regelbalk

 

Gaurânga Karunâ Koro

 

 

 

Canto 11

 

Hoofdstuk 22

 

Prakriti en Purusha: de Natuur en de Genieter

(1-3) S'rî Uddhava zei: 'O Heer van het Universum, hoeveel basiselementen van de schepping zijn er opgesomd door de zieners? O Meester over negen, elf en vijf plus drie hoorde ik Je spreken [zie ook 11.19: 14]. Sommigen zeggen dat er zesentwintig zijn, anderen spreken van vijfentwintig of van zeven, sommigen hebben het over negen, sommigen over vier en anderen over elf, terwijl weer anderen spreken van zestien, zeventien of dertien. Je zou ons, o Eeuwige Allerhoogste, moeten uitleggen wat het is dat de wijzen in gedachten hebben die zich zo verschillend uitdrukken.'

(4) De Allerhoogste Heer zei: 'Met hen [de elementen] alomtegenwoordig spreken de brahmanen, die het met Mijn mâyâ opnemen, dienovereenkomstig zoals het hen het beste past; wat zou er per slot van rekening onmogelijk zijn voor hen als ze zich uitspreken? (5) 'Dit is niet zoals jij het zegt, wat ik zeg is dat het zo is': dit is wat mijn ondoorgrondelijke energieën doen met hen die logisch argumenteren [zie ook 6.4: 31]. (6) Van hen die in de omgang met elkaar argumenteren over het onderwerp zal, als men gelijkmoedigheid en zinsbeheersing heeft bereikt, het verschil in hun standpunt verdwijnen en bijgevolg de tweestrijd tot een einde komen. (7) Omdat de verschillende elementen elkaar wederzijds doordringen, o beste onder de mannen, wil de spreker dienovereenkomstig een beschrijving geven met het opsommen van hun oorzaken en resulterende effecten. (8) In ieder van dezen [deze beschrijvingen] ziet men dat andere elementen zich in een voorgaand element voordoen of anders in een later element zelfs, of dat een bepaald element in anderen is binnengegaan [*]. (9) Om die reden is het zo dat, hoezeer deze sprekers uit op berekeningen zich ook uitdrukken in termen van voorgaande of erop volgende elementen, We het aanvaarden daar het ontspruit aan de rede. (10) Het proces van zelfverwerkelijking neemt bij een persoon bevangen door onwetendheid zijn aanvang niet; het kan zich niet voordoen op basis van zijn eigen kracht, en dus moet er iemand zijn die bekend met de werkelijkheid de geestelijke kennis kan verlenen [vergelijk 11.21: 10]. (11) De dienovereenkomstige kennis is een kwaliteit van de materiële natuur [genaamd sattva]; er bestaat wat dit [deze kwaliteit] betreft niet de geringste ongelijkheid tussen de persoon en de Beheerser - de gedachte dat ze verschillend zouden zijn [als zodanig] is zinloos [zie B.G. 18: 20 en 9: 15 en **]. (12) De materiële natuur [prakriti] is wat de geaardheden samenbindt; deze geaardheden als de oorzaken van behouden, voortbrengen en eindigen, en overeenkomstig van de goedheid, hartstocht en onwetendheid zijnde, behoren tot de materiële wereld en niet tot de geestelijke ziel [zie ook B.G. 3: 27]. (13) In deze wereld is de geaardheid van de goedheid van kennis, de geaardheid hartstocht van vruchtdragende arbeid [karma] en de geaardheid duisternis van onwetendheid; de interactie van de geaardheden wordt de Tijd genoemd en wat er van nature is vormt de draad [de mahat-tattva is de sûtra, zie ook 11.12: 19 -21]. (14) De ziel die geniet [purusha], de materiële natuur [prakriti], het kenbare [mahat-tattva], de vereenzelviging met de vorm [ahankâra], de ether, de lucht, het vuur, het water en de aarde vormen aldus de negen elementen der schepping door Mij beschreven. (15) Horen, aanraken, zien, ruiken en proeven zijn de vijf [zintuigen] waarmee kennis wordt vergaard; het spraakorgaan, de handen, de geslachtsdelen, de anus en de benen staan voor hun werking, o mijn beste, en de geest is er voor beiden. (16) Geluiden, tactiele kwaliteiten, smaken, geuren en vormen [of kleuren] zijn de categorieën van de zinsobjecten [zie vishaya] en de spraak, het vervaardigen, het uitscheiden [via anus en genitaliën] en het voortbewegen zijn de functies die door hen gedekt worden. (17) In het begin van de schepping is de persoon van de genieter onbetrokken overgeleverd aan het getuige zijn van de materiële natuur van dit universum dat middels de geaardheden van sattva en de anderen de grofstoffelijke manifestaties en meer subtiele oorzaken belichaamt [2.10: 10]. (18) De elementen in de gehele manifeste werkelijkheid die transformatie ondergaan vormen, vermengd door de kracht van de natuur, het ei van het universum, met het door het overschouwen van de Heer bereikt hebben van hun vermogens [2.5: 35,3.20: 14-15, 3.26: 51-53, 3.32: 29, 5.26: 38, 11.6: 16]. (19) Erover sprekend als slechts zeven elementen hebbend: de vijf van de materiële elementen beginnend met de ether en de individuele kenner met de Opperziel, zijn er van de fundamentele basis van deze twee het lichaam, de zinnen en de levensadem [ofwel worden er al de materiële fenomenen voortgebracht]. (20) Hierin aldus ook uit zes bestaande: de vijf elementen met de Bovenzinnelijke Persoon als het zesde element samengev0egd met hen, werd deze schepping uit Hemzelf geschapen uitgezonden met Hem erin binnengaand. (21) In het geval van er zo vier te hebben doen zich het vuur, het water en de aarde voor uit het Zelf en kwam er door hen dan de geboorte van het zichtbare eindresultaat van deze cosmos tot stand. (22) Er zeventien tellend is er de overweging van de vijf grofstoffelijke elementen, de vijf zinsobjecten en de vijf zinnen samen met de ene geest en de ziel als de zeventiende. (23) Op dezelfde manier telt men er zestien met inderdaad de ziel aangewezen als de geest en er evenzo dertien met de grofstoffelijke elementen, de vijf zinnen, de geest en [het individuele en het superieure van] de ziel. (24) Naar het getal elf heeft men in dezen de ziel, de grofstoffelijke elementen en de zinnen; en negen heeft men er ook met de acht natuurlijke elementen [de grofstoffelijke, de geest, de intelligentie en het valse ego] als zeker ook de Genieter daarboven. (25) Op deze manier werden er verschillende opsommingen van de elementen bedacht door de wijzen. Ze worden allen logisch onderbouwd met rationele argumenten; aan welke schittering zou het ook ontbreken met de geschoolden?'

(26) S'rî Uddhava zei: 'Omdat zowel de natuur als de genieter, hoewel in de grond verschillend, elkaar wederzijds herbergen o Krishna, lijkt er geen verschil tussen hen te bestaan; de ziel ziet men in de materiële natuur als ook de natuur in de ziel [zie ook B.G. 18: 16]. (27) AlsJeblieft, o Lotusogige, als de Alwetende, de Eigenlijke Expert in het Weten en het Redeneren, maak met Je woorden een einde aan de grote twijfel in mijn hart. (28) De kennis hebben de levende wezens inderdaad van Jou en met het vermogen van Jou van buiten wordt ze weggestolen; Jij alleen kent de volmaaktheid van het illusieverwekkend vermogen van Jouwzelf en niemand anders [zie ook B.G. 15: 15].'

(29) De Allerhoogste Heer zei: 'Prakriti en purusha [de natuur en de genieter] onderhevig aan deze transformatie gebaseerd op het vermengen van de guna's van de schepping, zijn aldus verschillend, o beste van alle personen. (30) Mijn beste, de begoochelende energie bestaande uit de geaardheden vestigt de veelvoud van de manifestaties en de waarnemingen van deze verschillen die, onderhevig aan verandering, drie aspecten kennen: die van adhyâtma - de ene, van adhidaiva [- de natuur] en van adhibhûta, de ander [zie ook kles'a's en 1.17: 19]. (31) Zoals het aanzien [de ene], de vorm [natuur] en het gereflecteerde beeld [de ander] van de zon, op zichzelf staand in de hemel, in dezen samenwerken voor de opening van het oog om zich te kunnen manifesteren, is de Superziel, die van deze [drie] afzonderlijk aanwezig is als de bovenzinnelijke ervaring [de Ene], de oorzaak [de Natuur], en het waar te nemen fenomeen [de Ander], er als de perfectie van de realisatie. (32) Zo is het ook met het [orgaan, het voorwerp en de functie van de] tastzin en dergelijken, het horen en dergelijken, de tong en dergelijken, de neus en dergelijken en met dat wat behoort tot het bewustzijn [de ziener]. (33) De transformatie bewerkstelligd door deze onrust van de geaardheden welke zijn wortel vond in de primaire natuur [pradhâna] is de oorzaak van de verbijstering en verscheidenheid van het valse ego - onderhevig aan verandering in onwetendheid de zaken naar zijn hand zettend - dat in de drie aspecten [als vermeld] werd opgewekt door de grotere werkelijkheid [van het mahat-tattva, zie ook ***]. (34) De volle kennis van de Superziel ontberend is inderdaad de speculatie van te zeggen 'het is er' en te zeggen 'het is er niet' [aangaande het verschil tussen prakriti en purusha], gebrand als men is op het bespreken van het verschil, een zinloze - alhoewel die welzeker aanhoudt met mensen die hun aandacht hebben afgewend van Mij die [kwalitatief] gelijk is aan henzelf.'

(35-36) S'rî Uddhava zei: 'Op welke manier nemen zij wiens geesten door de vruchtdragende handelingen die ze verrichtten zijn afgeleid van Jou, o Meester, hogere en lagere materiële lichamen aan en laten ze die weer los? AlsJeblieft Govinda leg me dat uit wat door hen die niet zo spiritueel zijn niet wordt begrepen aangezien ze, merendeels van kennis over de materiële wereld, onder de dominantie ervan gebukt gaan.'

(37) De Allerhoogste Heer zei: 'De geest van mensen verenigd met hun vijf zintuigen wordt gevormd door het karma; dat de geestelijke ziel volgt welke, daarvan gescheiden, van de ene wereld naar de andere reist [zie ook linga, vâsanâ en B.G. 2: 22]. (38) De geest die trouw op de waargenomen zinsobjecten of dat wat in navolging werd gehoord [als de vedische autoriteit] mediteert, verheft zich en lost weer op afhankelijk van het karma, waarna de herinnering verloren gaat. (39) Opgegaan in de voorwerpen van de waarneming herinnert hij [in een ander lichaam] zich niet langer zijn voorgaande zelf; de volledige vergeetachtigheid wat betreft deze of gene oorzaak staat inderdaad bekend als zijnde de dood. (40) Wat men geboorte noemt, o grote gever, is, net als in een droom of in een fantasie, de identificatie van een persoon in alle opzichten. (41) En op deze manier ziet hij, zoals in een droom of een fantasie zich niet het voorgaande herinnerend, daarin zichzelf alsof hij geen verleden zou hebben [*4 en B.G. 4: 5]. (42) Vanwege het vergroven berustend bij de zinnen doet zich in deze ene objectieve werkelijkheid deze drievoudige werkelijkheid voor [in de kwaliteiten van een hogere, lagere geboorte of een er tussenin] welke, zoals een persoon de verwekker van slecht nageslacht kan zijn, het verschil van de innerlijke en uiterlijke werkelijkheid tot gevolg heeft. (43) Want geschapen lichamen, mijn beste, vinden en verliezen hun bestaan met de stuwkracht van de tijd die men niet opgemerkt, die men in zijn subtiliteit niet kan zien. (44) Als van de vlammen van een kaars en de stromen van een rivier of de vruchten van een boom zijn net zo van alle materiële lichamen de situaties en dergelijke van de verschillende stadia geschapen. (45) 'Dit is dezelfde fysieke persoon' is evenzo goed een onjuiste uitdrukking als 'dit licht dat van de lamp afstraalt is hetzelfde' of 'dat water stromend in de rivier is hetzelfde'; dit is het denken van mensen die hun leven vergooien [zie ook 6.16: 58, 7.6: 1-2]! (46) Zoals met het vuur opgesloten in hout neemt hij uit het zaad van zijn handelingen niet zijn geboorte noch komt deze persoon te overlijden; hij heeft het bij het verkeerde eind. (47) Bevruchting, ontwikkeling in de baarmoeder, geboorte, kleutertijd, kindertijd, jeugd, middelbare leeftijd, ouderdom en dood vormen zo de negen staten van het lichaam. (48) Van het omgaan met de geaardheden neemt iemand somtijds aan en legt hij weer af deze voorzeker grootse en ook mindere lichamelijke toestanden bereikt door zijn mentale strevingen. (49) Men kan zijn eigen geboorte en dood afleiden uit de geboorte van zijn eigen zoon en dood van zijn eigen vader; van zelf-herinnering zijnde is men niet langer van dat alles wat, onderhevig aan ontwikkeling en vernietiging, wordt gekenmerkt door deze dualiteiten. (50) Hij die in kennis van een boom zijn zaad en zijn wasdom de getuige is losstaand van de geboorte en dood van die boom, is op dezelfde manier de getuige die los staat van de [geboorte en dood van] het fysieke lichaam. (51) De onintelligente persoon die er niet in slaagt op deze manier de persoon van de materiële natuur te onderscheiden, keert, door dat kontakt met de werkelijkheid volledig verbijsterd, terug naar de materiële oceaan [zie ook B.G. 9: 21-22 en 1.7: 5]. (52) In samenhang met de geaardheid goedheid gaat hij naar gelang zijn karma naar de wijzen en de goden, met de geaardheid hartstocht gaat hij naar de mensen en de onverlichte zielen [of demonisch bezetenen] en met de geaardheid der duisternis gaat hij naar de geesten en het dierenrijk [zie ook B.G. 6.41-42, 9.25; 17: 4]. (53) Precies zoals met het gadeslaan van dansende en zingende personen men er toe komt ze na te doen, wordt op dezelfde manier de afgewende [de ziel], in zijn intelligentie geplaatst voor de kwaliteiten der geaardheden, er niettemin toe aangezet ze te volgen [zie ook 11.21: 19-21]. (54-55) Zoals bomen bewegen met het water dat ook beweegt en de aarde lijkt rond te draaien met ogen die rond draaien, is de ervaring van de mentale indrukken van de zinsobjecten niet werkelijk aangezien zij drogbeelden zijn als de dingen die men ziet in een droom, zoals het ook het geval is met het materiële leven van de ziel [d.w.z. het verkeerde leven dat moet worden gemeden door de wijzen]. (56) Voor degene die mediteert op de zinsobjecten houdt het materiële bestaan, ookal is het afwezig [ofwel dat men als een ziel niet de materie is], niet op, precies zoals de onaangename dingen niet ophouden die in een droom naar voren treden[*5]. (57) Daarom Uddhava, schep geen behagen in de zinsobjecten die onwaar zijn met de zintuigen, zie hoe gebaseerd op de illusie van de materiële dualiteit men faalt in de realisatie van de ziel. (58-59) Als men beledigd, verwaarloosd, belachelijk gemaakt of benijd wordt door slechte mensen, of anderszins de middelen van bestaan ontzegd worden, men bestraft of vastbindt; of men bij herhaling wordt bespuwd of ondergeplast wordt door onwetende mensen, behoort hij die zich het Allerhoogste wenst aldus geschokt in moeilijkheden verkerend, zichzelf te redden door zijn toevlucht te nemen tot zijn essentie [zie ook 5.5: 30].'

(60) S'rî Uddhava zei: 'Hoe hou ik dat in gedachten, alsJeblieft, o Beste Aller Sprekers, zeg ons dat. (61) De aanvallen van andere mensen op mijzelf is wat ik het allermoeilijkst vindt; behalve voor hen dan die gefixeerd in Jouw dharma in vrede verwijlen aan Jouw lotusvoeten, is zelfs voor de geschoolden, o Ziel van het Universum, zonder twijfel de materiële conditionering het sterkst.'

 

 next        

 
 

 

 

Bronteksten (geen voorgaande versie in het Nederlands beschikbaar):

Lord Krishna's Explanation of the Vedic Path

 

Tekst 1:

S'rî Uddhava zei: 'O Heer van het Universum, hoeveel basiselementen van de schepping zijn er opgesomd door de zieners? O Meester over negen, elf en vijf plus drie hoorde ik Je spreken [zie ook 11.19: 14]. Sommigen zeggen dat er zesentwintig zijn, anderen spreken van vijfentwintig of van zeven, sommigen hebben het over negen, sommigen over vier en anderen over elf, terwijl weer anderen spreken van zestien, zeventien of dertien. Je zou ons, o Eeuwige Allerhoogste, moeten uitleggen wat het is dat de wijzen in gedachten hebben die zich zo verschillend uitdrukken.'

Uddhava inquired: My dear Lord, O master of the universe, how many different elements of creation have been enumerated by the great sages? I have heard You personally describe a total of twenty-eight - God, the jîva soul, the mahat-tattva, false ego, the five gross elements, the ten senses, the mind, the five subtle objects of perception and the three modes of nature. But some authorities say that there are twenty-six elements, while others cite twenty-five or else seven, nine, six, four or eleven, and even others say that there are seventeen, sixteen or thirteen. What did each of these sages have in mind when he calculated the creative elements in such different ways? O supreme eternal, kindly explain this to me.

  

Tekst 4

De Allerhoogste Heer zei: 'Met hen [de elementen] alomtegenwoordig spreken de brahmanen, die het met Mijn mâyâ opnemen, dienovereenkomstig zoals het hen het beste past; wat zou er per slot van rekening onmogelijk zijn voor hen als ze zich uitspreken?

Lord Krishna replied - Because all material elements are present everywhere, it is reasonable that different learned brâhmanas have analyzed them in different ways. All such philosophers spoke under the shelter of My mystic potency, and thus they could say anything without contradicting the truth.

 

Tekst 5

'Dit is niet zoals jij het zegt, wat ik zeg is dat het zo is': dit is wat mijn ondoorgrondelijke energieën doen met hen die logisch argumenteren [zie ook 6.4: 31].

When philosophers argue, 'I don't choose to analyze this particular case in the same way that you have,' it is simply My own insurmountable energies that are motivating their analytic disagreements.

 

Tekst 6

Van hen die in de omgang met elkaar argumenteren over het onderwerp zal, als men gelijkmoedigheid en zinsbeheersing heeft bereikt, het verschil in hun standpunt verdwijnen en bijgevolg de tweestrijd tot een einde komen.

By interaction of My energies different opinions arise. But for those who have fixed their intelligence on Me and controlled their senses, differences of perception disappear, and consequently the very cause for argument is removed.

 

Tekst 7

Omdat de verschillende elementen elkaar wederzijds doordringen, o beste onder de mannen, wil de spreker dienovereenkomstig een beschrijving geven met het opsommen van hun oorzaken en resulterende effecten.

O best among men, because subtle and gross elements mutually enter into one another, philosophers may calculate the number of basic material elements in different ways, according to their personal desire.

 

 Tekst 8

In ieder van dezen [deze beschrijvingen] ziet men dat andere elementen zich in een voorgaand element voordoen of anders in een later element zelfs, of dat een bepaald element in anderen is binnengegaan [*].

All subtle material elements are actually present within their gross effects; similarly, all gross elements are present within their subtle causes, since material creation takes place by progressive manifestation of elements from subtle to gross. Thus we can find all material elements within any single element.

 

 Tekst 9

Om die reden is het zo dat, hoezeer deze sprekers uit op berekeningen zich ook uitdrukken in termen van voorgaande of erop volgende elementen, We het aanvaarden daar het ontspruit aan de rede.

Therefore, no matter which of these thinkers is speaking, and regardless of whether in their calculations they include material elements within their previous subtle causes or else within their subsequent manifest products, I accept their conclusions as authoritative, because a logical explanation can always be given for each of the different theories.

 

Tekst 10

Het proces van zelfverwerkelijking neemt bij een persoon bevangen door onwetendheid zijn aanvang niet; het kan zich niet voordoen op basis van zijn eigen kracht, en dus moet er iemand zijn die bekend met de werkelijkheid de geestelijke kennis kan verlenen [vergelijk 11.21: 10].

Because a person who has been covered by ignorance since time immemorial is not capable of effecting his own self-realization, there must be some other personality who is in factual knowledge of the Absolute Truth and can impart this knowledge to him.

 

Tekst 11

De dienovereenkomstige kennis is een kwaliteit van de materiële natuur [genaamd sattva]; er bestaat wat dit [deze kwaliteit] betreft niet de geringste ongelijkheid tussen de persoon en de Beheerser - de gedachte dat ze verschillend zouden zijn [als zodanig] is zinloos [zie B.G. 18: 20 en 9: 15 en **].

According to knowledge in the material mode of goodness, there is no qualitative difference between the living entity and the supreme controller. The imagination of qualitative difference between them is useless speculation.

 

Tekst 12

De materiële natuur [prakriti] is wat de geaardheden samenbindt; deze geaardheden als de oorzaken van behouden, voortbrengen en eindigen, en overeenkomstig van de goedheid, hartstocht en onwetendheid zijnde, behoren tot de materiële wereld en niet tot de geestelijke ziel [zie ook B.G. 3: 27].

Nature exists originally as the equilibrium of the three material modes, which pertain only to nature, not to the transcendental spirit soul. These modes - goodness, passion and ignorance - are the effective causes of the creation, maintenance and destruction of this universe.

 

 Tekst 13

In deze wereld is de geaardheid van de goedheid van kennis, de geaardheid hartstocht van vruchtdragende arbeid [karma] en de geaardheid duisternis van onwetendheid; de interactie van de geaardheden wordt de Tijd genoemd en wat er van nature is vormt de draad [de mahat-tattva is de sûtra, zie ook 11.12: 19 -21].

In this world the mode of goodness is recognized as knowledge, the mode of passion as fruitive work, and the mode of darkness as ignorance. Time is perceived as the agitated interaction of the material modes, and the totality of functional propensity is embodied by the primeval sûtra, or mahat-tattva.

 

Tekst 14

De ziel die geniet [purusha], de materiële natuur [prakriti], het kenbare [mahat-tattva], de vereenzelviging met de vorm [ahankâra], de ether, de lucht, het vuur, het water en de aarde vormen aldus de negen elementen der schepping door Mij beschreven.

I have described the nine basic elements as the enjoying soul, nature, nature's primeval manifestation of the mahat-tattva, false ego, ether, air, fire, water and earth.

 

Tekst 15

Horen, aanraken, zien, ruiken en proeven zijn de vijf [zintuigen] waarmee kennis wordt vergaard; het spraakorgaan, de handen, de geslachtsdelen, de anus en de benen staan voor hun werking, o mijn beste, en de geest is er voor beiden.

Hearing, touch, sight, smell and taste are the five knowledge acquiring senses, My dear Uddhava, and speech, the hands, the genitals, the anus and the legs constitute the five working senses. The mind belongs to both these categories.

  

Tekst 16

Geluiden, tactiele kwaliteiten, smaken, geuren en vormen [of kleuren] zijn de categorieën van de zinsobjecten [zie vishaya] en de spraak, het vervaardigen, het uitscheiden [via anus en genitaliën] en het voortbewegen zijn de functies die door hen gedekt worden.

Sound, touch, taste, smell and form are the objects of the knowledge-acquiring senses, and movement, speech, excretion and manufacture are functions of the working senses.

 

Tekst 17

In het begin van de schepping is de persoon van de genieter onbetrokken overgeleverd aan het getuige zijn van de materiële natuur van dit universum dat middels de geaardheden van sattva en de anderen de grofstoffelijke manifestaties en meer subtiele oorzaken belichaamt [2.10: 10].

In the beginning of creation nature assumes, by the modes of goodness, passion and ignorance, its form as the embodiment of all subtle causes and gross manifestations within the universe. The Supreme Personality of Godhead does not enter the interaction of material manifestation but merely glances upon nature.

 

Tekst 18

De elementen in de gehele manifeste werkelijkheid die transformatie ondergaan vormen, vermengd door de kracht van de natuur, het ei van het universum, met het door het overschouwen van de Heer bereikt hebben van hun vermogens [2.5: 35,3.20: 14-15, 3.26: 51-53, 3.32: 29, 5.26: 38, 11.6: 16].

As the material elements, headed by the mahat-tattva, are transformed, they receive their specific potencies from the glance of the Supreme Lord, and being amalgamated by the power of nature, they create the universal egg.

 

Tekst 19

Erover sprekend als slechts zeven elementen hebbend: de vijf van de materiële elementen beginnend met de ether en de individuele kenner met de Opperziel, zijn er van de fundamentele basis van deze twee het lichaam, de zinnen en de levensadem [ofwel worden er al de materiële fenomenen voortgebracht].

According to some philosophers there are seven elements, namely earth, water, fire, air and ether, along with the conscious spirit soul and the Supreme Soul, who is the basis of both the material elements and the ordinary spirit soul. According to this theory, the body, senses, life air and all material phenomena are produced from these seven elements.

 

Tekst 20

Hierin aldus ook uit zes bestaande: de vijf elementen met de Bovenzinnelijke Persoon als het zesde element samengev0egd met hen, werd deze schepping uit Hemzelf geschapen uitgezonden met Hem erin binnengaand.

Other philosophers state that there are six elements - the five physical elements (earth, water, fire, air and ether) and the sixth element, the Supreme Personality of Godhead. That Supreme Lord, endowed with the elements that He has brought forth from Himself, creates this universe and then personally enters within it.

  

 Tekst 21

In het geval van er zo vier te hebben doen zich het vuur, het water en de aarde voor uit het Zelf en kwam er door hen dan de geboorte van het zichtbare eindresultaat van deze cosmos tot stand.

Some philosophers propose the existence of four basic elements, of which three - fire, water and earth - emanate from the fourth, the Self. Once existing, these elements produce the cosmic manifestation, in which all material creation takes place.

 

 Tekst 22

Er zeventien tellend is er de overweging van de vijf grofstoffelijke elementen, de vijf zinsobjecten en de vijf zinnen samen met de ene geest en de ziel als de zeventiende.

Some calculate the existence of seventeen basic elements, namely the five gross elements, the five objects of perception, the five sensory organs, the mind, and the soul as the seventeenth element.

 

 Tekst 23

Op dezelfde manier telt men er zestien met inderdaad de ziel aangewezen als de geest en er evenzo dertien met de grofstoffelijke elementen, de vijf zinnen, de geest en [het individuele en het superieure van] de ziel.

According to the calculation of sixteen elements, the only difference from the previous theory is that the soul is identified with the mind. If we think in terms of five physical elements, five senses, the mind, the individual soul and the Supreme Lord, there are thirteen elements.

 

 Tekst 24

Naar het getal elf heeft men in dezen de ziel, de grofstoffelijke elementen en de zinnen; en negen heeft men er ook met de acht natuurlijke elementen [de grofstoffelijke, de geest, de intelligentie en het valse ego] als zeker ook de Genieter daarboven.

Counting eleven, there are the soul, the gross elements and the senses. Eight gross and subtle elements plus the Supreme Lord would make nine.

 

 Tekst 25

Op deze manier werden er verschillende opsommingen van de elementen bedacht door de wijzen. Ze worden allen logisch onderbouwd met rationele argumenten; aan welke schittering zou het ook ontbreken met de geschoolden?'

Thus great philosophers have analyzed the material elements in many different ways. All of their proposals are reasonable, since they are all presented with ample logic. Indeed, such philosophical brilliance is expected of the truly learned.

 

 Tekst 26

S'rî Uddhava zei: 'Omdat zowel de natuur als de genieter, hoewel in de grond verschillend, elkaar wederzijds herbergen o Krishna, lijkt er geen verschil tussen hen te bestaan; de ziel ziet men in de materiële natuur als ook de natuur in de ziel [zie ook B.G. 18: 16].

S'rî Uddhava inquired - Although nature and the living entity are constitutionally distinct, O Lord Krishna, there appears to be no difference between them, because they are found residing within one another. Thus the soul appears to be within nature and nature within the soul.

 

 Tekst 27

AlsJeblieft, o Lotusogige, als de Alwetende, de Eigenlijke Expert in het Weten en het Redeneren, maak met Je woorden een einde aan de grote twijfel in mijn hart.

O lotus-eyed Krishna, O omniscient Lord, kindly cut this great doubt out of my heart with Your own words, which exhibit Your great skill in reasoning.

 

Tekst 28

De kennis hebben de levende wezens inderdaad van Jou en met het vermogen van Jou van buiten wordt ze weggestolen; Jij alleen kent de volmaaktheid van het illusieverwekkend vermogen van Jouwzelf en niemand anders [zie ook B.G. 15: 15].'

From You alone the knowledge of the living beings arises, and by Your potency that knowledge is stolen away. Indeed, no one but Yourself can understand the real nature of Your illusory potency.

 

 Tekst 29

De Allerhoogste Heer zei: 'Prakriti en purusha [de natuur en de genieter] onderhevig aan deze transformatie gebaseerd op het vermengen van de guna's van de schepping, zijn aldus verschillend, o beste van alle personen.

The Supreme Personality of Godhead said - O best among men, material nature and its enjoyer are clearly distinct. This manifest creation undergoes constant transformation, being founded upon the agitation of the modes of nature.

 

 Tekst 30

Mijn beste, de begoochelende energie bestaande uit de geaardheden vestigt de veelvoud van de manifestaties en de waarnemingen van deze verschillen die, onderhevig aan verandering, drie aspecten kennen: die van adhyâtma - de ene, van adhidaiva [- de natuur] en van adhibhûta, de ander [zie ook kles'a's en 1.17: 19].

My dear Uddhava, My material energy, comprising three modes and acting through them, manifests the varieties of creation along with varieties of consciousness for perceiving them. The manifest result of material transformation is understood in three aspects - adhyâtmic, adhidaivic and adhibhautic.

 

 Tekst 31

Zoals het aanzien [de ene], de vorm [natuur] en het gereflecteerde beeld [de ander] van de zon, op zichzelf staand in de hemel, in dezen samenwerken voor de opening van het oog om zich te kunnen manifesteren, is de Superziel, die van deze [drie] afzonderlijk aanwezig is als de bovenzinnelijke ervaring [de Ene], de oorzaak [de Natuur], en het waar te nemen fenomeen [de Ander], er als de perfectie van de realisatie.

Sight, visible form and the reflected image of the sun within the aperture of the eye all work together to reveal one another. But the original sun standing in the sky is self-manifested. Similarly, the Supreme Soul, the original cause of all entities, who is thus separate from all of them, acts by the illumination of His own transcendental experience as the ultimate source of manifestation of all mutually manifesting objects.

 

 Tekst 32

Zo is het ook met het [orgaan, het voorwerp en de functie van de] tastzin en dergelijken, het horen en dergelijken, de tong en dergelijken, de neus en dergelijken en met dat wat behoort tot het bewustzijn [de ziener].

Similarly, the sense organs, namely the skin, ears, eyes, tongue and nose - as well as the functions of the subtle body, namely conditioned consciousness, mind, intelligence and false ego - can all be analyzed in terms of the threefold distinction of sense, object of perception and presiding deity.

 

 Tekst 33

De transformatie bewerkstelligd door deze onrust van de geaardheden welke zijn wortel vond in de primaire natuur [pradhâna] is de oorzaak van de verbijstering en verscheidenheid van het valse ego - onderhevig aan verandering in onwetendheid de zaken naar zijn hand zettend - dat in de drie aspecten [als vermeld] werd opgewekt door de grotere werkelijkheid [van het mahat-tattva, zie ook ***].

When the three modes of nature are agitated, the resultant transformation appears as the element false ego in three phases - goodness, passion and ignorance. Generated from the mahat-tattva, which is itself produced from the unmanifest pradhâna, this false ego becomes the cause of all material illusion and duality.

 

 Tekst 34

De volle kennis van de Superziel ontberend is inderdaad de speculatie van te zeggen 'het is er' en te zeggen 'het is er niet' [aangaande het verschil tussen prakriti en purusha], gebrand als men is op het bespreken van het verschil, een zinloze - alhoewel die welzeker aanhoudt met mensen die hun aandacht hebben afgewend van Mij die [kwalitatief] gelijk is aan henzelf.'

The speculative argument of philosophers - 'This world is real', 'No, it is not real' - is based upon incomplete knowledge of the Supreme Soul and is simply aimed at understanding material dualities. Although such argument is useless, persons who have turned their attention away from Me, their own true Self, are unable to give it up.

 

 Tekst 35-36

S'rî Uddhava zei: 'Op welke manier nemen zij wiens geesten door de vruchtdragende handelingen die ze verrichtten zijn afgeleid van Jou, o Meester, hogere en lagere materiële lichamen aan en laten ze die weer los? AlsJeblieft Govinda leg me dat uit wat door hen die niet zo spiritueel zijn niet wordt begrepen aangezien ze, merendeels van kennis over de materiële wereld, onder de dominantie ervan gebukt gaan.'

S'rî Uddhava said - O supreme master, the intelligence of those dedicated to fruitive activities is certainly deviated from You. Please explain to me how such persons accept superior and inferior bodies by their materialistic activities and then give up such bodies. O Govinda, this topic is very difficult for foolish persons to understand. Being cheated by illusion in this world, they generally do not become aware of these facts.

  

 Tekst 37

De Allerhoogste Heer zei: 'De geest van mensen verenigd met hun vijf zintuigen wordt gevormd door het karma; dat de geestelijke ziel volgt welke, daarvan gescheiden, van de ene wereld naar de andere reist [zie ook linga, vâsanâ en B.G. 2: 22].

Lord Krishna said: The material mind of men is shaped by the reactions of fruitive work. Along with the five senses, it travels from one material body to another. The spirit soul, although different from this mind, follows it.

 

 Tekst 38

De geest die trouw op de waargenomen zinsobjecten of dat wat in navolging werd gehoord [als de vedische autoriteit] mediteert, verheft zich en lost weer op afhankelijk van het karma, waarna de herinnering verloren gaat.

The mind, bound to the reactions of fruitive work, always meditates on the objects of the senses, both those that are seen in this world and those that are heard about from Vedic authority. Consequently, the mind appears to come into being and to suffer annihilation along with its objects of perception, and thus its ability to distinguish past and future is lost.

 

  Tekst 39

Opgegaan in de voorwerpen van de waarneming herinnert hij [in een ander lichaam] zich niet langer zijn voorgaande zelf; de volledige vergeetachtigheid wat betreft deze of gene oorzaak staat inderdaad bekend als zijnde de dood.

When the living entity passes from the present body to the next body, which is created by his own karma, he becomes absorbed in the pleasurable and painful sensations of the new body and completely forgets the experience of the previous body. This total forgetfulness of one's previous material identity, which comes about for one reason or another, is called death.

 

 Tekst 40

Wat men geboorte noemt, o grote gever, is, net als in een droom of in een fantasie, de identificatie van een persoon in alle opzichten.

O most charitable Uddhava, what is called birth is simply a person's total identification with a new body. One accepts the new body just as one completely accepts the experience of a dream or a fantasy as reality.

 

 Tekst 41

En op deze manier ziet hij, zoals in een droom of een fantasie zich niet het voorgaande herinnerend, daarin zichzelf alsof hij geen verleden zou hebben [*4 en B.G. 4: 5].

Just as a person experiencing a dream or daydream does not remember his previous dreams or daydreams, a person situated in his present body, although having existed prior to it, thinks that he has only recently come into being.

 

 Tekst 42

Vanwege het vergroven berustend bij de zinnen doet zich in deze ene objectieve werkelijkheid deze drievoudige werkelijkheid voor [in de kwaliteiten van een hogere, lagere geboorte of een er tussenin] welke, zoals een persoon de verwekker van slecht nageslacht kan zijn, het verschil van de innerlijke en uiterlijke werkelijkheid tot gevolg heeft.

Because the mind, which is the resting place of the senses, has created the identification with a new body, the threefold material variety of high, middle and low class appears as if present within the reality of the soul. Thus the self creates external and internal duality, just as a man might give birth to a bad son.

 

 Tekst 43

Want geschapen lichamen, mijn beste, vinden en verliezen hun bestaan met de stuwkracht van de tijd die men niet opgemerkt, die men in zijn subtiliteit niet kan zien.

My dear Uddhava, material bodies are constantly undergoing creation and destruction by the force of time, whose swiftness is imperceptible. But because of the subtle nature of time, no one sees this.

 

 Tekst 44

Als van de vlammen van een kaars en de stromen van een rivier of de vruchten van een boom zijn net zo van alle materiële lichamen de situaties en dergelijke van de verschillende stadia geschapen.

The different stages of transformation of all material bodies occur just like those of the flame of a candle, the current of a river, or the fruits of a tree.

 

 Tekst 45

'Dit is dezelfde fysieke persoon' is evenzo goed een onjuiste uitdrukking als 'dit licht dat van de lamp afstraalt is hetzelfde' of 'dat water stromend in de rivier is hetzelfde'; dit is het denken van mensen die hun leven vergooien [zie ook 6.16: 58, 7.6: 1-2]!

Although the illumination of a lamp consists of innumerable rays of light undergoing constant creation, transformation and destruction, a person with illusory intelligence who sees the light for a moment will speak falsely, saying, 'This is the light of the lamp.' As one observes a flowing river, ever-new water passes by and goes far away, yet a foolish person, observing one point in the river, falsely states, 'This is the water of the river.' Similarly, although the material body of a human being is constantly undergoing transformation, those who are simply wasting their lives falsely think and say that each particular stage of the body is the person's real identity

 

 Tekst 46

Zoals met het vuur opgesloten in hout neemt hij uit het zaad van zijn handelingen niet zijn geboorte noch komt deze persoon te overlijden; hij heeft het bij het verkeerde eind.

A person does not actually take birth out of the seed of past activities, nor, being immortal, does he die. By illusion the living being appears to be born and to die, just as fire in connection with firewood appears to begin and then cease to exist.

 

 Tekst 47

Bevruchting, ontwikkeling in de baarmoeder, geboorte, kleutertijd, kindertijd, jeugd, middelbare leeftijd, ouderdom en dood vormen zo de negen staten van het lichaam.

Impregnation, gestation, birth, infancy, childhood, youth, middle age, old age and death are the nine ages of the body.

 

 Tekst 48

Van het omgaan met de geaardheden neemt iemand somtijds aan en legt hij weer af deze voorzeker grootse en ook mindere lichamelijke toestanden bereikt door zijn mentale strevingen.

Although the material body is different from the self, because of the ignorance due to material association one falsely identifies oneself with the superior and inferior bodily conditions. Sometimes a fortunate person is able to give up such mental concoction.

 

 Tekst 49

Men kan zijn eigen geboorte en dood afleiden uit de geboorte van zijn eigen zoon en dood van zijn eigen vader; van zelf-herinnering zijnde is men niet langer van dat alles wat, onderhevig aan ontwikkeling en vernietiging, wordt gekenmerkt door deze dualiteiten.

By the death of one's father or grandfather one can surmise one's own death, and by the birth of one's son one can understand the condition of one's own birth. A person who thus realistically understands the creation and destruction of material bodies is no longer subject to these dualities.

 

 Tekst 50

Hij die in kennis van een boom zijn zaad en zijn wasdom de getuige is losstaand van de geboorte en dood van die boom, is op dezelfde manier de getuige die los staat van de [geboorte en dood van] het fysieke lichaam.

One who observes the birth of a tree from its seed and the ultimate death of the tree after maturity certainly remains a distinct observer separate from the tree. In the same way, the witness of the birth and death of the material body remains separate from it.

 

 Tekst 51

De onintelligente persoon die er niet in slaagt op deze manier de persoon van de materiële natuur te onderscheiden, keert, door dat kontakt met de werkelijkheid volledig verbijsterd, terug naar de materiële oceaan [zie ook B.G. 9: 21-22 en 1.7: 5].

An unintelligent man, failing to distinguish himself from material nature, thinks nature to be real. By contact with it he becomes completely bewildered and enters into the cycle of material existence.

 

 Tekst 52

In samenhang met de geaardheid goedheid gaat hij naar gelang zijn karma naar de wijzen en de goden, met de geaardheid hartstocht gaat hij naar de mensen en de onverlichte zielen [of demonisch bezetenen] en met de geaardheid der duisternis gaat hij naar de geesten en het dierenrijk [zie ook B.G. 6.41-42, 9.25; 17: 4].

Made to wander because of his fruitive work, the conditioned soul, by contact with the mode of goodness, takes birth among the sages or demigods. By contact with the mode of passion he becomes a demon or human being, and by association with the mode of ignorance he takes birth as a ghost or in the animal kingdom.

 

Tekst 53

Precies zoals met het gadeslaan van dansende en zingende personen men er toe komt ze na te doen, wordt op dezelfde manier de afgewende [de ziel], in zijn intelligentie geplaatst voor de kwaliteiten der geaardheden, er niettemin toe aangezet ze te volgen [zie ook 11.21: 19-21].

Just as one may imitate persons whom one sees dancing and singing, similarly the soul, although never the doer of material activities, becomes captivated by material intelligence and is thus forced to imitate its qualities.

 

Tekst 54-55

Zoals bomen bewegen met het water dat ook beweegt en de aarde lijkt rond te draaien met ogen die rond draaien, is de ervaring van de mentale indrukken van de zinsobjecten niet werkelijk aangezien zij drogbeelden zijn als de dingen die men ziet in een droom, zoals het ook het geval is met het materiële leven van de ziel [d.w.z. het verkeerde leven dat moet worden gemeden door de wijzen].

The soul's material life, his experience of sense gratification, is actually false, O descendant of Das'ârha, just like trees' appearance of quivering when the trees are reflected in agitated water, or like the earth's appearance of spinning due to one's spinning his eyes around, or like the world of a fantasy or dream.

 

Tekst 56

Voor degene die mediteert op de zinsobjecten houdt het materiële bestaan, ookal is het afwezig [ofwel dat men als een ziel niet de materie is], niet op, precies zoals de onaangename dingen niet ophouden die in een droom naar voren treden[*5].

For one who is meditating on sense gratification, material life, although lacking factual existence, does not go away, just as the unpleasant experiences of a dream do not.

 

Tekst 57

Daarom Uddhava, schep geen behagen in de zinsobjecten die onwaar zijn met de zintuigen, zie hoe gebaseerd op de illusie van de materiële dualiteit men faalt in de realisatie van de ziel.

Therefore, O Uddhava, do not try to enjoy sense gratification with the material senses. See how illusion based on material dualities prevents one from realizing the self.

 

Tekst 58-59

Als men beledigd, verwaarloosd, belachelijk gemaakt of benijd wordt door slechte mensen, of anderszins de middelen van bestaan ontzegd worden, men bestraft of vastbindt; of men bij herhaling wordt bespuwd of ondergeplast wordt door onwetende mensen, behoort hij die zich het Allerhoogste wenst aldus geschokt in moeilijkheden verkerend, zichzelf te redden door zijn toevlucht te nemen tot zijn essentie [zie ook 5.5: 30].'

Even though neglected, insulted, ridiculed or envied by bad men, or even though repeatedly agitated by being beaten, tied up or deprived of one's occupation, spat upon or polluted with urine by ignorant people, one who desires the highest goal in life should in spite of all these difficulties use his intelligence to keep himself safe on the spiritual platform.

 

Tekst 60

S'rî Uddhava zei: 'Hoe hou ik dat in gedachten, alsJeblieft, o Beste Aller Sprekers, zeg ons dat.

S'rî Uddhava said: O best of all speakers, please explain to me how I may properly understand this.

 

Tekst 61

De aanvallen van andere mensen op mijzelf is wat ik het allermoeilijkst vindt; behalve voor hen dan die gefixeerd in Jouw dharma in vrede verwijlen aan Jouw lotusvoeten, is zelfs voor de geschoolden, o Ziel van het Universum, zonder twijfel de materiële conditionering het sterkst.'

O soul of the universe, the conditioning of one's personality in material life is very strong, and therefore it is very difficult even for learned men to tolerate the offenses committed against them by ignorant people. Only Your devotees, who are fixed in Your loving service and who have achieved peace by residing at Your lotus feet, are able to tolerate such offenses.

 

*: Twee voorbeelden: potten zijn gemaakt van aarde die er bestond als een voorgaand element of behoren tot het gruis dat er was als een latere substantie, of anders nam de tijd ze als een ander element allen tezamen door in ze door te dringen. Of de elementen van de natuur verschenen zich uitbreidend in de ruimte die aan hen vooraf ging en alle behoren ze tot de fysieke vorm die naderhand tot stand kwam, en de vitale adem ging ze allen binnen als een ander element.

**: De paramparâ voegt hier toe: 'S'rî Caitanya Mahâprabhu beschreef de eigenlijke situatie als acintya-bhedâbheda-tattva - de hoogste genieter en de beheerste levende wezens zijn gelijktijdig één en verschillend. In de materiële geaardheid goedheid wordt de eenheid waargenomen. Als men dan vordert, tot het stadium vis'uddha-sattva, of gezuiverde spirituele goedheid, vindt men geestelijke verscheidenheid in de kwalitatieve eenheid, waarmee men zijn kennis van de Absolute Waarheid vervolmaakt' [zie ook siddhânta].

***: Om de basistermen in dit hoofdstuk gebruikt van elkaar te onderscheiden: Prakriti is de materiële natuur met haar levende wezens en guna's, pradhâna is de voorwereldlijke, ongedifferentieerde staat van de materie, zonder de specifieke schepselen en guna's en de mahat-tattva vormt de totaliteit van de grotere werkelijkheid van dat alles, die ook wel bekend staat als het principe van het intellect of de kosmische intelligentie. De purusha is de oorspronkelijke persoon die de genieter is: de Heer en de levende wezens die qua kwaliteit hetzelfde zijn.

*4: Naar de welbekende uitzondering die de regel bevestigt stelt S'rîla Vis'vanâtha Cakravartî Thhâkura hier dat met de mystieke macht van jâti-smara men zich zijn voorgaande geboorte kan herinneren. Patañjali in de Yoga Sutra III.18 zegt: 'In de waarneming van de subliminale impressies of samskâra's is er de kennis van een voorgaand leven'.

*5: Het klassieke filosofische standpunt hier verdedigd is: 'Als men een lichaam heeft is men een ziel, als men een lichaam is is men een varken', waar het varken hier de gevallen ziel is die telkens weer terug keert naar een materialistisch bestaan.

 

 
 

 

 

Voor deze vertaling werd de Vedabase van de BBT gebruikt die het werk van Svâmi Prabhupâda's
leerlingen biedt dat werd verricht voor het voltooien van zijn vertaling van het Bhâgavatam.

Zie de S'rîmad Bhâgavatam linkspagina
voor de Vedabase en/of een download van dit boek en andere boeken van Prabhupâda.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd  


 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties