regelbalk


 

 

Canto 11

Râdhâ Mâdhava 2

 

 

Hoofdstuk 18: Het Varnâs'rama-systeem: de Teruggetrokkenen en de Wereldverzakers

(1) De Allerhoogste Heer zei: 'Als men in de derde levensfase zich in het woud wil terugtrekken moet men tewerk gaan in vrede. Terwille van die vrede moet men de echtgenote met zich meenemen of anders haar aan de zoons toevertrouwen. (2) Men moet zorgen voor een zuiver [*] levensonderhoud op basis van de knollen, wortels en vruchten van het woud, en zich kleden in boombast, gras, bladeren of dierenvellen. (3) Met het haar op het hoofd en het lichaam, het aangezichtshaar, de nagels en het lichaam zelf vuil en de tanden niet gereinigd [op andere tijden], behoort men drie maal daags zich te baden en ['s nachts] op de grond te slapen. (4) Ascetisch de vijf vuren gedurende de zomer [de offervuren in vier richtingen en de zon daarboven], de stortregens tijdens het regenseizoen en de kou van het in de winter je tot aan je nek onderdompelen in water verdragend, behoort men, bezig zijnd zoals hiervoor vermeld, de boetedoening uit te voeren [zie ook 4.23: 6]. (5) Op de juiste tijd etend behoort men ofwel dat te eten wat bereid is op een vuur of dat wat vermalen is met een vijzel, verpulverd is met een steen of vermalen is met de tanden. (6) Met een praktische instelling naar gelang de plaats, de tijd en waar hij toe in staat is, moet hij persoonlijk dat verzamelen wat nodig is voor zijn levensonderhoud, en niets te bewaren voor een later moment [zie ook 7.12: 19]. (7) Een vânaprastha mag Me aanbidden met offerandes [van rijst, gerst en dâl], mag rijstkoeken offeren of vruchten naar gelang het seizoen, maar nimmer, ook al is het schriftuurlijk, van aanbidding zijn met het opofferen van dieren. (8) Als voorheen [toen hij een grihastha was] voert hij de vuurplechtigheid uit, de plechtigheid voor de nieuwe maan en de volle maan en houdt hij zich ook aan de door de vedische experts voorgeschreven geloften voor de wijze met betrekking tot de viermaandelijkse offerplechtigheid [van câturmâsya]. (9) Als hij er die praktijk op nahoudt zal de wijze, vanwege de boete, zo vermagerd zijn dat men zijn aderen kan zien. Aldus van aanbidding voor Mij, het Doel van Alle Boete, bereikt hij Mij in de wereld der zieners [zie ook maharloka]. (10) Bestaat er dan een grotere dwaas dan iemand die voor een lange tijd van deze zware maar zegerijke en tot de bevrijding leidende boete is, maar die beoefent met het doel van oppervlakkige zinsbevrediging [zie ook vântâs'î]? (11) Als hij in zijn gereguleerde activiteiten als gevolg van de ouderdom met zijn lichaam trillend niet langer in staat is ermee door te gaan [voordat hij sannyâsa bereikt], moet hij, geconcentreerd op Mij, de vuren in zijn hart plaatsen en het vuur binnengaan [zie ook 7.12: 23]. (12) Als alles wat werd verworven door het karma, met inbegrip van een hogere leefwereld, voor hem niets anders is dan de hel en zich volledige onthechting heeft ontwikkeld, mag hij op dat punt aangeland het offervuur opgeven en zich aansluiten bij de wereldverzakende orde [zie ook B.G. 18: 2 en **].

(13) Met het volgens de voorschriften hebben aanbeden en alles wat hij had hebben overhandigd aan de leider van de plechtigheid, behoort hij, met het positioneren van het offervuur in zijn levensadem, vrij van verwachtingen sannyâsa te nemen [zie ook 9.6*]. (14) Aan de geschoolde die uit respect voor de waarheid sannyâsa neemt verschijnen de halfgoden in de gedaante van zijn oorspronkelijke vrouw [en andere verleidingen] die hindernissen voor hem opwerpt; aan hen voorbijgaand moet de sannyâsî voor het hogere gaan [zie ook B.G. 6: 25, 1.19: 2-3, 5.6: 4, 11.4: 7]. (15) Zo de wijze het al wenst kleding te dragen, bedekt hij zich met een lendendoek [of kaupîna]. Niet meer meedragend dan het hoogst noodzakelijke van een staf en een waterpot geeft hij al het overige op. (16) Hij behoort zijn voet te plaatsen waar zijn ogen hem zeggen dat het velig is [om niet te trappen op levende wezens], hij behoort water te drinken dat hij filtreerde met zijn kleed, hij behoort zich te bedienen van waarachtige en zuivere woorden en hij moet dat doen wat zijn geest hem ingeeft als zijnde zuiver. (17) Zwijgzaamheid, terughoudendheid en het stoppen van de ademhaling vormen de strikte discipline voor de stem, het lichaam en de geest. Van hem bij wie er geen sprake is van dezen, Mijn beste, kan men ondanks zijn bamboestokken niet zeggen dat hij een echte sannyâsî is [zie ook tridanda]. (18) Als hij uit gaat bedelen bij de vier varna's moet hij de onreine huishoudens [de zondige, vervuilde] uit de weg gaan als hij willekeurig zeven verschillende huizen benadert waar hij genoegen moet nemen met wat hem wordt toebedeeld [zie ook cakra, vergelijk 1.4: 8]. (19) Ergens buitenaf zich naar een waterbekken begevend moet hij, erdoor schoon gewassen, in stilte plichtsgetrouw uitdelen wat werd ingezameld en vervolgens wat ervan overbleef schoonmaken en in zijn geheel verorberen. (20) Zich alleen en vrij van gehechtheid over deze aarde rondbewegend, met zijn zinnen volledig onder controle en innerlijk voldaan in zijn realisatie van het Ware Zelf, is hij, stabiel op het spirituele vlak, van een gelijkgezinde blik [B.G. 5: 18, zie bhajan]. (21) Zich ophoudend op een afgezonderde en veilige plek en met zijn bewustzijn gezuiverd in zijn liefde voor Mij, behoort de wijze zich te concentreren op enkel de ziel als zijnde niet-verschillend van Mij. (22) Mediterend op het zelf als zijnde gebonden en niet gebonden [zie 11.10] is er, als men stabiel in de kennis de zinnen die zich laten leiden door zinneprikkeling heeft ingeperkt, de volledige controle over hen en de bevrijding. (23) Met de zes afdelingen [de zinnen en de geest] volledig onder controle dankzij het bewustzijn dat hij van Mij heeft, moet de wijze, met het ervaren hebben van het grotere geluk in de ziel, derhalve leven in onthechting van de zinledigheid van de lust. (24) Hij behoort te reizen naar de zuivere toevluchtsoorden op aarde met rivieren, bergen en wouden. De steden, dorpen en weidegronden moet hij enkel betreden om aalmoezen te bedelen bij hen die leven terwille van het lichaam. (25) De levensorde die zich ophoudt in het woud moet altijd de positie innemen van het bedelen, omdat door het voedsel dat wordt verkregen door verzamelen [of van de bijstand leven] men snel de bevrijding, vrijheid van illusie en een gezuiverd bestaan zal vinden. (26) Men moet nimmer het vergankelijke dat men waarneemt in de directe ervaring aanzien voor de uiteindelijke werkelijkheid; met een bewustzijn vrij van gehechtheid behoort men af te zien van alle materieel gemotiveerde handelingen in deze wereld en in de volgende. (27) Met moet met de aandacht naar binnen gericht zich afkeren van het universum dat in het Zelf geheel is verknoopt met de geest, de spraak en de levensadem [zie ahankâra]. Men moet niet aan die begoochelende materiële energie blijven denken. (28) Of het nu iemand betreft die zich heeft overgegeven aan de kennis der zelfverwerkelijking en onthecht is van uiterlijke verschijningsvormen, of dat het nu gaat om iemand die als Mijn toegewijde niet [meer] naar de bevrijding verlangt [als een paramahamsa], in beide gevallen geeft men het op met wat er aan rituelen en kentekenen staat voorgeschreven voor de levensfase [de âs'rama]; zo iemand wordt verondersteld de regels en voorschriften te zijn ontgroeid [zie ook 10.78: 31-32, 3.29: 25 en 5.1*]. (29) Hoewel intelligent moet hij genieten als was hij een kind, hoewel zeer bekwaam behoort hij te handelen als was hij onontwikkeld, hoewel hij hoogst geschoold is behoort hij zich uit te laten als was hij verstrooid en hoewel zeer goed op de hoogte van de voorschriften, moet hij leven zonder enige terughoudendheid ['ronddolen als een koe']. (30) Hij moet zich nimmer strikt houden aan wat volgens de Veda's zou moeten [te weten, de vruchtdragende plechtigheden], noch behoort hij tegen ze in te gaan; hij moet niet een scepticus zijn, noch partijdig enkel maar praten terwille van het argument. (31) Iemand die de heiligheid vond moet zich nooit storen aan andere mensen, noch moet hij anderen storen of ooit als een dier met wie dan ook een negatieve sfeer creëren voor het belang van het lichaam [vijandig zijn wat betreft het territorium, het voedsel e.d.]; in plaats daarvan moet hij barse woorden over zijn kant laten gaan en nimmer wie dan ook kleineren [zie ook B.G. 12: 15]. (32) De Allerhoogste is de Ziel die zich bevindt in zowel alle levende wezens als in het eigen lichaam. Net zoals de maan in verschillende waterbekkens wordt weerspiegelt zijn ook de materiële lichamen individuele vonken [of reflecties] van de Ene [zie ook B.G. 6: 29 & 13: 34]. (33) Hecht verankerd in de eigen overtuiging moet men [de sannyâsî] er niet over in zitten als er soms geen [of niet het juiste] voedsel voorhanden is, en ook moet men niet staan te juichen als er genoeg van is; beide zaken zijn bij God geregeld. (34) Men moet zich ervoor inspannen om te eten en naar behoren de eigen persoonlijke levenskracht in stand te houden. Met die kracht immers bezint men zich op de spirituele waarheid welke, eenmaal begrepen, tot bevrijding leidt [zie B.G. 6: 16]. (35)  Al het voedsel, alle kleding en al het beddegoed dat hij op zijn weg vindt moet de wijze accepteren, of het nu van een goede of een slechte kwaliteit is [zie ook 7.13]. (36) Algemene reinheid, het wassen van de handen, het nemen van een bad en andere reguliere plichten moeten door degene die tot spiritueel inzicht is gekomen zonder enige dwangmatigheid worden uitgevoerd, precies zoals Ik, de Beheerser, handel naar Mijn eigen wilsbesluit. (37) Aan het idee dat men een afgezonderd bestaan zou leiden komt een einde als men zich Mij realiseert. In een enkel geval houdt zo'n idee stand totdat het lichaam het begeeft, maar dan zal daarna zich met Mij alles ten goede keren. (38) Ongelukkig over de gevolgen van een wellustig leven moet degene die Mij nog niet serieus in overweging heeft genomen, met de weerzin die zich opwierp in het verlangen naar de spirituele volmaaktheid, het als zijn plicht zien een wijze [bonafide] persoon [van gepaste referentie] te benaderen, een goeroe [zie ook B.G. 16: 23-24, 4: 34 & 17: 14]. (39) De toegewijde moet met veel geloof en respect, vrij van afgunst net zo lang de geestelijk leraar die Mij belichaamt dienen, totdat hij een duidelijk inzicht heeft verkregen in het spirituele [zie ook 11.17: 27]. (40-41) Hij dan die niet de zes ondeugden de baas is [de anartha's], hij die zich als de wagenmenner van het lichaam laat leiden door de zinnen, hij die niet onthecht verstoken is van de kennis, hij die de staf met de drie stokken aanwendt voor het verwerven van een inkomen en hij die Mij, zichzelf en de goddelijken binnenin zichzelf ontkent, is, omdat hij niet heeft afgerekend met de besmetting en aldus het dharma bederft, zowel in deze wereld als in de volgende het spoor bijster.

(42) Het is de aard van een bedelmonnik om gelijkmoedig en geweldloos te zijn, boete en onderscheidingsvermogen kenmerkt degene die in het woud leeft, de huishouder biedt onderdak en houdt offerplechtigheden en een celibataire novice dient de âcârya. (43) Het celibaat, de verzaking, de reinheid, de tevredenheid en het vriendelijk zijn voor alle levende wezens zoals men dat kan zien bij allen die Mij aanbidden, vormt ook de weg van de huishouder die zijn vrouw benadert als de tijd er rijp voor is [zie ook B.G. 7: 11]. (44) Degene die aldus overeenkomstig zijn aard Mij aanbidt en niets en niemand anders toegewijd is, zal zich Mij realiseren in alle levende wezens en komt tot een vastberaden toegewijde dienst tot Mij. (45) Middels een niet aflatende devotie, Uddhava, komt hij tot Mij, de Allerhoogste Beheerser van Al de Werelden, de Absolute Waarheid en Uiteindelijke Oorzaak die alles in het leven roept en aan alles een einde maakt. (46) Als hij zo overeenkomstig zijn eigen plichtsbesef zijn bestaan gezuiverd heeft, en begiftigd met kennis en wijsheid geheel doordrongen is van Mijn verheven positie, zal hij Mij zeer spoedig bereiken. (47) Allen die het varnâs'rama-systeem volgen kenmerken zich door een traditionele gedragscode die het dharma verzekert. Dit plichtsbesef gecombineerd met Mijn bhakti geeft de hoogste volmaaktheid des levens. (48) O vrome ziel, hiermee heb Ik je, zoals je vroeg, de middelen beschreven waarmee men zich als toegewijde volmaakt kan inzetten overeenkomstig de eigen aard en men tot Mij, de Allerhoogste kan komen.'

 

 next                     

 
 

 

Tweede editie, geladen 11 juni 2009  

 

 

 

 

 

Bronteksten (geen voorgaande tekst in het Nederlands beschikbaar):

Description of Varnâs'rama-dharma

 

Tekst 1

De Allerhoogste Heer zei: 'Als men in de derde levensfase zich in het woud wil terugtrekken moet men tewerk gaan in vrede. Terwille van die vrede moet men de echtgenote met zich meenemen of anders haar aan de zoons toevertrouwen.

The Supreme Personality of Godhead said: One who desires to adopt the third order of life, vânaprastha, should enter the forest with a peaceful mind, leaving his wife with his mature sons, or else taking her along with him. (Vedabase)

 

Tekst 2

Men moet zorgen voor een zuiver [*] levensonderhoud op basis van de knollen, wortels en vruchten van het woud, en zich kleden in boombast, gras, bladeren of dierenvellen.

Having adopted the vânaprastha order of life, one should arrange one's sustenance by eating uncontaminated bulbs, roots and fruits that grow in the forest. One may dress oneself with tree bark, grass, leaves or animal skins. (Vedabase)

   

Tekst 3

Met het haar op het hoofd en het lichaam, het aangezichtshaar, de nagels en het lichaam zelf vuil en de tanden niet gereinigd [op andere tijden], behoort men drie maal daags zich te baden en ['s nachts] op de grond te slapen.

The vânaprastha should not groom the hair on his head, body or face, should not manicure his nails, should not pass stool and urine at irregular times and should not make a special endeavor for dental hygiene. He should be content to take bath in water three times daily and should sleep on the ground. (Vedabase)

 

Tekst 4

Ascetisch de vijf vuren gedurende de zomer [de offervuren in vier richtingen en de zon daarboven], de stortregens tijdens het regenseizoen en de kou van het in de winter je tot aan je nek onderdompelen in water verdragend, behoort men, bezig zijnd zoals hiervoor vermeld, de boetedoening uit te voeren [zie ook 4.23: 6].

Thus engaged as a vânaprastha, one should execute penance during the hottest summer days by subjecting oneself to burning fires on four sides and the blazing sun overhead; during the rainy season one should remain outside, subjecting oneself to torrents of rain; and in the freezing winter one should remain submerged in water up to one's neck. (Vedabase)

 

Tekst 5

Op de juiste tijd etend behoort men ofwel dat te eten wat bereid is op een vuur of dat wat vermalen is met een vijzel, verpulverd is met een steen of vermalen is met de tanden.

One may eat foodstuffs prepared with fire, such as grains, or fruits ripened by time. One may grind one's food with mortar and stone or with one's own teeth. (Vedabase)

 

Tekst 6

Met een praktische instelling naar gelang de plaats, de tijd en waar hij toe in staat is, moet hij persoonlijk dat verzamelen wat nodig is voor zijn levensonderhoud, en niets te bewaren voor een later moment [zie ook 7.12: 19].

The vânaprastha should personally collect whatever he requires for his bodily maintenance, carefully considering the time, place and his own capacity. He should never collect provisions for the future. (Vedabase)

 

Tekst 7

Een vânaprastha mag Me aanbidden met offerandes [van rijst, gerst en dâl], mag rijstkoeken offeren of vruchten naar gelang het seizoen, maar nimmer, ook al is het schriftuurlijk, van aanbidding zijn met het opofferen van dieren.

One who has accepted the vânaprastha order of life should perform seasonal sacrifices by offering oblations of caru and sacrificial cakes prepared from rice and other grains found in the forest. The vânaprastha, however, may never offer animal sacrifices to Me, even those sacrifices mentioned in the Vedas. (Vedabase)

 

 Tekst 8

Als voorheen [toen hij een grihastha was] voert hij de vuurplechtigheid uit, de plechtigheid voor de nieuwe maan en de volle maan en houdt hij zich ook aan de door de vedische experts voorgeschreven geloften voor de wijze met betrekking tot de viermaandelijkse offerplechtigheid [van câturmâsya].

The vânaprastha should perform the agnihotra, dars'a and paurnamâsa sacrifices, as he did while in the grihastha-âs'rama. He should also perform the vows and sacrifices of câturmâsya, since all of these rituals are enjoined for the vânaprastha-âs'rama by expert knowers of the Vedas. (Vedabase)

 

 Tekst 9

Als hij er die praktijk op nahoudt zal de wijze, vanwege de boete, zo vermagerd zijn dat men zijn aderen kan zien. Aldus van aanbidding voor Mij, het Doel van Alle Boete, bereikt hij Mij in de wereld der zieners [zie ook maharloka].

The saintly vânaprastha, practicing severe penances and accepting only the bare necessities of life, becomes so emaciated that he appears to be mere skin and bones. Thus worshiping Me through severe penances, he goes to the Maharloka planet and then directly achieves Me. (Vedabase)

 

Tekst 10

Bestaat er dan een grotere dwaas dan iemand die voor een lange tijd van deze zware maar zegerijke en tot de bevrijding leidende boete is, maar die beoefent met het doel van oppervlakkige zinsbevrediging [zie ook vântâs'î]?

One who with long endeavor executes this painful but exalted penance, which awards ultimate liberation, simply to achieve insignificant sense gratification must be considered the greatest fool. (Vedabase)

 

Tekst 11

Als hij in zijn gereguleerde activiteiten als gevolg van de ouderdom met zijn lichaam trillend niet langer in staat is ermee door te gaan [voordat hij sannyâsa bereikt], moet hij, geconcentreerd op Mij, de vuren in zijn hart plaatsen en het vuur binnengaan [zie ook 7.12: 23].

If the vânaprastha is overtaken by old age and because of his trembling body is no longer able to execute his prescribed duties, he should place the sacrificial fire within his heart by meditation. Then, fixing his mind on Me, he should enter into the fire and give up his body. (Vedabase)

 

Tekst 12

Als alles wat werd verworven door het karma, met inbegrip van een hogere leefwereld, voor hem niets anders is dan de hel en zich volledige onthechting heeft ontwikkeld, mag hij op dat punt aangeland het offervuur opgeven en zich aansluiten bij de wereldverzakende orde [zie ook B.G. 18: 2 en **].

If the vânaprastha, understanding that even promotion to Brahmaloka is a miserable situation, develops complete detachment from all possible results of fruitive activities, then he may take the sannyâsa order of life. (Vedabase)

 

Tekst 13

Met het volgens de voorschriften hebben aanbeden en alles wat hij had hebben overhandigd aan de leider van de plechtigheid, behoort hij, met het positioneren van het offervuur in zijn levensadem, vrij van verwachtingen sannyâsa te nemen [zie ook 9.6*].

Having worshiped Me according to scriptural injunctions and having given all one's property to the sacrificial priest, one should place the fire sacrifice within oneself. Thus, with the mind completely detached, one should enter the sannyâsa order of life. (Vedabase)

 

Tekst 14

Aan de geschoolde die uit respect voor de waarheid sannyâsa neemt verschijnen de halfgoden in de gedaante van zijn oorspronkelijke vrouw [en andere verleidingen] die hindernissen voor hem opwerpt; aan hen voorbijgaand moet de sannyâsî voor het hogere gaan [zie ook B.G. 6: 25, 1.19: 2-3, 5.6: 4, 11.4: 7].

'This man taking sannyâsa is going to surpass us and go back home, back to Godhead.' Thus thinking, the demigods create stumbling blocks on the path of the sannyâsî by appearing before him in the shape of his former wife or other women and attractive objects. But the sannyâsî should pay the demigods and their manifestations no heed. (Vedabase)

 

Tekst 15

Zo de wijze het al wenst kleding te dragen, bedekt hij zich met een lendendoek [of kaupîna]. Niet meer meedragend dan het hoogst noodzakelijke van een staf en een waterpot geeft hij al het overige op.

If the sannyâsî desires to wear something besides a mere kaupîna, he may use another cloth around his waist and hips to cover the kaupîna. Otherwise, if there is no emergency, he should not accept anything besides his danda and waterpot. (Vedabase)

 

Tekst 16

Hij behoort zijn voet te plaatsen waar zijn ogen hem zeggen dat het velig is [om niet te trappen op levende wezens], hij behoort water te drinken dat hij filtreerde met zijn kleed, hij behoort zich te bedienen van waarachtige en zuivere woorden en hij moet dat doen wat zijn geest hem ingeeft als zijnde zuiver.

A saintly person should step or place his foot on the ground only after verifying with his eyes that there are no living creatures, such as insects, who might be injured by his foot. He should drink water only after filtering it through a portion of his cloth, and he should speak only words that possess the purity of truth. Similarly, he should perform only those activities his mind has carefully ascertained to be pure. (Vedabase)

  

Tekst 17

Zwijgzaamheid, terughoudendheid en het stoppen van de ademhaling vormen de strikte discipline voor de stem, het lichaam en de geest. Van hem bij wie er geen sprake is van dezen, Mijn beste, kan men ondanks zijn bamboestokken niet zeggen dat hij een echte sannyâsî is [zie ook tridanda].

One who has not accepted the three internal disciplines of avoiding useless speech, avoiding useless activities and controlling the life air can never be considered a sannyâsî merely because of his carrying bamboo rods. (Vedabase)

 

Tekst 18

Als hij uit gaat bedelen bij de vier varna's moet hij de onreine huishoudens [de zondige, vervuilde] uit de weg gaan als hij willekeurig zeven verschillende huizen benadert waar hij genoegen moet nemen met wat hem wordt toebedeeld [zie ook cakra, vergelijk 1.4: 8].

Rejecting those houses that are polluted and untouchable, one should approach without previous calculation seven houses and be satisfied with that which is obtained there by begging. According to necessity, one may approach each of the four occupational orders of society. (Vedabase)

 

Tekst 19

Ergens buitenaf zich naar een waterbekken begevend moet hij, erdoor schoon gewassen, in stilte plichtsgetrouw uitdelen wat werd ingezameld en vervolgens wat ervan overbleef schoonmaken en in zijn geheel verorberen.

Taking the food gathered through begging, one should leave the populated areas and go to a reservoir of water in a secluded place. There, having taken a bath and washed one's hands thoroughly, one should distribute portions of the food to others who may request it. One should do this without speaking. Then, having thoroughly cleansed the remnants, one should eat everything on one's plate, leaving nothing for future consumption. (Vedabase)

 

Tekst 20

Zich alleen en vrij van gehechtheid over deze aarde rondbewegend, met zijn zinnen volledig onder controle en innerlijk voldaan in zijn realisatie van het Ware Zelf, is hij, stabiel op het spirituele vlak, van een gelijkgezinde blik [B.G. 5: 18, zie bhajan].

Without any material attachment, with senses fully controlled, remaining enthusiastic, and satisfied in realization of the Supreme Lord and his own self, the saintly person should travel about the earth alone. Having equal vision everywhere, he should be steady on the spiritual platform. (Vedabase)

 

Tekst 21

Zich ophoudend op een afgezonderde en veilige plek en met zijn bewustzijn gezuiverd in zijn liefde voor Mij, behoort de wijze zich te concentreren op enkel de ziel als zijnde niet-verschillend van Mij.

Dwelling in a safe and solitary place, his mind purified by constant thought of Me, the sage should concentrate on the soul alone, realizing it to be nondifferent from Me. (Vedabase)

 

 Tekst 22

Mediterend op het zelf als zijnde gebonden en niet gebonden [zie 11.10] is er, als men stabiel in de kennis de zinnen die zich laten leiden door zinneprikkeling heeft ingeperkt, de volledige controle over hen en de bevrijding.

By steady knowledge a sage should clearly ascertain the nature of the soul's bondage and liberation. Bondage occurs when the senses are deviated to sense gratification, and complete control of the senses constitutes liberation. (Vedabase)

 

 Tekst 23

Met de zes afdelingen [de zinnen en de geest] volledig onder controle dankzij het bewustzijn dat hij van Mij heeft, moet de wijze, met het ervaren hebben van het grotere geluk in de ziel, derhalve leven in onthechting van de zinledigheid van de lust.

Therefore, completely controlling the five senses and the mind by Krishna consciousness, a sage, having experienced spiritual bliss within the self, should live detached from insignificant material sense gratification. (Vedabase)

 

 Tekst 24

Hij behoort te reizen naar de zuivere toevluchtsoorden op aarde met rivieren, bergen en wouden. De steden, dorpen en weidegronden moet hij enkel betreden om aalmoezen te bedelen bij hen die leven terwille van het lichaam.

The sage should travel in sanctified places, by flowing rivers and within the solitude of mountains and forests. He should enter the cities, towns and pasturing grounds and approach ordinary working men only to beg his bare sustenance. (Vedabase)

 

 Tekst 25

De levensorde die zich ophoudt in het woud moet altijd de positie innemen van het bedelen, omdat door het voedsel dat wordt verkregen door verzamelen [of van de bijstand leven] men snel de bevrijding, vrijheid van illusie en een gezuiverd bestaan zal vinden.

One in the vânaprastha order of life should always practice taking charity from others, for one is thereby freed from illusion and quickly becomes perfect in spiritual life. Indeed, one who subsists on food grains obtained in such u humble manner purifies his existence. (Vedabase)

 

 Tekst 26

Men moet nimmer het vergankelijke dat men waarneemt in de directe ervaring aanzien voor de uiteindelijke werkelijkheid; met een bewustzijn vrij van gehechtheid behoort men af te zien van alle materieel gemotiveerde handelingen in deze wereld en in de volgende.

One should never see as ultimate reality those material things which obviously will perish. With consciousness free from material attachment, one should retire from all activities meant for material progress in this life and the next. (Vedabase)

 

 Tekst 27

Met moet met de aandacht naar binnen gericht zich afkeren van het universum dat in het Zelf geheel is verknoopt met de geest, de spraak en de levensadem [zie ahankâra]. Men moet niet aan die begoochelende materiële energie blijven denken.

One should logically consider the universe, which is situated within the Lord, and one's own material body, which is composed of mind, speech and life air, to be ultimately products of the Lord's illusory energy. Thus situated in the self, one should give up one's faith in these things and should never again make them the object of one's meditation. (Vedabase)

 

 Tekst 28

Of het nu iemand betreft die zich heeft overgegeven aan de kennis der zelfverwerkelijking en onthecht is van uiterlijke verschijningsvormen, of dat het nu gaat om iemand die als Mijn toegewijde niet [meer] naar de bevrijding verlangt [als een paramahamsa], in beide gevallen geeft men het op met wat er aan rituelen en kentekenen staat voorgeschreven voor de levensfase [de âs'rama]; zo iemand wordt verondersteld de regels en voorschriften te zijn ontgroeid [zie ook 10.78: 31-32, 3.29: 25 en 5.1*].

A learned transcendentalist dedicated to the cultivation of knowledge and thus detached from external objects, or My devotee who is detached even from desire for liberation - both neglect those duties based on external rituals or paraphernalia. Thus their conduct is beyond the range of rules and regulations. (Vedabase)

 

 Tekst 29

Hoewel intelligent moet hij genieten als was hij een kind, hoewel zeer bekwaam behoort hij te handelen als was hij onontwikkeld, hoewel hij hoogst geschoold is behoort hij zich uit te laten als was hij verstrooid en hoewel zeer goed op de hoogte van de voorschriften, moet hij leven zonder enige terughoudendheid ['ronddolen als een koe'].

Although most wise, the paramahamsa should enjoy life like a child, oblivious to honor and dishonor; although most expert, he should behave like a stunted, incompetent person; although most learned, he should speak like an insane person; and although a scholar learned in Vedic regulations, he should behave in an unrestricted manner. (Vedabase)

 

 Tekst 30

Hij moet zich nimmer strikt houden aan wat volgens de Veda's zou moeten [te weten, de vruchtdragende plechtigheden], noch behoort hij tegen ze in te gaan; hij moet niet een scepticus zijn, noch partijdig enkel maar praten terwille van het argument.

A devotee should never engage in the fruitive rituals mentioned in the karma-kânda section of the Vedas, nor should he become atheistic, acting or speaking in opposition to Vedic injunctions. Similarly, he should never speak like a mere logician or skeptic or take any side whatsoever in useless arguments. (Vedabase)

 

 Tekst 31

Iemand die de heiligheid vond moet zich nooit storen aan andere mensen, noch moet hij anderen storen of ooit als een dier met wie dan ook een negatieve sfeer creëren voor het belang van het lichaam [vijandig zijn wat betreft het territorium, het voedsel e.d.]; in plaats daarvan moet hij barse woorden over zijn kant laten gaan en nimmer wie dan ook kleineren [zie ook B.G. 12: 15].

A saintly person should never let others frighten or disturb him and, similarly, should never frighten or disturb other people. He should tolerate the insults of others and should never himself belittle anyone. He should never create hostility with anyone for the sake of the material body, for he would thus be no better than an animal. (Vedabase)

 

 Tekst 32

De Allerhoogste is de Ziel die zich bevindt in zowel alle levende wezens als in het eigen lichaam. Net zoals de maan in verschillende waterbekkens wordt weerspiegelt zijn ook de materiële lichamen individuele vonken [of reflecties] van de Ene [zie ook B.G. 6: 29 & 13: 34].

The one Supreme Lord is situated within all material bodies and within everyone's soul. Just as the moon is reflected in innumerable reservoirs of water, the Supreme Lord, although one, is present within everyone. Thus every material body is ultimately composed of the energy of the one Supreme Lord. (Vedabase)

 

 Tekst 33

Hecht verankerd in de eigen overtuiging moet men [de sannyâsî] er niet over in zitten als er soms geen [of niet het juiste] voedsel voorhanden is, en ook moet men niet staan te juichen als er genoeg van is; beide zaken zijn bij God geregeld.

If at times one does not obtain proper food one should not be depressed, and when one obtains sumptuous food one should not rejoice. Being fixed in determination, one should understand both situations to be under the control of God. (Vedabase)

 

 Tekst 34

Men moet zich ervoor inspannen om te eten en naar behoren de eigen persoonlijke levenskracht in stand te houden. Met die kracht immers bezint men zich op de spirituele waarheid welke, eenmaal begrepen, tot bevrijding leidt [zie B.G. 6: 16].

If required, one should endeavor to get sufficient foodstuffs, because it is always necessary and proper to maintain one's health. When the senses, mind and life air are fit, one can contemplate spiritual truth, and by understanding the truth one is liberated. (Vedabase)

 

 Tekst 35

 Al het voedsel, alle kleding en al het beddegoed dat hij op zijn weg vindt moet de wijze accepteren, of het nu van een goede of een slechte kwaliteit is [zie ook 7.13].

A sage should accept the food, clothing and bedding - be they of excellent or inferior quality - that come of their own accord. (Vedabase)

 

 Tekst 36

Algemene reinheid, het wassen van de handen, het nemen van een bad en andere reguliere plichten moeten door degene die tot spiritueel inzicht is gekomen zonder enige dwangmatigheid worden uitgevoerd, precies zoals Ik, de Beheerser, handel naar Mijn eigen wilsbesluit.

Just as I, the Supreme Lord, execute regulative duties by My own free will, similarly, one who has realized knowledge of Me should maintain general cleanliness, purify his hands with water, take bath and execute other regulative duties not by force but by his own free will. (Vedabase)

 

 Tekst 37

Aan het idee dat men een afgezonderd bestaan zou leiden komt een einde als men zich Mij realiseert. In een enkel geval houdt zo'n idee stand totdat het lichaam het begeeft, maar dan zal daarna zich met Mij alles ten goede keren.

A realized soul no longer sees anything as separate from Me, for his realized knowledge of Me has destroyed such illusory perception. Since the material body and mind were previously accustomed to this kind of perception, it may sometimes appear to recur; but at the time of death the self-realized soul achieves opulences equal to Mine. (Vedabase)

 

 Tekst 38

Ongelukkig over de gevolgen van een wellustig leven moet degene die Mij nog niet serieus in overweging heeft genomen, met de weerzin die zich opwierp in het verlangen naar de spirituele volmaaktheid, het als zijn plicht zien een wijze [bonafide] persoon [van gepaste referentie] te benaderen, een goeroe [zie ook B.G. 16: 23-24, 4: 34 & 17: 14].

One who is detached from sense gratification, knowing its result to be miserable, and who desires spiritual perfection, but who has not seriously analyzed the process for obtaining Me, should approach a bona fide and learned spiritual master. (Vedabase)

 

 Tekst 39

De toegewijde moet met veel geloof en respect, vrij van afgunst net zo lang de geestelijk leraar die Mij belichaamt dienen, totdat hij een duidelijk inzicht heeft verkregen in het spirituele [zie ook 11.17: 27].

Until a devotee has clearly realized spiritual knowledge, he should continue with great faith and respect and without envy to render personal service to the guru, who is nondifferent from Me. (Vedabase)

 

 Tekst 40-41

Hij dan die niet de zes ondeugden de baas is [de anartha's], hij die zich als de wagenmenner van het lichaam laat leiden door de zinnen, hij die niet onthecht verstoken is van de kennis, hij die de staf met de drie stokken aanwendt voor het verwerven van een inkomen en hij die Mij, zichzelf en de goddelijken binnenin zichzelf ontkent, is, omdat hij niet heeft afgerekend met de besmetting en aldus het dharma bederft, zowel in deze wereld als in de volgende het spoor bijster.

One who has not controlled the six forms of illusion [lust, anger, greed, excitement, false pride and intoxication], whose intelligence, the leader of the senses, is extremely attached to material things, who is bereft of knowledge and detachment, who adopts the sannyâsa order of life to make a living, who denies the worshipable demigods, his own self and the Supreme Lord within himself, thus ruining all religious principles, and who is still infected by material contamination, is deviated and lost both in this life and the next. (Vedabase)

  

 Tekst 42

Het is de aard van een bedelmonnik om gelijkmoedig en geweldloos te zijn, boete en onderscheidingsvermogen kenmerkt degene die in het woud leeft, de huishouder biedt onderdak en houdt offerplechtigheden en een celibataire novice dient de âcârya.

The main religious duties of a sannyâsî are equanimity and nonviolence, whereas for the vânaprastha austerity and philosophical understanding of the difference between the body and soul are prominent. The main duties of a householder are to give shelter to all living entities and perform sacrifices, and the brahmacârî is mainly engaged in serving the spiritual master. (Vedabase)

 

 Tekst 43

Het celibaat, de verzaking, de reinheid, de tevredenheid en het vriendelijk zijn voor alle levende wezens zoals men dat kan zien bij allen die Mij aanbidden, vormt ook de weg van de huishouder die zijn vrouw benadert als de tijd er rijp voor is [zie ook B.G. 7: 11].

A householder may approach his wife for sex only at the time prescribed for begetting children. Otherwise, the householder should practice celibacy, austerity, cleanliness of mind and body, satisfaction in his natural position, and friendship toward all living entities. Worship of Me is to be practiced by all human beings, regardless of social or occupational divisions. (Vedabase)

 

 Tekst 44

Degene die aldus overeenkomstig zijn aard Mij aanbidt en niets en niemand anders toegewijd is, zal zich Mij realiseren in alle levende wezens en komt tot een vastberaden toegewijde dienst tot Mij.

One who worships Me by his prescribed duty, having no other object of worship, and who remains conscious of Me as present in all living entities, achieves unflinching devotional service unto Me. (Vedabase)

 

 Tekst 45

Middels een niet aflatende devotie, Uddhava, komt hij tot Mij, de Allerhoogste Beheerser van Al de Werelden, de Absolute Waarheid en Uiteindelijke Oorzaak die alles in het leven roept en aan alles een einde maakt.

My dear Uddhava, I am the Supreme Lord of all worlds, and I create and destroy this universe, being its ultimate cause. I am thus the Absolute Truth, and one who worships Me with unfailing devotional service comes to Me. (Vedabase)

 

 Tekst 46

Als hij zo overeenkomstig zijn eigen plichtsbesef zijn bestaan gezuiverd heeft, en begiftigd met kennis en wijsheid geheel doordrongen is van Mijn verheven positie, zal hij Mij zeer spoedig bereiken.

Thus, one who has purified his existence by execution of his prescribed duties, who fully understands My supreme position and who is endowed with scriptural and realized knowledge, very soon achieves Me. (Vedabase)

 

 Tekst 47

Allen die het varnâs'rama-systeem volgen kenmerken zich door een traditionele gedragscode die het dharma verzekert. Dit plichtsbesef gecombineerd met Mijn bhakti geeft de hoogste volmaaktheid des levens.

Those who are followers of this varnâs'rama system accept religious principles according to authorized traditions of proper conduct. When such varnâs'rama duties are dedicated to Me in loving service, they award the supreme perfection of life. (Vedabase)

 

 Tekst 48

O vrome ziel, hiermee heb Ik je, zoals je vroeg, de middelen beschreven waarmee men zich als toegewijde volmaakt kan inzetten overeenkomstig de eigen aard en men tot Mij, de Allerhoogste kan komen.'

My dear saintly Uddhava, I have now described to you, just as you inquired, the means by which My devotee, perfectly engaged in his prescribed duty, can come back to Me, the Supreme Personality of Godhead. (Vedabase)

 

* S'rîla Bhaktisiddhânta Sarasvatî Thhâkur citerend uit de Manu-samhitâ wijst erop dat het woord medhyaih ofwel 'zuiver' in deze context betekent dat terwijl hij verblijft in het woud een wijze geen dranken gebaseerd op honing moet aanvaarden, noch het vlees van dieren, schimmels, paddestoelen, mierikswortel of welke hallucinogene of bedwelmende kruiden dan ook, ook niet onder het voorwendsel van medicinaal gebruik.

** Shastri C.L. Goswami geeft hier als commentaar bij zijn vertaling van het boek: 'De s'ruti stelt vast dat een brâhmana een kluizenaar kan blijken te zijn wanneer ook maar vairâgya zich in hem voordoet, ongeacht het levensstadium waarin hij zich bevindt'.

 

 

 

 

Voor deze vertaling werd de Vedabase van de BBT gebruikt die het werk van Svâmi Prabhupâda's
leerlingen biedt dat werd verricht voor het voltooien van zijn vertaling van het Bhâgavatam.

Zie de S'rîmad Bhâgavatam linkspagina
voor de Vedabase en/of een download van dit boek en andere boeken van Prabhupâda.
Het eerste schilderij op deze pagina is van
Syamarani dâsî.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd  


 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties