|Dit Hoofdstuk: luister naar de tekst hier beneden geboden (compl.).

|Andere Hoofdstukken:

1|2a|2b|3|4|5|6|7|8|9|10|11|12|13|14|15|16|17|18a|18b

De links in de tekst verwijzen naar het Sanskriet woord voor woord.
Download
het tekstbestand van de complete Bhagavad Gîtâ van Orde.

English version

Meer lezen over het leven van Krishna en Zijn toegewijden: zie het S'rîmad Bhâgavatam

N.B: om techtnische redenen kunnen Mac-users problemen hebben met het stromen van RA-files;
om dit probleem op te lossen verander de ram-extensie van de URL in rm en download dan het bestand naar uw harde schijf.


 

 Krishna Muziek   

 

HOOFDSTUK 5: DE YOGA VAN WERKEN IN ONTHECHTING

Over de werkelijkheid van de onthechting.

(1) Arjuna zei: 'Krishna, Je prijst zowel de verzaking van vruchtdragende arbeid als de praktijk van de yoga. Vertel me alsjeblieft welke van de twee definitief het gunstigst is.'

(2) De Allerhoogste Heer antwoordde: 'Het verzaken [van de vruchten] en ook het handelen in yoga leiden beide tot het pad der bevrijding, maar vergeleken met de verzaking van vruchtdragende arbeid, is handelen in yoga van die twee het beste. (3) Hij die nimmer voorkeur of afkeer koestert behoort men altijd te kennen als iemand die verzaakt, daar zeer zeker, o machtig gearmde, hij bevrijd is die vrij is van dat gebonden zijn. (4) De minder intelligente ziet het analytische en de arbeid van de yoga als verschillend, maar dat geldt niet voor hen die geleerd hebben. Zich in één van hen bevindend zal men het volledige van het resultaat van beide genieten. (5) Hij die wat men bereikt met analyse op het zelfde nivo plaatst als wat men bereikt met werk gedaan in yoga en op die manier studie en onbaatzuchtig handelen als één ziet, ziet het feitelijk zoals het is.

(6) Maar, verzaking, o machtig gearmde, zal leed berokkenen als men zonder toewijding is, terwijl een denker verenigd in onzelfzuchtig handelen onverwijld het allerhoogste bereikt. (7) Verbonden in de yoga bevindt een gezuiverde ziel, die zelfbeheerst is en zijn zinnen de baas is, zich in mededogen met alle levende wezens en hoewel bezig met handelingen is hij nooit aangedaan. (8-9) 'In goddelijk bewustzijn doe ik zeer zeker nooit iets' zo denkt iemand die de waarheid kent in zijn zien, horen, aanraken, ruiken, eten dromen en ademhalen. Ondanks zijn praten, nalaten, aanvaarden, openen en sluiten van zijn ogen beschouwt hij het als [slechts] een bezigheid van de zintuigen. (10) Hij die al zijn werken wijdt aan het spirituele met het opgeven van zijn gehechtheden wordt nooit door de zonde aangedaan zoals een lotusblad dat is in het water. (11) Met hun lichaam, denken en intelligentie gezuiverd, handelen yogî's zelfs met hun zintuigen in het opgeven van de gehechtheden terwille van de ziel. (12) Verenigd in het opgeven van de vruchten bereiken ze onversaagd de volmaakte vrede terwijl diegenen die niet verbonden zijn in het verlangen de resultaten te genieten gevangen zijn in gehechtheid.

(13) Door zijn denken alle activiteiten opgevend en verblijvend in gelukzaligheid, verwijlt de beheerste in de stad der negen poorten [het lichaam] en doet de belichaamde ziel aldus voorzeker nooit iets of is hij de oorzaak van enig iets. (14) Nooit is hij degene die tot handelen overgaat, noch zet de meester [van die stad] anderen aan tot handelen, noch is hij geïdentificeerd met de resultaten, daar alles door de natuur wordt gedaan. (15) Nooit is hij die van vermogen is verantwoordelijk voor de zonden of zedige handelingen van wie dan ook; het is de geestelijke kennis die overdekt is door onwetendheid waardoor de levende wezens in staat van begoocheling zijn.

(16) Maar voor het levend wezen wiens onwetendheid is vernietigd door de kennis, ontsluit die kennis de Allerhoogste Werkelijkheid als een rijzende zon. (17) Met de intelligentie daarop gericht, het zelf erin gevestigd, het geloof daarnaar en dat als toevlucht, zal men, door die kennis schoongewassen van alle getwijfel, nooit terugkeren. (18) In een volledig geschoolde zachtgeaarde brahmaan, in een koe, in een olifant en zeker ook in een uitgestotene, zien zij die wijs zijn, [de ziel] met een gelijke blik. (19) In dit leven hebben zeker zij geboorte en de dood overwonnen die in gelijkheid een gefixeerde geest hebben die feilloos is in de gelijkmoedigheid van de Allerhoogste Geest waardoor ze zich in het Allerhoogste bevinden. (20) Zich nooit verheugend met het bereiken van het aangename noch van streek rakend bij het zowel komen tot het onaangename, intelligent van zichzelf en zonder verbijstering, bevindt hij die het spirituele kent zich in het bovenzinnelijke.

(21) Degene die niet gehecht is aan oppervlakkige genoegens vindt, door zich te concentreren op het spirituele van het verbonden zijn in de ziel, in het zelf het geluk dat wordt genoten als zijnde onbegrensd. (22) In dat wat voorzeker door het contact met de zinnen een bron van ellende is, scheppen de intelligenten nooit behagen, daar dat zeker onderworpen is aan het hebben van een begin en een einde, o zoon van Kuntî. (23) Hij die in dit materiële lichaam in staat is de lust en woede die door de aandrang wordt opgewekt te verdragen vóórdat het lichaam wordt verzaakt, is een kalm en gelukkig menselijk wezen. (24) Zeker is een ieder, die vanbinnen uit gelukkig, genoegen schept in het zelf en put uit het innerlijk licht, een yogî die zelfgerealiseerd de bevrijding in het Allerhoogste bereikt. (25) Zij die het innerlijke leven leven en smetteloos zijn, bereiken die spirituele bevrijding; zij bevinden zich voorbij de dualiteit in zelfverwerkelijking en zijn bezig met het verrichten van werkzaamheden voor het welzijn van alle levende wezens. (26) Het denken van verzakende personen die bevrijd zijn van lust en woede is volledig onder controle en voor hen die van de ziel leerden is er in de nabije toekomst de garantie van spirituele verlichting. (27-28) Afgekeerd van het niet noodzakelijke in de buitenwereld er niet naar uitziend en geconcentreerd tussen de wenkbrauwen in het opschorten van de in- en uitgaande adem de lucht erbij in de neus houdend, zijn de zinnen, de geest en de intelligentie van de transcendentalist gericht op de bevrijding daar iemand die heeft afgezien van alle wensen, vrees en boosheid zeker altijd van die bevrijding is. (29) Zij die Mij kennen als de begunstiger der offers, boetedoeningen en verzakingen, als de Opperheer van al de werelden en als de gelukbrenger van alle levende wezens, bereiken aldus de vrede.'


 

Ontleend aan de Bhagavad Gîtâ van Orde gesproken door Anand Aadhar Prabhu