hoewel het Tretâ-yuga was werd de periode van Râma's aanwezigheid als de koning aan de macht een tijd gelijk aan die van Satya-yuga daar Hij regeerde met het volste respect voor het dharma dat alle levende wezens gelukkig maakt [zie ook 12.3: 15]. (52) De bossen, de rivieren, heuvels en bergen, de landen en de eilanden, de oceanen en de zeeën boden al de levende wezens alles wat ze zich maar konden wensen voor hun voortbestaan, o beste der Bharata's. (53) Er was geen lijden [door eigen toedoen, anderen en de natuur], geen ziekte, ouderdom, treurnis, leed, weeklagen, angst en moeheid of een niet gewilde dood toen Heer Râma, Hij Verheven Boven Alles, koning was. (54) Gezworen niet een andere vrouw te nemen [om principiële redenen scheidde Hij van Sîtâ, zie volgende hoofdstuk] vormde Hij, als een heilige Koning zuiver van karakter en dharma, een voorbeeld voor met name de huishouders middels Zijn persoonlijke plichtsbetrachting. (55) In liefdevolle dienst jegens haar echtgenoot was Sîtâ door haar goede inborst altijd onderworpen en stond ze klaar Hem te behagen, en nam ze kuis en onbevreesd, terughoudend, met begrip voor de positie van haar echtgenoot, Zijn geest in beslag.'
*: Dit en het volgende hoofdstuk vormen een samenvatting van Vâlmîki's Râmâyana, het oorspronkelijk geschrift dat de geschiedenis van Râma beschrijft.
**: Prabhupâda legt uit: 'Mahârâja Das'aratha had drie vrouwen. Een van hen, Kaikeyî, diende hem naar genoegen, en om die reden wilde hij haar een gunst verlenen. Kaikeyî, echter, zei dat ze om de gunst zou vragen als dat nodig was. Ten tijde van de kroning van Prins Râmacandra, verzocht Kaikeyî haar echtgenoot om haar zoon Bharata op de troon te zetten en Râmacandra het bos in te sturen. Mahârâja Das'aratha, die vast zat aan zijn belofte, droeg Râmacandra op naar het woud te gaan, zoals zijn geliefde dat had bedongen.'
***: Deze brug is tot de dag van vandaag werkelijk aanwezig in de vorm van een nauwe land-engte dicht aan het oceaan-oppervlak tussen Lankâ en India, die de Adamsbrug wordt genoemd en bestaat uit een aaneenschakeling van zandbanken, ongeveer 30 km lang [zie afbeelding en artikel].
Heer Râmacandra Regeert de Wereld
(1) S'rî S'uka zei: De Allerhoogste Heer Râma, de Godheid, het hart en de ziel van de godsbewusten, accepteerde een âcârya zodat van Hemzelf door Hemzelf met de grootste weelde er aanbidding was in het uitvoeren van offerplechtigheden [zie ook 4.31: 14]. (2) De hotâ priester [hij die de offergaven offert] wees Hij het gehele oosten toe, de brahmâ priester [die de gang van zaken voor het offeren superviseert] ontving van Zijne Heerlijkheid het zuidelijke gebiedsdeel, de adhvaryu priester [die de yayur mantra's reciteert ter voorbereiding van de plechtigheid] kreeg het gehele westen en het noordelijk gebied ging naar de udgâtâ priester [die de sâma-veda hymnen zingt]. (3) Denkend dat de brahmanen vrij van begeerte het volledige ervan verdienden, schonk Hij de leraar van het voorbeeld, de âcârya, de rest van al het land dat zich tussen de gebieden in bevond. (4) Alles wat Hij voor zichzelf hield op deze wijze waren Zijn persoonlijke sierselen en kledingstukken terwijl de koningin, de dochter van de koning van Videha, slechts de ring door haar neus restte. (5) Maar toen ze zagen hoe Hij als de God der brahmanen van een dergelijke zorgzaamheid was, smolten, verguld als ze met Hem waren, hun harten en vereerden ze Hem met gebeden, Hem alles weer teruggevend wat ze hadden ontvangen en zeiden ze: (6) 'Wat ook hebt U ons niet geschonken o Allerhoogste Heer, o Meester van het Universum? Met U binnengaand in de kern van ons hart verdrijft U, met Uw gloed, het duister van onze onwetendheid. (7) Aan U onze eerbetuigingen Râmacandra, o beste van alle beroemdheden, U wiens heugenis en kennis, in Uw goddelijk respect voor de brahmanen, nimmer verstoord zijn door angst. Zij die boven alle sancties verheven zijn [de wijzen] zijn overgeleverd aan Uw voeten!'
(8) Op een avond benieuwd naar de publieke opinie ging Râma in vermomming onopgemerkt eropuit en hoorde Hij iemand spreken die het had over zijn [en Zijn] echtgenote: (9) 'Ik kan je hier niet langer hebben aangezien je een onreine, onkuise vrouw bent die het met andere mannen houdt; ik zal het niet nog eens pikken om me door jou op m'n kop te laten zitten zoals zelfs Râma dat doet met Sîtâ!' (10) Beducht voor volk dat, niet wetende waar te stoppen, met een gebrek aan kennis allerlei nonsens uitkraamt, werd zij [Sîtâ] door haar echtgenoot verlaten en ging ze naar de hermitage van Prâcetasa [Vâlmîki Muni]. (11) Zwanger zijnde bracht zij aldaar, toen de tijd er rijp voor was, tweelingzoons ter wereld die bijgevolg van de wijze die de geboorte-plechtigheden voltrok de namen Kus'a en Lava kregen toebemeten ['van het gras' en 'dat wat is afgesneden']. (12) Ook Lakshmana had twee zoons: Angada en Citraketu [vernoemd naar 6.14-17] en Bharata, o grote heerser, had er twee die men zich herinnerde als Taksha en Pushkala. (13-14) Subâhu en S'rutasena kwamen door S'atrughna ter wereld. De Gandharva's [oplichters en gokkers] werden met miljoenen tegelijk gedood door Heer Bharata die in Zijn overwinningstocht al de windstreken onder het gezag van de Koning [Râma] plaatste aan wie Hij al hun rijkdommen overdroeg. De Râkshasa luisterend naar de naam Lavana, een zoon van Madhu, werd gedood door S'atrughna in het grote woud Madhuvana alwaar hij de grootse stad bekend als Mathurâ grondvestte. (15) De wijze haar zoons toevertrouwend verdween Sîtâ, die verbannen door haar echtgenoot bleef mediteren op Râma's voeten, onder de grond. (16) Hierover vernemend was Hij, Râma, de Allerhoogste Heer, Zich haar kwaliteiten herinnerende in al de verschillende omstandigheden, niet in staat Zijn verdriet te beteugelen, hoezeer Hij ook trachtte die met Zijn intelligentie uit te bannen. (17) Een dergelijke aantrekking tussen man en vrouw is algemeen een bron van zorgen; zelfs voor de grote beheersers - wat zou het dan wel niet inhouden voor de gewone man die verslingerd is aan een huishoudelijk bestaan? (18) Nadat ze naar de hemel was gegaan nam Hij strikt het celibaat in acht en voerde de Heer een plechtigheid op, een vuur-offer [Agnihotra], dat dertienduizend jaar lang zonder onderbreking werd voortgezet. (19) Daarna plaatste Râma de lotusblaadjes die Zijn voeten waren en die geschramd waren door de doornen van het Dandakâranya woud [alwaar Hij tijdens zijn verbanning verbleef], in de harten van hen die Hem in gedachten houden en ging Hij, het Licht van de Ziel [âtma-jyoti], over in het Voorbije.
(20) De Heer van de Raghu-dynastie [Râma], zich geestelijk tot ons verhoudend in Zijn spel en vermaak, had, met niemand groter of gelijk aan Hem, [persoonlijk] geen behoefte aan al deze roem, aan al de gebeden van de godsbewusten, aan het doden van de Râkshasa's, een brug te slaan over de oceaan en Zijn boog en pijlen, noch had Hij de apen nodig om Hem bij te staan in het verslaan van de vijand [vergelijk B.G. 3: 20-26]. (21) Hem wiens onbezoedelde faam in koninklijke samenkomsten tot op de dag van vandaag wordt verheerlijkt, Hem van wie de zonde verdrijvende lotusvoeten voor de geheiligden zijn wat het kleed dat de olifant der victorie bedekt is voor de goden van de hemel en de koningen der aarde, die het begroeten met hun helmen - aan die Meester van de Raghu-dynastie geef ik mij over. (22) Hij, naar wie de mensen van Kosala uitzagen en die ze wilden aanraken, werd door hen allen, of ze nu met Hem aten en sliepen ofwel Hem respecteerden als een dienaar, gevolgd naar de plaats waarheen Hij vertrokken was, daar waar alle [bhakti-]yoga-beoefenaren naar toe gaan [zie ook B.G. 4: 9]. (23) Welke persoon ook die verneemt over de handelingen van Heer Râma zal enkel daardoor al bevrijd raken van de menselijke zwakheid [van de afgunst, of de erfzonde], o Koning, en verlost worden uit zijn verstriktheid in het karma.
(24) De koning vroeg: 'Hoe verhield Hij, de Allerhoogste Heer, Râma, zich tot Zijn broeders die Zijn persoonlijke expansies waren en hoe gedroegen Zij, zowel als al Zijn mensen, Zijn onderdanen, zich jegens Hem, hun Heerser?'
(25) De zoon van Vyâsadeva zei: 'Na de troon te hebben bestegen droeg Hij, de Heer van het Universum, Zijn jongere broers op de wereld te veroveren [*] terwijl Hij persoonlijk Zijn volk audiëntie verleende en de gang van zaken in de hoofdstad tezamen met andere medewerkers in het oog hield. (26) De straten waren besprenkeld met geparfumeerd water en door het musth van de olifanten. Om Hem te zien, hun Heer en Meester, aanwezig in eigen persoon was de grootste en hoogste verrukking. (27) In de paleizen, bij de paleispoorten, in de ruimten van samenkomst, op de podia en in de huizen van God en zo meer, waren gouden waterpotten geplaatst samen met vlaggen. (28) Overal werd Hij ontvangen met de feestelijkheid van welkomstpoorten, draperieën, bloemenslingers, betelnoot, snijbloemen en vruchten, bananenbomen, kleurige vlaggen en spiegels. (29) Hem benaderend, droeg de plaatselijke bevolking, waar Hij ook maar op bezoek kwam, hun benodigdheden voor de aanbidding met zich mee om zich te verzekeren van Zijn zegen zeggende: 'O mijn Heer, houdt dit land in stand dat U, zoals U dat voorheen hebt gedaan, hebt gered [als de andere vishnu-avatâra's]'. (30) De mannen en de vrouwen in de stad verlieten daarna, begerig hun koning terug te zien keren na zo'n lange tijd, hun huizen om op de daken te gaan zitten van de grotere woningen zodat ze hun hongerige ogen de kost konden geven met de aanblik van de Heer met de Lotusogen en Hem met bloemen konden bestrooien. (31-34) Hij ging daarop dan de woning waar Zijn familieleden leefden binnen die door Zijn voorouders was veranderd in een ongekende schatkamer die helemaal volstond met de meest kostbare voorwerpen. De deurposten waren van koraal, de pilaren in rijen langs de gepolijste marakata vloeren [van smaragd] waren van vaidûrya-gesteente, er waren adembenemende marmeren fonteinen, alle soorten bloemen en vlaggen, een rijke stoffering en een onzeglijke hemel naar ieders verlangen aan artikelen opgesierd met parels en de meest kostbare stralende edelstenen. Met al de bossen bloemen, de geurige wierook en de lampen leken de mannen en vrouwen aldaar, wiens lichamen in schoonheid wedijverden met hun opsmuk, wel halfgoden. (35) Daar genoot Hij, de Allerhoogste Heer Râma [let.: 'de bron der vreugde'], altijd behaagd door Zijn teerbeminde echtgenote, moeder Sîtâ, Zijn persoonlijke geluk als de leider van de grootste geleerden. (36) Voor vele vele jaren genoot Hij zonder ophouden, met de mensen mediterend op Zijn lotusvoeten, en zonder met het dharma in overtreding te komen, van alle geneugten van het leven.'
*: S'rî Caitanya Mahâprabhu zei over deze Râma-missie van het veroveren van de wereld: 'prithivîte âche yata nagarâdi grâma sarvatra pracâra haibe mora nâma'; Een zuivere toegewijde, daarom, moet de opdracht van de Heer ten uitvoer brengen en niet zijn zinnen bevredigen door te blijven steken op één plaats, valselijk trots, denkend omdat hij Vrindâvana niet verlaat maar chant op een afgezonderde plaats hij een grote toegewijde is geworden. Hij zei ook: 'yâre dekha, târe kaha 'krishna'-upades'a'; iedere toegewijde, derhalve, moet het Krishna-bewustzijn verspreiden door te prediken, een ieder die hij ontmoet vragend om de opdracht van de Hoogste Persoonlijkheid van God te aanvaarden [Cc. Madhya 7.128].
De Dynastie van Kus'a, de Zoon van Heer Râmacandra
(1) S'rî S'uka zei: 'Van Kus'a [de zoon van Heer Râma] was er Atithi, en van hem was er Nishadha; Nishadha's zoon was Nâbha, Pundarîka kwam na hem en Kshemadhanvâ werd zijn zoon. (2) Devânîka was de zoon van Kshemadhanvâ, de zijne was Anîha die Pâriyâtra als zoon had; Pâriyâtra's zoon was Balasthala en die had weer een zoon genaamd Vajranâbha die afstamde van de zonnegod. (3-4) Van Sagana [van Vajranâbha] was er een zoon genaamd Vidhriti van wie de zoon Hiranyanâbha werd geboren die een leraar in de yoga werd naar Jaimini. Yâjñavalkya bestudeerde als discipel onder hem de spiritualiteit van Kaus'alya [âdhyâtma-yoga, zie 6.15: 12-15]: de hoogst verheven yoga waarin men een ziener wordt die in staat is de materiële knopen in het hart door te snijden. (5) Van Pushpa, de zoon van Hiranyanâbha, kwam Dhruvasandhi ter wereld van wie er Sudars'ana was. Na hem kwam Agnivarna wiens zoon S'îghra heette en Maru was zijn zoon. (6) Zijn persoon existeert nog steeds in Kalâpa-grâma ['verzameling van gemeenschappen'] als iemand volmaakt in de yoga; daar blijvend zal hij aan het einde van Kali-yuga een zoon verwekken zodat de verloren gegane dynastie van de zonnegod weer opnieuw tot leven komt. (7) Van hem was er een zoon: Prasus'ruta die Sandhi had en van hem kwam er een zoon genaamd Amarshana van wiens zoon Mahasvân hij die Vis'vabâhu heette zijn geboorte nam. (8) Van hem was er Prasenajit van wie Takshaka dan weer zijn geboorte zou nemen. Van Takshaka was er Brihadbala, hij die toen door uw vader in een gevecht werd gedood.
(9) Al deze koningen van de Ikshvâku-dynastie behoren allemaal tot het verleden, verneem nu over hen die nog komen: na Brihadbala zal er een zoon zijn genaamd Brihadrana. (10) Brihadrana's zoon zal Ûrukriya zijn, van hem zal Vatsavriddha zijn geboorte nemen, Prativyoma zal zijn zoon zijn en van hem zal Bhânu er zijn, wiens zoon Divâka een grote legeraanvoerder wordt. (11) Sahadeva uit hem geboren zal een grote held op de wereld zetten: Brihadas'va, van wie Bhânumân er zal zijn. Van Bhânumân zal Pratîkâs'va vader zijn van de zoon Supratîka. (12) Marudeva zal daarna geboren worden en van hem zal Sunakshatra er zijn; vervolgens zal Pushkara er zijn en zijn zoon Antariksha zal Sutapâ zijn wiens zoon Amitrajit wordt. (13) Brihadrâja zal dan van hem Barhi voortbrengen, Kritañjaya uit hem geboren zal een zoon genaamd Ranañjaya krijgen en van hem zal Sañjaya ter wereld komen. (14) Van hem zal S'âkya er zijn wiens zoon de gedenkwaardige S'uddhoda zal wezen. Hij wordt vader van Lângala van wie er Prasenajit zal zijn, die op zijn beurt de vader zal zijn van Kshudraka. (15) Ranaka zal uit Kshudraka geboorte nemen, Suratha zal de zoon daarna zijn, en hij die uit hem voortkomt, Sumitra, zal het einde van de lijn van al deze koningen in de Brihadbala-dynastie vormen. (16) Van al deze afstammelingen van Ikshvâku zal Sumitra in de toekomst als de laatste verschijnen omdat met hem als koning het hoogste zal zijn bereikt voor Kali-yuga.'
Het Verhaal van Nimi en de Dynastie van zijn Zoon Mithila.
(1) S'rî S'uka zei: 'Nimi [zie 9.6: 4], de zoon van Ikshvâku, benoemde van zins een offer te brengen Vasishthha als de priester en die zei: 'Ik ben al besproken voor Heer Indra, o Mahârâja. (2) Als ik klaar ben met die offerplechtigheid zal ik terugkomen, wacht tot dan op me'.
Nimi hield zich stil en [Vasishthha] voerde de offerplechtigheid uit voor Indra. (3) Met de goeroe een lange tijd weggebleven dacht Nimi: 'Het leven is maar kort' en liet de plechtigheid een aanvang nemen met een andere zelfverwerkelijkte ziel als de leidende priester.
