
Bronteksten
(geen voorgaande tekst in het Nederlands beschikbaar):
The
Killing of the Demon Naraka
Text
1:
De
achtenswaardige koning zei: 'Alstublieft vertel me over dit
avontuur van Hem die S'ârnga hanteert [Krishna]:
hoe werd Bhauma, die deze vrouwen gevangen zette, gedood door
de Allerhoogste?'
[King
Parîkchit said:] How was Bhaumâsura, who
kidnapped so many women, killed by the Supreme Lord? Please
narrate this adventure of Lord
S'ârngadhanvâ's.
Text
2-3:
S'rî
S'uka zei: 'Op de hoogte gesteld door Indra, wiens parasol
[of bewijs van adel] van Varuna en een plaats
[genaamd Mani-parvata] op de berg der goden [de
heuvel Mandara, zie 8.6:
22-23] was
weggestolen en wiens verwant [moeder Aditi, zie
8.17]
was beroofd van haar oorhangers, ging Hij [Heer Krishna in
reactie] op wat Bhaumâsura allemaal had gedaan
tezamen met Zijn vrouw [Satyabhâmâ
zie
*] gezeten
op Garuda naar de stad Prâgjyotisha [Bhauma's
hoofdstad, nu Tejpur in Assam], dat beschut lag omringd
door bergen en wapensystemen, vuur, water en wind en was
versterkt met een [mura-pâs'a] hekwerk bestaande
uit tienduizenden harde en afschrikkende draden aan alle
kanten.
S'ukadeva
Gosvâmî said: After Bhauma had stolen the
earrings belonging to Indra's mother, along with Varuna's
umbrella and the demigods' playground at the peak of Mandara
mountain, Indra went to Lord Krishna and informed Him of
these misdeeds. The Lord, taking His wife
Satyabhâmâ with Him, then rode on Garuda to
Prâgjyotisha-pura, which was surrounded on all sides
by fortifications consisting of hills, unmanned weapons,
water, fire and wind, and by obstructions of
mura-pâs'a wire.
Text
4:
Met Zijn knots
brak Hij door de opgeworpen barricades van rotsblokken, met
Zijn pijlen versloeg Hij de wapensystemen, met Zijn schijf brak
Hij door het vuur, het water en de windverdediging en met Zijn
zwaard sloeg Hij zich evenzo door het hekwerk.
With
His club the Lord broke through the rock fortifications;
with His arrows, the weapon fortifications; with His disc,
the fire, water and wind fortifications; and with His sword,
the mura-pâs'a cables.
Text
5:
Met het
weerklinken van Zijn schelphoorn de zegels [van de
vesting] en de harten van de moedige strijders brekend,
sloeg Gadâdhara met Zijn zware strijdknots Zich door de
verdedigingswerken.
With
the sound of His conchshell Lord Gadâdhara then
shattered the magic seals of the fortress, along with the
hearts of its brave defenders, and with His heavy club He
demolished the surrounding earthen ramparts.
Text
6:
Toen hij het
geluid hoorde van de Heer Zijn Pañcajanya, dat weerklonk
als de donderslag aan het einde der tijden, verhief zich de
vijfkoppige demon Mura die lag te slapen in het water [van
de gracht].
The
five-headed demon Mura, who slept at the bottom of the
city's moat, awoke and rose up out of the water when he
heard the vibration of Lord Krishna's
Pâñcajanya conchshell, a sound as terrifying as
the thunder at the end of the cosmic age.
Text
7:
Zijn drietand
opheffend, zeer lastig om naar te kijken met een gloed zo
verschrikkelijk als het vuur van de zon, ging hij, als wilde
hij met zijn vijf monden de drie werelden verzwelgen, over tot
de aanval zoals de zoon van Târkshya [Garuda] een
slang aanvalt.
Shining
with the blinding, terrible effulgence of the sun's fire at
the end of a millennium, Mura seemed to be swallowing up the
three worlds with his five mouths. He lifted up his trident
and fell upon Garuda, the son of Târkshya, like an
attacking snake.
Text
8:
Zijn drietand
rondzwaaiend wiep hij hem met grote kracht naar Garuda met een
dermate kolossaal gebrul van zijn vijf monden dat de aarde, de
hemel en de buitenruimte doordringend het eivormige omhulsel
van het universum er van galmde.
Mura
whirled his trident and then hurled it fiercely at Garuda,
roaring from all five mouths. The sound filled the earth and
sky, all directions and the limits of outer space, until it
reverberated against the very shell of the universe.
Text
9:
Heer Krishna
brak toen met twee pijlen de drietand die op Garuda afvloog in
drie stukken en trof hem vervolgens met alle macht in zijn
gezichten met meer pijlen, waarop de duivel in woede verzet
zijn knots op Hem afslingerde.
Then
with two arrows Lord Hari struck the trident flying toward
Garuda and broke it into three pieces. Next the Lord hit
Mura's faces with several arrows, and the demon angrily
hurled his club at the Lord.
Text
10:
Die knots op
Hem afvliegend werd door de Oudere Broer van Gada
[Gadâgraja, Krishna] op het slagveld in duizend
stukken gebroken en toen hij met zijn armen geheven op Hem
afstormde, sneed de Onoverwinnelijke met gemak de hoofden eraf
met zijn werpschijf.
As
Mura's club sped toward Him on the battlefield, Lord
Gadâgraja intercepted it with His own and broke it
into thousands of pieces. Mura then raised his arms high and
rushed at the unconquerable Lord, who easily sliced off his
heads with His disc weapon.
Text
11:
Levenloos in
het water neervallend met zijn hoofden eraf alsof Indra met
zijn kracht een bergpiek had afgesplitst, kwamen zijn zeven
zoons om zich te wreken vertoornd in actie, zich hoogst
ellendig voelend over hun vaders dood.
Lifeless,
Mura's decapitated body fell into the water like a mountain
whose peak has been severed by the power of Lord Indra's
thunderbolt. The demon's seven sons, enraged by their
father's death, prepared to retaliate.
Text
12:
Ingezet door
Bhaumâsura traden Tâmra, Antariksha, S'ravana,
Vibhâvasu, Vasu, Nabhasvân en Aruna de zevende met
Pîthha voorop als hun generaal naar voren op het slagveld
hun wapens met zich meedragend.
Ordered
by Bhaumâsura, Mura's seven sons - Tâmra,
Antariksha, S'ravana, Vibhâvasu, Vasu, Nabhasvân
and Aruna - followed their general, Pîthha, onto the
battlefield bearing their weapons.
Text
13:
In de aanval
zetten ze kwaad en woest hun zwaarden, knotsen, speren, lansen
en drietanden in tegen de Onoverwinnelijke, maar onder geen
enkele omstandigheid in Zijn kunnen belemmerd door hun berg van
wapens schoot de Allerhoogste Heer ze met Zijn pijlen aan
gruzelementen.
These
fierce warriors furiously attacked invincible Lord Krishna
with arrows, swords, clubs, spears, lances and tridents, but
the Supreme Lord, with unfailing prowess, cut this mountain
of weapons into tiny pieces with His arrows.
Text
14:
Hen, aangevoerd
door Pîthha, stuurde Hij, hun hoofden, armen, dijen benen
en wapenrusting eraf schietend, naar waar Yamarâja zich
ophoudt zodat Bhauma, de zoon van moeder aarde, ziend hoe zijn
leger en aanvoerders bezweken onder de pijlen en de werpschijf
van Krishna, niet in staat dat te verdragen naar buiten kwam
met van de bronst druipende olifanten geboren uit de
melkoceaan.
The
Lord severed the heads, thighs, arms, legs and armor of
these opponents led by Pîthha and sent them all to the
abode of Yamarâja. Narakâsura, the son of the
earth, could not contain his fury when he saw the fate of
his military leaders. Thus he went out of the citadel with
elephants born from the Milk Ocean who were exuding mada
from their foreheads out of excitement.
Text
15:
Heer Krishna en
Zijn echtgenote zien zittend op Garuda, als waren ze de bliksem
in een wolk boven de zon, liet hij zijn S'ataghnî
[een projectiel met vele punten] op Hem los en vielen
tegelijkertijd al zijn soldaten aan.
Lord
Krishna and His wife, mounted upon Garuda, looked like a
cloud with lightning sitting above the sun. Seeing the Lord,
Bhauma released his S'ataghnî weapon at Him, whereupon
all of Bhauma's soldiers simultaneously attacked with their
weapons.
Text
16:
De Allerhoogste
Heer, de Oudere Broer van Gada, veranderde hun lichamen - en
tegelijkertijd ook de lijven van de paarden en de olifanten -
met verschillend gevederde scherpe pijlen in een [berg
van] afgeschoten armen, dijbenen en nekken.
At
that moment Lord Gadâgraja shot His sharp arrows at
Bhaumâsura's army. These arrows, displaying variegated
feathers, soon reduced that army to a mass of bodies with
severed arms, thighs and necks. The Lord similarly killed
the opposing horses and elephants.
Text
17-19
Ieder van de
puntige en stakige wapens die de strijders inzetten, o held van
de Kuru's, werd door Krishna telkens met drie pijlen aan
stukken geschoten. Gedragen door hem met de grote vleugels,
Garuda, die met beide vleugels klappen uitdeelde, werden de
olifanten verslagen. De olifanten door zijn vleugels, bek en
klauwen belaagd trokken zich terug in de stad terwijl Naraka
['hel' ofwel Bhauma] doorging met de
veldslag.
Lord
Hari then struck down all the missiles and weapons the enemy
soldiers threw at Him, O hero of the Kurus, destroying each
and every one with three sharp arrows. Meanwhile Garuda, as
he carried the Lord, struck the enemy's elephants with his
wings. Beaten by Garuda's wings, beak and talons, the
elephants fled back into the city, leaving Narakâsura
alone on the battlefield to oppose Krishna.
Text
20
Bhauma, getergd
te zien hoe door Garuda het leger op de terugtocht werd
gedrongen, viel hem aan met een speer die [ooit] de
bliksemschicht [van Indra] weerstond, maar die raakte
hem niet zoals een olifant ook niet is geraakt geslagen met een
bloem.
Seeing
his army driven back and tormented by Garuda, Bhauma
attacked him with his spear, which had once defeated Lord
Indra's thunderbolt. But though struck by that mighty
weapon, Garuda was not shaken. Indeed, he was like an
elephant hit with a flower garland.
Text
21
Om Krishna te
doden nam Bhauma, gefrustreerd in zijn pogingen, zijn drietand
ter hand, maar voordat hij hem zelfs maar kon lanceren, sneed
de Heer met de scherpgerande schijf van Zijn cakra het hoofd
van Bhaumâsura eraf terwijl die op zijn olifant
zat.
Bhauma,
frustrated in all his attempts, took up his trident to kill
Lord Krishna. But even before he could release it, the Lord
cut off his head with His razor-sharp cakra as the demon sat
atop his elephant.
Text
22
Schitterend,
glimmend gesierd met oorhangers en een fraaie helm, viel dat
alles bij elkaar op de grond, en aanbaden [onder uitroepen
van] 'Helaas, helaas' en 'Bravo, bravo!' de wijzen en de
heersende goden Heer Krishna, Hem overladend met bloemen.
Fallen
on the ground, Bhaumâsura's head shone brilliantly,
decorated as it was with earrings and an attractive helmet.
As cries of "Alas, alas!" and "Well done!" arose, the sages
and principal demigods worshiped Lord Mukunda by showering
Him with flower garlands.
Text
23
Moeder aarde
die daaropvolgend Krishna benaderde bood gouden oorhangers aan
die gloeiden van de glimmende edelstenen, een vaijayanti
slinger van woudbloemen en gaf de parasol van Varuna en het
Grote Juweel [de bergtop van Mandara].
The
goddess of the earth then approached Lord Krishna and
presented Him with Aditi's earrings, which were made of
glowing gold inlaid with shining jewels. She also gave Him a
Vaijayantî flower garland, Varuna's umbrella and the
peak of Mandara Mountain.
Text
24
De godin toen,
o Koning, met een geest vervuld van toewijding haar handen
vouwend en neerbuigend, prees de Heer van het Universum die
wordt aanbeden door de besten onder de goden.
O
King, after bowing down to Him and then standing with joined
palms, the goddess, her mind filled with devotion, began to
praise the Lord of the universe, whom the best of demigods
worship.
Text
25
Bhûmi
zei: 'Aan U mijn eerbetuigingen o God der Goden, o Heer, die de
schelp, de schijf en de knots vasthoudt, U die naar het
verlangen van de toegewijden Uw verschillende gedaanten heeft
aangenomen, o Allerhoogste Ziel; laat er de lof voor U
zijn.
Goddess
Bhûmi said: Obeisances unto You, O Lord of the chief
demigods, O holder of the conchshell, disc and club. O
Supreme Soul within the heart, You assume Your various forms
to fulfill Your devotees' desires. Obeisances unto
You.
Text
26
Mijn eerbetoon
geldt Hem met het lotusvormige kuiltje in Zijn buik, mijn
eerbied geldt Hem met de slinger van lotussen om, mijn respect
voor Hem wiens blik koel is als een lotus, mijn lofprijzing
geldt U met de voeten die zijn als lotussen [zoals in
1.8:
22].
My
respectful obeisances are unto You, O Lord, whose abdomen is
marked with a depression like a lotus flower, who are always
decorated with garlands of lotus flowers, whose glance is as
cool as the lotus and whose feet are engraved with
lotuses.
Text
27
Mijn
eerbetuiging geldt U, de Allerhoogste Heer, Vâsudeva,
Vishnu, de Oorspronkelijke Persoon, het Zaad en de Volle
Kennis, aan U mijn eregroet.
Obeisances
unto You, the Supreme Lord Vâsudeva, Vishnu, the
primeval person, the original seed. Obeisances unto You, the
omniscient one.
Text
28
Laat er de
verering zijn van U, de Ongeboren Verwekker, de Onbegrensde
Absolute, de Ziel der hogere en lagere energieën, de Ziel
van de Schepping, de Superziel!
Obeisances
unto You of unlimited energies, the unborn progenitor of
this universe, the Absolute. O Soul of the high and the low,
O Soul of the created elements, O all-pervading Supreme
Soul, obeisances unto You.
Text
29
U, verlangend
te scheppen, o Meester, doet Zich kennen als Ongeboren
inderdaad [als Brahmâ], neemt voor de
vernietiging de onwetendheid op [als S'iva] en bent
voor het behoud [gemanifesteerd als] de goedheid
[met de Vishnu-avatâra's] van het Universum
[maar niettemin bent U] niet overdekt [door deze
geaardheden], o Heer van Jagat [het Levende Wezen dat
het Universum is]; Kâla [de tijd],
Pradhâna [de oorspronkelijke staat der materie]
en Purusha [het volledige als de oorspronkelijke
Persoon] zijnde staat U er niettemin los
van.
Desiring
to create, O unborn master, You increase and then assume the
mode of passion. You do likewise with the mode of ignorance
when You wish to annihilate the universe and with goodness
when You wish to maintain it. Nonetheless, You remain
uncovered by these modes. You are time, the pradhâna,
and the purusha, O Lord of the universe, yet still You are
separate and distinct.
Text
30
Dit zelf van
mij, het water, het vuur en de lucht, de ether, de
zinsobjecten, de halfgoden, de geest, de zintuigen, degene die
handelt, het geheel van de materiële energie, kortom alles
wat zich rondbeweegt of niet rondbeweegt, is [op zichzelf
staande] de verbijstering o Allerhoogste Heer, daar het
zich allemaal in U bevindt, U waarbuiten zich niets bevindt
[zie ook siddhânta]!
This
is illusion: that earth, water, fire, air, ether, sense
objects, demigods, mind, the senses, false ego and the total
material energy exist independent of You. In fact, they are
all within You, my Lord, who are one without a
second.
Text
31
Deze zoon van
hem [Bhauma's zoon, Bhûmi's kleinzoon] heeft bang
de lotusvoeten benaderd van U die het leed wegneemt van hen die
hun toevlucht zoeken; alstUblieft neem hem in bescherming en
plaats op zijn hoofd Uw lotushand die alle zonde
wegvaagt.'
Here
is the son of Bhaumâsura. Frightened, he is
approaching Your lotus feet, since You remove the distress
of all who seek refuge in You. Please protect him. Place
Your lotus hand, which dispels all sins, upon his
head.
Text
32
S'rî
S'uka zei: 'De Allerhoogste Heer, met deze woorden door
Bhûmi met toewijding en nederigheid aanbeden, ging, om de
angst weg te nemen, de verblijven binnen van Bhauma rijk met
alle denkbare weelde.
S'ukadeva
Gosvâmî said: Thus entreated by Goddess
Bhûmi in words of humble devotion, the Supreme Lord
bestowed fearlessness upon her grandson and then entered
Bhaumâsura's palace, which was filled with all manner
of riches.
Text
33
Aldaar zag de
Heer zestienduizend [**]
maagden van de adel die door Bhaumâsura met geweld waren
weggehaald bij de koningen.
There
Lord Krishna saw sixteen thousand royal maidens, whom Bhauma
had taken by force from various kings.
Text
34
Toen de vrouwen
Hem, de meest uitzonderlijke van alle mannen, zagen
binnenkomen, kozen ze bekoord voor Hem, die het lot had
gebracht, als de echtgenoot die ze zich wensten.
The
women became enchanted when they saw that most excellent of
males enter. In their minds they each accepted Him, who had
been brought there by destiny, as their chosen
husband.
Text
35
Verzonken in
Krishna denkend: 'Moge de voorzienigheid maken dat Hij mijn
echtgenoot wordt', plaatsten ze Hem aldus allen individueel in
hun harten.
With
the thought "May providence grant that this man become my
husband," each and every princess absorbed her heart in
contemplation of Krishna.
Text
36
Hen,
schoongewassen en smetteloos gekleed, stuurde Hij in
draagstoelen naar Dvârakâ tezamen met grote
schatten, strijdwagens en paarden en een groot aantal andere
kostbaarheden.
The
Lord had the princesses arrayed in clean, spotless garments
and then sent them in palanquins to Dvârakâ,
together with great treasures of chariots, horses and other
valuables.
Text
37
Kes'ava stuurde
ook vierenzestig snelle en witte olifanten mee met vier
slagtanden die afkomstig waren uit de lijn van Airâvata
[Indra's olifant].
Lord
Krishna also dispatched sixty-four swift white elephants,
descendants of Airâvata, who each sported four
tusks.
Text
38-39
Zich begevend
naar de verblijfplaats van de koning der goden en Aditi haar
oorhangers overhandigend werd Hij tezamen met Zijn geliefde
[Satyabhâmâ] aanbeden door Indra de leider
van de dertig [belangrijkste] halfgoden en door de
echtgenote van de grote koning. Er door Zijn vrouw toe aangezet
trok hij de pârijâta uit de grond, plaatste die op
Garuda en bracht hem, de halfgoden verslaand [die dat
bestreden], naar Zijn stad.
The
Lord then went to the abode of Indra, the demigods' king,
and gave mother Aditi her earrings; there Indra and his wife
worshiped Krishna and His beloved consort
Satyabhâmâ. Then, at Satyabhâmâ's
behest the Lord uprooted the heavenly pârijâta
tree and put it on the back of Garuda. After defeating Indra
and all the other demigods, Krishna brought the
pârijâta to His capital.
Text
40
Geplant sierde
die de tuin van Satyabhâmâ's verblijf tot waar die
werd gevolgd door de bijen uit de hemel begeertig naar de zoete
geur en het sap.
Once
planted, the pârijâta tree beautified the garden
of Queen Satyabhâmâ's palace. Bees followed the
tree all the way from heaven, greedy for its fragrance and
sweet sap.
Text
41
Nadat hij
[Indra] zich voorover had gebogen, met de punten van
zijn kroon Zijn voeten beroerend, en Acyuta had gesmeekt aan
zijn verlangens te beantwoorden, ging hij, die grote ziel
inderdaad van de halfgoden, toen die eenmaal zijn doel bereikt
had, de strijd met Hem aan [over de
pârijâta]; vervloekt zij die weelde van hen,
wat een onbenul! [zie ook: 3.3:
5].
Even
after Indra had bowed down to Lord Acyuta, touched His feet
with the tips of his crown and begged the Lord to fulfill
his desire, that exalted demigod, having achieved his
purpose, chose to fight with the Supreme Lord. What
ignorance there is among the gods! To hell with their
opulence!
Text
42
Toen, op een
uitgekiend tijdstip, trouwde de Opperheer naar behoren met die
vrouwen, als één en dezelfde in de verschillende
verblijven, als de Onvergankelijke Ene, evenzovele gedaanten
aannemend [zie 10.58:
45,
10.69:
19-45 en B.G.
9:
15;
13:
31].
Then
the imperishable Supreme Personality, assuming a separate
form for each bride, duly married all the princesses
simultaneously, each in her own palace.
Text
43
Steeds zich in
hun verblijven ophoudend verrichtte Hij ondoorgrondelijk,
ongeëvenaard, en onovertroffen, opgegaan in Zijn liefde
Zijn daden genietend met de behagende vrouwen, waarbij Hij zijn
huishoudelijke taken verrichtte zoals iedere andere man
[zie ook 1.11:
37-39].
The
Lord, performer of the inconceivable, constantly remained in
each of His queens' palaces, which were unequaled and
unexcelled by any other residence. There, although fully
satisfied within Himself, He enjoyed with His pleasing
wives, and like an ordinary husband He carried out His
household duties.
Text
44
De vrouwen, op
deze manier de echtgenoot van Ramâ krijgend en wetend van
middelen van verwezenlijking die zelfs Brahmâ en de
andere goden niet kennen, deelden in een immer groeiend plezier
in de altijd frisse liefdevolle aantrekking van een omgang in
glimlachen en blikken, intieme gesprekken en bedeesdheid.
Thus
those women obtained as their husband the husband of the
goddess of fortune, although even great demigods like
Brahmâ do not know how to approach Him. With
ever-increasing pleasure they experienced loving attraction
for Him, exchanged smiling glances with Him and reciprocated
with Him in ever-fresh intimacy, replete with joking and
feminine shyness.
Text
45
Hem benaderend,
een zitplaats biedend, van eersteklas toewijding zijnd, Zijn
voeten wassend, met betelnoot van dienst zijnd, met massages en
koelte toewuivend, met geuren, bloemenslingers, het verzorgen
van Zijn haar, het zorgen voor Zijn bed, met baden en met het
geven van kadootjes, waren ze, hoewel ze honderden
dienstmeisjes hadden, [persoonlijk] de Almachtige Heer
van dienst.'
Although
the Supreme Lord's queens each had hundreds of maidservants,
they chose to personally serve the Lord by approaching Him
humbly, offering Him a seat, worshiping Him with excellent
paraphernalia, bathing and massaging His feet, giving Him
pân to chew, fanning Him, anointing Him with fragrant
sandalwood paste, adorning Him with flower garlands,
dressing His hair, arranging His bed, bathing Him, and
presenting Him with various gifts.
*
De âcârya's leggen uit dat Satyabhâmâ
Krishna zou vergezellen om toestemming te verlenen om Bhauma te
doden ondanks de belofte die Hij ooit deed aan Bhûmi, de
godin van de aarde, haar zoon Bhauma zonder haar toestemming
geen geweld aan de doen. Ook zou ze zijn meegekomen om de
parijata bloemenboom mee te nemen die Krishna haar had beloofd
nadat Hij voor Rukminî zo'n bloem had meegebracht
[zie ook 10.50:
54
en3.3:
5].
**
Wat betreft het precieze aantal van Krishna's koninginnen
bestaat er geen absolute enigheid. Hier staat geschreven 16000.
De Vishnu Purâna V.19 - 9.31 maakt melding van 16100
dames terwijl nog weer anderen spreken van 16001 van hen. Het
vers 10.90:
29
niet meegerekend dat ook melding maakt van meer dan 16100
stuks, zouden zuiver redenerend vanuit de Bhâgavatam
verhalen alleen, er 16008 koninginnen zijn [zie ook
voorgaande
voetnoot].
