Canto
10
Hoofdstuk 10: De Verlossing van de Zoons van Kuvera
(1) De Koning zei: 'Alstublieft o machtige, beschrijf de wandaad om reden waarvan de devarishi boos werd en de twee [zoons van Kuvera] werden vervloekt.'
(2-3) S'rî S'uka zei: 'Er trots op het zover gebracht te hebben als tot de associatie van Rudra waren zij die geboren waren uit de Behoeder der Weelde als gekken bezeten van een prachtig park aan de Mandâkinî rivier [boven-Ganges] nabij Kailâsa [S'iva's berg]. Bedwelmd door het drinken van vârunî hielden ze zich in de tuin vol bloemen met rollende ogen op met vrouwen die hen liedjes toezongen. (4) De Ganges ingaand vol met bedden lotusbloemen genoten ze het gezelschap van de jonge meisjes als waren ze twee mannetjesolifanten met hun wijfjes.(5) En zo gebeurde het dat Nârada, de oppermachtige devarishi ze te zien kreeg, o zoon van Kuru, en uit de verdwaasde ogen van de halfgoden kon opmaken in welke staat ze verkeerden. (6) Hem ziend was hun aanhang beschaamd en bedekten ze uit angst te worden vervloekt snel met hun kleding de naaktheid van hun lichamen, maar zij, de twee bewakers van Kuvera's schatten [S'iva-guhyaka's] die ook naakt waren deden dat niet. (7) Met het aantreffen van het stel dronken, onder de invloed blind met hun prestige en weelde, sprak hij, om de twee zonen van het licht een lesje te leren, een vloek uit ze het volgende zeggend. (8) Nârada zei: 'Er is inderdaad voor hem die in de geaardheid hartstocht van de dingen van de wereld geniet niets zo verstandsverbijsterend als de arrogantie van de weelde, de goede geboorte, [een fraai lijf, scholing en rijkdom] en dat alles waarin men belangstelt in vrouwen,wijn en gokken. (9) In die positie dieren dodend denken de ongenadigen die zichzelf niet meer in de hand hebben dat dit lichaam, dat gedoemd is te vergaan, niet zou verouderen, niet zou sterven [zie ook 7.15: 7, B.G. 9: 26]. (10) Het lichaam echter, hoezeer ook voor goddelijk gehouden, is er na de dood voor de wormen en verandert in uitwerpselen en as; iemand die dermate [destructief] handelt schaadt zijn eigen belang - wat weet hij van de hel die hem te wachten staat [zie ook 5.26: 17]? (11) Dit lichaam, behoort het aan de werkgever toe, aan iemand zelf, aan hem die het zaad schonk, aan de moeder, of behoort het toe aan de vader van iemands moeder of aan hem die het zich met geweld toeëigende, aan een koper, aan het vuur of aan de aaseters zelfs? (12) De vraag is: wie zou op basis hiervan die persoon [die Eigenaar] nou eigenlijk zijn die bij dat lichaam hoort dat, gemanifesteerd vanuit het ongemanifesteerde, weer verdwijnt? Wie anders dan de onbenulligen [de dieren] zouden, het lichaam voor hun ware zelf houdend, arme schepselen ter dood brengen [zie ook 4.11: 10]? (13) Voor materialisten die gek van de weelde verblind zijn is het berooid zijn de beste zalf voor hun ogen, omdat een behoeftig man, vergeleken met anderen, veel beter in staat is om de dingen te zien zoals ze zijn [*]. (14) Het is als iemand die geprikt door een naald begrijpt dat het voor andere zielen met een lichaam ook zo is: hij wenst geen ander schepsel een dergelijke pijn toe, maar dat geldt niet voor een persoon die nooit door een naald is geprikt. (15) Een arm man vrij van de valsheid van het zelf is verlost van alle eigenwaan erover; dat, de grote moeilijkheid die iemand in deze wereld door het lot ten deel kan vallen is voor hem inderdaad de beste verzaking. (16) Zwak van de honger voortdurend smachtend naar voedsel [**] zijn van het lichaam van een man [met de gelofte] van armoede de zinnen minder en minder dominant en is ook het geweld [dat de keerzijde vormt van de (eet-)lust] teruggedrongen. (17) Geheiligde mensen hebben er inderdaad weinig moeite mee het gezelschap van de nooddruftigen op te zoeken; de ontmoeting [van de armen] met dergelijke eerlijke mensen dringt de oorzaak van het lijden terug als ook de hunkering zodat spoedig daarna de zuivering wordt gevonden [zie ook 10.8: 4]. (18) Zou het de zaak van de heiligen [de sâdhu's] zijn, zij die allen gelijkgezind zijn en wiens enige belang het is Mukunda te dienen, om omgang te hebben met de rijke en trotse materialisten die het gezelschap zoeken van de niet-toegewijden? Ze slaan geen acht op hen! [zie ook B.G. 7: 15] (19) Derhalve zal ik van deze rokkenjagende dronkaards, die door het drinken van vârunî arrogant verblind zijn met de weelde en zichzelf niet meer onder controle hebben, deze bedriegelijke eigenwaan wegnemen. (20-22) Omdat deze twee zonen vanweghe hun wereldse gemakken dermate in beslag werden genomen door de geaardheid onwetendheid en zich er in hun trots, onverschillig naar getuigen toe, niet om bekommerden hun lichamen te bedekken, verdienen ze het onbeweeglijk te worden [als bomen] zodat ze niet nog eens zo zullen worden. Daarenboven is het mijn genade dat hun heugenis mag voortduren en is het mijn bijzondere gunst dat ze na een honderdtal jaren gerekend naar de goden [: een dag is een jaar] de persoonlijke omgang verwerven met Vâsudeva zodat ze weer opnieuw hun hemelse leven kunnen oppakken met het herleven van hun bhakti.'