(4) Na de plechtigheden te hebben afgerond ontdekte de goeroe toen hij terugkeerde dat men afweek van de instructies die hij gegeven had en om die reden sprak hij een vloek uit: 'Moge het lichaam van Nimi, die denkt dat hij zo geleerd is, ten onder gaan!'
(5) Nimi [op zijn beurt] vervloekte de goeroe, die in ontkenning van zijn religieuze praktijk probeerde te floreren, terug met: 'En moge uw lichaam, zo slecht bewust van het dharma met uw begeerte, eveneens ten onder gaan!'
(6) Aldus moest Nimi, volledig bekend met de spirituele kennis, zijn lichaam opgeven. Vasishthha, de grootvader [stierf ook maar] werd met [het zaad van] Mitra en Varuna [opnieuw] geboren uit Urvas'î [de courtisane van de hemel, zie ook 6.18: 5-6]. (7) Nimi's lichaam werd geconserveerd in geurige substanties en aan het eind van het Sa(t)tra-offer [een langdurend Soma-offer] formuleerden zij van God die zich verzameld hadden het volgende: (8) 'Moge dit lichaam van de capabele koning door ons gekoesterd, tot leven komen!'
Nadat ze zich zo hadden uitgedrukt gaf Nimi ten antwoord: 'Bindt me niet aan een materieel lichaam! (9) Er afkerig van om valselijk verenigd te zijn verlangen spirituele filosofen [jñâni's] het noch om op die manier in contact te staan noch om van een dienst te zijn als die van de grote heiligen die aan de lotusvoeten verzonken zijn in gedachten over de Heer [zie bhajan]. (10) Ik wens het niet een lichamelijke vorm aan te nemen die gedoemd is weer te sterven, het is overal voor iedereen, net als met vissen die in het water leven, de oorzaak van alle leed, treurnis en angst [zie ook 1.13: 47 en B.G. 9: 3].'
(11) De goddelijken zeiden: 'Leef, zoals u het wenst, zonder een lichaam; in de ogen van de belichaamden mag u gemanifesteerd zijn dan wel niet gemanifesteerd nu we u aanschouwd hebben in uw geestelijk bestaan!'
(12) Met het oog op de gewone man bevreesd voor anarchie karnden de grote zieners het verscheiden lichaam van Nimi en kwam aldus een zoon ter wereld [vergelijk: 4.14: 43 en 4.15: 1]. (13) Vanwege zijn ongewone geboorte raakte hij bekend als Vaideha ['vrij van een lichaam'] omdat hij werd geboren uit Videha [Nimi die zonder een lichaam was]. Zowel hij als de stad die hij grondvestte stonden bekend als Mithila vanwege het uit het karnen geboren zijn. (14) Van hem was er een zoon genaamd Udâvasu, hij die uit hem geboren werd was Nandivardhana, Suketu volgde hem op en zijn zoon droeg de naam Devarâta, o grote heerser. (15) Van hem was Brihadratha er, Mahâvîrya was er van hem en hij werd de vader van Sudhriti die een zoon had genaamd Dhrishthaketu. Hij op zijn beurt kreeg Haryas'va na wie Maru er was. (16) Maru's zoon was Pratîpaka en van hem kwam Kritaratha ter wereld. Van hem kwam Devamîdha en zijn zoon Vis'ruta had er een genaamd Mahâdhriti. (17) Kritirâta volgde en van hem was er Mahâromâ als zoon wiens zoon Svarnaromâ een zoon had die Hrasvaromâ heette om de dynastie voort te zetten. (18) Van hem werd S'îradhvaja [Koning Janaka] geboren die voor het uitvoeren van offers de aarde omploegend vooraan bij de punt ervan [of de s'îra] Sîtâdevî geboren zag [de vrouw van Râma, Sîtâ betekent 'de ploegvoor'], om welke reden hij gevierd werd als S'îradhvaja. (19) Kus'adhvaja was S'îradhvaja's zoon en zijn zoon was koning Dharmadhvaja wiens twee zoons Kritadhvaja en Mitadhvaja heetten. (20-21) Kritadhvaja kreeg Kes'idhvaja en Mitadhvaja's zoon was Khândikya, o Koning. Kritadhvaja's zoon was een expert in de wetenschap der transcendentie en Khândikya was een expert in de vedische rituelen. De laatstgenoemde sloeg op de vlucht uit angst voor Kes'idhvaja. Van Bhânumân, Kes'idhvaja's zoon, was er de zoon S'atadyumna. (22) S'uci was zijn zoon en van hem kwam de zoon Sanadvâja ter wereld. Ûrjaketu, zijn zoon, had Aja die daarna Pûrujit als zoon kreeg. (23) Ook hij had een zoon: Arishthanemi, en van zijn zoon S'rutâyu was er Supârs'vaka die de vader werd van Citraratha van wie de zoon Kshemâdhi de koning van Mithilâ werd. (24) Zijn zoon genaamd Samaratha had er een genaamd Satyaratha. Door hem werd Upaguru geboren die Upagupta verwekte die een gedeeltelijke expansie was van Agni [de god van het vuur]. (25) Vasvananta [van Upagupta] zijn zoon daarna stond bekend onder de naam Yuyudha die een zoon had genaamd Subhâshana en zijn zoon was S'ruta. Hij had Jaya en Jaya kreeg Vijaya. Vijaya's zoon was Rita. (26) Van hem kwam de zoon S'unaka ter wereld, toen kwam Vîtahavya en zijn zoon was Dhriti. Dhriti verwekte de zoon Bahulâs'va en van hem was Kriti er die een zoon had genaamd Mahâvas'î. (27) Dit zijn de afstammelingen van Mithila, o Koning, die bij genade van de Heer van de Yoga allen ware kenners van de ziel waren en bevrijding vonden van de wereldse dualiteit, ondanks dat ze thuis bleven.'
Koning Purûravâ in de Ban van Urvas'î
(1) S'rî S'uka zei: 'En verneem nu hierna [na de verhalen over de dynastie van de zonnegod], o Koning, over de dynastie van de maangod, want, om te luisteren naar de louterende beschrijvingen van de koningen met Aila [of Purûravâ] voorop van die dynastie, is een zegenrijk iets. (2) Van de Allerhoogste Geest die duizenden hoofden heeft, Dhâtu [het 'oorspronkelijke element' of Heer Brahmâ], hij die was verschenen op de lotus die voortkwam uit het meer van de navel [van Vishnu], was er een zoon genaamd Atri met dezelfde kwaliteiten als zijn vader. (3) Vanuit zijn vreugdetranen werd een zoon geboren [zie ook 4.1: 15]: Soma, de god van de maan met zijn nectargelijke stralen die daadwerkelijk door Brahmâ was aangesteld als het heersende gezag over de geleerden, de medicinale kruiden en de hemellichten [zie ook B.G. 10: 21 en 6.6: 23]. (4) Hij, na de drie werelden te hebben veroverd, voerde een râjasûya-offer uit en ontvoerde in zijn arrogantie met geweld de vrouw van Brihaspati genaamd Târâ. (5) Toen de geestelijk leraar der godvruchtigen bij herhaling om haar verzocht liet hij in zijn lust haar niet gaan en brak er om die reden een strijd uit tussen de Sura's en de Dânava's. (6) Vanwege de vijandigheid van S'ukra ['zaad', de geestelijk leraar van de Asura's] jegens Brihaspati koos S'ukra met de Asura's de kant van de maangod, maar S'iva met de angstaanjagenden en spookachtigen die hem volgen koos vervuld van genegenheid voor [Brihaspati,] de zoon van zijn goeroe [die Angirâ was uit wie hij lering trok]. (7) De grote Indra nagevolgd door al de verschillende halfgoden sloot zich aan bij de geestelijk leraar [Brihaspati] en de strijd die alzo enkel en alleen om Târâ uitbrak eiste van sura en asura een hoge tol. (8) De beweger van het Universum, Heer Brahmâ, die hier volledig van op de hoogte was gesteld door Angirâ gaf Soma een zware uitbrander en overhandigde Târâ aan haar echtgenoot die ontdekte dat ze zwanger was.
(9) [Brihaspati zei tot haar:] 'Jij dwaze vrouw, breng meteen, breng onmiddellijk dat kind ter wereld uit die baarmoeder die voor mij was gereserveerd; hoewel bevrucht door een ander zal ik jou, ontrouw als je bent, niet op de brandstapel zetten omdat je een vrouw was die smachtte naar een kind.'
(10) Târâ diep beschaamd bracht een kind ter wereld dat een gloed had als van goud, hetgeen Brihaspati en Soma deed begeren naar het kind. (11) 'Het is van mij, niet van jou!' riepen ze over en weer elkaar bevechtend om het kind, maar toen al de geheiligden en goden vragen begonnen te stellen kon Târâ er in haar schaamte niets over vertellen.
(12) Het kind zei kwaad geworden op zijn moeder: 'Wat heeft die schaamte nu voor nut, waarom spreekt u zich niet uit en houdt u het geheim; zeg me nu direct wat voor vergissing u begaan hebt!'
(13) Haar gerust stellend nam Heer Brahmâ haar apart en verzocht hij haar om nadere uitleg waarop ze schoorvoetend toegaf: 'Dit kind behoort Soma toe'. Meteen nam Soma het toen onder zijn hoede. (14) Omdat het zo diep intelligent was verkeerde de god van de maan in opperste verrukking dat hij zo'n zoon had gekregen en vereerde Heer Brahmâ het met de naam Budha. (15-16) Van hem werd, zoals ik al zei [in 9.1], uit Ilâ [de voormalige Sudyumna] Purûravâ geboren. Toen Urvas'î [zie ook 9.13: 6] aan Indra's hof Nârada hoorde spreken over zijn schoonheid, kwaliteiten, grootmoedigheid, gedrag, weelde en macht zocht de devî hem op en werd ze getroffen door de pijlen van Cupido. (17-18) Van de vervloekingen van Mitra en Varuna had de vrouw een aantal menselijke gewoonten overgehouwen en zocht ze, toen ze zag hoe de beste der mannen zo mooi was als Cupido, geduldig en bedeesd zijn gezelschap. Toen hij, de koning, de goddelijke dame ontwaarde, richtte hij zich enthousiast tot haar met lieve woorden, stralende ogen en zijn haren overeind van verrukking. (19) De achtenswaardige koning zei: 'Weest welkom o schoonste der schonen, neem alsjeblieft plaats, wat kan ik voor je betekenen? Hou me gezelschap en deel voor vele, vele jaren mijn bed!'
(20) Urvas'î zei: 'Welke vrouw zou zich niet aangetrokken voelen met de gedachte aan en aanblik van u, o schone man, en er van afzien de lust en liefde aan uw borst te genieten? [zie ook 7.9: 45] (21) Deze twee lammetjes, o Koning, zijn ten val gekomen en hebben behoefte aan uw bescherming, o achtenswaardige gastheer; in het gezelschap van een superieure echtgenoot zo zegt men kan een vrouw de seksuele vereniging genieten. (22) Dat wat met ghee bereid is, o held van mij, zal mijn voedsel zijn en ik wil u op geen enkel ander ogenblik naakt zien dan tijdens de geslachtsgemeenschap.'
'En zo zal het dan zijn' beloofde de grote ziel. (23) 'Zie toch hoe mooi je bent en wat een houding je hebt, niemand op deze aarde is zo aantrekkelijk, wie kan er nu zo'n godin weerstaan die in eigen persoon is nedergedaald tussen de menselijke wezens!'
(24) Met haar genoot hij, de beste onder de mensen, wat er naar zijn zin maar te genieten viel in de meest uitgelezen plaatsen en lusthoven als Caitraratha [zie ook 5.16: 13-14]. (25) Verguld met haar en immer meer opgewonden door de geur van haar prachtige gezicht, genoot hij er iedere dag van om voor een lange tijd het leven met haar te delen, dat godsgeschenk dat zo zoet was als de saffraan van een lotus. (26) Urvas'î niet meer ziend zei Indra tot de zangers van de hemel: 'Zonder mijn Urvas'î is mijn verblijf niet meer wat het was'.
(27) Dus kwamen ze in het holst van de nacht, toen alles in duisternis was gehuld, om Urvas'î's twee lammetjes weg te stelen die zij als de vrouw van de koning hem had toevertrouwd. (28) Toen zij hen, die zij als haar zoons behandelde, hoorde schreeuwen toen ze werden meegenomen zei ze: 'Het is gedaan met me, met zo een slechte eunuch van een echtgenoot die zichzelf voor een held houdt! (29) Op hem vetrouwend, heb ik nu dankzij hem die gedurende de dag een kerel is maar 's nachts als een vrouw wegkruipt uit angst voor plunderaars, mijn twee 'zoons' verloren.'
(30) Getroffen door de pijlen van haar scherpe woorden nam hij, als een opgejaagde olifant, in het donker een zwaard ter hand en ging hij woedend naakt naar buiten. (31) Zij [de Gandharva's], baadden nadat ze de lammetjes hadden teruggegeven, het hele terrein in een licht zo fel als de bliksem, zodat Urvas'î haar echtgenoot naakt kon zien terugkeren met de twee in zijn handen [en dus vertrok ze]. (32) Hij die zijn vrouw niet meer in bed aantrof, weeklaagde helemaal van streek zeer terneergeslagen in zijn gehechtheid aan haar en begon de hele aarde als een dolleman af te zoeken. (33) Hij ontdekte Urvas'î in Kurukshetra [een pelgrimsoord, zie ook B.G. 1: 1] aan de Sarasvatî met vijf metgezellen en dolgelukkig sprak Purûravâ haar één en al glimlach aan met de zachtste woorden: (34) 'Oh, mijn echtgenote, blijf, blijf, wees niet zo wreed. Je zou mij niet op hebben moeten geven omdat ik je tot dusverre niet gelukkig wist te maken. Laten we eens wat praten. (35) Dit fraaie lijf van mij, zo ver van huis meegevoerd door jou, zal ter plekke dood neervallen o devî, en de vossen en gieren zullen het verslinden als het niet je goedkeuring weg kan dragen!'
(36) Urvas'î zei: 'Wees een man, vlucht de dood niet in, laat die vossen van de zinnen je niet opvreten; je kan echt niet altijd rekenen op de vriendschap van de vrouwen die met het hart als de wolven kunnen zijn. (37) Pas er voor op, vrouwen [, als mannen hun plicht verzaken, zie B.G. 1: 40] kennen geen genade, zijn doorgewinterd, moeilijk te hanteren, wagen het te doen waar ze maar zin in hebben en halen inderdaad jou als trouwe echtgenoot en broeder naar beneden om de geringste reden zo zegt men. (38) Ze wekken [in hun tactieken] valse hoop in de niets vermoedende, keren [als ze ontevreden zijn] hun weldoeners de rug toe, willen altijd maar nieuwere en nieuwere dingen, bezwijken makkelijk voor de verleiding en zijn [als het moet] ware kampioenen in de onafhankelijkheid. (39) Aan het einde van ieder jaar mag je goede zelf rekenen op enkel één nacht met mij, mijn echtgenoot, om de liefde te bedrijven zodat je de één na de ander kinderen op deze wereld kan zetten, mijn liefste [zie ook 6.18: 38-42].'
(40) Ziend dat Urvas'î zwanger was keerde hij naar zijn paleis terug om aan het einde van het jaar op diezelfde plek Urvas'î, de moeder van een held, weer terug te zien. (41) Met het bereiken van die omgang herenigde hij zich opgetogen met haar genietend van haar gezelschap. Toen de nacht was verstreken zei Urvas'î tot de armzalige die in de put zat bij de gedachte van haar gescheiden te zijn: (42) 'Ga en zoek je heil bij de zangers van de hemel, de Gandharva's, ze zullen je mijns gelijke bieden als je ze tevredenstelt met gebeden', en dat [agnisthâlî] meisje voortgebracht door het vuur van het offer o Koning, deed hem, door het woud lopend, denken dat ze echt was. (43) Het surrogaatmeisje opgevend [sthâlî betekent surrogaat] begon hij, teruggekeerd uit het woud, thuis de hele nacht te mediteren in de tijd dat Tretâ Yuga op het punt stond zijn aanvang te nemen en werden voor zijn geestesoog de drie [trikânda principes van de Veda's, van upâsanâ: offeren, lied en gebed; karma: vruchtdragende arbeid en jñâna: spirituele kennis] onthuld. (44-45) Op weg naar waar hij zijn sthâlî-vrouw had achtergelaten zag hij dat een As'vattha was ontsproten uit het binnenste van een s'amî boom. Van hen twee maakte hij, in zijn verlangen te geraken waar Urvas'î was, twee houtjes [om vuur te maken] en mediteerde hij, de meester van het rijk, met mantra's [*] op Urvas'î als het liggend houtje, zichzelf als het bovenste houtje en wat er tussen hen was als het kind dat hij verwekt had. (46) Uit de wrijving kwam een vuur voort, het vuur dat zo de zoon werd van de koning waarvan er de drie [jâtavedâ] bekende vormen van vedische vervulling zijn [van een leven hebben met je fysieke vader, je geestelijk leraar en met de offers die je brengt, maar ook met de drie letters AUM en de drie offervuren genaamd Âhavanîya, Gârhapatya and Dâkashinâgni]. (47) Op die manier aanbad hij, begeertig Urvas'î's plaats te bereiken, de Beheerser Aller Offers, de Hoogste Persoonlijkheid Gods voorbij aan de zinnen die de Heer is en het Reservoir van alle Halfgoden [zie ook B.G. 3: 10]. (48) Vroeger [in Satya-yuga] waren met slechts één enkele mantra, te weten het omkâra van de Pranava, alle verbale [vedische, atharva] uitingen gedekt, was Nârâyana de enige God en bestond er voor Agni voorzeker geen andere varna [klasse, kleur of roeping] dan één enkele [genaamd hamsa**]. (49) Aldus was er van Purûravâ het vedisch drietal bij de aanvang van Tretâ Yuga, o heerser der mensen; door eenvoudigweg als zijn zoon het vuur te genereren bereikte de koning de verblijfplaats van de Gandharva's.
