|Dit Hoofdstuk: luister naar de tekst hier beneden geboden (compl.).

|Andere Hoofdstukken:

1|2a|2b|3|4|5|6|7|8|9|10|11|12|13|14|15|16|17|18a|18b

De links in de tekst verwijzen naar het Sanskriet woord voor woord.
Download
het tekstbestand van de complete Bhagavad Gîtâ van Orde.

English version

Meer lezen over het leven van Krishna en Zijn toegewijden: zie het S'rîmad Bhâgavatam

N.B: om techtnische redenen kunnen Mac-users problemen hebben met het stromen van RA-files;
om dit probleem op te lossen verander de ram-extensie van de URL in rm en download dan het bestand naar uw harde schijf.


 

 Krishna Muziek   

 

HOOFDSTUK 12: DE YOGA VAN DE TOEWIJDING

Over het zich fixeren op het uiteindelijke van de vervolmaking

(1) Arjuna zei: 'Dus, van hen die als Je toegewijden altijd bezig zijn met het gepaste eerbetoon en van hen die voorbij de zinnen gaan voor het ongemanifesteerde - wie van hen zijn de besten in de kennis van de yoga?'

(2) De Allerhoogste Heer zei: 'Zij die hun denken op Mij fixeren en altijd bezig zijn met eerbetoon, door Mij begiftigd met geloof in het transcendentale, worden beschouwd van de sterkste band te zijn. (3-4) Maar zij die, van het oneindige en ongemanifesteerde dat zich voorbij de zinnen bevind, helemaal opgaan in eerbetoon en gefixeerd zijn op de alles doordringende, ondoorgrondelijke, onveranderlijke en onverzettelijke, alle zinnen beheersend en gelijkgestemd jegens allen wanneer ook; zij voorzeker bezig terwille van ieders welzijn bereiken Mij. (5) De moeilijkheden voor hen die gehecht zijn aan het ongemanifesteerde zijn zeer groot; voor die geesten ingesteld op het ongeziene wordt de vooruitgang van het belichaamde zeker met moeite bereikt. (6-7) Maar voor hen wiens activiteiten alle op Mij gericht zijn en die verzaken in de gehechtheid aan Mij, onverdeeld en zeker door de praktijk van de yoga van het mediteren op en eerbiedigen van Mij; van hen wiens denken zodanig op Mij gefixeerd is wordt Ik de spoedige verlossing van de dood in het materiële bestaan, o zoon van Prithâ. 

(8) Wees er zeker van je geest op Mij te vestigen en je intelligentie voor Mij in te zetten en je zal voorzeker in Mij leven en daarop volgend nimmer onder twijfel gebukt gaan. (9) Als je er niet toe in staat bent je denken op Mij te vestigen, wees dan standvastig vasthoudend aan de regels van de yoga en ontwikkel een verlangen om tot Mij te komen, o veroveraar der weelde. (10) Als je zelfs niet in staat bent dat in de praktijk te brengen zet je er dan toe terwille van Mij te werken, daar je zelfs door het verrichten van arbeid de volmaaktheid zal bereiken. (11) En als je zelfs niet in staat bent dit te doen in de yoga voor Mij, zoek dan je heil in het afzien van de resultaten van alle handelen en blijf vervolgens bij jezelf. (12) Beter dan het [enkel] praktizeren is de kennis en als beter dan [enkel] de kennis wordt de meditatie beschouwd. Afzien van de vruchten van de arbeid is beter dan [enkel] te mediteren daar op een dergelijke verzaking de vrede zal volgen.

(13-14) Zonder een hekel te koesteren aan wie dan ook en zeker vriendelijk en aardig, zonder bezitsdrang, en zonder zich te identificeren, gelijkblijvend in ellende en geluk, vergevingsgezind, in vrede verkerend en altijd toegewijd, zelfbeheerst en met overtuiging in denken en intelligentie altijd op Mij gericht - zo een toegewijde van Me is Mij zeer dierbaar. (15) Een ieder waardoor de mensen nimmer verstoord zijn en die zich ook niet ergert aan de mensen; hij die vrij is van ups en downs en angst en vrees, is Mij zeer dierbaar. (16) Een ieder die voorbereid is op alternatieven [neutraal is], zuiver is, capabel, zich niet druk maakt, onverstoorbaar is en niet denkt aan werelds ondernemen, zo'n toegewijde van Me is Mij zeer dierbaar. (17) Hij die nimmer uitgelaten is of haat, nimmer treurt of verlangt naar en in voor- en tegenspoed onthecht blijft - iemand die zo'n toegewijde is, is Mij zeer dierbaar. (18-19) Gelijk naar vriend en vijand, in eer en oneer, in hitte en koude, in geluk en ongeluk en in afwezigheid van gezelschap hetzelfde; niet verschillend onder roem of smaad, rustig en tevreden met wat dan ook, vrij van zijn thuis en vast overtuigd als toegewijde, is een mens Mij zeer dierbaar. (20) Zij die enkel de nectar van deze aard koesteren en zoals gezegd met geloof volledig opgaan in het opperste van Mij - dergelijke toegewijden zijn Mij hoogst dierbaar.'



 

Ontleend aan de Bhagavad Gîtâ van Orde gesproken door Anand Aadhar Prabhu