regelbalk


 

 

Canto 10

Jagannâthâshthakam

 

 

Hoofdstuk 51: De Verlossing van Mucukunda

(1-6) S'rî S'uka zei: 'Toen hij [Kâlayavana] Hem naar buiten zag komen [zie 50: 57] als de rijzende maan, zeer mooi om te zien, met een donkere huidskleur, een geel zijden gewaad, de S'rîvatsa op Zijn borst, het schitterende Kaustubha-juweel dat Zijn hals sierde, Zijn machtige, vier lange armen en ogen zo roze als pas gegroeide lotussen; Zijn altijd stralende, schone, vreugdevolle glimlach bij Zijn fraaie kaaklijn, Zijn lotusgelijke gezicht en de aanblik van Zijn haaienvormige oorhangers, dacht hij: 'Deze persoon moet werkelijk Vâsudeva met de S'rîvatsa zijn, met de vier armen, de lotusogen, compleet met de woudbloemen en met de grote schoonheid. Gezien de kentekenen waar Nârada het over had kan Hij, die zich daar te voet zonder wapens begeeft, niemand anders zijn; ik zal Hem zonder wapens bestrijden!' De Yavana aldus overtuigd, wilde in een achtervolging Hem grijpen die Zijn gezicht had afgewend en vluchtte, Hij, die zelfs voor de mystieke yogi's onbereikbaar is. (7) Met iedere stap die Hij deed leek het alsof Hij te grijpen was en nadat Hij op die manier een grote afstand had afgelegd plaatste Hij de heer van de Yavana's voor een berggrot. (8) Hem in zijn achtervolging beledigend met opmerkingen als 'Vluchten is voor Jou als een lid van de Yadu-dynastie onbehoorlijk!', slaagde hij, aan wiens ondeugd [nog] geen einde was gekomen, er niet in Hem te pakken te krijgen. (9) Ondanks dat Hij aldus was uitgescholden, ging de Allerhoogste Heer de berggrot binnen, maar toen de Yavana Hem volgde zag hij daar een andere man liggen. (10) 'En nu, nou Hij me over zo'n grote afstand heeft meegevoerd, ligt Hij hier als een heilige!' en aldus in de waan dat het Acyuta betrof, gaf hij hem uit alle macht een schop. (11) De man, ontwakend na een lange periode van slaap, opende langzaam zijn ogen en zag, in alle richtingen om zich heen kijkend, hem naast zich staan. (12) O afstammeling van Bharata, hij zoals hij daar stond, werd door de blik, die de kwaad geworden man op hem wierp, in een oogwenk tot as verbrand door een vuur dat ontstond vanuit zijn eigen lichaam [*].'

(13) De edele koning [Parîkchit] zei: 'Wie precies was die persoon, o brahmaan. Van welke familie was hij en waar was hij allemaal toe in staat? Waarom was hij een grot ingegaan om te slapen en uit wiens zaad werd hij geboren, die vernietiger van de Yavana?'

(14) S'rî S'uka zei: 'Hij staat bekend als Mucukunda. Hij werd geboren in de Ikshvâku dynastie als de zoon van Mândhâtâ [zie 9.6: 38 en 9.7]. Hij was een grote persoonlijkheid die het brahmaanse was toegewijd en iemand die zich in de strijd trouw hield aan zijn gelofte. (15) Hij, op verzoek van de goddelijken met Indra aan het hoofd die doodsbang voor de Asura's waren, was voor een lange tijd van dienst terwille van het verzekeren van hun bescherming. (16) Zij, nadat ze Guha ['van de grot'; Skanda of Kârttikeya] voor zich wonnen als hun beschermer van de hemel zeiden tot Mucukunda: 'O Koning, alstublieft zie af van de moeite die het uw goede zelf kost om ons te beschermen. (17) U met het verwaarlozen van uw persoonlijke verlangens hebt, met het achter u laten van een koninkrijk in de wereld der mensen, om ons te beschermen die [asura-]doorns uit de weg geruimd, o held. (18) Uw kinderen, uw koninginnen en andere verwanten, ministers, adviseurs en onderdanen zijn nu niet meer in leven, ze behoren niet meer tot deze tijd; de tijd heeft ze van u gescheiden. (19) De Tijd, machtiger dan de machtigste, is de Allerhoogste Onuitputtelijke Heer van Beheersing die, een spel spelend van herder en kudde, de sterfelijke wezens in beweging zet. (20) Al het goede u toegewenst, vraag ons nu vandaag om welke gunst u maar wilt, behalve dan die der bevrijding, daar alleen de Allerhoogste Onuitputtelijke Heer S'rî Vishnu daar toe in staat is.'

(21) Hij, vanwege zijn grote roem aldus toegesproken door de halfgoden, groette hen vol respect en legde zich te ruste in een grot om de slaap te genieten die de goden hem vergund hadden [**]. (22) Nadat de barbaar in de as was gelegd onthulde de Opperheer, de grote held der Sâtvata's, Zich aan de wijze Mucukunda. (23-26) Naar Hem kijkend, Hij die zo donker was als een wolk, in geel zijden kleding, de S'rîvatsa op Zijn borst, het schitterende Kaustubha-juweel stralend, de vier armen en de Vaijayantî bloemenslinger die de schoonheid verhoogde; Zijn aantrekkelijke, kalme gezicht en glinsterende, haaivormige oorhangers, Zijn toegenegen glimlach die zo aantrekkelijk is voor de hele mensheid, Zijn blik, Zijn jeugdige, knappe verschijning, Zijn nobele gang en Zijn vuur dat was als van een leeuw - was hij, zo hoogst intelligent als hij was, overweldigd door Zijn uitstraling, welke inderdaad van een niet te weerstane schittering was, en stelde hij in twijfel verzet aarzelend een vraag. (27) S'rî Mucukunda zei: 'Wie bent U die zich hier bij me voegt in het woud in een berggrot, met Uw voeten als de blaadjes van lotussen hier lopend over de doornige bodem. (28) Misschien bent U wel de Allerhoogste Heer, de oorsprong van alle wezens die het leven werden geschonken, of anders de god van het vuur, de zonnegod, de maangod, de koning van de hemel of misschien een heerser van een andere planeet? (29) Ik denk dat U de God van de drie persoonlijkheden der halfgoden bent, de Grootste, omdat U de duisternis van de grot ['het hart'] verdrijft zoals een lamp met zijn licht de duisternis verdrijft. (30) O Meest Volmaakte van de Mensen, als U dat wilt, als U dat kan, beschrijf dan zonder omhaal voor ons die dat graag zo willen horen, Uw geboorte, handelingen en afstamming. (31) Wij van onze kant, o tijger onder de mensen, zijn nakomelingen van Ikshvâku, een familie van kshatriya's. Ik, geboren uit de zoon van Yuvanâs'va, heet Mucukunda, o Heer. (32) Omdat ik een lange tijd niet had geslapen was ik, moe in mijn zinnen en overmand door de slaap, voor mijn gemak hier op deze afgezonderde plaats gaan liggen en ben ik nu door iemand wakker geschud. (33) Die persoon verbrandde tot as inderdaad enkel vanwege zijn eigen zondige manier van doen, en Uw goede Zelf zo glorieus, o Bestraffer der Vijanden, zag ik vervolgens direct daarna. (34) Vanwege Uw ondraaglijke gloed zijn we, in onze vermogens beperkt, niet in staat U te aanschouwen, o Hoogste Genade; U verdient de lof van al de belichaamde wezens!'

(35) Aldus toegesproken door de koning gaf de Allerhoogste Heer en Oorsprong van de Ganse Schepping, breed glimlachend, met woorden diep als de rommelende wolken antwoord. (36) De Opperheer zei: 'Mijn geboorten, handelingen en namen zijn er bij de duizenden, Mijn beste, onbegrensd als ze zijn kunnen ze zelfs door Mij nog niet worden opgesomd! (37) Ooit zou men eens, na vele levens, de stofdeeltjes van de aarde kunnen tellen, maar nimmer lukt dat met Mijn vele kwaliteiten, handelingen, namen en geboorten. (38) Zelfs niet de grootste wijzen kunnen met het tellen van Mijn geboorten en handelingen die zich afspelen naar de drie van de tijd [verleden, heden, toekomst], o Koning, tot een einde komen [vergelijk 8.5: 6 en 8.23: 29]. (39-40) Niettemin, o vriend, verneem enkel van Mij over de huidige geboorte, die van Ondergetekende. In het verleden werd Ik verzocht door Heer Brahmâ [zie 3.9 en ook 10.14] het dharma veilig te stellen en de demonen te vernietigen die een overlast voor de aarde vormen, en zo daalde Ik neder in de Yadu-dynastie ten huize van Vasudeva en noemen de mensen Mij als zodanig Vâsudeva, de zoon van Vasudeva. (41) Kâlanemi bracht Ik ter dood [zie 10.8: 56], Kamsa [10.44], Pralamba [10.18] en anderen jaloers op de deugdzamen, en deze Yavana, o Koning werd verbrand door uw verzengende blik. (42) Ik, diezelfde persoon met zorg voor de toegewijden, ging naar deze grot met de bedoeling u een gunst te verlenen, omdat u daar in het verleden vaak om gebeden hebt. (43) Zegt u Me waarmee u gezegend wilt zijn, o geheiligde Koning, Ik zal u alles geven wat u verlangt; welke persoon ook die Mij tevreden stelt, hoeft nooit meer te weeklagen.'

(44) S'rî S'uka zei: 'Aldus toegesproken zich voor Hem buigend sprak Mucukunda met de woorden van Garga in gedachten [***], vol van vreugde in de wetenschap dat Hij Nârâyana was, de [oorspronkelijke] Godheid. (45) S'rî Mucukunda zei: 'Deze persoon, niet van aanbidding voor U, kan, begoocheld door Uw verbijsterend vermogen mâyâ o Heer, zijn eigen voordeel niet vinden als hij, uit op het geluk, bedrogen raakt als een man - of ook als een vrouw - met een gezinsleven die verstrikt zijnde zich druk maakt over zaken die ellende geven. (46) De persoon die het op de een of andere manier gebracht heeft tot wat zo moeilijk te verwerven is in deze wereld - een menselijke gedaante en niet die met poten, maar zonder van eerbetoon te zijn het niet probeert, o Zondeloze, met Uw lotusgelijke voeten, is, onzuiver van mentaliteit, als een dier gevallen in de overwoekerde put van zijn thuis. (47) O Onoverwinnelijke, hiermee mijn tijd verspillend bouwde ik een koninkrijk en een weelde op dat nu allemaal is verdwenen; onder de invloed als een aardse heerser die het sterfelijk lichaam voor zichzelf aanziet, had ik eindeloos te lijden onder angsten omdat ik gehecht raakte aan kinderen, echtgenotes, rijkdommen en land. (48) Me bekommerend om dit lichaam, dat je omsluit als een pot of een muur, dacht ik aldus over mezelf als zijnde een god onder de mensen, omringd als ik was door strijdwagens, olifanten, paarden, voetvolk en generaals waarmee ik over de aarde rondtrok zonder serieus acht te slaan op U in mijn grote trots. (49) Onverschillig over wat er zou moeten worden gedaan, talend naar zinsobjecten, zonder ophouden piekend met een immer groeiende begeerte, wordt men plotseling voor U geplaatst, degene die er wel om geeft; de dood voor een muis zich bevindend voor een slang die zijn giftanden likt. (50) Voorheen genaamd 'de koning' rijdend in wagens beslagen met goud of op machtige olifanten wordt die zelfde [gedaante] onvermijdelijk met de Tijd van Uw Lichaam 'ontlasting', 'wormen' en 'as' genoemd [zie ook 16.4: 2-6]. (51) Alom alle richtingen veroverd hebbend, zonder tegenstanders om bang voor te zijn en gezeten op een troon onder de lofprijzingen van koningen die ook zo zijn, loopt de persoon in zijn huis als een huisdier aan de leiband, sexueel zijn geluk ontlenend aan de vrouwen, o Heer. (52) Daarin met een scheef oog reikhalzend naar meer, verricht hij boetvaardig zijn plicht strikt pleziertjes vermijdend, maar over zichzelf denkend als 'Ik de grote onafhankelijke' kan hij, wiens driften zo uitgesproken zijn, het geluk niet bereiken. (53) Als het zich voordoet dat de dolende persoon voor het einde van zijn materiële bestaan komt te staan, zal te dien tijde, o Onfeilbare, de omgang met de goeden en eerlijken [de sat-sanga] worden gevonden waarna vervolgens de toewijding zijn ontstaan vindt die gericht is op Hem die voor de deugdzamen als de Heer van het Hogere [de oorzaken] en het Lagere [de gevolgen] het enige doel vormt. (54) Ik denk, o Heer, dat, met het spontane wegvallen van de gehechtheid aan mijn koninkrijk, U voor mij van genade bent geweest: dat is waar de gelouterde heersers over eindeloze stukken land voor bidden als ze, de afzondering zoekend, het bos ingaan. (55) Ik verlang niets anders dan Uw voeten te dienen die voor hen die niet talen naar een materieel leven het voorwerp van verlangen vormen, de gunst waarnaar werd gezocht, o Almachtige; welke trouwe ziel van aanbidding voor U die het Pad der Persoonlijke Ontwikkeling Openlegt, o Heer, zou als gunst kiezen voor dat wat zijn gebondenheid veroorzaakt? (56) Derhalve o Heer nader ik tot U in mijn volledig de wereldse zegeningen naast mij neerleggen waardoor men verstrikt raakt in de geaardheden der hartstocht, onwetendheid en goedheid; U, de Oorspronkelijke Persoon van de Zuivere Waarheid die vrij is van wereldse betrekkingen, die vrij is van de tweevoud en verheven is boven de geaardheden. (57) Een lange tijd werd ik, o zo spijtig, vol van leed in de wereld geplaagd door verstoringen; met mijn zes vijanden [de zinnen en de geest] nimmer zat bestond er geen mogelijkheid om de vrede te vinden, o Verlener der Toevlucht, alstUblieft o Heer bescherm mij die geplaatst voor deze gevaren, o Allerhoogste Ziel, Uw lotusvoeten benaderde die staan voor de waarheid vrij van zorgen die bevrijdt van angst.'

(58) De Allerhoogste Heer zei: 'O grote Koning, keizer van allen, ook al werd u verleid met zegeningen maakte u, capabel van geest, een onberispelijke keuze, niet bedorven als u was door begeerten. (59) Alstublieft weet dat Ik u verleidde met zegeningen om te beproeven of u vrij bent van begoocheling; nimmer wordt de exclusieve [Mij enkel toegewijde] intelligentie van de bhakta's geleid door materiële zegeningen. (60) Met hen die, Mij niet toegewijd, zich bezighouden met ademhalingsoefeningen en dergelijke kan men waarnemen dat dat hun geesten weer opnieuw worden opgewekt [tot zinsbevrediging], omdat ze niet de sporen van het materieel verlangen hebben uitgewist [de vâsanâ's], o Koning. (61) Trek rond in deze wereld zoals u wil en moge, met uw geest gevestigd op Mij, er aldus steeds de toewijding voor Mij zijn die niet faalt. (62) Met het naleven van het dharma van de heersende klasse hebt u levende wezens gedood tijdens de jacht of bij andere gelegenheden; die zonde moet u nu uitwissen door geheel op te gaan in boetedoeningen waarin u Mij als uw toevlucht heeft. (63) In de geboorte meteen hierna o Koning, zal u, met het u ontwikkelen tot een bovenste beste weldoener van alle levende wezens, een fijne brahmaan zijn die enkel en alleen Mij voor ogen heeft [zie ook B.G. 5: 29].'

 

next                     

 
 

Tweede editie, geladen 29 augustus 2008  

 

 

 

 

 

Bronteksten (geen voorgaande tekst in het Nederlands beschikbaar):

The Deliverance of Mucukunda

 

Text 1-6

S'rî S'uka zei: 'Toen hij [Kâlayavana] Hem naar buiten zag komen [zie 50: 57] als de rijzende maan, zeer mooi om te zien, met een donkere huidskleur, een geel zijden gewaad, de S'rîvatsa op Zijn borst, het schitterende Kaustubha-juweel dat Zijn hals sierde, Zijn machtige, vier lange armen en ogen zo roze als pas gegroeide lotussen; Zijn altijd stralende, schone, vreugdevolle glimlach bij Zijn fraaie kaaklijn, Zijn lotusgelijke gezicht en de aanblik van Zijn haaienvormige oorhangers, dacht hij: 'Deze persoon moet werkelijk Vâsudeva met de S'rîvatsa zijn, met de vier armen, de lotusogen, compleet met de woudbloemen en met de grote schoonheid. Gezien de kentekenen waar Nârada het over had kan Hij, die zich daar te voet zonder wapens begeeft, niemand anders zijn; ik zal Hem zonder wapens bestrijden!' De Yavana aldus overtuigd, wilde in een achtervolging Hem grijpen die Zijn gezicht had afgewend en vluchtte, Hij, die zelfs voor de mystieke yogi's onbereikbaar is.

S'ukadeva Gosvâmî said: Kâlayavana saw the Lord come out from Mathurâ like the rising moon. The Lord was most beautiful to behold, with His dark-blue complexion and yellow silk garment. Upon His chest He bore the mark of S'rîvatsa, and the Kaustubha gem adorned His neck. His four arms were sturdy and long. He displayed His ever-joyful lotuslike face, with eyes pink like lotuses, beautifully effulgent cheeks, a pristine smile and glittering shark-shaped earrings. The barbarian thought, "This person must indeed be Vâsudeva, since He possesses the characteristics Nârada mentioned: He is marked with S'rîvatsa, He has four arms, His eyes are like lotuses, He wears a garland of forest flowers, and He is extremely handsome. He cannot be anyone else. Since He goes on foot and unarmed, I will fight Him without weapons." Resolving thus, he ran after the Lord, who turned His back and ran away. Kâlayavana hoped to catch Lord Krishna, though great mystic yogîs cannot attain Him. (Vedabase)

 

Text 7

Met iedere stap die Hij deed leek het alsof Hij te grijpen was en nadat Hij op die manier een grote afstand had afgelegd plaatste Hij de heer van de Yavana's voor een berggrot.

Appearing virtually within reach of Kâlayavana's hands at every moment, Lord Hari led the King of the Yavanas far away to a mountain cave. (Vedabase)

 

Text 8

Hem in zijn achtervolging beledigend met opmerkingen als 'Vluchten is voor Jou als een lid van de Yadu-dynastie onbehoorlijk!', slaagde hij, aan wiens ondeugd [nog] geen einde was gekomen, er niet in Hem te pakken te krijgen.

While chasing the Lord, the Yavana cast insults at Him, saying "You took birth in the Yadu dynasty. It's not proper for You to run away!" But still Kâlayavana could not reach Lord Krishna, because his sinful reactions had not been cleansed away. (Vedabase)

 

Text 9

Ondanks dat Hij aldus was uitgescholden, ging de Allerhoogste Heer de berggrot binnen, maar toen de Yavana Hem volgde zag hij daar een andere man liggen.

Although insulted in this way, the Supreme Lord entered the mountain cave. Kâlayavana also entered, and there he saw another man lying asleep. (Vedabase)

 

Tex 10

'En nu, nou Hij me over zo'n grote afstand heeft meegevoerd, ligt Hij hier als een heilige!' en aldus in de waan dat het Acyuta betrof, gaf hij hem uit alle macht een schop.

"So, after leading me such a long distance, now He is lying here like some saint!" Thus thinking the sleeping man to be Lord Krishna, the deluded fool kicked him with all his strength. (Vedabase)

 

Text 11

De man, ontwakend na een lange periode van slaap, opende langzaam zijn ogen en zag, in alle richtingen om zich heen kijkend, hem naast zich staan.

The man awoke after a long sleep and slowly opened his eyes. Looking all about, he saw Kâlayavana standing beside him. (Vedabase)

 

Text 12

O afstammeling van Bharata, hij zoals hij daar stond, werd door de blik, die de kwaad geworden man op hem wierp, in een oogwenk tot as verbrand door een vuur dat ontstond vanuit zijn eigen lichaam [*].'

The awakened man was angry and cast his glance at Kâlayavana, whose body burst into flames. In a single moment, O King Parîkshit, Kâlayavana was burnt to ashes. (Vedabase)

 

Text 13

De edele koning [Parîkchit] zei: 'Wie precies was die persoon, o brahmaan. Van welke familie was hij en waar was hij allemaal toe in staat? Waarom was hij een grot ingegaan om te slapen en uit wiens zaad werd hij geboren, die vernietiger van de Yavana?'

King Parîkshit said: Who was that person, O brâhmana? To which family did he belong, and what were his powers? Why did that destroyer of the barbarian lie down to sleep in the cave, and whose son was he? (Vedabase)

 

Text 14

S'rî S'uka zei: 'Hij staat bekend als Mucukunda. Hij werd geboren in de Ikshvâku dynastie als de zoon van Mândhâtâ [zie 9.6: 38 en 9.7]. Hij was een grote persoonlijkheid die het brahmaanse was toegewijd en iemand die zich in de strijd trouw hield aan zijn gelofte.

S'ukadeva Gosvâmî said: Mucukunda was the name of this great personality, who was born in the Ikshvâku dynasty as the son of Mândhâtâ. He was devoted to brahminical culture and always true to his vow in battle. (Vedabase)

 

Text 15

Hij, op verzoek van de goddelijken met Indra aan het hoofd die doodsbang voor de Asura's waren, was voor een lange tijd van dienst terwille van het verzekeren van hun bescherming.

Begged by Indra and the other demigods to help protect them when they were terrorized by the demons, Mucukunda defended them for a long time. (Vedabase)

   

Text 16

Zij, nadat ze Guha ['van de grot'; Skanda of Kârttikeya] voor zich wonnen als hun beschermer van de hemel zeiden tot Mucukunda: 'O Koning, alstublieft zie af van de moeite die het uw goede zelf kost om ons te beschermen.

When the demigods obtained Kârttikeya as their general, they told Mucukunda, "O King, you may now give up your troublesome duty of guarding us. (Vedabase)

   

Text 17

U met het verwaarlozen van uw persoonlijke verlangens hebt, met het achter u laten van een koninkrijk in de wereld der mensen, om ons te beschermen die [asura-]doorns uit de weg geruimd, o held.

"Abandoning an unopposed kingdom in the world of men, O valiant one, you neglected all your personal desires while engaged in protecting us. (Vedabase)

 .

Text 18

Uw kinderen, uw koninginnen en andere verwanten, ministers, adviseurs en onderdanen zijn nu niet meer in leven, ze behoren niet meer tot deze tijd; de tijd heeft ze van u gescheiden.

"The children, queens, relatives, ministers, advisers and subjects who were your contemporaries are no longer alive. They have all been swept away by time. (Vedabase)

 

Text 19

De Tijd, machtiger dan de machtigste, is de Allerhoogste Onuitputtelijke Heer van Beheersing die, een spel spelend van herder en kudde, de sterfelijke wezens in beweging zet.

"Inexhaustible time, stronger than the strong, is the Supreme Personality of Godhead Himself. Like a herdsman moving his animals along, He moves mortal creatures as His pastime. (Vedabase)

 

Text 20

Al het goede u toegewenst, vraag ons nu vandaag om welke gunst u maar wilt, behalve dan die der bevrijding, daar alleen de Allerhoogste Onuitputtelijke Heer S'rî Vishnu daar toe in staat is.'

"All good fortune to you! Now please choose a benediction from us - anything but liberation, since only the infallible Supreme Lord, Vishnu, can bestow that." (Vedabase)

  

Text 21

Hij, vanwege zijn grote roem aldus toegesproken door de halfgoden, groette hen vol respect en legde zich te ruste in een grot om de slaap te genieten die de goden hem vergund hadden [**].

Addressed thus, King Mucukunda took his respectful leave of the demigods and went to a cave, where he lay down to enjoy the sleep they had granted him. (Vedabase)

  

Text 22

Nadat de barbaar in de as was gelegd onthulde de Opperheer, de grote held der Sâtvata's, Zich aan de wijze Mucukunda.

After the Yavana was burnt to ashes, the Supreme Lord, chief of the Sâtvatas, revealed Himself to the wise Mucukunda. (Vedabase)

 

Text 23-26

Naar Hem kijkend, Hij die zo donker was als een wolk, in geel zijden kleding, de S'rîvatsa op Zijn borst, het schitterende Kaustubha-juweel stralend, de vier armen en de Vaijayantî bloemenslinger die de schoonheid verhoogde; Zijn aantrekkelijke, kalme gezicht en glinsterende, haaivormige oorhangers, Zijn toegenegen glimlach die zo aantrekkelijk is voor de hele mensheid, Zijn blik, Zijn jeugdige, knappe verschijning, Zijn nobele gang en Zijn vuur dat was als van een leeuw - was hij, zo hoogst intelligent als hij was, overweldigd door Zijn uitstraling, welke inderdaad van een niet te weerstane schittering was, en stelde hij in twijfel verzet aarzelend een vraag.

As he gazed at the Lord, King Mucukunda saw that He was dark blue like a cloud, had four arms, and wore a yellow silk garment. On His chest He bore the S'rîvatsa mark and on His neck the brilliantly glowing Kaustubha gem. Adorned with a Vaijayantî garland, the Lord displayed His handsome, peaceful face, which attracts the eyes of all mankind with its shark-shaped earrings and affectionately smiling glance. The beauty of His youthful form was unexcelled, and He moved with the nobility of an angry lion. The highly intelligent King was overwhelmed by the Lord's effulgence, which showed Him to be invincible. Expressing his uncertainty, Mucukunda hesitantly questioned Lord Krishna as follows. (Vedabase)

 

Text 27

S'rî Mucukunda zei: 'Wie bent U die zich hier bij me voegt in het woud in een berggrot, met Uw voeten als de blaadjes van lotussen hier lopend over de doornige bodem.

S'rî Mucukunda said: Who are You who have come to this mountain cave in the forest, having walked on the thorny ground with feet as soft as lotus petals? (Vedabase)

 

Text 28

Misschien bent U wel de Allerhoogste Heer, de oorsprong van alle wezens die het leven werden geschonken, of anders de god van het vuur, de zonnegod, de maangod, de koning van de hemel of misschien een heerser van een andere planeet?

Perhaps You are the potency of all potent beings. Or maybe You are the powerful god of fire, or the sun-god, the moon-god, the King of heaven or the ruling demigod of some other planet. (Vedabase)

 

Text 29

Ik denk dat U de God van de drie persoonlijkheden der halfgoden bent, de Grootste, omdat U de duisternis van de grot ['het hart'] verdrijft zoals een lamp met zijn licht de duisternis verdrijft.

I think You are the Supreme Personality among the three chief gods, since You drive away the darkness of this cave as a lamp dispels darkness with its light. (Vedabase)

 

Text 30

O Meest Volmaakte van de Mensen, als U dat wilt, als U dat kan, beschrijf dan zonder omhaal voor ons die dat graag zo willen horen, Uw geboorte, handelingen en afstamming.

O best among men, if You like, please truly describe Your birth, activities and lineage to us, who are eager to hear. (Vedabase)

 

Text 31

Wij van onze kant, o tijger onder de mensen, zijn nakomelingen van Ikshvâku, een familie van kshatriya's. Ik, geboren uit de zoon van Yuvanâs'va, heet Mucukunda, o Heer.

As for ourselves, O tiger among men, we belong to a family of fallen kshatriyas, descendants of King Ikshvâku. My name is Mucukunda, my Lord, and I am the son of Yauvanâs'va. (Vedabase)

 

Text 32

Omdat ik een lange tijd niet had geslapen was ik, moe in mijn zinnen en overmand door de slaap, voor mijn gemak hier op deze afgezonderde plaats gaan liggen en ben ik nu door iemand wakker geschud.

I was fatigued after remaining awake for a long time, and my senses were overwhelmed by sleep. Thus I slept comfortably here in this solitary place until, just now, someone woke me. (Vedabase)

 

Text 33

Die persoon verbrandde tot as inderdaad enkel vanwege zijn eigen zondige manier van doen, en Uw goede Zelf zo glorieus, o Bestraffer der Vijanden, zag ik vervolgens direct daarna.

The man who woke me was burned to ashes by the reaction of his sins. Just then I saw You, possessing a glorious appearance and the power to chastise Your enemies. (Vedabase)

 

Text 34

Vanwege Uw ondraaglijke gloed zijn we, in onze vermogens beperkt, niet in staat U te aanschouwen, o Hoogste Genade; U verdient de lof van al de belichaamde wezens!'

Your unbearably brilliant effulgence overwhelms our strength, and thus we cannot fix our gaze upon You. O exalted one, You are to be honored by all embodied beings. (Vedabase)

 

Text 35

Aldus toegesproken door de koning gaf de Allerhoogste Heer en Oorsprong van de Ganse Schepping, breed glimlachend, met woorden diep als de rommelende wolken antwoord.

[S'ukadeva Gosvâmî continued:] Thus addressed by the King, the Supreme Personality of Godhead, origin of all creation, smiled and then replied to him in a voice as deep as the rumbling of clouds. (Vedabase)

 

Text 36

De Opperheer zei: 'Mijn geboorten, handelingen en namen zijn er bij de duizenden, Mijn beste, onbegrensd als ze zijn kunnen ze zelfs door Mij nog niet worden opgesomd!

The Supreme Lord said: My dear friend, I have taken thousands of births, lived thousands of lives and accepted thousands of names. In fact My births, activities and names are limitless, and thus even I cannot count them. (Vedabase)

Text 37

Ooit zou men eens, na vele levens, de stofdeeltjes van de aarde kunnen tellen, maar nimmer lukt dat met Mijn vele kwaliteiten, handelingen, namen en geboorten.

After many lifetimes someone might count the dust particles on the earth, but no one can ever finish counting My qualities, activities, names and births. (Vedabase)

 

Text 38

Zelfs niet de grootste wijzen kunnen met het tellen van Mijn geboorten en handelingen die zich afspelen naar de drie van de tijd [verleden, heden, toekomst], o Koning, tot een einde komen [vergelijk 8.5: 6 en 8.23: 29].

O King, the greatest sages enumerate My births and activities, which take place throughout the three phases of time, but never do they reach the end of them. (Vedabase)

 

Text 39-40

Niettemin, o vriend, verneem enkel van Mij over de huidige geboorte, die van Ondergetekende. In het verleden werd Ik verzocht door Heer Brahmâ [zie 3.9 en ook 10.14] het dharma veilig te stellen en de demonen te vernietigen die een overlast voor de aarde vormen, en zo daalde Ik neder in de Yadu-dynastie ten huize van Vasudeva en noemen de mensen Mij als zodanig Vâsudeva, de zoon van Vasudeva.

Nonetheless, O friend, I will tell you about My current birth, name and activities. Kindly hear. Some time ago, Lord Brahmâ requested Me to protect religious principles and destroy the demons who were burdening the earth. Thus I descended in the Yadu dynasty, in the home of Ânakadundubhi. Indeed, because I am the son of Vasudeva, people call Me Vâsudeva. (Vedabase)

 

Text 41

Kâlanemi bracht Ik ter dood [zie 10.8: 56], Kamsa [10.44], Pralamba [10.18] en anderen jaloers op de deugdzamen, en deze Yavana, o Koning werd verbrand door uw verzengende blik.

I have killed Kâlanemi, reborn as Kamsa, as well as Pralamba and other enemies of the pious. And now, O King, this barbarian has been burnt to ashes by your piercing glance. (Vedabase)

 

Text 42

Ik, diezelfde persoon met zorg voor de toegewijden, ging naar deze grot met de bedoeling u een gunst te verlenen, omdat u daar in het verleden vaak om gebeden hebt.

Since in the past you repeatedly prayed to Me, I have personally come to this cave to show you mercy, for I am affectionately inclined to My devotees. (Vedabase)

 

Text 43

Zegt u Me waarmee u gezegend wilt zijn, o geheiligde Koning, Ik zal u alles geven wat u verlangt; welke persoon ook die Mij tevreden stelt, hoeft nooit meer te weeklagen.'

Now choose some benedictions from Me, O saintly King. I will fulfill all your desires. One who has satisfied Me need never again lament. (Vedabase)

 

Text 44

S'rî S'uka zei: 'Aldus toegesproken zich voor Hem buigend sprak Mucukunda met de woorden van Garga in gedachten [***], vol van vreugde in de wetenschap dat Hij Nârâyana was, de [oorspronkelijke] Godheid.

S'ukadeva Gosvâmî said: Mucukunda bowed down to the Lord when he heard this. Remembering the words of the sage Garga, he joyfully recognized Krishna to be the Supreme Lord, Nârâyana. The King then addressed Him as follows. (Vedabase)

 

Text 45

S'rî Mucukunda zei: 'Deze persoon, niet van aanbidding voor U, kan, begoocheld door Uw verbijsterend vermogen mâyâ o Heer, zijn eigen voordeel niet vinden als hij, uit op het geluk, bedrogen raakt als een man - of ook als een vrouw - met een gezinsleven die verstrikt zijnde zich druk maakt over zaken die ellende geven.

S'rî Mucukunda said: O Lord, the people of this world, both men and women, are bewildered by Your illusory energy. Unaware of their real benefit, they do not worship You but instead seek happiness by entangling themselves in family affairs, which are actually sources of misery. (Vedabase)

 

Text 46

De persoon die het op de een of andere manier gebracht heeft tot wat zo moeilijk te verwerven is in deze wereld - een menselijke gedaante en niet die met poten, maar zonder van eerbetoon te zijn het niet probeert, o Zondeloze, met Uw lotusgelijke voeten, is, onzuiver van mentaliteit, als een dier gevallen in de overwoekerde put van zijn thuis.

That person has an impure mind who, despite having somehow or other automatically obtained the rare and highly evolved human form of life, does not worship Your lotus feet. Like an animal that has fallen into a blind well, such a person has fallen into the darkness of a material home. (Vedabase)

 

Text 47

O Onoverwinnelijke, hiermee mijn tijd verspillend bouwde ik een koninkrijk en een weelde op dat nu allemaal is verdwenen; onder de invloed als een aardse heerser die het sterfelijk lichaam voor zichzelf aanziet, had ik eindeloos te lijden onder angsten omdat ik gehecht raakte aan kinderen, echtgenotes, rijkdommen en land.

I have wasted all this time, O unconquerable one, becoming more and more intoxicated by my domain and opulence as an earthly king. Misidentifying the mortal body as the self, becoming attached to children, wives, treasury and land, I suffered endless anxiety. (Vedabase)

 

Text 48

Me bekommerend om dit lichaam, dat je omsluit als een pot of een muur, dacht ik aldus over mezelf als zijnde een god onder de mensen, omringd als ik was door strijdwagens, olifanten, paarden, voetvolk en generaals waarmee ik over de aarde rondtrok zonder serieus acht te slaan op U in mijn grote trots.

With deep arrogance I took myself to be the body, which is a material object like a pot or a wall. Thinking myself a god among men, I traveled the earth surrounded by my charioteers, elephants, cavalry, foot soldiers and generals, disregarding You in my deluding pride. (Vedabase)

 

Text 49

Onverschillig over wat er zou moeten worden gedaan, talend naar zinsobjecten, zonder ophouden piekend met een immer groeiende begeerte, wordt men plotseling voor U geplaatst, degene die er wel om geeft; de dood voor een muis zich bevindend voor een slang die zijn giftanden likt.

A man obsessed with thoughts of what he thinks needs to be done, intensely greedy, and delighting in sense enjoyment is suddenly confronted by You, who are ever alert. Like a hungry snake licking its fangs before a mouse, You appear before him as death. (Vedabase)

 

Text 50

Voorheen genaamd 'de koning' rijdend in wagens beslagen met goud of op machtige olifanten wordt die zelfde [gedaante] onvermijdelijk met de Tijd van Uw Lichaam 'ontlasting', 'wormen' en 'as' genoemd [zie ook 16.4: 2-6].

The body that at first rides high on fierce elephants or chariots adorned with gold and is known by the name "king" is later, by Your invincible power of time, called "feces," "worms," or "ashes." (Vedabase)

 

Text 51

Alom alle richtingen veroverd hebbend, zonder tegenstanders om bang voor te zijn en gezeten op een troon onder de lofprijzingen van koningen die ook zo zijn, loopt de persoon in zijn huis als een huisdier aan de leiband, sexueel zijn geluk ontlenend aan de vrouwen, o Heer.

Having conquered the entire circle of directions and being thus free of conflict, a man sits on a splendid throne, receiving praise from leaders who were once his equals. But when he enters the women's chambers, where sex pleasure is found, he is led about like a pet animal, O Lord. (Vedabase)

 

Text 52

Daarin met een scheef oog reikhalzend naar meer, verricht hij boetvaardig zijn plicht strikt pleziertjes vermijdend, maar over zichzelf denkend als 'Ik de grote onafhankelijke' kan hij, wiens driften zo uitgesproken zijn, het geluk niet bereiken.

A king who desires even greater power than he already has strictly performs his duties, carefully practicing austerity and forgoing sense enjoyment. But he whose urges are so rampant, thinking "I am independent and supreme," cannot attain happiness. (Vedabase)

 

Text 53

Als het zich voordoet dat de dolende persoon voor het einde van zijn materiële bestaan komt te staan, zal te dien tijde, o Onfeilbare, de omgang met de goeden en eerlijken [de sat-sanga] worden gevonden waarna vervolgens de toewijding zijn ontstaan vindt die gericht is op Hem die voor de deugdzamen als de Heer van het Hogere [de oorzaken] en het Lagere [de gevolgen] het enige doel vormt.

When the material life of a wandering soul has ceased, O Acyuta, he may attain the association of Your devotees. And when he associates with them, there awakens in him devotion unto You, who are the goal of the devotees and the Lord of all causes and their effects. (Vedabase)

 

Text 54

Ik denk, o Heer, dat, met het spontane wegvallen van de gehechtheid aan mijn koninkrijk, U voor mij van genade bent geweest: dat is waar de gelouterde heersers over eindeloze stukken land voor bidden als ze, de afzondering zoekend, het bos ingaan.

My Lord, I think You have shown me mercy, since my attachment to my kingdom has spontaneously ceased. Such freedom is prayed for by saintly rulers of vast empires who desire to enter the forest for a life of solitude. (Vedabase)

 

Text 55

Ik verlang niets anders dan Uw voeten te dienen die voor hen die niet talen naar een materieel leven het voorwerp van verlangen vormen, de gunst waarnaar werd gezocht, o Almachtige; welke trouwe ziel van aanbidding voor U die het Pad der Persoonlijke Ontwikkeling Openlegt, o Heer, zou als gunst kiezen voor dat wat zijn gebondenheid veroorzaakt?

O all-powerful one, I desire no boon other than service to Your lotus feet, the boon most eagerly sought by those free of material desire. O Hari, what enlightened person who worships You, the giver of liberation, would choose a boon that causes his own bondage? (Vedabase)

 

Text 56

Derhalve o Heer nader ik tot U in mijn volledig de wereldse zegeningen naast mij neerleggen waardoor men verstrikt raakt in de geaardheden der hartstocht, onwetendheid en goedheid; U, de Oorspronkelijke Persoon van de Zuivere Waarheid die vrij is van wereldse betrekkingen, die vrij is van de tweevoud en verheven is boven de geaardheden.

Therefore, O Lord, having put aside all objects of material desire, which are bound to the modes of passion, ignorance and goodness, I am approaching You, the Supreme Personality of Godhead, for shelter. You are not covered by mundane designations; rather, You are the Supreme Absolute Truth, full in pure knowledge and transcendental to the material modes. (Vedabase)

 

Text 57

Een lange tijd werd ik, o zo spijtig, vol van leed in de wereld geplaagd door verstoringen; met mijn zes vijanden [de zinnen en de geest] nimmer zat bestond er geen mogelijkheid om de vrede te vinden, o Verlener der Toevlucht, alstUblieft o Heer bescherm mij die geplaatst voor deze gevaren, o Allerhoogste Ziel, Uw lotusvoeten benaderde die staan voor de waarheid vrij van zorgen die bevrijdt van angst.'

For so long I have been pained by troubles in this world and have been burning with lamentation. My six enemies are never satiated, and I can find no peace. Therefore, O giver of shelter, O Supreme Soul, please protect me. O Lord, in the midst of danger I have by good fortune approached Your lotus feet, which are the truth and which thus make one fearless and free of sorrow. (Vedabase)

 

Text 58

De Allerhoogste Heer zei: 'O grote Koning, keizer van allen, ook al werd u verleid met zegeningen maakte u, capabel van geest, een onberispelijke keuze, niet bedorven als u was door begeerten.

The Supreme Lord said: O emperor, great ruler, your mind is pure and potent. Though I enticed You with benedictions, your mind was not overcome by material desires. (Vedabase)

 

Text 59

Alstublieft weet dat Ik u verleidde met zegeningen om te beproeven of u vrij bent van begoocheling; nimmer wordt de exclusieve [Mij enkel toegewijde] intelligentie van de bhakta's geleid door materiële zegeningen.

Understand that I enticed you with benedictions just to prove that you would not be deceived. The intelligence of My unalloyed devotees is never diverted by material blessings. (Vedabase)

 

Text 60

Met hen die, Mij niet toegewijd, zich bezighouden met ademhalingsoefeningen en dergelijke kan men waarnemen dat dat hun geesten weer opnieuw worden opgewekt [tot zinsbevrediging], omdat ze niet de sporen van het materieel verlangen hebben uitgewist [de vâsanâ's], o Koning .

The minds of nondevotees who engage in such practices as prânâyama are not fully cleansed of material desires. Thus, O King, material desires are again seen to arise in their minds. (Vedabase)

 

Text 61

Trek rond in deze wereld zoals u wil en moge, met uw geest gevestigd op Mij, er aldus steeds de toewijding voor Mij zijn die niet faalt.

Wander this earth at will, with your mind fixed on Me. May you always possess such unfailing devotion for Me. (Vedabase)

 

Text 62

Met het naleven van het dharma van de heersende klasse hebt u levende wezens gedood tijdens de jacht of bij andere gelegenheden; die zonde moet u nu uitwissen door geheel op te gaan in boetedoeningen waarin u Mij als uw toevlucht heeft.

Because you followed the principles of a kshatriya, you killed living beings while hunting and performing other duties. You must vanquish the sins thus incurred by carefully executing penances while remaining surrendered to Me. (Vedabase)

 

Text 63

In de geboorte meteen hierna o Koning, zal u, met het u ontwikkelen tot een bovenste beste weldoener van alle levende wezens, een fijne brahmaan zijn die enkel en alleen Mij voor ogen heeft [zie ook B.G. 5: 29].'

O King, in your very next life you will become an excellent brâhmana, the greatest well-wisher of all creatures, and certainly come to Me alone. (Vedabase)

 

* Mucukunda, de slapende man, zoals hierna uitgelegd vocht voor een lange tijd ten behoeve van de halfgoden en koos uiteindelijk als zijn zegening het recht om ongestoord te mogen slapen. De paramparâ middels S'rîla Vis'vanâtha Cakravartî haalt de Hari-vams'a aan die verklaart dat hij verder nog de gunst bedong dat hij in staat zou zijn een ieder te vernietigen die hem zou storen in zijn slaap. Hij maakt verder duidelijk dat Mucukunda dit nogal morbide verzoek deed om heer Indra af te schrikken, die, zo dacht Mucukunda, hem anders misschien bij herhaling zou wakker maken met een verzoek om zijn hulp bij het bestrijden van Indra's cosmische vijanden. Indra's instemmen met Mucukunda's verzoek wordt beschreven in de S'rî Vishnu Purâna als volgt: "De halfgoden verklaarden, 'Wie u ook uit de slaap haalt zal plotseling tot as verbranden door een vuur voortgebracht uit zijn eigen lichaam' ".

** S'rîla Bhaktisiddhânta Sarasvatî Thhâkura geeft de volgende regels uit een alternatieve lezing van dit hoofdstuk. Deze regels moeten worden ingevoegd tussen de twee helften van dit vers:

nidrâm eva tato vavre
sa râjâ s'rama-karshitah
yah kas'cin mama nidrâyâ
bhangam kuryâd surottamâh
sa hi bhasmî-bhaved âs'u
tathoktas' ca surais tadâ
svâpam yâtam yo madhye tu
bodhayet tvâm acetanah
sa tvayâ drishtha-mâtras tu
bhasmî-bhavatu tat-kshanât

"De Koning, uitgeput door zijn arbeid, koos toen voor de slaap als zijn zegening. Hij stelde verder, 'O beste der halfgoden, moge wie dan ook die mij in mijn slaap verstoord terstond tot as verbranden.' De halfgoden antwoordden, 'zo zij het,' en zeiden hem, 'Die intense persoon die u midden in uw slaap wekt zal eenvoudig meteen tot as verbranden door het werpen van uw blik op hem'."

*** De paramparâ stelt: 'S'rîla S'rîdhara Svâmî zegt ons dat Mucukunda zich bewust was van de voorspelling van de klassieke wijze Garga dat in het achtentwintigste millennium de Allerhoogste Heer zou nederdalen. Volgens Âcârya Vis'vanâtha, stelde Garga Muni Mucukunda er verder van op de hoogte dat hij persoonlijk de Heer zou ontmoeten. En nu gebeurde het dan allemaal.'

 

 

 

 

 

 

 

Voor deze vertaling werd de Vedabase van de BBT gebruikt die het werk van Svâmi Prabhupâda's
leerlingen biedt dat werd verricht voor het voltooien van zijn vertaling van het Bhâgavatam.

Zie de S'rîmad Bhâgavatam linkspagina
voor de Vedabase en/of een download van dit boek en andere boeken van Prabhupâda.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd

 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties