regelbalk    

 

Canto 1

Nrisimha Pranâma

 

Hoofdstuk 6: Het Gesprek van Nârada met Vyâsadeva

(1) Sûta zei: "Aldus over de geboorte en handelingen van de grote wijze onder de goden vernemend, vroeg de wijze Vyâsadeva, de zoon van Satyavatî, hem: (2) 'Nadat de grote toegewijden die u instructie gaven over de transcendentale wijsheid vertrokken, wat deed u voordat uw huidige leven een aanvang nam? (3) Wat waren de omstandigheden waaronder u verkeerde, van het leven dat u doorbracht na deze inwijding en hoe bent u, na de nodige tijd, tot dit lichaam gekomen? (4) Hoe kon u, o grote wijze, zich dit zo in detail herinneren uit een voorgaand tijdperk, aangezien de tijd op den duur aan alles een eind maakt.'

(5) S'rî Nârada zei: 'De grote wijzen gaven me de transcendentale kennis die ik op het ogenblik heb en in mijn voorgaande leven moest ik ernaar leven toen ze waren vertrokken. (6) Mijn moeder, van wie ik de enige zoon was, was, als dienstmaagd een eenvoudige vrouw zijnd, aan mij, haar nageslacht, gebonden door haar affectie terwijl ze geen ander alternatief voor haar bescherming had. (7) Hoewel ze naar behoren voor me wilde zorgen, kon ze, afhankelijk als een pop aan een touwtje als ze was, dat niet. (8) Toen ik het onderricht volgde van de geleerden, leefde ik, nog maar vijf jaar oud, in afhankelijkheid van haar, zonder ervaring te hebben met de bepaaldheid van de tijd of het land waarin we leefden. (9) Toen ze op een avond naar buiten ging om een koe te melken, werd ze door een slang in haar been gebeten en viel ze de hoogmogende tijd ten offer. (10) Ik vatte het op als een zegening van de Heer die Zijn toegewijden altijd het beste wenst, en op die manier denkend, ging ik op weg naar het noorden. (11) Daar trof ik vele bloeiende grote en kleine steden en dorpen aan met boerderijen, akkers en mijnbouwgebieden in valleien met bloementuinen, moestuinen en wouden. (12) Ik zag heuvels en bergen vol met goud, zilver en koper en olifanten die takken van de bomen trokken nabij meren en vijvers vol met de lotusbloemen waar de bewoners van de hemel zo prijs op stellen - en mijn hart was verblijd met de vogels en het grote aantal rondvliegende bijen. (13) Ik kwam door struikgewas van bamboe, scherp gras en onkruid, ging door moeilijk begaanbare grotten en bereikte diepe en gevaarlijke wouden waar slangen, uilen en jakhalzen vrij spel hadden. (14) Lichamelijk en geestelijk vermoeid, nam ik, hongerig en dorstig, een bad en dronk ik water, in het meer van een rivier daarmee van mijn vermoeidheid herstellend. (15) In dat onbewoonde woud zocht ik beschutting onder een banyanboom en mediteerde ik, intelligent mijn toevlucht zoekend in de Superziel van binnen, zoals ik had geleerd van de bevrijde zielen. (16) Zo op de lotusvoeten van de Hoogste Persoonlijkheid mediterend, transformeerde al mijn denken, voelen en willen zich in bovenzinnelijke liefde en zo vol van ijver, rolden de tranen uit mijn ogen toen ik de Heer direct in mijn hart zag verschijnen. (17) Volledig overmand door een overmaat aan liefde en opgaand in geluksgevoelens over mijn hele lichaam kon ik, o wijze, volledig verzonken als ik was in een oceaan van vervoering, Hem en mezelf niet meer van elkaar onderscheiden. (18) Zonder daarna nog langer de vorm van de Heer, die alle strijdigheid uit de geest wegneemt, te zien, stond ik plotsklaps op, verstoord als ik was als iemand die iets begerenswaardigs heeft verloren. (19) Ernaar verlangend dat opnieuw te ervaren zag ik, met het denken op het hart gericht, Hem ondanks mijn afwachten niet en raakte ik zeer neerslachtig, gefrustreerd als ik was op die manier. (20) Aldus op die eenzame plek pogend, hoorde ik dat van gene zijde, ernstige en aangename woorden tot me werden gesproken die mijn treurnis deden afnemen: (21) 'Luister eens, voor de duur van je leven zal je het zicht op Mij hier niet deelachtig zijn, daar het moeilijk is dat zicht te verkrijgen als men, onvolwassen met onzuiverheden, schuldig blijft in de vereniging. (22) Die gedaante werd slechts een enkele keer getoond om je verlangen op te wekken, o deugdzame, omdat door het toenemen van het verlangen van de toegewijde, het vastzitten in de slaperigheid weg zal vallen. (23) Met het zelfs maar voor enkele dagen van dienst zijn aan het Absolute een gefixeerde intelligentie jegens Mij hebben bereikt, zal men, met het opgegeven hebben van het mismoedige van deze wereld, zijn schreden richten naar en deel uitmaken van Mijn metgezellen. (24) Intelligentie op deze manier betrokken in toewijding kan nooit van Mij gescheiden worden daar, of levende wezens nu in wording zijn of aan het verdwijnen zijn, hun herinnering zich door Mijn genade zal voortzetten.'

(25) Na op die manier te hebben gesproken, stopte dat grootse en wonderbaarlijke geluid van de Hoogste autoriteit en boog ik, begunstigd als ik was, mijn hoofd in eerbetoon voor het grote en verheerlijkte. (26) Vrij van formaliteiten de heilige naam van de Onbegrensde beoefenend en in de constante heugenis van Zijn mysterieuze en zegenende activiteiten verkerend, bereisde ik, bevrijd en tevreden de wereld, in alle bescheidenheid zonder afgunst mijn tijd afwachtend. (27) Op die manier verzonken in Krishna en vrij van alle gehechtheid aan de materiële wereld, o Vyâsadeva, kwam na de nodige tijd de dood tot me, zo natuurlijk als de bliksem vergezeld gaat van een flits. (28) Beloond met dat bovenzinnelijk lichaam een metgezel van de Heer waardig, verliet ik het lichaam samengesteld uit de vijf elementen, toen ik zag dat mijn verworven karma tot een einde was gekomen. (29) Na het einde van het tijdperk, nam de Heer die zich neer had gelegd in de wateren der vernietiging mij, met de schepper en al, op in Zijn ademhaling. (30) Een duizend tijdperken later, toen de schepper weer werd uitgeademd, verscheen ik weerom tezamen met alle andere rishi's zoals Marîci. (31) Trouw aan de gelofte zowel in de drie werelden als erboven rondreizend, ben ik, vanwege de genade van Mahâ-Vishnu, er vrij in te gaan daar en wanneer ik maar wil. (32) Op deze manier beweeg ik me, onder het voortdurend bezingen van de boodschap van de Heer de bovenzinnelijk geladen vînâ bespelend waarmee de Godheid me heeft onderscheiden. (33) Zo zingend verschijnt spoedig het aangezicht van de Heer van de lotusvoeten over wiens handelingen men met genoegen verneemt, in de zetel van mijn hart alsof ik Hem zou kunnen gebieden. (34) Ik kwam tot het inzicht dat voor diegenen die vol zorgen zijn in hun verlangen naar de objecten van hun zintuigen, er een boot is om de oceaan van materiële onwetendheid over te steken: het herhaaldelijk reciteren van de glorie van de Heer. (35) Verlangen en lust telkens ondervangen door de discipline van de yoga zal voor de ziel zeker niet zo bevredigend zijn als de dienst aan de Persoonlijkheid van God. (36) Ik beschreef voor jou, die zonder zonden bent, dit alles over mijn geboorte en activiteiten, voor de voldoening van zowel jouw als mijn eigen ziel'."

(37) Sûta zei: "Na aldus de machtige wijze toe te hebben gesproken, nam Nârada Muni afscheid van de zoon van Satyavatî en vertrok hij onder het beroeren van zijn bekoorlijke vînâ, naar waar dan ook. (38) Alle glorie en succes zij de wijze der goden toegewenst die er behagen in schept de heerlijkheden van de Persoonlijkheid van God te bezingen en met behulp van zijn instrument het lijdende universum tot leven te wekken".

                       

 
Tweede editie, geladen 5 febr. 2006.   

 

 

 

Bronteksten

Nârada spreekt met Vyâsadeva:

 

Tekst 1

Sûta zei: " Aldus over de geboorte en handelingen van de grote wijze onder de goden vernemend, vroeg de wijze Vyâsadeva, de zoon van Satyavatî, hem:

Sûta sprak: O brâhmana's, toen Vyâsadeva, de inkarnatie Gods en zoon van Satyavatî, aldus van S'rî Nârada's geboorte en activiteiten vernam, stelde hij hem de volgende vragen. (Vedabase)

 

Tekst 2

'Nadat de grote toegewijden die u instructie gaven over de transcendentale wijsheid vertrokken, wat deed u voordat uw huidige leven een aanvang nam?

S'rî Vyâsadeva sprak: Wat deed u nadat de grote wijzen waren weggegaan, die u voor de aanvang van uw huidige leven in de bovenzinnelijke wetenschap hadden onderricht? (Vedabase)

 

Tekst 3

Wat waren de omstandigheden waaronder u verkeerde, van het leven dat u doorbracht na deze inwijding en hoe bent u, na de nodige tijd, tot dit lichaam gekomen?

O grote wijze, de tijd vernietigt alles wanneer het uur dáár is, dus hoe komt het dan dat deze hele geschiedenis, die zich vóór deze dag van Brahmâ afspeelde, u nog vers in het gehuegen ligt, onberoerd door de tijd? (Vedabase)

 

Tekst 4

Hoe kon u, o grote wijze, zich dit zo in detail herinneren uit een voorgaand tijdperk, aangezien de tijd op den duur aan alles een eind maakt.'

O grote wijze, de tijd vernietigt alles wanneer het uur dáár is, dus hoe komt het dan dat deze hele geschiedenis, die zich vóór deze dag van Brahmâ afspeelde, u nog vers in het gehuegen ligt, onberoerd door de tijd? (Vedabase)

 

Tekst 5

S'rî Nârada zei: 'De grote wijzen gaven me de transcendentale kennis die ik op het ogenblik heb en in mijn voorgaande leven moest ik ernaar leven toen ze waren vertrokken.

S'rî Nârada sprak: De grote wijzen, die me hun wetenschappelijke kennis over het bovenzinnelijke hadden geschonken, gingen huns weegs en ik moest mijn leven als volgt doorbrengen. (Vedabase)

 

Tekst 6

Mijn moeder, van wie ik de enige zoon was, was, als dienstmaagd een eenvoudige vrouw zijnd, aan mij, haar nageslacht, gebonden door haar affectie terwijl ze geen ander alternatief voor haar bescherming had.

Ik was het enig kind van mijn moeder, die niet alleen een eenvoudige vrouw, maar bovendien werkster was. Aangezien ze niemand anders had, kon ze zich slechts op één manier beschermen, namelijk door me met de band der liefde aan zich te binden. (Vedabase)

 

Tekst 7

Hoewel ze naar behoren voor me wilde zorgen, kon ze, afhankelijk als een pop aan een touwtje als ze was, dat niet.  

Ze wilde goed voor me zorgen, maar omdat ze niet onafhankelijk was, kon ze niets voor me doen. De wereld staat geheel onder bestuur van de Opperheer: daarom is iedereen als een houten pop in de handen van een poppenspeler. (Vedabase)

 

Tekst 8

Toen ik het onderricht volgde van de geleerden, leefde ik, nog maar vijf jaar oud, in afhankelijkheid van haar, zonder ervaring te hebben met de bepaaldheid van de tijd of het land waarin we leefden.

Toen ik nog maar vijf jaar oud was, zat ik bij de brâhmana's op school. Ik was afhankelijk van de liefde van mijn moeder en wist niets van de verschillende landen en streken af. (Vedabase)

 

Tekst 9

Toen ze op een avond naar buiten ging om een koe te melken, werd ze door een slang in haar been gebeten en viel ze de hoogmogende tijd ten offer.

Toen mijn moeder op een keer 's avonds de koe ging melken werd ze onderweg, door toedoen van de hoogmogende tijd, in haar been gebeten door een slang. (Vedabase)

 

Tekst 10

Ik vatte het op als een zegening van de Heer die Zijn toegewijden altijd het beste wenst, en op die manier denkend, ging ik op weg naar het Noorden.

Ik zag dit als de bijzondere genade van de Heer, die er immers slechts op uit is Zijn toegewijden te zegenen, en met deze opvatting begaf ik me noordwaarts. (Vedabase)

 

Tekst 11

Daar trof ik vele bloeiende grote en kleine steden en dorpen aan met boerderijen, akkers en mijnbouwgebieden in valleien met bloementuinen, moestuinen en wouden.

Na mijn vertrek kwam ik door vele bloeiende steden, stadjes, dorpen, boerenhofsteden met vee en landbouw, delfgronden, dalen, bloemgaarden, moestuinen en maagdelijke wouden. (Vedabase)

 

Tekst 12

Ik zag heuvels en bergen vol met goud, zilver en koper en olifanten die takken van de bomen trokken nabij meren en vijvers vol met de lotusbloemen waar de bewoners van de hemel zo prijs op stellen - en mijn hart was verblijd met de vogels en het grote aantal rondvliegende bijen.

Ik trok langs bergen en heuvels vol kostbare delfstoffen, zoals goud, zilver en koper, en door kontreien met waterpartijen vol schone lotussen, getooid met verbijsterde hommels en zangvogels, de hemelbewoners waardig. (Vedabase)

 

Tekst 13

Ik kwam door struikgewas van bamboe, scherp gras en onkruid, ging door moeilijk begaanbare grotten en bereikte diepe en gevaarlijke wouden waar slangen, uilen en jakhalzen vrij spel hadden.

Vervolgens reisde ik door tal van wouden vol riet, bamboe, speergras en grotten, die voor de eenzame zeer moeilijk doordringbaar zijn. Ik kwam in diepe, duistere en hachelijk angstige wouden, die het speelterrein van slangen, uilen en jakhalzen waren. (Vedabase)

 

Tekst 14

Lichamelijk en geestelijk vermoeid, nam ik, hongerig en dorstig, een bad en dronk ik water, in het meer van een rivier daarmee van mijn vermoeidheid herstellend.

Zo voortreizend, raakte ik zowel naar lichaam als naar geest vermoeid en kreeg zowel honger als dorst. Daarom nam ik een bad in een riviermeer en dronk. In aanraking met het water viel mijn moeheid van me af. (Vedabase)

 

Tekst 15

In dat onbewoonde woud zocht ik beschutting onder een banyanboom en mediteerde ik, intelligent mijn toevlucht zoekend in de Superziel van binnen, zoals ik had geleerd van de bevrijde zielen.

Daarna ging ik in de schaduw van een banyan-boom in een onbewoond woud, door gebruikmaking van mijn verstand, zoals de bevrijde zielen het me geleerd hadden, op de Superziel in mijn hart zitten mediteren. (Vedabase)

 

Tekst 16

Zo op de lotusvoeten van de Hoogste Persoonlijkheid mediterend, transformeerde al mijn denken, voelen en willen zich in bovenzinnelijke liefde, en zo vol van ijver, rolden de tranen uit mijn ogen toen ik de Heer direct in mijn hart zag verschijnen.

Zodra ik in mijn geest, die slechts nog bovenzinnelijke liefde was, op de lotusvoeten van de Persoonlijkheid Gods begon te mediteren, stroomden de tranen me uit de ogen en verscheen S'rî Krishna terstond op de lotus van mijn hart. (Vedabase)

Tekst 17

Volledig overmand door een overmaat aan liefde en opgaand in geluksgevoelens over mijn hele lichaam kon ik, o wijze, volledig verzonken als ik was in een oceaan van vervoering, Hem en mezelf niet meer van elkaar onderscheiden.

O Vyâsadeva, ten zeerste door geluksgevoelens overstelpt, voelde ik al mijn lichaamsdelen toen afzonderlijk tot leven komen. Opgaand in een oceaan van vervoering, kon ik zowel mijzelf als de Heer aanschouwen. (Vedabase)

 

Tekst 18

Zonder daarna nog langer de vorm van de Heer, die alle strijdigheid uit de geest wegneemt, te zien, stond ik plotsklaps op, verstoord als ik was als iemand die iets begerenswaardigs heeft verloren.

De bovenzinnelijke gedaante van de Heer zoals ze is stilt het verlangen van de geest en vaagt terstond alle onevenwichtigheid weg. Toen ik die gedaante uit het oog verloor, kwam ik verstoord plotseling overeind, zoals doorgaans gebeurt wanneer men iets dierbaars kwijtraakt. (Vedabase)

 

Tekst 19

Ernaar verlangend dat opnieuw te ervaren zag ik, met het denken op het hart gericht, Hem ondanks mijn afwachten niet en raakte ik zeer neerslachtig, gefrustreerd als ik was op die manier.

Ik verlangde ernaar die bovenzinnelijke gedaante van de Heer terug te zien, maar hoe zeer ik me daartoe ook hunkerend op het hart poogde te koncentreren, ik kon haar niet meer aanschouwen en voelde me daarom diep ongelukkig. (Vedabase)

 

Tekst 20

Aldus op die eenzame plek pogend, hoorde ik dat van gene zijde, ernstige en aangename woorden tot me werden gesproken die mijn treurnis deden afnemen.

Toen de Persoonlijkheid Gods, die door geen wereldling te beschrijven is, me daar mijn best zag doen in dat eenzame oord, richtte Hij ernstig en welluidend het woord tot me teneinde mijn leed te verzachten. (Vedabase)

 

Tekst 21

'Luister eens, voor de duur van je leven zal je het zicht op Mij hier niet deelachtig zijn, daar het moeilijk is dat zicht te verkrijgen als men, onvolwassen met onzuiverheden, schuldig blijft in de vereniging.

O Nârada [sprak de Heer], het spijt Me dat je Me in dit leven niet meer zult aanschouwen. Degenen wier dienst onvolkomen is en die nog niet van alle stoffelijke smetten vrij zijn kunnen me zeer moeilijk zien. (Vedabase)

 

Tekst 22

Die gedaante werd slechts een enkele keer getoond om je verlangen op te wekken, o deugdzame, omdat door het toenemen van het verlangen van de toegewijde, het vastzitten in de slaperigheid weg zal vallen.

O deugdzame, je hebt Me slechts eenmaal in eigen gedaante aanschouwd, en Ik vertoon Me niet vaker, teneinde je verlangen naar Mij te doen toenemen, want hoe meer je naar Me hunkert, hoe meer je van al je stoffelijke begeerten af komt. (Vedabase)

 

Tekst 23

Met het zelfs maar voor enkele dagen van dienst zijn aan het Absolute een gefixeerde intelligentie jegens Mij hebben bereikt, zal men, met het opgegeven hebben van het mismoedige van deze wereld, zijn schreden richten naar en deel uitmaken van Mijn metgezellen.

Door de Absolute Waarheid te dienen, al is het slechts enkele dagen, krijgt de toegewijde zijn verstand vast en hecht in Mij verankerd. Dientengevolge wordt hij tenslotte Mijn metgezel in de bovenzinnelijke wereld, nadat hij deze klaaglijke stoffelijke regionen achter zich gelaten heeft. (Vedabase)

 

Tekst 24

Intelligentie op deze manier betrokken in toewijding kan nooit van Mij gescheiden worden daar, of levende wezens nu in wording zijn of aan het verdwijnen zijn, hun herinnering zich door Mijn genade zal voortzetten.'

Het verstand dat in mijn dienst gesteld is raakt nimmer gefnuikt. Door Mijn genade zal je geheugen je zelfs zowel in het scheppings- als in het vernietigings-uur bijblijven. (Vedabase)

 

Tekst 25

Na op die manier te hebben gesproken, stopte dat grootse en wonderbaarlijke geluid van de Hoogste autoriteit en boog ik, begunstigd als ik was, mijn hoofd in eerbetoon voor het grote en verheerlijkte.

Daarop staakte die hoogste autoriteit, door klank verpersoonlijkt en onzichtbaar voor het oog, maar allerprachtigst, het spreken. Door dankbaarheid bewogen, bracht ik Hem met gebogen hoofd mijn eerbetuigingen. (Vedabase)

 

Tekst 26

Vrij van formaliteiten de heilige naam van de Onbegrensde beoefenend en in de constante heugenis van Zijn mysterieuze en zegenende activiteiten verkerend, bereisde ik, bevrijd en tevreden de wereld, in alle bescheidenheid zonder afgunst mijn tijd afwachtend.

Toen begon ik door voortdurende herhaling de heilige naam en de roem van de Heer te verheerlijken, waarbij ik me niets van de plichtplegingen van de stoffelijke wereld aantrok. Dit bezingen en heugen van het bovenzinnelijk spel en vermaak van de Heer is heilrijk. Zo reisde ik volkomen voldaan, nederig en van afgunst vrij, over de hele wereld rond. (Vedabase)

 

Tekst 27

Op die manier verzonken in Krishna en vrij van alle gehechtheid aan de materiële wereld, o Vyâsadeva, kwam na de nodige tijd de dood tot me, zo natuurlijk als de bliksem vergezeld gaat van een flits.

En zo geviel het, o brâhmana Vyâsadeva, dat ik, die volkomen in gedachten aan Krishna opging en daardoor nergens meer aan gehecht was, van alle stoffelijke smetten vrij, na verloop van tijd de dood ontmoette, zoals licht en bliksem met elkaar samenvallen. (Vedabase)

 

Tekst 28

Beloond met dat bovenzinnelijk lichaam een metgezel van de Heer waardig, verliet ik het lichaam samengesteld uit de vijf elementen, toen ik zag dat mijn verworven karma tot een einde was gekomen.

Na de toekenning van een bovenzinnelijk lichaam, een metgezel van de Persoonlijkheid Gods waardig, verliet ik het lichaam bestaande uit de vijf stoffelijke elementen, waardoor er een eind kwam aan het effekt van al mijn baatzuchtig streven [karma]. (Vedabase)

 

Tekst 29

Na het einde van het tijdperk, nam de Heer die zich neer had gelegd in de wateren der vernietiging mij, met de schepper en al, op in Zijn ademhaling.

Toen Heer Brahmâ aan het eind van zijn dag, terwijl de Persoonlijkheid Gods Zich neerlegde in het water der verwoesting, tezamen met alle scheppingselementen in Hem binnenging door Zijn adem, deed ik hetzelfde. (Vedabase)

 

Tekst 30

Een duizend tijdperken later, toen de schepper weer werd uitgeademd, verscheen ik weerom tezamen met alle andere rishi's zoals Marîci.

Toen Brahmâ door 's Heren wil na 4.300.000.000 zonnejaren weer ontwaakte om te scheppen, werden alle rishi's zoals Marîci, Angirâ, Atri en anderen geschapen uit het bovenzinnelijke lichaam van de Heer, en ik verscheen met hen. (Vedabase)

 

Tekst 31

Trouw aan de gelofte zowel in de drie werelden als erboven rondreizend, ben ik, vanwege de genade van Mahâ-Vishnu, er vrij in te gaan daar en wanneer ik maar wil.

Sindsdien reis ik door de genade van de almachtige Vishnu zowel in de bovenzinnelijke wereld als in de drie afdelingen van de stoffelijke wereld onbelemmerd rond, aangezien ik ononderbroken in Zijn toegewijde dienst verbonden ben. (Vedabase)

 

Tekst 32

Op deze manier beweeg ik me, onder het voortdurend bezingen van de boodschap van de Heer de bovenzinnelijk geladen vînâ bespelend waarmee de Godheid me heeft onderscheiden.

En zo reis ik rond terwijl ik voortdurend de bovenzinnelijke boodschap van de heerlijkheden van de Heer zing en daarbij de snaren van deze vînâ tot trilling breng, welke met bovenzinnelijke klank geladen is en me gegeven werd door Heer Krishna. (Vedabase)

 

Tekst 33

Zo zingend verschijnt spoedig het aangezicht van de Heer van de lotusvoeten over wiens handelingen men met genoegen verneemt, in de zetel van mijn hart alsof ik Hem zou kunnen gebieden.

De Opperheer S'rî Krishna, wiens heerlijkheid en daden het onderwerp van oorstrelende verhalen zijn, verschijnt als geroepen op de zetel van mijn hart zodra ik Zijn heilige doen en laten bezing. (Vedabase)

 

Tekst 34

Ik kwam tot het inzicht dat voor diegenen die vol zorgen zijn in hun verlangen naar de objecten van hun zintuigen, er een boot is om de oceaan van materiële onwetendheid over te steken: het herhaaldelijk reciteren van de glorie van de Heer.

Het is mijn persoonlijke ervaring dat degenen die wegens het gretige kontakt van de zinnen met de zinsobjecten steeds vol angst en zorg zijn de oceaan der onwetendheid kunnen oversteken met een uiterst geschikt vaartuig - het onophoudelijk bezingen van het bovenzinnelijk doen en laten van de Persoonlijkheid Gods. (Vedabase)

 

Tekst 35

Verlangen en lust telkens ondervangen door de discipline van de yoga zal voor de ziel zeker niet zo bevredigend zijn als de dienst aan de Persoonlijkheid van God

Weliswaar kan men door volgens de yoga-methode zinsbeteugeling te beoefenen verlichting ontvangen van de woelingen van lust en begeerte, maar dit is niet genoeg om de ziel voldaan te stemmen, want dat lukt slechts door toegewijde dienst aan de Persoonlijkheid Gods. (Vedabase)

 

Tekst 36

Ik beschreef voor jou, die zonder zonden bent, dit alles over mijn geboorte en activiteiten, voor de voldoening van zowel jouw als mijn eigen ziel'."

O, Vyâsadeva, jij bent van alle zonden vrij. Zo heb ik je op je verzoek alles verteld over mijn geboorte en activiteiten die tot mijn zelfverwerkelijking hebben geleid. Dit zal je allemaal ook tot persoonlijke voldoening strekken. (Vedabase)

 

Tekst 37

Sûta zei: "Na aldus de machtige wijze toe te hebben gesproken, nam Nârada Muni afscheid van de zoon van Satyavatî en vertrok hij onder het beroeren van zijn bekoorlijke vînâ, naar waar dan ook.

Sûta Gosvâmî sprak: Met deze woorden tot Vyâsadeva nam S'rîla Nârada Muni afscheid van hem, en terwijl hij de snaren van zijn instrument tot trilling bracht ging hij vrijelijk zijns weegs. (Vedabase)

 

Tekst 38

Alle glorie en succes zij de wijze der goden toegewenst die er behagen in schept de heerlijkheden van de Persoonlijkheid van God te bezingen en met behulp van zijn instrument het lijdende universum tot leven te wekken".

Alle roem en welslagen aan S'rîla Nârada Muni, omdat hij de lof zingt van het doen en laten van de Persoonlijkheid Gods en daarin zelf behagen schept en daarbij het hart van alle droeve zielen in het universum verkwikt. (Vedabase)

 

 

 

 

Voor deze oorspronkelijke vertaling is een alles-in-een band exemplaar
met uitgebreid commentaar gebruikt.
ISBN: o-91277-27-7
Zie de
S'rîmad Bhâgavatam linkspagina
voor een download van dit boek en andere boeken van Prabhupâda.
De afbeelding van Nârada Muni op deze pagina is van
Ramadasa-abhirama Dasa
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd



 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties