Tweede
editie, geladen 3 oktober 2008

Bronteksten
(geen voorgaande versie in het Nederlands beschikbaar):
Lord
Balarâma Slays Rukmî
Tekst
1
S'rî
S'uka zei: 'Ieder van de vrouwen van Krishna bracht tien zoons
ter wereld die niet onderdeden voor hun Vader in al Zijn
persoonlijke rijkdom.
S'ukadeva
Gosvâmî said: Each of Lord Krishna's wives gave
birth to ten sons, who were not less than their father,
having all His personal opulence. (Vedabase)
Tekst
2
Omdat ze Acyuta
nimmer hun paleizen zagen verlaten beschouwde ieder van de
prinsessen zichzelf als de meest dierbare; de vrouwen hadden
geen weet van de waarheid die Hem gold.
Because
each of these princesses saw that Lord Acyuta never left her
palace, each thought herself the Lord's favorite. These
women did not understand the full truth about Him.
(Vedabase)
Tekst
3
Volledig in de
ban van de Allerhoogste Heer Zijn gezicht zo prachtig als de
werveling van een lotus, Zijn lange armen, Zijn ogen en
liefdevolle blikken, gevatte benadering en charmante verhalen
konden de vrouwen, met hun aantrekking, geen greep krijgen op
de geest van Hem Almachtig.
The
Supreme Lord's wives were fully enchanted by His lovely,
lotuslike face, His long arms and large eyes, His loving
glances imbued with laughter, and His charming talks with
them. But with all their charms these ladies could not
conquer the mind of the all-powerful Lord. (Vedabase)
Tekst
4
Ondanks de
romantische signalen die ze uitzonden met hun geheven
wenkbrauwen, verholen blikken en bedeesde glimlachen, om
aantrekkelijk blijk te geven van hun bedoelingen, waren de
zestienduizend vrouwen met hun pijlen van Cupido en andere
methoden niet in staat de zinnen [van Krishna] in
beroering te brengen.
The
arched eyebrows of these sixteen thousand queens
enchantingly expressed those ladies' secret intentions
through coyly smiling sidelong glances. Thus their eyebrows
boldly sent forth conjugal messages. Yet even with these
arrows of Cupid, and with other means as well, they could
not agitate Lord Krishna's senses. (Vedabase)
Tekst
5
Deze vrouwen,
op die manier als hun echtgenoot de Heer van Ramâ
krijgend in verhouding tot wie zelfs niet Heer Brahmâ en
de andere goden de middelen van succes kennen, eisten
volijverig anticiperend op de altijd weer nieuwe, intieme
omgang met plezier, glimlachen en blikken hun deel op in de
onophoudelijke en liefdevolle aantrekking [zoals in
10.59:
44].
Thus
these women obtained as their husband the master of the
goddess of fortune, although even great demigods like
Brahmâ do not know how to approach Him. With
ever-increasing pleasure, they felt loving attraction for
Him, exchanged smiling glances with Him, eagerly anticipated
associating with Him in ever-fresh intimacy and enjoyed in
many other ways. (Vedabase)
Tekst
6
Hoewel ze
honderden dienstmaagden hadden waren ze, [persoonlijk]
Hem benaderend, een zitplaats biedend, van eersteklas eerbetoon
zijnd, Zijn voeten wassend, dienend met betelnoot, met het
geven van massages en Hem koelte toewuivend, met geuren,
bloemenslingers, het verzorgen van Zijn haar, het schikken van
Zijn bed, met baden en met het aanbieden van geschenken, de
Almachtige Heer van dienst [als in 10.59:
45].
Although
the Supreme Lord's queens each had hundreds of maidservants,
they chose to personally serve the Lord by approaching Him
humbly, offering Him a seat, worshiping Him with excellent
paraphernalia, bathing and massaging His feet, giving Him
pân to chew, fanning Him, anointing Him with fragrant
sandalwood paste, adorning Him with flower garlands,
dressing His hair, arranging His bed, bathing Him and
presenting Him with various gifts. (Vedabase)
Tekst
7
Van deze
[16008 **]
vrouwen van Krishna voorheen genoemd die ieder tien zonen
hadden, waren er acht belangrijkste koninginnen van wie ik de
zoons met Pradyumna voorop zal opsommen.
Among
Lord Krishna's wives, each of whom had ten sons, I
previously mentioned eight principal queens. I shall now
recite for you the names of those eight queens' sons, headed
by Pradyumna. (Vedabase)
Tekst
8-9
Door de Heer
verwekt in Rukminî [zie 10.54:
60]
waren
er, in geen enkel opzicht voor Hem onderdoend, [met
Pradyumna voorop] Cârudeshna, Sudeshna en de machtige
Cârudeha; Sucâru, Cârugupta, Bhadracâru
en een andere genaamd Cârucandra alsook Vicâru en
Câru, de tiende.
The
first son of Queen Rukminî was Pradyumna, and also
born of her were Cârudeshna, Sudeshna and the powerful
Cârudeha, along with Sucâru, Cârugupta,
Bhadracâru, Cârucandra, Vicâru and
Câru, the tenth. None of these sons of Lord Hari was
less than his father. (Vedabase)
Tekst
10-12
De
tien zoons van
Sathyabhâmâ
[10.56:
44]
waren Bhânu, Subhânu, Svarbhânu,
Prabhânu, Bhânumân en Candrabhânu;
alsook Brihadbhânu, de achtste Atibhânu en
S'rîbhânu en Pratibhânu [bhânu
means luister, schittering]. Sâmba, Sumitra, Purujit,
S'atajit en Sahasrajit; Vijaya en Citraketu, Vasumân,
Dravida en Kratu waren de zoons van Jâmbavatî
[10.56:
32].
Het waren inderdaad deze zoons met Sâmba voorop die de
voorkeur van hun Vader genoten
[zie ook
7.1:
2 &
12].
The
ten sons of Satyabhâmâ were Bhânu,
Subhânu, Svarbhânu, Prabhânu,
Bhânumân, Candrabhânu, Brihadbhânu,
Atibhânu (the eighth), S'rîbhânu and
Pratibhânu. Sâmba, Sumitra, Purujit, S'atajit,
Sahasrajit, Vijaya, Citraketu, Vasumân, Dravida and
Kratu were the sons of Jâmbavatî. These ten,
headed by Sâmba, were their father's favorites.
(Vedabase)
Tekst
13
Vîra,
Candra en As'vasena; Citragu, Vegavân, Vrisha, Âma,
S'anku, Vasu en de vermogende Kunti waren de zoons van
Nâgnajitî [ofwel Satyâ, zie
10.58:
55].
The
sons of Nâgnajitî were Vîra, Candra,
As'vasena, Citragu, Vegavân, Vrisha, Âma,
S'anku, Vasu and the opulent Kunti. (Vedabase)
Tekst
14
S'ruta,
Kavi, Vrisha, Vîra, Subâhu, degene die Bhadra
heette, S'ânti, Dars'a en Pûrnamâsa waren,
met Somaka als de jongste, de zoons van Kâlindî
[10.58:
23].
S'ruta,
Kavi, Vrisha, Vîra, Subâhu, Bhadra,
S'ânti, Dars'a and Pûrnamâsa were sons of
Kâlindî. Her youngest son was Somaka.
(Vedabase)
Tekst
15
Praghosha,
Gâtravân, Simha, Bala, Prabala en Ûrdhaga
waren met
Mahâs'akti,
Saha, Oja en Aparâjita de
zoons van Mâdrâ [zie *].
Mâdrâ's
sons were Praghosha, Gâtravân, Simha, Bala,
Prabala, Ûrdhaga, Mahâs'akti, Saha, Oja and
Aparâjita. (Vedabase)
Tekst
16
Vrika,
Harsha, Anila, Gridhra, Vardhana, Unnâda, Mahâmsa,
Pâvana en Vahni waren met Kshudhi de zoons van
Mitravindâ [10.58:
31].
Mitravindâ's
sons were Vrika, Harsha, Anila, Gridhra, Vardhana,
Unnâda, Mahâmsa, Pâvana, Vahni and
Kshudhi. (Vedabase)
Tekst
17
Sangrâmajit,
Brihatsena, S'ûra, Praharana, Arijit, Jaya en Subhadra
waren tezamen met Vâma, Âyur en Satyaka de zoons
van Bhadrâ [10.58:
56].
Sangrâmajit,
Brihatsena, S'ûra, Praharana, Arijit, Jaya and
Subhadra were the sons of Bhadrâ, together with
Vâma, Âyur and Satyaka. (Vedabase)
Tekst
18
Dîptimân,
Tâmratapta en anderen waren de zoons van Heer Krishna en
Rohinî [*].
O Koning, van Pradyumna kwam, toen Hij zich ophield in de stad
Bhojakatha [Rukmî's domein], verwekt in
Rukmavatî, de dochter van Rukmî, de hoogst machtige
Aniruddha ter wereld [zie ook 4.24:
35-36].
Dîptimân,
Tâmratapta and others were the sons of Lord Krishna
and Rohinî. Lord Krishna's son Pradyumna fathered the
greatly powerful Aniruddha in the womb of Rukmavatî,
the daughter of Rukmî. O King, this took place while
they were living in the city of Bhojakatha.
(Vedabase)
Tekst
19
Uit deze zoons
en kleinzoons werden er tientallen miljoenen geboren, o Koning,
daar het aantal moeders van de nakomelingen van Krishna
zestienduizend bedroeg.'
My
dear King, the sons and grandsons of Lord Krishna's children
numbered in the tens of millions. Sixteen thousand mothers
gave rise to this dynasty. (Vedabase)
Tekst
20
De koning zei:
'Hoe kon Rukmî zijn dochter uithuwelijken aan de zoon van
zijn Vijand? Verslagen door Krishna in de slag wachtte hij de
gelegenheid af om Hem te doden. Alstublieft, leg het me uit, o
geleerde, hoe dit huwelijk tussen de twee vijanden kon worden
gearrangeerd.
King
Parîkshit said: How could Rukmî give his
daughter to his enemy's son? After all, Rukmî had been
defeated by Lord Krishna in battle and was waiting for an
opportunity to kill Him. Please explain this to me, O
learned one - how these two inimical parties became united
through marriage. (Vedabase)
Tekst
21
Yogi's
[als u] zijn perfect in staat het verleden, het heden
alsook watt zich nog niet heeft voorgedaan te zien, zowel als
zaken ver weg, zaken verhuld door obstakels en zaken voorbij
aan de zinnen.'
Mystic
yogîs can perfectly see that which has not yet
happened, as well as things in the past or present, beyond
the senses, remote or blocked by physical obstacles.
(Vedabase)
Tekst
22
S'rî
S'uka zei: 'Tijdens haar svayamvara-ceremonie verkoos
zij [Rukmavatî] de Cupido [Pradyumna]
voor haar tastbaar die met een enkele wagen in de strijd de
verzamelde koningen versloeg en er met haar vandoor
ging.
S'rî
S'ukadeva Gosvâmî said: At her svayam-vara
ceremony, Rukmavatî herself chose Pradyumna, who was
the re-embodiment of Cupid. Then, although He fought alone
on a single chariot, Pradyumna defeated the assembled kings
in battle and took her away. (Vedabase)
Tekst
23
Rukmî,
zelfs al herinnerde hij zich steeds de vijandschap met Krishna
die hem had beledigd [10.54:
35],
gunde, om zijn zus [Rukminî] een plezier te doen,
zijn dochter zijn neef.
Though
Rukmî always remembered his enmity toward Lord
Krishna, who had insulted him, in order to please his sister
he sanctioned his daughter's marriage to his nephew.
(Vedabase)
Tekst
24
De
jonge dochter van Rukminî met grote amandelogen,
Cârumatî, huwde, zo wordt beweerd o Koning, de zoon
van Kritavarmâ genaamd
Balî.
O
King, Balî, the son of Kritavarmâ, married
Rukminî's young daughter, large-eyed
Cârumatî. (Vedabase)
Tekst
25
Rukmî,
ondanks zijn in vijandschap aan de Heer gehecht zijn, schonk
aan de zoon van zijn dochter, Aniruddha, zijn kleindochter weg
genaamd Rocanâ; zich ervan bewust dat het huwelijk
indruiste tegen het dharma [dat voorschrijft niet te heulen
met de vijand], gaf hij er, in zijn vrijheid beperkt door
de banden der genegenheid, de voorkeur aan zijn zuster te
behagen met dat huwelijk.
Rukmî
gave his granddaughter Rocanâ to his daughter's son,
Aniruddha, despite Rukmî's relentless feud with Lord
Hari. Although Rukmî considered this marriage
irreligious, he wanted to please his sister, bound as he was
by the ropes of affection. (Vedabase)
Tekst
26
Ter gelegenheid
van die gelukkige gebeurtenis, o Koning, begaven Rukminî,
Balarâma en Kes'ava [Krishna], Sâmba,
Pradyumna en anderen, zich naar de stad Bhojakatha.
On
the joyous occasion of that marriage, O King, Queen
Rukminî, Lord Balarâma, Lord Krishna and several
of the Lord's sons, headed by Sâmba and Pradyumna,
went to the city of Bhojakatha. (Vedabase)
Tekst
27-28
Na de
plechtigheid richtten een paar arrogante koningen aangevoerd
door de heerser van Kalinga zich tot Rukmî: 'U zou
Balarâma eens met een dobbelspelletje moeten verslaan. Er
waarlijk niet zo goed in is Hij, o Koning, er niettemin
hogelijkst door gefascineerd', zeiden ze aldus en zodoende
Balarâma uitnodigend dobbelde Rukmî een partijtje
met Hem.
After
the wedding, a group of arrogant kings headed by the King of
Kalinga told Rukmî, "You should defeat Balarâma
at dice. He's not expert at dice, O King, but still He's
quite addicted to it." Thus advised, Rukmî challenged
Balarâma and began a gambling match with Him.
(Vedabase)
Tekst
29
In
die krachtmeting een inzet van eerst honderd, toen duizend en
daarna tienduizend [gouden munten] accepterend was het
Rukmî echter die won, waarop de heer van Kalinga
luidkeels om Balarâma moest lachen waarbij hij zijn
tanden vrijelijk liet zien. Dit kon de Drager van de Ploeg hem
niet vergeven.
In
that match Lord Balarâma first accepted a wager of one
hundred coins, then one thousand, then ten thousand.
Rukmî won this first round, and the King of Kalinga
laughed loudly at Lord Balarâma, showing all his
teeth. Lord Balarâma could not tolerate this.
(Vedabase)
Tekst
30
Rukmî
ging daarop een inzet van zo'n honderdduizend aan die toen door
Balarâma werd gewonnen, maar Rukmî, zijn toevlucht
nemend tot bedrog, zei: 'Ik heb het
gewonnen!'
Next
Rukmî accepted a bet of one hundred thousand coins,
which Lord Balarâma won. But Rukmî tried to
cheat, declaring "I'm the winner!" (Vedabase)
Tekst
31
Met
een geest onstuimig als de oceaan op de dag van een volle maan
aanvaardde de knappe Balarâma, wiens van nature roze ogen
brandden van woede, een gok van een honderd
miljoen.
Shaking
with anger like the ocean on the full-moon day, handsome
Lord Balarâma, His naturally reddish eyes even redder
in His fury, accepted a wager of one hundred million gold
coins. (Vedabase)
Tekst
32
Balarâma
won ook dat spel eerlijk maar Rukmî zocht opnieuw zijn
heil in misleiding en zei: 'Het is door mij gewonnen. Mogen
deze getuigen dat bevestigen!'
Lord
Balarâma fairly won this wager also, but Rukmî
again resorted to cheating and declared, "I have won! Let
these witnesses here say what they saw." (Vedabase)
Tekst
33
Toen
sprak er een stem uit de hemel die zei: 'Het was inderdaad
Balarâma die de inzet won, de woorden die Rukmî
uitsprak zijn een botte
leugen!'
Just
then a voice from the sky declared, "Balarâma has
fairly won this wager. Rukmî is surely lying."
(Vedabase)
Tekst
34
Geen
acht slaand op die stem zei de prins van Vidarbha, door de
kwade koningen aangespoord tot een rampenkoers, spottend tot
Sankarshana:
Urged
on by the wicked kings, Rukmî ignored the divine
voice. In fact destiny itself was urging Rukmî on, and
thus he ridiculed Lord Balarâma as follows.
(Vedabase)
Tekst
35
'Jullie
koeherders zijn er werkelijk goed in rond te trekken in het
woud, niet zozeer in het dobbelen; het spel met dobbelstenen en
pijlen is weggelegd voor koningen, niet voor jullie slag!'
[Rukmî
said:] You cowherds who wander about the forests know
nothing about dice. Playing with dice and sporting with
arrows are only for kings, not for the likes of You.
(Vedabase)
Tekst
36
Op
deze manier in de zegenrijke bijeenkomst [van het
huwelijk], door Rukmî beledigd en de risee geworden
van de aanwezige koningen hief Hij woedend Zijn knots en sloeg
Hij hem dood.
Thus
insulted by Rukmî and ridiculed by the kings, Lord
Balarâma was provoked to anger. In the midst of the
auspicious wedding assembly, He raised His club and struck
Rukmî dead. (Vedabase)
Tekst
37
Vlug als water
de wegvluchtende koning van Kalinga op zijn tiende stap te
pakken nemend, sloeg Hij in Zijn toorn de tanden eruit die hij
had laten zien toen hij lachte [zie ook
4.5:
21].
The
King of Kalinga, who had laughed at Lord Balarâma and
shown his teeth, tried to run away, but the furious Lord
quickly seized him on his tenth step and knocked out all his
teeth. (Vedabase)
Tekst
38
Geteisterd
door Balarâma's knots sloegen verzet in doodsangst de
andere koningen, met hun armen, benen en schedels gebroken,
toen doordrenkt van het bloed op de vlucht.
Tormented
by Lord Balarâma's club, the other kings fled in fear,
their arms, thighs and heads broken and their bodies
drenched in blood. (Vedabase)
Tekst
39
Geplaatst
voor het feit dat Zijn zwager, Rukmî, was afgemaakt o
Koning, gaf de Heer, beducht de band der genegenheid met
Rukminî en Balarâma te verbreken, geen enkele blijk
van goedkeuring of protest.
When
His brother-in-law Rukmî was slain, Lord Krishna
neither applauded nor protested, O King, for He feared
jeopardizing His affectionate ties with either Rukminî
or Balarâma. (Vedabase)
Tekst
40
Toen,
met Râma voorop, plaatsten de nakomelingen van
Das'ârha de bruidegom tezamen met Zijn bruid op Zijn
wagen en vertrokken zij, van wie onder de hoede van
Madhusûdana alle doelen waren bereikt, vanuit Bhojakatha
in de richting van Kus'asthalî [een andere naam voor
Dvârakâ].'
Then
the descendants of Das'ârha, headed by Lord
Balarâma, seated Aniruddha and His bride on a fine
chariot and set off from Bhojakatha for Dvârakâ.
Having taken shelter of Lord Madhusûdana, they had
fulfilled all their purposes. (Vedabase)
*
Deze die Mâdrâ heet is de achtste van de
hoofdvrouwen van Krishna die nog niet eerder werd vermeld; ze
is de dochter van de heerser van Madra, genaamd Brihatsena, en
staat ook bekend als Lakshmanâ. Van het Bhâgavatam
haar verhaal kennend zoals verteld in 10.83:
16,
is het duidelijk dat ze behoorde tot de acht koninginnen die
Hij voordien huwde. Aldus waren er 16008 van hen. Rohinî
[niet te verwarren met Balarâma's moeder die dezelfde
naam draagt], niet beschouwend als een hoofdvrouw van
Krishna, schijnt degene te zijn geweest die aan het hoofd van
de zestienduizend prinsessen stond. Aldus Mâdrâ als
de reden aannemend voor het spreken van 16001 vrouwen in plaats
van 16000, hebben we alles bij elkaar: 1 Rukminî, 2
Jâmbavatî, 3 Satyabhâmâ, 4
Kâlindî, 5 Mitravindâ, 6 Satyâ
(Nâgnajitî), 7 Bhadrâ en 8 Mâdrâ
(Lakshmanâ) en dan de zestienduizend vrouwen met
Rohinî voorop die op de tweede plaats stonden [zie
ook voetnoot 10.59**
en 10.83].
