regelbalk


 

 

 

Canto 11

Mahâmantra 1

 

 

Hoofdstuk 1: De Vloek over de Yadu-dynastie

(1) S'rî S'uka zei: 'Nadat Heer Krishna omringd door de Yadu's samen met Râma de uitroeiing van de Daitya's tot stand had gebracht en zo de last van de aarde verminderde, deed zich zeer spoedig een conflict voor [tussen de Kaurava's en de Pândava's]. (2) De Allerhoogste Heer die de aarde verloste van haar last door al de koningen ter dood te brengen die tezamen kwamen om zich tegenover elkaar op te stellen, zorgde ervoor dat zij die telkens weer tot waanzin werden gedreven door het valse gokken, de beledigingen, het aan de haren [van Draupadî] trekken en de andere overtredingen van hun vijanden, de onmiddellijke aanleiding vormden [van de dynastieke strijd, zie ook Yayâti en 10.49 & 10.68]. (3) Nadat de Yadu's onder de bescherming van Zijn armen de legers van de koningen had weggevaagd die een last voor de aarde vormden, kwam de Ondoorgrondelijke Heer tot de volgende afweging: 'Men kan wel zeggen dat de aarde van haar last is verlicht, maar Ik denk dat die nog niet weggenomen is omdat van de Yadu-dynastie het onverdraaglijke helaas aanhoudt [zie ook 4.16: 13]. (4) Zij die in alles tot Mij hun toevlucht namen raakten nimmer gefrustreerd met de controle die ze uitoefenden, vanuit een andere hoek valt er dan ook voor hen geen nederlaag te vrezen. Dus zal Ik inspireren tot een ruzie binnen de Yadu-dynastie als betrof het een brand in een bamboebos en zal Ik zo Mijn [doel: Mijn] verblijfplaats van de vrede bereiken [zie ook 3.3: 14 en 8.8: 37].'

(5) Met dat voornemen o Koning, trok de Beheerser, de Almachtige die alles wat Hij wilde gedaan kreeg, Zijn familie terug met behulp van een vloek die door de brahmanen over hen werd uitgesproken. (6-7) Door middels Zijn eigen gedaante, die de schoonheid vormt van alle werelden, alle mensen de ogen te openen, door middels Zijn woorden de geesten te bevrijden van allen die zich hen herinnerden en door het laten zien van Zijn voeten vrij baan te geven aan de [toegewijde] handelingen met hen, gaf de Heer, die aldus Zijn aantrekkingskracht had uitgeoefend en Zijn positie vestigde, er blijk van dat naar Zijn mening de mensen die in onwetendheid verkeren, met het over de aarde verspreiden van Zijn heerlijkheden in de meest uitgelezen verzen, zonder veel moeite met [het luisteren naar en zingen van] hen hun doel zouden bereiken [zie ook 7.5: 23-24].'

(8) De Koning zei: 'Hoe kwam het tot deze vloek van de geleerden tegen de Vrishni's? Zij, geheel verzonken in Krishna, waren altijd liefdadig en vol van respect voor de brahmanen en waren de ouderen van dienst. (9) Wat bracht hen ertoe zo'n ernstige vloek uit te spreken en hoe luidde hij, o zuiverste onder de brahmanen? Alstublieft vertel me hoe er deze tweedracht kon bestaan onder hen die dezelfde ziel [van Krishna] deelden.'

(10) De zoon van Vyâsa zei: 'Met het meedragen van een lichaam waarin alles wat mooi was samenviel, met het op aarde volbrengen van de meest gunstige handelingen en met het geheel voldaan genieten van Zijn leven toen Hij Zich ophield in Zijn verblijfplaats [Dvârakâ], wilde Hij, zo groots bezongen, nu Zijn dynastie vernietigen. Dat was het enige dat Hem nog te doen stond. (11-12) Nadat ze zegenrijke rituelen hadden verricht om de vroomheid af te roepen, logeerden de wijzen Vis'vâmitra, Asita, Kanva, Durvâsâ, Bhrigu, Angirâ, Kas'yapa, Vâmadeva, Atri, Vasishthha, samen met Nârada en anderen, [eens] ten huize van de heer der Yadu's [Vasudeva]. Daarna begaven ze zich naar Pindâraka [een pelgrimsoord] en werden daarbij uitgewuifd door Hem, de Ziel van de Tijd over wie te zingen zo goedgunstig is voor de hele wereld omdat het de onzuiverheden van Kali-yuga verdrijft. (13-15) De jonge jongens van de Yadu-dynastie [aldaar] benaderden hen in een spel waarin Sâmba de zoon van Jâmbavatî [zie ook 10.68] zich had verkleed in vrouwenkleren. Hun voeten beetgrijpend vroegen ze, bescheidenheid veinzend, onbeschaamd: 'Deze zwartogige zwangere vrouw wil graag een zoon krijgen. Maar ze is te verlegen om het zelf te vragen. Daarom vragen wij u, wiens blik nimmer beneveld is, of u kunt zeggen of ze een jongen zal baren of niet?'

(16) O Koning, de wijzen die op die manier voor de gek werden gehouden zeiden kwaad tegen de jongens: 'Ze zal jullie, dwazen, een knots baren die de dynastie zal vernietigen!'

(17) Hevig geschrokken dat te horen, haasten ze zich de buik van Sâmba vrij te maken waarin ze inderdaad een knots gemaakt van ijzer aantroffen. (18) 'Wat hebben we gedaan, wat zal de familie wel niet zeggen? Wat een tegenslag!' Zich aldus overweldigd uitlatend pakten ze de knots en gingen ze naar huis. (19) Met de schoonheid uit hun gezichten verdwenen, brachten ze de knots naar de koning [Ugrasena] tijdens een vergadering van alle Yadu's en vertelden ze wat er gebeurd was. (20) Toen ze de knots zagen en hoorden over de onfeilbare vloek van de geleerden, o Koning, waren de bewoners van Dvârakâ ontsteld en raakten ze verscheurd door angst. (21) Âhuka [Ugrasena], de Yadu-koning, liet de knots tot gruis vermalen waarna hij het gruis samen met het ijzer dat van de knots over was in zee liet werpen. (22) Een of andere vis slokte de klomp op. Het gruis werd door de golven meegevoerd en spoelde aan om vervolgens aan de kust uit te groeien tot scherpe roeden [genaamd eraka]. (23) De vis werd uit zee samen met anderen door een visser opgevist met een net. Het stuk ijzer dat in de vis zijn maag bewaard was gebleven werd door een jager [genaamd Jarâ] op een pijl bevestigd [als pijlpunt]. (24) De Opperheer, zeer goed in staat alles te doorgronden wat zich had afgespeeld, wenste het echter niet de zaken terug te draaien en legde Zich, met het Zich vertonen als de Tijd, neer bij de vloek van de brahmanen.

  

next                    

 
 

Tweede editie, geladen 14 februari 2009

 

 

 

 

 

Bronteksten (geen voorgaande versie in het Nederlands beschikbaar):

The Curse Upon the Yadu Dynasty

 

Tekst 1

S'rî S'uka zei: 'Nadat Heer Krishna omringd door de Yadu's samen met Râma de uitroeiing van de Daitya's tot stand had gebracht en zo de last van de aarde verminderde, deed zich zeer spoedig een conflict voor [tussen de Kaurava's en de Pândava's].

S'rî S'ukadeva Gosvâmî said - Lord S'rî Krishna, accompanied by Balarâma and surrounded by the Yadu dynasty, executed the killing of many demons. Then, further to remove the burden of the earth, the Lord arranged for the great Battle of Kurukshetra, which suddenly erupted in violence between the Kurus and the Pândavas. (Vedabase)

 

Tekst 2

De Allerhoogste Heer die de aarde verloste van haar last door al de koningen ter dood te brengen die tezamen kwamen om zich tegenover elkaar op te stellen, zorgde ervoor dat zij die telkens weer tot waanzin werden gedreven door het valse gokken, de beledigingen, het aan de haren [van Draupadî] trekken en de andere overtredingen van hun vijanden, de onmiddellijke aanleiding vormden [van de dynastieke strijd, zie ook Yayâti en 10.49 & 10.68].

Because the sons of Pându were enraged by the numerous offenses of their enemies, such as duplicitous gambling, verbal insults, the seizing of Draupadî's hair, and many other cruel transgressions, the Supreme Lord engaged those Pândavas as the immediate cause to execute His will. On the pretext of the Battle of Kurukshetra, Lord Krishna arranged for all the kings who were burdening the earth to assemble with their armies on opposite sides of the battlefield, and when the Lord killed them through the agency of war, the earth was relieved of its burden. (Vedabase)

 

Tekst 3

Nadat de Yadu's onder de bescherming van Zijn armen de legers van de koningen had weggevaagd die een last voor de aarde vormden, kwam de Ondoorgrondelijke Heer tot de volgende afweging: 'Men kan wel zeggen dat de aarde van haar last is verlicht, maar Ik denk dat die nog niet weggenomen is omdat van de Yadu-dynastie het onverdraaglijke helaas aanhoudt [zie ook 4.16: 13].

The Supreme Personality of Godhead used the Yadu dynasty, which was protected by His own arms, to eliminate the kings who with their armies had been the burden of this earth. Then the unfathomable Lord thought to Himself, 'Although some may say that the earth's burden is now gone, in My opinion it is not yet gone, because there still remains the Yâdava dynasty itself, whose strength is unbearable for the earth.' (Vedabase)

 

Tekst 4

Zij die in alles tot Mij hun toevlucht namen raakten nimmer gefrustreerd met de controle die ze uitoefenden, vanuit een andere hoek valt er dan ook voor hen geen nederlaag te vrezen. Dus zal Ik inspireren tot een ruzie binnen de Yadu-dynastie als betrof het een brand in een bamboebos en zal Ik zo Mijn [doel: Mijn] verblijfplaats van de vrede bereiken [zie ook 3.3: 14 en 8.8: 37].'

Lord Krishna thought, 'No outside force could ever bring about the defeat of this family, the Yadu dynasty, whose members have always been fully surrendered to Me and are unrestricted in their opulence. But if I inspire a quarrel within the dynasty, that quarrel will act just like a fire created from the friction of bamboo in a grove, and then I shall achieve My real purpose and return to My eternal abode.' (Vedabase)

      

Tekst 5

Met dat voornemen o Koning, trok de Beheerser, de Almachtige die alles wat Hij wilde gedaan kreeg, Zijn familie terug met behulp van een vloek die door de brahmanen over hen werd uitgesproken.

My dear King Parîkshit, when the supreme almighty Lord, whose desire always comes to pass, had thus made up His mind, He withdrew His own family on the pretext of a curse spoken by an assembly of brâhmanas. (Vedabase)

 

 Tekst 6-7

Door middels Zijn eigen gedaante, die de schoonheid vormt van alle werelden, alle mensen de ogen te openen, door middels Zijn woorden de geesten te bevrijden van allen die zich hen herinnerden en door het laten zien van Zijn voeten vrij baan te geven aan de [toegewijde] handelingen met hen, gaf de Heer, die aldus Zijn aantrekkingskracht had uitgeoefend en Zijn positie vestigde, er blijk van dat naar Zijn mening de mensen die in onwetendheid verkeren, met het over de aarde verspreiden van Zijn heerlijkheden in de meest uitgelezen verzen, zonder veel moeite met [het luisteren naar en zingen van] hen hun doel zouden bereiken [zie ook 7.5: 23-24].'

The Supreme Personality of Godhead, Krishna, is the reservoir of all beauty. All beautiful things emanate from Him, and His personal form is so attractive that it steals the eyes away from all other objects, which then seem devoid of beauty in comparison to Him. When Lord Krishna was on the earth, He attracted the eyes of all people. When Krishna spoke, His words attracted the minds of all who remembered them. By seeing the footsteps of Lord Krishna, people became attracted to Him, and thus they wanted to offer their bodily activities to the Lord as His followers. In this way Krishna very easily spread His glories, which are sung throughout the world by the most sublime and essential Vedic verses. Lord Krishna considered that simply by hearing and chanting those glories, conditioned souls born in the future would cross beyond the darkness of ignorance. Being satisfied with this arrangement, He left for His desired destination. (Vedabase)

 

Tekst 8

De Koning zei: 'Hoe kwam het tot deze vloek van de geleerden tegen de Vrishni's? Zij, geheel verzonken in Krishna, waren altijd liefdadig en vol van respect voor de brahmanen en waren de ouderen van dienst.

King Parîkshit inquired - How could the brâhmanas curse the Vrishnis, who were always respectful to the brâhmanas, charitable, and inclined to serve senior and exalted personalities and whose minds were always fully absorbed in thought of Lord Krishna? (Vedabase)

 

Tekst 9

Wat bracht hen ertoe zo'n ernstige vloek uit te spreken en hoe luidde hij, o zuiverste onder de brahmanen? Alstublieft vertel me hoe er deze tweedracht kon bestaan onder hen die dezelfde ziel [van Krishna] deelden.'

King Parîkshit continued inquiring - What was the motive for this curse? What did it consist of, O purest of the twice-born? And how could such a disagreement have arisen among the Yadus, who all shared the same goal of life? Please tell me all these things. (Vedabase)

 

Tekst 10

De zoon van Vyâsa zei: 'Met het meedragen van een lichaam waarin alles wat mooi was samenviel, met het op aarde volbrengen van de meest gunstige handelingen en met het geheel voldaan genieten van Zijn leven toen Hij Zich ophield in Zijn verblijfplaats [Dvârakâ], wilde Hij, zo groots bezongen, nu Zijn dynastie vernietigen. Dat was het enige dat Hem nog te doen stond.

S'ukadeva Gosvâmî said - The Lord, who bore His body as the amalgamation of everything beautiful, dutifully executed the most auspicious activities while on the earth, although He was, in fact, without any endeavor already satisfied in all desires. Residing in His abode and enjoying life, the Lord, whose glorification is in itself magnanimous, now wanted to annihilate His dynasty, as there still remained some small part of His duty to be carried out. (Vedabase)

 

Tekst 11-12

Nadat ze zegenrijke rituelen hadden verricht om de vroomheid af te roepen, logeerden de wijzen Vis'vâmitra, Asita, Kanva, Durvâsâ, Bhrigu, Angirâ, Kas'yapa, Vâmadeva, Atri, Vasishthha, samen met Nârada en anderen, [eens] ten huize van de heer der Yadu's [Vasudeva]. Daarna begaven ze zich naar Pindâraka [een pelgrimsoord] en werden daarbij uitgewuifd door Hem, de Ziel van de Tijd over wie te zingen zo goedgunstig is voor de hele wereld omdat het de onzuiverheden van Kali-yuga verdrijft.

The sages Vis'vâmitra, Asita, Kanva, Durvâsâ, Bhrigu, Angirâ, Kas'yapa, Vâmadeva, Atri and Vasishthha, along with Nârada and others, once performed fruitive rituals that award abundant pious results, bring great happiness and take away the sins of Kali-yuga for the whole world by merely being recounted. The sages duly executed these rituals in the home of the chief of the Yadus, Vasudeva, the father of Lord Krishna. After Lord Krishna, who was staying in Vasudeva's house as time personified, respectfully sent the sages off at the conclusion of the ceremonies, they went to the holy place called Pindâraka. (Vedabase)

 

Tekst 13-15

De jonge jongens van de Yadu-dynastie [aldaar] benaderden hen in een spel waarin Sâmba de zoon van Jâmbavatî [zie ook 10.68] zich had verkleed in vrouwenkleren. Hun voeten beetgrijpend vroegen ze, bescheidenheid veinzend, onbeschaamd: 'Deze zwartogige zwangere vrouw wil graag een zoon krijgen. Maar ze is te verlegen om het zelf te vragen. Daarom vragen wij u, wiens blik nimmer beneveld is, of u kunt zeggen of ze een jongen zal baren of niet?'

To that holy place, the young boys of the Yadu dynasty had brought Sâmba, son of Jâmbavatî, dressed in woman's garb. Playfully approaching the great sages gathered there, the boys grabbed hold of the sages' feet and impudently asked them with feigned humility, 'O learned brâhmanas, this black-eyed pregnant woman has something to ask you. She is too embarrassed to inquire for herself. She is just about to give birth and is very desirous of having a son. Since all of you are great sages with infallible vision, please tell us whether her child will be a boy or a girl.' (Vedabase)

 

 Tekst 16

O Koning, de wijzen die op die manier voor de gek werden gehouden zeiden kwaad tegen de jongens: 'Ze zal jullie, dwazen, een knots baren die de dynastie zal vernietigen!'

Thus ridiculed by deceit, the sages became angry, O King, and told the boys, 'Fools! She will bear you an iron club that will destroy your entire dynasty.' (Vedabase)

 

 Tekst 17

Hevig geschrokken dat te horen, haasten ze zich de buik van Sâmba vrij te maken waarin ze inderdaad een knots gemaakt van ijzer aantroffen.

Upon hearing the curse of the sages, the terrified boys quickly uncovered the belly of Sâmba, and indeed they observed that therein was an iron club. (Vedabase)

  

 Tekst 18

'Wat hebben we gedaan, wat zal de familie wel niet zeggen? Wat een tegenslag!' Zich aldus overweldigd uitlatend pakten ze de knots en gingen ze naar huis.

The young men of the Yadu dynasty said, 'Oh, what have we done? We are so unfortunate! What will our family members say to us?' Speaking thus and being very disturbed, they returned to their homes, taking the club with them. (Vedabase)

 

 Tekst 19

Met de schoonheid uit hun gezichten verdwenen, brachten ze de knots naar de koning [Ugrasena] tijdens een vergadering van alle Yadu's en vertelden ze wat er gebeurd was.

The Yadu boys, the luster of their faces completely faded, brought the club into the royal assembly, and in the presence of all the Yâdavas they told King Ugrasena what had happened. (Vedabase)

  

 Tekst 20

Toen ze de knots zagen en hoorden over de onfeilbare vloek van de geleerden, o Koning, waren de bewoners van Dvârakâ ontsteld en raakten ze verscheurd door angst.

O King Parîkshit, when the inhabitants of Dvârakâ heard of the infallible curse of the brâhmanas and saw the club, they were astonished and distraught with fear. (Vedabase)

 

 Tekst 21

Âhuka [Ugrasena], de Yadu-koning, liet de knots tot gruis vermalen waarna hij het gruis samen met het ijzer dat van de knots over was in zee liet werpen.

After having the club ground to bits, King Âhuka [Ugrasena] of the Yadus personally threw the pieces, along with the remaining lump of iron, into the water of the ocean. (Vedabase)

 

Tekst 22

Een of andere vis slokte de klomp op. Het gruis werd door de golven meegevoerd en spoelde aan om vervolgens aan de kust uit te groeien tot scherpe roeden [genaamd eraka].

A certain fish swallowed the iron lump, and the bits of iron, carried back to the shore by the waves, implanted themselves there and grew into tall, sharp canes. (Vedabase)

 

 Tekst 23

De vis werd uit zee samen met anderen door een visser opgevist met een net. Het stuk ijzer dat in de vis zijn maag bewaard was gebleven werd door een jager [genaamd Jarâ] op een pijl bevestigd [als pijlpunt].

The fish was caught in the ocean along with other fish in a fishermen's net. The iron lump in the fish's stomach was taken by the hunter Jarâ, who fixed it as an arrowhead at the end of his shaft. (Vedabase)

 

 Tekst 24

De Opperheer, zeer goed in staat alles te doorgronden wat zich had afgespeeld, wenste het echter niet de zaken terug te draaien en legde Zich, met het Zich vertonen als de Tijd, neer bij de vloek van de brahmanen.

Knowing fully the significance of all these events, the Supreme Lord, though capable of reversing the brâhmanas' curse, did not wish to do so. Rather, in His form of time, He gladly sanctioned the events. (Vedabase)

  

 

 

 

 

 

Voor deze vertaling werd de Vedabase van de BBT gebruikt die het werk van Svâmi Prabhupâda's
leerlingen biedt dat werd verricht voor het voltooien van zijn vertaling van het Bhâgavatam.

Zie de S'rîmad Bhâgavatam linkspagina
voor de Vedabase en/of een download van dit boek en andere boeken van Prabhupâda.
Het eerste schilderij op deze pagina is van
Parîkshit dâsa (Doug Ball).
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd  


 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties