De
zoon van Vyâsa zei: 'Op een dag [in hun jeugd], o
Koning, gingen de yadu-jongens Sâmba, Pradyumna,
Câru, Bhânu, Gada en anderen naar een park om te
spelen.
S'rî
Bâdarâyani said: O King, one day Sâmba,
Pradyumna, Câru, Bhânu, Gada and other young
boys of the Yadu dynasty went to a small forest to play.
(Vedabase)
Tekst
2
Na een lange
tijd gespeeld te hebben keken ze dorstig uit naar water en
ontdekten ze in een droge put een verbazingwekkend schepsel.
After
playing for a long time, they became thirsty. As they
searched for water, they looked inside a dry well and saw a
peculiar creature. (Vedabase)
Tekst
3
Voor zich zagen
ze een kameleon zo groot als een berg en met een geest vol van
verwondering probeerden ze, bewogen door mededogen, het uit de
put te tillen.
The
boys were astonished to behold this creature, a lizard who
looked like a hill. They felt sorry for it and tried to lift
it out of the well. (Vedabase)
Tekst
4
Met leren
riemen en in elkaar gedraaid touw aan hem vastgemaakt slaagden
de jongens er niet in het schepsel eruit te krijgen en dus
deden ze er opgewonden verslag van aan Krishna.
They
caught on to the trapped lizard with leather thongs and then
with woven ropes, but still they could not lift it out. So
they went to Lord Krishna and excitedly told Him about the
creature. (Vedabase)
Tekst
5
De Lotusogige
Opperheer, de Handhaver van het Universum, ging een kijkje
nemen, zag het en haalde het met Zijn linker hand met gemak
naar boven.
The
lotus-eyed Supreme Lord, maintainer of the universe, went to
the well and saw the lizard. Then with His left hand He
easily lifted it out. (Vedabase)
Tekst
6
Aangeraakt door
de hand van Uttamas'loka,
werd onmiddellijk de kameleongedaante opgegeven voor die van
een hemels wezen dat prachtig was met een gelaatskleur als van
gesmolten goud en wonderschone sieraden, kleren en
bloemenslingers.
Touched
by the hand of the glorious Supreme Lord, the being at once
gave up its lizard form and assumed that of a resident of
heaven. His complexion was beautifully colored like molten
gold, and he was adorned with wonderful ornaments, clothes
and garlands. (Vedabase)
Tekst
7
Hoewel Hij zich
terdege bewust was van datgene wat tot deze situatie had geleid
vroeg Mukunda,
zodat de mensen in het algemeen het konden weten: 'Wie bent u,
o fortuinlijke, uw excellente voorkomen in aanmerking genomen
durf Ik te beweren dat u een hoog verheven halfgod bent!
Lord
Krishna understood the situation, but to inform people in
general He inquired as follows: "Who are you, O greatly
fortunate one? Seeing your excellent form, I think you must
surely be an exalted demigod. (Vedabase)
Tekst
8
Door welke
actie bent u in deze toestand, die u zeker niet verdiend heeft,
beland, o goede ziel; alstublieft vertel Ons, die het graag
willen weten, alles over uzelf - dat wil zeggen, als u het de
juiste tijd acht er hier over te spreken.'
"By
what past activity were you brought to this condition? It
seems you did not deserve such a fate, O good soul. We are
eager to know about you, so please inform us about yourself
- if, that is, you think this the proper time and place to
tell us." (Vedabase)
Tekst
9
S'rî
S'uka zei: 'De koning die aldus vragen werd gesteld door
Krishna wiens gedaanten onbegrensd zijn, verboog met zijn helm
die zo schitterend was als de zon zich voor
Mâdhava
en sprak tot Hem.
S'ukadeva
Gosvâmî said: Thus questioned by Krishna, whose
forms are unlimited, the King, his helmet as dazzling as the
sun, bowed down to Lord Mâdhava and replied as
follows. (Vedabase)
Tekst
10
Nriga zei: 'Ik,
de heerser over mensen genaamd Nriga [zie
9.1:
11-12,
9.2:
17], ben
een zoon van [S'raddhadeva Manu en een jongere broer
van] Ikshvâku, o Meester, misschien kwam het U ter
ore dat ik wordt gerekend onder de mannen van
liefdadigheid.
King
Nriga said: I am a king known as Nriga, the son of
Ikshvâku. Perhaps, Lord, You have heard of me when
lists of charitable men were recited. (Vedabase)
Tekst
11
En wat zou U
ook niet bekend zijn o Meester, Getuige van de Geest van Alle
Wezens, wiens visie niet door de tijd verstoord is;
desalniettemin zal ik spreken zoals U het wenst.
What
could possibly be unknown to You, O master? With vision
undisturbed by time, You witness the minds of all living
beings. Nevertheless, on Your order I will speak.
(Vedabase)
Tekst
12
Zoveel
zandkorrels als er zijn op aarde, zoveel sterren als er zijn
aan de hemel of zoveel regendruppels als er zijn in een bui
regen, zoveel koeien heb ik weggegeven.
I
gave in charity as many cows as there are grains of sand on
the earth, stars in the heavens, or drops in a rain shower.
(Vedabase)
Tekst
13
Ik gaf koeien
compleet te melken, nog jong, goed van karakter, goed van
uiterlijk en rijk aan vele andere kwaliteiten; bruin en schoon,
tezamen met hun kalveren, met gouden sieraden aan hun hoorns,
zilver aan hun hoeven, fijne overslagen en bloemenslingers.
Young,
brown, milk-laden cows, who were well behaved, beautiful and
endowed with good qualities, who were all acquired honestly,
and who had gilded horns, silver-plated hooves and
decorations of fine ornamental cloths and garlands - such
were the cows, along with their calves, that I gave in
charity. (Vedabase)
Tekst
14-15
Ik, van vrome
werken en van aanbidding zijnde met vuuroffers, was van
liefdadigheid voor de door mij geornamenteerde heilige, jonge,
uitzonderlijke brahmanen die de waarheid zijn toegewijd en
bekend om hun verzaking en grote kennis van de Veda's, en die
met hun hulpbehoevende families van goede kwaliteiten waren en
van karakter: ik gaf ze koeien, land, goud, huizen, paarden en
olifanten; huwbare meisjes met dienstmaagden, sesamzaad,
zilver, beddengoed en kleding; juwelen, meubels en wagens.
I
first honored the brâhmanas who were recipients
of my charity by decorating them with fine ornaments. Those
most exalted brâhmanas, whose families were in
need, were young and possessed of excellent character and
qualities. They were dedicated to truth, famous for their
austerity, vastly learned in the Vedic scriptures and
saintly in their behavior. I gave them cows, land, gold and
houses, along with horses, elephants and marriageable girls
with maidservants, as well as sesame, silver, fine beds,
clothing, jewels, furniture and chariots. In addition, I
performed Vedic sacrifices and executed various pious
welfare activities. (Vedabase)
Tekst
16
Zonder dat ik
het doorhad schonk ik van een bepaalde eersteklas dvija
[een brahmaan die geen gaven meer aanneemt, zie
7.11]
aan een andere tweemaal geboren ziel een koe weg, welke
weggedwaald zich had gevoegd bij mijn kudde.
Once
a cow belonging to a certain first-class brâhmana
wandered away and entered my herd. Unaware of this, I gave
that cow in charity to a different brâhmana.
(Vedabase)
Tekst
17
Die koe werd,
terwijl ze weggeleid werd, opgemerkt door haar baas die zei:
'Zij is van mij!' Maar hij die de gift had aangenomen zei
daarop toen: 'Deze hier gaf Nriga aan mij!'
When
the cow's first owner saw her being led away, he said, "She
is mine!" The second brâhmana, who had accepted her as
a gift, replied, "No, she's mine! Nriga gave her to me."
(Vedabase)
Tekst
18
De twee
geschoolden in een strijd verwikkeld om hun eigenbelang zeiden
me: 'U mijnheer, bent als de schenker een dief geweest!' Toen
ik dit hoorde was ik met stomheid geslagen.
As
the two brâhmanas argued, each trying to
fulfill his own purpose, they came to me. One of them said,
"You gave me this cow," and the other said, "But you stole
her from me." Hearing this, I was bewildered.
(Vedabase)
Tekst
19-20
Aldus in
verlegenheid met mijn religieuze plichtsbetrachting legde ik
aan de beide mannen van geleerdheid de smeekbede voor:
'Alstublieft schenk me deze ene koe, ik zal u er een
honderdduizend van de beste kwaliteit voor teruggeven! Jullie
beiden, weest alstublieft van genade met uw dienaar die het
zich niet bewust was; red me van het gevaar te belanden in een
smerige hel!'
Finding
myself in a terrible dilemma concerning my duty in the
situation, I humbly entreated both the
brâhmanas: "I will give one hundred thousand of
the best cows in exchange for this one. Please give her back
to me. Your good selves should be merciful to me, your
servant. I did not know what I was doing. Please save me
from this difficult situation, or I'll surely fall into a
filthy hell." (Vedabase)
Tekst
21
'Ik heb
helemaal niet zo'n behoefte, o Koning!' zei daarop de eigenaar
en verdween.
'Al die andere
extra koeien wil ik helemaal niet', zei de ander en vertrok.
The
present owner of the cow said, "I don't want anything in
exchange for this cow, O King," and went away. The other
brâhmana declared, "I don't want even ten thousand
more cows [than you are offering]," and he too went
away. (Vedabase)
Tekst
22
Nadat zich dit
had voorgedaan werd ik door de boodschappers van Yamarâja
meegevoerd naar zijn verblijf en werd mij daar door de Heer van
de Dood en de Vergelding [als volgt], o God der Goden,
o Meester van het Universum [zie ook 5.26:
6,
6.1:
31 en
6.3]
de volgende vraag voorgelegd:
O
Lord of lords, O master of the universe, the agents of
Yamarâja, taking advantage of the opportunity thus
created, later carried me to his abode. There Yamarâja
himself questioned me. (Vedabase)
Tekst
23
'Wilt u eerst
de gevolgen van uw slechte daden ondergaan, o Koning, of liever
die van uw goede daden? Wat betreft de goede kan ik het einde
niet bekennen van de stralend mooie wereld die het gevolg is
van wat u religieus in liefdadigheid wegschonk.'
[Yamarâja
said:] My dear King, do you wish to experience the
results of your sins first, or those of your piety? Indeed,
I see no end to the dutiful charity you have performed, or
to your consequent enjoyment in the radiant heavenly
planets. (Vedabase)
Tekst
24
Ik zei daarom:
'Laat me eerst de gevolgen van mijn slechte daden onder ogen
zien, o Godheid', waarop hij toen zei: 'Val dan!' en terwijl ik
viel, o Meester, zag ik mezelf veranderd in een
kameleon!
I
replied, "First, my lord, let me suffer my sinful
reactions," and Yamarâja said, "Then fall!" "At once I
fell, and while falling I saw myself becoming a lizard, O
master. (Vedabase)
Tekst
25
Als Uw dienaar
vrijgevig jegens de brahmanen, o Kes'ava,
heeft me zelfs de dag van vandaag niet de herinnering verlaten
aan de aanwezigheid van U die ik verloor en waar ik naar uitzie
[zie ook 5.8:
28].
O
Kes'ava, as Your servant I was devoted to the
brâhmanas and generous to them, and I always
hankered for Your audience. Therefore even till now I have
never forgotten [my past life]. (Vedabase)
Tekst
26
Hoe, o
Almachtige, kan U in eigen persoon voor mij zichtbaar zijn; U,
de Opperziel die bemediteerd door de meesters van de yoga
zichtbaar bent voor het oog van een zuiver hart - hoe, o
Adhoks'aja,
kan ik, wiens intelligentie was verblind door ernstige
moeilijkheden, de permissie verwerven om te aanschouwen wat er
is voor hen wiens materiële leven alhier is
afgerond?
O
almighty one, how is it that my eyes see You here before me?
You are the Supreme Soul, whom the greatest masters of
mystic yoga can meditate upon within their pure hearts only
by employing the spiritual eye of the Vedas. Then how, O
transcendental Lord, are You directly visible to me, since
my intelligence has been blinded by the severe tribulations
of material life? Only one who has finished his material
entanglement in this world should be able to see You.
(Vedabase)
Tekst
27-28
O, God der
Goden, Meester van het Universum, Heer der Koeien, Allerhoogste
Persoonlijkheid; o Pad Uitgestippeld voor de Mens, Meester der
Zinnen, Genade van de Verzen, Onfeilbaar en Niet-afnemend,
alstUblieft sta het me toe te vertrekken, o Krishna, naar de
wereld der goden, o Meester; moge, waar ik me ook bevind, mijn
bewustzijn van de beschutting van Uw voeten er zijn!
O
Devadeva, Jagannâtha, Govinda, Purushottama,
Nârâyana, Hrishîkes'a, Punyas'loka,
Acyuta, Avyaya! O Krishna, please permit me to depart for
the world of the demigods. Wherever I live, O master, may my
mind always take shelter of Your feet. (Vedabase)
Tekst
29
Mijn
eerbetuigingen voor U, de Oorsprong van Alle Wezens, het
Absolute van de Waarheid en de Eigenaar van Onbegrensde
Vermogens; ik biedt het Spirituele Plezier van Zijn
Aantrekking, Krishna [*],
de zoon van Vasudeva, de Heer van alle vormen van yoga
[alle vormen van het zich verenigen in het bewustzijn],
mijn respect.'
I
offer my repeated obeisances unto You, Krishna, the son of
Vasudeva. You are the source of all beings, the Supreme
Absolute Truth, the possessor of unlimited potencies, the
master of all spiritual disciplines. (Vedabase)
Tekst
30
Nadat hij aldus
had gesproken en Hem omlopen had kreeg hij, nadat hij Zijn
voeten met zijn kroon had beroerd, toestemming om te vertrekken
en klom hij, voor ogen van alle mensen, aan boord van een
wonderschone hemelwagen.
Having
spoken thus, Mahârâja Nriga circumambulated Lord
Krishna and touched his crown to the Lord's feet. Granted
permission to depart, King Nriga then boarded a wonderful
celestial airplane as all the people present looked on.
(Vedabase)
Tekst
31
Krishna, de
Allerhoogste Heer, de zoon van Devakî, de God en de Ziel
van het Dharma de brahmanen toegewijd, richtte zich tot Zijn
persoonlijke metgezellen en was aldus van instructie voor de
edelen in het algemeen:
The
Supreme Personality of Godhead - Lord Krishna, the son of
Devakî - who is especially devoted to the
brâhmanas and who embodies the essence of
religion, then spoke to His personal associates and thus
instructed the royal class in general. (Vedabase)
Tekst
32
'Als zelfs voor
iemand die nog krachtiger is dan een vuur het kleinste beetje
bezit van een brahmaan dat hij zich toeëigent
[wegsteelt of hem ontzegt] niet te genieten is, hoeveel
temeer moet dat dan niet gelden voor koningen die zich
verbeelden de Heer te zijn?
[Lord
Krishna said:] How indigestible is the property of a
brâhmana, even when enjoyed just slightly and by one
more potent than fire! What then to speak of kings who try
to enjoy it, presuming themselves lords. (Vedabase)
Tekst
33
De
hâlâhala [die werd gekarnd met
Mandâra] beschouw Ik niet als vergif omdat daar een
antwoord op bestaat [S'iva namelijk, zie
8.7];
maar wat een brahmaan toebehoort [echter] noem Ik
werkelijk vergif [als het eenmaal is ontvreemd] daar er
voor zoiets in de wereld geen tegengif bestaat.
I
do not consider hâlâhala to be real
poison, because it has an antidote. But a
brâhmana's property, when stolen, can truly be
called poison, for it has no antidote in this world.
(Vedabase)
Tekst
34
Vergif richt
degeen die het inneemt te gronde en vuur wordt uitgedoofd met
water, maar het vuur dat brandt met het brandhout van de
bezittingen van een brahmaan brandt iemands gemeenschap af tot
de grond.
Poison
kills only the person who ingests it, and an ordinary fire
may be extinguished with water. But the fire generated from
the kindling wood of a brâhmana's property
burns the thief's entire family down to the root.
(Vedabase)
Tekst
35
Als men zonder
toestemming geniet van het bezit van een brahmaan richt dat
drie generaties te gronde [zie **]
maar als men het met geweld [zoals via de regering of
bedrijfsbelangen] geniet [gaat dat op voor de eer
van] tien voorgaande en tien volgende generaties [zie
ook 9.8].
If
a person enjoys a brâhmana's property without
receiving due permission, that property destroys three
generations of his family. But if he takes it by force or
gets the government or other outsiders to help him usurp it,
then ten generations of his ancestors and ten generations of
his descendants are all destroyed. (Vedabase)
Tekst
36
Leden van de
adelstand, verblind door koninklijke weelde [zie ook
B.G.
1: 44]
zien kinderachtig smachtend naar het eigendom van een
welgezinde brahmaan niet hun eigen val in de hel aankomen.
Members
of the royal order, blinded by royal opulence, fail to
foresee their own downfall. Childishly hankering to enjoy
a brâhmana's property, they are actually
hankering to go to hell. (Vedabase)
Tekst
37-38
Zoveel
stofdeeltjes als worden aangeraakt door de tranen geplengd door
vrijgevige brahmanen die terwille van hun beminden huilen over
de middelen van bestaan die hen afhandig werden gemaakt,
evenzovele jaren zullen de koningen en andere leden van de
koninklijke familie, die de zaak niet in de hand hebbend, zich
het aandeel van de brahmaan toe-eigenden, worden gekookt in de
hel genaamd Kumbhîpâka [5.26:
13].
For
as many years as there are particles of dust touched by the
tears of generous brâhmanas who have dependent
families and whose property is stolen, uncontrolled kings
who usurp a brâhmana's property are cooked,
along with their royal families, in the hell known as
Kumbhîpâka. (Vedabase)
Tekst
39
Hij dan die
wegsteelt wat een brahmaan toebehoort, of het nu door iemand
zelf werd geschonken of door iemand anders, wordt zestigduizend
jaar lang geboren als een worm in de uitwerpselen.
Whether
it be his own gift or someone else's, a person who steals
a brâhmana's property will take birth as a worm
in feces for sixty thousand years. (Vedabase)
Tekst
40
Bezorg Mij niet
de weelde die een brahmaan toebehoort; de begeerte daarnaar
maakt dat mensen een kort leven is beschoren, het brengt hen de
nederlaag en berooft ze van het koninkrijk; ze veranderen ermee
in slangen die anderen moeilijkheden bezorgen.
I
do not desire brâhmanas' wealth. Those who lust
after it become short-lived and are defeated. They lose
their kingdoms and become snakes, who trouble others.
(Vedabase)
Tekst
41
Beste
volgelingen, koester geen vijandschap jegens een man van
scholing, zelfs niet als hij gezondigd heeft; zelfs als hij je
fysiek keer op keer raakt en je vervloekt, behoor je hem altijd
je eerbetuigingen te brengen.
My
dear followers, never treat a learned brâhmana
harshly, even if he has sinned. Even if he attacks you
physically or repeatedly curses you, always continue to
offer him obeisances. (Vedabase)
Tekst
42
Precies zoals
Ik me er steeds voor inspan om Me te verbuigen voor de
geschoolden, behoren jullie ook allemaal van datzelfde respect
te zijn; hij die dat anders aanpakt komt er voor in aanmerking
door Mij te worden gestraft.
Just
as I always carefully bow down to brâhmanas, so
all of you should likewise bow down to them. I will punish
anyone who acts otherwise. (Vedabase)
Tekst
43
Het bezit
inderdaad afgepakt van een brahmaan leidt tot de ondergang van
hem die daaraan schuldig is, zelfs al gebeurde het onbewust,
zoals dat zich voordeed met de persoon van Nriga met de koe van
de brahmaan.'
When
a brâhmana's property is stolen, even
unknowingly, it certainly causes the person who takes it to
fall down, just as the brâhmana's cow did to
Nriga. (Vedabase)
Tekst
44
Na aldus de
ingezetenen van Dvârakâ te hebben onderricht, ging
de Allerhoogste Heer Mukunda, de Louteraar Aller Werelden, Zijn
paleis binnen.'
Having
thus instructed the residents of Dvârakâ, Lord
Mukunda, purifier of all the worlds, entered His palace.
(Vedabase)
*
In de Mahâbhârata (Udyoga-parva 71.4), wordt gezegd
met betrekking tot
Krishna:
"Het
woord 'krish' is het aspect van aantrekking van de Heer
Zijn bestaan, en 'na' betekent 'geestelijk genoegen'.
Als men het werkwoord 'krish' toevoegt aan 'na',
wordt het krishna, wat dan de aanduiding van de Absolute
Waarheid vormt."
**
Overeenkomstig S'rîla S'rîdhara Svâmî,
heeft tri-pûrusha, het Sanskriet woord hier
gebruikt, betrekking op iemand zelf, zijn zoons en zijn
kleinzoons.