Canto
1
Hoofdstuk 13: Dhritarâshthra Gaat van Huis
(1) Sûta zei: "Toen Vidura* rondtrok langs de verschillende bedevaartsoorden, had hij van de grote wijze Maitreya kennis verkregen van de bestemming van het zelf, en door die kennis voldoende op de hoogte van alles wat er te weten viel, keerde hij toen terug naar de stad Hastinâpura. (2) Met al de vragen die hij had gesteld was hij er in het gezelschap van Maitreya in geslaagd onverdeeldheid te ontwikkelen in zijn toewijding voor Govinda, en had hij er verder van afgezien nog meer vragen te stellen. (3-4) Daar arriverend, werd hij, beste brahmanen, verwelkomd door Yudhishthhira en zijn jongere broers, Dhritarâshthra, Sâtyaki en Sañjaya, Kripâcârya, Kuntî, Gândhârî, Draupadî, Subhadrâ, Uttarâ, Kripî, andere vrouwen van de familieleden van de Pândava's en andere dames met hun zonen. (5) Alsof ze uit de dood waren opgewekt kwamen ze hem opgetogen tegemoet om hem met alle respect te ontvangen met omhelzingen en eerbetuigingen. (6) In hun genegenheid lieten ze emotioneel hun tranen de vrije loop vanwege de angsten en het verdriet dat ze gevoeld hadden als gevolg van de scheiding. Koning Yudhishthhira bereidde hem vervolgens een ontvangst hem een zitplaats biedend.
(7) Nadat hij rijkelijk gegeten en gerust had en comfortabel neerzat, boog de koning zich nederig voorover om zich in de aanwezigheid van iedereen tot hem te richten. (8) Hij zei: 'Herinnert u zich hoe we, opgevoed onder uw beschermende vleugels, samen met onze moeder werden gered van verschillende calamiteiten als vergiftiging en brandstichting? (9) Waarmee voorzag u in uw levensonderhoud toen u rondtrok over het oppervlak van de aarde en in welke heilige bedevaartsplaatsen bent u op deze planeet dienstbaar geweest? (10) Toegewijden als uwe goedheid veranderen zelf in heilige plaatsen, o machtige; en met de Hoogste Persoonlijkheid in uw hart, verandert u dan alle plaatsen in pelgrimsoorden. (11) Beste oom, kan u zeggen wat u van onze vrienden en weldoeners gezien of over hen gehoord hebt? Zijn de nakomelingen van Yadu, die met Krishna zo in God opgaan, allen gelukkig met waar ze wonen?
(12) Op die manier door de koning ondervraagd, beschreef hij zoals het hoorde, het ene na het andere onderwerp besprekend, alles wat hij ervaren had, zonder echter de vernietiging van de dynastie te vermelden. (13) Omdat hij ze niet van van streek wilde brengen was hij zo genadig niet uit te weiden over deze in feite zo onverkwikkelijke en onverdraaglijke gang van zaken van de mensheid. (14) Zo bleef de wijze, die behandeld werd met de achting die een god paste, enkele dagen te gast, zodat hij iets voor zijn oudste broer kon betekenen en iedereen er gelukkig mee zou zijn. (15) Zolang Vidura de rol van een s'ûdra [iemand van de arbeidende klasse] speelde, was het Aryamâ** die de straffen zoals ze de zondigen waren toegbemeten voltrok; dit vanwege een honderdjarige vloek van de wijze Mandûka Muni [die onder zijn verantwoordelijkheid onrechtvaardig werd behandeld].
(16) Toen Yudhishthhira had gezien dat er een kleinzoon in de dynastie was geschikt om het koninkrijk te besturen dat hij weer in handen had gekregen, genoot hij samen met zijn bestuurlijk bekwame broers van een leven in grote weelde. (17) De onoverkomelijke, niet waarneembare, eeuwige Tijd overtreft superieur al degenen die onoplettend en vergroofd zijn in de geest der gehechtheid aan familieaangelegenheden. (18) Vidura, die hier weet van had, zei tegen Dhritarâshthra: 'O Koning, trekt u zich alstublieft onverwijld terug uit deze positie, zie toch hoe uw leven door de angst wordt beheerst. (19) In deze materiële wereld is er niets of niemand die deze angst kan afwenden, daar het de Allerhoogste Heer is die zich in de gedaante van de eeuwige Tijd voor een ieder van ons aandient. (20) Onvermijdelijk ten prooi aan de macht van de tijd moet een persoon dit leven, dat een ieder zo dierbaar is, zomaar weer opgeven, om nog maar te zwijgen van de weelde en dergelijke zaken die hij heeft verworven. (21) Met je vader, broer, weldoeners en zoons allen dood, met je leven uitgeblust en je lichaam gebrekkig van de ouderdom, leef je bij iemand anders in huis. (22) Je bent van jongs af aan blind geweest, je hoort niet meer zo goed, je geheugen laat het afweten en recentelijk zijn je tanden los gaan zitten, bezorgt je lever je moeilijkheden en hoest je luidruchtig slijm op. (23) Ach, hoe zeer hecht het levende wezen aan het leven, zozeer zelfs dat jij daardoor, als een hond, de resten eet van de maaltijd achtergelaten door Bhîma [je Pândava neef]. (24) Hoe kan je nu teren op de genade van degenen die je geprobeerd hebt te verbranden, te vergiftigen en wiens vrouw je beledigd hebt terwijl je hun koninkrijk inpalmde? (25) Of je het nu wilt of niet, je zal, hoezeer je ook aan het leven hecht, onder ogen moeten zien hoe dit miserabele lichaam wegkwijnt en uiteenvalt als een oud kledingstuk. (26) Iemand is een moedig en hoogstaand mens als hij, onbezorgd en verlost van alle verplichtingen, inziet dat hij zich naar een onbekend oord moet begeven als hij niet meer naar behoren kan beschikken over zijn lichaam. (27) Een ieder die in deze wereld, naar eigen inzicht of het geleerd hebbend van anderen, tot bewustzijn komt in het ontwaken uit zijn materiële gehechtheid en dan zijn huis verlaat met de Heer gevestigd in zijn hart, is voorzeker een hoogstaand mens. (28) Vertrek daarom alsjeblieft in noordelijke richting zonder je verwanten te zeggen waar je heen gaat, want hierna zal weldra de tijd zich aandienenen waarin de kwaliteiten van de mens in een algeheel verval raken [Kali-yuga].' (29) Na dit gehoord te hebben verbrak de oude koning van de Ajamîdha familie, indachtig de wijsheid van zijn jongere broer Vidura, vastberaden de krachtige banden van de familieliefde en vertrok hij in die richting die is vastgesteld voor de weg der bevrijding. (30) Hij werd gevolgd door de kuise en waardige dochter van koning Subala [Gândhârî] die met haar echtgenoot meeging naar de Himalaya's - de plaats die de verrukking is van hen die de staf der verzaking hebben opgenomen als waren ze vechters die het legitieme van een goed pak slaag accepteren.
(31) Terugkerend naar het paleis, wilde hij die niemand als zijn vijand beschouwde [Yudhishthhira], na de halfgoden aanbeden te hebben met offerandes, eerbetuigingen en giften aan de brahmanen, de ouderen zijn respect betonen, maar kon hij zijn twee ooms en tante Gândhârî niet vinden. (32) Bezorgd wendde hij zich tot Sañjaya de zoon van Gavalgana [de assistent die de blinde Dhritarâshthra het verslag deed van de strijd], en zei tot hem: 'Waar is onze oude, blinde oom? (33) Waar is mijn weldoener Vidura en moeder Gândhârî die in de rouw is over het verlies van haar nakomelingen? Heeft de oude koning, mij ondankbaar vanwege het verlies van zijn zonen, vol van twijfel over mijn aanmatiging, zich in zijn verdriet samen met zijn vrouw verdronken in de Ganges? (34) Na de val van mijn vader koning Pându, waren ze de weldoeners die ons allen, nog maar kleine kinderen, beschermden - waarheen zijn mijn ooms vanhier vertrokken?' "
(35) Sûta zei: "Sañjaya die bezorgd zijn meester niet zag, was van streek over de gescheidenheid, en kon in zijn droefenis geen woord uitbrengen. (36) Zijn tranen van zijn gezicht vegend met zijn handen en met alle macht zijn geest tot bedaren brengend, probeerde hij, met de voeten van zijn meester in gedachten, koning Yudhishthhira antwoord te geven. (37) Sañjaya zei: 'Ik weet niet waartoe uw ooms of Gândhârî besloten hebben, o afstammeling van de Kuru dynastie - o grote Koning, ik ben door deze grote zielen op een dwaalspoor gezet.' (38) Op dat moment verscheen de verheven persoonlijkheid Nârada ten tonele met zijn muziekinstrument en nadat Yudhishthhira en zijn jongere broers van hun zetels waren opgestaan en, de wijze op die manier naar behoren verwelkomend, hun respect hadden betoond, zei de koning: (39) 'O Allerhoogste, ik weet niet in welke richting mijn ooms en mijn ascetische tante die zo bedroefd is over het verlies van haar zoons van hieruit zijn vertrokken. (40) Als een kapitein op een schip in de uitgestrekte oceaan bent u de Heer om ons naar de overkant te helpen'.
Op die manier aangesproken richtte de goddelijke persoonlijkheid Nârada, de grootste onder de wijze filosofen der eeuwigheid, het woord tot hen: (41) 'O Koning, weeklaag nooit, om welke reden dan ook, daar u in de macht verkeert van de Allerhoogste Heer. Alle levende wezens en hun leiders houden om die reden erediensten voor hun bescherming. Hij is degene die allen bijeen brengt en ze ook allen weer uiteendrijft. (42) Zoals een koe met een touw door de neus wordt vastgebonden, wordt men op dezelfde manier door de hymnen en voorschriften van de Veda gebonden zich te houden aan wat het Allerhoogste verlangt. (43) Zoals men in deze wereld naar believen spelbenodigdheden bij elkaar brengt en weer opbergt, vergaat het ook de mensen die onderworpen aan het spel van de Heer worden samengebracht en weer apart komen te staan. (44) Of je nu personen wel of niet als eeuwig [als een ziel] of als tijdelijk [als een lichaam] beschouwt of anders als zijnde beiden [belichaamde zielen] of als geen van beiden [vanwege de Absolute Waarheid die verheven is boven alle kenmerken], onder geen voorwaarde vormen ze een reden tot treurnis; zoiets doet men alleen maar omdat men emotioneel verwikkeld is geraakt of zijn verstand kwijt is. (45) Derhalve, o Koning, geef uw bezorgdheid op die te wijten is aan een gebrek aan zelfkennis, denk er niet steeds aan hoe deze mensen, hulpeloos en ellendig, het zonder u zouden moeten redden. (46) Hoe kan dit lichaam bestaande uit de vijf elementen [vuur, water, lucht, aarde en ether] met dit denken en onderhevig aan de tijd, het resultaatgericht handelen en de materiële geaardheden der natuur [kâla, karma en guna's] anderen nu beschermen als het zelf net zo goed gebeten is door die slang? (47) Zij [de dieren] die geen handen maar poten hebben, zijn overgeleverd aan hen die wel handen hebben [de mensen]; heeft het levende wezen geen ledematen [zoals gras], dan is het overgeleverd aan de vierbenigen [zoals de koeien]; de zwakkere is overgeleverd aan de sterkere en zo houdt het ene levende wezen zich in leven met het andere. (48) Sla daarom enkel acht op de uiterlijke verschijningsvorm van Hem die zich bij de macht der illusie voordoet als een verscheidenheid; Hij o Koning is de Allerhoogste Heer, de Superziel stralend in Zijn eigen licht die zich zowel manifesteert als het subject als het object van de verschillende levende wezens. (49) Die Ongeborene, de Vader van de Schepping, is, 0 Koning nu nedergedaald in deze wereld in een gedaante van de [allesverslindende] Tijd, met de bedoeling een einde te maken aan al de vijanden van de verlichte zielen. (50) Voor de verlichte zielen heeft de Heer volbracht wat moest worden gedaan, de rest valt nog te bezien; jullie kunnen allen tot die tijd, d.w.z. voor zolang Hij nog aanwezig is op aarde, Hem daarin volgen.'
