regelbalk


 

 

 

Canto 11

Gaurânga Karunâ Koro

 

 

Hoofdstuk 22: Prakriti en Purusha: de Natuur en de Genieter

(1-3) S'rî Uddhava zei: 'O Heer van het Universum, hoeveel basiselementen van de schepping zijn er opgesomd door de zieners? O Meester, ik hoorde je spreken over negen, elf en vijf plus drie basiselementen [zie ook 11.19: 14]. Sommigen zeggen dat het er [niet achtentwintig maar] zesentwintig zijn, anderen spreken van vijfentwintig of van zeven, sommigen hebben het over negen, sommigen over vier en anderen over elf, terwijl weer anderen spreken van zestien, zeventien of dertien. Je zou ons, o Eeuwige Allerhoogste, moeten uitleggen wat het is dat de wijzen in gedachten hebben die zich zo verschillend uitdrukken.'

(4) De Allerhoogste Heer zei: 'Met hen [de elementen] alomtegenwoordig spreken de brahmanen zoals het hen uitkomt; per slot van rekening, wat zouden zij die zich inlaten met [het mystieke vermogen] van Mijn mâyâ, nu niet mogen beweren? (5) 'Het is niet zoals jij het zegt, het is zoals ik het stel': dit is wat mijn ondoorgrondelijke energieën doen met hen die logisch argumenteren [zie darshana's en 6.4: 31]. (6) Omdat Mijn energieën op elkaar inwerken ontstaan er meningsverschillen onder hen die dit onderwerp bespreken, maar als men vrede vind in het beheersen van zijn zinnen komt er een einde aan het meningsverschil en houdt het argumenteren op [men bereikt de ware aard van de allerhoogste geest, âtmatattva]. (7) Omdat de verschillende elementen [subtiel en grofstoffelijk] elkaar wederzijds doordringen, o beste onder de mannen, wil een spreker een indeling geven van oorzaken en gevolgen. (8) Met die indelingen verwijst het ene element weer naar de andere elementen: of het er nu is als oorzaak of gevolg, in één enkel element [de ether m.n.] vindt men al de andere elementen weer terug en omgekeerd [*]. (9) Als men aan de hand van een zekere indeling zich daarom uitdrukt in termen van oorzaak en gevolg, aanvaard Ik wat men met zo'n standpunt [logisch] onder woorden brengt mits het geleid wordt door de rede [wetenschappelijk bewezen wordt, duidelijkheid verschaft omtrent de tijd en de plaats]. (10) Een persoon die onvermijdelijk onwetend ter wereld komt kan niet van zichzelf weten wat zelfverwerkelijking inhoudt, die kennis ontleent hij aan iemand anders die bekend is met het principe van de werkelijkheid [vergelijk 11.21: 10]. (11) Er bestaat overeenkomstig deze kennis in de materiële aard der goedheid niet het geringste verschil tussen de purusha, de oorspronkelijke persoon, en îs'vara, de beheerser. Er vanuit gaan dat er een dergelijk verschil zou zijn is een zinloze onderneming [zie B.G. 18: 20 en 9: 15 en **]. (12) De materiële natuur [prakriti] is wat de geaardheden samenbindt. Deze geaardheden als de oorzaken van behouden, voortbrengen en eindigen, die overeenkomstig van de goedheid, hartstocht en onwetendheid heten te zijn, behoren tot de materiële wereld en niet tot de geestelijke ziel [zie ook B.G. 3: 27]. (13) In deze wereld is de geaardheid van de goedheid van kennis, de geaardheid hartstocht van vruchtdragende arbeid [karma] en de geaardheid duisternis van onwetendheid; de interactie van de geaardheden wordt de Tijd genoemd en wat er van nature is vormt de draad [de mahat-tattva is de sûtra, zie ook 11.12: 19-21].

(14) De ziel die geniet [purusha], de materiële natuur [prakriti], het kenbare [mahat-tattva], de vereenzelviging met de vorm [ahankâra], de ether, de lucht, het vuur, het water en de aarde vormen aldus Mijn negen elementen van de schepping waarnaar verwezen werd [in vers 1]. (15) Horen, aanraken, zien, ruiken en proeven zijn de vijf [zintuigen] waarmee kennis wordt vergaard; het spraakorgaan, de handen, de geslachtsdelen, de anus en de benen staan voor hun werking, o Mijn beste, en de geest is er voor beiden. (16) Geluiden, tactiele kwaliteiten, smaken, geuren en vormen [of kleuren] zijn de categorieën van de zinsobjecten [zie vishaya] en de spraak, het vervaardigen, het uitscheiden [via anus en genitaliën] en het voortbewegen zijn de functies die door hen gedekt worden. (17) In het begin van de schepping is de persoon van de genieter onbetrokken overgeleverd aan het getuige zijn van de materiële natuur van dit universum, het universum dat door de werking van sattva en de andere geaardheden de vorm aanneemt van de grofstoffelijke manifestaties en meer subtiele oorzaken [zie ook 2.10: 10]. (18) Al de elementen die hun vermogens verwierven omdat de blik van de Heer op hen rustte, ondergaan in de manifeste werkelijkheid transformatie en vormen, vermengd dankzij de kracht van de natuur, het eivormig universum [zie ook 2.5: 35, 3.20: 14-15, 3.26: 51-53, 3.32: 29, 5.26: 38, 11.6: 16]. (19) Als men over de schepping spreekt als bestaand uit slechts zeven elementen: de vijf van de materiële elementen beginnend met de ether enerzijds met de individuele kenner en de Opperziel anderzijds, zijn er als gevolg van deze tweevoudige, fundamentele basis het lichaam, de zinnen en de levensadem. (20) En als men uitgaat van zes elementen: de vijf elementen met de Bovenzinnelijke Persoon als het zesde element dat met hen is samengevoegd, projecteerde Hij eerst deze schepping en ging Hij er vervolgens naar binnen. (21) Als men het heeft over vier elementen ontstaan het vuur, het water en de aarde uit het Oorspronkelijke Zelf; door deze elementen is er dan het zichtbare resultaat van deze kosmos. (22) Er zeventien tellend is er de overweging van de vijf grofstoffelijke elementen, de vijf zinsobjecten en de vijf zinnen samen met de ene geest en de ziel als de zeventiende. (23) Zo ook rekent men met zestien elementen als men de ziel gelijk stelt aan de geest. Met dertien elementen zijn er de vijf grofstoffelijke elementen, de vijf zinnen, de geest en [het individuele en het superieure van] de ziel. (24) Naar het getal elf heeft men in dezen de ziel, de grofstoffelijke elementen en de zinnen. Ook kent men er negen met de acht natuurlijke elementen [de vijf grofstoffelijke, de geest, de intelligentie en het valse ego] en de Genieter die daar boven staat. (25) Aldus werden er verschillende opsommingen van de elementen bedacht door de wijzen. Ze worden allen logisch onderbouwd met rationele argumenten, dat is de schittering die men aantreft onder de geschoolden.'

(26) S'rî Uddhava zei: 'Omdat zowel de natuur als de genieter, hoewel ze fundamenteel verschillend zijn, elkaar wederzijds omvatten o Krishna, lijkt er geen verschil tussen hen te bestaan: men ziet de ziel in de materiële natuur en de natuur in de ziel [zie ook B.G. 18: 16]. (27) AlsJeblieft, o Lotusogige, als de Alwetende, de Eigenlijke Expert in het Weten en het Redeneren, maak met Je woorden een einde aan de grote twijfel in mijn hart. (28) De levende wezens hebben inderdaad van Jou de kennis en door de macht van Jouw uiterlijkheid raken ze die kennis weer kwijt. Alleen Jij bent ervan op de hoogte wat dat begoochelend vermogen van Jou allemaal inhoudt en niemand anders [zie ook B.G. 15: 15].'

(29) Prakriti en purusha [de natuur en de genieter] zijn twee van elkaar verschillende zaken, o beste van alle personen, die beiden onderhevig zijn aan de omvorming die er is dankzij de werking van de guna's der schepping. (30) Beste Uddhava, Mijn begoochelende energie bestaande uit de drie geaardheden is verantwoordelijk voor een veelvoud aan manifestaties zowel als voor een verscheidenheid aan vormen van waarneming. Deze veranderlijkheid op basis van de guna's kent drie aspecten: het ene heet adhyâtma, dan is er adhidaiva en het andere heet adhibhûta [zie ook kles'a's en 1.17: 19]. (31) Zoals er de op zichzelf bestaande Superziel is die de eigenlijke oorzaak vormt van zowel de subjectieve ervaring [adhyâtma], de natuur die de bron van de waarneming is [adhidaiva], als het waar te nemen fenomeen [adhibhûta], is er ook de zon, die onafhankelijk aan de hemel staat en zorgt voor het gezichtsvermogen [adhyâtma], de uiterlijkheid van de natuur [adhidaiva] en het specifieke, gereflecteerde beeld [adhibhûta] die samen bijdragen tot dat wat er te zien is door de opening van het oog. (32) En dat [drievoudige] geldt behalve voor de ogen ook voor de tastzin en wat men daarmee ervaart, het gehoor en zo, de tong en waar die mee bezig is, de neus met wat er te ruiken valt en het bewustzijn en dat wat erbij hoort. (33) De veranderingen, die het gevolg zijn van deze onrust van de geaardheden die zijn oorsprong heeft in de primaire natuur [pradhâna], is er de oorzaak van dat er verbijstering is en er van alles aan de hand is met het door de grotere werkelijkheid opgewekte drievoudige, valse ego dat, onderhevig aan verandering, in onwetendheid de zaken naar zijn hand wil zetten [mahat-tattva, zie ook ***]. (34) Als het ontbreekt aan de volle kennis van de Superziel raakt men, in zijn ijver dingen te bespreken, verwikkeld in zinloze speculaties over het feit of er nu wel of niet een verschil bestaat [tussen purusha en prakriti] met uitspraken als 'dit is werkelijk en dat niet', en die speculaties duren voort zolang iemand zijn aandacht van Mij heeft afgewend, Ik die [kwalitatief] gelijk ben aan hemzelf.'

(35-36) S'rî Uddhava zei: 'Op welke manier nemen zij wiens geesten als gevolg van de baatzuchtige handelingen die ze verrichten zijn afgeleid van Jou, o Meester, hogere en lagere materiële lichamen aan en laten ze die weer los? AlsJeblieft Govinda leg me dat uit wat door hen die niet zo spiritueel zijn niet wordt begrepen omdat ze, hoofdzakelijk op de hoogte van materiële kennis, in staat van illusie verkeren.'

(37) De Allerhoogste Heer zei: 'De geest van de mens die wordt bepaald door zijn baatzuchtig handelen is, van de ene wereld naar de volgende, gebonden aan de vijf zintuigen. De ziel, die los daarvan bestaat, volgt die geest [zie ook linga, vâsanâ en B.G. 2: 22]. (38) De geest die trouw mediteert op wat hij hoort [van de tradities] of ziet van de zinsobjecten, ontwikkelt zich door zijn gebondenheid aan het karma en lost weer op [met het verdwijnen van de zinsobjecten]. Als gevolg daarvan gaat de herinnering verloren [aan voorgaande levens]. (39) Deze complete vergeetachtigheid van het zich niet herinneren van een voorgaand zelf dat om een of andere reden in beslag werd genomen door de voorwerpen van de zintuigen, is wat men de dood noemt. (40) O man van liefdadigheid, wat men een geboorte noemt is de volledige identifcatie van een persoon met het lichaam dat hij aannam, zoals men dat doet in een droom of als men fantaseert. (41)  En net zoals men in een droom of een fantasie zich niet een voorgaande droom of fantasie herinnert, denkt men ook dat men geen voorgaand bestaan zou hebben [*4 en B.G. 4: 5]. (42) Omdat men een nieuw grofstoffelijk lichaam krijgt en een geest die daarbij hoort, dringt zich in de ziel de waarheid op van de drievoudige werkelijkheid met als gevolg een innerlijk besef dat verschilt van het uiterlijke, alsof men kinderen kreeg met een slechte inborst. (43) Want geschapen lichamen, Mijn beste, vinden en verliezen hun bestaan door de kracht van de tijd die onzichtbaar zijn werk doet, die men in zijn subtiliteit niet kan waarnemen. (44) De levensduur, de omstandigheden en zomeer van alle geschapen wezens worden erdoor bepaald, zoals ook de vlam van een kaars, de stroom van een rivier of de vrucht van een boom erdoor bepaald worden. (45) Net zo goed als men het verkeerd heeft als men zegt 'dit licht staat gelijk aan de lamp' en 'deze stroom water staat gelijk aan de rivier', is het ook fout om te zeggen 'dit lichaam staat gelijk aan de persoon', het is een manier van redeneren van mensen die hun leven vergooien [zie ook 6.16: 58, 7.6: 1-2]! (46) Een persoon overlijdt niet, noch spruit hij voort uit het zaad van zijn handelen, hij is onsterfelijk. Het is door illusie dat men als vuur in hout is verenigd [met zijn materiële bestaan. Zie B.G. 2: 24]. (47) Bevruchting, ontwikkeling in de baarmoeder, geboorte, kleutertijd, kindertijd, jeugd, middelbare leeftijd, ouderdom en dood vormen de negen staten van het lichaam die men aldus heeft. (48) Deze meer en minder verheven toestanden van het lichaam dat men te danken heeft aan zijn eigen motieven, worden vanwege zijn gebondenheid aan de geaardheden door de ene ziel aanvaard als het eigene, terwijl de andere ziel er [met de nodige inspanning in de yoga] afstand van neemt [bij de genade Gods]. (49) Men kan zijn eigen geboorte afleiden uit de geboorte van zijn zoon en men kan zijn eigen dood achterhalen aan de hand van de dood van zijn vader [of zijn voorouders], [maar] hij die zichzelf herinnert met al de zaken van geboorte en dood is nimmer onderhevig aan dat wat wordt geregeerd door deze dualiteit. (50) Zoals hij die, bekend met de boom zijn zaad en zijn wasdom, de getuige is die losstaat van de geboorte en dood van die boom, is men analoog daaraan de getuige die losstaat van [de geboorte en dood van] het fysieke lichaam. (51) De onintelligente persoon die er niet in slaagt op deze manier de persoon van de materiële natuur te onderscheiden, beland, geheel verbijsterd materiële vormen voor het ware houdend, in de materiële oceaan [zie ook B.G. 9: 21-22 en 1.7: 5]. (52) Ronddolend op basis van zijn karma gaat hij dan, als hij de geaardheid goedheid volgt, naar de wijzen en de goden; volgt hij de leidraad van de hartstocht dan begeeft hij zich onder de mensen of raakt hij in de greep van de duisternis, en richt hij zich naar de onwetendheid dan beland hij tussen de geesten en de spoken of bereikt hij het dierenrijk [zie ook B.G. 6: 41-42, 9: 25; 17: 4]. (53) Zoals men geneigd is mee te doen als men personen ziet dansen en zingen, raakt men, ook al is men een stille getuige die op zich niets doet, als men geplaatst wordt voor de kwaliteiten van de materie op dezelfde manier in de ban van het materiële denken [zie ook 11.21: 19-21]. (54-55) Zoals bomen lijken te bewegen met water dat beweegt en de wereld lijkt rond te draaien met ogen die worden rondgedraaid, zijn ook de mentale indrukken die men heeft van zinsobjecten niet werkelijk. Net zoals de dingen die men in een droom ziet drogbeelden zijn, is ook de ziel zijn voorstelling van een materieel leven waarin hij zijn zinsbevrediging ervaart een drogbeeld. (56) Voor iemand die mediteert op de zinsobjecten houdt het materiële leven niet op, ookal is het een illusoire aangelegenheid, net zoals de nare dingen die men in een droom ervaart [zich steeds weer herhalen kunnen *5]. (57) Daarom Uddhava, schep geen behagen in de zinsobjecten die een spelletje spelen met de zintuigen, bedenk hoe op basis van de illusie van de materiële dualiteit men faalt in de realisatie van de ziel. (58-59) Als men beledigd, verwaarloosd, belachelijk gemaakt of benijd wordt door slechte mensen, of als anderszins de middelen van bestaan ontzegd worden, men bestraft wordt of opgesloten, of als men bij herhaling wordt bespuugt of ondergeplast door onwetende mensen, behoort iemand die het Allerhoogste voor ogen heeft en aldus geschokt in moeilijkheden verkeert, zichzelf te redden door zijn toevlucht te nemen tot zijn essentie [zie ook 5.5: 30].'

(60) S'rî Uddhava zei: 'Hoe hou ik dat in gedachten? AlsJeblieft, o Beste Aller Sprekers, zeg ons dat. (61) De aanvallen van andere mensen op mijzelf is wat ik het allermoeilijkst vindt. Behalve voor hen die gefixeerd in Jouw dharma in vrede verwijlen aan Jouw lotusvoeten, weegt zelfs voor de geschoolden, o Ziel van het Universum, zonder twijfel de materiële bepaaldheid het zwaarst.'

 

 next                       

 
 

Tweede editie, geladen 10 juli 2009

 

 

 

 

 

Voorgaande Aadhar-editie en Vedabase links:

 

Tekst 1-3

S'rî Uddhava zei: 'O Heer van het Universum, hoeveel basiselementen van de schepping zijn er opgesomd door de zieners? O Meester, ik hoorde je spreken over negen, elf en vijf plus drie basiselementen [zie ook 11.19: 14]. Sommigen zeggen dat het er [niet achtentwintig maar] zesentwintig zijn, anderen spreken van vijfentwintig of van zeven, sommigen hebben het over negen, sommigen over vier en anderen over elf, terwijl weer anderen spreken van zestien, zeventien of dertien. Je zou ons, o Eeuwige Allerhoogste, moeten uitleggen wat het is dat de wijzen in gedachten hebben die zich zo verschillend uitdrukken.'

(1-3) S'rî Uddhava zei: 'O Heer van het Universum, hoeveel basiselementen van de schepping zijn er opgesomd door de zieners? O Meester over negen, elf en vijf plus drie hoorde ik Je spreken [zie ook 11.19: 14]. Sommigen zeggen dat er zesentwintig zijn, anderen spreken van vijfentwintig of van zeven, sommigen hebben het over negen, sommigen over vier en anderen over elf, terwijl weer anderen spreken van zestien, zeventien of dertien. Je zou ons, o Eeuwige Allerhoogste, moeten uitleggen wat het is dat de wijzen in gedachten hebben die zich zo verschillend uitdrukken.' (Vedabase)

  

Tekst 4

De Allerhoogste Heer zei: 'Met hen [de elementen] alomtegenwoordig spreken de brahmanen zoals het hen uitkomt; per slot van rekening, wat zouden zij die zich inlaten met [het mystieke vermogen] van Mijn mâyâ, nu niet mogen beweren?

De Allerhoogste Heer zei: 'Met hen [de elementen] alomtegenwoordig spreken de brahmanen, die het met Mijn mâyâ opnemen, dienovereenkomstig zoals het hen het beste past; wat zou er per slot van rekening onmogelijk zijn voor hen als ze zich uitspreken? (Vedabase)

 

Tekst 5

'Het is niet zoals jij het zegt, het is zoals ik het stel': dit is wat mijn ondoorgrondelijke energieën doen met hen die logisch argumenteren [zie darshana's en 6.4: 31].

'Dit is niet zoals jij het zegt, wat ik zeg is dat het zo is': dit is wat mijn ondoorgrondelijke energieën doen met hen die logisch argumenteren [zie ook 6.4: 31]. (Vedabase)

 

Tekst 6

Omdat Mijn energieën op elkaar inwerken ontstaan er meningsverschillen onder hen die dit onderwerp bespreken, maar als men vrede vind in het beheersen van zijn zinnen komt er een einde aan het meningsverschil en houdt het argumenteren op [men bereikt de ware aard van de allerhoogste geest, âtmatattva].

Van hen die in de omgang met elkaar argumenteren over het onderwerp zal, als men gelijkmoedigheid en zinsbeheersing heeft bereikt, het verschil in hun standpunt verdwijnen en bijgevolg de tweestrijd tot een einde komen. (Vedabase)

 

Tekst 7

Omdat de verschillende elementen [subtiel en grofstoffelijk] elkaar wederzijds doordringen, o beste onder de mannen, wil een spreker een indeling geven van oorzaken en gevolgen.

Omdat de verschillende elementen elkaar wederzijds doordringen, o beste onder de mannen, wil de spreker dienovereenkomstig een beschrijving geven met het opsommen van hun oorzaken en resulterende effecten. (Vedabase)

 

 Tekst 8

Met die indelingen verwijst het ene element weer naar de andere elementen: of het er nu is als oorzaak of gevolg, in één enkel element [de ether m.n.] vindt men al de andere elementen weer terug en omgekeerd [*].

In ieder van dezen [deze beschrijvingen] ziet men dat andere elementen zich in een voorgaand element voordoen of anders in een later element zelfs, of dat een bepaald element in anderen is binnengegaan [*]. (Vedabase)

 

 Tekst 9

Als men aan de hand van een zekere indeling zich daarom uitdrukt in termen van oorzaak en gevolg, aanvaard Ik wat men met zo'n standpunt [logisch] onder woorden brengt mits het geleid wordt door de rede [wetenschappelijk bewezen wordt, duidelijkheid verschaft omtrent de tijd en de plaats].

Om die reden is het zo dat, hoezeer deze sprekers uit op berekeningen zich ook uitdrukken in termen van voorgaande of erop volgende elementen, We het aanvaarden daar het ontspruit aan de rede. (Vedabase)

 

Tekst 10

Een persoon die onvermijdelijk onwetend ter wereld komt kan niet van zichzelf weten wat zelfverwerkelijking inhoudt, die kennis ontleent hij aan iemand anders die bekend is met het principe van de werkelijkheid [vergelijk 11.21: 10].

Het proces van zelfverwerkelijking neemt bij een persoon bevangen door onwetendheid zijn aanvang niet; het kan zich niet voordoen op basis van zijn eigen kracht, en dus moet er iemand zijn die bekend met de werkelijkheid de geestelijke kennis kan verlenen [vergelijk 11.21: 10]. (Vedabase)

 

Tekst 11

Er bestaat overeenkomstig deze kennis in de materiële aard der goedheid niet het geringste verschil tussen de purusha, de oorspronkelijke persoon, en îs'vara, de beheerser. Er vanuit gaan dat er een dergelijk verschil zou zijn is een zinloze onderneming [zie B.G. 18: 20 en 9: 15 en **].

De dienovereenkomstige kennis is een kwaliteit van de materiële natuur [genaamd sattva]; er bestaat wat dit [deze kwaliteit] betreft niet de geringste ongelijkheid tussen de persoon en de Beheerser - de gedachte dat ze verschillend zouden zijn [als zodanig] is zinloos [zie B.G. 18: 20 en 9: 15 en **]. (Vedabase)

 

Tekst 12

De materiële natuur [prakriti] is wat de geaardheden samenbindt. Deze geaardheden als de oorzaken van behouden, voortbrengen en eindigen, die overeenkomstig van de goedheid, hartstocht en onwetendheid heten te zijn, behoren tot de materiële wereld en niet tot de geestelijke ziel [zie ook B.G. 3: 27].

De materiële natuur [prakriti] is wat de geaardheden samenbindt; deze geaardheden als de oorzaken van behouden, voortbrengen en eindigen, en overeenkomstig van de goedheid, hartstocht en onwetendheid zijnde, behoren tot de materiële wereld en niet tot de geestelijke ziel [zie ook B.G. 3: 27]. (Vedabase)

 

 Tekst 13

In deze wereld is de geaardheid van de goedheid van kennis, de geaardheid hartstocht van vruchtdragende arbeid [karma] en de geaardheid duisternis van onwetendheid; de interactie van de geaardheden wordt de Tijd genoemd en wat er van nature is vormt de draad [de mahat-tattva is de sûtra, zie ook 11.12: 19-21].

In deze wereld is de geaardheid van de goedheid van kennis, de geaardheid hartstocht van vruchtdragende arbeid [karma] en de geaardheid duisternis van onwetendheid; de interactie van de geaardheden wordt de Tijd genoemd en wat er van nature is vormt de draad [de mahat-tattva is de sûtra, zie ook 11.12: 19 -21]. (Vedabase)

 

Tekst 14

De ziel die geniet [purusha], de materiële natuur [prakriti], het kenbare [mahat-tattva], de vereenzelviging met de vorm [ahankâra], de ether, de lucht, het vuur, het water en de aarde vormen aldus Mijn negen elementen van de schepping waarnaar verwezen werd [in vers 1].

De ziel die geniet [purusha], de materiële natuur [prakriti], het kenbare [mahat-tattva], de vereenzelviging met de vorm [ahankâra], de ether, de lucht, het vuur, het water en de aarde vormen aldus de negen elementen der schepping door Mij beschreven. (Vedabase)

 

Tekst 15

Horen, aanraken, zien, ruiken en proeven zijn de vijf [zintuigen] waarmee kennis wordt vergaard; het spraakorgaan, de handen, de geslachtsdelen, de anus en de benen staan voor hun werking, o Mijn beste, en de geest is er voor beiden.

Horen, aanraken, zien, ruiken en proeven zijn de vijf [zintuigen] waarmee kennis wordt vergaard; het spraakorgaan, de handen, de geslachtsdelen, de anus en de benen staan voor hun werking, o mijn beste, en de geest is er voor beiden. (Vedabase)

  

Tekst 16

Geluiden, tactiele kwaliteiten, smaken, geuren en vormen [of kleuren] zijn de categorieën van de zinsobjecten [zie vishaya] en de spraak, het vervaardigen, het uitscheiden [via anus en genitaliën] en het voortbewegen zijn de functies die door hen gedekt worden.

Geluiden, tactiele kwaliteiten, smaken, geuren en vormen [of kleuren] zijn de categorieën van de zinsobjecten [zie vishaya] en de spraak, het vervaardigen, het uitscheiden [via anus en genitaliën] en het voortbewegen zijn de functies die door hen gedekt worden. (Vedabase)

 

Tekst 17

In het begin van de schepping is de persoon van de genieter onbetrokken overgeleverd aan het getuige zijn van de materiële natuur van dit universum, het universum dat door de werking van sattva en de andere geaardheden de vorm aanneemt van de grofstoffelijke manifestaties en meer subtiele oorzaken [zie ook 2.10: 10].

In het begin van de schepping is de persoon van de genieter onbetrokken overgeleverd aan het getuige zijn van de materiële natuur van dit universum dat middels de geaardheden van sattva en de anderen de grofstoffelijke manifestaties en meer subtiele oorzaken belichaamt [2.10: 10]. (Vedabase)

 

Tekst 18

Al de elementen die hun vermogens verwierven omdat de blik van de Heer op hen rustte, ondergaan in de manifeste werkelijkheid transformatie en vormen, vermengd dankzij de kracht van de natuur, het eivormig universum [zie ook 2.5: 35, 3.20: 14-15, 3.26: 51-53, 3.32: 29, 5.26: 38, 11.6: 16].

De elementen in de gehele manifeste werkelijkheid die transformatie ondergaan vormen, vermengd door de kracht van de natuur, het ei van het universum, met het door het overschouwen van de Heer bereikt hebben van hun vermogens [2.5: 35,3.20: 14-15, 3.26: 51-53, 3.32: 29, 5.26: 38, 11.6: 16]. (Vedabase)

 

Tekst 19

Als men over de schepping spreekt als bestaand uit slechts zeven elementen: de vijf van de materiële elementen beginnend met de ether enerzijds met de individuele kenner en de Opperziel anderzijds, zijn er als gevolg van deze tweevoudige, fundamentele basis het lichaam, de zinnen en de levensadem.

Erover sprekend als slechts zeven elementen hebbend: de vijf van de materiële elementen beginnend met de ether en de individuele kenner met de Opperziel, zijn er van de fundamentele basis van deze twee het lichaam, de zinnen en de levensadem [ofwel worden er al de materiële fenomenen voortgebracht]. (Vedabase)

 

Tekst 20

En als men uitgaat van zes elementen: de vijf elementen met de Bovenzinnelijke Persoon als het zesde element dat met hen is samengevoegd, projecteerde Hij eerst deze schepping en ging Hij er vervolgens naar binnen.

(20) Hierin aldus ook uit zes bestaande: de vijf elementen met de Bovenzinnelijke Persoon als het zesde element samengev0egd met hen, werd deze schepping uit Hemzelf geschapen uitgezonden met Hem erin binnengaand. (Vedabase)

  

 Tekst 21

Als men het heeft over vier elementen ontstaan het vuur, het water en de aarde uit het Oorspronkelijke Zelf; door deze elementen is er dan het zichtbare resultaat van deze kosmos.

In het geval van er zo vier te hebben doen zich het vuur, het water en de aarde voor uit het Zelf en kwam er door hen dan de geboorte van het zichtbare eindresultaat van deze cosmos tot stand. (Vedabase)

 

 Tekst 22

Er zeventien tellend is er de overweging van de vijf grofstoffelijke elementen, de vijf zinsobjecten en de vijf zinnen samen met de ene geest en de ziel als de zeventiende.

Er zeventien tellend is er de overweging van de vijf grofstoffelijke elementen, de vijf zinsobjecten en de vijf zinnen samen met de ene geest en de ziel als de zeventiende. (Vedabase)

 

 Tekst 23

Zo ook rekent men met zestien elementen als men de ziel gelijk stelt aan de geest. Met dertien elementen zijn er de vijf grofstoffelijke elementen, de vijf zinnen, de geest en [het individuele en het superieure van] de ziel.

Op dezelfde manier telt men er zestien met inderdaad de ziel aangewezen als de geest en er evenzo dertien met de grofstoffelijke elementen, de vijf zinnen, de geest en [het individuele en het superieure van] de ziel. (Vedabase)

 

 Tekst 24

Naar het getal elf heeft men in dezen de ziel, de grofstoffelijke elementen en de zinnen. Ook kent men er negen met de acht natuurlijke elementen [de vijf grofstoffelijke, de geest, de intelligentie en het valse ego] en de Genieter die daar boven staat.

Naar het getal elf heeft men in dezen de ziel, de grofstoffelijke elementen en de zinnen; en negen heeft men er ook met de acht natuurlijke elementen [de grofstoffelijke, de geest, de intelligentie en het valse ego] als zeker ook de Genieter daarboven. (Vedabase)

 

 Tekst 25

Aldus werden er verschillende opsommingen van de elementen bedacht door de wijzen. Ze worden allen logisch onderbouwd met rationele argumenten, dat is de schittering die men aantreft onder de geschoolden.'

Op deze manier werden er verschillende opsommingen van de elementen bedacht door de wijzen. Ze worden allen logisch onderbouwd met rationele argumenten; aan welke schittering zou het ook ontbreken met de geschoolden?' (Vedabase)

 

 Tekst 26

S'rî Uddhava zei: 'Omdat zowel de natuur als de genieter, hoewel ze fundamenteel verschillend zijn, elkaar wederzijds omvatten o Krishna, lijkt er geen verschil tussen hen te bestaan: men ziet de ziel in de materiële natuur en de natuur in de ziel [zie ook B.G. 18: 16].

S'rî Uddhava zei: 'Omdat zowel de natuur als de genieter, hoewel in de grond verschillend, elkaar wederzijds herbergen o Krishna, lijkt er geen verschil tussen hen te bestaan; de ziel ziet men in de materiële natuur als ook de natuur in de ziel [zie ook B.G. 18: 16]. (Vedabase)

 

 Tekst 27

AlsJeblieft, o Lotusogige, als de Alwetende, de Eigenlijke Expert in het Weten en het Redeneren, maak met Je woorden een einde aan de grote twijfel in mijn hart.

AlsJeblieft, o Lotusogige, als de Alwetende, de Eigenlijke Expert in het Weten en het Redeneren, maak met Je woorden een einde aan de grote twijfel in mijn hart. (Vedabase)

 

Tekst 28

De levende wezens hebben inderdaad van Jou de kennis en door de macht van Jouw uiterlijkheid raken ze die kennis weer kwijt. Alleen Jij bent ervan op de hoogte wat dat begoochelend vermogen van Jou allemaal inhoudt en niemand anders [zie ook B.G. 15: 15].'

(28) De kennis hebben de levende wezens inderdaad van Jou en met het vermogen van Jou van buiten wordt ze weggestolen; Jij alleen kent de volmaaktheid van het illusieverwekkend vermogen van Jouwzelf en niemand anders [zie ook B.G. 15: 15].' (Vedabase)

 

 Tekst 29

Prakriti en purusha [de natuur en de genieter] zijn twee van elkaar verschillende zaken, o beste van alle personen, die beiden onderhevig zijn aan de omvorming die er is dankzij de werking van de guna's der schepping.

De Allerhoogste Heer zei: 'Prakriti en purusha [de natuur en de genieter] onderhevig aan deze transformatie gebaseerd op het vermengen van de guna's van de schepping, zijn aldus verschillend, o beste van alle personen. (Vedabase)

 

 Tekst 30

Beste Uddhava, Mijn begoochelende energie bestaande uit de drie geaardheden is verantwoordelijk voor een veelvoud aan manifestaties zowel als voor een verscheidenheid aan vormen van waarneming. Deze veranderlijkheid op basis van de guna's kent drie aspecten: het ene heet adhyâtma, dan is er adhidaiva en het andere heet adhibhûta [zie ook kles'a's en 1.17: 19].

Mijn beste, de begoochelende energie bestaande uit de geaardheden vestigt de veelvoud van de manifestaties en de waarnemingen van deze verschillen die, onderhevig aan verandering, drie aspecten kennen: die van adhyâtma - de ene, van adhidaiva [- de natuur] en van adhibhûta, de ander [zie ook kles'a's en 1.17: 19]. (Vedabase)

 

 Tekst 31

Zoals er de op zichzelf bestaande Superziel is die de eigenlijke oorzaak vormt van zowel de subjectieve ervaring [adhyâtma], de natuur die de bron van de waarneming is [adhidaiva], als het waar te nemen fenomeen [adhibhûta], is er ook de zon, die onafhankelijk aan de hemel staat en zorgt voor het gezichtsvermogen [adhyâtma], de uiterlijkheid van de natuur [adhidaiva] en het specifieke, gereflecteerde beeld [adhibhûta] die samen bijdragen tot dat wat er te zien is door de opening van het oog.

Zoals het aanzien [de ene], de vorm [natuur] en het gereflecteerde beeld [de ander] van de zon, op zichzelf staand in de hemel, in dezen samenwerken voor de opening van het oog om zich te kunnen manifesteren, is de Superziel, die van deze [drie] afzonderlijk aanwezig is als de bovenzinnelijke ervaring [de Ene], de oorzaak [de Natuur], en het waar te nemen fenomeen [de Ander], er als de perfectie van de realisatie. (Vedabase)

 

 Tekst 32

En dat [drievoudige] geldt behalve voor de ogen ook voor de tastzin en wat men daarmee ervaart, het gehoor en zo, de tong en waar die mee bezig is, de neus met wat er te ruiken valt en het bewustzijn en dat wat erbij hoort.

Zo is het ook met het [orgaan, het voorwerp en de functie van de] tastzin en dergelijken, het horen en dergelijken, de tong en dergelijken, de neus en dergelijken en met dat wat behoort tot het bewustzijn [de ziener]. (Vedabase)

 

 Tekst 33

De veranderingen, die het gevolg zijn van deze onrust van de geaardheden die zijn oorsprong heeft in de primaire natuur [pradhâna], is er de oorzaak van dat er verbijstering is en er van alles aan de hand is met het door de grotere werkelijkheid opgewekte drievoudige, valse ego dat, onderhevig aan verandering, in onwetendheid de zaken naar zijn hand wil zetten [mahat-tattva, zie ook ***].

De transformatie bewerkstelligd door deze onrust van de geaardheden welke zijn wortel vond in de primaire natuur [pradhâna] is de oorzaak van de verbijstering en verscheidenheid van het valse ego - onderhevig aan verandering in onwetendheid de zaken naar zijn hand zettend - dat in de drie aspecten [als vermeld] werd opgewekt door de grotere werkelijkheid [van het mahat-tattva, zie ook ***]. (Vedabase)

 

 Tekst 34

Als het ontbreekt aan de volle kennis van de Superziel raakt men, in zijn ijver dingen te bespreken, verwikkeld in zinloze speculaties over het feit of er nu wel of niet een verschil bestaat [tussen purusha en prakriti], met uitspraken als 'dit is werkelijk en dat niet', en die speculaties duren voort zolang iemand zijn aandacht van Mij heeft afgewend, Ik die [kwalitatief] gelijk ben aan hemzelf.'

De volle kennis van de Superziel ontberend is inderdaad de speculatie van te zeggen 'het is er' en te zeggen 'het is er niet' [aangaande het verschil tussen prakriti en purusha], gebrand als men is op het bespreken van het verschil, een zinloze - alhoewel die welzeker aanhoudt met mensen die hun aandacht hebben afgewend van Mij die [kwalitatief] gelijk is aan henzelf.' (Vedabase)

 

 Tekst 35-36

S'rî Uddhava zei: 'Op welke manier nemen zij wiens geesten als gevolg van de baatzuchtige handelingen die ze verrichten zijn afgeleid van Jou, o Meester, hogere en lagere materiële lichamen aan en laten ze die weer los? AlsJeblieft Govinda leg me dat uit wat door hen die niet zo spiritueel zijn niet wordt begrepen omdat ze, hoofdzakelijk op de hoogte van materiële kennis, in staat van illusie verkeren.'

S'rî Uddhava zei: 'Op welke manier nemen zij wiens geesten door de vruchtdragende handelingen die ze verrichtten zijn afgeleid van Jou, o Meester, hogere en lagere materiële lichamen aan en laten ze die weer los? AlsJeblieft Govinda leg me dat uit wat door hen die niet zo spiritueel zijn niet wordt begrepen aangezien ze, merendeels van kennis over de materiële wereld, onder de dominantie ervan gebukt gaan.' (Vedabase)

  

 Tekst 37

De Allerhoogste Heer zei: 'De geest van de mens die wordt bepaald door zijn baatzuchtig handelen is, van de ene wereld naar de volgende, gebonden aan de vijf zintuigen. De ziel, die los daarvan bestaat, volgt die geest [zie ook linga, vâsanâ en B.G. 2: 22].

De Allerhoogste Heer zei: 'De geest van mensen verenigd met hun vijf zintuigen wordt gevormd door het karma; dat de geestelijke ziel volgt welke, daarvan gescheiden, van de ene wereld naar de andere reist [zie ook linga, vâsanâ en B.G. 2: 22]. (Vedabase)

 

 Tekst 38

De geest die trouw mediteert op wat hij hoort [van de tradities] of ziet van de zinsobjecten, ontwikkelt zich door zijn gebondenheid aan het karma en lost weer op [met het verdwijnen van de zinsobjecten]. Als gevolg daarvan gaat de herinnering verloren [aan voorgaande levens].

De geest die trouw op de waargenomen zinsobjecten of dat wat in navolging werd gehoord [als de vedische autoriteit] mediteert, verheft zich en lost weer op afhankelijk van het karma, waarna de herinnering verloren gaat. (Vedabase)

 

  Tekst 39

Deze complete vergeetachtigheid van het zich niet herinneren van een voorgaand zelf dat om een of andere reden in beslag werd genomen door de voorwerpen van de zintuigen, is wat men de dood noemt.

Opgegaan in de voorwerpen van de waarneming herinnert hij [in een ander lichaam] zich niet langer zijn voorgaande zelf; de volledige vergeetachtigheid wat betreft deze of gene oorzaak staat inderdaad bekend als zijnde de dood. (Vedabase)

 

 Tekst 40

O man van liefdadigheid, wat men een geboorte noemt is de volledige identifcatie van een persoon met het lichaam dat hij aannam, zoals men dat doet in een droom of als men fantaseert.

Wat men geboorte noemt, o grote gever, is, net als in een droom of in een fantasie, de identificatie van een persoon in alle opzichten. (Vedabase)

 

 Tekst 41

 En net zoals men in een droom of een fantasie zich niet een voorgaande droom of fantasie herinnert, denkt men ook dat men geen voorgaand bestaan zou hebben [*4 en B.G. 4: 5].

En op deze manier ziet hij, zoals in een droom of een fantasie zich niet het voorgaande herinnerend, daarin zichzelf alsof hij geen verleden zou hebben [*4 en B.G. 4: 5]. (Vedabase)

 

 Tekst 42

Omdat men een nieuw grofstoffelijk lichaam krijgt en een geest die daarbij hoort, dringt zich in de ziel de waarheid op van de drievoudige werkelijkheid met als gevolg een innerlijk besef dat verschilt van het uiterlijke, alsof men kinderen kreeg met een slechte inborst.

Vanwege het vergroven berustend bij de zinnen doet zich in deze ene objectieve werkelijkheid deze drievoudige werkelijkheid voor [in de kwaliteiten van een hogere, lagere geboorte of een er tussenin] welke, zoals een persoon de verwekker van slecht nageslacht kan zijn, het verschil van de innerlijke en uiterlijke werkelijkheid tot gevolg heeft. (Vedabase)

 

 Tekst 43

Want geschapen lichamen, Mijn beste, vinden en verliezen hun bestaan door de kracht van de tijd die onzichtbaar zijn werk doet, die men in zijn subtiliteit niet kan waarnemen.

Want geschapen lichamen, mijn beste, vinden en verliezen hun bestaan met de stuwkracht van de tijd die men niet opgemerkt, die men in zijn subtiliteit niet kan zien. (Vedabase)

 

 Tekst 44

De levensduur, de omstandigheden en zomeer van alle geschapen wezens worden erdoor bepaald, zoals ook de vlam van een kaars, de stroom van een rivier of de vrucht van een boom erdoor bepaald worden.

Als van de vlammen van een kaars en de stromen van een rivier of de vruchten van een boom zijn net zo van alle materiële lichamen de situaties en dergelijke van de verschillende stadia geschapen. (Vedabase)

 

 Tekst 45

Net zo goed als men het verkeerd heeft als men zegt 'dit licht staat gelijk aan de lamp' en 'deze stroom water staat gelijk aan de rivier', is het ook fout om te zeggen 'dit lichaam staat gelijk aan de persoon', het is een manier van redeneren van mensen die hun leven vergooien [zie ook 6.16: 58, 7.6: 1-2]!

'Dit is dezelfde fysieke persoon' is evenzo goed een onjuiste uitdrukking als 'dit licht dat van de lamp afstraalt is hetzelfde' of 'dat water stromend in de rivier is hetzelfde'; dit is het denken van mensen die hun leven vergooien [zie ook 6.16: 58, 7.6: 1-2]! (Vedabase)

 

 Tekst 46

Een persoon overlijdt niet, noch spruit hij voort uit het zaad van zijn handelen, hij is onsterfelijk. Het is door illusie dat men als vuur in hout is verenigd [met zijn materiële bestaan. Zie B.G. 2: 24].

Zoals met het vuur opgesloten in hout neemt hij uit het zaad van zijn handelingen niet zijn geboorte noch komt deze persoon te overlijden; hij heeft het bij het verkeerde eind. (Vedabase)

 

 Tekst 47

Bevruchting, ontwikkeling in de baarmoeder, geboorte, kleutertijd, kindertijd, jeugd, middelbare leeftijd, ouderdom en dood vormen de negen staten van het lichaam die men aldus heeft.

Bevruchting, ontwikkeling in de baarmoeder, geboorte, kleutertijd, kindertijd, jeugd, middelbare leeftijd, ouderdom en dood vormen zo de negen staten van het lichaam. (Vedabase)

 

 Tekst 48

Deze meer en minder verheven toestanden van het lichaam dat men te danken heeft aan zijn eigen motieven, worden vanwege zijn gebondenheid aan de geaardheden door de ene ziel aanvaard als het eigene, terwijl de andere ziel er [met de nodige inspanning in de yoga] afstand van neemt [bij de genade Gods].

Van het omgaan met de geaardheden neemt iemand somtijds aan en legt hij weer af deze voorzeker grootse en ook mindere lichamelijke toestanden bereikt door zijn mentale strevingen. (Vedabase)

 

 Tekst 49

Men kan zijn eigen geboorte afleiden uit de geboorte van zijn zoon en men kan zijn eigen dood achterhalen aan de hand van de dood van zijn vader [of zijn voorouders], [maar] hij die zichzelf herinnert met al de zaken van geboorte en dood is nimmer onderhevig aan dat wat wordt geregeerd door deze dualiteit.

Men kan zijn eigen geboorte en dood afleiden uit de geboorte van zijn eigen zoon en dood van zijn eigen vader; van zelf-herinnering zijnde is men niet langer van dat alles wat, onderhevig aan ontwikkeling en vernietiging, wordt gekenmerkt door deze dualiteiten. (Vedabase)

 

 Tekst 50

Zoals hij die, bekend met de boom zijn zaad en zijn wasdom, de getuige is die losstaat van de geboorte en dood van die boom, is men analoog daaraan de getuige die losstaat van [de geboorte en dood van] het fysieke lichaam.

Hij die in kennis van een boom zijn zaad en zijn wasdom de getuige is losstaand van de geboorte en dood van die boom, is op dezelfde manier de getuige die los staat van de [geboorte en dood van] het fysieke lichaam. (Vedabase)

 

 Tekst 51

De onintelligente persoon die er niet in slaagt op deze manier de persoon van de materiële natuur te onderscheiden, beland, geheel verbijsterd materiële vormen voor het ware houdend, in de materiële oceaan [zie ook B.G. 9: 21-22 en 1.7: 5].

De onintelligente persoon die er niet in slaagt op deze manier de persoon van de materiële natuur te onderscheiden, keert, door dat kontakt met de werkelijkheid volledig verbijsterd, terug naar de materiële oceaan [zie ook B.G. 9: 21-22 en 1.7: 5]. (Vedabase)

 

 Tekst 52

Ronddolend op basis van zijn karma gaat hij dan, als hij de geaardheid goedheid volgt, naar de wijzen en de goden; volgt hij de leidraad van de hartstocht dan begeeft hij zich onder de mensen of raakt hij in de greep van de duisternis, en richt hij zich naar de onwetendheid dan beland hij tussen de geesten en de spoken of bereikt hij het dierenrijk [zie ook B.G. 6: 41-42, 9: 25; 17: 4].

In samenhang met de geaardheid goedheid gaat hij naar gelang zijn karma naar de wijzen en de goden, met de geaardheid hartstocht gaat hij naar de mensen en de onverlichte zielen [of demonisch bezetenen] en met de geaardheid der duisternis gaat hij naar de geesten en het dierenrijk [zie ook B.G. 6.41-42, 9.25; 17: 4]. (Vedabase)

 

Tekst 53

Zoals men geneigd is mee te doen als men personen ziet dansen en zingen, raakt men, ook al is men een stille getuige die op zich niets doet, als men geplaatst wordt voor de kwaliteiten van de materie op dezelfde manier in de ban van het materiële denken [zie ook 11.21: 19-21].

Precies zoals met het gadeslaan van dansende en zingende personen men er toe komt ze na te doen, wordt op dezelfde manier de afgewende [de ziel], in zijn intelligentie geplaatst voor de kwaliteiten der geaardheden, er niettemin toe aangezet ze te volgen [zie ook 11.21: 19-21]. (Vedabase)

 

Tekst 54-55

Zoals bomen lijken te bewegen met water dat beweegt en de wereld lijkt rond te draaien met ogen die worden rondgedraaid, zijn ook de mentale indrukken die men heeft van zinsobjecten niet werkelijk. Net zoals de dingen die men in een droom ziet drogbeelden zijn, is ook de ziel zijn voorstelling van een materieel leven waarin hij zijn zinsbevrediging ervaart een drogbeeld.

Zoals bomen bewegen met het water dat ook beweegt en de aarde lijkt rond te draaien met ogen die rond draaien, is de ervaring van de mentale indrukken van de zinsobjecten niet werkelijk aangezien zij drogbeelden zijn als de dingen die men ziet in een droom, zoals het ook het geval is met het materiële leven van de ziel [d.w.z. het verkeerde leven dat moet worden gemeden door de wijzen]. (Vedabase)

 

Tekst 56

Voor iemand die mediteert op de zinsobjecten houdt het materiële leven niet op, ookal is het een illusoire aangelegenheid, net zoals de nare dingen die men in een droom ervaart [zich steeds weer herhalen kunnen *5].

Voor degene die mediteert op de zinsobjecten houdt het materiële bestaan, ookal is het afwezig [ofwel dat men als een ziel niet de materie is], niet op, precies zoals de onaangename dingen niet ophouden die in een droom naar voren treden[*5]. (Vedabase)

 

Tekst 57

Daarom Uddhava, schep geen behagen in de zinsobjecten die een spelletje spelen met de zintuigen, bedenk hoe op basis van de illusie van de materiële dualiteit men faalt in de realisatie van de ziel.

Daarom Uddhava, schep geen behagen in de zinsobjecten die onwaar zijn met de zintuigen, zie hoe gebaseerd op de illusie van de materiële dualiteit men faalt in de realisatie van de ziel. (Vedabase)

 

Tekst 58-59

Als men beledigd, verwaarloosd, belachelijk gemaakt of benijd wordt door slechte mensen, of als anderszins de middelen van bestaan ontzegd worden, men bestraft wordt of opgesloten, of als men bij herhaling wordt bespuugt of ondergeplast door onwetende mensen, behoort iemand die het Allerhoogste voor ogen heeft en aldus geschokt in moeilijkheden verkeert, zichzelf te redden door zijn toevlucht te nemen tot zijn essentie [zie ook 5.5: 30].'

Als men beledigd, verwaarloosd, belachelijk gemaakt of benijd wordt door slechte mensen, of anderszins de middelen van bestaan ontzegd worden, men bestraft of vastbindt; of men bij herhaling wordt bespuwd of ondergeplast wordt door onwetende mensen, behoort hij die zich het Allerhoogste wenst aldus geschokt in moeilijkheden verkerend, zichzelf te redden door zijn toevlucht te nemen tot zijn essentie [zie ook 5.5: 30].' (Vedabase)

 

Tekst 60

S'rî Uddhava zei: 'Hoe hou ik dat in gedachten? AlsJeblieft, o Beste Aller Sprekers, zeg ons dat.

S'rî Uddhava zei: 'Hoe hou ik dat in gedachten, alsJeblieft, o Beste Aller Sprekers, zeg ons dat. (Vedabase)

 

Tekst 61

De aanvallen van andere mensen op mijzelf is wat ik het allermoeilijkst vindt. Behalve voor hen die gefixeerd in Jouw dharma in vrede verwijlen aan Jouw lotusvoeten, weegt zelfs voor de geschoolden, o Ziel van het Universum, zonder twijfel de materiële bepaaldheid het zwaarst.'

De aanvallen van andere mensen op mijzelf is wat ik het allermoeilijkst vindt; behalve voor hen dan die gefixeerd in Jouw dharma in vrede verwijlen aan Jouw lotusvoeten, is zelfs voor de geschoolden, o Ziel van het Universum, zonder twijfel de materiële conditionering het sterkst.' (Vedabase)

 

*: Twee voorbeelden: potten zijn gemaakt van aarde die er bestond als een voorgaand element of behoren tot het gruis dat er was als een latere substantie, of anders nam de tijd ze als een ander element allen tezamen door in ze door te dringen. Of de elementen van de natuur verschenen zich uitbreidend in de ruimte die aan hen vooraf ging en alle behoren ze tot de fysieke vorm die naderhand tot stand kwam, en de vitale adem ging ze allen binnen als een ander element.

**: De paramparâ voegt hier toe: 'S'rî Caitanya Mahâprabhu beschreef de eigenlijke situatie als acintya-bhedâbheda-tattva - de hoogste genieter en de beheerste levende wezens zijn gelijktijdig één en verschillend. In de materiële geaardheid goedheid wordt de eenheid waargenomen. Als men dan vordert, tot het stadium vis'uddha-sattva, of gezuiverde spirituele goedheid, vindt men geestelijke verscheidenheid in de kwalitatieve eenheid, waarmee men zijn kennis van de Absolute Waarheid vervolmaakt' [zie ook siddhânta].

***: Om de basistermen die in dit hoofdstuk worden gebruikt van elkaar te onderscheiden: Prakriti is de materiële natuur met haar levende wezens en guna's, pradhâna is de voorwereldlijke, ongedifferentieerde staat van de materie zonder de specifieke schepselen en guna's en de mahat-tattva vormt de totaliteit van de grotere werkelijkheid van dat alles, die ook wel bekend staat als het principe van het intellect of de kosmische intelligentie. De purusha is de oorspronkelijke persoon die de genieter is: de Heer en de levende wezens die kwalitatief gelijk aan elkaar zijn.

*4: Overeenkomstig de welbekende uitzondering die de regel bevestigt stelt S'rîla Vis'vanâtha Cakravartî Thhâkura hier dat met de mystieke macht van jâti-smara men zich zijn voorgaande geboorte kan herinneren. Patañjali in de Yoga Sutra III.18 zegt: 'Indrukken die, meegedragen in het zelf, naar de oppervlakte komen, geven inzicht in voorgaande levensstaten'.

*5: Het klassieke filosofische standpunt hier verdedigd is: 'Als men een lichaam heeft is men een ziel, als men een lichaam is is men een varken', waar het varken hier de gevallen ziel is die telkens weer terugkeert naar een materialistisch bestaan.

 

 
 

 

 

Voor deze vertaling werd de Vedabase van de BBT gebruikt die het werk van Svâmi Prabhupâda's
leerlingen biedt dat werd verricht voor het voltooien van zijn vertaling van het Bhâgavatam.

Zie de S'rîmad Bhâgavatam linkspagina
voor de Vedabase en/of een download van dit boek en andere boeken van Prabhupâda.
Het eerste schilderij is getiteld: 'Toegewijde" en het tweede: "Worsteling met de materie".
©
Wim Kuenen, gebruikt met toestemming.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd  


 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties