regelbalk


 

Canto 10

S'rî Krishna Caitanya

 

 

Hoofdstuk 14: Brahmâ's Gebeden tot Heer Krishna

(1) S'rî Brahmâ zei: 'Mijn lof voor U, o Zoon van de Koning der Koeherders, o aanbiddelijke Heer wiens schoonheid we mogen kennen in de vorm van een lichaam, een prachtig gezicht en zachte voeten zo donker als een regenwolk, kleding zo helder als de bliksem, guñjâ[-zaad]-sieraden [aan Uw oren], pauweveren, een slinger van woudbloemen, een handje voedsel [zie 10.13: 14], een staf, een hoorn en een fluit. (2) O Godheid zo van genade met mij, zelfs met inderdaad dit lichaam van U recht voor me, dat naar het verlangen van Uw toegewijden zich manifesteerde maar anderzijds in het geheel geen product van de materie is, ben ik, Brahmâ, met mijn innerlijke geest niet in staat Uw grootheid te doorgronden, om nog maar te zwijgen over de ervaring van Uw ziel van geluk. (3) Hoewel onoverwinnelijk geeft U niettemin Uzelf gewonnen voor hen in de drie werelden die regelmatig hun lichaam, woorden en geest oefenend, in het behouden van hun materiële posities oren hebben naar de verhalen met betrekking tot U zoals ze worden verteld door de waarachtigen, de waarachtigen die eenvoudig levend, hun eerbetuigingen brengen met het niet langer meer proberen iets te bereiken op het gebied van de geestelijke kennis. (4) Het pad van bhakti zo allergunstigst, dat wordt afgewezen door hen, o Almachtige Heer, die enkel maar worstelen voor de prestatie van de kennis, houdt voor hen niets dan moeilijkheden in, precies zoals het lege kaf alleen maar lastig is voor hen die dorsen. (5) Lang geleden, o Grootste, was er in deze wereld menig een yoga-aanhanger die, met het aan U hebben opgedragen van al zijn ondernemen, tot het begrip kwam dat men verwerft met het doen van de eigen specifieke plicht; het is inderdaad zo dat men door het verrichten van toegewijde dienst in het cultiveren van het luisteren en het zingen heel makkelijk Uw Allerhoogste Bestemming kan bereiken o Onfeilbare! [zie ook 7.5: 23-24] (6) Niettemin, o Volledige van het Bestaan, kan alleen maar hij het vermogen van U doorgronden als zijnde zonder materiële kwaliteiten [ofwel nirguna] die onberispelijk is met een geest en met zinnen die vrij zijn van strubbelingen en die, in navolging van Uw liefde als zijnde iemand met geen andere leidraad voor Zichzelf, geenszins is gehecht aan deze of gene verschijningsvorm. Er bestaat geen andere manier. (7) Op den duur slagen grote wetenschappers er misschien in alle deeltjes die er in het universum zijn van de aarde, van de lucht, van de sneeuw en het licht van de sterren te tellen, maar wie zou ertoe in staat zijn de kwaliteiten op te sommen van U, het Zelf van Alle Kwaliteiten [gunâtma], die nederdaalde voor het heil van alle wezens? [vergelijk 8.5: 6] (8) Vurig hopend op Uw mededogen en de dingen verdragend die zonder twijfel het gevolg zijn van het eigen baatzuchtig handelen, zal daarom een ieder, die U in zijn hart, zijn woorden en met het lichaam zijn eerbetuigingen brengt, een leven leiden gericht op de positie der bevrijding, omdat je dan in aanmerking komt voor de genade [zie ook 1.5: 17, 1.19: 32, 2.1: 12, 3.33: 6, 4.20: 11, 4.29: 38 etc.]. (9) Bezie enkel, o Heer, hoe ik die zo laakbaar ben in relatie tot U, de Onbegrensde, Voorwereldlijke Superziel, alleen maar om getuige te zijn van de macht van U, de Begoochelaar van Alle Begoochelaars, mijn macht over de illusie uit heb gebreid; was het formaat van wat ik verlangde werkelijk niet slechts als een vonkje in verhouding tot het vuur? (10) Derhalve, o Onfeilbare, mijn excuses, ik, geboren uit de hartstocht, ben werkelijk een onwetende die, niet aan een nieuw leven begonnen zijnde, zichzelf hoogmoedig als een op zichzelf staande autoriteit beschouwde; mijn ogen waren blind door de duisternis der onwetendheid - verdient iemand als ik, in het aanvaarden van U als mijn meester, niet Uw genade? (11) Wat heb ik nu te betekenen met mijn materiële aard, die zeven maten van dit lichaam van het geheel van de materie, het valse ego, de ether, de lucht, het vuur, het water en de aarde, dat me als een vat omsluit? Wat stelt dit voor vergeleken bij de Onbegrensde Universa die als atomair stof wegbewegen van de openingen en poriën van Uw lichaam, Uw grootheid [zie ook 1. 3: 3  en 3: 11]? (12) O Heer van het Voorbije, neemt een moeder het haar kind kwalijk als het met zijn beentjes schopt in de baarmoeder - wat al niet dat wordt gelabeld met omschrijvingen als 'bestaand' en 'niet-bestaand' zou er in werkelijkheid buiten Uw schoot bestaan? (13) De woorden zijn werkelijk niet onwaar die stellen dat Brahmâ, de 'zelfgeborene' [aja *5], met de drie werelden die aan hun einde komen in de oceanen van het water van de zondvloed, voortkwam uit de lotusstengel groeiend uit de buik van Nârâyana; ben ik niet uit U voortgekomen? [zie 3.8] (14) Bent U niet Nârâyana, de Ziel van alle levende wezens? U bent de Leraar van Binnen in het Hart, de Getuige van Alle Werelden, de Nârâ-yana: het deel [of de leidraad] van God met betrekking tot de mens, die bron van waaruit de wateren ontsprongen - dat is wat U werkelijk bent en niet zozeer Uw specifieke gedaante [mâyâ]. (15) Als dat bovenzinnelijke lichaam van U dat het ganse universum herbergt zich bevindt op het water, waarom werd het dan door mij niet gezien o Allerhoogste Heer, of waarom was U, toen U niet zoals het moest door mij werd waargenomen in het hart, anderzijds toen plotseling weer te zien [zie 3.8: 22]? (16) In deze incarnatie inderdaad verjaagt U door Uw macht over de begoochelende energie de illusie van dit gehele, geschapen universum dat uitwendig zichtbaar is alsook aanwezig in Uw buik, zoals U dat feitelijk hebt laten zien aan Uw moeder [door Uw mond te openen zie 10.7: 35-36 & 10.8: 37-39]. (17) Zoals het kosmisch geheel zich hier buiten ons bevindt, was dit alles met inbegrip van Uzelve ook te zien in Uw binnenste; dit kon zich alleen maar voordoen dankzij de invloed van Uw ondoorgrondelijk vermogen! (18) Is mij niet net vandaag door U getoond hoe, op Uzelf na, dit alles is gebaseerd op Uw begoochelend vermogen? Eerst was U er helemaal alleen en toen werd U alle jongens en kalveren van Vraja, vervolgens werd U zelfs een zelfde aantal vierhandigen die met mij erbij door allen werden gediend en toen werd U een gelijk aantal universa [10.13: 53]; en nu bent u weer de Ene Unieke, Onbegrensde Absolute Waarheid... (19) Voor hen die zich, het op de materiële manier begrijpend, niet bewust zijn van Uw positie verschijnt U, middels Uzelf Uw mâyâ uitbreidend, voor de zaken der schepping als Ikzelf, als Uzelf voor het belang van het handhaven en als de Drieogige [Heer S'iva] aan het einde. (20) Onder de verlichten en de zieners, o Heer en Meester, zowel als inderdaad onder de menselijke wezens, de dieren en de wezens in het water, neemt U, die in feite ongeboren bent, o Meester, o Schepper, Uw geboorte om van genade te zijn voor de waarachtigen en om de onwaarachtigen die verblind zijn door de illusie terecht te wijzen [zie ook B.G. 4: 8]. (21) Wie, o Grootste, Allerhoogste Heer, o Superziel en Beheerser van de Yoga, weet waar, hoe, hoeveel of wanneer in de drie werelden al het spel en vermaak, alle avonturen van Uwe Heerlijkheid, het toneel van Uw geestelijke energie [yoga-mâyâ] zich alzo afspeelt? (22) Daarom is dit volkomen geheel, dat onwaar [asat, tijdelijk] in zijn vorm is, net als een droom waarin het bewustzijn word overdekt door allerlei vormen van ellende; terwijl binnenin Uzelf zich Uw ongegrensde gedaanten bevinden van het bewustzijn, het eeuwige en het geluk, hebben we [daarbuiten] de begoochelende energie die zich voordoet als zijnde het ware [sat, permanent, zie ook B.G. 2: 16 en **]. (23) De ene Ziel bent U, de Oorspronkelijke Persoonlijkheid, de Oudste, de Waarheid, het Licht van Binnenuit dat zonder een begin of een einde is, het voor eeuwig, nimmer afnemende, onbelemmerde geluk dat vrij van onzuiverheden is, het Volkomene Zonder een Tweede dat onvergankelijk alle beschrijving te boven gaat. (24) U als zodanig omschreven bent inderdaad de eigenlijke Ziel van alle zielen, zo mogen zij dat zien die van de stralende geestelijk leraar de volmaakte visie van de vertrouwelijke filosofie mochten verkrijgen; zij zijn het die gemakkelijk de oceaan oversteken van een onwaar werelds bestaan. (25) Met hen, die U inderdaad niet begrijpen als zijnde de Opperziel, werpt zich enkel om die reden een geheel materieel leven op dat door de kennis der spiritualiteit dan weer verdwijnt, precies zoals met een touw [het beeld van] het lichaam van een slang verschijnt en verdwijnt. (26) Omschrijvingen als zijnde gebonden aan de materie of bevrijd zijn komen voort uit niet weten, feitelijk zijn de twee er niet los van elkaar [maar zijn ze hetzelfde in het gebonden zijn aan wat geen illusie is] als men, zoals met dagen en nachten voor de zon, naar behoren onderscheid maakt naar gelang de ware kennis van de zuivere transcendentale, geestelijke ziel waarvan het bewustzijn niet belemmerd is [zoals-het-is, vrij van mâyâ]. (27) Oh, hoe onwetend die dwaasheid van personen die denken over U, de Oorspronkelijke Ziel, als zijnde iets anders en over het Zelf als [zijnde iemand die is] na te trekken in de buitenwereld! [zie B.G. 18: 16] (28) De waarachtigen, die vanbinnen verwerpen wat niet 'dat' is [zie neti neti 7.7: 23], zijn inderdaad naar U op zoek, o Onbegrensde; zou zelfs maar een man van waarheid, die gevangen is in het onware van de 'slang' die altijd vlakbij is, [er meteen toe] in staat zijn waardering op te brengen voor het ware van het 'touw'? [zie ook 10.6: 8, en B.G. 18: 37] (29) Daarom is het zo mijn Heer dat men, al werd men maar met een spoor van Uw lotusvoeten gezegend, dan in feite de zekere waarheid kent van de grootheid van de Allerhoogste Persoonlijkheid, en dat gaat niet op voor iemand anders, hoe lang hij ook speculeert. (30) Mag het daarom zo zijn o Meester, dat, in deze geboorte, een volgende inderdaad of zelfs een leven waar we liever niet over nadenken, er dat grootste geluk is waardoor ik, met het alleen maar worden van een van Uw toegewijden, ten volle van dienst ben bij de lotusknoppen van Uw voeten? (31) Hoe fortuinlijk is Vraja niet en zijn de koeien en de gopî's niet van wie U, naar Uw volle bevrediging, in de gedaante van de kalfjes en de jongens de nectargelijke moedermelk hebt gedronken, o Almachtige Heer, en van wie de voldoening vooralsnog door geen vedisch offer kon worden geëvenaard. (32) Welk een geluk, o wat een fortuin houdt het voor Nanda, de gopa's en de andere bewoners van Vraja in, om als hun vriend het Allerhoogste Verblijf van de Gelukzaligheid te hebben, de Volledige, Absolute en Eeuwige Waarheid. (33) En hoe groot het goede van hun geluk ook moge zijn, o Onfeilbare, wij, de elf [***], S'iva en alle andere goden inderdaad, o Wonder, zijn zo gelukkig telkens weer opnieuw middels de bekers van de zinnen van deze toegewijden te mogen drinken van de ambrozijne, bedwelmende honing van Uw lotusvoeten. (34) Welke geboorte ik ook maar hier in dit woud zou nemen [als dit of dat dier of als een plant] zou me dat allergrootste geluk brengen; enkel en alleen maar door te kunnen baden in het stof van wie van hen ook wiens leven waarlijk volledig van de Allerhoogste Heer Mukunda Zijn voeten is; de voeten waarvan het stof zelfs tot op vandaag wordt gezocht door de S'ruti's [de Veda's]. (35) Wat anders ook dan Uzelve, die waarlijk de bron bent van alle zegeningen, o Godheid, zou U als beloning schenken aan deze leden van de koeherdersgemeenschap wiens huizen, welvaart, vrienden, beminden, lichamen, kinderen, levensadem, en geesten alle U toewijd zijn - onze geest denkend aan enig ander iets vervalt in illusie, daar U het zelfs niet te betwijfelen zo regelde dat Pûtanâ die zich vermomde als een waarachtige en ook haar familieleden [Bakâ en Agha] U konden bereiken, o goddelijke persoonlijkheid. (36) Zolang als mensen niet de Uwe zijn, zijn de gehechtheden en dergelijke allemaal dieven, is het huis een gevangenis en is het verzot zijn als een stel boeien aan hun voeten. (37) Hoewel U geheel bovenzinnelijk bent bootst U op deze aarde dat na wat materieel is, o Meester, met de bedoeling de mensen die van overgave zijn te onderrichten in Uw verschillende vormen van spiritueel geluk. (38) Er zijn mensen die hun zekerheid ontlenen aan het gebruik van vele woorden - laat ze hun gang maar gaan, maar wat voor nut heeft het voor ons o mijn Heer, Uw weelde valt immers buiten het bereik van mijn lichaam, mijn geest en mijn woorden [zie B.G. 2: 42-44]! (39) Laat me afscheid van U nemen o Krishna, U weet alles, U ziet alles, U alleen bent de Meester van alle universa, ik stel U dit universum ter beschikking. (40) S'rî Krishna, U verleent de lotus van de Vrishni-dynastie het geluk; van de zeeën van de aarde, de halfgoden, de brahmanen en de dieren bent U de oorzaak van hun ontwikkeling; als er een gebrek aan rechtschapenheid is verdrijft U de duisternis; van de monsters bent U de tegenstander; voor zolang de zon schijnt, tot het einde der tijden, breng ik, o aanbiddelijke Heer zo hoog Verheven, U mijn eerbetuigingen.'

(41) S'rî S'uka zei: 'Na aldus de Weelde van de Wereld te hebben geprezen wenste de schepper van het universum het, met een drietal keren om Hem heen lopen en zich verbuigen voor Zijn voeten, om terug te keren naar zijn verblijfplaats. (42) De Allerhoogste Heer, die hem die uit Hem was voortgekomen Zijn goedkeuring gaf, bracht toen de kalveren van waar ze zich hadden opgehouden terug naar de oever van de rivier waar, net als voorheen, Zijn vrienden allen aanwezig waren. (43) Hoewel er een jaar was verstreken en zij, zonder de Heer van hun levens, overdekt waren geweest door Krishna's mâyâ, was er voor de jongens slechts een halve seconde verstreken, o Koning. (44) Wat, o wat vergeten personen die in de ban zijn van mâyâ allemaal niet in deze wereld; het daarmee verbijsterd zijn in het bewustzijn zorgt ervoor dat de ganse wereld zichzelf voortdurend kwijt is. (45) De vrienden zeiden tot Krishna: 'Wat ben Jij snel weer terug, we hebben nog geen hap kunnen eten ondertussen, kom alsJeblieft hier en eet netjes Je eten op.' (46) Hen toelachend genoot de Heer der Zinnen toen Zijn maaltijd met de koeherdersjongens die Hij, toen ze vanuit het bos terugkeerden naar huis in Vraja, de huid liet zien van de python Aghâsura [zie 10.12]. (47) Terwijl de jongens luid speelden op de bamboefluit en de hoorn en ze Zijn zegenrijke heerlijkheden bezongen, riep Hij, met Zijn lichaam opgesierd met een pauwenveer en met bloemen en kleuren uit het bos, uit naar de kalveren terwijl Hij met Zijn kameraden de weidegronden betrad [nabij Gokula]; de aanblik vormde voor de gopî's een lust voor het oog. (48) 'Vandaag heeft Hij, de zoon van Yas'odâ en Nanda, ons van de grote slang gered door hem te doden', zo zongen de jongens in Vraja.'

(49) De koning zei: 'Alstublieft, o brahmaan, hoe kon er zo ongehoord veel liefde zijn voor het kind van iemand anders dat Krishna was, zelfs de liefde overtreffend [die de gopa's en gopî's hadden] voor hun eigen kroost?'

(50) S'rî S'uka zei: 'Voor ieder levend wezen is in waarheid, o heerser der mensen, het eigen zelf het meest dierbaar, de liefde voor anderen, de kinderen, de weelde enzovoorts is allemaal daarop gebaseerd. (51) Om die reden o beste der koningen, is de liefde van belichaamde wezens zelfzuchtig en ongelijk aan de liefde voor dat wat tot hen behoort zoals zoons, rijkdom, huizen enzovoorts. (52) Voor die personen die in feite spreken over het lichaam als zijnde henzelf [zie ook ahankâra], o beste der koningen, is het lichaam net zo dierbaar en is zo voorzeker dat wat er mee samenhangt niet zo dierbaar. [zie ook B.G. 2: 71] (53) Als het lichaam [echter] doorgaat voor iets dat men bezit zal het bijgevolg niet zo dierbaar zijn als de ziel, omdat als het oud wordt het verlangen om in leven te blijven onverminderd sterk blijft. (54) Derhalve is voor alle belichaamde wezens [het zelf van] iemands eigen ziel het meest dierbaar, de ziel vormt feitelijk de zin van het bestaan voor heel dit universum aan bewegende en niet bewegende levende wezens. (55) In dezen moet u Krishna zien als de Volkomen Ziel van de levende wezens die, middels Zijn eigen vermogen verschijnend als een menselijk wezen, hier bestaat voor het heil van het ganse universum. (56) Zij die in deze wereld Krishna kennen zoals Hij werkelijk is begrijpen het statische en dynamische als zijnde twee verschillende verschijningsvormen van de Allerhoogste Heer die voor het Volkomen Geheel staat, de essentie waarbuiten er alhier in het geheel niets te vinden is [vergelijk B.G. 7: 26]. (57) De Opperheer vormt voor alle levensvormen voorwaar de reden van bestaan, aan Hem ontlenen ze Hun stabiliteit; is er ook maar iets denkbaar dat buiten Hem om zou bestaan?(58) Voor hen die hun toevlucht hebben genomen tot de lotusknoppen van de voeten, die als een boot zijn, de voeten die voor zelfs de grootsten de veilige haven vormen van de opperste vroomheid zo befaamd voor het bestrijden van Mura [de demon], zijn die voeten de Allerhoogste Verblijfplaats [Vaikunthha] waar geen enkele van de vormen van ellende wordt aangetroffen en is met hen, met iedere stap genomen, de oceaan van het materiële bestaan [niet meer dan het water in] de hoefafdruk van een kalf. [vergelijk 10.1: 5-7 en 10.2: 30].

(59) Alles waar u naar vroeg wat betreft dat wat de Heer deed op Zijn vijfde jaar en werd uitgedragen op Zijn zesde, heb ik nu voor u beschreven. (60) De persoon die verneemt of zingt over dit spel en vermaak van Heer Murâri die Agha vernietigde, over hoe Hij met Zijn vrienden de maaltijd gebruikte op een open plek in het woud, en over de bovenwereldse [meervoudige Vishnu]-gedaante die Hij aannam met de zelfgeborene die zo uitvoerig is in zijn gebeden, zal het allesomvattende van zijn belangen bereiken [spirituele volmaaktheid]. (61) *4

 

 

next          

 
 

Tweede editie, geladen 11 april 2008.

 

 

 

 

 

Bronteksten (geen bron in het Nederlands beschikbaar):

Brahmâ's Prayers to Lord Krishna

 

Tekst 1:

S'rî Brahmâ zei: 'Mijn lof voor U, o Zoon van de Koning der Koeherders, o aanbiddelijke Heer wiens schoonheid we mogen kennen in de vorm van een lichaam, een prachtig gezicht en zachte voeten zo donker als een regenwolk, kleding zo helder als de bliksem, guñjâ[-zaad]-sieraden [aan Uw oren], pauweveren, een slinger van woudbloemen, een handje voedsel [zie 10.13: 14], een staf, een hoorn en een fluit.

Lord Brahmâ said: My dear Lord, You are the only worshipable Lord, the Supreme Personality of Godhead, and therefore I offer my humble obeisances and prayers just to please You. O son of the king of the cowherds, Your transcendental body is dark blue like a new cloud, Your garment is brilliant like lightning, and the beauty of Your face is enhanced by Your guñjâ earrings and the peacock feather on Your head. Wearing garlands of various forest flowers and leaves, and equipped with a herding stick, a buffalo horn and a flute, You stand beautifully with a morsel of food in Your hand. (Vedabase)

 

Tekst 2:

O Godheid zo van genade met mij, zelfs met inderdaad dit lichaam van U recht voor me, dat naar het verlangen van Uw toegewijden zich manifesteerde maar anderzijds in het geheel geen product van de materie is, ben ik, Brahmâ, met mijn innerlijke geest niet in staat Uw grootheid te doorgronden, om nog maar te zwijgen over de ervaring van Uw ziel van geluk.

My dear Lord, neither I nor anyone else can estimate the potency of this transcendental body of Yours, which has shown such mercy to me and which appears just to fulfill the desires of Your pure devotees. Although my mind is completely withdrawn from material affairs, I cannot understand Your personal form. How, then, could I possibly understand the happiness You experience within Yourself? (Vedabase)

    

Tekst 3:

Hoewel onoverwinnelijk geeft U niettemin Uzelf gewonnen voor hen in de drie werelden die regelmatig hun lichaam, woorden en geest oefenend, in het behouden van hun materiële posities oren hebben naar de verhalen met betrekking tot U zoals ze worden verteld door de waarachtigen, de waarachtigen die eenvoudig levend, hun eerbetuigingen brengen met het niet langer meer proberen iets te bereiken op het gebied van de geestelijke kennis.

Those who, even while remaining situated in their established social positions, throw away the process of speculative knowledge and with their body, words and mind offer all respects to descriptions of Your personality and activities, dedicating their lives to these narrations, which are vibrated by You personally and by Your pure devotees, certainly conquer Your Lordship, although You are otherwise unconquerable by anyone within the three worlds. (Vedabase)

 

Tekst 4:

Het pad van bhakti zo allergunstigst, dat wordt afgewezen door hen, o Almachtige Heer, die enkel maar worstelen voor de prestatie van de kennis, houdt voor hen niets dan moeilijkheden in, precies zoals het lege kaf alleen maar lastig is voor hen die dorsen.

My dear Lord, devotional service unto You is the best path for self-realization. If someone gives up that path and engages in the cultivation of speculative knowledge, he will simply undergo a troublesome process and will not achieve his desired result. As a person who beats an empty husk of wheat cannot get grain, one who simply speculates cannot achieve self-realization. His only gain is trouble. (Vedabase)

 

Tekst 5:

Lang geleden, o Grootste, was er in deze wereld menig een yoga-aanhanger die, met het aan U hebben opgedragen van al zijn ondernemen, tot het begrip kwam dat men verwerft met het doen van de eigen specifieke plicht; het is inderdaad zo dat men door het verrichten van toegewijde dienst in het cultiveren van het luisteren en het zingen heel makkelijk Uw Allerhoogste Bestemming kan bereiken o Onfeilbare! [zie ook 7.5: 23-24]

O almighty Lord, in the past many yogîs in this world achieved the platform of devotional service by offering all their endeavors unto You and faithfully carrying out their prescribed duties. Through such devotional service, perfected by the processes of hearing and chanting about You, they came to understand You, O infallible one, and could easily surrender to You and achieve Your supreme abode. (Vedabase)

 

Tekst 6

Niettemin, o Volledige van het Bestaan, kan alleen maar hij het vermogen van U doorgronden als zijnde zonder materiële kwaliteiten [ofwel nirguna] die onberispelijk is met een geest en met zinnen die vrij zijn van strubbelingen en die, in navolging van Uw liefde als zijnde iemand met geen andere leidraad voor Zichzelf, geenszins is gehecht aan deze of gene verschijningsvorm. Er bestaat geen andere manier.

Nondevotees, however, cannot realize You in Your full personal feature. Nevertheless, it may be possible for them to realize Your expansion as the impersonal Supreme by cultivating direct perception of the Self within the heart. But they can do this only by purifying their mind and senses of all conceptions of material distinctions and all attachment to material sense objects. Only in this way will Your impersonal feature manifest itself to them. (Vedabase)

   

Tekst 7

Op den duur slagen grote wetenschappers er misschien in alle deeltjes die er in het universum zijn van de aarde, van de lucht, van de sneeuw en het licht van de sterren te tellen, maar wie zou ertoe in staat zijn de kwaliteiten op te sommen van U, het Zelf van Alle Kwaliteiten [gunâtma], die nederdaalde voor het heil van alle wezens? [vergelijk 8.5: 6]

In time, learned philosophers or scientists might be able to count all the atoms of the earth, the particles of snow, or perhaps even the shining molecules radiating from the sun, the stars and other luminaries. But among these learned men, who could possibly count the unlimited transcendental qualities possessed by You, the Supreme Personality of Godhead, who have descended onto the surface of the earth for the benefit of all living entities? (Vedabase)

 

Tekst 8

Vurig hopend op Uw mededogen en de dingen verdragend die zonder twijfel het gevolg zijn van het eigen baatzuchtig handelen, zal daarom een ieder, die U in zijn hart, zijn woorden en met het lichaam zijn eerbetuigingen brengt, een leven leiden gericht op de positie der bevrijding, omdat je dan in aanmerking komt voor de genade [zie ook 1.5: 17, 1.19: 32, 2.1: 12, 3.33: 6, 4.20: 11, 4.29: 38 etc.].

My dear Lord, one who earnestly waits for You to bestow Your causeless mercy upon him, all the while patiently suffering the reactions of his past misdeeds and offering You respectful obeisances with his heart, words and body, is surely eligible for liberation, for it has become his rightful claim. (Vedabase)

  

Tekst 9

Bezie enkel, o Heer, hoe ik die zo laakbaar ben in relatie tot U, de Onbegrensde, Voorwereldlijke Superziel, alleen maar om getuige te zijn van de macht van U, de Begoochelaar van Alle Begoochelaars, mijn macht over de illusie uit heb gebreid; was het formaat van wat ik verlangde werkelijk niet slechts als een vonkje in verhouding tot het vuur?

My Lord, just see my uncivilized impudence! To test Your power I tried to extend my illusory potency to cover You, the unlimited and primeval Supersoul, who bewilder even the masters of illusion. What am I compared to You? I am just like a small spark in the presence of a great fire. (Vedabase)

 

Tekst 10

Derhalve, o Onfeilbare, mijn excuses, ik, geboren uit de hartstocht, ben werkelijk een onwetende die, niet aan een nieuw leven begonnen zijnde, zichzelf hoogmoedig als een op zichzelf staande autoriteit beschouwde; mijn ogen waren blind door de duisternis der onwetendheid - verdient iemand als ik, in het aanvaarden van U als mijn meester, niet Uw genade?

Therefore, O infallible Lord, kindly excuse my offenses. I have taken birth in the mode of passion and am therefore simply foolish, presuming myself a controller independent of Your Lordship. My eyes are blinded by the darkness of ignorance, which causes me to think of myself as the unborn creator of the universe. But please consider that I am Your servant and therefore worthy of Your compassion. (Vedabase)

 

Tekst 11

Wat heb ik nu te betekenen met mijn materiële aard, die zeven maten van dit lichaam van het geheel van de materie, het valse ego, de ether, de lucht, het vuur, het water en de aarde, dat me als een vat omsluit? Wat stelt dit voor vergeleken bij de Onbegrensde Universa die als atomair stof wegbewegen van de openingen en poriën van Uw lichaam, Uw grootheid [zie ook 1. 3: 3  en 3: 11]?

What am I, a small creature measuring seven spans of my own hand? I am enclosed in a potlike universe composed of material nature, the total material energy, false ego, ether, air, water and earth. And what is Your glory? Unlimited universes pass through the pores of Your body just as particles of dust pass through the openings of a screened window. (Vedabase)

   

Tekst 12:

O Heer van het Voorbije, neemt een moeder het haar kind kwalijk als het met zijn beentjes schopt in de baarmoeder - wat al niet dat wordt gelabeld met omschrijvingen als 'bestaand' en 'niet-bestaand' zou er in werkelijkheid buiten Uw schoot bestaan?

O Lord Adhokshaja, does a mother take offense when the child within her womb kicks with his legs? And is there anything in existence - whether designated by various philosophers as real or as unreal - that is actually outside Your abdomen? (Vedabase)

  

Tekst 13

De woorden zijn werkelijk niet onwaar die stellen dat Brahmâ, de 'zelfgeborene' [aja *5], met de drie werelden die aan hun einde komen in de oceanen van het water van de zondvloed, voortkwam uit de lotusstengel groeiend uit de buik van Nârâyana; ben ik niet uit U voortgekomen? [zie 3.8]

My dear Lord, it is said that when the three planetary systems are merged into the water at the time of dissolution, Your plenary portion, Nârâyana, lies down on the water, gradually a lotus flower grows from His navel, and Brahmâ takes birth upon that lotus flower. Certainly, these words are not false. Thus am I not born from You? (Vedabase)

 

Tekst 14

Bent U niet Nârâyana, de Ziel van alle levende wezens? U bent de Leraar van Binnen in het Hart, de Getuige van Alle Werelden, de Nârâ-yana: het deel [of de leidraad] van God met betrekking tot de mens, die bron van waaruit de wateren ontsprongen - dat is wat U werkelijk bent en niet zozeer Uw specifieke gedaante [mâyâ].

Are You not the original Nârâyana, O supreme controller, since You are the Soul of every embodied being and the eternal witness of all created realms? Indeed, Lord Nârâyana is Your expansion, and He is called Nârâyana because He is the generating source of the primeval water of the universe. He is real, not a product of Your illusory Mâyâ. (Vedabase)

 

Tekst 15

Als dat bovenzinnelijke lichaam van U dat het ganse universum herbergt zich bevindt op het water, waarom werd het dan door mij niet gezien o Allerhoogste Heer, of waarom was U, toen U niet zoals het moest door mij werd waargenomen in het hart, anderzijds toen plotseling weer te zien [zie 3.8: 22]?

My dear Lord, if Your transcendental body, which shelters the entire universe, is actually lying upon the water, then why were You not seen by me when I searched for You? And why, though I could not envision You properly within my heart, did You then suddenly reveal Yourself? (Vedabase)

 

Tekst 16

In deze incarnatie inderdaad verjaagt U door Uw macht over de begoochelende energie de illusie van dit gehele, geschapen universum dat uitwendig zichtbaar is alsook aanwezig in Uw buik, zoals U dat feitelijk hebt laten zien aan Uw moeder [door Uw mond te openen zie 10.7: 35-36 & 10.8: 37-39].

My dear Lord, in this incarnation You have proved that You are the supreme controller of Mâyâ. Although You are now within this universe, the whole universal creation is within Your transcendental body - a fact You demonstrated by exhibiting the universe within Your abdomen before Your mother, Yas'odâ. (Vedabase)

  

Tekst 17

Zoals het kosmisch geheel zich hier buiten ons bevindt, was dit alles met inbegrip van Uzelve ook te zien in Uw binnenste; dit kon zich alleen maar voordoen dankzij de invloed van Uw ondoorgrondelijk vermogen!

Just as this entire universe, including You, was exhibited within Your abdomen, so it is now manifested here externally in the same exact form. How could such things happen unless arranged by Your inconceivable energy? (Vedabase)

 

Tekst 18

Is mij niet net vandaag door U getoond hoe, op Uzelf na, dit alles is gebaseerd op Uw begoochelend vermogen? Eerst was U er helemaal alleen en toen werd U alle jongens en kalveren van Vraja, vervolgens werd U zelfs een zelfde aantal vierhandigen die met mij erbij door allen werden gediend en toen werd U een gelijk aantal universa [10.13: 53]; en nu bent u weer de Ene Unieke, Onbegrensde Absolute Waarheid...

Have You not shown me today that both You Yourself and everything within this creation are manifestations of Your inconceivable potency? First You appeared alone, and then You manifested Yourself as all of Vrindâvana's calves and cowherd boys, Your friends. Next You appeared as an equal number of fourhanded Vishnu forms, who were worshiped by all living beings, including me, and after that You appeared as an equal number of complete universes. Finally, You have now returned to Your unlimited form as the Supreme Absolute Truth, one without a second. (Vedabase)

 

Tekst 19

Voor hen die zich, het op de materiële manier begrijpend, niet bewust zijn van Uw positie verschijnt U, middels Uzelf Uw mâyâ uitbreidend, voor de zaken der schepping als Ikzelf, als Uzelf voor het belang van het handhaven en als de Drieogige [Heer S'iva] aan het einde.

To persons ignorant of Your actual transcendental position, You appear as part of the material world, manifesting Yourself by the expansion of Your inconceivable energy. Thus for the creation of the universe You appear as me [Brahmâ], for its maintenance You appear as Yourself [Vishnu], and for its annihilation You appear as Lord Trinetra [S'iva]. (Vedabase)

 

  Tekst 20

Onder de verlichten en de zieners, o Heer en Meester, zowel als inderdaad onder de menselijke wezens, de dieren en de wezens in het water, neemt U, die in feite ongeboren bent, o Meester, o Schepper, Uw geboorte om van genade te zijn voor de waarachtigen en om de onwaarachtigen die verblind zijn door de illusie terecht te wijzen [zie ook B.G. 4: 8].

O Lord, O supreme creator and master, You have no material birth, yet to defeat the false pride of the faithless demons and show mercy to Your saintly devotees, You take birth among the demigods, sages, human beings, animals and even the aquatics. (Vedabase)

 

Tekst 21

Wie, o Grootste, Allerhoogste Heer, o Superziel en Beheerser van de Yoga, weet waar, hoe, hoeveel of wanneer in de drie werelden al het spel en vermaak, alle avonturen van Uwe Heerlijkheid, het toneel van Uw geestelijke energie [yoga-mâyâ] zich alzo afspeelt?

O supreme great one! O Supreme Personality of Godhead! O Supersoul, master of all mystic power! Your pastimes are taking place continuously in these three worlds, but who can estimate where, how and when You are employing Your spiritual energy and performing these innumerable pastimes? No one can understand the mystery of how Your spiritual energy acts. (Vedabase)

 

Tekst 22

Daarom is dit volkomen geheel, dat onwaar [asat, tijdelijk] in zijn vorm is, net als een droom waarin het bewustzijn word overdekt door allerlei vormen van ellende; terwijl binnenin Uzelf zich Uw ongegrensde gedaanten bevinden van het bewustzijn, het eeuwige en het geluk, hebben we [daarbuiten] de begoochelende energie die zich voordoet als zijnde het ware [sat, permanent, zie ook B.G. 2: 16 en **].

Therefore this entire universe, which like a dream is by nature unreal, nevertheless appears real, and thus it covers one's consciousness and assails one with repeated miseries. This universe appears real because it is manifested by the potency of illusion emanating from You, whose unlimited transcendental forms are full of eternal happiness and knowledge. (Vedabase)

 

Tekst 23

De ene Ziel bent U, de Oorspronkelijke Persoonlijkheid, de Oudste, de Waarheid, het Licht van Binnenuit dat zonder een begin of een einde is, het voor eeuwig, nimmer afnemende, onbelemmerde geluk dat vrij van onzuiverheden is, het Volkomene Zonder een Tweede dat onvergankelijk alle beschrijving te boven gaat.

You are the one Supreme Soul, the primeval Supreme Personality, the Absolute Truth - self-manifested, endless and beginningless. You are eternal and infallible, perfect and complete, without any rival and free from all material designations. Your happiness can never be obstructed, nor have You any connection with material contamination. Indeed, You are the indestructible nectar of immortality. (Vedabase)

 

Tekst 24

U als zodanig omschreven bent inderdaad de eigenlijke Ziel van alle zielen, zo mogen zij dat zien die van de stralende geestelijk leraar de volmaakte visie van de vertrouwelijke filosofie mochten verkrijgen; zij zijn het die gemakkelijk de oceaan oversteken van een onwaar werelds bestaan.

Those who have received the clear vision of knowledge from the sunlike spiritual master can see You in this way, as the very Soul of all souls, the Supersoul of everyone's own self. Thus understanding Your original personality, they are able to cross over the ocean of illusory material existence. (Vedabase)

 

Tekst 25

Met hen, die U inderdaad niet begrijpen als zijnde de Opperziel, werpt zich enkel om die reden een geheel materieel leven op dat door de kennis der spiritualiteit dan weer verdwijnt, precies zoals met een touw [het beeld van] het lichaam van een slang verschijnt en verdwijnt.

A person who mistakes a rope for a snake becomes fearful, but he then gives up his fear upon realizing that the so-called snake does not exist. Similarly, for those who fail to recognize You as the Supreme Soul of all souls, the expansive illusory material existence arises, but knowledge of You at once causes it to subside. (Vedabase)

 

Tekst 26

Omschrijvingen als zijnde gebonden aan de materie of bevrijd zijn komen voort uit niet weten, feitelijk zijn de twee er niet los van elkaar [maar zijn ze hetzelfde in het gebonden zijn aan wat geen illusie is] als men, zoals met dagen en nachten voor de zon, naar behoren onderscheid maakt naar gelang de ware kennis van de zuivere transcendentale, geestelijke ziel waarvan het bewustzijn niet belemmerd is [zoals-het-is, vrij van mâyâ].

The conception of material bondage and the conception of liberation are both manifestations of ignorance. Being outside the scope of true knowledge, they cease to exist when one correctly understands that the pure spirit soul is distinct from matter and always fully conscious. At that time bondage and liberation no longer have any significance, just as day and night have no significance from the perspective of the sun. (Vedabase)

 

Tekst 27

Oh, hoe onwetend die dwaasheid van personen die denken over U, de Oorspronkelijke Ziel, als zijnde iets anders en over het Zelf als [zijnde iemand die is] na te trekken in de buitenwereld! [zie B.G. 18: 16]

Just see the foolishness of those ignorant persons who consider You to be some separated manifestation of illusion and who consider the self, which is actually You, to be something else, the material body. Such fools conclude that the supreme soul is to be searched for somewhere outside Your supreme personality. (Vedabase)

 

Tekst 28

De waarachtigen, die vanbinnen verwerpen wat niet 'dat' is [zie neti neti 7.7: 23], zijn inderdaad naar U op zoek, o Onbegrensde; zou zelfs maar een man van waarheid, die gevangen is in het onware van de 'slang' die altijd vlakbij is, [er meteen toe] in staat zijn waardering op te brengen voor het ware van het 'touw'? [zie ook 10.6: 8, en B.G. 18: 37]

O unlimited Lord, the saintly devotees seek You out within their own bodies by rejecting everything separate from You. Indeed, how can discriminating persons appreciate the real nature of a rope lying before them until they refute the illusion that it is a snake. (Vedabase)

 

Tekst 29

Daarom is het zo mijn Heer dat men, al werd men maar met een spoor van Uw lotusvoeten gezegend, dan in feite de zekere waarheid kent van de grootheid van de Allerhoogste Persoonlijkheid, en dat gaat niet op voor iemand anders, hoe lang hij ook speculeert.

My Lord, if one is favored by even a slight trace of the mercy of Your lotus feet, he can understand the greatness of Your personality. But those who speculate to understand the Supreme Personality of Godhead are unable to know You, even though they continue to study the Vedas for many years. (Vedabase)

 

Tekst 30

Mag het daarom zo zijn o Meester, dat, in deze geboorte, een volgende inderdaad of zelfs een leven waar we liever niet over nadenken, er dat grootste geluk is waardoor ik, met het alleen maar worden van een van Uw toegewijden, ten volle van dienst ben bij de lotusknoppen van Uw voeten?

My dear Lord, I therefore pray to be so fortunate that in this life as Lord Brahmâ or in another life, wherever I take my birth, I may be counted as one of Your devotees. I pray that wherever I may be, even among the animal species, I can engage in devotional service to Your lotus feet. (Vedabase)

 

Tekst 31

Hoe fortuinlijk is Vraja niet en zijn de koeien en de gopî's niet van wie U, naar Uw volle bevrediging, in de gedaante van de kalfjes en de jongens de nectargelijke moedermelk hebt gedronken, o Almachtige Heer, en van wie de voldoening vooralsnog door geen vedisch offer kon worden geëvenaard.

O almighty Lord, how greatly fortunate are the cows and ladies of Vrindâvana, the nectar of whose breast-milk You have happily drunk to Your full satisfaction, taking the form of their calves and children! All the Vedic sacrifices performed from time immemorial up to the present day have not given You as much satisfaction. (Vedabase)

 

Tekst 32

Welk een geluk, o wat een fortuin houdt het voor Nanda, de gopa's en de andere bewoners van Vraja in, om als hun vriend het Allerhoogste Verblijf van de Gelukzaligheid te hebben, de Volledige, Absolute en Eeuwige Waarheid.

How greatly fortunate are Nanda Mahârâja, the cowherd men and all the other inhabitants of Vrajabhûmi! There is no limit to their good fortune, because the Absolute Truth, the source of transcendental bliss, the eternal Supreme Brahman, has become their friend. (Vedabase)

 

Tekst 33

En hoe groot het goede van hun geluk ook moge zijn, o Onfeilbare, wij, de elf [***], S'iva en alle andere goden inderdaad, o Wonder, zijn zo gelukkig telkens weer opnieuw middels de bekers van de zinnen van deze toegewijden te mogen drinken van de ambrozijne, bedwelmende honing van Uw lotusvoeten.

Yet even though the extent of the good fortune of these residents of Vrindâvana is inconceivable, we eleven presiding deities of the various senses, headed by Lord S'iva, are also most fortunate, because the senses of these devotees of Vrindâvana are the cups through which we repeatedly drink the nectarean, intoxicating beverage of the honey of Your lotus feet. (Vedabase)

 

Tekst 34

Welke geboorte ik ook maar hier in dit woud zou nemen [als dit of dat dier of als een plant] zou me dat allergrootste geluk brengen; enkel en alleen maar door te kunnen baden in het stof van wie van hen ook wiens leven waarlijk volledig van de Allerhoogste Heer Mukunda Zijn voeten is; de voeten waarvan het stof zelfs tot op vandaag wordt gezocht door de S'ruti's [de Veda's].

My greatest possible good fortune would be to take any birth whatever in this forest of Gokula and have my head bathed by the dust falling from the lotus feet of any of its residents. Their entire life and soul is the Supreme Personality of Godhead, Mukunda, the dust of whose lotus feet is still being searched for in the Vedic mantras. (Vedabase)

 

Tekst 35

Wat anders ook dan Uzelve, die waarlijk de bron bent van alle zegeningen, o Godheid, zou U als beloning schenken aan deze leden van de koeherdersgemeenschap wiens huizen, welvaart, vrienden, beminden, lichamen, kinderen, levensadem, en geesten alle U toewijd zijn - onze geest denkend aan enig ander iets vervalt in illusie, daar U het zelfs niet te betwijfelen zo regelde dat Pûtanâ die zich vermomde als een waarachtige en ook haar familieleden [Bakâ en Agha] U konden bereiken, o goddelijke persoonlijkheid.

My mind becomes bewildered just trying to think of what reward other than You could be found anywhere. You are the embodiment of all benedictions, which You bestow upon these residents of the cowherd community of Vrindâvana. You have already arranged to give Yourself to Pûtanâ and her family members in exchange for her disguising herself as a devotee. So what is left for You to give these devotees of Vrindâvana, whose homes, wealth, friends, dear relations, bodies, children and very lives and hearts are all dedicated only to You? (Vedabase)

 

Tekst 36

Zolang als mensen niet de Uwe zijn, zijn de gehechtheden en dergelijke allemaal dieven, is het huis een gevangenis en is het verzot zijn als een stel boeien aan hun voeten.

My dear Lord Krishna, until people become Your devotees, their material attachments and desires remain thieves, their homes remain prisons, and their affectionate feelings for their family members remain foot-shackles. (Vedabase)

 

Tekst 37

Hoewel U geheel bovenzinnelijk bent bootst U op deze aarde dat na wat materieel is, o Meester, met de bedoeling de mensen die van overgave zijn te onderrichten in Uw verschillende vormen van spiritueel geluk.

My dear master, although You have nothing to do with material existence, You come to this earth and imitate material life just to expand the varieties of ecstatic enjoyment for Your surrendered devotees. (Vedabase)

 

Tekst 38

Er zijn mensen die hun zekerheid ontlenen aan het gebruik van vele woorden - laat ze hun gang maar gaan, maar wat voor nut heeft het voor ons o mijn Heer, Uw weelde valt immers buiten het bereik van mijn lichaam, mijn geest en mijn woorden [zie B.G. 2: 42-44]!

There are people who say, "I know everything about Krishna." Let them think that way. As far as I am concerned, I do not wish to speak very much about this matter. O my Lord, let me say this much: As far as Your opulences are concerned, they are all beyond the reach of my mind, body and words. (Vedabase)

 

Tekst 39

Laat me afscheid van U nemen o Krishna, U weet alles, U ziet alles, U alleen bent de Meester van alle universa, ik stel U dit universum ter beschikking.

My dear Krishna, I now humbly request permission to leave. Actually, You are the knower and seer of all things. Indeed, You are the Lord of all the universes, and yet I offer this one universe unto You. (Vedabase)

 

Tekst 40

S'rî Krishna, U verleent de lotus van de Vrishni-dynastie het geluk; van de zeeën van de aarde, de halfgoden, de brahmanen en de dieren bent U de oorzaak van hun ontwikkeling; als er een gebrek aan rechtschapenheid is verdrijft U de duisternis; van de monsters bent U de tegenstander; voor zolang de zon schijnt, tot het einde der tijden, breng ik, o aanbiddelijke Heer zo hoog Verheven, U mijn eerbetuigingen.'

My dear S'rî Krishna, You bestow happiness upon the lotuslike Vrishni dynasty and expand the great oceans consisting of the earth, the demigods, the brâhmanas and the cows. You dispel the dense darkness of irreligion and oppose the demons who have appeared on this earth. O Supreme Personality of Godhead, as long as this universe exists and as long as the sun shines, I will offer my obeisances unto You. (Vedabase)

 

Tekst 41

S'rî S'uka zei: 'Na aldus de Weelde van de Wereld te hebben geprezen wenste de schepper van het universum het, met een drietal keren om Hem heen lopen en zich verbuigen voor Zijn voeten, om terug te keren naar zijn verblijfplaats.

S'ukadeva Gosvâmî said: Having thus offered his prayers, Brahmâ circumambulated his worshipable Lord, the unlimited Personality of Godhead, three times and then bowed down at His lotus feet. The appointed creator of the universe then returned to his own residence. (Vedabase)

 

Tekst 42

De Allerhoogste Heer, die hem die uit Hem was voortgekomen Zijn goedkeuring gaf, bracht toen de kalveren van waar ze zich hadden opgehouden terug naar de oever van de rivier waar, net als voorheen, Zijn vrienden allen aanwezig waren.

After granting His son Brahmâ permission to leave, the Supreme Personality of Godhead took the calves, who were still where they had been a year earlier, and brought them to the riverbank, where He had been taking His meal and where His cowherd boyfriends remained just as before. (Vedabase)

 

Tekst 43

Hoewel er een jaar was verstreken en zij, zonder de Heer van hun levens, overdekt waren geweest door Krishna's mâyâ, was er voor de jongens slechts een halve seconde verstreken, o Koning.

O King, although the boys had passed an entire year apart from the Lord of their very lives, they had been covered by Lord Krishna's illusory potency and thus considered that year merely half a moment. (Vedabase)

 

Tekst 44

Wat, o wat vergeten personen die in de ban zijn van mâyâ allemaal niet in deze wereld; het daarmee verbijsterd zijn in het bewustzijn zorgt ervoor dat de ganse wereld zichzelf voortdurend kwijt is.

What indeed is not forgotten by those whose minds are bewildered by the Lord's illusory potency? By that power of Mâyâ, this entire universe remains in perpetual bewilderment, and in this atmosphere of forgetfulness no one can understand his own identity. (Vedabase)

 

Tekst 45

De vrienden zeiden tot Krishna: 'Wat ben Jij snel weer terug, we hebben nog geen hap kunnen eten ondertussen, kom alsJeblieft hier en eet netjes Je eten op.'

The cowherd boyfriends said to Lord Krishna: You have returned so quickly! We have not eaten even one morsel in Your absence. Please come here and take Your meal without distraction. (Vedabase)

 

Tekst 46

Hen toelachend genoot de Heer der Zinnen toen Zijn maaltijd met de koeherdersjongens die Hij, toen ze vanuit het bos terugkeerden naar huis in Vraja, de huid liet zien van de python Aghâsura [zie 10.12].

Then Lord Hrishîkes'a, smiling, finished His lunch in the company of His cowherd friends. While they were returning from the forest to their homes in Vraja, Lord Krishna showed the cowherd boys the skin of the dead serpent Aghâsura. (Vedabase)

 

Tekst 47

Terwijl de jongens luid speelden op de bamboefluit en de hoorn en ze Zijn zegenrijke heerlijkheden bezongen, riep Hij, met Zijn lichaam opgesierd met een pauwenveer en met bloemen en kleuren uit het bos, uit naar de kalveren terwijl Hij met Zijn kameraden de weidegronden betrad [nabij Gokula]; de aanblik vormde voor de gopî's een lust voor het oog.

Lord Krishna's transcendental body was decorated with peacock feathers and flowers and painted with forest minerals, and His bamboo flute loudly and festively resounded. As He called out to His calves by name, His cowherd boyfriends purified the whole world by chanting His glories. Thus Lord Krishna entered the cow pasture of His father, Nanda Mahârâja, and the sight of His beauty at once produced a great festival for the eyes of all the cowherd women. (Vedabase)

 

Tekst 48

'Vandaag heeft Hij, de zoon van Yas'odâ en Nanda, ons van de grote slang gered door hem te doden', zo zongen de jongens in Vraja.'

As the cowherd boys reached the village of Vraja, they sang, "Today Krishna saved us by killing a great serpent!" Some of the boys described Krishna as the son of Yas'odâ, and others as the son of Nanda Mahârâja. (Vedabase)

 

Tekst 49

De koning zei: 'Alstublieft, o brahmaan, hoe kon er zo ongehoord veel liefde zijn voor het kind van iemand anders dat Krishna was, zelfs de liefde overtreffend [die de gopa's en gopî's hadden] voor hun eigen kroost?'

King Parîkchit said: O brâhmana, how could the cowherd women have developed for Krishna, someone else's son, such unprecedented pure love - love they never felt even for their own children? Please explain this. (Vedabase)

 

Tekst 50

S'rî S'uka zei: 'Voor ieder levend wezen is in waarheid, o heerser der mensen, het eigen zelf het meest dierbaar, de liefde voor anderen, de kinderen, de weelde enzovoorts is allemaal daarop gebaseerd.

S'rî S'ukadeva Gosvâmî said: O King, for every created being the dearmost thing is certainly his own self. The dearness of everything else - children, wealth and so on - is due only to the dearness of the self. (Vedabase)

 

Tekst 51

Om die reden o beste der koningen, is de liefde van belichaamde wezens zelfzuchtig en ongelijk aan de liefde voor dat wat tot hen behoort zoals zoons, rijkdom, huizen enzovoorts.

For this reason, O best of kings, the embodied soul is self-centered: he is more attached to his own body and self than to his so-called possessions like children, wealth and home. (Vedabase)

 

Tekst 52

Voor die personen die in feite spreken over het lichaam als zijnde henzelf [zie ook ahankâra], o beste der koningen, is het lichaam net zo dierbaar en is zo voorzeker dat wat er mee samenhangt niet zo dierbaar. [zie ook B.G. 2: 71]

Indeed, for persons who think the body is the self, O best of kings, those things whose importance lies only in their relationship to the body are never as dear as the body itself. (Vedabase)

 

Tekst 53

Als het lichaam [echter] doorgaat voor iets dat men bezit zal het bijgevolg niet zo dierbaar zijn als de ziel, omdat als het oud wordt het verlangen om in leven te blijven onverminderd sterk blijft.

If a person comes to the stage of considering the body "mine" instead of "me," he will certainly not consider the body as dear as his own self. After all, even as the body is growing old and useless, one's desire to continue living remains strong. (Vedabase)

 

Tekst 54

Derhalve is voor alle belichaamde wezens [het zelf van] iemands eigen ziel het meest dierbaar, de ziel vormt feitelijk de zin van het bestaan voor heel dit universum aan bewegende en niet bewegende levende wezens.

Therefore it is his own self that is most dear to every embodied living being, and it is simply for the satisfaction of this self that the whole material creation of moving and nonmoving entities exists. (Vedabase)

 

Tekst 55

In dezen moet u Krishna zien als de Volkomen Ziel van de levende wezens die, middels Zijn eigen vermogen verschijnend als een menselijk wezen, hier bestaat voor het heil van het ganse universum.

You should know Krishna to be the original Soul of all living entities. For the benefit of the whole universe, He has, out of His causeless mercy, appeared as an ordinary human being. He has done this by the strength of His internal potency. (Vedabase)

 

Tekst 56

Zij die in deze wereld Krishna kennen zoals Hij werkelijk is begrijpen het statische en dynamische als zijnde twee verschillende verschijningsvormen van de Allerhoogste Heer die voor het Volkomen Geheel staat, de essentie waarbuiten er alhier in het geheel niets te vinden is [vergelijk B.G. 7: 26].

Those in this world who understand Lord Krishna as He is see all things, whether stationary or moving, as manifest forms of the Supreme Personality of Godhead. Such enlightened persons recognize no reality apart from the Supreme Lord Krishna. (Vedabase)

 

Tekst 57

De Opperheer vormt voor alle levensvormen voorwaar de reden van bestaan, aan Hem ontlenen ze Hun stabiliteit; is er ook maar iets denkbaar dat buiten Hem om zou bestaan?

The original, unmanifested form of material nature is the source of all material things, and the source of even that subtle material nature is the Supreme Personality of Godhead, Krishna. What, then, could one ascertain to be separate from Him? (Vedabase)

 

Tekst 58

Voor hen die hun toevlucht hebben genomen tot de lotusknoppen van de voeten, die als een boot zijn, de voeten die voor zelfs de grootsten de veilige haven vormen van de opperste vroomheid zo befaamd voor het bestrijden van Mura [de demon], zijn die voeten de Allerhoogste Verblijfplaats [Vaikunthha] waar geen enkele van de vormen van ellende wordt aangetroffen en is met hen, met iedere stap genomen, de oceaan van het materiële bestaan [niet meer dan het water in] de hoefafdruk van een kalf. [vergelijk 10.1: 5-7 en 10.2: 30].

For those who have accepted the boat of the lotus feet of the Lord, who is the shelter of the cosmic manifestation and is famous as Murâri, the enemy of the Mura demon, the ocean of the material world is like the water contained in a calf's hoof-print. Their goal is param padam, Vaikunthha, the place where there are no material miseries, not the place where there is danger at every step. (Vedabase)

 

Tekst 59

Alles waar u naar vroeg wat betreft dat wat de Heer deed op Zijn vijfde jaar en werd uitgedragen op Zijn zesde, heb ik nu voor u beschreven.

Since you inquired from me, I have fully described to you those activities of Lord Hari that were performed in His fifth year but not celebrated until His sixth. (Vedabase)

 

Tekst 60

De persoon die verneemt of zingt over dit spel en vermaak van Heer Murâri die Agha vernietigde, over hoe Hij met Zijn vrienden de maaltijd gebruikte op een open plek in het woud, en over de bovenwereldse [meervoudige Vishnu]-gedaante die Hij aannam met de zelfgeborene die zo uitvoerig is in zijn gebeden, zal het allesomvattende van zijn belangen bereiken [spirituele volmaaktheid].

Any person who hears or chants these pastimes Lord Murâri performed with His cowherd friends - the killing of Aghâsura, the taking of lunch on the forest grass, the Lord's manifestation of transcendental forms, and the wonderful prayers offered by Lord Brahmâ - is sure to achieve all his spiritual desires. (Vedabase)

  

*: Gebaseerd op dit vers stelt S'rîla Prabhupâda in de Caitanya-caritâmrita, Âdi-lîlâ, Hoofdstuk Twee, tekst 30 dat Krishna wordt gezien als de ware bron van alle andere expansies van de Vishnu-gedaanten en andere halfgoden die aan hen ontsproten: 'Heer Krishna is Nârâyana, de vader van Brahmâ, omdat Heer Krishna's volkomen expansie Garbhodakas'âyî Vishnu, na zichzelf te hebben neergelegd in de Garbha Oceaan, Brahmâ schiep uit Zijn eigen lichaam. Mahâ-Vishnu in de causale Oceaan en Kshîrodakas'âyî Vishnu, de Supersoul in ieders hart, zijn ook transcendentale expansies van de Allerhoogste Waarheid."

**: In zijn commentaar op de Vedanta-sûtra, haalt S'rîla Madhvâcârya de volgende uitspraak aan van de Vedische s'ruti-mantra's: 'satyam hy evedam vis'vam asrijata'. "Dit universum, geschapen door de Heer, is werkelijk."

***: De 'elf' heeft betrekking op de halfgoden die heersen over de zintuigen van het handelen en de waarneming plus de geest: de Digdevatâ's over het gehoor, de Vayu's over de tastzin, Sûrya over het zien, Varuna over de smaak, de As'vinî-kumâra's over het ruiken, Agni over de spraak, Indra over de handen, Upendra over de voeten, Mitra over de uitscheiding, de Prajâpati over het voortplantingsorgaan en Candra over de geest. S'iva is de halfgod die heerst over ahankâra, het valse ego.

*4: Er is een laatste vers bij dit hoofdstuk dat identiek is aan dat van hoofdstuk elf: vers 10.11: 59.

Op deze manier brachten ze hun jeugd door in de koeiengemeenschap met verschillende soorten van kinderlijk tijdverdrijf als verstoppertje spelen, dammen bouwen en in de rondte springen alsof ze apen waren.  

[vertaald door de leerlingen van Prabhupâda als]: In this way the boys spent their childhood in the land of Vrindâvana playing hide-and-go-seek, building play bridges, jumping about like monkeys and engaging in many other such games.

Waarschijnlijk hoort dit vers, aanwezig in het oorspronkelijke Sanskriet, hier niet thuis en is het abusievelijk overgebracht van hoofdstuk 11 tijdens het met de hand kopiëren door de eeuwen heen.

*5: In dit hoofdstuk wordt Brahmâ evenals Krishna de ongeborene of aja genoemd, om verwarring te voorkomen is het hier vertaald met 'zelfgeborene', svâyam-bhu, een andere naam voor Brahmâ als hij die rechtstreeks uit Nârâyana voortkwam, terwijl Krishna ondanks de schijn van Zijn nederdalen in een materiële gedaante feitelijk de nimmer geboren oerbron is [zie ook de voetnoot *** bij het vorige hoofdstuk].

 

 

 

 

 

 

Voor deze vertaling werd de Vedabase van de BBT gebruikt die het werk van Svâmi Prabhupâda's
leerlingen biedt dat werd verricht voor het voltooien van zijn vertaling van het Bhâgavatam.

Zie de S'rîmad Bhâgavatam linkspagina
voor de Vedabase en/of een download van dit boek en andere boeken van Prabhupâda.
Het schilderij op deze pagina is van
Râmanatha dâsa.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd

 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties