S'rî
S'uka zei: 'Ieder van de vrouwen van Krishna bracht tien zoons
ter wereld die niet onderdeden voor hun Vader in al Zijn
persoonlijke rijkdom.
S'rî
S'uka zei: 'Ieder van de vrouwen van Krishna bracht tien
zoons ter wereld die niet onderdeden voor hun Vader in al
Zijn persoonlijke rijkdom. (Vedabase)
Tekst
2
Omdat ze Acyuta
nimmer hun paleizen zagen verlaten beschouwde ieder van de
prinsessen zichzelf als de meest dierbare; de vrouwen hadden
geen weet van de waarheid die Hem gold.
Omdat
ze Acyuta nimmer hun paleizen zagen verlaten beschouwde
ieder van de prinsessen zichzelf als de meest dierbare; de
vrouwen hadden geen weet van de waarheid omtrent Hem.
(Vedabase)
Tekst
3
Volledig in de
ban van de Allerhoogste Heer Zijn gezicht zo prachtig als de
werveling van een lotus, Zijn lange armen, Zijn ogen en
liefdevolle blikken, gevatte benadering en charmante verhalen
konden de vrouwen, met hun aantrekking, geen greep krijgen op
de geest van Hem Almachtig.
Volledig
in de ban van de Allerhoogste Heer Zijn gezicht zo prachtig
als de werveling van een lotus, Zijn lange armen, Zijn ogen
en liefdevolle blikken, gevatte benadering en charmante
verhalen konden de vrouwen, met hun aantrekking, niet de
geest overweldigen van Hem die Almachtig was.
(Vedabase)
Tekst
4
Ondanks de
romantische signalen die ze uitzonden met hun geheven
wenkbrauwen, verholen blikken en bedeesde glimlachen, om
aantrekkelijk blijk te geven van hun bedoelingen, waren de
zestienduizend vrouwen met hun pijlen van Cupido en andere
methoden niet in staat de zinnen [van Krishna] in
beroering te brengen.
Ondanks
hun romantische signalen afgegeven door hun geheven
wenkbrauwen, verholen blikken en bedeesde glimlachen, alzo
bekoorlijk blijk gevend van hun bedoelingen, waren de
zestienduizend vrouwen met hun pijlen van Cupido en andere
methoden niet in staat de zinnen [van Krishna] van
streek te brengen. (Vedabase)
Tekst
5
Deze vrouwen,
op die manier als hun echtgenoot de Heer van Ramâ
krijgend in verhouding tot wie zelfs niet Heer Brahmâ en
de andere goden de middelen van succes kennen, eisten
volijverig anticiperend op de altijd weer nieuwe, intieme
omgang met plezier, glimlachen en blikken hun deel op in de
onophoudelijke en liefdevolle aantrekking [zoals in
10.59:
44].
Deze
vrouwen, op die manier als hun echtgenoot de Heer van
Ramâ krijgend in verhouding tot wie zelfs niet Heer
Brahmâ en de andere goden de middelen van succes
kennen, eisten volijverig anticiperend op de altijd weer
nieuwe, intieme omgang met plezier, glimlachen en blikken
hun deel op in de onophoudelijke en liefdevolle aantrekking
[zoals in 10:59: 44]. (Vedabase)
Tekst
6
Hoewel ze
honderden dienstmaagden hadden waren ze, [persoonlijk]
Hem benaderend, een zitplaats biedend, van eersteklas eerbetoon
zijnd, Zijn voeten wassend, dienend met betelnoot, met het
geven van massages en Hem koelte toewuivend, met geuren,
bloemenslingers, het verzorgen van Zijn haar, het schikken van
Zijn bed, met baden en met het aanbieden van geschenken, de
Almachtige Heer van dienst [als in 10.59:
45].
Hoewel
ze honderden dienstmaagden hadden waren ze,
[persoonlijk] Hem benaderend, een zitplaats biedend,
van eersteklas eerbetoon zijnd, Zijn voeten wassend, dienend
met betelnoot, met het geven van massages en Hem koelte
toewuivend, met geuren, bloemenslingers, het verzorgen van
Zijn haar, het schikken van Zijn bed, met baden en met het
aanbieden van geschenken, de Almachtige Heer van dienst
[als in 10.59: 45]. (Vedabase)
Tekst
7
Van deze
[16008 **]
vrouwen van Krishna voorheen genoemd die ieder tien zonen
hadden, waren er acht belangrijkste koninginnen van wie ik de
zoons met Pradyumna voorop zal opsommen.
Van
deze [16008 *] vrouwen van Krishna voorheen genoemd
die ieder tien zonen hadden, waren er acht belangrijkste
koninginnen van wie ik de zoons met Pradyumna voorop zal
opsommen. (Vedabase)
Tekst
8-9
Door de Heer
verwekt in Rukminî [zie 10.54:
60]
waren
er, in geen enkel opzicht voor Hem onderdoend, [met
Pradyumna voorop] Cârudeshna, Sudeshna en de machtige
Cârudeha; Sucâru, Cârugupta, Bhadracâru
en een andere genaamd Cârucandra alsook Vicâru en
Câru, de tiende.
Door
de Heer verwekt in Rukminî [zie 10.54: 60]
waren er, in geen enkel opzicht voor Hem onderdoend,
[met Pradyumna voorop] Cârudeshna, Sudeshna en
de machtige Cârudeha; Sucâru, Cârugupta,
Bhadracâru en een andere genaamd Cârucandra als
ook Vicâru en Câru, de tiende.
(Vedabase)
Tekst
10-12
De
tien zoons van
Sathyabhâmâ
[10.56:
44]
waren Bhânu, Subhânu, Svarbhânu,
Prabhânu, Bhânumân en Candrabhânu;
alsook Brihadbhânu, de achtste Atibhânu en
S'rîbhânu en Pratibhânu [bhânu
means luister, schittering]. Sâmba, Sumitra, Purujit,
S'atajit en Sahasrajit; Vijaya en Citraketu, Vasumân,
Dravida en Kratu waren de zoons van Jâmbavatî
[10.56:
32].
Het waren inderdaad deze zoons met Sâmba voorop die de
voorkeur van hun Vader genoten
[zie ook
7.1:
2 &
12].
De
tien zoons van Sathyabhâmâ [10.56: 44]
waren Bhânu, Subhânu, Svarbhânu,
Prabhânu, Bhânumân en Candrabhânu;
als ook Brihadbhânu, de achtste Atibhânu en
S'rîbhânu en Pratibhânu [bhânu
betekent luister, schittering]. Sâmba, Sumitra,
Purujit, S'atajit en Sahasrajit; Vijaya en Citraketu,
Vasumân, Dravida en Kratu waren de zoons van
Jâmbavatî [10.56: 32]. Het waren
inderdaad deze zoons met Sâmba voorop die de voorkeur
van hun Vader genoten [zie ook 7.1: 2 &
12].
(Vedabase)
Tekst
13
Vîra,
Candra en As'vasena; Citragu, Vegavân, Vrisha, Âma,
S'anku, Vasu en de vermogende Kunti waren de zoons van
Nâgnajitî [ofwel Satyâ, zie
10.58:
55].
Vîra,
Candra en As'vasena; Citragu, Vegavân, Vrisha,
Âma, S'anku, Vasu en de zo heel mooie Kuntî
waren de zoons van Nâgnajitî [ofwel
Satyâ, zie 10.58:
55].
(Vedabase)
Tekst
14
S'ruta,
Kavi, Vrisha, Vîra, Subâhu, degene die Bhadra
heette, S'ânti, Dars'a en Pûrnamâsa waren,
met Somaka als de jongste, de zoons van Kâlindî
[10.58:
23].
S'ruta,
Kavi, Vrisha, Vîra, Subâhu, degene die Bhadra
heette, S'ânti, Dars'a en Pûrnamâsa waren,
met Somaka als de jongste, de zoons van Kâlindî
[10.58: 23]. (Vedabase)
Tekst
15
Praghosha,
Gâtravân, Simha, Bala, Prabala en Ûrdhaga
waren met
Mahâs'akti,
Saha, Oja en Aparâjita de
zoons van Mâdrâ [zie *].
Praghosha,
Gâtravân, Simha, Bala, Prabala en Ûrdhaga
waren met Mahâs'akti, Saha, Oja en Aparâjita de
zoons van Mâdrâ [zie *].
(Vedabase)
Tekst
16
Vrika,
Harsha, Anila, Gridhra, Vardhana, Unnâda, Mahâmsa,
Pâvana en Vahni waren met Kshudhi de zoons van
Mitravindâ [10.58:
31].
Vrika,
Harsha, Anila, Gridhra, Vardhana, Unnâda,
Mahâmsa, Pâvana en Vahni waren met Kshudhi de
zoons van Mitravindâ [10.58: 31].
(Vedabase)
Tekst
17
Sangrâmajit,
Brihatsena, S'ûra, Praharana, Arijit, Jaya en Subhadra
waren tezamen met Vâma, Âyur en Satyaka de zoons
van Bhadrâ [10.58:
56].
Sangrâmajit,
Brihatsena, S'ûra, Praharana, Arijit, Jaya en Subhadra
waren tezamen met Vâma, Âyur en Satyaka de zoons
van Bhadrâ [10.58: 56].
(Vedabase)
Tekst
18
Dîptimân,
Tâmratapta en anderen waren de zoons van Heer Krishna en
Rohinî [*].
O Koning, van Pradyumna kwam, toen Hij zich ophield in de stad
Bhojakatha [Rukmî's domein], verwekt in
Rukmavatî, de dochter van Rukmî, de hoogst machtige
Aniruddha ter wereld [zie ook 4.24:
35-36].
Dîptimân,
Tâmratapta en anderen waren de zoons van Heer Krishna
en Rohinî [*]. O Koning, van Pradyumna kwam,
toen Hij zich ophield in de stad Bhojakatha
[Rukmî's domein], verwekt in Rukmavatî,
de dochter van Rukmî, de hoogste machtige Aniruddha
ter wereld [zie ook 4.24: 35-36].
(Vedabase)
Tekst
19
Uit deze zoons
en kleinzoons werden er tientallen miljoenen geboren, o Koning,
daar het aantal moeders van de nakomelingen van Krishna
zestienduizend bedroeg.'
Uit
deze zoons en kleinzoons werden er tientallen miljoenen
geboren, o Koning, daar het aantal moeders van de
nakomelingen van Krishna zestienduizend
bedroeg.'
(Vedabase)
Tekst
20
De koning zei:
'Hoe kon Rukmî zijn dochter uithuwelijken aan de zoon van
zijn Vijand? Verslagen door Krishna in de slag wachtte hij de
gelegenheid af om Hem te doden. Alstublieft, leg het me uit, o
geleerde, hoe dit huwelijk tussen de twee vijanden kon worden
gearrangeerd.
De
koning zei: 'Hoe kon Rukmî zijn dochter uithuwelijken
aan de zoon van zijn Vijand? Verslagen door Krishna in de
slag wachtte hij de gelegenheid af om Hem te doden.
Alstublieft, leg het me uit, o geleerde, hoe dit huwelijk
tussen de twee vijanden kon worden
gearrangeerd.
(Vedabase)
Tekst
21
Yogi's
[als u] zijn perfect in staat het verleden, het heden
alsook watt zich nog niet heeft voorgedaan te zien, zowel als
zaken ver weg, zaken verhuld door obstakels en zaken voorbij
aan de zinnen.'
Yogi's
[als u] zijn perfect in staat het verleden, het
heden als ook wat zich nog niet heeft voorgedaan te zien
zowel als zaken ver weg, zaken verhuld door obstakels en
zaken voorbij aan de zinnen.'
(Vedabase)
Tekst
22
S'rî
S'uka zei: 'Tijdens haar svayamvara-ceremonie verkoos
zij [Rukmavatî] de Cupido [Pradyumna]
voor haar tastbaar die met een enkele wagen in de strijd de
verzamelde koningen versloeg en er met haar vandoor
ging.
S'rî
S'uka zei: 'Tijdens haar svayamvara-ceremonie verkoos zij
[Rukmavatî] de Cupido tastbaar [die
Pradyumna was] die met een enkele wagen in de strijd de
verzamelde koningen versloeg en er met haar vandoor
ging.
(Vedabase)
Tekst
23
Rukmî,
zelfs al herinnerde hij zich steeds de vijandschap met Krishna
die hem had beledigd [10.54:
35],
gunde, om zijn zus [Rukminî] een plezier te doen,
zijn dochter zijn neef.
Rukmî,
zelfs al herinnerde hij zich steeds de vijandschap met
Krishna die hem had beledigd [10.54: 35], gunde, om
zijn zus een plezier te doen, zijn dochter de zoon van zijn
zus. (Vedabase)
Tekst
24
De
jonge dochter van Rukminî met grote amandelogen,
Cârumatî, huwde, zo wordt beweerd o Koning, de zoon
van Kritavarmâ genaamd
Balî.
De
jonge dochter van Rukminî met grote amandelogen,
Cârumatî, huwde, zo wordt beweerd, o Koning, de
zoon van Kritavarmâ genaamd
Balî.
(Vedabase)
Tekst
25
Rukmî,
ondanks zijn in vijandschap aan de Heer gehecht zijn, schonk
aan de zoon van zijn dochter, Aniruddha, zijn kleindochter weg
genaamd Rocanâ; zich ervan bewust dat het huwelijk
indruiste tegen het dharma [dat voorschrijft niet te heulen
met de vijand], gaf hij er, in zijn vrijheid beperkt door
de banden der genegenheid, de voorkeur aan zijn zuster te
behagen met dat huwelijk.
Rukmî,
ondanks zijn aan de Heer gebonden zijn in vijandschap,
schonk aan de zoon van zijn dochter, Aniruddha, zijn
kleindochter weg genaamd Rocanâ; zich ervan bewust dat
het huwelijk indruiste tegen het dharma [van het het als
zodanig niet houden met de vijand], wenste hij het,
ingeperkt door de banden der genegenheid, zijn zuster te
behagen met dat huwelijk.(Vedabase)
Tekst
26
Ter gelegenheid
van die gelukkige gebeurtenis, o Koning, begaven Rukminî,
Balarâma en Kes'ava [Krishna], Sâmba,
Pradyumna en anderen, zich naar de stad Bhojakatha.
Ter
gelegenheid van die gelukkige gebeurtenis, o Koning, begaven
Rukminî, Balarâma en Kes'ava [Krishna],
Sâmba, Pradyumna en anderen, zich naar de stad
Bhojakatha. (Vedabase)
Tekst
27-28
Na de
plechtigheid richtten een paar arrogante koningen aangevoerd
door de heerser van Kalinga zich tot Rukmî: 'U zou
Balarâma eens met een dobbelspelletje moeten verslaan. Er
waarlijk niet zo goed in is Hij, o Koning, er niettemin
hogelijkst door gefascineerd', zeiden ze aldus en zodoende
Balarâma uitnodigend dobbelde Rukmî een partijtje
met Hem.
Toen
het huwelijk was voltrokken richtten een paar arrogante
koningen aangevoerd door de heerser van Kalinga zich tot
Rukmî: 'U zou Balarâma eens met een
dobbelspelletje moeten verslaan. Er waarlijk niet zo goed in
is Hij, o Koning, er niettemin hogelijkst door
gefascineerd', zeiden ze aldus en zo Balarâma
uitnodigend dobbelde Rukmî een partijtje met Hem.
(Vedabase)
Tekst
29
In
die krachtmeting een inzet van eerst honderd, toen duizend en
daarna tienduizend [gouden munten] accepterend was het
Rukmî echter die won, waarop de heer van Kalinga
luidkeels om Balarâma moest lachen waarbij hij zijn
tanden vrijelijk liet zien. Dit kon de Drager van de Ploeg hem
niet vergeven.
In
die krachtmeting een inzet van eerst honderd, toen duizend
en daarna tienduizend [gouden munten] accepterend
was het Rukmî echter die won, waarop de heer van
Kalinga luidkeels om Balarâma moest lachen waarbij hij
zijn tanden vrijelijk liet zien. Dit kon de Drager van de
Ploeg hem niet vergeven. (Vedabase)
Tekst
30
Rukmî
ging daarop een inzet van zo'n honderdduizend aan die toen door
Balarâma werd gewonnen, maar Rukmî, zijn toevlucht
nemend tot bedrog, zei: 'Ik heb het
gewonnen!'
Rukmî
ging daarop een inzet van zo'n honderdduizend aan die toen
door Balarâma werd gewonnen, maar Rukmî, zijn
toevlucht nemend tot bedrog, zei: 'Ik heb het gewonnen!'
(Vedabase)
Tekst
31
Met
een geest onstuimig als de oceaan op de dag van een volle maan
aanvaardde de knappe Balarâma, wiens van nature roze ogen
brandden van woede, een gok van een honderd
miljoen.
Met
een geest onstuimig als de oceaan op de dag van een volle
maan aanvaardde de knappe Balarâma, wiens van nature
roze ogen brandden van woede, een gok van een honderd
miljoen. (Vedabase)
Tekst
32
Balarâma
won ook dat spel eerlijk maar Rukmî zocht opnieuw zijn
heil in misleiding en zei: 'Het is door mij gewonnen. Mogen
deze getuigen dat bevestigen!'
Balarâma
won ook dat spel eerlijk maar Rukmî vluchtte wederom
in misleiding en zei: 'Het is door mij gewonnen. Mogen deze
getuigen dat bevestigen!'. (Vedabase)
Tekst
33
Toen
sprak er een stem uit de hemel die zei: 'Het was inderdaad
Balarâma die de inzet won, de woorden die Rukmî
uitsprak zijn een botte
leugen!'
Toen
sprak er een stem uit de hemel die zei: 'Het was inderdaad
Balarâma die de inzet won, de woorden die Rukmî
uitsprak zijn een botte leugen!
(Vedabase)
Tekst
34
Geen
acht slaand op die stem zei de prins van Vidarbha, door de
kwade koningen aangespoord tot een rampenkoers, spottend tot
Sankarshana:
Geen
acht slaand op die stem zei de prins van Vidarbha, door de
kwade koningen aangespoord tot een rampenkoers, spottend tot
Sankarshana:
(Vedabase)
Tekst
35
'Jullie
koeherders zijn er werkelijk goed in rond te trekken in het
woud, niet zozeer in het dobbelen; het spel met dobbelstenen en
pijlen is weggelegd voor koningen, niet voor jullie slag!'
Jullie
koeherders zijn er werkelijk goed in rond te trekken in het
woud, niet zozeer in het dobbelen; het spel met dobbelstenen
en pijlen is weggelegd voor koningen, niet voor jullie
slag!' (Vedabase)
Tekst
36
Op
deze manier in de zegenrijke bijeenkomst [van het
huwelijk], door Rukmî beledigd en de risee geworden
van de aanwezige koningen hief Hij woedend Zijn knots en sloeg
Hij hem dood.
Op
deze manier in de zegenrijke bijeenkomst [van het
huwelijk], door Rukmî beledigd, de risee geworden
van de aanwezige koningen hief Hij woedend Zijn knots en
sloeg Hij hem dood.
(Vedabase)
Tekst
37
Vlug als water
de wegvluchtende koning van Kalinga op zijn tiende stap te
pakken nemend, sloeg Hij in Zijn toorn de tanden eruit die hij
had laten zien toen hij lachte [zie ook
4.5:
21].
Heel
rap de koning van Kalinga op zijn tiende stap te pakken
nemend, sloeg Hij in woede de tanden uit van hem die lachend
zijn tanden had laten zien [zie ook 4.5: 21].
(Vedabase)
Tekst
38
Geteisterd
door Balarâma's knots sloegen verzet in doodsangst de
andere koningen, met hun armen, benen en schedels gebroken,
toen doordrenkt van het bloed op de vlucht.
Andere
koningen geteisterd door Balarâma's knots kregen hun
armen, benen en schedels gebroken en vluchtten doordrenkt
met bloed in doodsangst. (Vedabase)
Tekst
39
Geplaatst
voor het feit dat Zijn zwager, Rukmî, was afgemaakt o
Koning, gaf de Heer, beducht de band der genegenheid met
Rukminî en Balarâma te verbreken, geen enkele blijk
van goedkeuring of protest.
Met
zijn zwager, Rukmî, afgemaakt, o Koning, gaf de Heer,
beducht de band der genegenheid te verbreken met
Rukminî en Balarâma, blijk van goedkeuring noch
protest. (Vedabase)
Tekst
40
Toen,
met Râma voorop, plaatsten de nakomelingen van
Das'ârha de bruidegom tezamen met Zijn bruid op Zijn
wagen en vertrokken zij, van wie onder de hoede van
Madhusûdana alle doelen waren bereikt, vanuit Bhojakatha
in de richting van Kus'asthalî [een andere naam voor
Dvârakâ].'
Toen,
met Râma voorop, plaatsten de nakomelingen van
Das'ârha de bruidegom tezamen met Zijn bruid op Zijn
wagen en vertrokken zij, van wie onder de hoede van
Madhusûdana alle doelen waren bereikt, vanuit
Bhojakatha in de richting van Kus'asthalî [een
andere naam voor Dvârakâ].
(Vedabase)
*
Deze die Mâdrâ heet is de achtste van de
hoofdvrouwen van Krishna die nog niet eerder werd vermeld; ze
is de dochter van de heerser van Madra, genaamd Brihatsena, en
staat ook bekend als Lakshmanâ. Van het Bhâgavatam
haar verhaal kennend zoals verteld in 10.83:
16,
is het duidelijk dat ze behoorde tot de acht koninginnen die
Hij voordien huwde. Aldus waren er 16008 van hen. Rohinî
[niet te verwarren met Balarâma's moeder die dezelfde
naam draagt], niet beschouwend als een hoofdvrouw van
Krishna, schijnt degene te zijn geweest die aan het hoofd van
de zestienduizend prinsessen stond. Aldus Mâdrâ als
de reden aannemend voor het spreken van 16001 vrouwen in plaats
van 16000, hebben we alles bij elkaar: 1 Rukminî, 2
Jâmbavatî, 3 Satyabhâmâ, 4
Kâlindî, 5 Mitravindâ, 6 Satyâ
(Nâgnajitî), 7 Bhadrâ en 8 Mâdrâ
(Lakshmanâ) en dan de zestienduizend vrouwen met
Rohinî voorop die op de tweede plaats stonden [zie
ook voetnoot 10.59**
en 10.83].