S'rî
S'uka zei: 'Zij allen aldus [beseffend dat ze bestolen
waren] bestegen in grote woede in kuras hun
transportmiddelen en gingen, ieder omringd door zijn eigen
troepen, achter hen aan, met hun bogen klaar.
S'rî
S'uka zei: 'Zij allen aldus [beseffend dat ze bestolen
waren] bestegen in grote woede in kuras hun
transportmiddelen en gingen, ieder omringd door zijn eigen
troepen, achter hen aan, met hun bogen
klaar. (Vedabase)
Tekst
2
Toen het
Yâdava-leger ze eraan zag komen in hun achtervolging,
stopten de officieren om ze tegemoet te treden, o Koning, en
lieten ze hun bogen klinken.
Toen
het Yâdava-leger ze er aan zag komen in hun
achtervolging, stopten de officieren om ze tegemoet te
treden, o Koning, en lieten ze hun bogen
klinken. (Vedabase)
Tekst
3
Vanaf hun
paarden, vanaf de ruggen van de olifanten en vanuit hun
posities in hun wagens schoten die [vijandige]
wapenmeesters wolken van pijlen die neerregenden zoals water
dat doet over de bergen.
Vanaf
hun paarden, vanaf de ruggen van de olifanten en vanuit hun
posities in hun wagens schoten die [vijandige]
wapenmeesters wolken van pijlen die neerregenden zoals water
dat doet over de bergen. (Vedabase)
Tekst
4
Toen het
volslanke meisje zag dat het leger van haar Heer werd belaagd
door zware stortbuien van pijlen keek ze Hem in verlegenheid
met ogen vol angst in het gelaat.
Toen
het volslanke meisje zag dat het leger van haar Heer werd
bedekt door zware stortbuien van pijlen keek ze Hem in
verlegenheid met ogen vol angst in het gelaat.
(Vedabase)
Tekst
5
De Opperheer
zei lachend: 'Wees niet bevreesd, o mooie ogen, nu meteen zal
deze strijdmacht door jouw troepen worden
vernietigd'.
De
Opperheer zei lachend: 'Wees niet bevreesd, o mooie ogen, nu
meteen zal deze strijdmacht door jouw troepen worden
vernietigd'. (Vedabase)
Tekst
6
De helden Gada
[Krishna's jongere halfbroer], Sankarshana en de
anderen konden het machtsvertoon van de vijandige troepen niet
tolereren en dus schoten ze met pijlen van ijzer hun paarden,
olifanten en wagens neer.
Dat
machtsvertoon van hen kon door de helden Gada [Krishna's
jongere broer], Sankarshana en de anderen niet worden
getolereerd en dus schoten ze met pijlen van ijzer hun
paarden, olifanten en wagens
neer.
(Vedabase)
Tekst
7
Van hen die op
de wagens, de paarden en de olifanten zaten vielen bij
duizenden de hoofden op de grond, compleet met oorringen,
helmen en tulbanden.
Van
hen die op de wagens, de paarden en de olifanten zaten
vielen bij duizenden de hoofden op de grond, compleet met
oorringen, helmen en tulbanden.
(Vedabase)
Tekst
8
Er waren
mensenhoofden, koppen van paarden, ezels, muildieren, olifanten
en kamelen zowel als [afgeschoten] handen met zwaarden,
knotsen en bogen, handen zonder vingers, dijen en hele
benen.
Er
waren mensenhoofden, koppen van paarden, ezels, muildieren,
olifanten en kamelen zowel als [afgeschoten] handen
met zwaarden, knotsen en bogen, handen zonder vingers, dijen
en hele benen. (Vedabase)
Tekst
9
De koningen
aangevoerd door Jarâsandha die begerig de overwinning te
behalen hun troepen vernietigd zagen door de Vrishni's, dropen
toen ontmoedigd af.
De
koningen aangevoerd door Jarâsandha die begerig de
overwinning te behalen hun troepen vernietigd zagen door de
Vrishni's, dropen toen ontmoedigd
af. (Vedabase)
Tekst
10
Ze gingen naar
en spraken met S'is'upâla die, met de vrouw die hij in
gedachten had weggestolen,, geheel ontgoocheld het er moeilijk
mee had met een hangend gezicht waar alle kleur uit was
verdwenen.
Ze
gingen naar en spraken met S'is'upâla die met zijn
aanstaande bruid weggestolen, ontgoocheld verstoord was met
een hangend gezicht waar alle kleur uit was
verdwenen.
(Vedabase)
Tekst
11
[Jarâsandha
zei:] 'O heer, tijger onder de mensen, laat alstublieft
deze zwaarmoedigheid varen, voor de belichaamden is er met het
gewenste en het ongewenste geen duurzaamheid te
vinden.
[Jarâsandha
zei:] 'O heer, tijger onder de mensen, laat alstublieft
deze zwaarmoedigheid varen, voor de belichaamden is er met
het gewenste en het ongewenste geen duurzaamheid te
vinden. (Vedabase)
Tekst
12
Zoals een vrouw
vervaardigd uit hout danst naar het verlangen van een
poppenspeler wordt op dezelfde manier deze wereld, begaan met
vreugde en verdriet, beheerst door haar
Beheerser.
Zoals
een vrouw vervaardigd uit hout danst naar het verlangen van
een poppenspeler wordt op dezelfde manier deze wereld,
begaan met vreugde en verdriet, beheerst door de
Beheerser.
(Vedabase)
Tekst
13
Ikzelf verloor
met drieëntwintig legers zeventien keer het in veldslagen
van S'auri [Krishna] en ik won slechts
éénmaal.
Ik
zelf verloor met drieëntwintig legers zeventien keer
het in veldslagen van S'auri [Krishna] en ik won
slechts éénmaal.
(Vedabase)
Tekst
14
Niettemin
beklaag of verheug ik mij nooit en te nimmer, wetende dat de
wereld wordt bestierd door de tijd in combinatie met het
lot.
Niettemin
beklaag of verheug ik mij niet - nooit en te nimmer; wetende
dat de wereld wordt voortgedreven door de tijd in combinatie
met het lot.
(Vedabase)
Tekst
15
Zelfs nu zijn
wij allen, leiders van de aanvoerders van helden, verslagen
door het maar kleine gevolg aan Yadu's onder de bescherming van
Krishna.
Zelfs
nu zijn wij allen, leiders van de aanvoerders van helden,
verslagen door de weinige toegehorigen van de Yadu's onder
de bescherming van Krishna.
(Vedabase)
Tekst
16
Momenteel, nu
onze vijanden hebben gewonnen, werkt de tijd in hun voordeel en
dan weer zullen wij overwinnen als de tijden zijn veranderd in
ons voordeel.'
Momenteel,
nu onze vijanden hebben gewonnen, werkt de tijd in hun
voordeel en dan weer zullen wij overwinnen als de tijd zich
ten gunste van ons keert.'
(Vedabase)
Tekst
17
S'rî
S'uka zei: 'Aldus overgehaald door zijn vrienden ging
S'is'upâla terug naar zijn stad en zo keerde ook ieder
van de overlevende koningen die hem volgden terug naar zijn
woonplaats.
S'rî
S'uka zei: 'Aldus overgehaald door zijn vrienden ging
S'is'upâla met hen van zijn volgelingen die van de
slachting waren overgebleven terug naar zijn stad en zo
keerde ook ieder van de koningen terug naar zijn
stad. (Vedabase)
Tekst
18
De machtige
Rukmî echter, die, Krishna hatend, het niet kon
verkroppen dat zijn zuster was getrouwd op de
râkshasa manier, achtervolgde Krishna omringd door
een complete akshauhinî.
De
machtige Rukmî echter, die, Krishna hatend, de
râkshasa-manier waarop zijn zuster was getrouwd niet
kon verdragen, achtervolgde Krishna omringd door een
complete akshauhinî.
(Vedabase)
Tekst
19-20
Rukmî,
machtig bewapend met zijn boog en wapenrusting, zwoor
allerkwaadst vol van weerzin in het bijzijn van alle koningen:
'Laat me jullie dit in waarheid zeggen: ik zal niet naar
Kundina terugkeren zonder Krishna in de strijd ter dood
gebracht te hebben en Rukminî te hebben teruggewonnen'.
Rukmî,
machtig bewapend met zijn boog en wapenrusting, had hoogst
kwaad in het bijzijn van alle koningen gezworen: 'Laat me
jullie dit in waarheid zeggen: ik zal niet naar Kundina
terugkeren zonder Krishna in de strijd ter dood gebracht te
hebben en Rukminî te hebben teruggehaald'.
(Vedabase)
Tekst
21
Zich aldus
uitlatend beklom hij zijn wagen en zei hij tot zijn
wagenmenner: 'Snel, leidt de paarden naar waar Krishna zich
ophoudt, er moet een gevecht plaats vinden tussen Hem en
mij.
Zich
aldus uitlatend beklom hij zijn wagen en zei hij tot zijn
wagenmenner: 'Snel, leidt de paarden naar waar Krishna zich
ophoud, er moet een gevecht plaats vinden tussen Hem en
mij. (Vedabase)
Tekst
22
Vandaag zal ik
met mijn scherpe pijlen, de waanzin een halt toeroepen van die
grootste ondeugd, die Koeherder die het lef had om met geweld
mijn zuster te ontvoeren!'
Vandaag
zal ik met mijn scherpe pijlen, de waanzin een halt
toeroepen van die grootste ondeugd, die Koeherder die het
lef had om met geweld mijn zuster te
ontvoeren!'
(Vedabase)
Tekst
23
Aldus dwaas
opsnijdend zonder zich te realiseren waar Krishna allemaal toe
in staat was, riep hij vervolgens met een enkele strijdwagen
naar voren komend naar Krishna: 'Kom op en
vecht!'
Aldus
dwaas opsnijdend niet wetend waar Krishna allemaal toe in
staat was, zei hij vervolgens vanuit een enkele strijdwagen
naar Krishna roepend: 'Kom op en
vecht!'
(Vedabase)
Tekst
24
Zijn boog
aanspannend trof hij ferm Krishna [Zijn wagen] met drie
pijlen en zei: 'Wacht eens even, Jij bederf van de
Yadu-dynastie!
Zijn
boog aanspannend trof hij ferm Krishna [ofwel Zijn
wagen] met drie pijlen en zei: 'Wacht eens even, Jij
bederf van de
Yadu-dynastie!
(Vedabase)
Tekst
25
Waarheen Je Je
ook begeeft met het wegstelen van mijn zus alsof je een kraai
bent die er vandoor is met de offerboter, vandaag nog zal ik
een eind maken aan die valse trots van Je, Jij dwaze bedrieger,
Jij slinkse strijder!!
Waarheen
Je Je ook begeeft met het wegstelen van mijn zus alsof je
een kraai bent er vandoor met de offerboter; vandaag nog zal
ik een eind maken aan die valse trots van Je, Jij dwaze
bedrieger, Jij slinkse
strijder!!
(Vedabase)
Tekst
26
Als je niet
wilt dat mijn pijlen Je doden, laat het er dan bij zitten en
laat het meisje gaan', maar Krishna, met een glimlach, trof
Rukmî, met zes pijlen waarmee Hij zijn boog aan stukken
schoot.
Als
je niet wilt dat mijn pijlen Je doden, laat het er dan bij
zitten en laat het meisje gaan', maar Krishna, met een
glimlach, trof Rukmî, met zes pijlen zijn boog aan
stukken schietend.
(Vedabase)
Tekst
27
Met van Krishna
acht pijlen gericht op zijn vier paarden, met twee voor zijn
wagenmenner en met drie voor zijn vlag, greep hij een andere
boog ter hand en trof hij er Krishna met vijf.
Met
acht pijlen voor zijn vier paarden, met twee voor zijn
wagenmenner en met drie voor zijn vlag, greep hij een andere
boog ter hand en doorboorde hij er Krishna met vijf.
(Vedabase)
Tekst
28
Hoewel hij door
al deze pijlen getroffen werd brak Krishna de boog opnieuw net
zoals de Onfeilbare er nog een aan stukken brak die hij
opnam.
Hoewel
getroffen door deze vloed aan pijlen brak Krishna de boog
opnieuw net zoals de Onfeilbare er nog een aan stukken brak
die hij opnam.
(Vedabase)
Tekst
29
De gepunte
knots, de drietand, de lans, het schild en het zwaard, de piek,
de speer of welk wapen hij ook ter hand nam werd ieder door
Hem, de Heer, in stukken gebroken.
De
gepunte knots, de drietand, de lans, het schild en het
zwaard, de piek, de speer of welk wapen hij ook ter hand nam
werd ieder door Hem, de Heer,
gebroken.
(Vedabase)
Tekst
30
Toen van zijn
wagen springend met het zwaard in de hand rende hij, van zins
Krishna te doden, naar voren zo verbeten als een vogel in de
wind.
Toen
van zijn wagen springend met het zwaard in de hand rende
hij, van zins Krishna te doden, naar voren zo verbeten als
een vogel in de wind.
(Vedabase)
Tekst
31
Door met Zijn
pijlen het zwaard en het schild te breken van Zijn aanvaller,
nam Hij, bereid om Rukmî om te brengen, Zijn eigen
scherpe zwaard ter hand.
Met
Zijn pijlen, het zwaard en het schild brekend van hem die
aanviel, nam Hij, bereid om Rukmî om te brengen, Zijn
eigen scherpe zwaard ter hand.
(Vedabase)
Tekst
32
Toen ze zag dat
Hij haar broer wilde doden, viel de vrome Rukminî
doodsbang haar echtgenoot ten voeten en sprak ze
klagelijk.
Getuige
van de inspanning haar broer te doden, viel de vrome
Rukminî in angst verzet haar echtgenoot ten voeten en
sprak ze lamenterend.
(Vedabase)
Tekst
33
S'rî
Rukminî zei: 'O Beheerser van de Yoga, o
Ondoorgrondelijke Ziel, o God der Goden, o Meester van het
Universum, o Goedgunstige, alsJeblieft breng mijn broer niet
om, o Machtig-gearmde.'
S'rî
Rukminî zei: 'O Beheerser van de Yoga, o
Ondoorgrondelijke Ziel, o God der Goden, o Meester van het
Universum, o Goedgunstige, alsJeblieft breng mijn broer niet
om, o Machtig-gearmde.' (Vedabase)
Tekst
34
S'rî
S'uka zei: 'Met Zijn voeten beetgegrepen door haar van wie in
het volle van haar angst de leden beefden, de mond droog werd
in haar leed, de keel was verstikt en het gouden halssnoer in
haar opwinding scheef hing, zag Hij er mededogend van
af.
S'rî
S'uka zei: 'Met Zijn voeten beetgegrepen door haar van wie
in de volle angst de leden beefden, de mond droog werd in
haar leed, de keel was verstikt en het gouden halssnoer in
haar opwinding uit positie lag, zag Hij er in mededogen van
af. (Vedabase)
Tekst
35
Met een stuk
stof hem vastbindend schoor Hij toen de booswicht, er een zooi
van makend met slechts wat plukken van zijn haar en snor
overlatend. Ondertussen verpletterde het uitzonderlijke leger
van de Yadu-helden zijn tegenstanders zoals olifanten een
lotusbloem plattrappen [vergelijk 1.7].
Met
een stuk stof hem vastbindend, schoor Hij de booswicht, er
een zooi van makend met slechts wat plukken van zijn haar en
snor overlatend, terwijl ondertussen het uitzonderlijke
leger van de Yadu-helden hun tegenstanders hadden
verpletterd zoals olifanten een lotusbloem plattrappen
[vergelijk 1.7].
(Vedabase)
Tekst
36
Toen ze Krishna
naderden zagen ze daar Rukmî voor dood in zijn
jammerlijke toestand. De almachtige Opperheer Sankarshana, door
medelijden bewogen, bevrijdde daarop de gevangene en zei tot
Krishna:
Bij
Krishna aangeland zagen ze daar Rukmî voor dood in
zijn jammerlijke toestand, waarop de almachtige Opperheer
Sankarshana, door medelijden bewogen, de gevangene bevrijdde
en tot Krishna zei: (Vedabase)
Tekst
37
'O Krishna, hoe
onbehoorlijk dit slechte scheerwerk van Je met zijn snor en
haar; het is iets dat zo erg is als het doden van een
familielid!'
Hoe
onbehoorlijk van Je, o Krishna; dit afsnijden door Jouw, van
zijn snor en haar zo slecht gedaan; het is net zo
verschrikkelijk als het overlijden van een
familielid!' (Vedabase)
Tekst
38
[Tot
Rukminî:] 'O heilige dame, wees er niet boos over dat
We je broer zo toegetakeld hebben; er is wat betreft de zaak
wie er nu geluk en leed veroorzaakt niemand anders dan de
persoon in kwestie zelf die verantwoordelijk is, daar een mens
de vruchten plukt van zijn eigen
handelen.'
[Tot
Rukminî:] 'O heilige dame, wees er niet boos over
dat We je broer zo toegetakeld hebben; er is wat betreft de
zaak wie er nu geluk en leed veroorzaakt niemand anders
verantwoordelijk, daar een mens de vruchten plukt van zijn
eigen handelen.' (Vedabase)
Tekst
39
[En weer
tot Krishna:]'Ookal verdient een verwant het vanwege zijn
wandaden te worden gedood, behoort hij door een familielid niet
ter dood gebracht te worden, maar dient hij in plaats daarvan
te worden uitgebannen [uit de familie]; waarom zou hij
die door zijn eigen wandaden de dood [van zijn eer]
vond, voor een tweede keer ter dood moeten worden
gebracht?'
[En
weer tot Krishna:] Ookal verdient een verwant het
vanwege zijn wandaden te worden gedood, behoort hij door een
familielid niet ter dood gebracht te worden, maar in plaats
daarvan te worden uitgebannen [uit de familie];
waarom zou hij die door zijn eigen fout de dood vond, voor
een tweede keer ter dood moeten worden
gebracht?'
(Vedabase)
Tekst
40
[Tot
Rukminî:] 'De heilige code van de krijgsheren zoals
ingesteld door de vader der oorsprong [Brahmâ] is
dat een broeder zelfs er niet voor moet terugdeinzen zijn eigen
broeder te doden. En dat is waarlijk iets heel
verschikkelijks.'
[Tot
Rukminî:] 'De heilige code van de krijgsheren
zoals ingesteld door de vader der oorsprong
[Brahmâ] is dat een broeder zelfs zijn eigen
broeder moet doden; hetgeen dan ook iets zeer
afschrikwekkends is.'
(Vedabase)
Tekst
41
[En weer
terug tot Krishna:] 'Zij die prat gaan op een koninkrijk,
land, rijkdommen, vrouwen, eer en macht of iets anders [dan
de ziel] begaan, verblind als ze zijn in hun dwaasheid met
de weelde, om die reden inderdaad
overtredingen.'
[En
weer terug tot Krishna:] Zij die prat gaan op een
koninkrijk, land, rijkdommen, vrouwen, eer en macht of iets
anders [anders dan de ziel] begaan, verblind in hun
dwaasheid met de weelde, om die reden inderdaad
overtredingen.'
(Vedabase)
Tekst
42
[En weer
tot Rukminî:] 'In deze opstelling van jou jegens alle
levende wezens, waarin je hen die vijandig zijn het kwade
toewenst en zij die je gunstig gezind zijn met het goede
bedenkt, ben je net zo partijdig als welk stuk onbenul
ook.
[En
weer tot Rukminî:] 'In deze opstelling van jou
jegens alle levende wezens, met het zij die vijandig zijn
het kwade toe te wensen en zij die je gunstig gezind zijn
het goede toe te denken, ben je partijdig als een onwetende
persoon.
(Vedabase)
Tekst
43
Door de
begoochelende macht van God wordt bewerkstelligd dat de mensen
in de wegen die ze bewandelen verbijsterd zijn over het Ware
Zelf zodat zij, die aldus het lichaam aanzien voor de ziel,
spreken in termen van het hebben van een vriend, een vijand of
van neutraal zijn met iemand.
Door
de begoochelende macht van God wordt bewerkstelligd dat de
mensen in de wegen die ze bewandelen verbijsterd zijn over
het Ware Zelf zodat zij, die aldus het lichaam aanzien voor
de ziel, spreken in termen van het hebben van een vriend,
een vijand of iemand
neutraal. (Vedabase)
Tekst
44
Zij die
begoocheld zijn nemen de Ene Ware Opperziel van Alle Dingen en
Ieder Belichaamd Wezen waar als zijnde een veelvoud, precies
zoals men dat doet met de sterren [ze niet herkennend als
een samenhangend sterrenstelsel] of de lucht [die
anders zou zijn voor een afgesloten ruimte, zie ook
B.G.
18: 20-21 en
1.2:
32].
Zij
die begoocheld zijn nemen de Ene Ware Opperziel van Alles en
Iedereen met een Lichaam waar als zijnde een veelvoud,
precies zoals men dat doet met de sterren [ze niet
herkennend als een samenhangend sterrenstelsel] of de
lucht [verschillend bezien als eveneens ergens buiten
bestaand, zie ook B.G. 18: 20-21 en 1.2:
32]. (Vedabase)
Tekst
45
Het fysieke
lichaam dat een begin en een einde kent is samengesteld uit de
materiële elementen, de zinnen en de geaardheden der
natuur. Door materiële onwetendheid is het iets dat
opgelegd is aan het zelf en vormt zo de oorzaak van het ervaren
van de kringloop van dood en geboorte.
Het
fysieke lichaam dat een begin en een einde kent is -
samengesteld uit de materiële elementen, de zinnen en
de geaardheden der natuur - in haar door materiële
onwetendheid opgelegd zijn aan het zelf oorzaak van het
ervaren van de kringloop van dood en
geboorte.
(Vedabase)
Tekst
46
Voor de ziel
die in contact staat met onverschillig wat, o kuise, bestaat er
geen gescheidenheid vanwege het er uit voortkomen [zoals
met een individuele ziel] of onwaarheid vanwege het er door
onthuld zijn [als een fysieke gedaante]; zoals dat ook
is met de zon in verhouding tot het zien en de vorm
waargenomen.
Voor
de ziel die in contact staat met onverschillig wat, o kuise,
bestaat er geen gescheidenheid vanwege het er uit voortkomen
[zoals met een individuele ziel] of onwaarheid
vanwege het er door onthuld zijn [als een fysieke
gedaante]; zoals dat ook is met de zon in verhouding tot
het zien en de vorm
waargenomen.
(Vedabase)
Tekst
47
Geboren worden
en dergelijke zijn enkel transformaties van het lichaam, nooit
en te nimmer van de ziel, net als de fasen van de maan niet
inhouden dat die is doodgegaan op de dagvan de nieuwe
maan.
Geboren
worden en dergelijke zijn enkel transformaties van het
lichaam, nooit en te nimmer van de ziel, net als de fasen
van de maan niet inhouden dat die is dood gegaan op de dag
van de nieuwe maan. (Vedabase)
Tekst
48
Zoals een
slapende persoon zichzelf, zinsobjecten en resultaten van
handelen ervaart ookal zijn ze niet echt, ondergaat op dezelfde
manier de onintelligente persoon zijn materiële bestaan
[zie ook 6.16:
55-56].
Zoals
een slapende persoon zichzelf ervaart, zinsobjecten en
resultaten van handelen ookal zijn ze niet echt, ondergaat
op dezelfde manier de onintelligente persoon zijn
materiële bestaan [zie ook 6.16:
55-56]. (Vedabase)
Tekst
49
Derhalve, o jij
met de zuivere lach, wees alsjeblieft jezelf weer [als de
godin van het geluk] met de kennis van de essentie die de
droefenis resulterend uit onwetendheid verdrijft en die je
liefde deed opdrogen en je verwarde.'
Derhalve,
o jij met de zuivere lach, wees alsjeblieft jezelf weer
[als de godin van het geluk] met de kennis van de
essentie die de droefenis resulterend uit onwetendheid
verdrijft en die je liefde deed opdrogen en je
verwarde.' (Vedabase)
Tekst
50
S'rî
S'uka zei: 'Zij met haar slanke middel aldus ingelicht door
Balarâma, de Opperheer, gaf haar mismoedigheid op en
kreeg met intelligentie zichzelf weer in de
hand.
S'rî
S'uka zei: 'Zij met haar slanke middel aldus ingelicht door
Balarâma, de Opperheer, gaf haar mismoedigheid op en
kreeg met intelligentie zichzelf weer in de
hand.
(Vedabase)
Tekst
51
Met slechts
zijn levensadem nog over, uitgestoten door zijn vijanden en
beroofd van zijn kracht en luister kon hij
[Rukmî] zijn vernedering niet vergeten.
Gefrustreerd in zijn persoonlijke verlangens bouwde hij zich
toen een verblijfplaats. Het werd een grote stad genaamd
Bhojakatha ['de eed ondergaan
hebben'].
Met
slechts zijn levensadem nog over, uitgestoten door zijn
vijanden en verstoken van zijn kracht en luister was hij
[Rukmî] bij de herinnering aan zijn
toetakeling gefrustreerd in zijn persoonlijke verlangens en
bouwde hij als zijn verblijfplaats een grote stad genaamd
Bhojakatha ['de eed ondergaan
hebben'].
(Vedabase)
Tekst
52
Met het gezegd
hebben van 'Zonder dat ik die slechterik Krishna heb gedood,
zonder mijn zuster terug te halen, zal ik niet naar Kundina
terugkeren', richtte hij kwaad precies op die plek zijn
verblijfplaats op.
Met
het gezegd hebben van 'Zonder de slechtgeaarde Krishna te
doden, zonder mijn zuster terug te halen, zal ik niet naar
Kundina terugkeren', richtte hij kwaad precies op die plek
zijn verblijfplaats op.
(Vedabase)
Tekst
53
De Allerhoogste
Heer, alzo de aardse heersers verslaand, bracht de dochter van
Bhîshmaka naar Zijn hoofdstad en trouwde met haar
overeenkomstig de vidhi, o beschermer van de
Kuru's.
De
Allerhoogste Heer, alzo de aardse heersers verslaand, bracht
de dochter van Bhîshmaka naar Zijn hoofdstad en
trouwde met haar overeenkomstig de vidhi, o beschermer van
de Kuru's.
(Vedabase)
Tekst
54
Toen dat zich
afspeelde was er een grote feestvreugde in iedere woning in de
Yadu-stad waar, o Koning, de mensen niemand anders dan Krishna,
de leider van de Yadu's, als het voorwerp van hun liefde
hadden.
Te
dien tijde was er een grote feestvreugde in iedere woning in
de yadu-stad waar, o Koning, de mensen niemand anders dan
Krishna, de leider van de Yadu's, als het voorwerp van hun
liefde hadden.
(Vedabase)
Tekst
55
De mannen en
vrouwen boden, blij met glimmende juwelen en oorhangers,
respectvol huwelijksgeschenken aan de bruid en bruidegom, die
prachtig waren uitgedost.
De
mannen en vrouwen boden blij met glimmende juwelen en
oorhangers respectvol huwelijksgeschenken aan de gevierden,
die prachtig waren
uitgedost. (Vedabase)
Tekst
56
De stad van de
Vrishni's zag er prachtig uit met de feestzuilen die waren
opgericht, de keur aan bloemenslingers, de vaandels, de
edelstenen en de bogen met bij iedere voordeur een schikking
van zegenrijke zaken als potten vol met water, aguru
wierook en lampen.
De
stad van de Vrishni's zag er prachtig uit met de feestzuilen
die waren opgericht, de keur aan bloemenslingers, de
vaandels, de edelstenen en de bogen met bij iedere voordeur
een schikking van zegenrijke zaken als potten vol met water,
aguru wierook en lampen. (Vedabase)
Tekst
57
Haar
straten werden besprenkeld met behulp van olifanten die dropen
van de bronst en toebehoorden aan de populaire persoonlijkheden
die waren uitgenodigd en bij de deuropeningen werden, om aan de
pracht nog toe te voegen, plataan- en betelnootstammen
geplaatst.
Haar
straten werden besprenkeld met behulp van de van bronst
druipende olifanten van de populaire persoonlijkheden die
waren uitgenodigd en bij de deuropeningen werden, om aan de
pracht nog toe te voegen, plataan- en betelnoot stammen
geplaatst. (Vedabase)
Tekst
58
De leden van de
Kuru-, Sriñjaya-, Kaikeya-, Vidarbha-, Yadu- en
Kunti-families genoten ervan bij die gelegenheid elkaar te
ontmoeten temidden van het volk dat opgewonden druk in de weer
was.
De
leden van de Kuru, Sriñjaya, Kaikeya, Vidarbha, Yadu
en Kunti-families genoten ervan daarin elkaar te ontmoeten
temidden van het volk dat opgewonden druk in de weer
was.
(Vedabase)
Tekst
59
Vernemend over
de ontvoering van Rukminî die alom werd bezongen, raakten
de koningen en hun dochters hoogst onder de
indruk.
Vernemend
over de ontvoering van Rukminî die alom werd bezongen,
raakten de koningen en hun dochters hoogst onder de
indruk. (Vedabase)
Tekst
60
O Koning, in
Dvârakâ waren al de burgers van de stad dolblij om
te zien dat Krishna, de Meester van alle Weelde zich in de echt
had verbonden met Rukminî, de godin van het
geluk.'
O
Koning, in Dvârakâ waren al de burgers van de
stad dolblij om te zien dat Krishna, de Meester van alle
Weelde zich had verbonden met Rukminî, de godin van
het geluk.
(Vedabase)