(23) S'rî S'uka zei: 'De devarishi na zich aldus te hebben uitgelaten liet die plaats achter zich op weg naar Nârâyana-âs'rama [zijn eigen plaats], Nalakûvara en Manigrîva achterlatend om in een stel arjunabomen [***] te veranderen. (24) [en nu..] Om de woorden van de ziener, Zijn allerbeste toegewijde, gestand te doen bewoog de Heer [aan het stampvat gebonden] zich heel langzaam naar de plek waar de twee arjunabomen stonden. (25) [Hij dacht:] 'De devarishi is Mij hoogst dierbaar en hoewel deze twee werden geboren in het huis van een rijkaard zal Ik niettemin alleen om die reden gevolg geven aan de woorden zoals gesteld door de grote ziel.' (26) Met dat besluit bewoog Krishna zich tussen de arjuna's door en kwam daarmee het stampvat overdwars vast te zitten. (27) De jongen die het houten stampvat dat aan Zijn buik was vastgebonden achter zich aan sleepte, trok met grote kracht de twee bomen omver die door Zijn superieure macht zwaar schudden en met stam, takken en bladeren, onder een donderend geraas naar beneden kwamen met de wortels naar boven [*4]. (28) En op diezelfde plek kwamen vanuit de twee bomen toen schitterend prachtig, aan alle kanten stralend, twee personen als het vuur zelve tevoorschijn, die Krishna met gevouwen handen en het hoofd gebogen hun eerbetuigingen brachten, terwijl ze voor de Heer van de Ganse Wereld volkomen gelouterd het volgende uitbrachten: (29) 'Krishna, o Krishna, o Grootste van de Yoga, U bent de grondoorzaak, de Oorspronkelijke Persoon in het voorbije van deze wereld, van deze schepping grofstoffelijk en subtiel, die de brahmanen kennen als Uw gedaante. (30-31) U bent de Ene voor alle levende wezens, U bent de meester van de levenskracht, van het lichaam, van de ziel en van de zinnen; U bent inderdaad de tijd, de Allerhoogste Heer Vishnu, de Onvergankelijke Beheerser. U als de Grootste, de kosmische schepping èn het subtiele, bestaande uit de hartstocht, de goedheid en de traagheid, bent voorwaar de Oorspronkelijke Persoonlijkheid en Eigenaar, de kenner van de rusteloze geest in alle bereiken. (32) Wie, opgesloten in een lichaam met een geest in beroering door de geaardheden der natuur, is in staat om U te kennen die niet beperkt bent tot een lichaam; wie nu alhier overdekt door de geaardheden, is U waardig die reeds vóór de schepping bestond? (33) Daarom voor U, Vâsudeva, de Allerhoogste Persoonlijkheid, de Oorsprong der Schepping, voor U wiens eigen licht wordt overdekt door het grote van Uw natuurlijke geaardheden, voor het Brahman [de binnen- en de buitenkant], onze respectvolle eerbetuigingen. (34-35) Van het niet-materiële van Uw verschillende belichamingen als avatâra's, kunnen we stukje bij beetje getuige zijn van de onvergelijkelijke, onbegrensde macht die buiten het bereik ligt van diegenen die belichaamd zijn. Die zelfde Heerlijkheid, die Meester Weldoener aanwezig voor de verlossing en verheffing van iedereen, is nu verschenen met al Zijn vermogens en expansies! (36) Ons respect voor de Hoogste Deugd, ons respect voor de Opperste Goedgunstigheid; voor Vâsudeva, de Vredige, voor de Meester der Yadu's, ons eerbetoon. (37) Mogen wij, die door de genade van de rishi, die meest intieme toegewijde, als dienaren U mochten zien, de Allerhoogste Heer in eigen persoon, onze levens weer oppakken, o Grootste Universele Gedaante? (38) Mogen onze woorden altijd Uw wederwaardigheden betreffen, mogen onze oren staan naar de verhandelingen over U, mogen onze ledematen voor U werkzaam zijn, moge de geest steeds Uw lotusvoeten indachtig zijn, mogen onze hoofden buigen voor U, de Alles-doorvarende, mogen onze blikken gericht zijn op de waarachtigen [de Vaishnava's m.n.] en mogen wij hen allen zien als niet verschillend van U!'
(39) S'rî S'uka zei: 'Op deze wijze verheerlijkt door de twee sprak de Opperheer, de Meester van Gokula die met touwen was vastgebonden aan het stampvat, glimlachend tot de guhyaka's. (40) De Allerhoogste Heer zei: 'Alles wat zich in het verleden van dit voorval met Nârada voordeed is Mij bekend: welk een grote gunst verleende hij u zo aardig voor u zijnde toen hij u vervloekte vanwege uw blind gevallen zijn in het verzot zijn op de weelde. (41) Zoals de ogen van een persoon die de zon is toegewend [vrij zijn van duisternis] raakt men eenvoudigweg bevrijdt door in de aanwezigheid te verkeren van de gelouterden die allen gelijkgezind zijn, van de personen geheel aan Mij overgegeven die verlost zijn van alle gebondenheid. (42) Nu, jullie rieten [*5] van Kuvera, doordrongen van de liefde jegens Mij, keer naar huis terug met Mij als de Hoogste Bestemming, Mij, het Opperste van uw verlangen, van wie men nimmer meer terugkeert [zie ook B.G. 5: 17].'
(43) S'rî S'uka zei: 'Aldus toegesproken liepen de twee terwijl ze voortdurend baden om Hem heen die aan het stampvat was gebonden, en namen zij afscheid vertrekkend in de noordelijke richting [waar Kailâsa is].'
Tweede editie, geladen 27 maart 2008
Voorgaande Aadhar-editie en Vedabase links:
De Koning zei: 'Alstublieft o machtige, beschrijf de wandaad om reden waarvan de devarishi boos werd en de twee [zoons van Kuvera] werden vervloekt.'De Koning zei: 'Alstublieft o machtige, beschrijf de wandaad om reden waarvan de devarishi boos werd en de twee [zoons van Kuvera] werden vervloekt.' (Vedabase)
S'rî S'uka zei: 'Er trots op het zover gebracht te hebben als tot de associatie van Rudra waren zij die geboren waren uit de Behoeder der Weelde als gekken bezeten van een prachtig park aan de Mandâkinî rivier [boven-Ganges] nabij Kailâsa [S'iva's berg]. Bedwelmd door het drinken van vârunî hielden ze zich in de tuin vol bloemen met rollende ogen op met vrouwen die hen liedjes toezongen.
S'rî S'uka zei: 'Er trots op het zover gebracht te hebben als tot de associatie van Rudra waren zij die geboren waren uit de Behoeder der Weelde als gekken bezeten van een prachtig park aan de Mandâkinî rivier [boven-Ganges] nabij Kailâsa [S'iva's berg]. Bedwelmd door het drinken van vârunî hielden ze zich in de tuin vol bloemen met rollende ogen op met vrouwen die hen liedjes toezongen.(Vedabase)
De Ganges ingaand vol met bedden lotusbloemen genoten ze het gezelschap van de jonge meisjes als waren ze twee mannetjesolifanten met hun wijfjes.
De Ganges ingaand vol met bedden lotusbloemen genoten ze het gezelschap van de jonge meisjes als waren ze twee mannetjesolifanten met hun wijfjes. (Vedabase)
En zo gebeurde het dat Nârada, de oppermachtige devarishi ze te zien kreeg, o zoon van Kuru, en uit de verdwaasde ogen van de halfgoden kon opmaken in welke staat ze verkeerden.
En zo gebeurde het dat Nârada, de oppermachtige devarishi ze te zien kreeg, o zoon van Kuru, en uit de verdwaasde ogen van de halfgoden kon opmaken in welke staat ze verkeerden. (Vedabase)
Hem ziend was hun aanhang beschaamd en bedekten ze uit angst te worden vervloekt snel met hun kleding de naaktheid van hun lichamen, maar zij, de twee bewakers van Kuvera's schatten [S'iva-guhyaka's] die ook naakt waren deden dat niet.
Hem ziend was hun aanhang beschaamd en bedekten ze uit angst te worden vervloekt snel met hun kleding de naaktheid van hun lichamen, maar zij, de twee bewakers van Kuvera's schatten [S'iva-guhyaka's] die ook naakt waren deden dat niet. (Vedabase)
Met het aantreffen van het stel dronken, onder de invloed blind met hun prestige en weelde, sprak hij, om de twee zonen van het licht een lesje te leren, een vloek uit ze het volgende zeggend.
Met het aantreffen van het stel dronken, onder de invloed blind met hun prestige en weelde, sprak hij, om de twee zonen van het licht een lesje te leren, een vloek uit ze het volgende zeggend. (Vedabase)
Nârada zei: 'Er is inderdaad voor hem die in de geaardheid hartstocht van de dingen van de wereld geniet niets zo verstandsverbijsterend als de arrogantie van de weelde, de goede geboorte, [een fraai lijf, scholing en rijkdom] en dat alles waarin men belangstelt in vrouwen,wijn en gokken.
Nârada zei: 'Er is inderdaad voor hem die in de geaardheid hartstocht van de dingen van de wereld geniet niets zo verstandsverbijsterend als de arrogantie van de weelde, de goede geboorte en dat al [een fraai lijf, scholing en rijkdom] waarvan men de vrouwen krijgt, de wijn en het gokken. (Vedabase)
In die positie dieren dodend denken de ongenadigen die zichzelf niet meer in de hand hebben dat dit lichaam, dat gedoemd is te vergaan, niet zou verouderen, niet zou sterven [zie ook 7.15: 7, B.G. 9: 26].
De dieren dodend in dezen denken de ongenadigen die zichzelf niet meer in de hand hebben dat dit lichaam dat gedoemd is te vergaan niet zou verouderen, niet zou sterven [zie ook 7.15: 7, B.G. 9: 26]. (Vedabase)
Het lichaam echter, hoezeer ook voor goddelijk gehouden, is er na de dood voor de wormen en verandert in uitwerpselen en as; iemand die dermate [destructief] handelt schaadt zijn eigen belang - wat weet hij van de hel die hem te wachten staat [zie ook 5.26: 17]?
Het lichaam echter hoe zeer ook voor goddelijk gehouden is er na de dood voor de wormen en verandert in uitwerpselen en as; iemand die zo [destructief] handelt schaadt zijn eigen belang - wat weet hij van de hel die hem te wachten staat [zie ook 5.26: 17]? (Vedabase)
Dit lichaam, behoort het aan de werkgever toe, aan iemand zelf, aan hem die het zaad schonk, aan de moeder, of behoort het toe aan de vader van iemands moeder of aan hem die het zich met geweld toeëigende, aan een koper, aan het vuur of aan de aaseters zelfs?
Dit lichaam, behoort het aan de werkgever toe, aan iemand zelf, aan hem die het het zaad schonk, aan de moeder, of behoort het toe aan de vader van iemands moeder of aan hem die het zich met geweld toeëigende, aan een koper, aan het vuur of aan de aaseters zelfs? (Vedabase)
De vraag is: wie zou op basis hiervan die persoon [die Eigenaar] nou eigenlijk zijn die bij dat lichaam hoort dat, gemanifesteerd vanuit het ongemanifesteerde, weer verdwijnt? Wie anders dan de onbenulligen [de dieren] zouden, het lichaam voor hun ware zelf houdend, arme schepselen ter dood brengen [zie ook 4.11: 10]?
Wie zou op basis hiervan die persoon [die Eigenaar] nou eigenlijk zijn die bij dat lichaam hoort dat, gemanifesteerd vanuit het ongemanifesteerde, weer verdwijnt? Wie anders dan de onbenulligen zouden, dit wetende, het als het hunne claimend, arme schepselen ter dood brengen [zie ook 4.11: 10]? (Vedabase)
Voor materialisten die gek van de weelde verblind zijn is het berooid zijn de beste zalf voor hun ogen, omdat een behoeftig man, vergeleken met anderen, veel beter in staat is om de dingen te zien zoals ze zijn [*].
Voor materialisten die gek van de weelde verblind zijn is het berooid zijn de beste zalf voor hun ogen daar een behoeftig man vergeleken met anderen de zaken veel beter kan zien zoals ze zijn [*]. (Vedabase)
Het is als iemand die geprikt door een naald begrijpt dat het voor andere zielen met een lichaam ook zo is: hij wenst geen ander schepsel een dergelijke pijn toe, maar dat geldt niet voor een persoon die nooit door een naald is geprikt.
Het is als iemand die geprikt door een naald begrijpt dat het voor andere zielen met een lichaam ook zo is: hij wenst geen ander schepsel een dergelijke pijn toe, maar dat geldt niet voor een persoon die nooit door een naald is geprikt. (Vedabase)
Een arm man vrij van de valsheid van het zelf is verlost van alle eigenwaan erover; de grote moeilijkheid die iemand in deze wereld door het lot ten deel kan vallen is voor hem inderdaad de beste verzaking.
Een arm man vrij van de valsheid van het zelf is verlost van alle eigenwaan er over; dat, de grote moeilijkheid die iemand in deze wereld door het lot ten deel kan vallen, is voor hem inderdaad de beste verzaking. (Vedabase)
Zwak van de honger voortdurend smachtend naar voedsel [**] zijn van het lichaam van een man [met de gelofte] van armoede de zinnen minder en minder dominant en is ook het geweld [dat de tegenhanger vormt van de (eet-)lust] teruggedrongen.
Zwak van de honger voortdurend smachtend naar voedsel [**] zijn van het lichaam van een man [met de gelofte] van armoede de zinnen minder en minder dominant en is ook het geweld [dat de keerzijde vormt van de (eet-)lust] teruggedrongen. (Vedabase)
Geheiligde mensen hebben er inderdaad weinig moeite mee het gezelschap van de nooddruftigen op te zoeken; de ontmoeting [van de armen] met dergelijke eerlijke mensen dringt de oorzaak van het lijden terug als ook de hunkering zodat spoedig daarna de zuivering wordt gevonden [zie ook 10.8: 4].
Geheiligde mensen hebben er inderdaad weinig moeite mee het gezelschap van de nooddruftigen op te zoeken; de ontmoeting [van de armen] met dergelijke eerlijke mensen dringt de oorzaak van het lijden terug als ook de hunkering zodat spoedig daarna de zuivering wordt gevonden [zie ook 10.8: 4]. (Vedabase)
Zou het de zaak van de heiligen [de sâdhu's] zijn, zij die allen gelijkgezind zijn en wiens enige belang het is Mukunda te dienen, om omgang te hebben met de rijke en trotse materialisten die het gezelschap zoeken van de niet-toegewijden? Ze slaan geen acht op hen! [zie ook B.G. 7: 15]
Zou het de zaak van de geheiligden [de sâdhu's] zijn, zij die allen gelijkgezind zijn en wiens enige belang het is Mukunda te dienen, om omgang te hebben met de rijke en trotse materialisten die het gezelschap zoeken van de niet-toegewijden? Ze slaan geen acht op hen! [zie ook B.G. 7: 15] (Vedabase)
Derhalve zal ik van deze rokkenjagende dronkaards, die door het drinken van vârunî arrogant verblind zijn met de weelde en zichzelf niet meer onder controle hebben, deze bedriegelijke eigenwaan wegnemen.
Derhalve zal ik van deze rokkenjagende dronkaards, die door het drinken van vârunî arrogant verblind zijn met de weelde en zichzelf niet meer onder controle hebben, dit bedrieglijke onbenul wegnemen. (Vedabase)
Omdat deze twee zonen vanweghe hun wereldse gemakken dermate in beslag werden genomen door de geaardheid onwetendheid en zich er in hun trots, onverschillig naar getuigen toe, niet om bekommerden hun lichamen te bedekken, verdienen ze het onbeweeglijk te worden [als bomen] zodat ze niet nog eens zo zullen worden. Daarenboven is het mijn genade dat hun heugenis mag voortduren en is het mijn bijzondere gunst dat ze na een honderdtal jaren gerekend naar de goden [: een dag is een jaar] de persoonlijke omgang verwerven met Vâsudeva zodat ze weer opnieuw hun hemelse leven kunnen oppakken met het herleven van hun bhakti.'
Omdat deze twee zonen van het wereldse gemak zo in beslag zijn genomen in de geaardheid onwetendheid en in hun trots onverschillig naar getuigen toe zich niet bekommeren om enige kleding voor hun lichamen, verdienen ze het onbeweeglijk te worden [als bomen] zodat ze niet nog eens zo zullen worden. Daarenboven is het mijn genade dat hun heugenis mag voortduren en is het mijn bijzondere gunst dat ze na een honderdtal jaren gerekend naar de goden [: een dag is een jaar] de persoonlijke omgang verwerven met Vâsudeva zodat ze weer opnieuw hun bestaan kunnen inrichten naar het hemelse met het herleven van hun bhakti.' (Vedabase)
S'rî S'uka zei: 'De devarishi na zich aldus te hebben uitgelaten liet die plaats achter zich op weg naar Nârâyana-âs'rama [zijn eigen plaats], Nalakûvara en Manigrîva achterlatend om in een stel arjunabomen [***] te veranderen.
S'rî S'uka zei: 'De devarishi na zich aldus te hebben uitgelaten liet die plaats achter zich op weg naar nârâyana-âs'rama [zijn eigen plaats], Nalakûvara en Manigrîva achterlatend om in een stel arjunabomen [***] te veranderen. (Vedabase)
[en nu..] Om de woorden van de ziener, Zijn allerbeste toegewijde, gestand te doen bewoog de Heer [aan het stampvat gebonden] zich heel langzaam naar de plek waar de twee arjunabomen stonden.
[en nu..] Om de woorden van de ziener gestand te doen, Zijn allerbeste toegewijde, bewoog de Heer [aan het stampvat gebonden] zich heel langzaam naar de plek waar de twee arjunabomen stonden.(Vedabase)
[Hij dacht:] 'De devarishi is Mij hoogst dierbaar en hoewel deze twee werden geboren in het huis van een rijkaard zal Ik niettemin alleen om die reden gevolg geven aan de woorden zoals gesteld door de grote ziel.'
[Hij dacht:] 'De devarishi is Mij hoogst dierbaar en hoewel deze twee ter wereld kwamen uit de rijke man zal Ik enkel zo gevolg geven aan de woorden zoals gesteld door de grote ziel.' (Vedabase)
Met dat besluit bewoog Krishna zich tussen de arjuna's door en kwam daarmee het stampvat overdwars vast te zitten.
Aldus besloten ging Krishna tussen de arjuna's door en kwam daarmee het stampvat overdwars vast te zitten. (Vedabase)
De jongen die het houten stampvat dat aan Zijn buik was vastgebonden achter zich aan sleepte, trok met grote kracht de twee bomen omver die door Zijn superieure macht zwaar schudden en met stam, takken en bladeren, onder een donderend geraas naar beneden kwamen met de wortels naar boven [*4].
De jongen die het houten stampvat dat aan Zijn buik was vastgebonden achter zich aan sleepte, trok met grote kracht de twee bomen omver die door Zijn superieure macht zwaar schudden en met stam, takken en bladeren, onder een donderend geraas naar beneden kwamen met de wortels naar boven [*4]. (Vedabase)
En op diezelfde plek kwamen vanuit de twee bomen toen schitterend prachtig, aan alle kanten stralend, twee personen als het vuur zelve tevoorschijn, die Krishna met gevouwen handen en het hoofd gebogen hun eerbetuigingen brachten, terwijl ze voor de Heer van de Ganse Wereld volkomen gelouterd het volgende uitbrachten:
(Precies daar kwamen vanuit de twee bomen toen schitterend prachtig, aan alle kanten stralend, twee personen als het vuur zelve tevoorschijn, die Krishna met gevouwen handen en het hoofd gebogen hun eerbetuigingen brachten, terwijl ze voor de Heer van de Ganse Wereld volkomen gelouterd het volgende uitbrachten: (Vedabase)
'Krishna, o Krishna, o Grootste van de Yoga, U bent de grondoorzaak, de Oorspronkelijke Persoon in het voorbije van deze wereld, van deze schepping grofstoffelijk en subtiel, die de brahmanen kennen als Uw gedaante.
'Krishna, o Krishna, o Grootste van de Yoga, U bent de grondoorzaak, de Oorspronkelijke Persoon in het voorbije van deze wereld, van deze schepping grofstoffelijk en subtiel, die de brahmanen kennen als Uw gedaante. (Vedabase)
U bent de Ene voor alle levende wezens, U bent de meester van de levenskracht, van het lichaam, van de ziel en van de zinnen; U bent inderdaad de tijd, de Allerhoogste Heer Vishnu, de Onvergankelijke Beheerser. U als de Grootste, de kosmische schepping èn het subtiele, bestaande uit de hartstocht, de goedheid en de traagheid, bent voorwaar de Oorspronkelijke Persoonlijkheid en Eigenaar, de kenner van de rusteloze geest in alle bereiken.
U bent de Ene voor alle levende wezens, U bent de meester van de levenskracht, van het lichaam, van de ziel en van de zinnen; U bent inderdaad de tijd, de Allerhoogste Heer Vishnu, de Onvergankelijke Beheerser. U als de Grootste, de kosmische schepping èn het subtiele, bestaande uit de hartstocht, de goedheid en de traagheid, bent voorwaar de Oorspronkelijke Persoonlijkheid en Eigenaar, de kenner van de rusteloze geest in alle bereiken. (Vedabase)
Wie, opgesloten in een lichaam met een geest in beroering door de geaardheden der natuur, is in staat om U te kennen die niet beperkt bent tot een lichaam; wie nu alhier overdekt door de geaardheden, is U waardig die reeds vóór de schepping bestond?
Wie, opgesloten in een lichaam met een geest in beroering door de geaardheden der natuur, is er om U te kennen die niet beperkt bent tot een lichaam; wie nu alhier overdekt door de geaardheden, is U waardig die reeds vóór de schepping bestond? (Vedabase)
Daarom voor U, Vâsudeva, de Allerhoogste Persoonlijkheid, de Oorsprong der Schepping, voor U wiens eigen licht wordt overdekt door het grote van Uw natuurlijke geaardheden, voor het Brahman [de binnen- en de buitenkant], onze respectvolle eerbetuigingen.
Daarom voor U, Vâsudeva, de Allerhoogste Persoonlijkheid, de Oorsprong der Schepping, voor U wiens eigen licht wordt overdekt door het grote van Uw natuurlijke geaardheden, voor het Brahman [de binnen- en de buitenkant], onze respectvolle eerbetuigingen. (Vedabase)
Van het niet-materiële van Uw verschillende belichamingen als avatâra's, kunnen we stukje bij beetje getuige zijn van de onvergelijkelijke, onbegrensde macht die buiten het bereik ligt van diegenen die belichaamd zijn. Die zelfde Heerlijkheid, die Meester Weldoener aanwezig voor de verlossing en verheffing van iedereen, is nu verschenen met al Zijn vermogens en expansies!
Van het niet-materiële van Uw verschillende belichamingen als avatâra's, kunnen we stukje bij beetje getuige zijn van de onvergelijkelijke, onbegrensde macht die buiten het bereik ligt van diegenen die belichaamd zijn. Die zelfde Heerlijkheid, die Meester Weldoener aanwezig voor de verlossing en verheffing van iedereen, is nu verschenen met al Zijn vermogens en expansies! (Vedabase)
Ons respect voor de Hoogste Deugd, ons respect voor de Opperste Goedgunstigheid; voor Vâsudeva, de Vredige, voor de Meester der Yadu's, ons eerbetoon.
Ons respect voor de Hoogste Deugd, ons respect voor de Opperste Goedgunstigheid; voor Vâsudeva, de Vredige, voor de Meester der Yadu's, ons eerbetoon. (Vedabase)
Mogen wij, die door de genade van de rishi, die meest intieme toegewijde, als dienaren U mochten zien, de Allerhoogste Heer in eigen persoon, onze levens weer oppakken, o Grootste Universele Gedaante?
Mogen wij, die door de genade van de rishi, die meest intieme toegewijde, als dienaren U mochten zien, de Allerhoogste Heer in eigen persoon, onze levens weer oppakken, o Grootste Universele Gedaante? (Vedabase)
Mogen onze woorden altijd Uw wederwaardigheden betreffen, mogen onze oren staan naar de verhandelingen over U, mogen onze ledematen voor U werkzaam zijn, moge de geest steeds Uw lotusvoeten indachtig zijn, mogen onze hoofden buigen voor U, de Alles-doorvarende, mogen onze blikken gericht zijn op de waarachtigen [de Vaishnava's m.n.] en mogen wij hen allen zien als niet verschillend van U!'
Mogen onze woorden altijd Uw wederwaardigheden betreffen, mogen onze oren staan naar de verhandelingen over U, mogen onze ledematen voor U werkzaam zijn, moge de geest steeds Uw lotusvoeten indachtig zijn, mogen onze hoofden buigen voor U de Alles-doorvarende, mogen onze blikken gericht zijn op de waarachtigen [de vaishnava's m.n.] en mogen wij hen allen zien als niet verschillend van U!' (Vedabase)
S'rî S'uka zei: 'Op deze wijze verheerlijkt door de twee sprak de Opperheer, de Meester van Gokula die met touwen was vastgebonden aan het stampvat, glimlachend tot de guhyaka's.
S'rî S'uka zei: 'Op deze wijze verheerlijkt door de twee sprak de Opperheer, de Meester van Gokula die met touw was vastgebonden aan het stampvat, glimlachend tot de guhyaka's. (Vedabase)
De Allerhoogste Heer zei: 'Alles wat zich in het verleden van dit voorval met Nârada voordeed is Mij bekend: welk een grote gunst verleende hij u zo aardig voor u zijnde toen hij u vervloekte vanwege uw blind gevallen zijn in het verzot zijn op de weelde.
De Allerhoogste Heer zei: 'Alles wat zich in het verleden van dit voorval met Nârada voordeed is Mij bekend: welk een grote gunst verleende hij u zo aardig voor u zijnde in zijn vervloeking van uw gevallen zijn blind in waanzin over de weelde. (Vedabase)
Zoals de ogen van een persoon die de zon is toegewend [vrij zijn van duisternis] raakt men eenvoudigweg bevrijdt door in de aanwezigheid te verkeren van de gelouterden die allen gelijkgezind zijn, van de personen geheel aan Mij overgegeven die verlost zijn van alle gebondenheid.
Zoals de ogen van een persoon die de zon is toegewend [vrij zijn van duisternis] raakt men eenvoudigweg door in de aanwezigheid te verkeren van de geheiligden die allen gelijkgezind zijn, van personen mij ten volle toegedaan, verlost van alle gebondenheid. (Vedabase)
Nu, jullie rieten [*5] van Kuvera, doordrongen van de liefde jegens Mij, keer naar huis terug met Mij als de Hoogste Bestemming, Mij, het Opperste van uw verlangen, van wie men nimmer meer terugkeert [zie ook B.G. 5: 17].'
Nu, jullie rieten [*5] van Kuvera, doordrongen van de liefde jegens Mij, keer naar huis terug met Mij als de Hoogste Bestemming, Mij, het Opperste van uw verlangen, van wie men niet meer terugkomt [zie ook B.G. 5: 17].' (Vedabase)
S'rî S'uka zei: 'Aldus toegesproken liepen de twee terwijl ze voortdurend baden om Hem heen die aan het stampvat was gebonden, en namen zij afscheid vertrekkend in de noordelijke richting [waar Kailâsa is].'
S'rî S'uka zei: 'Aldus toegesproken liepen de twee onder een voortdurend bidden om Hem heen die aan het stampvat was gebonden, en namen zij afscheid vertrekkend in de noordelijke richting [waar Kailâsa is].' (Vedabase)
*: Hierbij geeft Prabhupâda het commentaar: 'Er is een verhelderend verhaal genaamd punar mûshiko bhava, "Opnieuw een Muis Worden." Er was er eens een muis die zeer geplaagd werd door een kat, en daarom benaderde die muis een geheiligde persoon om te vragen of hij een kat mocht worden. Toen de muis een kat werd, werd hij geplaagd door een hond, en toen hij een hond werd, werd hij belaagd door een tijger. Maar toen hij een tijger werd staarde hij naar die heilige, en toen de gelouterde ziel hem vroeg, "Wat wil je nu?" zei de tijger, "Ik wil u opvreten." Toen vervloekte die gezuiverde persoon hem, zeggende, "Moge u weer een muis worden".'
**: In feite is systematische honger of geregeld vasten voor de toegewijden een standaardprocedure. Ze vasten geregeld voor de duur van een dag zoals met ekâdas'i: iedere elfde dag na de nieuwe en volle maan vast de Vaishnava van granen en bonen en chant hij. De moderne medische wetenschap bevestigt dat regelmatig vasten, of systematische honger iemands levensduur verlengt. Zie ook 8.16: payo vrata, het vasten van vast voedsel als het beste van alle offers.
***: Arjuna bomen treft men nog steeds in de bossen aan. De bast word door cardiologen gebruikt om medicijnen te vervaardigen tegen hartaandoeningen.
*4: Het is vanwege deze dâmodara-lîlâ dat Heer Krishna als kleuter soms Dâmodara wordt genoemd: aan de buik gebonden [zie ook de bhajan Damodarâshthaka].
*5: 'Rieten' heeft betrekking op het hol zijn van de overgave.
![]()
Voor
deze vertaling werd het enige deel dat Svâmi Prabhupâda
van het tiende Canto schreef gebruikt.
Zie
de
S'rîmad Bhâgavatam
linkspagina.
voor een download van dit boek en andere boeken van
Prabhupâda.
Het eerste schilderij verwijst naar de badende Kuvera's en is
getiteld:
'The Woman Who Is Driven by Passion to Meet Her Lover' (Kamabhisarika
Nayika)
Page from a dispersed series of the Rasikapriya (Connoisseur's
Delights) of Keshavadasa
Made in Rajasthan, India, c. 1640-50n'
Bron: Philadelphia
Museum of Art.
Het tweede schilderij is getiteld: 'Krishna Splits the Double Arjuna
Tree'
Page from a dispersed series of the Bhagavata Purana, Made in Surat,
Gujarat, India, c. 1720.
Productie: de Filognostische
Associatie
van De
Orde van de Tijd.