Dit is een E-book converteerbare download pagina
© Anand Aadhar Prabhu 2001
Alleen toegestaan voor niet-commercieel gebruik, overig gebruik vereist toestemming.
Deze download geeft alleen de tekst zonder de songs - surf voor de download van het songbook en de on-line-versie met afbeeldingen en de muziekbestanden vanaf http://bhagavata.org/gita/commentaar/
Voor de Sanskriet termen biedt de on-line versie links naar een woordenlijst.De lopende vertaling van Anand Aadhar van de gehele Bhagavad Gîtâ, die bij iedere internetpagina aan de tekst vooraf gaat, maar niet in deze download is opgenomen, vindt u op: http://bhagavata.org/gita/index.ned.html
KRISHNA EN DE ZINGENDE FILOSOOF
De filosofie en muziek van de Caitanya Vaishnava's
in de vorm van een commentaar op
de eerste vier hoofdstukken van de Bhagavad Gîtâ
V O O R W O O R D EN I N L E I D I N G
H O O F D S T U K 1
H e t s l a g v e l d v a n K u r u k s e t r a
H O O F D S T U K 2
D e s a m e n v a t t i n g v a n d e G î t â
H O O F D S T U K 3
V e r b o n d e n h e i d d o o r a r b e i d
H O O F D S T U K 4
B o v e n z i n n e l i j k e k e n n i s
VOORWOORD
God is, volgens het nederlands woordenboek, het alomtegenwoordig, machtig en aanbiddelijk wezen. Heer K r i s h n a, degene die de Bhagavad Gîtâ, het Lied van God, formuleerde, staat bekend als de Hoogste Persoonlijkheid van God. V a i s h n a v a's zijn toegewijden van Heer V i s h n u , God de behouder, K r i s h n a. De essentie van de boodschap van de v a i s h n a v a's in Nederland, die ook wel de C a i t a n y a - v a i s h n a v a's worden genoemd en de b h a k t i - y o g a volgens de geestelijke erfopvolging hooghouden, is te komen tot toewijding tot Heer K r i s h n a. Heer K r i s h n a daalde in 1486 neer, incarneerde zegt men ook wel eens, in de gedaante van Heer C a i t a n y a-M a h â p r a b h u (spreek uit: Tsjétanja). Eigenlijk incarneert Heer K r i s h n a niet, omdat de Hoogste Persoon boven de natuur staat; de meester van de Y o g a, y o g i s h v a r a, de Ongeborene of A j a is. K r i s h n a wordt als zuiver transcendentaal gezien en Hem als materieel of gewoon 'geincarneerd' beschouwen zien de toegewijden van de Heer als een overtreding. Heer C a i t a n y a is dus een a v a t â r a, of nederdaling van Heer K r i s h n a.
De nederdaling van K r i s h n a op aarde hield een grote reformatie in, zowel vijfduizend jaar geleden als in 1486. Vijf millenia geleden kwam K r i s h n a om de aarde te verlossen van een grote last aan heersers die door bezitsdrang en valse verbeelding voor de mensen een ware plaag geworden waren. In de zestiende eeuw kwam K r i s h n a - C a i t a n y a, zoals Hij ook wel wordt genoemd, om de wereld te verlossen uit de greep van de droge boekengeleerdheid. De priesters met hun machtsverbeelding werden door Hem bevrijd van de illusie van beheersen en genieten en kregen daarvoor in de plaats de vernieuwing van de wetenschap van de toewijding tot God, ookwel de b h a k t i - y o g a genoemd. Voor Nederland is het zeer belangrijk te beseffen dat de reformatie, zoals ook door de christelijkheid ondergaan, niet een reaktie is van een opstandige rebelse priester of iets in die geest. Het is de wil van de Hoogste Persoonlijkheid van God zelve die ons heeft geïnspireerd. Het katholicisme moest het kruis van de reformatie onder ogen zien en allerlei christenen moesten zwaar boeten voor de onwetendheid niet zelf de Reformator te zijn. In feite zijn alle christelijk gereformeerden zonder het zelf te weten aanhangers van de transcendentale persoon van de verbondenheid met God door toewijding: Heer C a i t a n y a. Heer K r i s h n a-C a i t a n y a predikte het Lied van God, de B h a g a v a d_G î t â en het verhaal van de toewijding tot God, het Srîmad Bhâgavatam genaamd (letterlijk: het mooiste over Hem die fortuinlijk is), een boek qua status te vergelijken met de christelijke bijbel (hierna aangeduid met B.G. en S.B. waarvan nu op het internet een vertaling).
De leraar in erfopvolging, de z.g. â c â r y a, van S w a m i_S u h o t r a_M a h â r â j, aan wie dit boek is opgedragen, S w a m i_B h a k t i v e d a n t a P r a b h u p â d a, heeft een zeer uitgebreide vertaling met een commentaar het licht laten zien. Zijn G î t â dient als basis voor dit schrijven dat moet worden gezien als ' v i - b h a g a v i t', ofwel een aanpassing aan tijd en omstandigheden. Hoewel van de traditionele 'melodie', de v e d i s c h e conclusie of v e d a n t a van de prediking niet wordt afgeweken is dit schrijven vol van allerlei soorten van begeleidende tekst en aanpassing van de 'toonsoort'. Wie aanstoot neemt aan de compositie van de tekst vraagt de schrijver dezes om vergeving.
[Voor de Internet editie is er een lopende vertaling van de Gîtâ aan de teksten toegevoegd die de vertaling van Prabhupâda parafraseert en integreert. Voor de volledige versie van deze vertaling ga naar: De Bhagavad Gîtâ van Orde.]
B h a k t i is iets exotisch voor Nederlanders, en draagt een sektarisch tintje vanwege de onbekendheid, hoge inzet en vasthoudendheid waarmee het heeft moeten vechten voor een plaatsje in onze samenleving. In Nederland werden tempels gebouwd en weer afgebroken. We zijn nu een generatie verder en vele toegewijden staan voor de opdracht op een ontwikkelde manier het geloof te belijden. Swami Prabhupâda maakte duidelijk dat fanatisme voortkomt uit een gebrek aan filosofie, terwijl een teveel aan filosofie een vorm van liefdeloosheid of gebrek aan b h a k t i betekent. Evenwicht en matiging zowel wat betreft de filosofie als wat betreft de b h a k t i zelf is dus in feite de boodschap. Dit is de taal die we in Nederland lijken te moeten spreken als we het over een 'nieuwe aanpassing van de wetenschap van God'willen hebben. Dat is conform de religieuze tolerantie waar Nederland haar ziel in gevonden heeft.
De eerste vraag die zich voordoet is die van het waarom. Waarom hebben we K r i s h n a-C a i t a n y a nodig, wat geeft Hij ons dat het christendom ons niet gegeven heeft? Het antwoord is simpel en eenduidig: K r i s h n a. K r i s h n a is gelukzaligheid, eeuwigheid en bewustzijn, ookwel s a t - c i t - â n a n d a genaamd. Betekent dit een nieuwe afhankelijkheid? Bladerend in de C a i t a n y a - c a r i t â m r i t a, het 'nieuwe testament' dat de aktiviteiten en de leer van Heer C a i t a n y a beschrijft, op zoek naar een geschikt citaat om dit boek mee te kunnen beginnen, sprong een uitspraak naar voren van Heer C a i t a n y a die nauw aansluit bij wat Hij in dit Lied van God gezegd heeft (3.18) over zelfstandigheid van toegewijden:
'Een toegewijde die niet afhankelijk is van anderen, maar zich uitsluitend op Mij verlaat, die zowel innerlijk als uiterlijk rein is, die expert is, onverschillig naar materiële dingen toe, zonder zorgen, vrij van alle pijnen en afwijzend staat tegenover alle vrome en onvrome ondernemingen is mij zeer dierbaar' (M.l. 23.109).
Hoewel dit niet het belangrijkste vers is van Heer C a i t a n y a prediking, is dit toch wel op zijn plaats wat betreft Nederland. Het is het rechtstreekse advies van de Heer dat we ons niet te druk moeten maken afhankelijk te zijn, dat we zuiver, kundig en onmaterialistisch, onbezorgd en pijnloos moeten leven terwijl we het gewoon rustig aan moeten doen met de ondernemingslust. Bij verdere bestudering van dit boek is het goed om het vers in gedachten te houden dat wèl als één van de meest belangrijke door Heer C a i t a n y a wordt geacht: het z.g. Atmârâma-vers uit het S r î m a d_B h â g a v a t a m. Het luidt als volgt:
' De wonderbaarlijke kwaliteitenvan de Heer zijn van een dergelijke aard dat ondanks het feit dat men behagen schept in de ziel, zowel de gewone man als de wijzen vrij van alle materiële bindingen, zuivere toegewijde dienst verrichten ter wille van de Grote Avonturier.'
H a r i, de Persoonlijkheid van God, wordt K r i s h n a genoemd omdat hij zulke transcendentale aantrekkelijke eigenschappen heeft' (S.B. 1.7.10). Gelatenheid en zelfgenoegzaamheid wat betreft onze christelijkheid vormen dus geen wezenlijke hindernis op de weg naar de verdieping van het geloof en het verwezenlijken van een zinvolle bevrijding: bovenzinnelijke liefde voor K r i s h n a.
Voordat we Heer K r i s h n a de oorspronkelijke boodschap van de verbondenheid met God door toewijding, de b h a k t i - y o g a, laten spreken, is het goed eerst een aantal onderwerpen te bespreken die van groot belang zijn bij het begaan van het pad.
Ten eerste : b h a k t i - y o g a is de hoogste vorm van y o g a. D.w.z. in deze y o g a vindt de y o g i zijn vervolmaking. De y o g a heeft een beetje een vieze bijsmaak gekregen door het feit dat allerlei onheuse lieden er hun krachten aan ontleend hebben en de geschiedenis van de mensheid verduisterd hebben door hun machtsillusies bot te vieren. Het noemen van namen laten we maar even buiten beschouwing. Resultaat van dit feit is echter wel dat de y o g a op zich, zoals wij die in Nederland hebben leren kennen in de twintigste eeuw, in de vorm van h a t h a - y o g a (lichaamsoefeningen) en j n â n a - y o g a (filosofie), geen rechtstreekse liefde van God voor de naaste inhoudt. Het is wel liefde voor God, maar niet echt wat we de naastenliefde in christelijke zin als de bereidheid zich voor anderen op te offeren, noemen. B h a k t i - y o g a is de wetenschap van de naastenliefde. De oorspronkelijke boodschap van K r i s h n a luidt dat we in de geestelijke staat God herkennen in ieder levend wezen en derhalve geweldloos door het leven gaan in toegewijde dienst. Het is goed een houding van dienstbaarheid naar alle levende wezens te ontwikkelen. In die zin dus naastenliefde in de breedste zin. Uiteraard houdt dit in dat de serieuze beoefenaar van de verbondenheid met God, de y o g a, geen vlees, vis en eieren nuttigt. Ook betekent dit dat we niet een koe aan een hond of kat gaan voederen. Gehechtheid is zoals altijd het grote struikelblok om K r i s h n a te leren kennen. We kunnen Zijn geluk niet vinden, Zijn bewustzijn en Zijn eeuwigheid (continuering,behoud), als we niet willen loslaten. Y o g a is en blijft gewoon loslaten en doorzetten; v a i r â g y a en a b h y â s a.
Ten tweede: we moeten niet in ons eentje aan de slag gaan. Zelfstandigheid is belangrijk; geen symbiose onderwerping en dweperij. Dat voorop. Willen we echter voorkomen dat we de kontrole verliezen met de door het leven opgewekte aandrift, dan moeten we steeds zorgen dat we ons in verbinding stellen met mensen met meer ervaring, g u r u ' s en s â d h u ' s, ofwel geestelijk leraren en toegewijden, die natuurlijk in een traditie en een sociaal verband moeten staan, ofwel de geestelijke erfopvolging. Zoeken we verlichting zonder die verplichting, dan dreigt er geestesziekte. Het probleem van het jodendom b.v. kon niet door fascisme worden opgelost, maar alleen door trouw aan de door Jaweh gedane belofte van het Beloofde Land. Schizoïde -ismen, waartoe ook het realisme (van geen wonderen willen weten) en het fundamentalisme (een filosofisch gebrek) behoren, kunnen niet alleen collectief ontaarden in massapsychotische oorlogsvoering, maar ook individueel ontaarden in psychiatrische behoeftigheid. Daarom moeten we ook heel voorzichtig zijn met die politici en therapeuten die in feite jaloers zijn op K r i s h n a en daarmee zichzelf, hun eigenbelang, niet in Hem kunnen herkennen. Eigenlijk is dit boek speciaal voor hen geschreven. Genezen we als dienst- en hulpverleners niet van de machtsziekte, dan kunnen we nooit de wereldvrede bewerkstelligen. Therapeuten moeten K r i s h n a, als ze geluk en niet ongeluk willen brengen leren zien als hun Supervisor, Superego en Superziel. Mensen die er op hun eigen houtje wat van maken worden in de b h a k t i bestreden als zijnde niet-bona-fide en soms als illusiegangers (m â y â v â d i ' s). De houding tegenover de meeste zelfstandig opererende guru's (e.d.) is dan ook categoraal afwijzend. Ookal zijn ze nog zo goddelijk en positief over K r i s h n a. Ook hier noemen we maar geen namen. Het nut en de functie van dergelijke leraren moge duidelijk zijn. Langs een snelweg staan verkeersborden, maar het is beslist niet de bedoeling daarbij halt te houden en te denken dat met die actie het doel bereikt is.
Een derde punt van levensbelang is de eenheid van Christus en K r i s h n a. Christus is een incarnatie van God die zich als een individuele ziel onderscheidt van God de Vader. De Vader is één met Christus, maar Christus is niet gelijk aan de Vader. Christus is de Zoon. K r i s h n a is de Vader, zoals Hij in de B h a g a v a d_G î t â, het Lied van God, uitlegt (9:17 pita aham asya jagatah; Ik ben de Vader van dit universum...). Dat vaderschap moeten we heel letterlijk nemen. K r i s h n a trad niet alleen op als de geestelijke vader van A r j u n a , in dit boek, Hij had ook talloze vrouwen en nog meer nageslacht en staat bekend als een huishouder (g r h a s t h a) die van de kost leefde door demonen een kopje kleiner te maken, of ze nu achter Hem aanzaten, of Hij achter hun aan. K r i s h n a is de grote held, de heiligheid, van de rechtgeaarde, religieuze sexuele liefde en de eer en glorie van de v e d i s c h e cultuur (v e d i s c h: op geestelijke kennis gebaseerd).
Met K r i s h n a leren omgaan betekent met sex leren omgaan.Dat is het vierde belangrijke punt. Versobering (t a p a s y a) hoort bij de y o g a, maar het categoraal afwijzen van iedere zinnestreling is uit den boze. K r i s h n a-bewustzijn beoogt regulatie, niet een verbod. De y o g a kent ook geen tien geboden, wel regulerende beginselen. Voelt u zich sexueel aangetrokken en wilt u zich laten gaan, dan vraagt K r i s h n a eenvoudig goede afspraken te maken met niet alleen elkaar, maar ook met ouders, religieuzen en andere betrokkenen. De les is eenvoudig: zonder goede afspraken raken we in de war, in de waan en in de waanzin.
K r i s h n a betekent ten vijfde het einde van alle machtsillusies: Hij stelt zich eerder wat afzijdig of neutraal op (trekt zich terug in 'Dvârakâ', Zijn stad in zee) en stelt zich tussen de strijdende partijen op (zoals met A r j u n a) en vindt het niet zo erg als mensen via enorme omwegen tot Hem komen. Uiteindelijk zoekt toch iedereen het geluk, terwijl K r i s h n a het geluk Zelve is. Dus, waar men ook mee bezig is, het gaat er slechts om dat we ons in Zijn richting bewegen. Onze gehechtheden, 'zonden', inclusief de slechte gewoonten, slijten uit puur enthousiasme voor de toegewijde dienst aan K r i s h n a vanzelf weg. Het is aangewezen het hoofd koel te houden en ontspannen te zijn ('onaangedaan' en 'zonder begeerte'), anders zijn de soms heftige gevoelens van de (b h a k t i) y o g a niet te verdragen. Er is dus geen sprake van het vervolgen van zondaars of het zitten therapeuteren in elkaars ziel. Mensen zijn per definitie in het K r i s h n a -bewustzijn verschillend. K r i s h n a Zelf is de eenheid in die verschillen naar de leer van Heer C a i t a n y a en de G î t â.
Een zesde belangrijke invalshoek is die van de superioriteit van het onpersoonlijke. De lege ruimte is zonder meer superieur, niets is vrijer dan dat. Maar in de b h a k t i staat verlichting niet voorop, het is een bijprodukt, danwel een middel. De binding van personen met één persoon staat voorop. K r i s h n a-bewustzijn neigt tot personalisme, in een fanatieke bui is alle onpersoonlijke kennis gezwets. Maar na de vermoeienissen kan dat onpersoonlijke best even interessant zijn of zelfs van levensbelang. In feite is de perfekte toegewijde iemand die het persoonlijke en onpersoonlijke in evenwicht houdt.
Punt zeven: K r i s h n a is onbaatzuchtig. Toegewijden kunnen heel enthousiast zijn met het binnenhalen van donaties; daar moeten echter geen misverstanden over bestaan. Baatzucht is tegengesteld aan het idee van toegewijde dienst. Iedere toegewijde komt simpel aan de kost door zich op een gezonde wijze, overeenkomstig de eigen aard, sociaal aan te passen, of het nu is binnen een klooster, een normale werkkring of de sociale dienst. Een mens doorloopt ontwikkelingsstadia en daar hoort een wisselen van de bron van inkomsten bij. Dat alles is heel normaal. Mensen die zich niet goed weten aan te passen lopen dan ook het grootste gevaar buiten de (economische) boot te vallen. Het spreekt vanzelf dat geld zoveel mogelijk in toegewijde zaken gestoken wordt en er niet mee gegokt wordt.
Voor de verschillende afdelingen van het geestelijk leven (de z.g. â s r a m a's) geldt ten achtste: er is niet een voorkeur voor het celibaat of voor de gehuwde staat, de onthechte staat of het teruggetrokken leven. Er is een voorkeur voor de regulerende beginselen. Als men zich aan een zekere standaard houdt, dan zijn de mogelijkheden en de tolerantie veel groter: zowel gehuwden als celibatairen prediken en spelen de rol van leraar, priester of zanger. Zoals bij het voorgaande onderwerp; men doorloopt deze afdelingen in een mensenleven, evenzogoed als er tussen de verschillende maatschappelijke klassen openheid bestaat in de v e d i s c h e cultuur. De starre kasten van het ons bekende India zijn niet van toepassing op lieden die zich met b h a k t i bezighouden. Als iedereen zich aan de spelregels houdt zijn allen gelijk berechtigd. Het is ook niet verwonderlijk dat vóór Heer C a i t a n y a men reeds bezig was in India met de prediking van deze bevrijding door regulerende principes. Het kastenstelsel is een bijprodukt van een heel oude cultuur. Lang volgehouden familietradities leveren zo'n samenleving op.
Het leven bestaat uit bidden en werken. B h a k t i of toewijding betekent plezier krijgen in het gebed. Het gebed wordt je werk en je werk wordt een gebed. De muzikant leert een carrière op te bouwen in toegewijde dienst en een schrijver zijn 'apollinische gebeden' op te zenden naar het z.g.'superego': K r i s h n a. De behoefte aan catharsis wordt een gezamenlijke vreugdedans al zingend: H a r e_K r i s h n a_H a r e_K r i s h n a _,_K r i s h n a_K r i s h n a _, H a r e_H a r e , _ H a r e _R â m a_H a r e_R â m a,_R â m a_R â m a_H a r e_H a r e. Zolang het 'ik' K r i s h n a, K r i s h n a zegt is duidelijk dat er verbondenheid is. Dit negende punt dat vreugde het nare van het idee van bidden en werken wegneemt is er de reden van dat dit boek bestaat uit zowel filosofie als uit arrangementen van K r i s h n a -melodieën. Dan begrijpt menigeen al deze woorden veel beter: een filosofieboek om samen muziek te maken.
Tot slot dit: dit schrijven heeft geenszins op het oog de overige literatuur op dit gebied te vervangen, en zeker niet de B h a g a v a d_G î t â van S w a m i P r a b h u p â d a. Dit blijft natuurlijk het standaardwerk voor iedereen die gevorderd wil raken in toegewijde dienst aan K r i s h n a.
K R I S H N A E N D E Z I N G E N D E F I L O S O O F
I n l e i d i n g
Onze lieve Vader die in de Hemel zijt, Uw naam worde geheiligd,
Uw rijk kome,
Uw wil geschiede op aarde zoals in de Hemel.
Geef ons heden ons dagelijks brood,
vergeef ons onze schulden, zoals wij ook anderen hun schuld vergeven,
leidt ons niet in bekoring,
maar verlos ons van het kwade, Amen.
Dit is een heel mooi christelijk gebed. Voor de b h a k t i is dit echter een beetje te onpersoonlijk, want wie is nu God de Vader; en te lang en ingewikkeld; in een emotionele bui ben je zomaar de woorden kwijt. Het is in de y o g a ook niet de bedoeling om op de eerste plaats gevoelens voor God weg te smeken, ookal zijn er in dit boek v a i s h n a v a-liederen in die trant. In de toewijding tot God de Vader, K r i s h n a (Hij zegt Ik ben de vader in de Bhagavad Gita) zegt men om te beginnen drie woorden, meer niet: K r i s h n a (de al-aantrekkelijke), Râma (de oneindig gelukzalige of hoogste genieter) en Hare (de liefde van- of de energie van-). Het idee is dat met het herhalen van de heilige namen R â m a en K r i s h n a, de gehele persoon van God voor de geest wordt gehaald en dan vanzelf duidelijk wordt wat onze emotionele relatie met Hem is. Het K r i s h n a -gebed wordt een m a n t r a genoemd; d.w.z. een zinspreuk die ons de concentratie geeft die we nodig hebben om in liefde te kunnen leven. Gebruiken we die m a n t r a niet, dan zijn we niet goed geconcentreerd, dwalen onze gedachten af naar andere personen en situaties dan die van de b h a k t i en raken we in de ban van de begoocheling der materiële wereld (m â y â).
Het z.g. chanten kan hardop of zachtjes geschieden zodat een ander het niet hoort. Om die reden wordt hij ook de m a h â m a n t r a genoemd; de grote m a n t r a. Ook is hij zowel voor individueel als voor gezamenlijk gebruik geschikt; men kan, en Heer C a i t a n y a stelt dat als hoofddoel, de m a n t r a samen zingen, thuis en op straat. De liefde moet worden uitgedragen, zoals vogels zingen. Dat is geestelijke gezondheid. Iedereen die van muziek houdt kan een liedje zingen en dit lied is heel makkelijk. Het enige wat er voor nodig is, is een houding van onthechting, d.w.z. vrij van bezitsdrang en valse trots. Als je b.v. in de stad alleen denkt aan wat er in de winkels ligt en wat voor kleren je aan je lijf hebt, dan kun je natuurlijk niet meezingen op straat. Ook zal het je moeilijk vallen de m a n t r a te zingen als je niet vrij bent van geweld, lust, speculatie of als je onder invloed bent van b.v. cacao, caffeïne, nicotine, alcohol of pillen. Zelfs de kunstmatige vitaminen in de margarine kunnen al een belangstelling voor b.v. vliegende schotels opwekken die het persoonlijk aspekt verdringt. Oprechte liefde voor persoonlijke saamhorigheid is de enige oplossing. Ook in je eentje thuis zittend zal het je moeilijk vallen; in de b h a k t i heet het dat alleen in associatie met zuivere toegewijden men de namen kan zingen. Ook Heer Jezus zegt: 'Waar twee of meer in Mijn naam tesamen zijn, daar ben ik aanwezig' en: 'niemand kan de Vader bereiken dan door Mij'. Vandaar de geestelijke erfopvolging en de waarschuwing om niet stil te blijven staan bij niet-bona-fiden en illusiegangers die God slechts als onpersoonlijk erkennen. Omdat toegewijden ook vaak alleen kunnen zijn, leven ze steeds naar de bijeenkomsten toe en hebben dan ondertussen het beeld van hun g u r u, K r i s h n a, of elkaar in gedachten (diegenen die nog geen geestelijk leraar aanvaard hebben en K r i s h n a zelf nog niet zo goed kennen). Net als met de naam van K r i s h n a staat het beeld voor de Persoon in zijn Geheel zonder verdere vooropgezette bedoelingen. Uiteraard is het chanten onmogelijk als we niet steeds bereid zijn een ander voor te laten gaan, Heer C a i t a n y a op de eerste plaats. Voordat we overgaan tot het bespreken van de inhoud van het eerste hoofdstuk van de G î t â, het Lied, voor de muziekliefhebbers die de taal van de liefde geleerd hebben midifiles met de melodieën van de liederen waarvoor men een browser met een plug-in nodig heeft en een link naar audiobestanden waar met de auteur kan worden meegezongen om het te leren. In de b h a k t i is een klein met één hand bespeeld harmonium de traditie. De andere hand bedient de blaasbalg. In indiase winkels zijn ze te koop voor de prijs van een goede gitaar. Bij de begeleiding van de samenzang maakt men gebruik van schelletjes (k a r a t â l a's) en indiase trommels (m r d a n g a's), die aan twee kanten bespeelbaar zijn en kunnen worden meegedragen.
Voor het harmonium kan men het toetsenbord dat ongeveer drie oktaven bestrijkt beschouwen als de eerste drie oktaven in de bassleutel van de hieronder gegeven pianopartij, gegeven een digitale piano van vijf oktaven.
Het is in India de traditie niet een begeleiding te spelen op het harmonium, maar rechtstreeks de melodie. Voor westerse begrippen komt de muziek zo weinig uit de verf en blijft ze onaantrekkelijk. Dus aangepast aan onze cultuur kan een ieder zich vrij voelen een eigen akkoordenschema bij de melodie te ontwikkelen. De arrangementen die hier gegeven zijn vormen slechts een voorbeeld. Voor het achterhalen van de melodie kan men het toetsenbord van het harmonium als volgt beschouwen:
De melodieën in dit boek zijn goeddeels afkomstig uit een boekje samengesteld door Narâyâna devi dâsi. Het zijn de traditionele melodieën. Soms is er een andere melodie of speelt men een variatie op de melodie van een b h a j a n (religieus lied). Het is niet ongebruikelijk het geschrevene vrij te interpreteren naar persoonlijke smaak of één melodie voor een heel programma van m a n t r a's te gebruiken zoals b.v. met het vroege ochtendlied (S'rî S'rî Gurv-astaka). Soms gebruikt men ook de melodie van de ene b h a j a n voor een andere b h a j a n. De cijfers en letters geven aan wanneer er akkoorden kunnen worden gespeeld. Die staan opgelinkt op een aparte pagina waar ze in notenschrift zijn weergegeven. Er is gekozen voor het onderscheid in romeinse cijfers om aan te geven wanneer een zelfde akkoord in een andere positie moet worden gepeeld.
Bij het leren spelen van de muziek is het van belang de volgende zaken in acht te nemen: de midi-files zijn bedoeld om de smaak van de muziek te pakken te krijgen. Het is zeker niet het doel om daarbij te blijven zwijgen, maar proberen mee te zingen met de opgelinkte audio-bestanden en uiteindelijk samen met anderen deze liederen te zingen. Swami Prabhupâda legt uit: "Muziek en dansen gedaan in zinsbevrediging moeten als demonisch worden beschouwd, maar dezelfde muziek en dansen, als het gedaan wordt ter verheerlijking van de Allerhoogste Heer als k î r t a n a (hardop zingen), zijn transcendentaal, en brengen een leven teweeg volledig geschikt voor spirituele vreugde." (betekenis verkl. S.B. 3.20:38). Het is dus zeker de bedoeling om de duisternis of zelfs de pijn die teweeg gebracht wordt door wereldse, woordloze muziekbeoefening, te verdrijven door het geestverruimende vibreren van de heilige namen in de vorm van de in dit boek gegeven liedteksten, die stuk voor stuk als als m a n t r a's voor de bevrijding van de geest uit zijn materiële kluister moeten worden gezien. Als men er niet zeker van is hoe men de m a n t r a's moet zingen, kan men het beste naar een tempel van de Hare K r i s h n a-beweging gaan om te horen hoe alles wordt uitgesproken of naar een audio-bestand luisteren (bij dit boek opgelinkt). Bij K r i s h n a- b h a k t a's, geldt: " Wie de heilige naam van de Heer uitspreekt wordt onmiddellijk verlost van de reakties op oneindig veel zonden, zelfs als hij dat indirekt doet (op iets anders doelend), voor de grap, als muzikaal vermaak, of zelfs zonder aandacht. Iedereen die de geschriften kent aanvaardt dit." (Prabupâda in 'Aan een zijden draad', hoofdstuk 16).
De leermethode werkt als volgt: eerst zoekt men op zijn instrument uit hoe de melodie in elkaar zit. Vervolgens zoekt men de begeleiding erbij uit. Dan speelt men de melodie en de begeleiding tesamen. Met het harmonium dat met één hand wordt bespeeld is dit niet mogelijk zonder erbij te zingen tenzij men met anderen oefent. Men kan indien men niet met een harmonium kan oefenen met een digitale piano of een keyboard beginnen met het spelen van de akkoorden en het zingen van de tekst. Door de akkoorden in het aangegeven ritme 3/4, 4/4, etc. gebroken te spelen kan men dan het gemis aan de structuur van begeleiding op ritme-instrumenten compenseren. Met het zingen van programma's, k i r t a n s, verschillende op elkaar volgende liederen, kan de ervaren speler dezelfde toonsoort aanhouden door de akkoorden te transponeren. Op de gitaar gebruikt men daarvoor een capotasto. Bij de b h a j a n Govindam âdi Purusam is een voorbeeld van transpositie aangeven. Mensen die niet zingen, maar niettemin de in dit boek uitgewerkte instrumentale versies van de melodiën willen laten horen, doen er goed aan het één en ander uit te leggen,(of nog beter: door toegewijden uit te laten leggen), aan de hand van de in dit boek gegeven teksten. Als er enige filosofie wordt overgebracht met de muziek, dan is het verduisterend effect van alleen instrumentale muziek bezigen enigszins verholpen zodat de mensen meer geïnspireerd zijn om zelf aktief de verlichting van deze muziek te zoeken door haar te zingen. De v a i s h n a v a's zeggen eenvoudig: 'zing en wees gelukkig'. Dit is wat dit boek voor ogen heeft: dat iedere muziekliefhebber de kans krijgt de smaak te pakken te krijgen van de bovenzinnelijke liefde van Heer K r i s h n a en zijn toegewijden.
Van de teksten zijn zoveel mogelijk woordelijke of anders geparafraseerde vertalingen die zingbaar zijn gegeven. Deze zijn voor beginners die nog geen voeling met het Sanskriet en Bengaals hebben, bedoeld. De uiteindelijke standaard is de b h a j a n s te zingen in de oorspronkelijke taal. Verder is het verstandig dit boek beetje bij beetje te bestuderen. Teveel begeerte naar het 'bezit' van muziek en kennis kan ongewenste gevolgen hebben.
Het eerste stuk muziek betreft de m a h â m a n t r a (versie I) zoals die gezongen wordt door de meeste toegewijden.(een streepje op een letter zoals bij R â m a betekent dat die letter langer moet klinken) Het is de meest eenvoudige, traditionele versie. Het is normaal op de m a n t r a vrij een improvisatie te ontwikkelen waarvan een eenvoudig voorbeeld. Volgens de toegewijden moet zoals een leefruimte moet worden geventileerd ook de geest met de m a h â m a n t r a worden geventileerd om niet in illusie te verstikken.
H O O F D S T U K 1
H e t S l a g v e l d v a n K u r u k s e t r a
1.1. Dhritarâshthra zei: O Sañjaya, nadat mijn zoons en de zoons van Pându, verlangend naar de strijd, zich op het bedevaartsveld Kurukshetra hadden verzameld, - wat zeiden ze? (*)
T o e l i c h t i n g
'Ik werd geboren in het diepste duister der onwetendheid en mijn geestelijk leraar opende mijn ogen met de fakkel der kennis. Ik buig me eerbiedig voor hem neer'... Zo begint de toegewijde als hij iets wil uitleggen over K r i s h n a, als eerbetoon aan de leraar. De leerling spreekt alleen gezaghebbend als hij zijn leraar respekteert. Sañjaya is degene die de woorden van K r i s h n a doorgaf aan de oom van A r j u n a , Dhritarâshthra. A r j u n a is degene tot wie K r i s h n a zich richt in het Lied van God, de B h a g a v a d G î t â. De neven van A r j u n a hadden hem van zijn erfrechten beroofd en deze wilde er niet voor vechten om ze terug te krijgen. K r i s h n a geeft duidelijk te kennen dat A r j u n a zich in de strijd moet werpen, ookal is het zijn familie waar hij tegen vechten moet. Sañjaya is secretaris van de blinde oom van A r j u n a en verslag gevend van de strijd was hij in staat de woorden van K r i s h n a letterlijk te herhalen. Dit gebeurde ± 5000 jaar geleden, een tijd waarin mensen, naar het verslag van V y â s a d e v a, heel andere geestelijke vermogens hadden dan nu (V y â s a d e v a was de geestelijk leraar van Sañjaya en stelde de G î t â op schrift als onderdeel van het epos het M a h â b h â r a t dat de geschiedenis van de toenmalige wereldheerschappij van India, Bhâratavarsa beschrijft). Deze capaciteit van Sañjaya is er een voorbeeld van. Sañjaya wist wat K r i s h n a zei zonder er recht naast te staan. Dit telepatisch vermogen maakte het mogelijk dat wij nu dit verhaal kunnen volgen. De geestelijke cultuur was in die tijd zo sterk dat men vrijwel geen boeken nodig had en men ook nauwlijks hoefde te schrijven. Men trainde alles op het geheugen en was er dus op gebrand een zo zuiver mogelijk kanaal van ontvangst te zijn. Sañjaya had een heel bijzonder talent om zich open te stellen voor de geest van K r i s h n a. Dit soort talenten ontwikkelt zich alleen in een nauwe relatie tussen leraar en leerling. In feite is men niet goed in staat geestelijk helder waar te nemen zonder een dergelijke relatie. Zo werken alle geestelijke erfopvolgingen. Als men zonder een leraar, g u r u of â c â r y a, iets wil doen op geestelijk gebied komt men alleen maar op chaos uit. Men moet dus ingewijd zijn, een nieuwe naam hebben gekregen en als twee-maal-geborene in het leven staan (d v i j a - j a n a), d.w.z., men heeft een geestelijk leven aanvaard, de materialistische levensvisie afgezworen en is gericht op de oorsprong: de persoon die niet kan worden losgezien van andere personen en derhalve ook niet van de Allerhoogste Persoon Heer K r i s h n a. Als de stekker niet in het stopcontact zit loopt er geen stroom en functioneert het apparaat niet. Zo ook werkt de geest niet goed als we niet (door initiatie) in verbinding staan met de leraar van de y o g a die in erfopvolging uiteindelijk met K r i s h n a is verbonden.
Het systeem van de y o g a functioneert zo dat niet zoals bij wereldse kennis het bericht dat wordt overgedragen steeds meer verwrongen raakt. Omdat de geest van K r i s h n a (in het christendom de Heilige Geest genoemd, doorgegeven via Christus die als a v a t â r a een volmaakt instrument was van de wil van 'God de Vader'), steeds zuiverend werkt, is er sprake van een zekere geestelijke onfeilbaarheid, zoals ook de Paus onfeilbaar heet (zie ook B.G. 15.16, waarin K r i s h n a stelt dat in de geestelijke wereld de wezens onfeilbaar worden genoemd). Zo gauw het materieel gemotiveerde zaken aangaat vervalt die claim. Als men b.v. een boek als dit wil schrijven, moet men echt wel rekening houden met stel- en spelfouten. Met de opdracht in de leer vervat dat er steeds moet worden gezuiverd, blijft de oorspronkelijke leer behouden. Dit wil echter niet zeggen dat erfopvolgingen niet verbroken raken. Het is om deze reden dat K r i s h n a de B h a g a v a d_G î t â aan de mensheid geeft.
Een ieder die zich wil openstellen voor de Heilige Geest moet bidden. V e d i s c h noemt men het j a p a. Men gebruikt dan een kralensnoer van de Nim-boom of de Tulsiplant. De Gaudiya-(naar de streek waar het ontstond) of de C a i t a n y a- v a i s h n a v a's, toegewijden van de transcendentale persoon K r i s h n a, ookwel Vishnu of de Behouder genaamd, chanten zestien ronden j a p a voor ze ontbijt nemen. Dit is de manier om zich op K r i s h n a te richten en de geest te zuiveren, d.w.z. heilig te maken. Door het alsmaar herhalen van de heilige namen, H a r e K r s n a , H a r e K r s n a , K r s n a K r s n a , H a r e H a r e , H a r e R â m a, H a r e R â m a, R â m a R â m a, H a r e H a r e, maakt men zich los uit de ban van de begoochelende materiële energie. Zonder dit heet men in m â y â te zijn. In m â y â ziet men de dingen niet zoals ze zijn, met name niet dat men zichzelf niet los kan zien van K r i s h n a. In plaats daarvan verkeert men in de illusie zelf de beheerser en genieter te zijn. Beheersen en genieten zonder K r i s h n a, leidt zonder meer tot een val, d.w.z. men verliest het geestelijk overwicht en voelt zich bedreigd door b.v. zijn eigen vrouw of kinderen. De enige manier om weer met God de Vader in verbinding te komen is het doen van toegewijde dienst. Deze toegewijde dienst bestaat uit negen onderdelen en begint met luisteren en het zingen van de heilige namen. Heer C a i t a n y a heeft meerdere malen gezegd: er is geen andere manier in de moderne tijd om m â y â de baas te worden.
1.2 Sañjaya zei: 'O koning, nadat koning D u r y o d h a n a het leger dat door de zoons van P â n d u was opgesteld in ogenschouw had genomen, ging hij naar zijn leraar en richtte als volgt het woord tot hem'.
T o e l i c h t i n g
D u r y o d h a n a is A r j u n a's neef en tegenstander. Pându is de naam van de vader van A r j u n a , die vroegtijdig kwam te overlijden, waardoor de neven tesamen opgroeiden. Op het slagveld staan ze als vijanden tegenover elkaar omdat het onrecht niet tot rede te brengen was. Om die reden meldt Swami Prabhupâda in zijn toelichting dat het een hypocriete daad was te doen alsof hij iets redelijks met zijn leraar te bespreken zou hebben. De schijn ophouden is typisch de houding van de leugenaar en bedrieger die niet in kan zien waar hij mee bezig is. Iemand die met de waarheid in konflikt is kan niets goeds doen. Alles wat hij doet lijkt verkeerd, ookal voldoet het uiterlijk aan de normen. In de moderne politiek zien we hetzelfde: men doet zijn best om aan de normen te voldoen, maar is door de democratische keuze gebonden aan de onwetendheid van de massa die het zichzelf liever gemakkelijk maakt met een leugen in naam van één of andere gespletenheid (schizoïdie) of -isme, b.v. pragmatisme, realisme, formalisme, rationalisme. Door een populistische houding heeft de politicus zich deze ellende op de hals gehaald: hij vertegenwoordigt de schizoïde mens die de heelheid van God niet kan aanvaarden en in voortdurende dualistische strijd van materiële belangenbehartiging is. Hetzelfde geldt voor de meerderheid der psychiaters die liever pillen voorschrijft dan de analytische uitdaging te aanvaarden. De bekrachtiging van klaaggedrag is het meest destructieve van de moderne atheïstische psychotherapie. Zelfmoord komt dan ook van alle beroepen onder psychiaters het meest voor: de hulpverlener is niet veel beter dan degene die hij steeds naar de mond zit te praten. Elkaar naar de mond praten is het probleem. Het is in feite een vorm van waanzin te pretenderen met geestelijke gezondheidszorg bezig te zijn zonder ook maar één vorm van geestelijke discipline voor te staan. Er zijn onnozele 'therapeuten' die mensen in hun eigen existentiële wanhoop hun eigen ellende bijbrengen zoals het drinken van alcohol, roken van sigaretten en vrije seks. Mensen die electroshocks krijgen omdat ze niet weten dat hun echtgenoot een maîtresse heeft. Deze zogenaamde therapeuten analyseren het probleem vaak niet eens goed door b.v. eerst een gedegen psychologisch onderzoek te doen. Niet zelden ziet men psychologen en andere minder seculiere zielzorgers als een bedreiging voor de broodwinning omdat ze heel goed weten dat een goede analyse het halve werk is. In de b h a k t i-y o g a spreekt men van een toestand van onwetendheid kenmerkend voor mensen in de macht der begoocheling, m â y â, de materie. Door het organiseren van een goede catharsis komt de 'cliënt' er achter wat er allemaal in het onderbewustzijn zit. Er is echter wel een verschil tussen de catharsis georganiseerd door de hulpverlenende pscychologen en therapeuten en de catharsis van de y o g a. De b h a k t i is twee uur per dag bezig met het hardop uitspreken van de mahâmantra. Dit is een gestructureerde catharsis, waarbij zorgvuldig alle vrijkomende emoties op K r i s h n a gericht worden (R â m a is de naam van K r i s h n a in een ander tijdvak toen Hij ongeveer hetzelfde deed, n.l. oorlog voeren tegen de demonen). De yoga is de klassieke 'psychotherapie' die iedereen nodig heeft die iets in het leven moet loslaten en de waarheid onder ogen moet leren zien (iedereen dus eigenlijk). Veel van de therapeutische ondernemingen van de illusieganger die de psychotherapeut meestal is, lopen op niets of zelfs rampen uit omdat de vrijgemaakte mens niet weet hoe hij zijn energie moet binden. Y o g a is de wetenschap van a b h y â s a en v a i r â g y a; het zich binden en het loslaten. A b h y â s a betekent letterlijk : standvastige gestadige praktijk. Zonder zich te verbinden met deze traditie is er geen sprake van a b h y â s a , maar is men slechts een tijdverschijnsel, een eendagsvlieg. De praktijk van de yoga wordt ookwel S a n â t a n a_D h a r m a genoemd, hetgeen betekent dat men die (religieuze) plicht betracht die een binding met eeuwige waarden oplevert. De pretentie van waardevrijheid die de z.g. wetenschap er op nahoudt is als de hypocrisie van D u r y o d h a n a: het is slechts schijn, in feite vertegenwoordigt men de waarden van het materialisme en projecteert men in jalouzie het in wezen eigen falen op de 'concurrentie'. Niet kiezen is niet mogelijk, dat kan men b.v. bij iedere schizofreen waarnemen.
1.3 O, mijn leraar, zie het machtige leger van de zoons van Pându en hoe vakkundig het is opgesteld door uw schrandere leerling, de zoon van Drupada.
T o e l i c h t i n g
A r j u n a moest niet alleen tegen zijn familie optreden, hij moest ook tegen zijn eigen leraar in het strijdperk treden. Dronâcârya die aan de kant van de K a u r a v a's, de broers van D u r y o d h a n a, stond, had A r j u n a zelf in de krijgskunst onderricht. Hoewel A r j u n a dus zelf een Kuru of K a u r a v a was moest hij als P â n d a v a, als een zoon van Koning Pându, vechten tegen de uitstoting uit zijn eigen familie (hetgeen met het gooien van valse dobbelstenen was bewerkstelligd). Dit hele verhaal over hoe deze oorlog tot stand kwam en verliep staat in het M a h â b h â r a t beschreven. Het M a h â b h â r a t is een i t i h â s a of vertelling. Vertellingen als deze behoren tot de z.g. vijfde V e d a, terwijl de V e d a's zelf oorspronkelijk uit vier afdelingen bestaan. De vier Veda's zijn de oorspronkelijke heilige boeken van India die mondeling van leraar op leerling werden overgedragen. De B h a g a v a d_G î t â, gesteld in het Sanskriet, bevat de konklusie of vedanta van de vedische kennis. Het is natuurlijk alleen aan K r i s h n a zelf om de konklusie te trekken dat overgave aan Hem de oplossing voor de materiële bepaaldheid is. Hij zegt dat zo in de G î t â en zo staat het ook in het Srîmad Bhâgavatam, het geschrift dat naar aanleiding van K r i s h n a's waarheid later werd opgetekend. In de moderne tijd, waarin men zichzelf alleen kan realiseren door zich tegen zijn dwaalleraren af te zetten is de G î t â weer zeer actueel: een ieder kan zich in A r j u n a inleven in zijn innerlijke tweestrijd op het slagveld. Als men door eigen familieleden en leraren in de steek is gelaten is K r i s h n a degene die zich als onze vriend, leraar en vader opwerpt. In de gehele menselijke geschiedenis is er niemand te vinden die in staat is te doen wat K r i s h n a doet. Men vindt wel een leraar, maar dat is dan geen vriend, men vindt wel een vriend, maar dat is weer geen leraar. Alleen K r i s h n a is in staat om al deze en nog meer rollen tegelijk te vervullen. Daarom wordt Hij de Hoogste persoon van God genoemd en is de b h a k t i-y o g a het einddoel van alle religieuze, politieke en therapeutische aktiviteiten. K r i s h n a is de verpersoonlijking van de gelukzaligheid, de eeuwigheid en het bewustzijn waar we allen naar zoeken. Om die redenen is de G î t â het belangrijkste boek ter wereld.
1.4 Er zijn in dit leger veel heldhaftige boogschutters, die niet onderdoen voor Bhîma en A r j u n a ; en er zijn ook grote krijgslieden zoals Yuyudhâna, Virâtha en Drupada.
T o e l i c h t i n g
Er waren vier broers, die gezamenlijk met A r j u n a de strijd opvatten. Bhîma was één van hen en stond bekend om zijn enorme kracht. Hoewel de P â n d a v a's in de minderheid waren begreep D u r y o d h a n a wel degelijk dat de kwaliteit van de persoon belangrijker is dan de kwantiteit. Zo ook is het van belang de tegenstander niet te onderschatten. Veel materialisten lijden onder dit euvel; het is één van hun zwakheden: jezelf verheffen en de ander geringschatten. De strijd op het slagveld van Kurukshetra is lang geleden gestreden. Niettemin is ze nog steeds actueel. Het is de strijd van de mensen die rechtstreeks of indirekt vóór K r i s h n a zijn tegen de mensen die zich van K r i s h n a niet zo veel aantrekken. Vóór de strijd begon had K r i s h n a, die als (neutrale) bemiddelaar optrad in het konflikt, de beide neven voor de keuze gesteld: óf je kiest voor Mij (kwaliteit) óf je kiest voor Mijn leger (kwantiteit). K r i s h n a was bereid tegen Zijn eigen leger op te treden. Op deze manier kunnen we de strijd van de christelijke reformatie b.v. beter begrijpen. Het katholieke leger van het Roomse geloof tegen de in de minderheid verkerende protestanten die zich onrechtvaardig behandeld wisten vanwege een afwijkende mening. Mensen die hun materiële positie met onrecht denken te kunnen behouden, kunnen we materialisten noemen. De reformatie kenmerkt zich dan ook door versobering. Niettemin, als we zuiver in de leer zijn en trouw aan de geestelijkheid, steeds voor K r i s h n a's kwaliteit kiezen en niet zijn kwantiteit begeren, dan is alle materie waarvan we ons bedienen in dienst van het goede en is men aldus niet materialistisch te noemen. Het gaat immers om regulatie en niet om een ontkenning van het nut der materie. Wat het christelijke betreft mogen we wel stellen dat de reaktie geleid heeft tot een gezuiverd katholicisme. Door ons gezonde wantrouwen in de materialistische, z.g. onfeilbaarheid van een gewelddadig beleden geloof, is er nu sprake van een groot aantal christenen die door middel van bedachtzaamheid elkaar bij de les van Heer C a i t a n y a houden: wees niet afhankelijk en vertrouw uitsluitend op Mij (B.G. 18:66). Als we onze fouten niet meer bij de ander zoeken kunnen we dan vorderen op de geestelijke weg.
1.5 Er zijn ook grote, heldhaftige machtige krijgers zoals Drstaketu, Cekitana, Kâs'îrâja, Purujit, Kuntîboja en Saibya.
T o e l i c h t i n g
De B h a g a v a d_G î t â begint met een opsomming van namen. Filosofisch lijkt dit niet zo interessant, maar het geeft precies aan waar de b h a k t i mee bezig is: met personen. Tegenwoordig lijkt het alsof het gaat om het wapen, het instrument, dat men heeft en niet meer om (de kwaliteiten van) de personen. Het is typerend voor het probleem van onze tijd: het impersonalisme. Door de moderne mechanisatie is de aandacht zo van de belangen van de persoon weggetrokken dat het slagveld van Kurukshetra in de huidige tijd een oppositie laat zien van de 'slaven van het systeem' tegenover de aanhangers van de 'zelfverwerkelijking'. De moderne strijd handelt erover er als persoon te zijn en niet ten onder te gaan voor de t.v., als slaaf van de klok, of als aanbidder van de heilige koe der technologie, de auto e.d. In Amerika treft men heden ten dage (1995) mensen aan die door de impersonalistische samenleving gedwongen zijn in een auto te leven. Geld voor een huis kunnen ze niet krijgen bij gebrek aan sociale voorzieningen, terwijl je in Amerika toch echt niet zo op straat kunt leven bij de tempel op de hoek zoals men in India doet. Impersonalisme, egoïsme, materialisme en andere vormen van schizoïde, gespleten gedrag zijn de symptomen van een samenleving in de greep van m â y â. De oorlog van de b h a k t a's geldt dan ook de strijd tegen de macht van de begoocheling. Het is dus uiteindelijk niet een strijd tegen personen mèt illusies, maar strijden mèt personen tegen illusies.
1.6 Daar zijn de geweldenaar Yudhâmanyu, de stoere Uttamaujâ, de zoon van Subhadrâ, en de zoons van Draupadî. Al deze krijgers zijn grote strijdwagenvechters.
T o e l i c h t i n g
Om een oorlog te winnen moet men zich bedienen van de methoden en technieken van de vijand. Hoewel het niet de doelstelling is, treft men b h a k t a's aan in auto's, voor computers en voor mengpanelen in studio's vol opname-apparatuur. Het zijn â c â r y a's als Bhaktivinoda Thâkur (1838-1914) geweest die de b h a k t i gemoderniseerd hebben. Swami Prabhupâda (1896-1977) zelf zette zich af tegen het sexisme van de traditionele opvatting dat mannen en vrouwen niet in dezelfde tempel zouden mogen wonen. De m a h â m a n t r a geeft ons de vrijheid ons ook van dat -isme te ontdoen en als gelijkwaardige mensen op te treden. Het is zelfs zo dat de b h a k t i een aanzet kan vormen voor moderniseringen waar de materialisten bij gebrek aan moraal niet aan toe komen. Zo kan men uit toewijding voor de ware tijd, ook K r i s h n a, de leugen van de standaardtijd overwinnen en de valse pragmatiek en andere gespletenheid die daarmee samenhangt afzweren. Waarom zou men niet van een klok gebruik maken om een klok te overwinnen?
1.7-8: O beste der b r â h m a n a's, laat me u zeggen, zodat u op de hoogte bent, welke aanvoerders het bekwaamst zijn om mijn troepenmacht te leiden.Er zijn mannen onder als uzelf: Bhîshma, Karna, Krpa, As'vatthâmâ, Vikarna en de zoon van Somadatta, Bhuris'ravâ, die altijd zegevieren in de strijd.
T o e l i c h t i n g
Vroeger vocht de adel, het bestuur zelf op het slagveld, tegenwoordig niet. De onwetendheid van de massa maakt de democratische dienst uit, zodat men niet meer weet waarvoor men in Bosnië aan het vechten is. De politiek verklaart de tegenstander voor gek, communist, kapitalist, fundamentalist, fascist, etc. en veroordeelt daarmee zichzelf. Het is een gebrek aan filosofische volwassenheid die op het slagveld sneuvelt. Zowel de politici als de militairen verkeren in staat van onwetendheid over hun eigen drijfveren. Als het bewustzijn van het eeuwige geluk het doel is van het menselijk streven, hoe kan men dan een materialistisch doel nastreven? We zijn filosofisch volwassen als na al onze speculaties K r i s h n a de eindkonklusie vormt (de s i d d h a n t a). Dit is geen -isme, het is de persoonlijke benadering, ookal noemt men de b h a k t i - y o g a ook wel eens personalistisch (als men te fanatiek is). K r i s h n a neemt zoals we verderop zullen zien de volledige verantwoording voor de ganse schepping op zich en is dus het einde van de tegenstelling tussen het persoonlijke en onpersoonlijke. De v a i s h n a v a is er dus niet op uit een ander zoals in de politiek en psychiatrie gebeurt voor gek te verklaren omdat hij onwetend is over de omgang met K r i s h n a. De v a i s h n a v a is er op uit de dingen te zien zoals ze zijn.
D u r y o d h a n a vertrouwde op de kwaliteit van zijn krijgers. In de vedische kultuur bestonden min of meer onoverwinnelijke personen. K r i s h n a bevestigt dit maar neemt de illusie weg dat dit zonder Hem tot een overwinning zou leiden. Overleven zonder te overwinnen is voor A r j u n a een schande, en welke niet strijdende onoverwinnelijkheid wil in schande leven? Een leven in dergelijke 'schande' is alleen mogelijk voor mensen die hoop koesteren kunnen, geloven in God en de liefde als leidraad hebben. Als de onderlinge christelijke achterdocht de schande van Nederland is, is K r i s h n a geloof, hoop en liefde en Heer C a i t a n y a onze leidsman.
B h a k t i mag niet alleen maar filosofie zijn. Daarom moet de filosoof zingen. Hier volgt een stuk muziek dat de toegewijden altijd zingen voordat ze aan de m a h â m a n t r a beginnen. Het is de eerbetuiging aan de leraar. Deze luidt: ' Ik biedt mijn respektvolle eerbetuigingen aan Zijne Goddelijke Genade A.C. Bhaktivedânta Swami Prabhupâda, die Heer K r i s h n a zeer dierbaar is, en die zijn toevlucht heeft genomen tot Zijn lotusvoeten. Wij brengen u onze respektvolle eerbetuigingen, o geestelijk leraar, dienaar van Sarasvati Goswâmî. U bent zo genadig de boodschap van Heer C a i t a n y a_M a h a p r a b h u te spreken en de westerse landen te bevrijden, welke zijn vervuld van impersonalisme en de filosofie van de leegte.' Na het zingen van deze en andere m a n t r a's sluit men de k i r t a n op de m a h â m a n t r a altijd af met de m a n t r a's ' h a r i b o l , h a r i b o l, h a r i b o l , h a r i b o l' en 'J a y a P r a b h u p â d a , P r a b h u p â d a , P r a b h u p â d a , P r a b h u p â d a' op de melodie van de m a h â m a n t r a.
1.9 En er zijn nog vele andere helden die hun leven voor mij willen offeren. Ze zijn allen goed uitgerust met allerlei wapens en ze zijn allen bedreven in de krijgskunst.
T o e l i c h t i n g
Het woord helden in dit vers heeft een dramatische bijklank. Mensen die de held uit willen hangen zonder precies te weten waarvoor, of ze er nu God of duivel mee dienen, moeten oppassen. Men wordt bepaald door datgene waardoor men zich laat leiden (3.15). Richt men zich op iets leugenachtigs, zoals b.v. een uurwerk dat de onware, standaardtijd weergeeft, dan begaat men mogelijk meer vergissingen dan men zou willen; de heldhaftigheid wordt dan een pose, schijn, een compensatie zou de psycholoog zeggen. Door dit onbewuste verschil tussen wat men is en wat men wil zijn verliest men zijn zelfvertrouwen, men blokkeert in zijn aktie, vervalt in waanzin, probeert met bedrog vol te houden dat het niet zo is, en ten slotte faalt men. Je vergissen, tot waanzin vervallen, bedriegen en falen zijn de vier neigingen waar de materieel gekonditioneerde mens mee behept is. Deze onvolkomenheden zijn inherent aan het materieel bestaan. Leren leven met onvolkomenheden mag niet inhouden dat we deze gaan cultiveren. Doen we dat toch, dan raakt de liefde voor de waarheid in het geding en belandt men in situaties als die van D u r y o d h a n a. Het zich verlaten op wapens, heldhaftigheid en bedrevenheid mag niet baten. Als er ook maar één foute veronderstelling in b.v. een computerprogramma zit, blokkeert de hele onderneming. Zo ook werkt de menselijke geest. Met materialistische motieven draai je in een cirkeltje rond, of nog erger: men raakt opgeblazen en ziet het eigen geestelijk onvermogen in de ander, terwijl de verbeelding van de macht het noodzakelijke hart voor de zaak ontneemt. Daardoor overwint het goede altijd. Het is van de eeuwigheid. Het kwade verliest altijd weer opnieuw zijn greep. A r j u n a , net als de v a i s h n a v a's, bedient zich, zoals gezegd, van de middelen van de tegenstander. Het is de praktijk van de duiveluitdrijving. Een klok b.v. is een gevaarlijk ding in de handen van een machthebber: hij kan er de mensen mee manipuleren en gek maken. In de handen van een toegewijde, kunnen we leren er de tekortkomingen van in te zien, zodat we niet in de val van de machtsverbeelding terecht komen en kunnen we leren hoe we er zo mee om kunnen gaan dat we er K r i s h n a recht mee doen. De klok vormt een mooi voorbeeld voor de konditie van de moderne mens. Men is apetrots dat het ding tot op de miljoenste seconde nauwkeurig kan lopen, maar vergeet dat het natuurlijk tijdsverloop, dat zich kenmerkt door een dynamisch ritme - etmalen zijn in werkelijkheid niet allemaal even lang omdat de aarde niet cirkelvormig om de zon draait en scheef staat- in feite niet gerespekteerd wordt en men in een zelfverzonnen wereldje van gemiddelden, zones en seizoensbepaaldheid is verdwenen (afgespleten). Het ontkennen van ons vermogen het beter te doen (met wat moeite haalbaar) en het onderdrukken van medemensen met een hoop machtsverbeelding is de moderne variant op het thema van D u r y o d h a n a. De helden van de 'moderne tijd' zijn gewoon getikt in zijn ogen. De toegewijde echter ziet mensen die de Ware Tijd, K r i s h n a zelf, kwijt zijn en in hun onwetendheid lijden aan de klassieke ziekten genaamd valse trots (m a d a) en bezitsdrang (l o b h a).
1.10 Onze sterkte is onmetelijk en we worden door grootvader Bhîshma volmaakt beschermd, terwijl de sterkte van de Pândava's, onder de hoede van Bhîma beperkt is.
T o e l i c h t i n g
Dit is de staat van degene die in illusie verkeert: onze grote leider zal ons de overwinning brengen, we zijn zo machtig met z'n allen, en zo ontzettend sterk. Ieder klein kind weet dat het leven een voortdurende zelfrealisatie is en dat regressieve fantasieën over grote leiders die alle problemen voor ons op zullen lossen slijten bij het volwassen worden. God wacht netjes tot we zelf verantwoordelijkheid willen dragen; tot wij een instrument zijn (d â s a) en niet een oefening in jalouzie (m â t s a r y a).
Zelfrealisatie betekent niet alleen dat we ons ideale Zelf en K r i s h n a Zelf niet als verschillend moeten zien, het betekent ook niet alleen dat we onszelf als iemand anders dan K r i s h n a Zelf moeten zien, het betekent ook gewoon dat je het allemaal zelf moet realiseren. Realiseren is een mooi woord, het betekent tot stand brengen, maar ook inzien. Het is dus wat anders dan: 'ik zal de wereld eens even naar mijn hand zetten'. Sprak de schrijver dezes in deze regels niet volgens de opvattingen van zijn leraar, dan zou niemand de tekst serieus nemen. Niet het gezag verketteren en toch de zaak zelfstandig inzien en bewerkstelligen betekent gewoon meedoen en niet tegenwerken. â t m â - n i v e d a n a m is het eindpunt van het negenvoudig proces van de toegewijde dienst: de volledige overgave waarin men zich niet langer tegen K r i s h n a verzet. In het begin als we leren te luisteren en te zingen is het heel normaal om vol verzet te zitten. Een normaal ego biedt gewoon weerstand tegen alles wat vreemd is. K r i s h n a helemaal kennen zal ongetwijfeld alleen voor Hemzelf gereserveerd zijn. Dus eerlijk: laten we ons geen illusies maken: de b h a k t i is een weg zonder einde.
Een belangrijk punt in dit vers is het feit dat een meerderheid vormen nog niet wil zeggen dat men K r i s h n a aan zijn zijde heeft. Heeft men alle soldaten van de Heer aan zijn zijde... K r i s h n a's favoriete sport is het onderuithalen van de machtsverbeelding: d.w.z. zonder Hem is het allemaal illusie of zelfs demonisch. Zo moeten we oppassen met de democratie. Het vormt geen enkele garantie tegen uitwassen als het fascisme. De meerderheid kan nu eenmaal corrupt zijn. Ook religie als instituut is geen garantie. Hoeveel religieuzen zijn niet een prima 'soldaat' van de Heer? Met Heer C a i t a n y a leren we dat Hij, K r i s h n a, de Vader is van de revolutie, de omwenteling die de gehele aarde aangaat in relatie tot het licht van de zon, en niet een doorgedraaide zuidamerikaanse idealist of een perverse journalist. We zullen moeten leren te vertrouwen op wat heilig is. De merkwaardige gewoonte te vertrouwen op de kampioenen van de neurotische * compensatie (neurotisch omdat men niet zo zeker is als men zich wel voordoet), heeft de mensheid al heel vaak opgebroken.
1.11 Jullie moeten nu allen grootvader Bhîshma ondersteunen, ieder vanaf zijn eigen strategische plaats in de gevechtslinie.
T o e l i c h t i n g
Swami Prabhupâda verklaart bij dit vers dat het geven van veel aandacht aan de grote leider dit soort aansporingen in de hand werkt. Er is dus niet zozeer sprake van liefde voor de leider alswel een diplomatieke zet om de rest erbij te betrekken. Persoonsverheerlijking is een uitvloeisel van de machtsziekte. Het allen voor één gaat eigenlijk alleen maar op voor de heiligheid die betrokken is op de Allerhoogste. In menselijke betrekkingen brengt dit anders rampspoed. Het is dan ook niet verwonderlijk dat Heer C a i t a n y a Zijn favoriete spel Zijn zelfontkenning was. Hij moest het model voor de bescheidenheid vormen, ookal kon Hij Zijn ware identiteit in vertrouwelijke situaties niet verhullen. Hij was Heer en Meester over de situatie, er gebeurden wonderen en Hij had alle symptomen van B h a g a v â n_ K r i s h n a, de al-aantekkelijke. Persoonlijke realisatie, nadere bestudering van de literatuur en omgang met toegewijden neemt de twijfel over de identiteit van Heer C a i t a n y a weg. De v a i s h n a v a's vormen geen sekte onder leiding van een ketterse g u r u. Het is een historische religiositeit n.a.v. een nederdaling van de Heer.
1.12 Toen blies Bhîshma, de grote, wakkere stamvader van de Kuru-dynastie, de grootvader van de krijgers, zeer luid, als brulde er een leeuw, op zijn schelphoorn, tot vreugde van D u r y o d h a n a.
T o e l i c h t i n g
D u r y o d h a n a was blij met de grote inzet van zijn strijdmakkers. Als hij een hart had gehad en had gejammerd dat hij zijn arme neven toch liever niet uitgemoord zag, dan was de grote leider ongetwijfeld niet zo ingebeeld ten strijde getrokken. Het is dus een samenzwering van de leugen: D u r y o d h a n a heeft geen hart en Bhîshma heeft geen mening. Bhîshma hield angstvallig zijn mond toen de P â n d a v a's werden bedrogen in het dobbelspel waartoe ze waren uitgedaagd en waardoor ze de zeggenschap over het rijk verloren. Ze konden niet weigeren omdat dat tegen de etiquette was. Meedoen bracht de rampspoed dat A r j u n a's vrouw Draupadî gedwongen werd zich uit te kleden in tegenwoordigheid van alle grote bevelhebbers en K r i s h n a een wonder moest verrichten om haar te beschermen: Hij materialiseerde een eindeloos lange s a r i. De lengte van die s a r i kan men vergelijken met de lengte van het betoog der impersonalistische wetenschappers die hun eigen handboeken niet door kunnen komen, ookal houden ze voor elkaar de schijn op dat het wel zo is. De mensheid op die manier 'uitkleden' kan men wel vergeten. K r i s h n a staat het niet toe. Hij beschermt altijd Zijn toegewijden, dat is Zijn d h a r m a. Wel is het zo dat dergelijke pogingen de aanzet vormen voor wereldoorlogen waarmee met veel geraas de zoveelste machtsillusie instort... Nu is er echter oorlog en oorlog. Het hoeven geen legers te zijn die tegenover elkaar staan. De hindoe is ervan doordrongen dat sedert K r i s h n a we collectief nooit meer één zullen zijn onder één vreedzaam bestuur. We zullen voor de rest van dit tijdvak, K a l i - y u g a, (1200x365-5000 jaar), blijven kibbelen en twisten over materiële tegenstellingen a.g.v. het niet respekteren van de elementaire regulerende beginselen. Het lijkt een pessimistische visie, maar vreemd is hij niet. Niemand gelooft nog in het idee de wereld te kunnen verbeteren. Daarvoor heeft iedereen zich veel te diep ingegraven in de stellingen van het z.g. valse ego, het ego- of ik-bewustzijn dat zich identificeert met het lichaam en andere materie in de categorie van 'ik en mijn'. De oorlog die niet meer ophoudt speelt zich af in de geest. Wat we ook proberen, steeds moeten we partij kiezen voor God of duivel, de goede of kwade wil, en dienovereenkomstig strijd leveren. Herhaaldelijk hebben de â c â r y a's bevestigd dat de klassieke y o g a van mediteren en verlicht raken van de baan is. Zomaar mediterend kom je in een gekkenhuis tegenwoordig. Er is maar één oplossing: strijdmakkers zoeken en de oorlog tegen m â y â winnen door samen te chanten: ' H a r e_K r s n a_H a r e_K r s n a ,_K r s n a_K r s n a ,_H a r e_H a r e ,_H a r e _ R â m a_H a r e_R â m a,_R â m a_R â m a,_H a r e_H a r e. Haribol (zing de namen van de Heer).
1.13 Toen klonken plotseling alle schelphoorns, signaalhoorns, trompetten, trommen en hoorns tegelijk, dat het daverde.
T o e l i c h t i n g
God is ook geluid, is men tegenwoordig vergeten. In de moderne tijd denkt men: God is stilte. K r i s h n a neemt deze illusie weg. Verderop in de B h a g a v a d_G î t â legt Hij uit :'Ik ben het geluid in de ether': s'abdah khe (7:8). God is welliswaar vrede, s h a n t i, maar nog altijd een zingende transcendentale vogel (of filosoof). In het Srîmad Bhâgavatam wordt geluid, s' a b d a, omschreven als een subtiele vorm van de ruimte die is als de ziende t.o.v. het geziene, te weten de ruimte met zijn materiële objecten (S.B. 2.5.: 25, 3.26: 33) Van belang is in te zien dat geluid (de z.g. t a n - m a t r a-klank) in de schepping vooraf gaat aan de ruimte met haar materiële manifestaties: door geluid kan men zien en inzien. Via de oren komt K r i s h n a zo tot ons. Van de geluidstrillingen is Hij het bovenzinnelijk Om (o m k a r of de p r a n a v a, B.G.10:25), en de bovenzinnelijke m a n t r a, j a p a, de H a r e K r s n a - m a n t r a Zelf (B.G.9:16). De hele B h a g a v a d_G î t â zelf wordt als de geluids-incarnatie van K r i s h n a beschouwd (Sw. Prabhupâda 1:18,31). Christus die bekend staat als een z.g. s h a k t i - a v e s a - a v a t â r a van K r i s h n a staat ook wel bekend als de Logos, het Levend Woord. Niet de levende stilte. Uiterlijke stilte is er om de innerlijke stem te kunnen horen. K r i s h n a noemt dit stilzwijgen zijn Zelf in relatie tot wat geheim is (10:38). In de christelijke Bijbel heet het dat voor de schepping de geest van God over de wateren zweefde. Alles komt voort uit die geest, die in het Srîmad Bhâgavatam de 'blik van God'wordt genoemd. Alles i s ook geest in K r i s h n a -bewustzijn. Zelfs harde natuurwetenschappers die de atomen bestuderen komen tot zo'n conclusie: de wereld is één grote gedachte: Brahmâivedam amrtam purustad Brahmâ... 'wat ook in de materiële wereld is slechts een weerspiegeling van het hoogste licht... B r a h m a n is voor ons en B r a h m a n is achter ons, en in het noorden, oosten, zuiden en westen, onder ons en boven ons: die emanatie van B r a h m a n verspreidt zich zowel in de materiële als geestelijke ruimten. (Moendaka U p a n i s h a d 2.2:12). Dit is het onpersoonlijk aspekt van K r i s h n a. K r i s h n a is zuivere geest (B r a h m an). Dit is de eerste realisatie.
Geluid is zowel in de geest als in de materie. Het davert niet alleen van buiten in deze oorlog, het gedaver gaat van binnen verder (hoewel oorspronkelijk in omgekeerde volgorde). K r i s h n a is de geest van het goede; het gedaver van de vijand kenmerkt zich door de onwil te luisteren. Daardoor ontstaat oorlog en ellende, waanzin en psychiatrie. Het demonische is een vorm van doofheid (en niet andersom natuurlijk). Openstaan voor geluid, een gretige A r j u n a klaar voor de strijd, is de houding van de toegewijde. Het is ook om deze reden dat de filosoof moet zingen en er muziek in dit boek staat. Muziek is de taal van de liefde. De enige universele taal die we hebben. Geven we niet zelf aktief luisterend gestalte aan de p r a n a v a, dan speelt de duivel van de tot chaos neigende natuur een spelletje met ons horen en behoren. B h a j a n, het indiase woord voor toegewijde zang, is de transformatie van de p r a n a v a (zie S.B. 12,6:37-43). De m a h â m a n t r a is de meditatie ervoor. Acyutânanda Swami, een andere â c â r y a, verklaart:'... omdat ze (de b h a j a n s) expansies zijn van de m a h â m a n t r a, zijn ze er niet van verschillend.' (uit: introductie ' Songs of the Vaishnava âcârya 's).
Het verschil tussen luisterend gestalte geven en 'doof' gestalte geven zit hem in het respekt voor Vishnu, de Behouder en transcendentale vorm van K r i s h n a. De v a i s h n a v a's of toegewijden van Vishnu brengen allereerst respekt op voor wat er is en stellen zich niet zomaar ten dienst van het creatief persoonlijke: 'B r a h m â'. B r a h m â is de eerste levende persoon en komt in het v e d i s c h scheppingsverhaal direkt na K r i s h n a, V i s h n u (uit zijn 'navel'). B r a h m â schept een wereld. Maar er zijn vele werelden en vele 'Brahmâ's'. Brahmâ is een z.g. halfgod met een tegenhanger, een 'zoon', die weer uit hem voortkomt: Heer S h i v a (bekend als R u d r a), ookwel de Vernietiger genaamd. Heer S h i v a staat voor onwetendheid, maar is toch degene die als v a i s h n a v a nummer één bekend staat. Heer S h i v a heet op een bergtop met zijn vrouw Parvati te mediteren. Men treft hem ook wel met as besmeurd aan op kerkhoven. Liefde voor Vishnu behoudt met klanken de dingen zoals ze zijn, de liefde van Brahmâ schept m.b.v klanken een eigen wereld en met S'iva mediteert men met klanken tot de wereld aan zijn kosmische dans ten onder is gegaan. De klank vertegenwoordigt daarin het object in de ruimte en transformeert onder invloed van de tijd door identificatie met de stof (vals ego),(zie betekenis S.B. 2.5:25). Als K r i s h n a zegt 'Ik ben het geluid in de ether' betekent dat dat Hij en de toegewijden aktief het valse ego bestrijdend er vorm, structuur en rust aan geven.
In het christendom ligt de nadruk op God de Schepper. De 'Zoon' van de 'Schepper', moest nederdalen om ons liefde voor de 'Vader' bij te brengen. De enige persoon in het hele pantheon van alle culturen en alle tijden die de verantwoordelijkheid voor de persoonlijkheid , d. w. z. dus niet enkel het principe, van die goddelijkheid op zich wil nemen is K r i s h n a. Niemand anders. Daarom noemt men K r i s h n a de Allerhoogste: Hij is de enige die als een werkelijk bestaande persoon en vader herkenbaar is en tegelijkertijd zich uitstrekt over al het bestaande.
Leren luisteren naar K r i s h n a (mediteren) is moeilijk. Zonder de m a h â m a n t r a wil dat heden ten dage niet meer succesvol. Men raakt zonder onmiddellijk verslingerd aan een Hem niet-dienstbare creatieve uiting van de eigenheid (ego) en verdringt daar mee K r i s h n a. K r i s h n a neemt (blijkens zijn vele a v a t â r a's) graag een andere vorm aan om je bezig te houden en je ervaring op te laten doen. Hij is geen tirannieke Godheid die, zoals in het Oude Testament b.v. beweert jaloers te zijn. Zo kunnen we op verschillende manieren met Hem omgaan. Terwijl de v a i s h n a v a's de omgang met Hem in geluid prefereren (v a n i), omdat lichamelijke omgang (v a p u) niet altijd mogelijk is, geven gewoon materieel levende personen (k a r m i ' s) de voorkeur aan het tijdelijke van de lichamelijkheid in relatie tot Hem. K r i s h n a bewijst: God is liefde. D.m.v. geluid, de m a h â m a n t r a, de b h a j a n s recitatie van de verzen en prediking, brengt men liefde op voor God. Zo leert men zich te concentreren op de Persoon van God, zo leert men zich aan K r i s h n a, alleen aan K r i s h n a, alleen aan K r i s h n a, alleen aan K r i s h n a, over te geven. J a y a S'rî K r i s h n a-C a i t a n y a (j a y a: alle eer aan -, uit te spreken als: dzjéja).
1.14 Heer K r i s h n a en A r j u n a , die op een grote, met witte paarden bespannen strijdwagen stonden, lieten hun bovenzinnelijke schelphoorns weerklinken.
T o e l i c h t i n g
De wet luidt: zonder K r i s h n a moeten we vroeg of laat mislukken. Wie met K r i s h n a zijn 'schelphoorn' laat klinken is verzekerd van de overwinning. Het zingen van b h a j a n is zo'n schelphoorn. Het vers meldt: transcendentaal of bovenzinnelijk. Willen we ons als toegewijden van K r i s h n a organiseren, dan hebben we succes aan Zijn zijde; in Zijn grondeloze genade heeft K r i s h n a ons als Heer C a i t a n y a de kans gegeven samen met Hem een toegewijde te zijn en een transcendentale schelphoorn te blazen en bovenzinnelijke liefde te bereiken. Hij incarneerde (...) niet alleen.
Telkens als Hij nederdaalt nemen tal van andere grote zielen hun geboorte. De meest bekende van allen is Zijn broer, Heer B a l a r â m a, die net als K r i s h n a ook B h a g a v â n, de Allerhoogste Heer wordt genoemd. Dit spel van B h a g a v â n en B h a g a v â n speelt zich telkens weer opnieuw af in de menselijke geschiedenis: K r i s h n a en B a l a r â m a, R â m a en L a k s m a n a, N a r a en N â r â y a n a. Zo daalde het roemruchte duo wederom neder in de gedaante van Heer K r i s h n a-C a i t a n y a en Heer N i ty â n a n d a, met het speciale doel de congregatie van toegewijden nieuw leven in te blazen. Duizenden jaren was men bezig geweest (met up's en downs) K r i s h n a te vereren, maar nu werd alles op onvergelijkelijke wijze door Heer C a i t a n y a en Zijn expansies, ookwel V i s h n u- t a t t v a genoemd, de werkelijkheid van V i s h nu, herbevestigd.
Heer C a i t a n y a leefde zich in in de liefde voor K r i s h n a van met name de g o p i ' s - waarvan S r i m a t e_R â d h â r â n î de meest bekende is. Dit betreft de jeugdliefde van K r i s h n a, die toen nog als jongeling als koeherdersjongen (g o p a) tussen de koeherderinnetjes (g o p i ' s) leefde (hoewel K r i s h n a van adel was werd Hij tussen de koeherders van Gokula in V r i n d â v a n a opgevoed omdat een boosaardige oom van Hem die voorspeld was dat K r i s h n a hem zou doden Hem vervolgde).
De V i s h n u - t a t t v a van Heer C a i t a n y a wordt ook wel P a n c a- t a t t v a (zie afbeelding bovenaan volgende pagina) genoemd omdat hij uit vijf personen bestaat: Heer C a i t a n y a (K r i s h n a), Heer N i t y â n a n d a (B a l a r â m a), S'rî A d v a i t a -S'rî betekent Heer-(Mahâ-V i s h n u), S'rî G a d â d h a r a (Râdhârânî) en S'rî V â s â d i (N â r a d a). Deze personen worden als de nederdalingen van de personen tussen haakjes vermeld gezien. Heer Nârada is een zuiver transcendentale persoon die via B r a h m â als leerling van K r i s h n a als de geestelijk leraar van V y â s a d e v a optrad. V y â s a d e v a stelde zoals gezegd het Srîmad Bhâgavat a m en de B h a g a v a d_G î t â als onderdeel van het M a h â b h â r a t a te boek. Heer N â r a d a a staat bekend als de eerste toegewijde, de ziener der Goden en geldt als de beschermer van de toegewijde dienst, waarin in de incarnatie van B a l a r â m a (ookwel B a l a d e v a genoemd), Heer N i t y â n a n d a steeds de rol van de eerste geestelijk leraar vervuld.
Toegewijden in de tempels en thuis voor hun schrijn of huisaltaar, waarop de beeltenissen van K r i s h n a, Zijn expansies en Zijn toegewijden staan (de â c â r y a's in erfopvolging), zingen nadat ze na zes uur slaap op een nuchtere maag ongeveer twee uur de m a h â m a n t r a gaan chanten (zonder melodie), eerst de Prabhupâda Pranâti en vervolgens de z.g.P a n c a-t a t t v a- m a n t r a. Deze m a n t r a behoeft nauwlijks vertaling, ze bestaat louter uit de namen. Deze m a n t r a wordt ook uitgesproken voorafgaande aan iedere ronde van 108 keer de m a h â m a n t r a gechant op de j a p a - m a l a, het bidsnoer met de 108 kralen en één grote kraal voor de P a n c a - t a t t v a-mahâ-mantra. P a n c a_t a t t v a- m a n t r a:
1.15 Hrsîkesa (K r i s h n a) liet zijn schelphoorn, Pâñcajanya, schallen, Dhanañjaya (A r j u n a) blies op de zijne, Devadatta; en B h î m a, de onverzadigbare eter en geduchte held, blies op zijn schrikwekkende schelphoorn Paundram.
T o e l i c h t i n g
Onze helden, de helden van de Ware Tijd van het Hier en Nu, K r i s h n a en A r j u n a hebben allerlei bijnamen. De hier gebruikte namen hebben betrekking op wat er gebeurt. H r s i k e s a is een bijnaam van K r i s h n a die betrekking heeft op zijn meesterschap over het zintuiglijk apparaat, het lichaam. De bijnaam van A r j u n a heeft betrekking op zijn onzelfzuchtige houding offers te brengen, vrijgevig te zijn. Belangrijk is dat ook de schelphoorns een eigen naam hebben. Dit geeft uitdrukking aan het feit dat ieder zijn eigen rol in het spel te spelen heeft. Dit wordt ook wel het s w a - d h a r m a van een persoon genoemd. Voor ieder van ons is het de levensopdracht te achterhalen wat ons s w a - d h a r m a is. Enerzijds moeten we meedoen met de rest, anderzijds moeten we ons binnen de cultuur onderscheiden door te leren herkennen wat onze positie is. Afhankelijk van de leeftijd, het geslacht, de geboorte, het z.g. k a r m a, de aard van het lichaam, de plaats, de tijd en de omstandigheden moet ieder zijn relatie met K r i s h n a herkennen en er de gevolgen van inzien. Als we b.v. letten op het s w a - d h a r m a van Nederland, de eigen aard van Nederland, dan kunnen we wel spreken van een speciale relatie met K r i s h n a.
De Nederlander heeft de last van de reformatie op zich genomen enerzijds en zich daarmee aan de zijde van Heer C a i t a n y a opgesteld, anderzijds heeft ze niet een republiek, maar een koninkrijk weten staande te houden. Met dit laatste blijft Nederland via het staatshoofd met K r i s h n a verbonden. (K r i s h n a: Ik ben de monarch B.G.10:27). Het is dan ook niet zo verwonderlijk dat in de nederlandse b h a k t i Heer C a i t a n y a en de verering van de P a n c a- t a t t v a voorop gaat. In feite behoren zowel K r i s h n a als C a i t a n y a (de P a n c a - t a t t v a) op het altaar te staan, omdat we enerzijds C a i t a n y a niet altijd voor K r i s h n a zelf moeten, of mogen, aanzien, dat is immers Zijn spel (l i l â), en anderzijds steeds de gedaante van K r i s h n a voor de geest moeten hebben. Beide vormen zijn noodzakelijk om een compleet beeld van de werkelijkheid van de b h a k t i te verkrijgen. Zonder Heer C a i t a n y a weten we niet wie de leiding heeft in de toegewijde dienst, en zonder K r i s h n a weten we niet goed waar we ons op moeten richten als Heer C a i t a n y a Zichzelf ontkent. Zo kon het gebeuren dat in Nederland veel toegewijden, net als Heer R â m a door Zijn vader, het bos in zijn gestuurd met de mededeling: je moet het zelf maar uitzoeken (met K r i s h n a). We moeten goed begrijpen wat dit betekent: K r i s h n a wil dat wij Hem ieder voor zich op onze eigen manier, met onze eigen schelphoorn, ontdekken in ons leven en daarin realiseren wat er nodig is voor de saamhorigheid. Als we onszelf met India vergelijken: daar is het heel normaal dat ieder huisgezin op geheel eigen wijze met K r i s h n a omspringt. Alle mogelijke personen en attributen kan men op een hinduschrijn aantreffen. Zo is de religie, het zich opnieuw met de Heer, K r i s h n a, te verbinden, een uitdrukking van ieders eigenheid, en niet zoals sommige onwetende commentatoren verklaren een bedreiging van de individualiteit.
1.16-18: Koning Yudhishthhira, de zoon van Kuntî, blies op zijn schelphoorn Anantavijaya, en Nakula en Sahadeva, bliezen op de Sughosha en de Manipushpaka. Die grote boogschutter, de koning van Kâs'î, de grote strijder Sikhandî, Dhrstadyumna, Virâtha en de onoverwinnelijke Sâtyakî, Drupada, de zoons van Draupadî en de anderen, o koning, zoals de zoon van Subhadrâ, in volledige wapenrusting, bliezen allen op hun schelphoorn.
T o e l i c h t i n g
Er waren strijders op het slagveld, die zoals gezegd onoverwinnelijk heetten, nog nooit verslagen waren. Er waren strijders die het in hun eentje tegen duizenden tegenstanders tegelijk konden opnemen, z.g. m a h â - r a t h a's. Dezen stonden tegenover elkaar. Niet alleen familieleden, maar vele vorsten uit andere landen met hun legers waren er. Het was een wereldoorlog waarin vrijwel alle grote heersers van die tijd het leven zouden laten. Dit was K r i s h n a's opzet: of men nu het goede of het kwade aanhangt, het spel van vergaren en beheren dat heersers altijd spelen komt vroeg of laat ten einde. K r i s h n a beschermt iedereen tegen de valse heerschappij die gebaseerd is op bezit en macht over anderen. K r i s h n a is Zelf de oorspronkelijke eigenaar en beheerser. Hij is de oorspronkelijke genieter (R â m a). Alleen de P â n d a v a's zouden de strijd overleven. Alleen de trouwe toegewijden. Ongeacht aan welke kant men streed zou men de strijd niet overleven. Alle macht sneuvelde.
Ook hierin herkennen we het thema van de zelfstandigheid die zich tegen zijn eigen Heer, maar niet tegen Zijn eigen leer, moet keren om zich waar te maken. S'ukadeva G o s v â m i zegt hierover in het Srîmad_Bhâgavatam (10.33: 32) tegen M a h â r â j a_P a r î k c h i t: 'wat de groten leren is volmaakt, niet steeds voorbeeldig is hun doen, een schrander mens volge hun slechts, in daden met de leer verzoend'. We moeten niet imiteren (a n u k a r a n a), maar volgen (a n u s a r a n a). Mensen die imiteren, zoals sommigen b.v. de g o p i ' s proberen na te doen in V r i n d â v a n a, worden s a h a j i y â genoemd. We moeten K r i s h n a s gedrag (en dat van Heer C a i t a n y a) niet imiteren, wel er veel van leren. Het gaat in de oorlog tegen m â y â dan ook niet om het bereiken van de verlichting of het behoud van het lichaam. Terwille van de eer doet men zijn eeuwige plicht, het s a n â t a n a _ d h a r m a, en verzekert zich zo van zijn relatie met God. Als we het toevallig wel overleven en verlicht raken van de last van de wereldse verplichtingen is dat slechts een bijkomstigheid. Helden sneven en heiligen moeten eeuwig leven, dat is de werkelijkheid van K r i s h n a. De held bekommert zich niet om zijn lichaam en neemt gewoon weer opnieuw geboorte om voor zijn zaak te vechten. De heilige keert niet weer terug, maar blijft eeuwig verbonden met zijn plichtsvervulling, zijn relatie met K r i s h n a.
Zolang we materiële doelen hebben, moeten we terugkeren naar deze wereld. Hebben we de transcendentie van K r i s h n a als doel, dan bereiken we de geestelijke wereld en leven we met zielen zoals wijzelf (B.G. 4:9).
1.19 Het schallen van deze schelphoorns werd stormachtig - en trillend zowel in de lucht als in de aardbodem, verscheurde het de harten van de zoons van Dhritarâshthra.
T o e l i c h t i n g
De strijders van A r j u n a hadden niets te vrezen: K r i s h n a is met hen. Dit vers geeft aan dat K r i s h n a onze angsten wegneemt. We leven door onze identificatie met de stof in voortdurende angst. De onvermijdelijke werking van de Tijd maakt alles weer anders. We kunnen niet vasthouden aan materiële zaken. Alleen diegenen die begrepen hebben wat een transcendentale vorm inhoudt kunnen van de angst van het leven bevrijd raken (S.B. 3.29:27). De gedaante van K r i s h n a Zelf is de transcendentale vorm, de Allerhoogste Vorm, hoger dan die van V i s h n u. Er zijn natuurlijk vele geestelijke wezens die een transcendentale vorm hebben, maar er is maar één vorm die de totale goddelijkheid omvat: K r i s h n a in Zijn gedaante met blauw-grijze huid, twee armen, twee benen, een fluit en een geel gewaad met pauweveer in zijn hoofdtooi. Zo zag en ziet K r i s h n a eruit: als S y â m a s u n d a r, de 'schoonheid van de donkere huid'. Een afbeelding van Hem heeft, net als Zijn Naam, de zelfde waarde als Zijn Persoon Zelf. We moeten, als we een relatie met Hem willen, ons rechtstreeks betrekken op Zijn beeltenis en uit die relatie proberen af te leiden hoe we in het leven staan. Zekerheid zoeken we allemaal, maar het verzorgen van een hond of een konijn b.v. kan niet een bevredigend antwoord bieden op de elementaire levensvragen. In feite doorlopen we allemaal een proces waarin we, op zoek naar het geluk, ons dan weer aan dit en dan weer aan dat vastklampen. Zelfs als K r i s h n a weer op aarde terugkeert als Heer C a i t a n y a, moeten we uiteindelijk toegeven dat Hij niet nog een keer het volledige spel en vermaak van K r i s h n a aan de dag kan leggen - ookal kan Hij er visioenen van voorspiegelen. Daarom heeft het geen zin om in de wereld op zoek te gaan naar de Allerhoogste Persoon. Hij zal met de schepping helemaal van voren af aan opnieuw moeten beginnen om zich nog eens als K r i s h n a te kunnen manifesteren. Voor de ons bekende schepping is die liefde voor eeuwig gevestigd. We hebben dat allemaal te accepteren. Het zoeken naar een Hogere Persoon is dat van de bedevaarder die zuivering zoekt vanwege zijn vroegere dwalingen. Niettemin, ookal komt men door een bedevaart ongetwijfeld steviger op het goede pad te staan, de gevolgen van wat men fout gedaan heeft, vragen om verdere k a r m i s c h e afhandeling die het tegendeel definitief vestigt. De zegen van een heilige wijst slechts de richting, bevordert de concentratie, of maakt zelfs de vervloeking zwaarder als men weer teveel in de oude gewoonte vervalt (men weet het verschil immers beter dan). Er is een soort economie, een bankieren van God. Je kan je schuld in één keer aflossen, je kan sparen en beleggen. Je kan speculeren naar hartelust. Uiteindelijk leef je gewoon op je eigen verdienste, dat is het resultaat. Ieder voordeel heeft een nadeel. Dat is de wet van K a r m a; er is altijd een onvermijdelijk gevolg. Vraag je de Heer om hulp, dan moet je daarvoor ook boeten, iets opgeven, loslaten. Als K r i s h n a aan onze zijde staat wil dat nog niet zeggen dat alles van een leien dakje gaat en dat we ons van alles kunnen veroorloven. K r i s h n a's ouders zaten hun halve leven in de gevangenis tot Hij Kamsa (z'n boze oom die zijn ouders had gevangen gezet) had gedood. Pas toen werden ze bevrijd. Het heet in de b h a k t i: bitter in het begin, maar zoet op den duur (B.G. 18:37). In gewoon nederlands: oefening baart kunst, het duurt even voor men de duivel eronder heeft. Zo wordt men gelukkig.
1.20 O koning, toen nam A r j u n a , de zoon van Pându, die op zijn strijdwagen stond en Hanumân in zijn vaandel voerde, zijn boog op en maakte zich gereed, zijn pijlen af te schieten, zijn blik gericht op de zoons van Dhritarâshthra. O koning, toen sprak A r j u n a tot Hrsîkesa (K r i s h n a) de volgende woorden:
T o e l i c h t i n g
H a n u m â n is voor diegenen die strijd leveren tegen de vijanden van K r i s h n a de grote organisator en aanvoerder. Hij staat bekend als de aapgod die samen met zijn soortgenoten R â m a hielp bij het bevrijden van Zijn echtgenote S î t â uit de armen van Râvana, een demonisch heerser in een tijdvak voorafgaande aan dat van K r i s h n a. Telkens doet K r i s h n a hetzelfde: Hij daalt neder in verschillende gedaanten om demonische heersers van de aarde weg te vagen en de beginselen van de religie te herbevestigen (zie B.G. 4:7). Zo was H a n u m â n het symbool van de overwinning, want wie aan de zijde van K r i s h n a vecht kan niet verliezen. Zelfs al laten we het leven. K r i s h n a is de beschermheer van alle rechtgeaard strevenden in dit leven en hierna. Omdat, zoals ook in het christendom, de Heer de mens over de dood heen verheft tot goddelijkheid en daarmee zijn eeuwige aard bevestigt, kunnen we niet verliezen. De tegenstander daarentegen heeft alles te verliezen. In plaats van de symbolen van de overwinning met zich mee te dragen is hij opgeblazen van - en begaan met bezit en verbeelding.
Zoals H a n u m â n Heer R â m a bijstond, hetgeen beschreven is in de R a m â y â n a, zo heeft S w a m i P r a b h u p â d a Heer K r i s h n a-C a i t a n y a bijgestaan in het bestormen van het bastion van het materialisme in onze westerse wereld. Evenals H a n u m â n ging hij er alleen op af en zette hij vele idealisten in vuur en vlam voor K r i s h n a en de strijd tegen m â y â. H a n u m â n stak met zijn staart(!) Lanka, de verblijfplaats van de demon, in brand. S w a m i P r a b h u p â d a ontstak met zijn pen het lamplicht van de kennis om de duisternis uit de westerse wereld te verdrijven. P r a b h u p â d a heeft niet verloren, en zo zullen wij ook niet verliezen als we zijn missie steunen en trouw blijven aan zijn instructies. Natuurlijk zijn we hier niet in India, we moeten leren met K r i s h n a te leven aangepast aan onze tijd en omstandigheden. Dit v i - b h a g a v i t houdt echter niet in dat we er zomaar voor onszelf wat van kunnen maken. We kunnen bruggen slaan, zoals in dit boek met behulp van muziek naar onze westerse smaak en redeneringen waar we onszelf in terug kunnen vinden. Datgene echter waarnaar we bruggen slaan, moet blijven zoals het is. Ookal vindt men dat onvolkomen en onaangepast - we kunnen niet meteen alle drijfveren van iemand als S w a m i P r a b h u p â d a begrijpen; we zullen er onze weg mee moeten vinden als we K r i s h n a willen. Hij is de spreekbuis van alle voorafgaande â c â r y a's. Als we hem afwijzen stranden we met onze idealen, zoals D u r y o d h a n a op het slagveld zonder H a n u m â n. Er is geen andere p a r a m p a r â - s w a m i, geen andere s w a m i in erfopvolging, die de opdracht kreeg K r i s h n a naar het Westen te brengen. Zonder hem strijden is wellicht een leuk vliegticket naar V r i n d â v a n a, maar in feite vluchten van het slagveld of kiezen voor de k a u r a v a's. Dit geldt nu voor ons precies zoals het voor A r j u n a onvermijdelijk was de vlag van de overwinning te voeren.
1.21,22 A r j u n a zei: O onfeilbare, rijdt mijn wagen tussen de legers in, zodat ik kan zien wie er zijn, wie er naar verlangen te vechten en met wie ik me in deze grote slag moet meten.
T o e l i c h t i n g
S w a m i_P r a b h u p â d a verklaart bij dit vers dat K r i s h n a onfeilbaar werd genoemd omdat Hij niet aarzelde te gehoorzamen. K r i s h n a nam een ondergeschikte positie in als wagenmenner van A r j u n a. Dit deed Hij niet omdat Hij de leraar van A r j u n a was. Tot dan toe was dat niet het geval. K r i s h n a hielp A r j u n a als vriend en ging heel vertrouwelijk met hem om. Veel mensen wisten niet dat K r i s h n a de Allerhoogste was. Het is alleen maar mogelijk voor oprechte toegewijden om K r i s h n a en Zijn grootheid te leren kennen. Gehoorzaamheid was Zijn houding tegenover A r j u n a. A r j u n a moest de beslissingen nemen. S w a m i_P r a b h u p â d a verduidelijkt dat morele (schijn-)heiligheid zonder een houding van dienstbaarheid niets met onfeilbaarheid te maken heeft. Dienen we de goede zaak er niet mee, staan we niet aan de goede kant, aan de kant van het goddelijke, dan zijn we onherroepelijk veroordeeld tot de misère van de materiële wereld waarin we de neiging hebben ons te vergissen, te bedriegen en te falen met een onvolmaakte zintuiglijkheid. (zie ook toel.1.1 over onfeilbaarheid van geestelijke wezens in de geestelijke wereld).
Hier zien we dat K r i s h n a voorgaat in bescheidenheid, toewijding en dienstbaarheid. God zonder saamhorigheid is een illusie. Saamhorigheid zonder het volgen van een gedragscode is onmogelijk. De gedragscode van de v a i s h n a v a's is zeer, zeer uitgebreid; zo uitgebreid dat altijd wel een foutje in het gedrag valt te bespeuren. Fout-vinden behoort echter (buiten de onderwijs-situatie e.d) tot t a m a s, de geaardheid onwetendheid. Over het algemeen geldt dat men zich houdt aan de volgende regels (de z.g. v i d h i ' s):
geen intoxicatie,
geen illegitieme sexualiteit,
geen vlees, vis of eieren nuttigen,
geen gegok met geld.
wel 16 ronden H a r e_K r i s h n a op het bidsnoer (=16x108): j a p a,
wel maximaal zes uur slaap,
wel één uur per dag boeken over K r i s h n a lezen en
wel het onderhouden van de associatie van toegewijden.
Wijkt men af van deze regels, dan raakt men onherroepelijk verzeild in de macht der begoocheling, m â y â. Er zijn nog vele, vele boeken en toegewijden die zich aan nog veel meer regels houden. De bovenstaande zijn echter algemeen. Wie zich zo gedraagt, mag zich een toegewijde van V i s h n u, een v a i s h n a v a noemen. Dit zijn de 'wapens' in de strijd tegen m â y â. Zoals A r j u n a uitziet naar de strijd en wij weten waar hij aan toe is, zo ook moet de toegewijde deze zaken op een rijtje hebben.
Tijd voor muziek. Het volgende is een echte b h a j a n, kort en krachtig, meeslepend en charmant. Als er gezamenlijk wordt gezongen, zingt er altijd iemand een strofe voor en daarna zingt de rest het na. In verschillend tempo wordt telkens herhaald tot men er genoeg van heeft. Om te kunnen stoppen kan men dan de eerste regel nog eens langzaam spelen en eindigen op het beginakkoord. K î r t a n (a) is de naam die men geeft aan het hardop (samen)zingen van de namen. Zachtjes voor jezelf wordt j a p a genoemd. Als de toegewijden 's morgens zijn begonnen aan de P r a b h u p â d a_P r a n â t i, de P a n c a- t a t t v a_m a n t r a en de H a r e _K r i s h n a_m a h â m a n t r a, waarbij de laatste langdurig met verschillende variaties wordt doorgezongen, eindigt men niet zelden met de nu volgende b h a j a n. J a y a (alle eer aan), geldt als een uitroep van vreugde. De rest van de b h a j a n bestaat uit de verschillende namen van K r i s h n a. Het is één van de meest bekende en geliefde b h a j a n s onder de 'Hare-K r i s h n a's', de C a i t a n y a- v a i s h n a v a's.
1.23 Laat me zien wie er voor de strijd zijn aangetreden om de boosaardige zoon van Dhritarâshthra, te behagen.
T o e l i c h t i n g
Eén van de vijanden in de strijd tegen m â y â is de normale logica naar de causaliteit van de wereld. In het vorige vers is sprake van onfeilbaarheid in samenhang met gehoorzaamheid. Met de normale logica beoordeeld is dit een denkfout. Hoe kan je iemand onfeilbaar achten als je hem iets moet opdragen? Er zijn veel van dit soort 'fouten' te vinden in de teksten van de â c â r y a's. Het gaat om de logica van het vanzelfsprekende vertrouwen naar de causaliteit van God. Dat is voor een ander niet zomaar te volgen en lijkt daarom onlogisch. Materieel gemotiveerd hebben we de logica van een rekenmachine: puur kwantitatief. Nu is dat voor toegewijden geen probleem, er staat voldoende goddelijkheid tegenover, dat is de kwestie niet. Het kwantitatieve moet gezien zoals het is. Het punt is dat de z.g. logica van de materialist doortrokken is van baatzuchtige, in feite emotionele, irrationele motieven van voorkeur en afkeer (r â g a en d v e s a). Hierdoor kan men materialistische logica plaatsen in het hokje compensatie, rationalisatie, verdringing, ontkenning en allerlei andere psychologische fenomenen van de destructieve, ontledende en opponerende aard. Hoewel A r j u n a op het slagveld destructie voor ogen heeft, de situatie wil ontleden en oppositie voert, valt hij toch niet in deze categorie. Zijn emoties zijn onfeilbaar op het moment dat hij K r i s h n a de voorrang verleent. Een onfeilbare emotie (met K r i s h n a) is b.v. geloof, onberedeneerde liefde, overgave. Een mens als D u r y o d h a n a, die hier boosaardig wordt genoemd, heeft ook dit soort emoties, maar faalt daarmee omdat hij zijn keuze had gemaakt voor de kwantiteit van K r i s h n a, Zijn leger. A r j u n a dacht niet 'logisch' en koos voor kwaliteit: K r i s h n a Zelf, nog niet beseffende dat K r i s h n a de volledige kwantiteit van al het bestaande omvat.
De merkwaardige situatie doet zich voor dat K r i s h n a tegen zijn eigen kwantiteit begint te (helpen met) vechten uit liefde voor de verschoppelingen van de aarde. Dit heeft een zeer verreikende betekenis. Het doet een normaal geconditioneerd mens beseffen dat hij zich vrijwel altijd vergist. Zo gauw we op de wereld letten en kiezen voor veel, dan krijgen we van K r i s h n a weinig. Koesteren we geen verlangens en hebben of houden we weinig, dan geeft K r i s h n a ons alles wat Hij maar bij ons kwijt kan en moeten we zeer hard werken om dat te kunnen respekteren.
Waar is de logica in dit alles? We weten dat het zo werkt, we snappen wel dat er steeds toename in de natuur is, alles groeit en bloeit, we zijn ergens vandaan gekomen, maar willen we dit verklaren, dan is dat als tegen de zon in staren en iets willen zien. Dit is de aard van K r i s h n a: Hij omvat altijd veel meer dan wie ook kan overzien en dit is Zijn kwaliteit: ondoorgrondelijk.
Je kan je afvragen wat het voor zin heeft al deze redeneringen op te zetten. Logica in dienst stellen van K r i s h n a houdt in dat we het wonderbaarlijke dat de rationalist wegdenkt, voor onbestaanbaar acht, onder ogen leren zien. Ergens moet je toegeven dat het je allemaal teveel wordt en je het alleen met je beperkte verstand niet meer aankunt. Zo staat de filosoof hopeloos met zijn heuristiek, zijn vuistregels. K r i s h n a breekt al die regels en vervangt die voor één regel: Ik ben jou, maar jij bent niet Mij. Dit kan niemand begrijpen. Deze wereld is Zijn speeltuin, Zijn spel en vermaak, Zijn droom, Zijn genialiteit, Zijn voorstelling, Zijn werkelijkheid. Wij mogen dat ook wel ons toedenken, maar komen nooit verder dan de realisatie van de kwaliteit: daarin ligt het behoud, de kwantiteit is wat ons 'teveel' is; het is K r i s h n a Zelf. A r j u n a keek naar het leger van de vijand en zag een enorme kwantiteit: groter dan die van hemzelf, in kwaliteit nauwlijks voor die van hem onderdoend. Terecht stelt A r j u n a hier de boosaardigheid duidelijk: veel boeven hebben veel ruzie, weinig boeven niet (de kwantiteit van het kwaad kan zichzelf niet vermijden). Oppervlakkig bekeken is het uiterst angstwekkend, zo'n meerderheid die zijn onwil op jouw minderheid wil botvieren. Als we echter bedenken dat het boze, en D u r y o d h a n a had zeker veel boosaardigheid op z'n geweten, zoals medeplichtigheid aan het reeds eerder willen vermoorden van de P â n d a v a's, steeds met het Ware Zelf in konflikt is en daardoor het zelfvertrouwen niet zo standvastig is als het machtsvertoon doet voorkomen, dan is het begrijpelijk dat één man volstond om duizenden te verslaan. Haat en kwaad vernietigt zichzelf in onwaarheid en in chaos. Tegenover deze lotsbestemming van de Leugen, met een grote L, staat de natuur van het ware: zonder een overtuigende materiële logica bloeit en groeit het de liefde voor het leven. Hoe groot de vernietigingskracht der mensen ook is, het leven gaat na de toepassing ervan gewoon weer verder en overwint altijd.
1.24 Sañjaya zei: O telg van Bhârata (Dhritarâshthra), toen Hrsîkesa (K r i s h n a) aldus door Gudâkesa (A r j u n a) was aangesproken, mende hij de prachtige strijdwagen naar het middenveld tussen de beide legers.
T o e l i c h t i n g
K r i s h n a wordt hier H r s i k e s a genoemd om de nadruk te leggen op Zijn meesterschap (zie 1:15). Hij heeft nog niets gezegd en stelt zich gedienstig op. A r j u n a's bijnaam in dit verband heeft betrekking op het feit dat hij de slaap (g u d â k a) de baas is en daarmee de onwetendheid van de slaperige die altijd half loopt te dagdromen. Een wakker persoon, zo weten ook veel materialisten, maakt meer kans op de overwinning. Dit lijkt een open deur, maar is belangrijker dan men denkt. Veel slapen in de illusie dat dat nodig is, omdat men nu eenmaal zo'n 'type' is, vormt een vicieuze cirkel waar men maar nauwelijks uitkomt: om wakker te worden moet men wakker zijn, men is het niet, dus wordt men niet wakker. Zo is K r i s h n a altijd meer bewust dan wij zijn. Wij zien onze kwaliteiten heel goed, maar voor het overige lijden normaal, d.w.z. materieel geconditioneerde mensen, aan een overmaat aan verbeeldingskracht: de droom of illusie die het tekort moet compenseren. Dit is de liefde van K r i s h n a Zelf die we moeten achten en als de Zijne herkennen. We moeten onszelf niet als de oorzaak zien. K r i s h n a is de oneindigheid van de verbeeldingskracht en wij moeten oppassen ons die niet valselijk toe te eigenen. Vandaar de universele liefde voor het nuchtere gezonde verstand.
In feite moeten we leren om die verbeeldingskracht ten goede aan te wenden, terwille van zijn oorsprong: de Hoogste Persoonlijkheid Gods, B h a g a v â n_S r i_K r i s h n a. Als men beseft dat men slechts een droombeeld is, een poppetje op het schouwtoneel van de Heer, dan ziet men de dingen zoals ze zijn. Voor het merendeel der mensen is dit het allermoeilijkst te accepteren; het druist in tegen alle 'gezonde neigingen' te beheersen en genieten. Wie laat zich als een pion op een schaakbord heen en weer schuiven? We willen op de eerste plaats helemaal geen pion zijn, maar b.v. een koning of een koningin, of ten minste een raadsheer... Emoties zijn ons de baas als het gaat om de weerstanden van het ego tegen de volledige overgave. Echt verstandig is het niet om je tegen je eigen ideaal en idool Heer K r i s h n a te verzetten en toch is dat heel normaal. De uiteindelijke werkelijkheid is dat we de geest in bedwang krijgen en de volle beschikking krijgen over onze rede. Dat is een uitkomst van de y o g a, echter de weg ernaar geeft ons de emoties van de gescheidenheid van Heer K r i s h n a. Ons denken hier is slechts een vlaggetje met de afbeelding van H a n u m â n. We moeten niet meer bang zijn deze droom onder ogen te zien. Als we minder slapen beseffen we de droomachtige kwaliteit van het leven. Als we lang slapen is dat een poging om daar een einde aan te maken: weg met de droom, ben ik echt wel uitgeslapen?
Door zich op K r i s h n a te richten kan de hopeloze slaper de slaap overwinnen. Deze concentratie heet s a m â d h i. Als ik in s a m â d h i ben, dan denk ik en leef ik alleen nog maar voor K r i s h n a, het eeuwige bewustzijn van de gelukzaligheid, niemand anders. Normale mensen noemen dat vakantie. Allen zijn het er over eens: je zou je hele leven op vakantie moeten kunnen zijn.
1.25 In tegenwoordigheid van Bhîshma, Drona en alle leiders van de wereld zei H r s i k e s a, de Heer: O Pritha, kijk toch naar alle K u r u 's, die hier verzameld zijn.
T o e l i c h t i n g
Op dit punt kunnen we gaan speculeren over wat K r i s h n a bedoelt met deze uitspraak. Laten we het aan Hem Zelf over om dit duidelijk te maken, dan kunnen we zeggen dat 'zoon van Pritha' betrekking heeft op A r j u n a's moeder. K r i s h n a zegt dus: zoon van je moeder. P r t h a, ofwel koningin K u n t î, was K r i s h n a's tante en A r j u n a was dus een neef van K r i s h n a. In Nederland zeggen we wel eens 'volle neef', zinspelend op de vertrouwelijkheid van de familierelatie. Op dit moment vóór de strijd losbarst is dit veelzeggend: K r i s h n a wil ons, A r j u n a , laten weten dat we familie van Hem zijn, neven en nichten om precies te zijn. Niet direkt kinderen van 'Mij' 'God de Vader'. Dat is K r i s h n a's gewone doen niet, zo is Zijn spel. Wel vindt Hij het noodzakelijk A r j u n a te attenderen op de aanwezigheid van de vijand. We willen er hier niets over zeggen. We laten K r i s h n a aan het woord. Deze houding van enerzijds familiariteit en anderzijds de zaken maar nemen zoals ze zijn is kenmerkend voor de toegewijden van K r i s h n a. Toegewijden die dat soort dingen ontkennen, moeten oppassen dat ze niet het slachtoffer worden van hun eigen spel.
1.26 Toen kon A r j u n a vanwaar hij tussen de beide legers stond zijn vaders, grootvaders, leraren, ooms van moeders kant, broers, zoons, kleinzoons, vrienden en ook zijn grootvader en goede bekenden zien die allen daar aanwezig waren.
T o e l i c h t i n g
In het nederlands kent men de uitdrukking 'een ezel tussen twee hooischelven' om een situatie van besluiteloosheid aan te duiden. In dit vers wordt de vijand één met de tegenstander. Aansluitend op K r i s h n a's zinspeling op de familierelatie, nu de realisatie dat het ook nogal familie is wat er op het slagveld notabene tegenover elkaar staat opgesteld. Te stellen dat de B h a g a v a d_G î t â resultaat is van een uit de hand gelopen familieruzie is hier wel op zijn plaats. A r j u n a dreigt tussen de wal en het schip als een ezel besluiteloos te worden. Natuurlijk is het te laat om nog terug te krabbelen, men staat nu eenmaal niet op het slagveld voor de uiterlijkheid van het indruk maken. Het gaat om een krachtmeting. De positie van A r j u n a is die van de onwetende ezel die niet kan beslissen. Wat moet hij er van denken nu hij ziet wat zijn eergevoel voor een oppositie oplevert? Te vertrouwen op zijn keuze voor de kwaliteit van K r i s h n a is niet zijn probleem. De omvang van het probleem komt in zijn volle kwantiteit nu naar voren. Dit soort dingen is moeilijk vooruit te zien. 'Je moet het meemaken', zegt men.
We kunnen onszelf niet altijd in A r j u n a herkennen, omdat we in staat van illusie graag voldaan zijn over onze keuzes. Pas bij een echte, objectieve confrontatie met familie en vrienden krijgt men het moeilijk. 'Zijn mijn vrienden nu opeens mijn vijanden? Zijn mijn neven, grootvader, leraren nu opeens een hindernis?' Dit soort dingen kunnen we niet zomaar onder ogen zien. Daarom kunnen we ook niet zomaar kiezen. Gehechtheid is het probleem van de besluitvaardigheid. Gevolg is dat we maar niet kiezen totdat het niet meer anders gaat. Zo leven heel veel mensen een stille wanhoop: waar moet ik in God's naam mijn eer aan ontlenen, hoe moet ik bestaan zonder een gezicht? Door een verzaken van een actief leven van het goede vervallen we in hartstochten die ons als vanzelf voortdrijven totdat twee woedende partijen hun materiële belang verkondigend in ons hart, in de huiskamer, het parlement en op het slagveld tegenover elkaar staan. Dat hebben we dan eigenlijk niet gewild. We zien dat niet als een resultaat van onze besluiteloosheid, maar zien slechts een materialisatie van het kwaad dat eruit voortkomt. Wie de liefde niet leeft, moet met de duivel dansen. Heer C a i t a n y a maakte ons duidelijk dat deze dans ontspringen alleen mogelijk is als we bewust met God willen dansen. Letterlijk. Waar is de vijand m â y â als we zingen en dansen met K r i s h n a en de genade van gewijd voedsel genieten?
1.27-28 Toen de zoon van Kuntî, A r j u n a , al deze verschillende vrienden en familieleden zag, werd hij door hevig mededogen overweldigd en sprak: 'O K r i s h n a, nu ik mijn vrienden en bloedverwanten in zo'n strijdlustige stemming voor me zie, voel ik dat mijn ledematen beginnen te beven en mijn mond droog wordt.
T o e l i c h t i n g
S w a m i_P r a b h u p â d a verduidelijkt hier dat de symptomen van A r j u n a geen teken van zwakte vormen, maar een bewijs van zijn kwaliteit als toegewijde. A r j u n a heeft een vertrouwensband met K r i s h n a die hem behoed voor verharden en verbitteren. Hij heeft een hart en kan niet zomaar tegen zijn eigen familie in de aanval. Op dit ogenblik zoekt A r j u n a steun bij K r i s h n a. Van bevelhebber wordt hij klager. Deze transformatie is beslissend. Iedereen kan dat herkennen: ons volwassen vertoon van zelfbeheersing wordt doorbroken door kommer en kwel, we storten in en roepen om onze moeder. K r i s h n a komt in de positie dat Hij moet tonen dat Hij de Alwetende is. Die positie geven wij Hem, het is Zijn Genade, niet Zijn begeerte. Zo zoeken in de materiële wereld overal mensen naar steun en middelen om het lijden ongedaan te maken. Wie wil er voor K r i s h n a spelen? Hele menigten steken hun vinger omhoog, maar wie kan de verantwoordelijkheid van de gelukzalige, eeuwige en al-bewuste God de Vader aan? In de praktijk blijkt er altijd weer ergens een toegift te zijn die luidt: en bekijk het verder zelf maar. In feite kan niemand behalve K r i s h n a die verantwoording dragen. In de hele menselijke geschiedenis is er ook maar één persoon, K r i s h n a, die dit feit waar kan maken. Als het dan aankomt op het aanvaarden van oplossingen, waarom leven we dan niet getrouw 'ere wie ere toekomt'? Het antwoord op deze vraag is steeds dezelfde: 'we weten niet beter'. We zijn maar een stelletje ongeregeld aan de monding van een aantal grote rivieren levend en uitziend naar wat handel en vertier. Waarom zouden we ons druk maken over een indische vorst van 5000 jaar geleden? Is Christus ons al niet exotisch genoeg? Moeten we nu na al dat Latijn nu ook nog Sanskriet gaan leren? Voor A r j u n a is er hier geen uithuilen en opnieuw beginnen meer bij. Hij moet met z'n billen bloot. En precies zo vergaat het ook menig modern mens. We hebben geen keuze in feite. Oude schoenen moeten weg, nieuwe zitten nog niet lekker. Dat was altijd al zo en het zal ook altijd zo blijven. De zaken zijn zoals ze zijn; als de runderlappen en biefstukken zijn uitgekauwd, we niet meer in de 'kankerstokken' en de alcohol e.d. kunnen geloven, de t.v. de hele dag ook niet aan kan staan, wat moeten we dan K r i s h n a? Wat valt er nog uit te huilen na een tweede wereldoorlog, kanker en aids? Eerlijk zijn is het probleem van de materialist. Terecht neemt S w a m i P r a b h u p â d a A r j u n a voor ons in bescherming. Hij, S w a m i, kan zijn pretenties waar maken. Hij redeneert niet voor zichzelf, hij doet niet alsof hij K r i s h n a is. Hij helpt ons K r i s h n a te vinden, met K r i s h n a te leven en van K r i s h n a te houden. S w a m i P r a b h u p â d a heeft zijn lichaam allang verlaten (in 1977). Als we hem kunnen bedanken desondanks, dan zal K r i s h n a ook niet langer vreemd voor ons blijven.
's Morgens voor dag en dauw zingen de toegewijden voor de m û r t i ' s (=beeltenis zowel als moeilijkheid) van K r i s h n a en de â c â r y a's het volgende gebed voorafgaande aan de Pranâti voor Prabhupâda, terwijl er een â r a t i of lichtoffer (aanbieden van vuur, bloemen , water, wierook e.d.) wordt gehouden.
1.29 Mijn hele lichaam trilt en mijn haar staat overeind. Mijn G â n d î v a glijdt me uit de handen en mijn huid gloeit.
T o e l i c h t i n g
Mensen die leven in de materiële levensbeschouwing, zijn zo geconditioneerd dat hun leven wordt bepaald door begeerten, gehechtheden, boosheid als ze hun zin niet krijgen, illusies van allerlei aard (in vijf soorten: gehechtheid, haat, trots, onwetendheid en valse identificatie (zie S.B. 3.10:17 waar S w a m i_P r a b h u p â d a over de k l e s a's spreekt als vijf soorten van illusie), hebben last van een slecht concentratievermogen en gaten in hun geheugen. Bovenal zijn ze niet stabiel. Steeds verliezen ze hun integriteit door onbeheerstheid en een gebrek aan kennis. Door dit alles werkt hun intelligentie niet zoals het zou moeten. Angst is het symptoom van deze levenspositie. Symptomen zoals A r j u n a die vertoont, komen voort uit een materiële levensvisie. Hij ziet niet in dat hij een hoger principe moet dienen. Hij is zich niet bewust van het overwegend belang van de ziel. De ziel is volgens het woordenboek het levensbeginsel in de mens dat in sommige religies als eeuwig bekend staat. Dit is een redelijk vage definitie waar mensen als A r j u n a op zo'n ogenblik, in de confrontatie met de op handen zijnde katastrofe niet aan denken. De ziel is datgene in de mens dat zichzelf bewust is en waar men zijn ik in situeert. De materieel gekonditioneerde mens identificeert het begrip ziel met zijn lichaam en verkeert daardoor in voortdurende angst. Het lichaam staat voortdurend aan veranderingen bloot en moet uiteindelijk verschrompeld en gebrekkig worden opgegeven als een nutteloos kreng. Men kan het vergelijken met auto's en hun bestuurder: de ziel is het zelfbewustzijn, de zelfherinnering die verantwoordelijk is voor het programma van handelingen en doelstellingen waarmee de auto, het lichaam wordt bestuurd. De onontwikkelde ziel denkt dat hij alleen in zijn huid zit en hij alleen de dienst uitmaakt. Zo'n iemand noemt men materieel geconditioneerd. Hij laat zich door zijn zintuiglijke indrukken bepalen en is zo slaaf van de materie. Hij leeft op het vermijden van pijn en het bevredigen van lust. Hij maakt nauwlijks of geen onderscheid tussen sex en liefde en volgt het primaire principe van direkte bevrediging.
Cultuur frustreert de natuurlijke behoeften en dwingt het levend wezen tot secundair reageren. Uitstel van bevrediging noopt tot beschaving, we kunnen niet steeds als een klein kind staan brullen om iedere frustratie. Derhalve volgt men het secundair principe, de z.g. subliminale weg, d.w.z. dat de primaire drift wordt afgeleid en omgevormd tot een zinvolle culturele aktiviteit zoals b.