* In deze samenhang is sprake van de mantra's: 's'amî-garbhâd agnim mantha' 'van binnen de s'amî wordt het vuur opgewekt' en 'urvas'yâm urasi purûravâh': 'door Urvas'î het beste van Purûravâ'.
** In Satya-yuga, werd Heer Nârâyana aanbeden middels meditatie (krite yad dhyayâto vishnum): iedereen mediteerde en behaalde succes zich bezinnend op Heer Vishnu, Nârâyana. In de volgende yuga, Tretâ-yuga, nam het uitvoeren van offerplechtigheden zijn aanvang (tretâyâm yajato mukhaih). In Dvâpara-yuga wordt de Heer aanbeden als een koning, terwijl in Kali-yuga de Heer er is als Zijn eigen toegewijde [een bedekte of channa-avatâra] om leiding te geven in toewijding.
Paras'urâma, de Heer als Krijgsheer
(1) De zoon van Vyâsadeva zei: 'Door Purûravâ waren er uit Urvas'î's schoot zes zoons, o heerser der mensen: Âyu, S'rutâyu, Satyâyu, Raya, Vijaya en Jaya. (2-3) S'rutâyu had een zoon Vasumân, Satyâyu had er ook een genaamd S'rutañjaya, van Raya was er een zoon genaamd Eka en van Jaya was er een zoon genaamd Amita. Bhîma was de zoon van Vijaya en daarna kwam Kâñcana als Bhîma's zoon. Van Hotraka, de zoon van Kâñcana, was er de zoon Jahnu die het water van de Ganges in één teug opdronk. (4) Van Jahnu werd inderdaad Pûru [zie 1.12: 15 & 3.8: 1] geboren en van hem was er daarna Balâka en zijn zoon Ajaka. Kus'a volgde en van Kus'a kwamen er daarna de vier zoons Kus'âmbu, Tanaya, Vasu en Kus'anâbha na wie Gâdhi verscheen als de zoon van Kus'âmbu. (5-6) Van Gâdhi was er de dochter Satyavatî die door de brahmaan Ricîka gevraagd werd zijn vrouw te zijn, maar hem niet geschikt achtend gaf Koning Gâdhi die zoon van Bhrigu ten antwoord: 'Levert u me alstublieft als bruidsschat voor deze dochter van de Kus'a-dynastie waartoe we behoren, duizend paarden zo stralend als het licht van de maan met ieder één zwart oor.' (7) Aldus verzocht begreep de wijze wat de bedoeling was en begaf hij zich naar waar Varuna zich bevond vanwaar hij de paarden bracht en opleverde waarna hij met de prachtige dochter in het huwelijk trad. (8) Hij als ziener werd door zijn vrouw en zijn schoonmoeder in een verlangen naar een zoon verzocht [om voor ieder van hen] een gerecht te bereiden, dat hij met mantra's aan hen beide aanbood [voor zijn vrouw met een brâhmana mantra en voor zijn schoonmoeder met een kshatriya mantra]. Toen ging de muni weg om een bad te nemen. (9) Ondertussen werd Satyavatî door haar moeder gevraagd de offergave die voor haar bedoeld was af te staan, omdat ze dacht dat de beste van de twee was. Ze deed er afstand van en at zelf van de offergave van haar moeder.
(10) Toen hij hier achter kwam zei de wijze tot zijn vrouw: 'Dat is een zeer betreurenswaardig iets wat je gedaan hebt, je zoon zal een fanatieke, bestraffende persoonlijkheid zijn terwijl de broer een spiritueel ontwikkelde geleerde zal zijn!'
(11) Satyavatî smeekte hem dat het niet zo zou zijn, en dus zei die zoon van Bhrigu: 'Zo niet, dan zal zijn zoon zo moeten worden!', en vervolgens kwam Jamadagni ter wereld.
(12-13) Zij [Satyavatî] werd ook groot en heilig, de hele wereld zuiverend als de Kaus'ikî [een rivier]. Jamadagni huwde zo Renukâ, de dochter van Renu, die van de ziener van Bhrigu werkelijk vele zonen het leven liet zien van wie Vasumân de oudste was en de alom befaamde Paras'urâma [ook bekend als Râma] de jongste zoon was. (14) Van hem [Paras'urâma] die eenentwintig keer optrad als de vernietiger van de Haihaya-dynastie, spreken allen als een [ams'a-]incarnatie van Vâsudeva; hij ontdeed de aarde van al haar kshatriya's. (15) Hij vaagde van de planeet de last weg van de ingebeelde, besturende klasse die, overdekt door hartstocht en onwetendheid verstoken van respect voor het brahmaanse gezag, door hem ter dood werd gebracht ondanks het feit dat ze geen grote overtreding had begaan [zie ook 1.11: 34].'
(16) De achtenswaardige koning zei: 'Wat was precies de overtreding die die corrupte edellieden die de beheersing kwijt waren begingen jegens de Allerhoogste Heer, en om reden waarvan telkens weer opnieuw de dynastie vernietigd werd?'
(17-19) De zoon van Vyâsa zei: 'De koning van de Haihaya's, Kârtavîryârjuna, de beste van alle kshatriya's, had, met een allesomvattend eerbetoon voor Dattâtreya - die een volkomen deelaspect is van Nârâyana -, daarvan een duizendtal armen gekregen en was, hoogst moeilijk te verslaan, onoverwinnelijk temidden van zijn vijanden, scherp van zinnen, zeer aantrekkelijk, van invloed, machtig, befaamd en fysiek zeer sterk. Met de weelde van de beheersing van de yoga waarin de perfecties als animâ [zie siddhi] en dergelijke worden gevonden, ging hij onvermoeibaar als de wind de hele wereld over. (20) Omringd door prachtige vrouwen [eens] genietend in het water van de Revâ [de Narmadâ], bracht hij, veel te trots op de bloemenslinger der victorie die hem was omhangen, de stroom van de rivier tot stilstand met zijn armen. (21) De ingebeelde held Tien-hoofd [Râvana] kon die invloed niet verdragen daar het water dat stroomopwaarts bewoog vanwege hem zijn kampement onder water had gezet. (22) Toen hij hem [de koning] in het gezelschap van de vrouwen had beledigd werd hij zonder veel moeite in hechtenis genomen en opgesloten in [hun hoofdstad] Mâhishmatî en toen weer vrijgelaten alsof het om een aap ging.
(23) Op een keer tijdens een jachtpartij voor zichzelf wat doelloos ronddolend door het bos, stuitte hij [Kârtavîryârjuna] op de âs'rama waar Jamadagni-muni zijn toevlucht had. (24) Hem, die god der mensen samen met zijn soldaten, ministers en de rest van zijn gevolg, kon de grote wijze als de triomf der verzaking door zijn koe van overvloed [kâmadhenu] alles bieden waar maar behoefte aan was. (25) Hij [de koning] die zag welk een soort van weelde groter dan zijn eigen persoonlijke verworvenheden het in feite betrof, kon dat werkelijk niet zo op prijs stellen en ontwikkelde met zijn Haihaya's een begeerte naar die koe van het vuur-offer. (26) In zijn eigenwaan moedigde hij zijn mannen aan de wijze zijn koe van overvloed weg te stelen, die door hem werd meegevoerd naar Mâhishmatî tezamen met het van het geweld krijtende kalf. (27) Nadat de koning vertrokken was werd Paras'urâma, nadat hij was teruggekeerd naar [zijn vaders] âs'rama, zo nijdig als een slang waar men op getrapt heeft toen hij van die schandelijke daad vernam. (28) Een afgrijselijke hakbijl ter hand nemend, een koker pijlen, een boog en een schild ging hij, Hij die Alsmaar Kwader Werd, achter ze aan als een leeuw die een olifant aanvalt. (29) Met hem, de beste van de Bhrigu's achter zich aan in woede met als zijn wapens een boog, pijlen en een hakbijl met zich meedragend, zag hij hem, de hoofdstad betredend met het zwarte hertenvel dat zijn lichaam bedekte en zijn samengeklitte lokken, stralen als het licht van de zon. (30) Hij stuurde er zeventien akshauhinî's [*] op af om hem te bevechten met olifanten, strijdwagens, paarden en voetvolk, met zwaarden, pijlen, lansen, slingers en wapens van vuur maar Paras'urâma, de Heersende Meester, doodde hen allen woest eigenhandig. (31) Waar ook wie ook werd door hem als de meest bedrevene in het hanteren van de hakbijl zo gezwind als de wind en zo rap als de geest in mootjes gehakt; met alle geweld van de doder van de valse orde lagen toen her en der de afgehakte armen en benen en schouderpartijen van de berijders van de olifanten en de paarden die afgeslacht ter aarde waren gestort. (32) Toen hij zag hoe zijn soldaten door de bijl van Râma in modder en bloed op het slagveld met alle pijlen, schilden, vaandels, bogen, en dode lichamen verspreid lagen, spoedde Haihaya [Kârtavîryârjuna] zich kwaad geworden herwaarts. (33) Kârtavîryârjuna legde toen met vijfhonderd van zijn armen tegelijkertijd evenzovele pijlen op evenzovele bogen aan om Râma te doden, maar hij als de meest bedrevene met de wapens sneed ze met slechts één boog alle aan stukken. (34) Opnieuw viel hij aan met door hemzelf uit de aarde gerukte heuvels en bomen, maar door Paras'urâma's messcherpe bijl werden met veel geweld ter plekke al de armen van hem die kwam aanstormen er afgehakt als waren het slangenkragen. (35-36) Ontdaan van zijn armen werd de bergpiek die zijn hoofd was van de romp geslagen en vluchtten al de tienduizend zoons weg in angst toen hun vader werd gedood. De koe en het kalf van het vuuroffer die zwaar te lijden hadden gehad terughalend, keerde de Doder der Valse Heldhaftigheid naar zijn vaders hermitage terug om ze aan hem over te dragen. (37) Nadat hij zijn vader en broers op de hoogte had gesteld van wat hij allemaal gedaan had, sprak Jamadagni nadat hij daarnaar geluisterd had als volgt:
(38) 'O Râma, Râma, zo groot en machtig, je heb een zonde begaan met het onnodig ter dood brengen van die meester der mensen die al de goddelijken belichaamt. (39) Wij inderdaad zijn brahmanen, mijn beste, die met hun vergevingsgezindheid een positie van respect verworven hebben; het is deze kwaliteit waardoor de god die de geestelijk leraar van het universum is [Heer Brahmâ] zijn positie als de hoogste autoriteit heeft gekregen. (40) Eenvoudigweg vergeven behaagt de Godin van het Geluk en zal haar zich doen verhouden tot het brahmaanse als het licht van de zon; met de genadigen zal de Allerhoogste Heer Hari, onze Beheerser, snel zijn behaagd. (41) De koning befaamd als keizer te doden is iets dat erger is dan het doden van een brahmaan, en daarom was die zonde van je af, mijn beste, met het eerbiedigen van de heilige plaatsen in het bewustzijn van de Onfeilbare.'
*: De Mahâbhârata beschrijft een akshauhinî in de Âdi parva, Hoofdstuk twee: "Eén strijdwagen, één olifant, vijf infanterie soldaten en drie paarden worden een patti genoemd door hen die thuis zijn in de wetenschap. Mensen met ervaring weten ook dat een senâmukha drie keer is was een patti is. Drie senâmukha's staan bekend als gulma, drie gulma's worden een gana genoemd, en drie gana's heten een vâhinî. Drie vâhinî's wordt door degenen die het weten beschouwd als een pritanâ, drie pritanâ's staan gelijk aan een camû, en drie camû's komen overeen met een anîkinî. Zij die weten refereren aan tien anîkinî's als zijnde een akshauhinî. De strijdwagens van een akshauhinî worden door hen die goed kunnen tellen beraamd op 21.870, o beste van de twee-maal geborenen, en het aantal olifanten is hetzelfde. De hoeveelheid infanteriesoldaten bedraagt 109.350, en het aantal paarden 65.610. Dit is wat men een akshauhinî noemt."
Hoe Heer Paras'urâma er Toe Kwam de Heersende Klasse Eenentwintig Keer te Vernietigen
(1) S'rî S'uka zei: 'O zoon van de Kuru-dynastie, Paras'urâma door zijn vader aldus van advies gediend zei: 'Zo zij het!', en reisde een jaar lang alle heilige plaatsen af om daarna naar de âs'rama terug te keren. (2) Toen Renukâ (zijn moeder) zich eens naar de oever van de Ganges begaf, zag ze de koning van de Gandharva's [zie ook 9.14: 31] omhangen met een bloemenslinger van lotussen zich vermaken met de meisjes van de hemel, de Apsara's. (3) Zijn bezigheden gadeslaand terwijl ze naar de rivier ging voor wat water vergat ze, lichtelijk aangetrokken tot Citraratha, de tijd voor het vuuroffer. (4) Toen ze zich bewust werd van de verspilde tijd stond ze, teruggekeerd, bang om door de wijze te worden vervloekt met gevouwen handen voor hem waarbij ze de waterpot er bij neer had gezet. (5) De wijze begreep dat ze was bezweken voor de verleiding en werd kwaad op zijn vrouw zeggend: 'Dood haar mijn zoons, ze is vol van zonde', maar de zoons voerden zijn opdracht niet uit. (6) Door zijn meditatie en zijn verzaking zich volledig bewust van waar de wijze toe in staat was bracht Râma in reactie op de aansporing door zijn vader terstond zijn moeder en al zijn broers ter dood. (7) Door de verheugde Jamadagni gevraagd welke gunst hij maar verleend zou willen zien zei hij: 'Laat de doden vandaag van deze Râma weer tot leven komen en zich er niets meer van herinneren dat ze door mij ter dood zijn gebracht!' (8) En spoedig herrezen ze springlevend en gelukkig alsof ze ontwaakten uit een diepe slaap daar Râma was overgegaan tot het doden van zijn naasten in het volle bewustzijn van deze macht van verzaking van zijn vader.
(9) Zij die de zonen waren van Kâritaviryârjuna [9.15: 17], o Koning, konden het geluk niet vinden bij de voortdurende herinnering hoe hun vader het onderspit had moeten delven door de superieure macht van Paras'urâma. (10) Dus namen ze op een keer toen Râma en zijn broeders weg van de âs'rama in het bos waren, de kans waar hun verblijfplaats te naderen zinnend op wraak. (11) Toen ze bij de vuurplaats de muni aantroffen die daar volledig verzonken contempleerde op de Allerhoogste Geprezen in de Verzen, brachten ze hem, vastbesloten te zondigen, ter dood. (12) Hoogst wreed met de arme en onbeschermde moeder van Râma die om het leven van haar echtgenoot smeekte, namen zij, die zogenaamde kshatriya-broeders, met geweld bezit van zijn hoofd het van de romp slaand. (13) Renukâ de kuise vrouw in tranen en verslagen sloeg zich treurend met haar handen op het lijf luidkeels roepend: 'O Râma, o Râma, mijn liefste zoon!' (14) Toen hij, hoe ver weg hij ook was, die allerverdrietigste kreet 'oh Râma' hoorde, haastten ze [Râma en zijn broers] zich terug naar de âs'rama en zagen ze dat de vader was vermoord. (15) Van de wijs door de kracht van de pijn die hen trof, riepen ze in verslagenheid verdrietig, verontwaardigd en woedend uit: 'O vader, o heilige, nu hebt u, zo'n voorbeeld in het dharma, ons verlaten voor de hemel!' (16) Alzo weeklagend over hun vader vertrouwde Paras'urâma het lichaam aan zijn broers toe en nam hij in eigen persoon de bijl ter hand, vastbesloten om een einde te maken aan de kshatriya's. (17) Omdat er een brahmaan was vermoord ging Paras'urâma naar Mâhishmatî [de hoofdstad] om ze naar de verdoemenis te helpen: hij hakte hun allemaal het hoofd af, o Koning, en bouwde er midden in de stad een grote stapel van op. (18-19) Hun rivier van bloed was een verschrikking die alle koningen die in minachting voor het brahmaanse leefden in angst verzette. Het feit dat hij de moord op zijn vader moest aanvaarden vormde de aanleiding die resulteerde in het tot eenentwintig keer toe wegvagen van de hele adelstand van de aarde wanneer ze zich ook maar slecht gedroegen; als een krijgsheer schiep hij aldus te Samanta-pañcaka negen meren gevuld met bloed in plaats van met water [zie ook B.G. 4: 7].
(20) Zijn vaders hoofd weer bij zijn romp voegend en op Kus'a-grass houdend, aanbad hij met offerandes de Alomtegenwoordige Godheid die Alle Goddelijkheid Doorvaart. (21-22) De hotâ-priester gaf hij de oostelijke richting cadeau, de brahmâ-priester schonk hij de zuidelijke richting, de adhvaryu gaf hij de westkant en de udgâtâ kreeg inderdaad het noorden [vergelijk met 9.11: 2]. De anderen en Kas'yapa Muni wees hij de verschillende uithoeken toe en het middelste Âryâvarta gedeelte [*] schonk hij weg aan de upadrashthâ priester die toezag op de mantra's; de assisterende sadasya priesters kregen alles wat er overbleef. (23) Toen hij daarna een bad nam raakte hij op de oever van de hoofdstroom die de Sarasvatî was gezuiverd van de altijd maar voortdurende terugslag van de zonde en stond hij op als een zon zonder wolken [zie ook B.G. 3: 9]. (24) Door de aanbidding van Paras'urâma herkreeg Jamadagni zijn eigen lichaam met alle tekenen van leven, kennis en heugenis van de grote zieners en werd hij de zevende ster in een sterrenbeeld van zeven [de zeven wijzen, zie 8.13: 5, gekoppeld aan de saptarshi-mandala sterren rond de poolster]. (25) De zoon van Jamadagni, Paras'urâma, die eveneens de Allerhoogste Heer met de lotusblaadjes-ogen is, zal in het komende tijdperk van Manu, o Koning, een voorvechter van de vedische kennis zijn [als één van de zeven wijzen, zie 8.13: 15-16]. (26) Hij, met het opgegeven hebben van de roede in vrede met de intelligentie, is tot op de dag van vandaag nog aanwezig in de heuvels van Mahendra en wordt aanbeden en vereerd vanwege zijn karakter en optreden door al de vervolmaakten, zangers van de hemel en achtenswaardigen. (27) Op deze manier heeft, zich vertonend als een incarnatie in de lijn van Bhrigu en met het vele malen ter dood brengen van de heersers der mensen, de Ziel van het Universum, de Allerhoogste Heer Hari, de Beheerser, de aarde bevrijd van haar zware last.
(28) Van Gâdhi [zie 9.15: 4-5] kwam de hoogst machtige [Vis'vâmitra] ter wereld die vlammend als een vuur met zijn boetedoeningen de positie van een kshatriya op had gegeven en de kwaliteit van een brahmaan had bereikt [zie 7.11: 35 en voetnoot op 9.7: 7]. (29) Met Vis'vâmitra kon men eveneens rekenen op zoons: voorwaar honderd-en-één stuks, o heerser, die vanwege de middelste die Madhucchandâ heette als groep werden gevierd als de Madhucchandâ's. (30) Hij nam als zijn zoon S'unahs'epha aan, die als Devarâta ['gered door de goddelijken'], in de lijn van Bhrigu naar voren trad als de zoon van Ajîgarita; hij droeg zijn eigen zoons op hem te aanvaarden als de oudste. (31) Hij inderdaad werd voor de yajña van Haris'candra verkocht [aan Rohita] als het menselijk 'offerdier'. Door zijn gebeden tot de goddelijken onder leiding van Heer Brahmâ werd hij bevrijd van het als een beest vastgebonden zijn [zie 9.7: 20]. (32) Hij, beschermd in het perk van de goddelijken, slaagde er dankzij die godvrezende mensen in de dynastie van Gâdhi in zich te ontwikkelen op spiritueel gebied en werd aldus in de lijn van Bhrigu zowel gevierd als Devarâta als S'unas'epha. (33) Zij behorend tot de Madhucchandâ's die de [vijftig] oudsten waren konden dat [hij hun oudste broer zou zijn] niet van harte aanvaarden en werden allen vervloekt door de muni die kwaad op hen werd en zei: 'Mogen jullie allen, slechte zoons, mleccha's worden [**]!' (34) Het was inderdaad Madhucchandâ die toen met het tweede vijftigtal zei: 'We zullen ons neerleggen bij alles wat maar naar uw genoegen het onze zou zijn, o vader!' (35) Ze aanvaardden de oudste als een ziener van de mantra's en zeiden hem: 'We zijn het erover eens jou te volgen en zo zullen we dat naar waarheid ook werkelijk doen'. Vis'vâmitra zei tot de zoons: 'Jullie zullen allen vaders worden van zoons naar mijn eer daar jullie mij hebben aanvaard als een vader van waardige zoons. (36) Deze ene Devarâta is, precies zoals jullie dat zijn, mijn zoon, o Kus'ika's [***], gehoorzaam hem maar', en vele andere zoons volgden: Ashthaka, Hârîta, Jaya, Kratumân en meer. (37) Aldus ontwikkelde zich de Kaus'ika-dynastie van de zoons van Vis'vâmitra van wiens verschillende posities die ze als dusdanig hadden ingenomen, men zich bijgevolg van de verschillende soorten van hen kon overtuigen.'
*: Het stuk land in India tussen het Himalaya gebergte en de Vindhya heuvels wordt Âryâvarita genoemd.
** Mleccha's zijn mensen die ingaan tegen de Veda's, niet-Aryan's die men ook wel kent als de vleeseters die door Heer Kalki aan het einde van Kali-yuga zullen worden omgebracht.
***: 'Een van Kaus'ika' is een andere naam voor Vis'vâmitra en zijn zoons, zie ook 6.8: 38.
De Dynastieën van de Zoons van Purûravâ
(1-3) De zoon van Vyâsa zei: 'Van één zoon van Purûravâ, Âyu, waren er de machtige zoons Nahusha, Kshatravriddha, Rajî, Râbha en Anenâ. O adellijk heerser verneem nu over de dynastie van Kshatravriddha. Van Kshatravriddha's zoon Suhotra waren er drie zoons: Kâs'ya, Kus'a en Gritsamada. Van Gritsamada was er S'unaka en van hem kwam S'aunaka, een muni uitnemend in de gewijde [Rig Veda] verzen. (4) Kâs'i de zoon van Kâs'ya had Râshthra die de vader was van Dîrghatama. Van Dîrghatama was er Dhanvantari die als een incarnatie van Vâsudeva, de Genieter der Offers, de grondlegger was van de ayurvedische geneeskunde; Hem in gedachten houdend kan alle ziekte worden overwonnen [zie ook 8.8]. (5) Van Zijn zoon Ketumân werd een zoon geboren genaamd Bhîmaratha en van hem was er Divodâsa wiens zoon Dyumân was die ook wel bekend stond als Pratardana. (6) Hij stond eveneens bekend onder de namen S'atrujit, Vatsa, Ritradhvaja en Kuvalayâs'va. Van hem waren er Alarka en andere zoons. (7) Niemand had voorheen, o Koning, zoveel van het oppervlak van de aarde genoten als Alarka als een jonge man dat deed voor een zes-en-zestigduizendtal jaren. (8) Van Alarka was er Santati, van hem kwam Sunîtha, zijn zoon was Niketana en Niketana's zoon was Dharmaketu van wie Satyaketu ter wereld kwam. (9) Na Dhrishthaketu was er van hem Sukumâra die de gehele planeet regeerde. Vîtihotra was zijn zoon en Bharga die van hem ter wereld kwam bracht een zoon voort genaamd Bhârgabhûmi, o heerser der mensen.
(10) Aldus beschreef ik u al de nakomelingen geboren in de dynastie van Kâs'i. In de lijn van Kshatravriddha kwam er van Râbha Rabhasa, een zoon, ter wereld. Van hem kwam Gambhîra en Akriya was zijn zoon. (11) De afstammeling die geboorte nam door hem heette Brahmâvit. Verneem nu over de nakomelingen van Anenâ. Er was een zoon S'uddha van wie S'uci ter wereld kwam die Citrakrit als zijn zoon had die ook bekend stond als Dharmasârathi. (12) Door hem werd S'ântaraja geboren die allerlei soorten vedische rituelen ten uitvoer bracht; hij was een zelfverwerkelijkte ziel [en aldus eindigde de lijn bij hem]. Van Rajî waren er vijfhonderd zoons die hoogst machtig waren. (13) Op het verzoek van de goddelijken de demonen dodend gaf hij het hemelrijk terug aan Indra, de hemelkoning. Maar Indra, bevreesd voor de vijandschap van Prahlâda en anderen, gaf het terug en klampte zich aan hem overgevend vast aan Rajî's voeten. (14) Toen hun vader overleed gingen zijn zoons, er om verzocht het koninkrijk der hemelen aan de grote Indra terug te geven, daar niet toe over; ze scheepten hem af met een deel van de offers. (15) Door de goeroe [Brihaspati] werden offergaven geofferd in het vuur opdat Indra al Rajî's zoons ter dood kon brengen die van het pad waren afgedwaald. Geen van hen bleef in leven. (16) Van Kus'a, Kshatravriddha's kleinzoon, kwam Prati ter wereld. Een zoon van hem genaamd Sañjaya had een zoon Jaya die als zijn zoon Krita had van wie daarna koning Karyabala zijn geboorte nam. (17) Van Sahadeva, zijn zoon, was er Hîna van wie Jayasena als zijn zoon SanKriti had. SanKriti had er ook een die Jaya heette, een plichtsgetrouwe kshatriya en machtige krijgsheer. Dit waren al de koningen in de dynastie van Kshatravriddha, verneem nu van mij over de nakomelingen van Nahusha.
Koning Yayâti Herkrijgt zijn Jeugd
(1) S'rî S'uka zei: 'Van koning Nahusha [een andere zoon van Purûravâ's zoon Âyu] waren er net als de zes zintuigen van een belichaamde ziel [met de geest als het zesde], de zes van Yati, Yayâti, Samyâti, Âyati, Viyati en Kriti. (2) De oudste zoon Yati, die wist wat het inhield om macht uit te oefenen, aanvaardde het koninkrijk niet dat zijn vader hem bood, [want, zo argumenteerde hij,] de persoon die een dergelijke positie inneemt kan geen ernst maken met zijn zelfverwerkelijking. (3) Toen zijn vader er door de brahmanen toe werd gedwongen om afstand te doen van zijn verheven positie, vanwege het beledigen van Indra's vrouw S'acî, en hij was afgezakt tot het leven van een slang, werd Yayâti de koning. (4) De vier broers jonger dan hem stond hij het toe om de verschillende windstreken te besturen. Yayâti aldus de wereld regerend huwde de dochters [Devayânî] van S'ukrâcârya en [S'armishthhâ van] Vrishaparvâ.'
(5) De koning zei: 'De machtige ziener S'ukrâcârya was een brahmaan terwijl Yayâti behoorde tot de klasse der kshatriya's; hoe kon er tegen de gebruiken in een [pratiloma-]huwelijk van een brahmaan [-se dochter] zijn met een kshatriya?' [anuloma, omgekeerd, was meer algemeen].
(6-7) S'rî S'uka zei: 'Op een dag was Vrishaparvâ's dochter genaamd S'armishthhâ, een meisje met een moeilijk karakter, tezamen met duizenden vriendinnen en de dochter van de goeroe Devayânî, zo onschuldig als ze was in de paleistuin aan het rondlopen waar het vol met lotusbloemen en overal bloeiende bomen gezellig zoemde van de hommels. (8) Al de lotus-ogige meisjes aankomend bij de oever van het meer aldaar deden hun kleren uit aan de kant en begonnen zich te vermaken in het water elkaar natspetterend. (9) Toen ze Heer S'iva voorbij zagen komen met de godin [Pârvatî] gezeten op zijn stier, kwamen de jonge meisjes snel uit het water om zich vol schaamte te bedekken met hun kledingstukken. (10) S'armishthhâ zonder het in de gaten te hebben trok als was het haar eigen kleed de kleren van de dochter van de goeroe aan waarop Devayânî geïrriteerd dit zei: (11) 'Hoe jammer, zie nou toch eens hoe zij, als een dienstmeid, indruist tegen de goede zeden. Net als een hond uit op de ghee voor een offerplechtigheid heeft ze het kledingstuk aangetrokken dat voor mij bedoeld was! (12-14) Van hen door wiens verzaking deze gehele wereld werd geschapen, van hen die het aangezicht vormen van de Persoonlijkheid van de Transcendentie en door wiens vroomheid het licht van de juiste weg gekend wordt, van hen aan wie de meesters van de wereld, de verlichte zielen van beheersing en zelfs de Allerhoogste Heer, de Zuiverende Superziel en Echtgenoot van de Godin hun gebeden opdragen, van ons afstammelingen van Bhrigu beter dan de rest heeft zij, wiens duistere vader een leerling is van onze vader, als een laag-bij-de-grondse s'ûdra aangetrokken wat bedoeld was als onze kleding - het is als een onkuis iemand die de Veda's onder de knie probeert te krijgen!'
(15) S'armishthhâ aldus terecht gewezen ademde zwaar als een slang waarop men heeft getrapt en zei zeer kwaad op haar lip bijtend tegen de dochter van de goeroe: (16) 'Wat een onzin, jij bedelares! Je kent je plaats niet. Ben jij het niet die buiten bij ons huis staat te wachten [op voedsel] zoals de kraaien dat doen?'
(17) Met deze onaardige woorden griste S'armishthhâ na haar reprimande woedend de kleren van de deugdzame dochter van de geestelijk leraar weg en duwde ze haar in een put. (18) Toen ze naar huis ging gebeurde het dat Yayâti, die in de buurt was vanwege een jachtpartij, daar aankwam en, smachtend naar water, haar aantrof in de put. (19) Zijn bovenkleding losmakend reikte de koning naar haar die daar beneden geheel naakt was en legde hij zijn hand in de hare in zijn vriendelijkheid om haar eruit te trekken. (20-21) Tot hem, de held, zei de dochter van de denker der hitte [Us'anâ ofwel S'ukrâcârya, zie ook B.G. 10: 37] met woorden vol van liefde en genegenheid: 'O Koning met het in uw hand nemen van de mijne hebt u, o overwinnaar van alle andere koninkrijken, mijn hand aanvaard! Moge die hand niet worden beroerd door iemand anders dan u omdat de relatie tussen u en mij, die we door de voorzienigheid nu hebben o held, niet iets is dat door een mens werd beschikt! (22) Omdat ik in deze put ben beland heb ik uw goede zelf kunnen ontmoeten; [weest u zich van het volgende bewust:] geen gekwalificeerde brahmaan kan mijn echtgenoot worden o sterk gearmde, omdat Kaca, de zoon van Brihaspati, daar in het verleden een vloek tegen heeft uitgesproken nadat ik hem had vervloekt [*].'
(23) Het stond Yayâti niet aan wat door God was beschikt, maar voor zichzelf denkend stemde hij, tot haar aangetrokken, echter in met wat ze hem zei. (24) Nadat de koning was vertrokken legde ze, weer naar huis teruggekeerd, in tranen alles aan haar vader voor verslag doend van wat S'armishthhâ had gedaan en wat er daarna gezegd was. (25) De machtige denker was er hoogst ongelukkig mee en het priesterschap vervloekend en de bezigheid van het verzamelen van de granen lovend [uñcha-vritti, zie 7.11: 16 and 7.12: 17-19] verliet hij met zijn dochter zijn verblijfplaats. (26) Vrishaparvâ die begreep dat zijn geestelijk leraar dat deed om te berispen of te vervloeken, stemde hem gunstig door hem met gebogen hoofd tegemoet te komen en zich neer te werpen voor de voeten. (27) De machtige zoon van Bhrigu, wiens woede niet langer dan een enkel moment kon duren, zei toen tot zijn discipel: 'Alstublieft kom aan haar wensen tegemoet, o Koning, zolang als ik leef ben ik niet in staat het met dit meisje op te geven!'
(28) Met zijn instemmen om de zaak af te handelen gaf Devayânî uitdrukking aan haar verlangen: 'Ik zal naar wie ook toe gaan aan wie mijn vader mij wegschenkt, samen met mijn dienares [S'armishthhâ] en haar vriendinnen.'
(29) Op dat moment wijselijk inziend wat het gevaar alswel het voordeel was van zijn [de âcârya zijn] grootheid, schonk de vader S'armishthhâ tezamen met haar vriendinnen aan Devayânî opdat zij met de duizenden andere vrouwen zorg zou dragen voor Devayânî als haar dienares. (30) Aan de nazaat van Nahusha zijn dochter samen met S'armishthhâ uithuwelijkend zei Us'anâ tot hem: 'O Koning, laat S'armishthhâ nimmer toe tot uw sponde!'
(31) Toen S'armishthhâ [later echter] zag hoe Us'anâ's dochter leuke kinderen had, vroeg ze hem eens op een gunstig tijdstip op een afgezonderde plaats, of hij als de echtgenoot van haar vriendin niet voor haar als een trouwe echtgenote voelde. (32) Zich herinnerend wat S'ukra had gezegd toen hij instructie verschafte voor een moment als dit, nam hij, door die prinses verzocht een zoon met haar te hebben, vanuit zijn eigen plichtsbesef en de algemene religieuze beginselen het besluit om aan haar toe te geven [vergelijk B.G. 7: 11]. (33) Yadu en Turvasu waren degenen die geboorte namen uit Devayânî en Druhyu, Anu en Pûru waren er van S'armishthhâ, de dochter van Vrishaparvâ. (34) Ontdekkend dat S'armishthhâ in verwachting was van hem vertrok Devayânî, kokend van woede, trots als ze was naar de woning van haar vader. (35) Zijn lieveling, de lust van zijn leven, achterna gegaan, probeerde hij haar gunstig te stemmen met veelbetekenende woorden maar hij kon haar zelfs niet tot vrede bewegen door haar voeten te masseren. (36) S'ukra kwaad op hem zei: 'Jij rokkenjagende bedrieglijke kerel, moge jou, dwaas, de ouderdom toevallen die het menselijk lichaam misvormt.'
(37) S'rî Yayâti zei: 'Tot nu toe is mijn lust nog niet bevredigd met uw dochter, o brahmaan!'
[S'ukra antwoordde:] 'Zolang u nog van de lust bent mag u uw gedenkwaardigheid inwisselen voor de jeugd van iemand die bereid is uw plaats voor u in te nemen.'
(38) En zo greep hij de kans om van plaats te verwisselen met zijn oudste zoon hem vragend: 'O Yadu, geliefde zoon, schenk me alsjeblieft je jeugd in ruil voor deze ouderdom! (39) Met wat de vader van je moeder me gaf mijn beste zoon, ben ik niet bevredigd in mijn zinnelijke behoeften, sta het me toe bij het goede van jouw leeftijd nog een paar jaren meer van het leven te genieten!' [zie ook 7.5: 30]
(40) S'rî Yadu zei: 'Het stemt me niet gelukkig uw oude dag op me te nemen terwijl u zich in de jeugd verheugd. Zonder [het hebben gehad van] de ervaring van lichamelijk geluk zal een persoon [als ik] nimmer onverschillig raken over materiële genoegens!' [zie ook: 7.12: 9-11 en B.G 4: 13]
(41) De vader vroeg het aan Turvasu, Druhyu en aan Anu, o zoon van Bharata, maar ze weigerden het te aanvaarden omdat ze, niet bekend met de ware aard [van de ziel], hun tijdelijkheid aanzagen voor iets blijvends. (42) Hij vroeg het aan Pûru hoewel hij een jongere zoon was, hem zeggend: 'Mijn beste zoon, jij bent van een beter gehalte, jij zou me niet, zoals je oudere broers, moeten weigeren.'
(43) S'rî Pûru zei: 'Wie o Koning, beste onder de mensen, krijgt in deze wereld de gelegenheid de vader terug te betalen die hem dit lichaam schonk; bij zijn genade is het mogelijk dat hij een hoger leven kan genieten. (44) Hij die handelt met respect voor wat zijn vader denkt is de beste, hij die handelt naar wat hem wordt opgedragen is maar middelmatig en van een laag allooi is hij die handelt zonder geloof te hechten, maar als stront is hij die tegen het woord van zijn vader ingaat.'
(45) Op deze manier was het genoegen geheel aan Pûru om de last van zijn vader's ouderdom op zich te nemen, en die was zeer ingenomen met al de verlangens die hoorden bij de jeugd van zijn zoon waar hij om gevraagd had, o heerser over de mensen. (46) Als de meester over het geheel van de zeven continenten regeerde hij als een vader over zijn onderdanen, zoveel als hij maar wilde het materiële geluk genietend zonder enige beperking van zijn zinnen. (47) Devayânî diende eveneens vierentwintig uur per dag als de liefste van haar geliefde in alle beslotenheid met haar hele lichaam, geest en woorden en alles wat erbij nodig was om hem de goddelijke verrukking te bezorgen. (48) Met verschillende rituelen Hari aanbiddend, de Persoonlijkheid van het Offer, de God en het Reservoir van alle Goddelijkheid en Het Voorwerp van Alle Vedische Kennis, was Yayâti van een overvloedige liefdadigheid. (49) Gelijk een massa wolken in de lucht doet heel de, in Hemzelf, geschapen wereld zich dan weer voor als een verscheidenheid aan levensvormen, en dan weer vertoont hij zich niet, als was hij een creatie van de geest zoals in een droom [zie ook B.G. 7: 24-25]. (50) Zeker van Hem, Heer Vâsudeva in zijn hart, de Ene Nârâyana die in een ieder aanwezig is maar zichtbaar is voor niemand, aanbad hij vrij van verlangens de Allerhoogste Meester. (51) Hoewel hij aldus voor de periode van een duizendtal jaren te werk ging met de geest en de vijf zinnen in een idee van werelds geluk, kon hij, onzuiver in zijn sensualiteit, niet bevredigd raken, zelfs al was hij de heerser over allen.
* Swâmi Prabhupâda verklaart: 'Kaca, de zoon van de geleerde hemelse priester Brihaspati, was een voormalig student van S'ukrâcârya, van wie hij de kunst van het weer opnieuw tot leven wekken van een voortijdig gestorven mens had geleerd. Deze kunst, genaamd mrita-sañjîvanî, werd met name in tijden van oorlog toegepast. Als er eens een oorlog was, zouden er ongetwijfeld soldaten vroegtijdig de dood vinden, maar als zijn lichaam nog intact was, kon hij weer tot leven worden gewekt door deze mrita-sañjîvanî kunst. Deze kunst was S'ukrâcârya bekend en ook vele anderen, en Kaca, de zoon van Brihaspati, werd S'ukrâcârya's leerling om dit onder de knie te krijgen. Devayânî verlangde naar Kaca als haar echtgenoot, maar Kaca, uit achting voor S'ukrâcârya, beschouwde de dochter van de goeroe als een te respecteren hoger geplaatste en weigerde daarom met haar te trouwen. Devayânî vervloekte kwaad Kaca hem zeggend dat hoewel hij de mrita-sañjîvanî kunst had geleerd van haar vader, het hem van geen nut zou zijn. Eenmaal zo vervloekt, sloeg Kaca terug met de vloek dat Devayânî nooit een man zou hebben die een brâhmana was.'
Koning Yayâti Bereikt de Bevrijding: de Geiten van de Wellust
(1) S'rî S'uka zei: 'Hij [Yayâti] op deze manier de lust belevend met de vrouwen vertelde, terwille van zijn eigen welzijn er met intelligentie tegen optredend, vol afschuw het volgende verhaal aan zijn vrouw [Devayânî].
(2) 'Luister alsjeblieft o dochter van S'ukra naar deze geschiedenis die een perfect beeld geeft van een wereldse persoon zoals ik, iemand waarover de nuchtere lieden van het woud [zij die zich terugtrokken] zich altijd maar beklagen als zijnde te gehecht aan materiële genoegens. (3) Er was er eens een bok die in het bos op zoek was naar iets eetbaars voor zijn dierbare zelf. Per toeval kwam hij een geit tegen die door haar eigen toedoen in een put was beland. (4) Bewogen door de lust zon de bok op een manier om haar te bevrijden en ging er toen toe over met de punten van zijn hoorns te graven in de aarde rondom de put. (5-6) Toen zij uit de put raakte had ze naar de smaak van de bok inderdaad een fraai stel heupen en ook zij voelde wel voor hem als sekspartner, net zoals de vele geiten die toekeken dat ook deden. Stoer met een goeie baard, als een eersteklas zaaddonor en meesterlijk minnaar kon die bok, de nummer één bok voor hen allen, als een bezetene, alsmaar lustiger als enige genieten van hun grote aantal en zichzelf daarbij compleet vergeten [vergelijk 6.5: 6-20]. (7) Toen de geit die hij uit de put had gehaald hem, haar geliefde, bezig zag te genieten van een andere geit kon die bokkenmethode niet getolereerd worden. (8) Ze gaf hem als zijnde een wellustige, snode zwendelaar, een gelegenheidsvriend die alleen maar zinnelijk geïnteresseerd is, bedroefd op om terug te keren naar haar voormalige beschermheer. (9) Hij aan haar verslingerd ging toen gekweld in arren moede haar achterna en probeerde haar op haar weg tot vrede te bewegen met wat geiten al zo zeggen, maar dat was niet naar haar zin. (10) Kwaad werden daarop door de brahmaan die zorg droeg voor een andere geit [zijn eigen echtgenote] z'n bungelende testikels eraf gesneden maar ze werden voor zijn eigen bestwil door de yoga-expert weer aangehecht.
(11) O mijn liefste echtgenote, met zijn testikels in eer hersteld kon hij met de geit die hij uit de put had gered voor de tijd van vele, vele jaren tot op de dag van vandaag zijn wellustige verlangens niet bevredigd krijgen. (12) Ik ben precies zo'n armzalige sukkelaar; in jouw gezelschap met jouw mooie wenkbrauwen ben ik met handen en voeten gebonden aan de liefde en kon ik tot dusverre zo begoocheld door je uiterlijke verschijning niet van de ziel zijn [vergelijk 3.30: 6-12, 4.25: 56, 4.28: 17, 5.4: 18, 7.14 en 8.16: 9]. (13) Wat heb je aan al die rijst, die gerst, dat goud, de dieren en de vrouwen in deze wereld; ze bevredigen de geest niet van de persoon die het slachtoffer is van de lust. (14) Nooit en te nimmer zal de lust der wellustigen vrede vinden met de genietingen, net zoals het voeden van vuur met boter keer op keer, zo blijkt, het vuur telkens weer hoger zal doen oplaaien. (15) Als een man geen afgunst koestert, noch ten koste van een ander levend wezen te werk gaat, zullen, voor die persoon die dan gelijkgezind is, alle wegen even gelukkig toeschijnen [zie ook B.G. 2: 56, 2: 71, & 4: 10]. (16) Dat wat zo moeilijk te verzaken is voor mensen die al te gehecht zijn, die grondoorzaak aller beproevingen die zelfs al staat men krom van de ouderdom nog niet is overwonnen, een dergelijk verlangen, behoort door degene die het geluk zoekt te worden opgegeven. (17) Noch tegen je eigen moeder, je zuster of je dochter moet je je aanschurken daar de zinnen zo krachtig zelfs de meest geleerde van streek zullen brengen. (18) Duizend jaren lang genoot ik onophoudelijk in zinsbevrediging, en nog steeds neemt het verlangen ernaar meer en meer toe. (19) Om die reden zal ik deze verlangens opgeven door mijn geest te vestigen op de Absolute Waarheid, en zal ik zonder de tegenstellingen, zonder me valselijk te vereenzelvigen, me rondbewegen met [de vrijheid van] de dieren in de natuur. (20) Zoals men ze ziet, zoals men ze nastreeft behoort men, ze kennende als zijnde tijdelijk, zelfs niet in overweging te nemen noch ze feitelijk te genieten, noch behoort men de voortzetting van het materiële leven en de vergeetachtigheid over het ware zelf dat er mee samenhangt te verlangen; hij die hier van doordrongen is is een zelfgerealiseerde ziel [zie ook B.G. 2: 13].'
(21) 'De zoon van Nahusha gaf, na dit tegen zijn vrouw gezegd te hebben, bevrijd van verlangens, aan Pûru zijn jeugd terug en nam van hem zijn oude dag weer over [zie 9.18: 45]. (22) Hij maakte [van zijn andere zoons] Druhyu koning over de zuidoostelijke richting, Yadu over het zuiden, Turvasu over het westelijk gedeelte en Anu over het noorden. (23) De rijkdom en welvaart van de hele planeet plaatste hij onder het gezag van Pûru als de meest bewonderenswaardige van de burgerij, hem tot keizer kronend over zijn oudere broers, en toen hij aldus zijn zaken had afgehandeld ging hij weg het bos in. (24) Hij had zonder onderbreking voor de duur van al die jaren met de zes van zijn manieren [zinnen en geest] genoten en dat gaf hij er allemaal aan in één keer [zie ook 2.4: 18] zoals een vogel die zijn nest verlaat als zijn vleugels eenmaal volgroeid zijn. (25) Zodoende raakte hij terstond bevrijd van al zijn gehechtheden en was hij, met inzicht in zijn eigenlijke positie, gezuiverd van de invloed van de drie geaardheden [zie ook 1.2: 17]. Zuiver in relatie tot het voorbije bereikte hij de Absolute Waarheid van Vâsudeva, bereikte hij zijn bestemming als een vertrouwde metgezel van de Allerhoogste Heer. (26) De geschiedenis vernemend begreep Devayânî dat het een instructie voor de zelfverwerkelijking betrof gepresenteerd als een grap in de uitwisseling van liefde tussen twee echtelieden. (27-28) Ze begreep dat leven met vrienden en verwanten die allen onderworpen zijn aan de controle van de strikte wetten van de natuur [de Tijd], zoiets is als het omgaan met reizigers bij een waterplaats die in het leven werd geroepen door het begoochelend vermogen van de Heer [overeenkomstig je karma]. De dochter van S'ukrâcârya die al haar gehechtheden verzaakte in deze op een droom lijkende wereld, vestigde haar geest geheel op Heer Krishna en gaf zowel het grove als het subtiele [de linga] op van haar ziel. (29) Mijn eerbetuigingen aan U, mijn Allerhoogste Heer Vâsudeva, Schepper van Allen verblijvend in Alle wezens en hemelen; al mijn respect voor U die in volmaakte vrede de Grootste bent van Allen!'
De Dynastie van Pûru tot aan Bharata
(1) De zoon van Vyâsadeva zei: 'Ik zal de dynastie van Pûru beschrijven waarin u werd geboren o zoon van Bharata; de koningen van die dynastie waren stuk voor stuk geheiligde zielen en menige brahmaanse lijn van afstammelingen kwam eruit voort. (2) Janamejaya was degene die verscheen door Pûru, Pracinvân was zijn zoon en van hem was Pravîra er na wie Manusyu verscheen; het was uit hem dat Cârupada werd geboren. (3) De zoon die uit hem voortkwam was Sudyu die een zoon had genaamd Bahugava uit wie Samyâti ter wereld kwam die een zoon had genaamd Ahamyâti; de gedenkwaardige Raudrâs'va was zijn zoon. (4-5) Met een apsara meisje bekend onder de naam Ghritâcî werden er, gelijk de tien zinnen [van handelen en waarnemen] vanuit de levenskracht van het universele zelf, tien zonen geboren: Riteyu, Kaksheyu, Sthandileyu, Kriteyuka, Jaleyu, Sannateyu, Dharmeyu, Satyeyu, Vrateyu en Vaneyu als de jongste. (6) Van Riteyu verscheen er een zoon genaamd Rantinâva en zijn drie zoons, o heerser der mensen, waren Sumati, Dhruva en Apratiratha. Kanva was Apratiratha's zoon. (7) Van hem was er Medhâtithi van wie er Praskanna en anderen waren die allen tweemaal geboren zielen waren. Van Sumati was er Rebhi wiens zoon de bekende Dushmanta is.
(8-9) Eens ging Dushmanta uit jagen en stuitte hij op de âs'rama van Kanva. Daar aangekomen zag hij een vrouw zitten die straalde in haar eigen schoonheid gelijk de godin van het geluk. Toen hij haar ontwaarde voelde hij zich meteen sterk tot haar aangetrokken, zo een prachtig goddelijke verschijning van een vrouw, en omringd door enkele soldaten, richtte hij zich toen tot die allerbeste van de dames. (10) Opgetogen over haar aanwezigheid viel de vermoeidheid van zijn jachtpartij van hem af en vroeg hij, gedreven door lustige verlangens, met aangename woorden gekscherend: (11) 'Wie ben jij, o dame met je lotusblaadjesogen, wie behoor jij toe, o schoonheid van mijn hart, en wat dacht je hier te komen doen in je eentje in het bos? (12) Het lijkt me toe dat je van koninklijke bloede bent. Wees er zeker van dat ik als nazaat van Pûru, o verpletterende schoonheid, nimmer van een geest ben om van wat dan ook te genieten buiten het dharma om!'
(13) S'rî S'akuntalâ zei: 'Ik, geboren uit Vis'vâmitra, werd helemaal alleen achtergelaten in dit bos door Menakâ [haar moeder]; Kanva die beste heilige, weet er alles van! O mijn held, wat kan ik voor je betekenen? (14) Alsjeblieft kom en ga naast me zitten met je lotusogen, aanvaard mijn bescheiden dienst, eet wat van de nîvârâ ['van een maagd'] rijst die ik je te bieden heb en blijf hier als je dat wilt.'
(15) S'rî Dushmanta gaf ten antwoord: 'Dit o mooie wenkbrauwtjes, is de positie van je geboorte in de familie van Vis'vâmitra waardig; het is inderdaad zo dat de dochters van een koninklijke familie naar hun eigen idee hun echtgenoten uitkiezen [een gandharva huwelijk aangaan].'
(16) Hierop Aum [zie B.G. 17: 24] zeggend, trouwde de koning met S'akuntalâ naar de gandharva regel, overeenkomstig het dharma, doordrongen van wat gepast was naar tijd en plaats. (17) Trefzeker in zijn mannelijkheid [alleen maar voor een kind zich laten gaand] loosde de geheiligde koning zijn zaad in de koningin en keerde hij 's ochtends terug naar zijn eigen plaats. Na de nodige tijd gaf zij toen geboorte aan een zoon. (18) Kanva Muni voerde in het bos de voorgeschreven riten uit voor de zoon die er als kind bekend om stond dat hij een leeuw wist te bedwingen en er mee speelde. (19) Hem, niet te overtreffen in zijn kracht als een deelaspect van de Heer, werd door haar, de beste der vrouwen, meegenomen zich begevend naar haar echtgenoot. (20) Toen de koning hen niet wilde erkennen als zijn echte vrouw en zoon, terwijl ze niets misdaan hadden, kon door al de mensen een luid geluid worden gehoord uit de hemel; het was een niet-belichaamde stem die uitriep: (21) 'Aangezien de moeder als een blaasbalg is voor de zoon van de vader die hem verwekte, hoort de zoon bij de vader; zorg enkel voor uw zoon o Dushmanta en beledig S'akuntalâ niet! (22) Wat S'akuntalâ zei over u als zijnde de verwekker van dit kind is de waarheid; hij die het zaad loosde, o god der mensen, uw goede zelf, is degene die door de zoon moet worden gered van de bestraffing van de [Heer van de] dood.'
(23) Nadat zijn vader was overleden werd de koning opgevolgd door zijn zoon en hij werd een keizer van een grote faam en heerlijkheid die voor een deel de Heer op deze aarde vertegenwoordigde [see also B.G. 10: 41]. (24-26) Met het merkteken van de cakra op zijn rechter hand en het teken van de werveling van de lotus op zijn voetzolen, was hij van aanbidding middels een grote eredienst en werd hij bevorderd tot de positie van de belangrijkste heer en meester over alles. Vijfenvijftig paarden gebruikte hij voor de offers aan de monding van de Ganges tot aan de oorsprong waarvoor hij, de oppermachtige, Bhrigu benoemde als de priester. In gepaste volgorde ging hij ook zo te werk aan de oever van de Yamunâ alwaar hij achtenzeventig paarden [de as'vamedha plaat voor-] bond. Door hem, Bharata, de zoon van Dushmanta, werden schatten uitgedeeld in liefdadigheid, werd de offerplechtigheid op een uitgelezen plaats ingesteld en werden aandelen van een badva [13.084] koeien aan de aanwezige brahmanen uitgereikt. (27) De zoon van Dushmanta bracht voor de yajña het verbazingwekkende aantal van drieëndertighonderd paarden bijeen en overtrof [zo], met het realiseren van de weelde der halfgoden en de Allerhoogste Geestelijk Leraar, al de koningen. (28) In het mashnâra offer schonk hij in liefdadigheid veertien lakhs beste zwarte olifanten met de witste slagtanden weg, compleet met gouden sierselen [mashnâra heeft betrekking op de naam van de plaats]. (29) Zoals het voorzeker onmogelijk is om de hemelse planeten met de kracht van je armen naar je toe te trekken is het evenmin mogelijk om de verheven handelingen van Bharata te evenaren, noch zal ook maar één van de menselijke heersers na hem ooit tot een dergelijk iets in staat zijn. (30) Al de barbaarse heersers over mensen gekant tegen de brahmaanse cultuur zoals de Kirâta's [Afrikaners], de noordelijke stammen [de Hunnen], de Yavana's [de vlees-eters], de Paundra's [de wildemannen van Bihar en Bengalen] en de Kanka's [kankana betekent armband], de Khas'â's [de Mongolen] en de S'aka's [vrouwen/mannen] bracht hij ter dood toen hij iedere windrichting veroverde. (31) Met het voorheen zegevieren over de goddelijken hadden alle Asura's die hun toevlucht hadden genomen tot de lagere werelden [Rasâtala] al de vrouwen en dochters van de goddelijken naar de onderwereld afgevoerd, maar hij bracht ze met al hun metgezellen allemaal weer terug naar hun oorspronkelijke verblijfplaatsen. (32) Zevenentwintig duizend jaren lang voorzag hij in alles wat zijn onderdanen verlangden zowel op aarde als in de hemel en zijn orde en gezag heerste in alle richtingen. (33) Hij de keizer, de heerser over alle heersers en plaatsen, onberispelijk met de verworvenheden van de macht, het rijk, de staatsorde en dergelijke, beschouwde op het laatst alles van zijn have en goed als vals en dus hield hij ermee op van ze te genieten. (34) Van hem waren er, o meester der mensen, drie echtgenotes, dochters van Vidarbha, die alle drie zeer aangenaam en geschikt waren. Zij bang denkend dat hun zoons, niet zo perfect als hun vader, zouden worden afgewezen, hadden ze ter dood gebracht. (35) Aldus gefrustreerd in het voortbrengen van nageslacht voerde hij een marut-stoma offerplechtigheid uit om zonen te verwekken waarop de Maruts hem Bharadvâja presenteerden.
(36) Brihaspati [, zo wilde het eens gebeuren,] verlangde ernaar om met zijn broer's zwangere vrouw seks te hebben, maar dat werd hem door de zoon in de schoot verboden daaraan gevolg te geven, waarop hij hem toen vervloekte en zijn zaad niettemin loosde. (37) Voor Mamatâ [de moeder], die uit angst te worden verstoten vanwege die illegitieme praktijk van het kind af wilde, werd bij zijn naamgevingsplechtigheid door de godsbewusten het volgende vers uitgesproken: (38) 'O zotte vrouw, zorg er enkel voor hoewel het geboren werd uit een dubbele verbintenis' [en dus zei zij:] 'Hoewel voortgekomen uit een onwettige verbintenis, o Brihaspati, zorg er voor!', en zo werd met deze woorden uitgesproken het kind Bharadvâja ['een last voor beiden'] genoemd omdat beide ouders er zich van hadden afgekeerd. (39) Hoewel door de godsbewusten ertoe aangezet het te onderhouden verstootte de moeder het kind toch, omdat ze het met dat wat er gebeurd was als doelloos beschouwde. Daarop namen de Maruts het onder hun hoede en schonken het [aan Bharata] toen de dynastie onvervuld bleef.'
De Dynastie van Bharata: het Verhaal van Rantideva
(1) De zoon van Vyâsadeva zei: 'Van Vitatha [de naam van Bharadvâja omdat hij aan Bharata werd gegeven] zijn zoon Manyu waren er Brihatkshatra, Jaya, Mahâvîrya, Nara en Garga. Van hen had Nara de zoon Sankriti. (2) Sankriti had Guru en Rantideva, o nazaat van Pându; de heerlijkheden van Rantideva worden in deze wereld en in de wereld hierna bezongen. (3-5) Levend van wat het lot hem toebedeelde schiep hij [Rantideva] er genoegen in welk beetje voedsel hij ook maar had aan anderen uit te delen. Altijd zonder een stuiver leefde hij met al zijn familieleden zeer sober en had hij veel te lijden. Op een ochtend toen er achtenveertig dagen waren verstreken en hij zelfs zonder drinkwater zat, gebeurde het dat hij verschillende soorten voedsel, toebereid met melk en ghee, en water mocht ontvangen. Met de familie heel wankel op de benen van het lijden onder de honger en de dorst arriveerde er op dat zelfde ogenblik een brahmaanse gast voor Rantideva die ook wilde eten. (6) Hij, met het grootste respect en met geloof de Heer ziend als zich bevindend in een ieder [zie B.G. 5: 18], gaf hem zijn deel van het voedsel waarna, eenmaal gegeten hebbend, de tweemaal geborene vandaar vertrok. (7) Toen hij daarna het voedsel voor de familie had verdeeld en op het punt stond te gaan eten kwam er weer een aan, een s'ûdra, die hij, indachtig de Heer, het voedsel gaf dat voor hem, de koning, bestemd was. (8) Toen de s'ûdra weg was kwam er een andere gast langs omringd door honden die zei: 'O koning, voorzie me in voedsel voor mij en mijn hongerige honden!'
(9) Hij, die het gezag had, gaf met het grootste respect de honden en hun baasje wat er maar van het voedsel restte, ze erend met zijn eerbetuigingen. (10) Alleen het drinkwater bleef over van het voedsel en ook dat moest een verstotene tevredenstellen die, daar aankomend toen de koning net wat wilde drinken, hem vroeg: 'Alstublieft geef me wat water, ookal ben ik van een lage geboorte!'
(11) Toen hij de deerniswekkende woorden van hem die zo uitgeput was hoorde sprak hij, diep geraakt, uit mededogen deze nectargelijke woorden: (12) 'Ik verlang het niet van de Allerhoogste Beheerser om de hoogte te bereiken van de acht volkomenheden [de siddhi's], noch vraag ik om het eindigen van een herhaling van geboorten; ik aanvaard alle moeilijkheden in het mij ophouden onder de levende wezens zodat ze mogen worden bevrijd van hun lijden. (13) Van al de honger, dorst, vermoeienis en een onvaste tred ben ik verlost, en ook van de armoe, het leed, het weeklagen, de neerslachtigheid en de verbijstering, door met het overhandigen van mijn drinkwater deze arme ziel in stand te houden die zo graag in leven wil blijven!' (14) Zich aldus uitdrukkend gaf hij, die sobere, zachtaardige heerser, hoewel hij zich van de dorst op het randje van de dood bevond, het drinkwater aan de uitgestotene. (15) Recht voor hem manifesteerden toen de beheersers van de drie werelden, de goden die aan hen die de vruchten verlangen alle resultaten verlenen, zich in hun ware gedaanten omdat het [hun voorgaande verschijningen in de gedaanten van de brahmaan, de man met de honden, de s'ûdra en de uitgestotene] allemaal creaties waren geweest van de illusoire energie van Vishnu. (16) Hij waarachtig jegens hen als iemand die er geen materiële verlangens naar enig voordeel of bezit op nahield [zie B.G. 7: 20] bood hen zijn eerbetuigingen, zich in zijn geest concentrerend op Vâsudeva, de Allerhoogste Heer als het uiteindelijke doel. (17) Zijn bewustzijn fixerend in het zich volledig zijn toevlucht zoeken bij de Allerhoogste Heer, was hij zonder af te wijken enkel van zins te dienen, o Koning, en was de illusoire energie van de drie geaardheden niet meer dan een droom voor hem [zie ook B.G 7: 14 en 9: 34]. (18) Zij in de omgang naar zijn leiderschap, allen die Rantideva volgden, werden eersteklas yogi 's die ieder Heer Nârâyana waren toegewijd [zie ook B.G. 6: 47].
(19-20) Van Garga [zie vers 1] was er S'ini, van hem kwam er Gârgya, uit wie ondanks zijn kshatriya geboorte een hele lijn van brahmanen voortkwam. Van Mahâvîrya was Duritakshaya er wiens zoons de namen Trayyâruni, Kavi en Pushkarâruni droegen. Zij in deze lijn bereikten allen de positie van brahmanen. Hastî werd Brihatkshatra's zoon die de stad Hastinâpura grondvestte [het huidige Delhi]. (21) Ajamîdha, Dvimîdha en Pûrumîdha werden de zoons van Hastî. Ajamîdha's nakomelingen met Priyamedha voorop waren allen tweemaal geboren. (22) Van Ajamîdha was er Brihadishu, zijn zoon was Brihaddhanu, Brihatkâya volgde daarna en zijn zoon was Jayadratha. (23) De zoon van hem was Vis'ada door wie Syenajit ter wereld kwam en zijn zoons waren Rucirâs'va, Dridhahanu, Kâs'ya en Vatsa. (24) Rucirâs'va's zoon was Pâra, van Pâra kwamen Prithusena ter wereld en een zoon genaamd Nîpa die erin slaagde een honderdtal zoons voort te brengen. (25) Hij verwekte in zijn vrouw Kritvî, die de dochter was van Suka [niet degene die dit Bhâgavatam spreekt], Brahmâdatta, een yogi die in de schoot van zijn vrouw Sarasvatî een zoon voortbracht genaamd Vishvaksena. (26) Naar de instructie van de rishi Jaigîshavya werd in het verleden door hem [Vishvaksena] een beschrijving van de yoga [een zogenaamde tantra] opgesteld. Hij had een zoon Udaksena en van hem was Bhallâtha er. Deze nakomelingen werden de Brihadishu's genoemd. (27) Yavînara geboren uit Dvimîdha had Kritimân als zijn zoon en zijn zoon is de welbekende SatyaDhriti wiens zoon Dridhanemi de vader was van Supârs'va. (28-29) Supârs'va had Sumati wiens zoon Sannatimân er een had genaamd Kritî, die van Heer Brahmâ het mystieke vermogen kreeg om in het verleden de zes samhitâ's van de Prâcyasâma-verzen [uit de Sâma-veda] te onderrichten. Van hem was er Nîpa door wie Udgrâyudha werd geboren wiens zoon Kshemya was van wie daarna Suvîra het levenslicht zag. Door Suvîra kwam Ripuñjaya ter wereld. (30) Hij die uit hem voortkwam heette Bahuratha. Pûrumîdha [de jongere broer van Dvimîdha] had geen zoon. Ajamîdha verwekte in zijn echtgenote Nalinî Nîla die toen S'ânti als zijn zoon had. (31-33) S'ânti's zoon Sus'ânti had Pûruja, Arka was zijn zoon en van hem vond Bharmyâs'va zijn bestaan die vijf zoons had met Mudgala als de oudste, gevolgd door Yavînara, Brihadvis'va, Kâmpilla en Sañjaya. Hij bond hen op het hart: 'Mijn zoons, als jullie daar werkelijk toe in staat zijn, draag dan zorg voor de verschillende staten'. Aldus kregen ze de naam de Pañcâla's [naar de vijf staten]. Van Mudgala was er een lijn bestaande uit brahmanen die bekend staat als Maudgalya. (34) Een niet-identieke tweeling, één mannelijk individu en één vrouwelijk, kwam ter wereld van Mudgala, Bharmyâs'va's zoon. Het jongetje kreeg de naam Divodâsa en het meisje de naam Ahalyâ. Van haar huwelijk met Gautama kwam S'atânanda ter wereld [persoonlijkheden ook vermeld in de Ramâyana]. (35) Van hem was er een zoon SatyaDhriti, een expert in het boogschieten, en van S'aradvân, zijn zoon, werden, enkel doordat hij Urvas'î zag, uit zijn zaad dat op een pol s'ara-gras neerkwam, een mannelijk en een vrouwelijk kind geboren die een grote zegen vormden. (36) Tijdens een jacht ronddolend door het woud zag Koning S'ântanu de tweeling die hij uit mededogen met zich meenam, de jongen noemde hij Kripa en het meisje Kripî. Zij werd later de vrouw van Dronâcârya.
De Nakomelingen van Ajamîdha: de Pândava's en Kaurava's
(1) S'rî S'uka zei: 'Van Divodâsa kwam Mitrâyu ter wereld en zijn zoons, o beschermer der mensen, waren Cyavana, Sudâsa, Sahadeva en Somaka. Somaka daarna was de vader van Jantu. (2) Van hem waren er een honderdtal zoons, en de jongste van hen was Prishata. Van hem kwam Drupada ter wereld die in alle opzichten van de weelde was. (3) Van Drupada kwam Draupadî [de echtgenote van de Pândava's] ter wereld. Zijn zoons werden aangevoerd door Dhrishthadyumna door wie Dhrishthaketu er kwam. Al deze nakomelingen van Bharmyâs'va [9.21: 31-33] staan bekend als de Pâñcâlaka's.
(4-5) Riksha was een andere zoon die door Ajamîdha op de wereld werd gezet. Hij verwekte Samvarana van wie er uit zijn vrouw Tapatî, de dochter van de zonnegod, Kuru ter wereld kwam [zie stamboom], de koning van Kurukshetra. Parîkshi, Sudhanu, Jahnu en Nishadha waren Kuru's zoons. Van Sudhanu kwam Suhotra ter wereld en van hem kwam Cyavana er van wie Kritî d'r was. (6) Van hem was er Uparicara Vasu en zijn zoons, met Brihadratha voorop, waren Kus'âmba, Matsya, Pratyagra en Cedipa en anderen. Zij werden allen heersers over de staat Cedi. (7) Van Brihadratha zag Kus'âgra het levenslicht. Van zijn zoon Rishabha werd Satyahita geboren die als zijn nakomeling Pushpavân had wiens zoon Jahu was. (8) Brihadratha verweke bij een tweede vrouw die hij had twee delen van zichzelf die, omdat de moeder ze afwees, door Jarâ [de dochter van de Tijd, zie ook 4.27: 19] spelenderwijs werden verenigd zeggende: 'Kom tot leven, kom tot leven', zodat een zoon genaamd Jarâsandha ['Jarâ's hermafrodiet'] werd geboren [die later een gezworen vijand van Heer Krishna zou zijn]. (9) Van hem werd toen Sahadeva geboren van wiens zoon Somâpi S'rutas'ravâ er was. Parîkshi [een andere zoon van Kuru] had geen kinderen terwijl er van Jahnu een ter wereld kwam die Suratha heette. (10) Van hem was er Vidûratha door wie Sârvabhauma geboren werd. Hij kreeg Jayasena en van zijn zoon Râdhika kwam Âyutâyu ter wereld. (11) Van hem was er toen Akrodhana die een zoon had genaamd Devâtithi door wie Riksha ter wereld kwam die een zoon had genaamd Dilîpa en van hem was er de zoon genaamd Pratîpa. (12-13) Van hem weer waren er de zoons Devâpi, S'ântanu en Bâhlîka. Het was Devâpi, de oudste, die zijn vaders rijk afwees en naar het woud vertrok zodat S'ântanu koning werd. Hij was in een leven daarvoor Mahâbhisha geweest; wie hij ook maar aanraakte met zijn handen bereikte de jeugd hoe oud die persoon ook was. (14-15) Omdat men daadwerkelijk hoofdzakelijk door de aanraking van zijn handen de jeugd der genietingen kon krijgen stond hij bekend als S'ântanu. Toen Indra, de macht der hemelen, het twaalf jaar lang niet had laten regenen in zijn koninkrijk werd S'ântanu, die fout als een overweldiger [parivetta] het koninkrijk van zijn oudere broer genoot, door zijn brahmanen aangeraden: 'Geef onmiddellijk, ter verheffing van uw veste en koninkrijk, het rijk terug aan uw oudere broer.'
(16-17) Aldus van advies gediend door de tweemaal geborenen verzocht hij Devâpi zorg te dragen voor het koninkrijk maar die liet uit zijn antwoord blijken dat hij van zijn principes was gevallen. Ertoe aangezet door S'ântanu's minister hadden de brahmanen in het verleden hem namelijk woorden ingefluisterd die in strijd waren met de Veda's. Toen dat was gezegd liet de halfgod [met S'ântanu die het rijk op zich nam] de regens nederdalen. Devâpi zocht daarop zijn toevlucht in het stadje Kalâpa waar hij zich toelegde op de praktijk van de yoga [en daar tot op de dag van vandaag nog mee bezig is]. (18-19) Als de Soma-dynastie in Kali-yuga is verdwenen zal die [door hem] aan het begin van de volgende, te weten Satya-yuga, opnieuw worden ingesteld. Bâhlîka [S'antanu's broer] bracht Somadatta voort en van hem waren er Bhûri, Bhûris'ravâ en daarna de zoon S'ala. S'ântanu verwekte in zijn vrouw Gangâ de zelfgerealiseerde toegewijde en geleerde Bhîshma [zie ook 1.9], de beste van alle verdedigers van het dharma. (20) Door hem, de beste van alle strijders, werd zelfs Paras'urâma tot zijn eigen voldoening verslagen in een gevecht [*]. Door S'ântanu werd uit de schoot van [Satyavatî] de dochter van Dâsa [een visser **] de zoon Citrângada op de wereld gezet. (21-24) Vicitravîrya zijn oudere broer Citrângada werd door een Gandharva met dezelfde naam gedood. Door de wijze Parâs'ara incarneerde er van haar [Satyavatî, voorgaand aan haar huwelijk met S'ântanu] rechtstreeks een expansie van de Heer die een grote muni was die de Veda's beschermde: Krishna Dvaipâyana door wie ik werd geboren teneinde dit [Bhâgavatam] grondig te bestuderen. Vyâsadeva, de [gedeeltelijke] incarnatie van de Heer, wees zijn leerlingen Paila en anderen af terwijl hij jegens mij, ik als zijn zoon verre van de zinsbevrediging, van instructie was met het meest vertrouwelijke van deze allerverhevenste literatuur. Vicitravîrya trouwde later met de twee dochters van Kâs'îrâja die met geweld uit het huwelijksperk van uitverkiezing werden weggekaapt, maar omdat hij in zijn hart al te gehecht was aan zowel Ambikâ als Ambâlikâ stierf hij aan een tuberculose-infectie. (25) Omdat er daarmee van de broer geen nageslacht was verwekte Vyâsadeva daartoe opgedragen [in devarena sutotpatti, zie voetnoot 9.6] door de moeder [Satyavatî] twee zoons genaamd DhritaRâshtra en Pându [respectievelijk bij Ambikâ en Ambâlikâ] en werd [bij Vicitravîrya's dienstmaagd, zie ook 1.13] ook een zoon verwekt genaamd Vidura. (26) Uit zijn vrouw Gândhârî werden er van DhritaRâshtra een honderdtal zoons geboren, o beschermer der mensen, van wie Duryodhana de oudste was, zowel als een dochter genaamd Duhs'alâ.
(27-28) Pându had vanwege een vloek zijn seksuele leven moeten terugdringen, en zo kwamen toen de [Pândava] helden, de drie zoons met Yudhishthhira voorop ter wereld uit [zijn vrouw] Kuntî verwekt door Dharma, Anila en Indra [gezwegen over Karna die door de zonnegod ter wereld kwam]. Nakula en Sahadeva werden in de schoot van Mâdrî verwekt door de twee As'vins [Nâsatya en Dasra]. Van deze vijf broers kwamen [uit Draupadî] vijf zoons ter wereld: uw ooms. (29) Yudhishthhira kreeg Prativindhya, Bhîma kreeg S'rutasena, van Arjuna kwam S'rutakîrti en van Nakula was S'atânîka er. (30-31) Sahadeva, o Koning, had S'rutakarmâ. Er waren inderdaad ook andere zoons: van Yudhishthhira was er uit Pauravî Devaka, Bhîma had Ghathotkaca uit Hidimbâ en Sarvagata uit Kâlî, en zo ook had Sahadeva uit Vijaya, de dochter van de Himalayakoning [Pârvatî], de geboorte van Suhotra. (32) Nakula had uit Karenumatî een zoon genaamd Naramitra en Arjuna had de zoon Irâvân uit de schoot van Ulupî [een Nâga-dochter] en de zoon Babhruvâhana met de prinses van Manipura, die, hoewel zijn zoon, werd geadopteerd door de schoonvader.
(33) Van Subhadrâ [Krishna's zuster] kwam [door Arjuna] uw vader Abhimanyu ter wereld, hij was een grote held die al de Atiratha's versloeg ['zij die een duizend strijdwagenvechters kunnen trotseren']. En uw goede zelf nam door hem geboorte uit Uttarâ. (34) Met de vernietiging van de Kuru-dynastie probeerde As'vatthâmâ ook u ter dood te brengen met de hitte van het brahmâstra-wapen, maar door de genade van Heer Krishna werd u gered van die wisse dood [zie 1.8]. (35) Al uw zoons, mijn beste, met Janamejaya eerst, S'rutasena, Bhîmasena en Ugrasena - zijn alle van een grote macht. (36) Uw oudste zoon, wetend dat u stierf door Takshaka, zal in grote woede in een vuuroffer alle slangen offeren. (37) Met het aannemen van Tura, de zoon van Kalasha, als zijn priester zal hij, met het veroverd hebben van iedere uithoek van de wereld, offers brengen in as'vamedha-offerandes en bekend staan als Turuga-medhashâth ['hij die vele paardenoffers brengt']. (38) S'atânîka, zijn zoon, zal met Yâjñavalkya een grondige studie maken van de drie Veda's en de manier waarop de geestelijke kennis [met rituelen] in de praktijk moet worden gebracht, zal zich de militaire wetenschap [van Kripâcârya] eigen maken en zal met S'aunaka het transcendentale bereiken. (39) Sahasrânîka, zijn zoon, zal As'vamedhaja als zijn zoon hebben en van hem zal Asîmakrishna er zijn die een zoon zal hebben met de naam Nemicakra. (40) Met Hastinâpura overstroomd door de rivier, zal hij [Nemicakra] noodgedwongen in Kaus'âmbî leven, waarna van zijn zoon genaamd Citraratha er de zoon S'uciratha zal zijn. (41) Van hem zal er ook een zoon zijn: Vrishthimân van wie daarop Sushena zijn geboorte zal nemen, een keizer. Zijn zoon Sunîtha zal er een hebben genaamd Nricakshu en van hem zal Sukhînala ter wereld komen. (42) Pariplava zal dan zijn zoon zijn en van Sunaya na hem zal Medhâvî er zijn; van hem zal Nripañjaya het levenslicht zien, hij zal Dûrva krijgen en door hem zal Timi worden geboren. (43) Van Timi, zullen we Brihadratha zien verschijnen van wie Sudâsa de zoon S'atânîka zal hebben. S'atânîka zal een zoon krijgen genaamd Durdamana en zijn zoon zal Mahînara zijn. (44-45) Dandapâni, van hem, zal Nimi hebben van wie Kshemaka ter wereld zal komen. Met Kshemaka als de monarch die de rij sluit zal er een einde komen aan deze dynastie, deze bron van brahmanen en kshatriya's gerespecteerd door de zieners en goddelijken in Kali-yuga. Vervolgens zullen er in de toekomst de koningen van Mâgadha zijn; laat me u over hen vertellen.
(46-48) De zoon van Sahadeva [geboren uit Jarâsandha] zal Mârjâri als zijn zoon hebben. S'rutas'ravâ zal er van hem zijn, Yutâyu zal weer zijn zoon zijn en Niramitra na hem zal Sunakshatra hebben. Sunakshatra zal Brihatsena verwekken en Karmajit van hem zal Sutañjaya krijgen wiens zoon Vipra er een ter wereld zal brengen genaamd S'uci. Kshema daarna van hem geboren zal de zoon Suvrata hebben van wie Dharmasûtra zal verschijnen. Sama, zijn zoon, zal Dyumatsena hebben na wie vervolgens door Sumati, zijn zoon, Subala geboorte zal nemen. (49) Van Sunîtha [Subala's zoon] zal Satyajit er zijn door wiens zoon Vis'vajit er Ripuñjaya zal zijn; en zo zullen al de andere koningen in de lijn van Brihadratha voor een duizendtal jaren achtereen geboorte nemen.'
De Dynastieën van de Zoons van Yayâti: het Verschijnen van Heer Krishna
(1) S'rî S'uka zei: 'Van Anu [de vierde zoon van Yayâti, zie 9.17, 9.18 & 9.19] waren er de drie zonen Sabhânara, Cakshu en Pareshnu. Van Sabhânara kwam daarna Kâlanara ter wereld en volgde er een zoon van hem genaamd Sriñjaya. (2) Van Janamejaya [na hem] was er een zoon Mahâs'âla die Mahâmanâ kreeg. Us'înara en Titikshu waren de twee zoons van Mahâmanâ. (3-4) S'ibi, Vara, Krimi en Daksha waren de vier die ter wereld kwamen door Us'înara. Vrishâdarbha, Sudhîra, Madra en de zelfgerealiseerde Kekaya waren vier zoons die geboorte namen door S'ibi. Van Titikshu was er een genaamd Rushadratha van wie Homa er was die Sutapâ verwekte. Bali was Sutapâ's zoon. (5) Met Anga voorop, Vanga en Kalinga stonden Suhma, Pundra en Odra bekend als geboren uit het zaad van Dîrghatama in de vrouw van de grote veroveraar Bali. (6) Het waren hun namen die aan de zes staten werden gegeven die ze schiepen in het oosten [van India]. Uit Anga vond Khalapâna zijn bestaan en van hem verscheen daarna Diviratha. (7-10) Van Dharmaratha, zijn zoon, kwam Citraratha ter wereld, gevierd als Romapâda. Omdat Romapâda geen zoons had leverde zijn vriend Das'aratha hem S'ântâ, zijn eigen dochter [ter adoptie], die toen trouwde met Rishyas'ringa [een kluizenaar die in het woud leefde, zie ook 8.13: 15-16]. Maar omdat de god [Indra] niet voor de nodige regen zorgde werd hij, die hertenzoon, aangetrokken met behulp van courtisanes die dansend en zingend met muziek hem verbijsterden met omhelzingen en eerbetoon. Terwille van de kinderloze koning organiseerde hij [Rishyas'ringa] toen een marutvân [zoon-brengende] offerplechtigheid zodat Das'aratha [als de schoonvader] een kind werd geleverd [als ook regen, zie B.G. 3:14]. En zo bracht hij [Romapâda], die zonder een opvolger zat, het daadwerkelijk tot nageslacht; hij kreeg Caturanga die toen Prithulâksa als zijn zoon kreeg. (11) Brihadratha, Brihatkarmâ en Brihadbhânu waren zijn zoons. Van de oudste [Brihadratha] was Brihanmanâ er en van hem was hij er die vereerd werd met de naam Jayadratha. (12) Vijaya met hem geboren uit Sambhûti had daarna Dhriti en van hem nam Dhritavrata zijn geboorte van wie Satkarmâ er kwam die Adhiratha kreeg. (13) Hij spelend aan de oever van de Ganges trof in een mand de baby aan achtergelaten door Kuntî omdat die was geboren voordat ze getrouwd was. Geen zoon hebbend adopteerde hij het als zijn eigen zoon [Karna]. (14) O meester van het universum, Vrishasena was Karna's zoon. Van Druhyu [Yayâti's derde zoon] was er een zoon genaamd Babhru die daarna Setu verwekte. (15) Ârabdha van hem geboren had Gândhâra en van hem was Dharma er. Hij had Dhrita, en van Dhrita was Durmada er van wie de zoon Pracetâ een honderdtal zonen had. (16) Zij aanvaarden als koningen het gezag over de noordelijke richting, de ongeciviliseerde gebieden van Mlecchades'a. Turvasu [Yayâti's tweede zoon] kreeg de zoon Vahni en Vahni kreeg Bharga die Bhânumân verwekte. (17) Tribhânu, zijn zoon, had er ook een: de grootmoedige Karandhama. Zijn zoon was Maruta; hij, zonder zoons, adopteerde een Paurava [Dushmanta, zie ook 9.20: 7] als zijn zoon. (18-19) Dushmanta die de troon begeerde, keerde naar zijn clan terug [de Pûru's]. Van Yayâti's eerste zoon Yadu was er een dynastie, o beste der mensen, die ik u nu zal beschrijven.
Om te vernemen over de Yadu-dynastie is iets zeer vrooms dat al de terugslagen van de zonde in de menselijke samenleving overwint. Een ieder die er eenvoudig naar luistert raakt bevrijd van de nasleep der zonde. (20-21) In deze dynastie daalde de Opperheer [Krishna] neder, de Superziel, eruitziend alsof Hij een gewoon mens is [zie ook S.B. 1.2: 11]. Van Yadu waren er de vier zoons gevierd als Sahasrajit, Kroshthâ, Nala en Ripu, en van hen kreeg S'atajit, geboren uit de eerste van hen, als zijn zoons toen Mahâhaya, Renuhaya en Haihaya. (22) Dharma werd vervolgens Haihaya's zoon en zijn zoon Netra was de vader van Kunti [niet Kuntî]. Sohañji werd de zoon van Kunti en hij verwekte Mahishmân die Bhadrasenaka kreeg. (23) Durmada kwam van Bhadrasena ter wereld tezamen met Dhanaka. Dhanaka was de vader van de zoons Kritavîrya, Kritâgni, Kritavarmâ en Kritaujâ. (24) Van Kritavîrya was er Arjuna [Kârtavîryârjuna] die keizer werd over de zeven continenten en van de yoga van Heer Dattâtreya, een [ams'a-]incarnatie van de Allerhoogste Persoonlijkheid [zie ook 9.15, 10.73 & 12.3], al de grote kwaliteiten verwierf [de acht siddhi's]. (25) Er was inderdaad niemand op deze aarde te vinden die zich kon meten met Kâritavîrya in zijn kwaliteiten van opoffering, liefdadigheid, verzaking, yogasucces, scholing, kracht en genade. (26) Voor de duur van vijfentachtigduizend jaar zou zijn kracht onverminderd daadwerkelijk onuitputtelijk zijn en konden de zes vormen van plezier [naar de zinnen en de geest] worden genoten in volle heugenis en alle weelde. (27) Van zijn duizend zoons bleven er maar vijf in leven in de strijd [tegen Paras'urâma]: Jayadhvaja, S'ûrasena, Vrishabha, Madhu en Ûrjita. (28) Jayadhvaja kreeg Tâlajangha van wie toen een honderdtal zonen werd geboren. Die vormden een kshatriya clan bekend als de Tâlajangha's die werd vernietigd dankzij de macht [door Sagara] ontvangen van de wijze Aurva [zie 9.8: 3-7]. (29) Van Tâlajangha's oudste zoon Vîtihotra was er Madhu, die een honderdtal zonen kreeg waarvan de gevierde Vrishni de oudste was. Van hem was er de dynastie.
(30-31) O Koning, de Yâdava, Mâdhava en Vrishni dynastieën [van Heer Krishna's voorvaderen] ontleenden hun namen aan hun leidende persoonlijkheden. Yadu's zoon Kroshthâ had een zoon met de naam Vrijinavân. Zijn zoon was Svâhita die daarop Vishadgu kreeg van wie er Citraratha was van wie S'as'abindu zijn geboorte nam, een grote yogi die een zeer fortuinlijke, grote persoonlijkheid werd die, als keizer ongeslagen, al de veertien soorten van grote rijkdom kende [*]. (32) S'as'abindu had tienduizend vrouwen, en in hen verwekte hij die zo beroemd was tienduizend lakhs [**] zonen [en kleinzonen]. (33) Van hen kennen we slechts de zes meest vooraanstaande. Prithusravâ [een van hen] had een zoon met de naam Dharma. Us'anâ, zijn zoon, bracht honderd as'vamedha offers. (34) Van zijn zoon Rucaka waren er vijf zonen genaamd Pûrujit, Rukma, Rukmeshu, Prithu en Jyâmagha. Verneem nu alstublieft over hen. (35-36) Jyâmagha was, ondanks het feit dat hij geen zoons had, bang om een andere vrouw dan zijn echtgenote S'aibyâ aan te nemen. Hij bracht toen een sensueel meisje met zich mee uit het kamp van een vijandelijke clan waarop S'aibyâ, toen ze het meisje op haar plaats op de wagen zag zitten, zeer boos werd en tegen haar echtgenoot zei: 'Wie is dit die je het hebt toegestaan op mijn plaats op de wagen te gaan zitten, jij bedrieger?'
'Ze is je schoondochter' bracht hij haar toen bij waarop ze met een glimlach tot haar man zei:
(37) 'Ik ben onvruchtbaar, ik heb geen bijvrouw, hoe kan zij dan mijn schoondochter zijn? Welke zoon kon jij op de wereld zetten?'
'Mijn Koningin', [antwoordde hij,] 'Dit meisje hier zal voor hem zeer geschikt zijn!'
(38) Met de [door Jyâmagha gunstig gestemde] halfgoden en voorouders die met die uitspraak instemden raakte S'aibyâ zwanger zodat ze na de nodige tijd een zoon ter wereld bracht. Die zoon was de goedgunstige, welbekende Vidharba die later met het kuise meisje trouwde dat als de schoondochter werd aangenomen.'
*: In de Mârkandeya Purâna worden de veertien juwelen van een keizer als volgt omschreven: (1) een olifant, (2) een paard, (3) een strijdwagen, (4) een echtgenote, (5) pijlen, (6) een bron van weelde, (7) een bloemenslinger, (8) kostbare kleding, (9) bomen, (10) een speer, (11) een strop, (12) juwelen, (13) een parasol, en (14) regulerende beginselen.
**: Een lakh is honderdduizend.
De Yadu en Vrishni Dynastieën, Prithâ en de Glorie van Heer Krishna
(1) S'rî S'uka zei: 'In haar [zie 9.23: 35-38] verwekte Vidarbha [de zoon van de Yadu Jyâmagha] de twee zoons Kus'a en Kratha en een derde [eveneens, zie 9.23: 7-10] genaamd Romapâda die de favoriet van de Vidarbha dynastie was. (2) Romapâda's zoon was Babhru, van Babhru kwam Kriti ter wereld en van zijn zoon Us'ika was Cedi er [zie ook 9.22: 6] door wie Caidya [Damaghosha, 7.1: 18] en andere beschermers van de mensen werden geboren. (3-4) Van Kratha was er een zoon genaamd Kunti, door wie Vrishni ter wereld kwam van wie toen Nirvriti zijn geboorte nam door wie hij die Das'ârha werd genoemd het levenslicht zag. Van hem was er een zoon Vyoma die Jîmûta verwekte die Vikriti als zijn zoon had van wie Bhîmaratha werd geboren wiens zoon Navaratha Das'aratha kreeg. (5) Karambhi van S'akuni [Das'aratha's zoon] kreeg een zoon Devarâta, zijn zoon was Devakshatra waarna er van hem Madhu was die Kuruvas'a kreeg die Anu verwekte. (6-8) VVan Puruhotra, bekend als de zoon van Anu, was er Ayu, die Sâtvata als zijn zoon had en Bhajamâna, Bhaji, Divya, Vrishni, Devâvridha, Andhaka en Mahâbhoja waren de zeven zoons van Sâtvata, o waarde vriend. Van Bhajamâna waren er met één vrouw voorwaar de zoons Nimloci, Kinkana en Dhrishthi terwijl er met een andere evenzo de drie zoons S'atâjit, Sahasrâjit en Ayutâjit waren, o meester. (9) Van Devâvridha en zijn zoon Babhru worden er, zoals we dat hoorden van anderen en dat nog steeds heden ten dage zo wordt gezien, twee verzen gereciteerd door de oudere generatie: (10-11) 'Babhru, de beste van al de mensen en Devâvridha, de beste onder de goddelijken - van het akkoord van deze twee hebben al de veertienduizend-en-vijfenzestig personen [die na hem volgden] de eeuwige verblijfplaats bereikt.' en: 'In de dynastie van Mahâbhoja was er van de omgang van de Bhoja koningen Babhru en Devâvridha enkel het meer en meer volledige van het dharma'.
(12) Van Vrishni [geboren door Sâtvata] verschenen de zoons Sumitra en Yudhâjit, o onderwerper van de vijanden. S'ini en Anamitra namen geboorte door hem [Yudhâjit] en van Anamitra verscheen Nighna. (13) Van Nighna vonden de zoons Satrâjita en Prasena hun bestaan. Een andere zoon van hem heette ook S'ini en zijn zoon was Satyaka. (14) Yuyudhâna die er van Satyaka was kreeg Jaya en van hem was Kuni er wiens zoon Yugandhara was. Een andere zoon van Anamitra was Vrishni. (15) S'vaphalka en Citraratha waren zijn zoons. Verwekt in Gândinî door S'vaphalka was er Akrûra, de oudste van twaalf andere zeer gevierde zoons: (16-18) Âsanga, Sârameya en Mridura; Mriduvit, Giri, Dharmavriddha, Sukarmâ, Kshetropeksha en Arimardana; S'atrughna, Gandhamâda en Pratibâhu. Behalve de twaalf van hen was er een zuster genaamd Sucârâ. Van Akrûra waren er twee zoons genaamd Devavân en Upadeva. Citraratha had, met Prithu en Vidûratha voorop, vele zoons die bekend staan als de zoons van Vrishni.
(19) Van Kukura, Bhajamâna, S'uci en Kambalabarhisha [zoons van Andhaka zie 6-8] had Kukura een zoon genaamd Vahni en van hem was Vilomâ er. (20) Zijn zoon Kapotaromâ kreeg Anu en zijn vriend was Tumburu. Van Andhaka [Anu's zoon] was Dundubhi er van wie Avidyota er was die een zoon had genaamd Punarvasu. (21-23) Van hem waren er Âhuka en Âhukî, een zoon en een dochter, en van Âhuka waren er de zoons Devaka en Ugrasena. Devaka had vier zoons: Devavân, Upadeva, Sudeva en Devavardhana. Er bestonden ook zeven dochters, o beschermer van de mens: S'ântidevâ, Upadevâ, S'rîdevâ, Devarakshitâ, Sahadevâ, Devakî en Dhritadevâ die de oudste was. Vasudeva [Krishna's vader] trouwde met hen. (24) Kamsa, Sunâmâ, Nyagrodha, Kanka, S'anku, Suhû als ook Râshthrapâla en vervolgens Dhrishthi en Tushthimân waren Ugrasena's zoons. (25) Ugrasena's dochters Kamsâ, Kamsavatî, Kankâ, S'ûrabhû en Râshtrapâlikâ werden de echtgenotes van de jongere broers van Vasudeva.
(26) Door S'ûra die ter wereld kwam door Vidûratha [de zoon van Citraratha van Vrishni] nam een zoon genaamd Bhajamâna zijn geboorte en van hemzelf was S'ini er die de vader was van de beroemde koning Bhoja wiens zoon de gevierde Hridika is. (27) Devamîdha, S'atadhanu en Kritavarmâ waren daarna zijn zonen. Van Devamîdha was [er een andere] S'ûra er die een vrouw had genaamd Mârishâ. (28-31) In haar verwekte hij tien zoons: Vasudeva, Devabhâga, Devas'ravâ, Ânaka, Sriñjaya, S'yâmaka, Kanka, s'amîka, Vatsaka en Vrika. Toen Vasudeva zijn geboorte nam heetten de godsbewusten hem welkom met het geluid van paukengeroffel. Hij wordt ook wel Ânakadundubhi genoemd omdat hij de Heer Zijn plaats van geboorte bood. S'ûra zijn dochters Prithâ [de moeder van Arjuna, Krishna's neef en vriend] en S'rutadevâ als ook S'rutakîrti, S'rutas'ravâ en Râjâdhidevî waren zijn vijf zussen. Vader S'ûra leverde aan een kinderloze vriend genaamd Kunti, Prithâ die aldus bekend staat als Kuntî.
(32) Zij ontving van Durvâsâ, die ze had behaagd, de kennis om iedere halfgod aan te kunnen roepen. Alleen maar om uit te zoeken wat dat kon doen riep zij, de vrome, de zonnegod aan. (33) Toen ze op datzelfde ogenblik de godheid voor zich zag verschijnen, was ze zeer verrast en zei ze: 'Neemt u me niet kwalijk o godheid, keert u alstublieft weerom, ik was alleen maar bezig om te kijken wat het zou bewerkstelligen!'
(34) [De zonnegod gaf ten antwoord:] 'Om niet vruchteloos te zijn in uw ontmoeting met een godheid zal ik u hiertoe een zoon in uw schoot geven en het zo voor u regelen, o mijn schone, dat u niet zal worden onteerd.'
(35) Met het doen van die belofte maakte de zonnegod haar zwanger en keerde hij terug naar zijn hemelse verblijf. Direct daarna werd een kind geboren dat als een tweede zonnegod was. (36) Bang voor wat de mensen ervan zouden denken gaf ze met grote spijt dat kind op [Karna: 'in het oor'] het laten wegdrijvend in het water van de rivier [in een mandje, zie ook 9.23: 13]; het was inderdaad uw vrome en ridderlijke overgrootvader Pându die met haar trouwde.
(37) Uit het huwelijk van S'rutadevâ [Kuntî's zuster] met Vriddhas'armâ, de koning van Karûsha, werd toen Dantavakra geboren. Dantavakra was degene die, vervloekt door de zeven wijzen [oorspronkelijk door de Kumâra's, zie Jaya en Vijaya], een zoon werd van Diti. (38) Dhrishthaketu, de koning van Kekaya, huwde S'rutakîrti met wie hij vijf zoons met Santardana voorop. (39) Râjâdhidevî bracht met Jayasena zonen ter wereld [genaamd Vinda en Anuvinda]. Damaghosha, de koning van Cedi, trouwde toen met S'rutas'ravâ. (40) S'is'upâla, wiens geboorte ik reeds beschreef [7.1: 46; 7.10: 38], was haar zoon. Van Devabhâga [een van Vasudeva's broers] waren er met de echtgenote Kamsâ [de zoons] Citraketu en Brihadbala. (41) Met Devas'ravâ schonk Kamsavatî het leven aan Suvîra en Ishumân; en door Kanka werden Baka, Satyajit en Pûrujit verwekt in Kankâ. (42) Sriñjaya met Râshtrapâlikâ verwekte zoons met voorop Vrisha en Durmarshana. S'yâmaka verwekte in S'ûrabhûmi Harikes'a en Hiranyâksha. (43) In Mis'rakes'î, een meisje uit de hemel, werden door Vatsaka Vrika en andere zoons verwekt. Vrika schonk zijn echtgenote Durvâkshî zonen met Taksha, Pushkara en S'âla als de eersten. (44) Sumitra en Arjunapâla als de oudsten werden toen door s'amîka verwekt in Sudâmanî. Ânaka verwekte bij Karnikâ Ritadhâmâ en ook Jaya.
(45) Pauravî, Rohinî, Bhadrâ, Madirâ, Rocanâ en Ilâ met Devakî voorop waren de vrouwen [zie ook 21-23] aanwezig voor Ânakadundubhi [Vasudeva]. (46) Met Krita voorop waren Bala, Gada, Sârana en Durmada, Vipula en Dhruva de zonen die Vasudeva toen verwekte in Rohinî. (47-48) Subhadrâ, Bhadrabâhu, Durmada en Bhadra behoorden tot de twaalf zoons met Bhûta als de oudste die uit Pauravî geboorte namen. Nanda, Upananda, Kritaka, S'ûra en anderen waren de zoons van Madirâ, terwijl Kaus'alyâ [Bhadrâ] slechts aan één zoon genaamd Kes'î geboorte gaf. (49) Van haar die Rocanâ werd genoemd kwamen [met Vasudeva] Hasta, Hemângada en anderen ter wereld. In Ilâ verwekte hij de zoons aangevoerd door Uruvalka die de leidende persoonlijkheden waren van de Yadu-dynastie. (50) Ânakadundubhi verwekte in Dhritadevâ één zoon: Viprishthha, terwijl Pras'ama, Prasita en anderen de zonen van S'ântidevâ waren, o Koning. (51) Râjanya, Kalpa en Varsha waren de eersten van de tien zoons met Upadevâ en Vasu, Hamsa en Suvams'a en anderen waren de zes zoons [die Vasudeva had] met S'rîdevâ. (52) Met Devarakshitâ bracht hij het eveneens tot negen stuks die er waren met Gadâ als de eerste. Bij Sahadevâ verwekte Vasudeva acht zoons. (53-55) Zij, met S'ruta en Pravara [of Pauvara] voorop, waren rechtstreeks het dharma in eigen persoon van de Vasu's. Vasudeva verwekte in Devakî toen acht zeer geschikte zoons: Kîrtimân, Sushena, Bhadrasena, Riju, Sammardana, Bhadra en Sankarshana, de heer der serpenten. De achtste die van hen twee verscheen was de Heer in eigen persoon [Krishna]; en wat te zeggen van [Zijn zus] Subhadrâ, uw zo hoogst fortuinlijke grootmoeder, o Koning?
(56) Wanneer en waar ook er een verval van het dharma is en een toename van zondige activiteiten, dan, te dien tijde, daalt de Allerhoogste Heer, de Beheerser Hari, neer in eigen persoon [zie B.G. 4: 7]. (57) Behalve de Beheerser Zijn mededogen met de gevallen zielen bestaat er geen enkele reden voor Hem om geboorte te nemen of in actie te komen, o grote leider; Hij is de Ene in het Voorbije, de Getuige die de Superziel is [zie ook B.G. 8: 4]. (58) Wat Hij ook in gang zet middels de materiële energie doet Hij uit mededogen met de bedoeling de [materialistische] werkelijkheid tot een einde te brengen van de geboorte, het voortbestaan en de vernietiging van de levende wezens en ze terug naar huis te leiden, terug naar God ['het ware zelf te bereiken', zie B.G. 15: 7 en 13: 20-24]. (59) Met de militaire macht die met hoge onkosten door de, eigenlijk voor het leiderschap ongeschikte, onverlichte bestuurders in het leven wordt geroepen om elkaar te kunnen aanvallen, maakt Hij de weg vrij voor het terugdringen van hun aantallen [zie ook 1.11: 35, 3.3 en 7.9: 43]. (60) Zelfs voor de geesten van de heersende persoonlijkheden der verlichting [Brahmâ en S'iva] gaan de activiteiten die de Allerhoogste Heer, de doder van Madhu, aan de dag legde met Sankarshana [Balarâma], het begrip te boven. (61) Om de duisternis van de misère en het weeklagen van hen die hun geboorte gaan nemen in dit Kali-tijdperk te verdrijven, enkel om de toegewijden genade te tonen, vertoonde Hij Zijn vrome activiteiten. (62) Met het in achting hiervoor behagen [van de ziel] door de oren open te houden voor de waarheid en zichzelf bij de heilige plaatsen te houden wordt, met het contact dat men heeft in het vernemen over het bovenzinnelijke, het sterke verlangen naar vruchtdragende handelingen voorgoed vernietigd. (63-64) Hij, altijd ondernemend met de ondersteuning van de lofwaardige Kuru's, Sriñjaya's en Pândava's, Hij samen met hen die van Bhoja, Vrishni, Andhaka, Madhu, S'ûrasena en Das'ârha waren, Hij met Zijn beminnelijke glimlachen en met Zijn instructies en heldhaftige, als grootmoedig te beschouwen avonturen, behaagde de menselijke samenleving met Zijn persoonlijke gedaante welke zo aantrekkelijk is in ieder opzicht. (65) Alle mannen en vrouwen [van Vrindâvana] die tot hun voldoening zich laven aan de aanblik van Zijn gezicht en voorhoofd, schitterend opgesierd met de haaienvormige oorhangers aan Zijn prachtige oren; allen die zich laven aan Zijn glimlachen van plezier die voor het oog een festijn vormen waar men nimmer genoeg van krijgt, zijn allen boos over het knipperen van hun eigen ogen! [zie ook B.G. 7: 3] (66) Toen Hij Zijn geboorte nam liet Hij het huis van Zijn vader achter zich om in Vraja [en Vrindâvana] de sfeer te verheffen met het aldaar doden van vele demonen; Hij verwekte honderden zoons met het aanvaarden van vele duizenden van de fijnste vrouwen als Zijn echtgenotes en als de Allerhoogste Persoon aanbeden middels vele offers verbreidde Hij Zijn roem onder de mensen [de huishouders] met achting voor de vedische rituelen [zie ook B.G. 4: 8]. (67) Door ze tegen elkaar op te zetten maakte Hij in de slag [van Kurukshetra] een eind aan de grote last op deze aarde die gevormd werd door de Kuru-persoonlijkheden; onder Zijn toeziend oog werden met de triomf al de baatzuchtige heersers uit de weg geruimd in verband waarmee Hij [aan Arjuna] uitlegde wat in het leven nu de overwinning inhoud [zie Gîtâ] en tenslotte keerde Hij, na Uddhava te hebben geïnstrueerd over het bovenzinnelijke [zie 3.2, 3.4: 29, elfde Canto], terug naar Zijn hemelverblijf.'
Aldus eindigt het negende canto van het S'rîmad Bhâgavatam genaamd: 'Bevrijding'.
Vertaald door: Anand Aadhar Prabhu http://bhagavata.org/c/8/AnandAadhar.html
Produktie: de Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd http://theorderoftime.com/ned/info/gasten-vrienden.html
© 2009 srimadbhagavatam.org
Downloaden en uitprinten alleen voor privé- en niet-commercieel gebruik toegestaan. Overig gebruik met toestemming: email verzenden vanaf http://bhagavata.org/email.htmlDe brontekst, illustraties en muziek bij deze vertaling kan men vinden door de links te volgen vanaf http://bhagavata.org/index.ned.html
Bij deze oorspronkelijke vertaling is naast het Sanskriet woordenboek een alles-in-een band exemplaar met uitgebreid commentaar van A.C. Bhaktivedanta Swami Prabhupâda geraadpleegd. ISBN: o-91277-27-7 . Voor links naar andere sites betreffende dit onderwerp en de bijbehorende muziek zie verder op de Linkspagina van de S'rîmad Bhâgavatam Schatkamer http://bhagavata.org/treasury/