bij het boek de Bhâgavata Purâna

"Het Verhaal van de Fortuinlijke"

door KRISHNA -DVAIPÂYANA VYÂSA

Downloads:
Bekijk de volledige tekstbestanden boek voor boek.

Muziekbestanden
Luister naar MIDI en Audio-bestanden van de devotionele muziek

Afbeeldingen
Bekijk al de afbeeldingen van het boek

Links
Vind de oorspronkelijke tekst en vertaling hoofdstuk voor hoofdstuk en andere links




Afbeeldingen Canto 10 deel 1 - pagina 1 - 2 - 3 - 4

Hoofdstuk 7 - 8 - 9 - 10 - 11 - 12

 

 

Hoofdstuk 7: Krishna Schopt de Kar Omver,
Verslaat Trinâvarta en Toont Yas'odâ het Universum

(8) Alle dames en heren van Vraja met Yas'odâ en Nanda voorop die, bijeengekomen voor de utthâna-ceremonie,
getuige waren van die wonderbaarlijke gebeurtenis, verwonderden zich erover hoe de kar zo maar uit zichzelf dermate in het ongerede was geraakt.  


  (28) Met Hem in een wurggreep puilden de ogen van de demon uit toen
hij stikte en levenloos samen met het kind ter aarde viel.

 

Hoofdstuk 8: De Naam-plechtigheid, Zijn Streken en
Opnieuw het Universum in Zijn Mond

(11) S'rî S'uka zei: 'Op dit dringende verzoek voerde de geleerde man voor de twee jongens in geheime afzondering
de naamgevings-plechtigheid uit waarvoor hij was gekomen.



(30) [Met de potten] buiten Zijn bereik opgehangen vindt Hij er wat op door dingen op te stapelen of een stampvat om te keren en weet Hij de inhoud te bereiken door een gat te maken in de hangende pot. De tijd afwachtend dat de gopî's druk bezig zijn met hun huishoudelijke bezigheden, weet Hij Zijn weg te vinden in een donkere kamer met genoeg licht om te zien van de stralende juwelen op Zijn lichaam!



(40) 'Is dit allemaal een droom, een waanidee van God of misschien een drogbeeld van mijn eigen intelligentie,
of zou anders dat wat ik zie een of ander yogafenomeen zijn eigen aan mijn kind?

 

Hoofdstuk 9: Moeder Yas'odâ Bindt Heer Krishna Vast

(8) Staande bovenop een naar boven gedraaid stampvat deelde Hij, zich verdacht gedragend als een dief, naar Zijn zin aan een aap een portie van het melklekkers uit vanuit een neerhangende pot, terwijl zij, haar zoon van achteren in Zijn activiteiten bespiedend, Hem stapje voor stapje naderde.



(13-14) Er bestaat geen binnen- of buitenkant aan Hem, noch een begin of een einde; Hij, zowel het einde als het begin, de binnenkant zowel als de buitenkant van de ganse schepping, is die Ene Totaliteit van die schepping. Hem, de Ongemanifesteerde in de gedaante van een sterfelijke ziel, voor haar zoontje houdend, bond ze Hem aan een stampvat vast zoals men dat met een normaal kind doet.



Hoofdstuk 10: De Verlossing van de Zoons van Kuvera

(6) Hem ziend was hun aanhang beschaamd en bedekten ze uit angst te worden vervloekt snel met hun kleding de naaktheid van hun lichamen, maar zij, de twee bewakers van Kuvera's schatten [S'iva-guhyaka's] die ook naakt waren deden dat niet.



(28) En op diezelfde plek kwamen vanuit de twee bomen toen schitterend prachtig, aan alle kanten stralend, twee personen als het vuur zelve tevoorschijn, die Krishna met gevouwen handen en het hoofd gebogen hun eerbetuigingen brachten, terwijl ze voor de Heer van de Ganse Wereld volkomen gelouterd het volgende uitbrachten:



Hoofdstuk 11: Een Nieuwe Woonplaats, de Fruitverkoopster
en Vatsâsura en Bakâsura Verslagen

(11) Wat Hij te bieden had was uit de palmen van Zijn handjes op de grond gevallen, maar de fruitdame vulde ze
[niettemin] met vruchten. In ruil vulde zich de gehele mand voor de vruchten zich met goud en juwelen!



(51) Hij met Bakâsura opnieuw in de aanval, ving de snavel van die vriend van Kamsa op met Zijn armen, waarna Hij als de Meester der Waarachtigen in dienst van de bewoners van de hemel, voor ogen van de jongens, die bek uiteenreet met het gemak waarmee men een grassprietje doormidden splijt.



Hoofdstuk 12: Het Einde van de Demon Aghâsura

(3) Met Krishna's eigen kalfjes erbij hadden zich er niet te tellen hoe veel verzameld en samen met hen genoot Hij toen,
opgegaan in hun jongensspelletjes, op uiteenlopende plaatsen [in het woud].



(27) Krishna, die voor alles en iedereen de bron der onbevreesdheid is, stond versteld toen Hij dat zag en betreurde vol mededogen de gang van zaken die zich afspeelde voor Zijn vrienden, die niemand anders dan Hem hadden en nu hulpeloos, aan Zijn controle ontsnapt, als strootjes waren voor het vuur van de buik van Aghâsura, van de dood in eigen persoon.


Kijk voor de © copyright rechten van de individuele schilderijen 
 onderaan het hoofdstuk waar het geplaatst is.





 

 

volgende pagina