|Dit Hoofdstuk: luister naar de tekst hier beneden geboden (compl.).

|Andere Hoofdstukken:

1|2a|2b|3|4|5|6|7|8|9|10|11|12|13|14|15|16|17|18a|18b

De links in de tekst verwijzen naar het Sanskriet woord voor woord.
Download
het tekstbestand van de complete Bhagavad Gîtâ van Orde.

English version

Meer lezen over het leven van Krishna en Zijn toegewijden: zie het S'rîmad Bhâgavatam

N.B: om techtnische redenen kunnen Mac-users problemen hebben met het stromen van RA-files;
om dit probleem op te lossen verander de ram-extensie van de URL in rm en download dan het bestand naar uw harde schijf.


 

 Krishna Muziek   

 

 

HOOFDSTUK 9: DE YOGA VAN DE VERTROUWELIJKHEID

Over de vertrouwelijke kennis

(1) De Allerhoogste Heer zei: 'Wat Ik je nu vertel is de meest vertrouwelijke kennis der zelfrealisatie [voorbehouden] aan hen die niet jaloers zijn. Met de kennis ervan zal je verlost worden van de wereldse misère. (2) Het is de Koning van de kennis en het vertrouwelijke, het is het zuiverste, bovenzinnelijk en begrepen door directe ervaring, het is van het rechtgeaarde, zeer gelukkig in de praktijk en eeuwigdurend.

(3) Personen zonder geloof in het pad der rechtgeaardheid, o doder der vijanden, bereiken Mij niet en zullen op hun sterven terugkeren naar de weg der materiële motivatie. (4) [Zoals gezegd:] Van het ongemanifesteerde van Mij is de gehele kosmische schepping doortrokken, alle levende wezens bevinden zich in Mij en Ik ben niet [volledig] in hen. (5) Noch is alles van de schepping in Mij gefixeerd; bezie Mijn mystieke eenheid: allen onderhoudend en Me eveneens niet [volledig] in hen bevindend, is Mijn Zelf de bron van alles en allen. (6) Probeer te begrijpen dat, zoals de machtige wind die altijd overal in de lucht waait, Ik dienovereenkomstig besta met alle geschapen wezens die zich in Mij bevinden. (7) Alle wezens, o zoon van Kuntî, gaan aan het eind van een tijdperk op in Mijn oorspronkelijke vorm [de materiële natuur] en aan het begin van een tijdperk schep Ik ze weer opnieuw. (8) Nederdalend in Mijn materiële natuur herschep Ik keer op keer de gehele kosmische manifestatie waarvan het geheel is overgeleverd aan Mijn dwingende kracht. (9) Aan die activiteiten ben Ik nimmer gebonden, o overwinnaar van de weelde, daar Ik me in het neutrale bevind zonder aangetrokken te zijn tot de vruchtdragende handeling. (10) Onder Mijn leiding spreidt het materiële van de natuur zowel het bewegende als het bewegingloze ten toon en om deze reden, [voor het heil van Mijn wezen], o zoon van Kuntî, is de kosmische manifestatie werkzaam.

(11) De dwazen kijken erop neer dat Ik de menselijke vorm heb aangenomen, niet wetende van Mijn bovenzinnelijke aard en dat Ik de Grote Heer van alles en allen ben. (12) Verslagen in hun hoop, vruchtdragende handelingen en kennis, geven zij die verbijsterd zijn zich over aan demonische en atheïstische zienswijzen en eveneens zeker aan het begoochelende van de materiële natuur [materialisme]. (13) Maar de grote zielen, o zoon van Prithâ, die zich hebben overgegeven aan de beschutting van Mijn goddelijke natuur, leveren dienst zonder in hun denken af te wijken en weten van de onuitputtelijke oorsprong der schepping. (14) Altijd over Mij zingend en ook vastberaden met Mij ondernemend brengen ze Mij zonder ophouden hun eerbetuigingen in de aanbidding van hun toewijding. (15) Ook kennis cultiverend aanbidden anderen Mij als de eenheid in de diversiteit van de universele vorm. (16) Ik ben het ritueel, de opoffering, de offergave en Ik ben het medicinale kruid, de mantra en ook voorzeker de geklaarde boter, het vuur en de offerande. (17) Van dit universum ben Ik de vader, de moeder, de steunverlener, de grootvader, dat wat er te weten valt, dat wat zuivert, de pranava AUM en zeker de Rig-, Sâma- en de Yayur-Veda. (18) Het doel, de onderhouder, de meester, de getuige, de toevlucht, de meest intieme vriend, de oorsprong, het beëindigen, de grond van het zijn, de rustplaats en het onvergankelijke zaad [ben Ik]. (19) Ik geef warmte, Ik breng en weerhoudt de regen en Ik ben de onsterfelijkheid, de dood en zowel het ware [subtiele] als het onware [grove], Arjuna.

(20) De kenners van de drie Veda's, deze Soma [vermengd met geklaarde boter en gefermenteerd zuur van een klimplant gebruikt door brahmanen]-drinkers die vrij zijn van zonden, aanbidden Me met offers en al biddend voor hun gang naar de hemel - bereiken ze de wereld van Indra [de koning van de hemel] en genieten ze de hemelse genoegens van de goden aldaar. (21) Nadat zij, behagen scheppend in die uitgebreide hemel, de verdienste van hun goede daden hebben uitgeput, vallen ze weer terug in de sterfelijke wereld en komen zij die zingenot verlangen in het volgen van de leerstellingen van de drie Veda's zodoende tot geboorte en dood. (22) Maar van die personen die zich op niets anders concentreren dan op Mij en die in gepaste aanbidding gefixeerd zijn in toewijding, bescherm Ik de eenheid en hen breng Ik wat ze nodig hebben. (23) Alhoewel zij die toegewijden zijn van andere goden eveneens Mij alleen aanbidden, o zoon van Kuntî, aanbidden ze Me op de verkeerde manier. (24) Ik ben zeer zeker van alle offers de genieter en eveneens de heerser; zij die Mij in werkelijkheid niet kennen komen daarom ten val. (25) [Zoals gezegd:] aanbidders van het goddelijke gaan naar de goden, aanbidders van de voorvaderen gaan naar de voorouders, zij die geesten aanbidden gaan naar hen toe en Mijn toegewijden komen naar Mij toe. (26) Wie Mij ook een blad, een bloem, een vrucht en water met toewijding aanbiedt, dat offer vanuit het hart door een ziel van goede gewoonten gebracht aanvaardt Ik. (27) Wat je ook doet, wat je ook eet, wat je ook offert, wat je ook weggeeft of in welke versobering je ook verkeert, doe dat als een offer aan Mij. (28) Op die manier zal je worden verlost van de gunstige en ongunstige gevolgen van de gebondenheid van je karma en bevrijd in het zetten van je geest naar de versobering in deze yoga, zal je Mij bereiken.

(29) Ik ben gelijk voor alle levende wezens, Ik heb aan niemand een hekel en Ik begunstig ook niemand, maar die personen die Mij bovenzinnelijk dienst verlenen in toewijding, zijn in Mij en Ik ben zeker [gedeeltelijk] in hen. (30) Zelfs als iemand die van het grootst mogelijke wangedrag is, bezig is met toegewijde dienst aan Mij zonder af te wijken, wordt hij beschouwd als een heilige daar hij volkomen is in zijn besluit. (31) Zeer spoedig wordt hij rechtgeaard en bereikt hij duurzame vrede, o zoon van Kuntî; zeg dat mijn toegewijde nimmer verloren gaat! (32) En ook in het bijzonder zij die tot Mij hun toevlucht nemen, o zoon van Prithâ, die geboren zijn uit zonde, of een vrouw zijn, of van de handel zijn alsook de arbeiders; zelfs zij zullen de allerhoogste bestemming bereiken. (33) Wat dan, nogmaals, [zou gelden] voor rechtgeaarde brahmanen, toegewijden en heilige heersers die eveneens deze tijdelijke wereld vol misère verwierven - verkeer in liefdevolle dienst jegens Mij. (34) Denk altijd aan Mij, wordt Mijn toegewijde, aanbidt Me en op die manier Mij toegewijd, Mij de eer betuigend, zal je ziel volledig gelijkgericht raken.'


 

Ontleend aan de Bhagavad Gîtâ van Orde gesproken door Anand Aadhar Prabhu