|Dit Hoofdstuk: luister naar de tekst hier beneden geboden (compl.).

|Andere Hoofdstukken:

1|2a|2b|3|4|5|6|7|8|9|10|11|12|13|14|15|16|17|18a|18b

De links in de tekst verwijzen naar het Sanskriet woord voor woord.
Download
het tekstbestand van de complete Bhagavad Gîtâ van Orde.

English version

Meer lezen over het leven van Krishna en Zijn toegewijden: zie het S'rîmad Bhâgavatam

N.B: om techtnische redenen kunnen Mac-users problemen hebben met het stromen van RA-files;
om dit probleem op te lossen verander de ram-extensie van de URL in rm en download dan het bestand naar uw harde schijf.


 

 Krishna Muziek   

 

HOOFDSTUK 2a:

DE YOGA VAN DE ANALYTISCHE KENNIS

Over de kennis van de ziel (2.1-2.38)

(1) Sañjaya zei: "Tot hem [Arjuna], die op die manier overmand was door mededogen, zijn ogen vol met tranen had en weeklaagde, sprak Madhusûdana [Krishna als de doder van Madhu] de volgende woorden:

(2) De Allerhoogste Heer zei: 'Vanwaar deze onzuiverheid van weeklagen in dit uur van crisis? Deze praktijk van de onbeschaafden, die niet tot een betere wereld leidt, is de oorzaak van schande, o Arjuna. (3) Laat je niet gaan in dit onvermogen, o zoon van Prithâ, deze enggeestigheid en weekhartigheid past je niet - geef het op en sta op, o bestraffer van de vijand!'

(4) Arjuna zei: 'Hoe kan ik nu met pijlen in het gevecht in de tegenaanval gaan tegen Bhîshma en Drona, o Madhusûdana - ze zijn vererenswaardig, o doder van de vijanden! (5) Zelfs bedelen in dit leven op de planeet is voorzeker beter dan die superieure grote zielen te doden, zelfs als die leraren werelds gewin verlangen - voorzeker zal ons genieten van de geneugten des levens met bloed bevlekt zijn! (6) Ook weten we niet wat beter voor ons zou zijn: dat wij hen overwinnen of dat zij ons overwinnen - het staat vast dat van degene die dat door te doden realiseert, we het nooit wensen om te leven, allen zoals we staan opgesteld tegenover de zonen van Dritharâshthra. (7) Aangedaan door de kenmerken van de misère en de zwakheid, vraag ik je, in mijn hart verward over mijn plicht wat het beste zou zijn: vertel me het alsjeblieft in vertrouwen; instrueer me daar ik me aan je heb overgegeven als je volgeling. (8) Ik zie niet helder in wat de treurnis zou verdrijven die me van mijn zinnen berooft in het [op deze manier] bereiken van de onbetwiste voorspoed van een koninkrijk op aarde of zelfs de heerschappij van het goddelijke.'

(9) Sañjaya zei: "Zich op die manier tot Hrisîkes'a richtend, zei Gudâkes'a [Arjuna als de meester van het afwenden van onwetendheid], de bestraffer der vijanden: 'Ik zal niet vechten'. Na dit Govinda gezegd te hebben viel hij toen stil. (10) O afstammeling van Bharata, daar, tussen de legers van beide partijen, sprak Hrisîkes'a glimlachend tot de weeklagende de volgende woorden.

(11) De Allerhoogste Heer zei: 'Je weeklaagt over wat het niet waard is om over te weeklagen en je bedient je eveneens van geleerde woorden - of er nu wel of niet levens verloren gaan, de wijzen weeklagen niet. (12) Nimmer bestond ik in werkelijkheid niet wanneer dan ook, noch was dat voor jou zo; noch voor welke van deze koningen ook - nimmer zullen zeker allen van ons ook hierna niet bestaan. (13) Van het belichaamd zijn kent men het fysieke van de kindertijd, de jeugd en de ouderdom - dienovereenkomstig misleidt het bereiken van het voorbije van het lichaam ook nooit hen die nuchter zijn. (14) Het is alleen maar zintuiglijke waarneming, o zoon van Kuntî, zoals zomer en winter, geluk en gegeven pijn, verschijnen en verdwijnen; geen van hen is permanent, probeer dat enkel te verdragen, o afstammeling van de Bharata dynastie. (15) De persoon die dan nooit van dit alles van streek is, o beste onder de mensen, en gelijkmoedig is en stabiel in geluk en verdriet, wordt beschouwd als zijnde geschikt voor de bevrijding.

(16) Nooit is er van het valse [asat, de tijdelijke vorm] enige bestendigheid noch kan men van het eeuwige [sat, het ware, de ziel] enig beëindigen verwachten, zo benadrukken de zieners die dit concludeerden uit de studie van beide. (17) Weet dat dit alles waarvan het hele lichaam is doordrongen onvergankelijk is en dat niemand in staat is het te vernietigen. (18) Al deze materiële lichamen zijn vergankelijk terwijl van de belichaamde ziel wordt gezegd dat hij nooit vernietigd wordt en onmetelijk is, derhalve vecht, o afstammeling van Bharata. (19) Een ieder die veronderstelt dat deze [ziel] de doder is alsook een ieder die denkt dat ze kan worden gedood, zal van elk van die twee stellingen nooit in kennis zijn; nooit doodt hij of kan hij worden gedood. (20) Hij is nooit geboren, noch zal hij ooit sterven; nooit ontstond hij noch zal hij ooit ophouden te bestaan - hij zal niet reïncarneren, hij is ongeboren, eeuwig en permanent; hij is de oudste en wordt nooit gedood als het lichaam wordt gedood. (21) Hij die weet dat deze [ziel] het onvernietigbare, altijd bestaande is, dat ongeboren en niet aan verandering onderhevig is - hoe kan die persoon, o Pârtha, de oorzaak zijn van doden of gedood worden? (22) Precies zoals men afgedragen kleding opgeeft en nieuwe accepteert, geeft de belichaamde [ziel] op dezelfde manier oude lichamen op en accepteert hij waarlijk verschillende nieuwe. (23) Nooit kan deze ziel in stukken gesneden, door vuur verbrand, verdrinken in water, of verweren in de wind. (24) Deze onbreekbare ziel die niet kan worden verbrand, opgelost in water, of uitdrogen, is zeker eeuwig, alles doordringend, continuerend, onbeweeglijk en oorspronkelijk.

(25) Zoals men over hem spreekt als zijnde onzichtbaar, ondoorgrondelijk en stabiel, zou je heel goed moeten weten dat deze ziel nooit het weeklagen waard is. (26) Indien, echter, je van hem denkt als altijd geboorte nemend of de dood vindend, dan nog, o sterk gearmde, is hij het weeklagen niet waard. (27) De dood is een zeker feit voor degene die wordt geboren en ook is geboorte zeker voor hen die sterven; het zijn onvermijdelijke zaken die het derhalve niet verdienen om over te weeklagen. (28) In het begin zijn allen ongemanifesteerd, ze zijn gemanifesteerd in het midden en op het eind, o afstammeling van Bharata, zijn ze allemaal verdwenen, waarom dan klagen als het allemaal is zoals dit? (29) Sommigen zien hem als verbazingwekkend, sommigen spreken van hem als verbazingwekkend en anderen leren hem zeker kennen als zijnde verbazingwekkend, terwijl nog weer anderen, zelfs al hoorden ze van deze ziel, hem gewis nooit zullen begrijpen. (30) Deze ziel, de eeuwige eigenaar van het lichaam van iedereen, kan niet worden gedood en derhalve, o afstammeling van Bharata, zou je niet moeten treuren om enig levend wezen.

(31) Ook, inderdaad in de overweging van je eigen plichten zou je er niet aan moeten twijfelen te vechten ter wille van de religie, daar er voor een bestuurder waarlijk geen betere bezigheid bestaat dan dat. (32) O zoon van Prithâ, gelukkig zijn de heersers die komen tot de oorlog die uit zichzelf kwam, daar voor hen de poorten van de hemel wijd open staan. (33) Daarom zou je dit vechten moeten verrichten als een religieuze plicht - niet handelend overeenkomstig je eigen aard, zal je je reputatie verliezen en in zonde vervallen. (34) Over je schande zullen de mensen altijd spreken daar voor een respectabel man oneer erger is dan de dood. (35) Ermee ophoudend uit angst het slagveld verlatend, zullen de grote krijgsheren die jou ook in hoge achting houden, je beschouwen als iemand van een lager gehalte. (36) Vele van je vijanden zullen onaardige woorden spreken en je vaardigheid bespotten. Wat, vanzelf, is er pijnlijker dan dat? (37) Of, gedood wordend, zal je het koninkrijk der hemelen bereiken, of, overwinnend, zal je de wereld genieten, derhalve sta op, o zoon van Kuntî, en vecht met de zekerheid der vastberadenheid. (38) Gelijkmoedig in geluk en ongeluk, winst en verlies, overwinning of nederlaag; daarnaar tewerk gaand ter wille van het vechten, zal je op deze manier nooit enige zonde begaan.

 

Ontleend aan de Bhagavad Gîtâ van Orde gesproken door Anand Aadhar Prabhu