(51) Dhritarâshthra, zijn broer Vidura en zijn vrouw Gândhârî zijn vertrokken naar de zuidelijke zijde van de Himalaya's waar de wijzen hun toevlucht hebben. (52) De plaats staat bekend als Saptasrota [zeven bronnen] omdat de rivier der hemelen [de Svardhunî] daar aan de dag treedt en naar de voldoening van de desbetreffende wijzen zich verdeelt in de zeven stromen die we kennen als haar vertakkingen. (53) Door daar regelmatig te baden, plengoffers in het vuur te doen overeenkomstig de regulerende beginselen en te vasten op enkel water, heeft Dhritarâshthra zijn zinnen en denken geheel in bedwang en is hij aldus verlost van de afhankelijkheid die hij had met zijn familie. (54) Door zithoudingen, adembeheersing en het zich inwaarts keren van de zes zinnen kan men, verzonken in de Heer, de wereldse smetten van de passie, de goedheid en de onwetendheid overwinnen. (55) Door zijn zelf in de wijsheid te laten opgaan en in de wijsheid op te gaan in de zuivere getuigenis heeft hij zich verenigd met het Absolute [brahman], het reservoir van het zuivere zijn, zoals de lucht in een pot zich verenigt met de ruimte erbuiten. (56) Met het eindigen van de materiële geaardheden en het doorbreken van hun effecten, zullen zijn zinnen en denken ermee ophouden zich te voeden als hij, niet gehinderd met het verzaken van alle verplichtingen, zonder zich te bewegen geconcentreerd neerzit. (57) Ik verwacht dat hij zijn lichaam vijf dagen vanaf heden zal verlaten, o Koning, en het tot as zal laten vergaan. (58) Terwijl zij buiten toekijkt hoe het lichaam van haar man met inbegrip van zijn hut [op mystieke wijze] ontvlamt, zal zijn kuise vrouw hem bij vol bewustzijn in het vuur volgen. (59) Vidura, ooggetuige van dat wonderlijke voorval, o zoon van de Kuru-dynastie, zal, in een mengeling van verrukking en verdriet, vandaar vertrekken om zich op een inspirerende pelgrimstocht te begeven.' (60) Na aldus de koning toegesproken te hebben, steeg Nârada samen met zijn snaarinstrument op naar de hemel. Yudhishthhira, zich de instructies ter harte nemend, gaf vervolgens al zijn weeklagen op."
Tweede editie, geladen 25 febr. 2006
Bronteksten:
Dhritarâshthra Gaat van Huis
Sûta zei: "Toen Vidura* rondtrok langs de verschillende bedevaartsoorden, had hij van de grote wijze Maitreya kennis verkregen van de bestemming van het zelf, en door die kennis voldoende op de hoogte van alles wat er te weten viel, keerde hij toen terug naar de stad Hastinâpura.S'rî Sûta Gosvâmî zei: Tijdens een pelgrimstocht ontving Vidura van de grote wijze Maitreya kennis aangaande de bestemming van het zelf, en kwam toen terug naar Hastinâpura, waar hij door en door vertrouwd raakte met dit onderwerp. (Vedabase)
Met al de vragen die hij had gesteld was hij er in het gezelschap van Maitreya in geslaagd onverdeeldheid te ontwikkelen in zijn toewijding voor Govinda, en had hij er verder van afgezien nog meer vragen te stellen.
Na Maitreya Muni van alles gevraagd te hebben en zo in Heer Krishna's bovenzinnelijke liefdedienst verbonden te zijn geraakt, deed Vidura er het zwijgen toe. (Vedabase)
Daar arriverend, werd hij, beste brahmanen, verwelkomd door Yudhishthhira en zijn jongere broers, Dhritarâshthra, Sâtyaki en Sañjaya, Kripâcârya, Kuntî, Gândhârî, Draupadî, Subhadrâ, Uttarâ, Kripî, andere vrouwen van de familieleden van de Pândava's en andere dames met hun zonen.
Toen ze Vidura ten paleize zagen terugkeren, haastten alle bewoners zich verrukt naar hem toe - Mahârâja Yudhishthhira, zijn jongere broers, Dhritarâshthra, Sâtyaki, Sañjaya, Kripâcârya, Kuntî, Gândhârî, Draupadî, Subhadrâ, Uttarâ, Kripî en vele anderen die met de Kaurava's getrouwd waren en andere dames met hun kinderen. Het leek alsof ze na een lange periode van bewusteloosheid weer bij hun positieven waren gekomen. (Vedabase)
Alsof ze uit de dood waren opgewekt kwamen ze hem opgetogen tegemoet om hem met alle respect te ontvangen met omhelzingen en eerbetuigingen.
Hoogst verrukt kwamen ze allen op hem toe, alsof door zijn komst het leven in hun lichaam terugstroomde. Ze wisselden eerbetuigingen uit en begroetten elkaar met omhelzingen. (Vedabase)
In hun genegenheid lieten ze emotioneel hun tranen de vrije loop vanwege de angsten en het verdriet dat ze gevoeld hadden als gevolg van de scheiding. Koning Yudhishthhira bereidde hem vervolgens een ontvangst hem een zitplaats biedend.
Uit benauwenis om hun langdurige gescheidenheid barstten ze van genegenheid allen in tranen uit. Koning Yudhishthhira zag er vervolgens op toe dat Vidura een goede zitplaats en ontvangst werden geboden. (Vedabase)
Nadat hij rijkelijk gegeten en gerust had en comfortabel neerzat, boog de koning zich nederig voorover om zich in de aanwezigheid van iedereen tot hem te richten.
Nadat Vidura rijkelijk gegeten en voldoende gerust had, werd ervoor gezorgd dat hij behaaglijk kwam te zitten. Toen richtte de koning het woord tot hem en alle aanwezigen hoorden toe. (Vedabase)
Hij zei: 'Herinnert u zich hoe we, opgevoed onder uw beschermende vleugels, samen met onze moeder werden gered van verschillende calamiteiten als vergiftiging en brandstichting?
Mahârâja Yudhishthhira zei: Beste oom, weet u nog hoe u ons en onze moeder altijd voor allerlei rampspoed hebt behoed? Uw gevoel voor ons behoedde ons als beschermende vogelvleugels voor vergiftiging en brandstichting. (Vedabase)
Waarmee voorzag u in uw levensonderhoud toen u rondtrok over het oppervlak van de aarde en in welke heilige bedevaartsplaatsen bent u op deze planeet dienstbaar geweest?
Hoe voorzag u tijdens uw reis over het aardrond in uw levensonderhoud? En in welke heilige plaatsen en bedevaartsoorden bood u uw diensten aan? (Vedabase)
Toegewijden als uwe goedheid veranderen zelf in heilige plaatsen, o machtige; en met de Hoogste Persoonlijkheid in uw hart, verandert u dan alle plaatsen in pelgrimsoorden.
O Heer, toegewijden als uwe goedheid zelf zijn waarlijk wandelende bedevaartsoorden in levende lijve. Omdat u de Persoonlijkheid Gods in uw hart omdraagt, verandert u elk oord in een heilige plaats. (Vedabase)
Beste oom, kan u zeggen wat u van onze vrienden en weldoeners gezien of over hen gehoord hebt? Zijn de nakomelingen van Yadu, die met Krishna zo in God opgaan, allen gelukkig met waar ze wonen?
Beste oom, u zult Dvârakâ wel hebben bezocht. In die heilige stad wonen onze vrienden en weldoeners, de telgen van Yadu, die altijd verrukt opgaan in het dienen van Heer S'rî Krishna. U zult ze wel gezien of van ze gehoord hebben. Leven ze allemaal gelukkig in hun woningen? (Vedabase)
Op die manier door de koning ondervraagd, beschreef hij zoals het hoorde, het ene na het andere onderwerp besprekend, alles wat hij ervaren had, zonder echter de vernietiging van de dynastie te vermelden.
Aldus door Mahârâja Yudhishthhira daartoe verzocht, beschreef Mahâtmâ Vidura geleidelijk aan alles wat hij persoonlijk had meegemaakt, behalve de vernietiging van de Yadu-dynastie. (Vedabase)
Omdat hij ze niet van van streek wilde brengen was hij zo genadig niet uit te weiden over deze in feite zo onverkwikkelijke en onverdraaglijke gang van zaken van de mensheid.
Mahâtmâ Vidura, vervuld van mededogen als hij altijd was, kon het niet verdragen de Pândava's verdriet te zien hebben. Daarom liet hij het na hun deze onverkwikkelijke en onverdraaglijke gebeurtenis te ontvouwen, aangezien rampspoed nu eenmaal wel vanzelf verschijnt. (Vedabase)
Zo bleef de wijze, die behandeld werd met de achting die een god paste, enkele dagen te gast, zodat hij iets voor zijn oudste broer kon betekenen en iedereen er gelukkig mee zou zijn.
Zo verbleef Mahâtmâ Vidura daar enige tijd, door zijn familie als een god bejegend, teneinde zijn oudste broer tevreden te stemmen en alle anderen hierdoor geluk te schenken. (Vedabase)
Zolang Vidura de rol van een s'ûdra [iemand van de arbeidende klasse] speelde, was het Aryamâ** die de straffen zoals ze de zondigen waren toegbemeten voltrok; dit vanwege een honderdjarige vloek van de wijze Mandûka Muni [die onder zijn verantwoordelijkheid onrechtvaardig werd behandeld].
Gedurende de tijd dat Vidura als gevolg van de vloek van Mandûka Muni de rol van s'ûdra speelde, vervulde Aryamâ de funktie van Yamarâja: het straffen van degenen die zonden hadden bedreven. (Vedabase)
Toen Yudhishthhira had gezien dat er een kleinzoon in de dynastie was geschikt om het koninkrijk te besturen dat hij weer in handen had gekregen, genoot hij samen met zijn bestuurlijk bekwame broers van een leven in grote weelde.
Nadat hij zijn koninkrijk verkregen had en de geboorte van een kleinzoon had meegemaakt die bekwaam was om de nobele familietraditie voort te zetten, regeerde Mahârâja Yudhishthhira in vrede en genoot van ongewone weelde in samenwerking met zijn jongere broers, die allen bekwame bestuurders waren van het gewone volk. (Vedabase)
De onoverkomelijke, niet waarneembare, eeuwige Tijd overtreft superieur al degenen die onoplettend en vergroofd zijn in de geest der gehechtheid aan familieaangelegenheden.
De onweerhoudbare, eeuwige tijd overweldigt onmerkbaar degenen die zich te zeer in huiselijke aangelegenheden verliezen en altijd in gedachten dienaangaande opgaan. (Vedabase)
Vidura, die hier weet van had, zei tegen Dhritarâshthra: 'O Koning, trekt u zich alstublieft onverwijld terug uit deze positie, zie toch hoe uw leven door de angst wordt beheerst.
Mahâtmâ Vidura wist dit allemaal en richtte zich daarom tot Dhritarâshthra met de woorden: Mijn waarde vorst, ga alsjeblieft onmiddellijk van hier. Draal niet. Zie slechts hoe de vree zich van je meester heeft gemaakt. (Vedabase)
In deze materiële wereld is er niets of niemand die deze angst kan afwenden, daar het de Allerhoogste Heer is die zich in de gedaante van de eeuwige Tijd voor een ieder van ons aandient.
Niemand in deze stoffelijke wereld vermag deze reële toestand af te wenden. Mijn heer, het is de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, die thans tot ons genaderd is in de gedaante van de eeuwige Tijd [kâla]. (Vedabase)
Onvermijdelijk ten prooi aan de macht van de tijd moet een persoon dit leven, dat een ieder zo dierbaar is, zomaar weer opgeven, om nog maar te zwijgen van de weelde en dergelijke zaken die hij heeft verworven.
Al wie onder invloed staat van de opper-kâla [eeuwige tijd] dient zijn leven prijs te geven, dat hem zo dierbaar is, gezwegen nog van al het andere, zoals bezit, faam, kinderen, huis en grond. (Vedabase)
Met je vader, broer, weldoeners en zoons allen dood, met je leven uitgeblust en je lichaam gebrekkig van de ouderdom, leef je bij iemand anders in huis.
Je vader, broer, weldoeners en zoons zijn allen van je heengegaan en dood. Je hebt zelf het grootste deel van je leven verbruikt en wordt thans door ouderdom overvleugeld, terwijl je in andermans huis woont. (Vedabase)
Je bent van jongs af aan blind geweest, je hoort niet meer zo goed, je geheugen laat het afweten en recentelijk zijn je tanden los gaan zitten, bezorgt je lever je moeilijkheden en hoest je luidruchtig slijm op.
Je bent blind vanaf je geboorte en de laatste tijd ben je ook hardhorend geworden. Je geheugen wordt zwak en je verstand is in de war. Je tanden en kiezen zitten los, je lever werkt niet goed meer en je hoest slijm op. (Vedabase)
Ach, hoe zeer hecht het levende wezen aan het leven, zozeer zelfs dat jij daardoor, als een hond, de resten eet van de maaltijd achtergelaten door Bhîma [je Pândava neef].
Helaas, hoe hevig hoopt het levend wezen zijn bestaan te kunnen rekken. Je lijkt waarachtig wel een huishond, die de voedselresten opeet die Bhîma je geeft. (Vedabase)
Hoe kan je nu teren op de genade van degenen die je geprobeerd hebt te verbranden, te vergiftigen en wiens vrouw je beledigd hebt terwijl je hun koninkrijk inpalmde?
Het is nergens voor nodig een verworden bestaan te leiden en op de barmhartigheid te teren van degenen die je door brandstichting en vergiftiging hebt proberen te doden. Ook heb je hun echtgenote onteerd en je van hun koninkrijk en rijkdom meester gemaakt. (Vedabase)
Of je het nu wilt of niet, je zal, hoezeer je ook aan het leven hecht, onder ogen moeten zien hoe dit miserabele lichaam wegkwijnt en uiteenvalt als een oud kledingstuk.
Ook al wil je niet sterven en ook al begeer je zelfs ten koste van naam en faam in leven te blijven, toch zal je hebzuchtig lijf beslist opslijten als een oud kledingstuk. (Vedabase)
Iemand is een moedig en hoogstaand mens als hij, onbezorgd en verlost van alle verplichtingen, inziet dat hij zich naar een onbekend oord moet begeven als hij niet meer naar behoren kan beschikken over zijn lichaam.
Onverstoord is hij die naar een verre, onbekende plek gaat en er, van alle verplichtingen vrij, dit nutteloos geworden stoffelijke lichaam verlaat. (Vedabase)
Een ieder die in deze wereld, naar eigen inzicht of het geleerd hebbend van anderen, tot bewustzijn komt in het ontwaken uit zijn materiële gehechtheid en dan zijn huis verlaat met de Heer gevestigd in zijn hart, is voorzeker een hoogstaand mens.
Een mens van de eerste orde is waarlijk hij die door toedoen van zichzelf of anderen oog krijgt voor de valsheid en ellende van deze stoffelijke wereld en door dit inzicht bewogen van huis gaat, waarbij hij zich geheel verlaat op de Persoonlijkheid Gods, die in het hart woont. (Vedabase)
Vertrek daarom alsjeblieft in noordelijke richting zonder je verwanten te zeggen waar je heen gaat, want hierna zal weldra de tijd zich aandienenen waarin de kwaliteiten van de mens in een algeheel verval raken [Kali-yuga].'
Vertrek daarom alsjeblieft meteen naar het noorden zonder je familie erin te kennen, want weldra komt de tijd waarin de mensen hun goede eigenschappen zullen zien verminderen. (Vedabase)
Na dit gehoord te hebben verbrak de oude koning van de Ajamîdha familie, indachtig de wijsheid van zijn jongere broer Vidura, vastberaden de krachtige banden van de familieliefde en vertrok hij in die richting die is vastgesteld voor de weg der bevrijding.
Hierop verbrak Mahârâja Dhritarâshthra, telg van het geslacht van Ajamîdha, door innerlijke kennis [prajñâ] vast overtuigd, onmiddellijk door een ferm besluit het hechte netwerk van zijn familieliefde. Zo ging hij dadelijk van huis om zich op het pad der bevrijding te begeven, zoals zijn jongste broer Vidura het hem gewezen had. (Vedabase)
Hij werd gevolgd door de kuise en waardige dochter van koning Subala [Gândhârî] die met haar echtgenoot meeging naar de Himalaya's - de plaats die de verrukking is van hen die de staf der verzaking hebben opgenomen als waren ze vechters die het legitieme van een goed pak slaag accepteren.
Gândhârî, de dochter van Koning Subala van Kandahar [of Gândhâra], volgde haar echtgenoot toen ze zag dat hij op weg ging naar de Himalaya, die het hart verrukt van allen die de staf van de wereldverzakende levensorde hebben ontvangen als krijgers die van de vijand een flink pak slaag ontvangen hebben. (Vedabase)
Terugkerend naar het paleis, wilde hij die niemand als zijn vijand beschouwde [Yudhishthhira], na de halfgoden aanbeden te hebben met offerandes, eerbetuigingen en giften aan de brahmanen, de ouderen zijn respect betonen, maar kon hij zijn twee ooms en tante Gândhârî niet vinden.
Mahârâja Yudhishthhira, wiens eerste vijand nog geboren moest worden, kweet zich van zijn ochtendplichten met gebed, een vuuroffer aan de zonnegod en het brengen van eerbetuigingen aan de brâhmana's met gaven van graan, koeien, grond en goud. Vervolgens ging hij het paleis in om zijn oudere familieleden zijn respect te betuigen. Hij kon echter zijn oom en tante, de dochter van Koning Subala, nergens vinden. (Vedabase)
Bezorgd wendde hij zich tot Sañjaya de zoon van Gavalgana [de assistent die de blinde Dhritarâshthra het verslag deed van de strijd], en zei tot hem: 'Waar is onze oude, blinde oom?
Gespannen wendde Mahârâja Yudhishthhira zich tot Sañjaya, die daar zat en vroeg: O, Sañjaya, waar bevindt zich onze oom, die oud en blind is? (Vedabase)
Waar is mijn weldoener Vidura en moeder Gândhârî die in de rouw is over het verlies van haar nakomelingen? Heeft de oude koning, mij ondankbaar vanwege het verlies van zijn zonen, vol van twijfel over mijn aanmatiging, zich in zijn verdriet samen met zijn vrouw verdronken in de Ganges?
Waar is mijn weldoener, oom Vidura, en waar is moeder Gândhârî, die zo bedroefd is wegens het verlies van al haar zoons? Ook mijn oom Dhritarâshthra was door het heengaan van al zijn zoons en kleinzoons volkomen verslagen. Ik ben ongetwijfeld uiterst ondankbaar. Heeft hij zich mijn overtredingen tegen hem erg aangetrokken en zich samen met zijn echtgenote in de Ganges verdronken? (Vedabase)
Na de val van mijn vader koning Pându, waren ze de weldoeners die ons allen, nog maar kleine kinderen, beschermden - waarheen zijn mijn ooms vanhier vertrokken?'
Toen mijn vader Pându ons terwijl we nog heel klein waren ontviel, beschermden deze twee ooms ons voor allerlei rampspoed. Ze hadden altijd het allerbeste met ons voor. Helaas, waar zijn ze vanhier naar toe gegaan? (Vedabase)
Sûta zei: "Sañjaya die bezorgd zijn meester niet zag, was van streek over de gescheidenheid, en kon in zijn droefenis geen woord uitbrengen.
Sûta Gosvâmî sprak: Sañjaya, die zelf zijn meester, Dhritarâshthra, nergens meer gezien had, wist uit mededogen om diens verdriet en ontreddering niets zinnigs tot Mahârâja Yudhishthhira te zeggen. (Vedabase)
Zijn tranen van zijn gezicht vegend met zijn handen en met alle macht zijn geest tot bedaren brengend, probeerde hij, met de voeten van zijn meester in gedachten, koning Yudhishthhira antwoord te geven.
Eerst bracht hij door gebruikmaking van zijn verstand langzaam zijn geest tot rust en daarna zijn tranen wegwissend en met zijn gedachten op de voeten van zijn meester Dhritarâshthra gericht, wendde hij zich als volgt tot Mahârâja Yudhishthhira. (Vedabase)
Sañjaya zei: 'Ik weet niet waartoe uw ooms of Gândhârî besloten hebben, o afstammeling van de Kuru dynastie - o grote Koning, ik ben door deze grote zielen op een dwaalspoor gezet.'
Sañjaya zei: Dierbare telg van het geslacht Kuru, ik beschik niet over gegevens aangaande de bedoelingen van uw twee ooms en Gândhârî. O koning, deze grote zielen hebben me een streek geleverd. (Vedabase)
Op dat moment verscheen de verheven persoonlijkheid Nârada ten tonele met zijn muziekinstrument en nadat Yudhishthhira en zijn jongere broers van hun zetels waren opgestaan en, de wijze op die manier naar behoren verwelkomend, hun respect hadden betoond, zei de koning:
Terwijl Sañjaya sprak, verscheen S'rî Nârada, de machtige toegewijde van de Heer, ten tonele. Mahârâja Yudhishthhira en Sañjaya verwelkomden hem naar behoren door van hun zetels op te staan en hem hun eerbetuigingen te brengen. (Vedabase)
'O Allerhoogste, ik weet niet in welke richting mijn ooms en mijn ascetische tante die zo bedroefd is over het verlies van haar zoons van hieruit zijn vertrokken.
Mahârâja Yudhishthhira zei: O goddelijke persoonlijkheid, ik weet niet waarheen mijn beide ooms vertrokken zijn. Noch kan ik mijn asketische tante, die zo'n verdriet lijdt om het verlies van haar zoons, nog ergens vinden. (Vedabase)
Als een kapitein op een schip in de uitgestrekte oceaan bent u de Heer om ons naar de overkant te helpen.' Op die manier aangesproken richtte de goddelijke persoonlijkheid Nârada, de grootste onder de wijze filosofen der eeuwigheid, het woord tot hen:
U bent als de kapitein van een schip op de wijde oceaan en kunt ons naar onze bestemming brengen. Aldus toegesproken, sprak de goddelijke persoon Devarshi Nârada, de grootste der toegewijde filosofen, de volgende woorden. (Vedabase)
'O Koning, weeklaag nooit, om welke reden dan ook, daar u in de macht verkeert van de Allerhoogste Heer. Alle levende wezens en hun leiders houden om die reden erediensten voor hun bescherming. Hij is degene die allen bijeen brengt en ze ook allen weer uiteendrijft.
S'rî Nârada zei: O vrome Koning, treur om niemand, want iedereen staat onder de heerschappij van de Allerhoogste. Alle levende wezens en hun leiders gaan daarom voort met verering opdat zij goed beschermd worden. Hij alleen brengt ze bij elkaar en Hij alleen doet ze uiteen gaan. (Vedabase)
Zoals een koe met een touw door de neus wordt vastgebonden, wordt men op dezelfde manier door de hymnen en voorschriften van de Veda gebonden zich te houden aan wat het Allerhoogste verlangt.
Zoals een koe gebonden wordt door een lang touw door haar neus, worden de menselijke wezens door verschillende Vedische voorschriften gebonden en gekonditioneerd tot gehoorzaamheid aan de bevelen van de Allerhoogste. (Vedabase)
Zoals men in deze wereld naar believen spelbenodigdheden bij elkaar brengt en weer opbergt, vergaat het ook de mensen die onderworpen aan het spel van de Heer worden samengebracht en weer apart komen te staan.
Zoals een speler precies zoals het hem uitkomt zijn spelattributen arrangeert of uit elkaar haalt, brengt 's Heren opperwil mensen bijeen en scheidt ze van elkaar. (Vedabase)
Of je nu personen wel of niet als eeuwig [als een ziel] of als tijdelijk [als een lichaam] beschouwt of anders als zijnde beiden [belichaamde zielen] of als geen van beiden [vanwege de Absolute Waarheid die verheven is boven alle kenmerken], onder geen voorwaarde vormen ze een reden tot treurnis; zoiets doet men alleen maar omdat men emotioneel verwikkeld is geraakt of zijn verstand kwijt is.
O koning, of u de ziel nu als een eeuwig beginsel beschouwt, of het stoffelijk lichaam als vergankelijk, of alles als bestaande in de onpersoonlijke Absolute Waarheid, of alles als een onverklaarbaar samengaan van stof en geest, - in alle omstandigheden zijn gevoelens van gescheidenheid slechts te wijten aan valse genegenheid en anders niet. (Vedabase)
Derhalve, o Koning, geef uw bezorgdheid op die te wijten is aan een gebrek aan zelfkennis, denk er niet steeds aan hoe deze mensen, hulpeloos en ellendig, het zonder u zouden moeten redden.
Laat daarom uw bezorgdheid varen, die voortkomt uit onwetendheid aangaande het zelf. Want u vraagt u af hoe deze arme, hulpeloze schepsels zonder u in leven kunnen blijven. (Vedabase)
Hoe kan dit lichaam bestaande uit de vijf elementen [vuur, water, lucht, aarde en ether] met dit denken en onderhevig aan de tijd, het resultaatgericht handelen en de materiële geaardheden der natuur [kâla, karma en guna's] anderen nu beschermen als het zelf net zo goed gebeten is door die slang?
Dit grofstoffelijke lichaam, bestaande uit de vijf elementen, is al in de macht van de eeuwige tijd [kâla], aktiviteit [karma] en de geaardheden der stoffelijke natuur [guna]. Als het zich dus al in de kaken van de slang bevindt, hoe kan het dan anderen beschermen? (Vedabase)
Zij [de dieren] die geen handen maar poten hebben, zijn overgeleverd aan hen die wel handen hebben [de mensen]; heeft het levende wezen geen ledematen [zoals gras], dan is het overgeleverd aan de vierbenigen [zoals de koeien]; de zwakkere is overgeleverd aan de sterkere en zo houdt het ene levende wezen zich in leven met het andere.
Degenen die geen klauwen hebben zijn de prooi van degenen die klauwen hebben; degenen die geen poten hebben zijn de prooi van degenen die poten hebben. De zwakken vormen het levensonderhoud van de sterken, en de stelregel is dat het ene levend wezen het andere tot voedsel dient. (Vedabase)
Sla daarom enkel acht op de uiterlijke verschijningsvorm van Hem die zich bij de macht der illusie voordoet als een verscheidenheid; Hij o Koning is de Allerhoogste Heer, de Superziel stralend in Zijn eigen licht die zich zowel manifesteert als het subject als het object van de verschillende levende wezens.
Daarom, o koning, dient u slechts acht te slaan op de Opperheer, die Zijn gelijke niet kent en Zich door verschillende energieën openbaart en zowel binnen als buiten is. (Vedabase)
Die Ongeborene, de Vader van de Schepping, is, 0 Koning nu nedergedaald in deze wereld in een gedaante van de [allesverslindende] Tijd, met de bedoeling een einde te maken aan al de vijanden van de verlichte zielen.
Die Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, Heer S'rî Krishna, is thans vermomd als de alles-verslindende tijd [kâla-rûpa] neergedaald om de afgunstigen van de aardbodem weg te vagen. (Vedabase)
Voor de verlichte zielen heeft de Heer volbracht wat moest worden gedaan, de rest valt nog te bezien; jullie kunnen allen tot die tijd, d.w.z. voor zolang Hij nog aanwezig is op aarde, Hem daarin volgen.'
De Heer heeft reeds Zijn plicht om de halfgoden te helpen vervuld en wacht nu verder af. Jullie Pândava's mogen hier op aarde even lang wachten als de Heer hier zal blijven. (Vedabase)
Dhritarâshthra, zijn broer Vidura en zijn vrouw Gândhârî zijn vertrokken naar de zuidelijke zijde van de Himalaya's waar de wijzen hun toevlucht hebben.
O koning, uw oom Dhritarâshthra, zijn broer Vidura en zijn vrouw Gândhârî zijn naar de zuidkant van de Himalaya getrokken, waar de grote wijzen hun toevlucht hebben gezocht. (Vedabase)
De plaats staat bekend als Saptasrota [zeven bronnen] omdat de rivier der hemelen [de Svardhunî] daar aan de dag treedt en naar de voldoening van de desbetreffende wijzen zich verdeelt in de zeven stromen die we kennen als haar vertakkingen.
Het heet daar Saptasrota [verdeeld in zeven], omdat de heilige Ganges zich daar in zeven stromen vertakt, en wel voor het genoegen van de zeven grote rishi's. (Vedabase)
Door daar regelmatig te baden, plengoffers in het vuur te doen overeenkomstig de regulerende beginselen en te vasten op enkel water, heeft Dhritarâshthra zijn zinnen en denken geheel in bedwang en is hij aldus verlost van de afhankelijkheid die hij had met zijn familie.
Aan de Ganges-oever te Saptasrota begint Dhritarâshthra thans met ashthânga-yogadoor driemaal daags - 's ochtends, 's middags en 's avonds - te baden en door het agnihotra-offer te brengen, met vuur, en door slechts water te drinken. Dit helpt de geest en de zinnen beteugelen en laat de gedachten aan geliefde familieleden volkomen vervluchtigen. (Vedabase)
Door zithoudingen, adembeheersing en het zich inwaarts keren van de zes zinnen kan men, verzonken in de Heer, de wereldse smetten van de passie, de goedheid en de onwetendheid overwinnen.
Wie de zithoudingen en de ademhaling beheerst kan de zinnen op de Absolute Persoonlijkheid Gods richten en zo immuun worden voor de besmetting van de geaardheden der stoffelijke natuur, namelijk wereldse goedheid, hartstocht en onwetendheid. (Vedabase)
Door zijn zelf in de wijsheid te laten opgaan en in de wijsheid op te gaan in de zuivere getuigenis heeft hij zich verenigd met het Absolute [brahman], het reservoir van het zuivere zijn, zoals de lucht in een pot zich verenigt met de ruimte erbuiten.
Dhritarâshthra zal zijn zuivere identiteit met intelligentie dienen te versmelten en dan met kennis aangaande zijn kwalitatieve eenheid als levend wezen met het Allerhoogste Brahman in het Opperwezen opgaan. Bevrijd uit de afgesloten ruimte, zal hij naar de geestelijke hemel moeten opstijgen. (Vedabase)
Met het eindigen van de materiële geaardheden en het doorbreken van hun effecten, zullen zijn zinnen en denken ermee ophouden zich te voeden als hij, niet gehinderd met het verzaken van alle verplichtingen, zonder zich te bewegen geconcentreerd neerzit.
Hij zal alle aktiviteit van de zinnen, zelfs van buiten naar binnen, moeten opheffen en zich niets aantrekken van hun wisselwerking, die door de geaardheden der natuur beïnvloed wordt. Nadat hij al zijn materiële plichten van zich afgelegd heeft, zal hij onaangedaan moeten worden in het aangezicht van elke oorzaak van belemmeringen op het pad. (Vedabase)
Ik verwacht dat hij zijn lichaam vijf dagen vanaf heden zal verlaten, o Koning, en het tot as zal laten vergaan.
O koning, hij zal zijn lichaam hoogstwaarschijnlijk vandaag over vijf dagen verlaten, waarbij het tot as vergaan zal. (Vedabase)
Terwijl zij buiten toekijkt hoe het lichaam van haar man met inbegrip van zijn hut [op mystieke wijze] ontvlamt, zal zijn kuise vrouw hem bij vol bewustzijn in het vuur volgen.
Terwijl ze buiten zal toezien hoe haar echtgenoot door zijn mystiek vermogen tezamen met zijn strohut in vlammen opgaat, zal zijn kuise vrouw met gespannen aandacht het vuur in treden. (Vedabase)
Vidura, ooggetuige van dat wonderlijke voorval, o zoon van de Kuru-dynastie, zal, in een mengeling van verrukking en verdriet, vandaar vertrekken om zich op een inspirerende pelgrimstocht te begeven.'
Zowel door verrukking als droefenis beroerd, zal Vidura uit dat heilige pelgrimsoord weggaan. (Vedabase)
Na aldus de koning toegesproken te hebben, steeg Nârada samen met zijn snaarinstrument op naar de hemel. Yudhishthhira, zich de instructies ter harte nemend, gaf vervolgens al zijn weeklagen op."
Nadat hij aldus gesproken had, steeg de grote wijze Nârada met zijn vînâ op in het hemelruim. Yudhishthhira bewaarde zijn onderricht in zijn hart en wist zo alle verdriet uit te bannen. (Vedabase)
*: Vidura is een jongere broer van Dhritarâshthra. Hij werd als een s'ûdra, een arbeider, geboren omdat hij door Vyâsa werd verwekt bij een dienstmaagd van de moeder van Pându.
**: Aryamâ is een zoon van Aditi en Kas'yapa, die Yamarâja, de Heer der bestraffingen vertegenwoordigt. Vidura wordt gezien als zijn s'ûdra-incarnatie.
![]()
Voor
deze oorspronkelijke vertaling is een alles-in-een band exemplaar
met uitgebreid commentaar gebruikt.
ISBN: o-91277-27-7
Zie de
S'rîmad Bhâgavatam
linkspagina
voor een download van dit boek en andere boeken van
Prabhupâda.
De afbeelding op deze pagina is van Jadurani
Devî Dâsî
Productie: de Filognostische
Associatie
van De
Orde van de Tijd
Feed-back | Links | Downloads | Muziek | Afbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties