regelbalk


 

Canto 10

Mahâmantra5

 

 

Hoofdstuk 37: Kes'î en Vyoma Gedood en Nârada Looft Krishna's Toekomst

(1-2) S'rî S'uka zei: 'Gestuurd door Kamsa [in 10.36: 20] was er toen Kes'î, een gigantisch paard dat, met zijn hoeven de aarde openrijtend en met de snelheid van de geest de wolken en de hemelwagens van de goden uiteendrijvend, met zijn manen en gehinnik allen grote schrik aanjoeg. De Allerhoogste Heer trad, op het geluid van zijn gehinnik en de onrust van de wolken teweeggebracht door zijn staart dat Zijn koeherdersdorp in schrik verzette, daarop naar voren om te vechten en daagde Kes'î uit die naar Hem op zoek brulde als een leeuw. (3) Toen hij, moeilijk te overwinnen en te benaderen en agressief met zijn mond open de lucht indrinkend, Hem voor zich zag, rende hij in volle vaart er op af om de Lotusogige Heer met zijn benen aan te vallen. (4) Dat ontwijkend greep de Heer van het Voorbije, erop bedacht, hem met Zijn armen bij de benen om hem daarop onverschillig rondslingerend op een afstand van honderd booglengten van Zich af te werpen, erbij staand als was Hij de zoon van Târkshya [Garuda] die een slang van zich afwerpt. (5) Hij weer bij bewustzijn komend hief zich op in bittere woede en rende, [zijn mond] wijd open, in volle vaart op de Heer af die op Zijn beurt met een glimlach Zijn linker arm in zijn mond stak als was het een slang in een hol. (6) Met het in aanraking komen van Kes'î's tanden met de Heer Zijn arm vlogen die eruit alsof ze waren geraakt door een roodgloeiende staaf en zwol de arm van de Allerhoogste Ziel die zijn lichaam was binnengedrongen op als een verwaarloosde [van waterzucht] zieke buik. (7) Met Krishna's arm aldus uitzettend werd zijn adem tot staan gebracht en viel hij, met zijn benen trappelend, zwetend over heel zijn lijf, met zijn ogen rollend en zijn ontlasting de vrije loop latend, ontzield neer op de grond. (8) Hij met de Machtige Armen die Zijn arm terugtrok uit het dode lijf dat eruit zag als een komkommer [karkathikâ], werd, er bescheiden over Zijn vijand moeiteloos gedood te hebben, vanboven door de goden vereerd met een regen van bloemen.

(9) De devarishi [Nârada], de hoogst verheven toegewijde van de Heer, o Koning, zei privé tot Krishna die zo moeiteloos was in Zijn handelingen dit: (10-11) 'Krishna, o Krishna, o Vâsudeva, onmetelijke Ziel, o Heer der Yoga, o Beheerser van het Universum, o toevlucht van allen, o, U meester en allerbeste van de Yadu's; U alleen bent de Ziel van alle levende wezens die als het vuur schuilgaand in brandhout Zich in het hart ophoudt als de Getuige, de Beheerser, de Allerhoogste Persoonlijkheid. (12) Als de vluchthaven der intelligentie van de Geestelijke Ziel bracht U allereerst, middels Uw energie, de geaardheden der natuur voort en door hen [toen] deze waarheid [van het Universum], met de drijvende kracht waarvan U schept, vernietigt en handhaaft als de Beheerser. (13) U, deze ene [schepper] Zelve bent er voor de vernietiging van de demonen [Daitya's], wildemannen [Râkshasa's] en kwelgeesten [Pramatha's] die zich opwerpen als leiders en ook bent U nedergedaald voor de bescherming van de geheiligden. (14) Tot ons geluk hebt U voor de sport deze demon ter dood gebracht die de gedaante van een paard had aangenomen en die met zijn gehinnik de goden die zo waakzaam zijn verschrikt de hemel uitjaagde. (15-20) Overmorgen zal ik er getuige van zijn dat Cânûra, Mushthika en andere worstelaars alsook de olifant [Kuvalayâpîda] en Kamsa door U worden gedood, o Almachtige. Daarna zullen dan volgen [de demonen] S'ankha, [Kâla-]yavana en Mura zowel als Naraka en zal U de pârijâta-bloem wegkapen en Indra verslaan. In Dvârakâ zal men U, o Meester van het Universum, kennen om Uw trouwen met de dochters der heldhaftigen [de koningen] met het geschenk van Uw heldenmoed, het bevrijden van Koning Nriga van zijn vervloeking, het bemachtigen van het juweel genaamd Syamantaka tezamen met een echtgenote en het naar boven halen van de overleden zoon van een brahmaan [Sândîpani Muni] uit Uw verblijf [van de Dood]. Vervolgens zal U Paundraka doden, de stad Kâs'î [Benares] platbranden en toezien op de teloorgang van Dantavakra en de koning van Cedi [S'is'upâla] tijdens de grote offerplechtigheid [zie ook: 3.2: 19, 7.1: 14-15]. Over deze en andere grote wapenfeiten die ik van U tegemoet zal zien tijdens Uw verblijf in Dvârakâ zullen de dichters van deze aarde zingen. (21) Dan zal ik U zien als de wagenmenner van Arjuna, met wie U de gedaante van de Tijd aanneemt met de bedoeling effectief de vernietiging af te roepen over het geheel van de strijdkrachten van deze wereld. (22) Laat mij naderen tot deze Opperheer die vol is van het zuiverste spirituele gewaar zijn, die in Zijn oorspronkelijke identiteit volkomen vervuld is, wiens wil in geen van Zijn ondernemingen is tegen te gaan en die bij de macht van Zijn vermogen immer verheven is boven de gang van zaken met de geaardheden van de illusoire, materiële energie. (23) Voor U, de op Zichzelf staande Beheerser, die door het scheppend vermogen van Uw eigen Zelf heeft voorzien in een onbeperkt aantal specifieke omstandigheden zodat U kon optreden en nu de [last van de] in zichzelf verdeelde mensheid [die in strijd verkeert] op Zich hebt genomen, buig ik mij diep neer voor de Grootste der Yadu's, Vrishni's en Sâtvata's.'

(24) S'rî S'uka zei: 'De meest voortreffelijke wijze onder de toegewijden die aldus respectvol van eerbetoon was voor Krishna, de leidende Yadu, kreeg toestemming te vertrekken en ging heen erover opgetogen zijnde dat hij Hem had gezien. (25) En Govinda, de Opperheer die Kes'î in de strijd had gedood, hoedde de dieren samen met de koeherdersjongens die zo blij waren met het geluk dat Hij in Vraja bracht. (26) Op een dag, toen de gopa's de dieren aan het weiden waren, gingen ze op de helling van de heuvel over tot verstoppertje spelen met politie en boefje. (27) Sommigen van hen waren daarin de dieven, sommigen waren de herders, terwijl anderen van hen, o Koning, zich daarbij voordeden als de nietsvermoedende schapen. (28) Een zoon van de demon Maya genaamd Vyoma ['het zwerk'], een machtige magiër, die zich voordeed in de vermomming van een gopa, speelde voor een van de vele dieven en nam allen die voor schaap speelden mee. (29) De een na de ander werd door de grote demon in een berggrot gegooid waarvan hij de ingang met een grote kei blokkeerde zodat er nog maar vier of vijf overbleven. (30) Ontdekkend waar hij mee bezig was nam Krishna, de aanvoerder der gopa's en beschermer van hen die zuivering zoeken, hem zonder pardon te pakken precies zoals een leeuw een wolf grijpt. (31) De demon die zijn oorspronkelijke gedaante weer aannam die zo groot was als een berg, probeerde zich uit alle macht te bevrijden, maar stevig omkneld verspilde hij zijn krachten, het lukte hem niet. (32) Hem met Zijn armen bedwingend drukte Acyuta hem tegen de grond en terwijl de goden in de hemel toekeken doodde Hij hem als was ie een offerdier [wurgde hem dus]. (33) Met het doorbreken van de geblokkeerde ingang van de grot bevrijdde Hij de gopa's uit hun benarde positie en keerde Hij, onder de lofzang van de goden en gopa's terug naar Zijn koeherdersdorp.'

 

next                    

 
 

 Tweede editie, geladen 8 juli 2008  

 

 

 

 

 

Bronteksten (geen voorgaande versie in het Nederlands beschikbaar):

The Killing of the Demons Kes'î and Vyoma

 

Text 1-2

 

S'rî S'uka zei: 'Gestuurd door Kamsa [in 10.36: 20] was er toen Kes'î, een gigantisch paard dat, met zijn hoeven de aarde openrijtend en met de snelheid van de geest de wolken en de hemelwagens van de goden uiteendrijvend, met zijn manen en gehinnik allen grote schrik aanjoeg. De Allerhoogste Heer trad, op het geluid van zijn gehinnik en de onrust van de wolken teweeggebracht door zijn staart dat Zijn koeherdersdorp in schrik verzette, daarop naar voren om te vechten en daagde Kes'î uit die naar Hem op zoek brulde als een leeuw.

S'ukadeva Gosvâmî said: The demon Kes'î, sent by Kamsa, appeared in Vraja as a great horse. Running with the speed of the mind, he tore up the earth with his hooves. The hairs of his mane scattered the clouds and the demigods' airplanes throughout the sky, and he terrified everyone present with his loud neighing. When the Supreme Personality of Godhead saw how the demon was frightening His village of Gokula by neighing terribly and shaking the clouds with his tail, the Lord came forward to meet him. Kes'î was searching for Krishna to fight, so when the Lord stood before him and challenged him to approach, the horse responded by roaring like a lion. (Vedabase)

 

Text 3

Toen hij, moeilijk te overwinnen en te benaderen en agressief met zijn mond open de lucht indrinkend, Hem voor zich zag, rende hij in volle vaart er op af om de Lotusogige Heer met zijn benen aan te vallen.

Seeing the Lord standing before him, Kes'î ran toward Him in extreme rage, his mouth gaping as if to swallow up the sky. Rushing with furious speed, the unconquerable and unapproachable horse demon tried to strike the lotus-eyed Lord with his two front legs. (Vedabase)

 

Text 4

Dat ontwijkend greep de Heer van het Voorbije, erop bedacht, hem met Zijn armen bij de benen om hem daarop onverschillig rondslingerend op een afstand van honderd booglengten van Zich af te werpen, erbij staand als was Hij de zoon van Târkshya [Garuda] die een slang van zich afwerpt.

But the transcendental Lord dodged Kes'î's blow and then with His arms angrily seized the demon by the legs, whirled him around in the air and contemptuously threw him the distance of one hundred bow-lengths, just as Garuda might throw a snake. Lord Krishna then stood there. (Vedabase)

 

Text 5

Hij weer bij bewustzijn komend hief zich op in bittere woede en rende, [zijn mond] wijd open, in volle vaart op de Heer af die op Zijn beurt met een glimlach Zijn linker arm in zijn mond stak als was het een slang in een hol.

Upon regaining consciousness Kes'î angrily got up, opened his mouth wide and again rushed to attack Lord Krishna. But the Lord just smiled and thrust His left arm into the horse's mouth as easily as one would make a snake enter a hole in the ground. (Vedabase)

 

Text 6

Met het in aanraking komen van Kes'î's tanden met de Heer Zijn arm vlogen die eruit alsof ze waren geraakt door een roodgloeiende staaf en zwol de arm van de Allerhoogste Ziel die zijn lichaam was binnen gedrongen op als een verwaarloosde [van waterzucht] zieke buik.

Kes'î's teeth immediately fell out when they touched the Supreme Lord's arm, which to the demon felt as hot as molten iron. Within Kes'î's body the Supreme Personality's arm then expanded greatly, like a diseased stomach swelling because of neglect. (Vedabase)

 

Text 7

Met Krishna's arm aldus uitzettend werd zijn adem tot staan gebracht en viel hij, met zijn benen trappelend, zwetend over heel zijn lijf, met zijn ogen rollend en zijn ontlasting de vrije loop latend, ontzield neer op de grond.

As Lord Krishna's expanding arm completely blocked Kes'î's breathing, his legs kicked convulsively, his body became covered with sweat, and his eyes rolled around. The demon then passed stool and fell on the ground, dead. (Vedabase)

 

Text 8

Hij met de Machtige Armen die Zijn arm terugtrok uit het dode lijf dat eruit zag als een komkommer [karkathikâ], werd, er bescheiden over Zijn vijand moeiteloos gedood te hebben, vanboven door de goden vereerd met een regen van bloemen.

The mighty-armed Krishna withdrew His arm from Kes'î's body, which now appeared like a long karkathikâ fruit. Without the least display of pride at having so effortlessly killed His enemy, the Lord accepted the demigods' worship in the form of flowers rained down from above. (Vedabase)

 

Text 9

De devarishi [Nârada], de hoogst verheven toegewijde van de Heer, o Koning, zei privé tot Krishna die zo moeiteloos was in Zijn handelingen dit:

My dear King, thereafter Lord Krishna was approached in a solitary place by the great sage among the demigods, Nârada Muni. That most exalted devotee spoke as follows to the Lord, who effortlessly performs His pastimes. (Vedabase)

 

Text 10-11

 'Krishna, o Krishna, o Vâsudeva, onmetelijke Ziel, o Heer der Yoga, o Beheerser van het Universum, o toevlucht van allen, o, U meester en allerbeste van de Yadu's; U alleen bent de Ziel van alle levende wezens die als het vuur schuilgaand in brandhout Zich in het hart ophoudt als de Getuige, de Beheerser, de Allerhoogste Persoonlijkheid.

[Nârada Muni said:] O Krishna, Krishna, unlimited Lord, source of all mystic power, Lord of the universe! O Vâsudeva, shelter of all beings and best of the Yadus! O master, You are the Supreme Soul of all created beings, sitting unseen within the cave of the heart like the fire dormant within kindling wood. You are the witness within everyone, the Supreme Personality and the ultimate controlling Deity. (Vedabase)

 

Text 12

Als de vluchthaven der intelligentie van de Geestelijke Ziel bracht U allereerst, middels Uw energie, de geaardheden der natuur voort en door hen [toen] deze waarheid [van het Universum], met de drijvende kracht waarvan U schept, vernietigt en handhaaft als de Beheerser.

You are the shelter of all souls, and being the supreme controller, You fulfill Your desires simply by Your will. By Your personal creative potency You manifested in the beginning the primal modes of material nature, and through their agency You create, maintain and then destroy this universe. (Vedabase)

  

Text 13

U, deze ene [schepper] Zelve bent er voor de vernietiging van de demonen [Daitya's], wildemannen [Râkshasa's] en kwelgeesten [Pramatha's] die zich opwerpen als leiders en ook bent U nedergedaald voor de bescherming van de geheiligden.

You, that very same creator, have now descended on the earth to annihilate the Daitya, Pramatha and Râkshasa demons who are posing as kings, and also to protect the godly. (Vedabase)

   

 Text 14

Tot ons geluk hebt U voor de sport deze demon ter dood gebracht die de gedaante van een paard had aangenomen en die met zijn gehinnik de goden die zo waakzaam zijn verschrikt de hemel uitjaagde.

The horse demon was so terrifying that his neighing frightened the demigods into leaving their heavenly kingdom. But by our good fortune You have enjoyed the sport of killing him. (Vedabase)

 

Text 15-20

Overmorgen zal ik er getuige van zijn dat Cânûra, Mushthika en andere worstelaars alsook de olifant [Kuvalayâpîda] en Kamsa door U worden gedood, o Almachtige. Daarna zullen dan volgen [de demonen] S'ankha, [Kâla-]yavana en Mura zowel als Naraka en zal U de pârijâta-bloem wegkapen en Indra verslaan. In Dvârakâ zal men U, o Meester van het Universum, kennen om Uw trouwen met de dochters der heldhaftigen [de koningen] met het geschenk van Uw heldenmoed, het bevrijden van Koning Nriga van zijn vervloeking, het bemachtigen van het juweel genaamd Syamantaka tezamen met een echtgenote en het naar boven halen van de overleden zoon van een brahmaan [Sândîpani Muni] uit Uw verblijf [van de Dood]. Vervolgens zal U Paundraka doden, de stad Kâs'î [Benares] platbranden en toezien op de teloorgang van Dantavakra en de koning van Cedi [S'is'upâla] tijdens de grote offerplechtigheid [zie ook: 3.2: 19, 7.1: 14-15]. Over deze en andere grote wapenfeiten die ik van U tegemoet zal zien tijdens Uw verblijf in Dvârakâ zullen de dichters van deze aarde zingen.

In just two days, O almighty Lord, I will see the deaths of Cânûra, Mushthika and other wrestlers, along with those of the elephant Kuvalayâpîda and King Kamsa - all by Your hand. Then I will see You kill Kâlayavana, Mura, Naraka and the conch demon, and I will also see You steal the pârijâta flower and defeat Indra. I will then see You marry many daughters of heroic kings after paying for them with Your valor. Then, O Lord of the universe, in Dvârakâ You will deliver King Nriga from a curse and take for Yourself the Syamantaka jewel, together with another wife. You will bring back a brâhmana's dead son from the abode of Your servant Yamarâja, and thereafter You will kill Paundraka, burn down the city of Kâs'î and annihilate Dantavakra and the King of Cedi during the great Râjasûya sacrifice. I shall see all these heroic pastimes, along with many others You will perform during Your residence in Dvârakâ. These pastimes are glorified on this earth in the songs of transcendental poets. (Vedabase)

 

Text 21

Dan zal ik U zien als de wagenmenner van Arjuna, met wie U de gedaante van de Tijd aanneemt met de bedoeling effectief de vernietiging af te roepen over het geheel van de strijdkrachten van deze wereld.

Subsequently I will see You appear as time personified, serving as Arjuna's chariot driver and destroying entire armies of soldiers to rid the earth of her burden. (Vedabase)

 

Text 22

Laat mij naderen tot deze Opperheer die vol is van het zuiverste spirituele gewaar zijn, die in Zijn oorspronkelijke identiteit volkomen vervuld is, wiens wil in geen van Zijn ondernemingen is tegen te gaan en die bij de macht van Zijn vermogen immer verheven is boven de gang van zaken met de geaardheden van de illusoire, materiële energie.

Let us approach You, the Supreme Personality of Godhead, for shelter. You are full of perfectly pure spiritual awareness and are always situated in Your original identity. Since Your will is never thwarted, You have already achieved all possible desirable things, and by the power of Your spiritual energy You remain eternally aloof from the flow of the qualities of illusion. (Vedabase)

 

Text 23

Voor U, de op Zichzelf staande Beheerser, die door het scheppend vermogen van Uw eigen Zelf heeft voorzien in een onbeperkt aantal specifieke omstandigheden zodat U kon optreden en nu de [last van de] in zichzelf verdeelde mensheid [die in strijd verkeert] op Zich hebt genomen, buig ik mij diep neer voor de Grootste der Yadu's, Vrishni's en Sâtvata's.'

I bow down to You, the supreme controller, who are dependent only on Yourself. By Your potency You have constructed the unlimited particular arrangements of this universe. Now you have appeared as the greatest hero among the Yadus, Vrishnis and Sâtvatas and have chosen to participate in human warfare. (Vedabase)

 

Text 24

 S'rî S'uka zei: 'De meest voortreffelijke wijze onder de toegewijden die aldus respectvol van eerbetoon was voor Krishna, de leidende Yadu, kreeg toestemming te vertrekken en ging heen erover opgetogen zijnde dat hij Hem had gezien.

S'ukadeva Gosvâmî said: Having thus addressed Lord Krishna, the chief of the Yadu dynasty, Nârada bowed down and offered Him obeisances. Then that great sage and most eminent devotee took his leave from the Lord and went away, feeling great joy at having directly seen Him. (Vedabase)

 

Text 25

En Govinda, de Opperheer die Kes'î in de strijd had gedood, hoedde de dieren samen met de koeherdersjongens die zo blij waren met het geluk dat Hij in Vraja bracht.

After killing the demon Kes'î in battle, the Supreme Personality of Godhead continued to tend the cows and other animals in the company of His joyful cowherd boyfriends. Thus He brought happiness to all the residents of Vrindâvana. (Vedabase)

 

Text 26

Op een dag, toen de gopa's de dieren aan het weiden waren, gingen ze op de helling van de heuvel over tot verstoppertje spelen met politie en boefje.

One day the cowherd boys, while grazing their animals on the mountain slopes, played the game of stealing and hiding, acting out the roles of rival thieves and herders. (Vedabase)

 

Text 27

Sommigen van hen waren daarin de dieven, sommigen waren de herders, terwijl anderen van hen, o Koning, zich daarbij voordeden als de nietsvermoedende schapen.

In that game, O King, some acted as thieves, others as shepherds and others as sheep. They played their game happily, without fear of danger. (Vedabase)

 

Text 28

Een zoon van de demon Maya genaamd Vyoma ['het zwerk'], een machtige magiër, die zich voordeed in de vermomming van een gopa, speelde voor een van de vele dieven en nam allen die voor schaap speelden mee.

A powerful magician named Vyoma, son of the demon Maya, then appeared on the scene in the guise of a cowherd boy. Pretending to join the game as a thief, he proceeded to steal most of the cowherd boys who were acting as sheep. (Vedabase)

 

Text 29

De een na de ander werd door de grote demon in een berggrot gegooid waarvan hij de ingang met een grote kei blokkeerde zodat er nog maar vier of vijf overbleven.

Gradually the great demon abducted more and more of the cowherd boys and cast them into a mountain cave, which he sealed shut with a boulder. Finally only four or five boys acting as sheep remained in the game. (Vedabase)

 

Text 30

Ontdekkend waar hij mee bezig was nam Krishna, de aanvoerder der gopa's en beschermer van hen die zuivering zoeken, hem zonder pardon te pakken precies zoals een leeuw een wolf grijpt.

Lord Krishna, who shelters all saintly devotees, understood perfectly well what Vyomâsura was doing. Just as a lion grabs a wolf, Krishna forcefully seized the demon as he was taking away more cowherd boys. (Vedabase)

 

Text 31

De demon die zijn oorspronkelijke gedaante weer aannam die zo groot was als een berg, probeerde zich uit alle macht te bevrijden, maar stevig omkneld verspilde hij zijn krachten, het lukte hem niet.

The demon changed into his original form, as big and powerful as a great mountain. But try as he might to free himself, he could not do so, having lost his strength from being held in the Lord's tight grip. (Vedabase)

 

Text 32

Hem met Zijn armen bedwingend drukte Acyuta hem tegen de grond en terwijl de goden in de hemel toekeken doodde Hij hem als was ie een offerdier [wurgde hem dus].

Lord Acyuta clutched Vyomâsura between His arms and threw him to the ground. Then, while the demigods in heaven looked on, Krishna killed him in the same way that one kills a sacrificial animal. (Vedabase)

 

Text 33

Met het doorbreken van de geblokkeerde ingang van de grot bevrijdde Hij de gopa's uit hun benarde positie en keerde Hij, onder de lofzang van de goden en gopa's terug naar Zijn koeherdersdorp.'

Krishna then smashed the boulder blocking the cave's entrance and led the trapped cowherd boys to safety. Thereafter, as the demigods and cowherd boys sang His glories, He returned to His cowherd village, Gokula. (Vedabase)

 

 

 

 

 

 

Voor deze vertaling werd de Vedabase van de BBT gebruikt die het werk van Svâmi Prabhupâda's
leerlingen biedt dat werd verricht voor het voltooien van zijn vertaling van het Bhâgavatam.

Zie de S'rîmad Bhâgavatam linkspagina
voor de Vedabase en/of een download van dit boek en andere boeken van Prabhupâda.
Het eerste schilderij op deze pagina is van
Râma Prasada dâsa.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd

 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties