regelbalk

 

Kabe Ha'be

 

 

 

Canto 11

 

Hoofdstuk 26

 

Het Lied van Purûravâ

(1) De Allerhoogste Heer zei: 'Met het hebben verworven van dit menselijk lichaam bereikt men, vanuit Mijn dharma op Mij gericht, de Opperziel van het Spiritueel Geluk, Mij, die Zich bevindt in het hart. (2) Toegewijd in de spirituele kennis raakt een persoon die bevrijd is van de oorzaak van een afzonderlijk bestaan dat is gebaseerd op de geaardheden der natuur, levend temidden van deze natuurlijke kwaliteiten, niet verstrikt in de trivialiteit van die effecten van de natuur - die met hun begoochelen van de zinnen niet wezenlijk zijn ondanks het feit dat men ze ziet. (3) Men moet nooit en te nimmer de omgang zoeken met de onwaarachtigen die zich wijden aan het bevredigen van hun geslachtsdelen en magen daar hij die dergelijke mensen navolgt in de donkerste put beland, net als een blinde die zich laat leiden door een blinde. (4) De nakomeling van Ilâ [Aila of Purûravâ, zie ook 9.14: 15-16], de welbekende grote keizer, zong dit machtige lied met het, verbijsterd als hij was, in gescheidenheid van Urvas'î uiteindelijk zijn weeklagen onder controle krijgen in de onthechting die hij voelde. (5) Toen hij naakt stond en ze hem verliet riep de koning als een gek om haar die er van tussen ging, haar nazittend vol leed uitbrengend: 'O mijn echtgenote, o jij vreselijke vrouw, alsjeblieft stop!' (6) Nog steeds niet voldaan met het bevredigen van onbeduidende lusten voor zo vele jaren, besefte hij, in zijn geest aangetrokken tot Urvas'î, niet hoe de dagen en nachten waren gekomen en gegaan.

(7) Aila zei: 'Hoe betreurenswaardig is de mate van mijn begoocheling; met mijn bewustzijn besmet door de lust had ik, in de kraag gegrepen door deze godin, niet door hoe mijn levensperioden waren voorbij gegaan. (8) Onder haar invloed had ik, helaas, voor zo vele jaren die zo vele dagen omvatten, er werkelijk geen idee van of de zon nu op- of onderging. (9) Hoe onfortuinlijk die totale verbijstering van mezelf om reden waarvan het lichaam van deze machtige keizer, dit kroonjuweel der koningen, een speelgoedbeest werd van de vrouwen! (10) Met het achterlaten van mij, de machtige heerser, met mijn hele koninkrijk erbij als was ik een grasspriet, holde ik aldus, het uitroepend als een waanzinnige, naakt achter de vrouw aan. (11) Waar nu blijf ik met de invloed, kracht, heerschappij van de persoon die ik ben? Wie liep er nu achter deze vrouw aan die er tussenuit kneep, waarbij ze net als een ezel met de hoef ter afstraffing me in het gezicht trapte? (12) Wat baat de kennis, de verzakingen en de boete, het hebben geluisterd naar de geschriften, of wat voor nut heeft de afzondering en stilte voor hem wiens geest werd weggestolen door de vrouwen? (13) Naar de hel met de dwaas die ik ben niet bekend met wat goed is voor zijn eigen heil, ik die dacht dat hij een geleerde was met het bereiken van de positie van het heer en meester zijn, maar net als een os of een ezel door de vrouwen werd overweldigd! (14) Met het voor zo vele jaren dienen van Urvas'î haar lippen kreeg ik, met de lust aan mijn geest ontsproten, nimmer genoeg van de nectar, net als een vuur dat nimmer bevredigd is met de offergaven. (15) Wie, behalve de Heer der Wijzen Innerlijk Tevreden, de Opperheer Voorbij de Zinnen, zou er toe in staat zijn iemand anders te verlossen die zijn verstand heeft verloren aan een dame van plezier? (16) Van mij, traag van geest, nam, zelfs al was ik door de godin op de hoogte gesteld met woorden goed geformuleerd, de verwarring niet af, met het mezelf niet overwonnen hebben [zie 9.14: 20-22]. (17) Waaruit zou haar overtreding nu bestaan ten opzichte van een 'ziener' zoals wij die, een stuk touw voor een slang houdend, de werkelijke identiteit niet inziet; ik ben immers degene die zijn zinnen niet de baas was. (18) Wat heeft dit vuile lijf, onrein, vol van kwalijke luchten, nu te bieden, wat stellen die 'bloeiende kwaliteiten' en zo voorts nu voor eigenlijk, voorzeker vormen ze een valse schijn zich voordoend door onwetendheid! (19-20) Of het nu het eigendom is van de ouders, de echtgenote, de werkgever, het vuur, de honden en de jakhalzen, de ziel of de vrienden kan men nooit bepalen. Aan dat walgelijke materiële lichaam gehecht raken omdat het zo aantrekkelijk is, in de vrouwelijke vorm met zo'n lief neusje, zo'n mooie glimlach en mooi gezicht, stevent men af op de laagste bestemming. (21) In welk opzicht verschilt men van wormen in het genieten van wat is samengesteld uit huid, vlees, bloed, spieren, vet, beenmerg en been, urine, ontlasting en pus? (22) Hij die weet wat het beste voor hem is, moet nimmer er ook maar aan beginnen het aan te leggen met vrouwen of mannen aangetrokken tot vrouwen, om geen enkele andere reden dan het feit dat de geest verenigd met de zinnen reikend naar de zinsobjecten van streek raakt [vergelijk 5.5: 2, 7.12: 9, 9.19: 17, 9.14: 36]. (23) Een ding dat men niet ziet of hoort geeft geen aanleiding tot mentale beroering; de geest van degene die de levenskrachten [de zinnen] inperkt vindt, aldus gestopt, de vrede. (24) Als de zintuigen, deze zes vijanden [shath-varga], nog zelfs niet door de wijzen kunnen worden vertrouwd, wat dan te zeggen van personen als ik; het is om die reden dat men niet de omgang moet zoeken met vrouwen of mannen aangetrokken tot vrouwen [zie ook yoshita].'

(25) De Allerhoogste Heer zei: 'Hij aldus als de beste onder de koningen en de halfgoden het zo zingend, gaf, zich Mij, de Opperziel, in zichzelf realiserend de wereld van Urvas'î op en werd waarlijk vreedzaam toen zijn illusie werd weggenomen door het geestelijke inzicht. (26) Iemand met gezond verstand moet daarom het slechte [of begeertige van het] gezelschap van zich afzetten en zich hechten aan de godvruchtigen [met inbegrip van de devi's, om geen seksist te zijn]; daar bij de woorden van de heiligen wordt gekapt met de diepe gehechtheid van de geest. (27) De toegewijden die met hun geesten gevestigd op Mij niet afhankelijk zijn [van lusten] zijn volledig van de vrede met een gelijke blik vrij van bezitsdrang, vals ego, dualiteiten en begeerte. (28) O hoogst fortuinlijke ziel, voortdurend doen zich onder die hoogst fortuinlijke zielen de discussies voor over Mij; van personen die deel nemen in deze gesprekken worden de zonden geheel uitgewist. (29) Zij die luisteren, zingen en ze daadwerkelijk met respect ter harte nemen, zij aldus besloten trouw van ziel, bereiken de bhakti voor Mij. (30) Wat anders zou er nog overblijven [om te bereiken] voor de toegewijde die het heeft gebracht tot de toegewijde dienst aan Mij, Hij van de Talloze Kwaliteiten, de Absolute Waarheid die de Ervaring van het Geestelijk Geluk Omvat. (31) Net als de koude, de angst en de duisternis zich zal oplossen voor hem die zijn beroep doet op het allerhoogste van het vuur [Agni] wordt evenzo de traagheid van begrip, het gevoel van onveiligheid en de onwetendheid weggenomen van degene die de godvruchtigen van dienst is. (32) Voor hen die kopje onder gaan en weer boven komen drijven in de verschrikkelijke oceaan van het materiële leven zijn de vrome toegewijden, vreedzaam in hun begrip van het Absolute, een hoogst verheven toevlucht die net is als wat een sterk schip in het water is voor een drenkeling [vergelijk 11.23: 28 en 11.17: 44]. (33) Met het voedsel inderdaad als het leven zelf van de levende wezens, met Mij als de toevlucht van hen die in nood verkeren en de religie als dé verworvenheid voor mensen die overlijden, vormen de toegewijden de toevlucht voor hen die er beducht voor zijn af te glijden. (34) De toegewijden schenken je de ogen waar de zon het uitwendige vergunt na te zijn opgegaan; de toegewijden zijn degenen die te aanbidden zijn, je [ware] familie, even zo goed als ze je eigenlijke ziel zijn en Mij eveneens [zie ook b.v. 1.1: 15, 3.5: 47, 3.6: 28, 11.2: 6]. (35) Hij zich overgevend aan het opperste [Purûravâ] om die reden, reisde, aldus bevrijd van het verlangen naar de wereld van Urvas'î, verlost van alle gehechtheid en waarlijk in zichzelf tevreden rond over deze aarde.'

 

 next        

 
 

 

 

Bronteksten (geen voorgaande versie in het Nederlands beschikbaar):

The Aila-gîtâ

 

Tekst 1:

De Allerhoogste Heer zei: 'Met het hebben verworven van dit menselijk lichaam bereikt men, vanuit Mijn dharma op Mij gericht, de Opperziel van het Spiritueel Geluk, Mij, die Zich bevindt in het hart.

The Supreme Personality of Godhead said - Having achieved this human form of life, which affords one the opportunity to realize Me, and being situated in My devotional service, one can achieve Me, the reservoir of all pleasure and the Supreme Soul of all existence, residing within the heart of every living being.

  

Tekst 2

Toegewijd in de spirituele kennis raakt een persoon die bevrijd is van de oorzaak van een afzonderlijk bestaan dat is gebaseerd op de geaardheden der natuur, levend temidden van deze natuurlijke kwaliteiten, niet verstrikt in de trivialiteit van die effecten van de natuur - die met hun begoochelen van de zinnen niet wezenlijk zijn ondanks het feit dat men ze ziet.

A person fixed in transcendental knowledge is freed from conditioned life by giving up his false identification with the products of the material modes of nature. Seeing these products as simply illusion, he avoids entanglement with the modes of nature, although constantly among them. Because the modes of nature and their products are simply not real, he does not accept them.

  

 Tekst 3

Men moet nooit en te nimmer de omgang zoeken met de onwaarachtigen die zich wijden aan het bevredigen van hun geslachtsdelen en magen daar hij die dergelijke mensen navolgt in de donkerste put beland, net als een blinde die zich laat leiden door een blinde.

One should never associate with materialists, those dedicated to gratifying their genitals and bellies. By following them one falls into the deepest pit of darkness, just like a blind man who follows another blind man.

 

 Tekst 4

De nakomeling van Ilâ [Aila of Purûravâ, zie ook 9.14: 15-16], de welbekende grote keizer, zong dit machtige lied met het, verbijsterd als hij was, in gescheidenheid van Urvas'î uiteindelijk zijn weeklagen onder controle krijgen in de onthechting die hij voelde.

The following song was sung by the famous emperor Purûravâ. When deprived of his wife, Urvas'î, he was at first bewildered, but by controlling his lamentation he began to feel detachment.

 

Tekst 5

Toen hij naakt stond en ze hem verliet riep de koning als een gek om haar die er van tussen ging, haar nazittend vol leed uitbrengend: 'O mijn echtgenote, o jij vreselijke vrouw, alsjeblieft stop!'

When she was leaving him, even though he was naked he ran after her just like a madman and called out in great distress, 'O my wife, O terrible lady! Please stop!

 

Tekst 6

Nog steeds niet voldaan met het bevredigen van onbeduidende lusten voor zo vele jaren, besefte hij, in zijn geest aangetrokken tot Urvas'î, niet hoe de dagen en nachten waren gekomen en gegaan.

Although for many years Purûravâ had enjoyed sex pleasure in the evening hours, still he was not satisfied by such insignificant enjoyment. His mind was so attracted to Urvas'î that he did not notice how the nights were coming and going.

 

Tekst 7

Aila zei: 'Hoe betreurenswaardig is de mate van mijn begoocheling; met mijn bewustzijn besmet door de lust had ik, in de kraag gegrepen door deze godin, niet door hoe mijn levensperioden waren voorbij gegaan.

King Aila said - Alas, just see the extent of my delusion! This goddess was embracing me and held my neck in her grip. My heart was so polluted by lust that I had no idea how my life was passing.

 

Tekst 8

Onder haar invloed had ik, helaas, voor zo vele jaren die zo vele dagen omvatten, er werkelijk geen idee van of de zon nu op- of onderging.

That lady cheated me so much that I did not even see the rising or setting of the sun. Alas, for so many years I passed my days in vain!

 

Tekst 9

Hoe onfortuinlijk die totale verbijstering van mezelf om reden waarvan het lichaam van deze machtige keizer, dit kroonjuweel der koningen, een speelgoedbeest werd van de vrouwen!

Alas, although I am supposed to be a mighty emperor, the crown jewel of all kings on this earth, just see how my bewilderment has rendered me a toy animal in the hands of women!

 

Tekst 10

Met het achterlaten van mij, de machtige heerser, met mijn hele koninkrijk erbij als was ik een grasspriet, holde ik aldus, het uitroepend als een waanzinnige, naakt achter de vrouw aan.

Although I was a powerful lord with great opulence, that woman gave me up as if I were no more than an insignificant blade of grass. And still, naked and without shame, I followed her, crying out to her like a madman.

 

 Tekst 11

Waar nu blijf ik met de invloed, kracht, heerschappij van de persoon die ik ben? Wie liep er nu achter deze vrouw aan die er tussenuit kneep, waarbij ze net als een ezel met de hoef ter afstraffing me in het gezicht trapte?

Where are my so-called great influence, power and sovereignty? Just like an ass being kicked in the face by his she-ass, I ran after that woman, who had already given me up.

 

Tekst 12

Wat baat de kennis, de verzakingen en de boete, het hebben geluisterd naar de geschriften, of wat voor nut heeft de afzondering en stilte voor hem wiens geest werd weggestolen door de vrouwen?

What is the use of a big education or the practice of austerities and renunciation, and what is the use of studying religious scriptures, of living in solitude and silence, if, after all that, one's mind is stolen by a woman?

 

Tekst 13

Naar de hel met de dwaas die ik ben niet bekend met wat goed is voor zijn eigen heil, ik die dacht dat hij een geleerde was met het bereiken van de positie van het heer en meester zijn, maar net als een os of een ezel door de vrouwen werd overweldigd!

To hell with me! I am such a fool that I didn't even know what was good for me, although I arrogantly thought I was highly intelligent. Although I achieved the exalted position of a lord, I allowed myself to be conquered by women as if I were a bullock or a jackass.

  

Tekst 14

Met het voor zo vele jaren dienen van Urvas'î haar lippen kreeg ik, met de lust aan mijn geest ontsproten, nimmer genoeg van de nectar, net als een vuur dat nimmer bevredigd is met de offergaven.

Even after I had served the so-called nectar of the lips of Urvas'î for many years, my lusty desires kept rising again and again within my heart and were never satisfied, just like a fire that can never be extinguished by the oblations of ghee poured into its flames.

 

Tekst 15

Wie, behalve de Heer der Wijzen Innerlijk Tevreden, de Opperheer Voorbij de Zinnen, zou er toe in staat zijn iemand anders te verlossen die zijn verstand heeft verloren aan een dame van plezier?

Who but the Supreme Personality of Godhead, who lies beyond material perception and is the Lord of self-satisfied sages, can possibly save my consciousness, which has been stolen by a prostitute?

 

 Tekst 16

Van mij, traag van geest, nam, zelfs al was ik door de godin op de hoogte gesteld met woorden goed geformuleerd, de verwarring niet af, met het mezelf niet overwonnen hebben [zie 9.14: 20-22].

Because I allowed my intelligence to become dull and because I failed to control my senses, the great confusion in my mind did not go away, even though Urvas'î herself gave me wise counsel with well-spoken words.

 

Tekst 17

Waaruit zou haar overtreding nu bestaan ten opzichte van een 'ziener' zoals wij die, een stuk touw voor een slang houdend, de werkelijke identiteit niet inziet; ik ben immers degene die zijn zinnen niet de baas was.

How can I blame her for my trouble when I myself am ignorant of my real, spiritual nature? I did not control my senses, and so I am like a person who mistakenly sees a harmless rope as a snake.

  

 Tekst 18

Wat heeft dit vuile lijf, onrein, vol van kwalijke luchten, nu te bieden, wat stellen die 'bloeiende kwaliteiten' en zo voorts nu voor eigenlijk, voorzeker vormen ze een valse schijn zich voordoend door onwetendheid!

What is this polluted body anyway - so filthy and full of bad odors? I was attracted by the fragrance and beauty of a woman's body, but what are those so-called attractive features? They are simply a false covering created by illusion.

 

 Tekst 19-20

Of het nu het eigendom is van de ouders, de echtgenote, de werkgever, het vuur, de honden en de jakhalzen, de ziel of de vrienden kan men nooit bepalen. Aan dat walgelijke materiële lichaam gehecht raken omdat het zo aantrekkelijk is, in de vrouwelijke vorm met zo'n lief neusje, zo'n mooie glimlach en mooi gezicht, stevent men af op de laagste bestemming.

One can never decide whose property the body actually is. Does it belong to one's parents, who have given birth to it, to one's wife, who gives it pleasure, or to one's employer, who orders the body around? Is it the property of the funeral fire or of the dogs and jackals who may ultimately devour it? Is it the property of the indwelling soul, who partakes in its happiness and distress, or does the body belong to intimate friends who encourage and help it? Although a man never definitely ascertains the proprietor of the body, he becomes most attached to it. The material body is a polluted material form heading toward a lowly destination, yet when a man stares at the face of a woman he thinks, 'What a good-looking lady! What a charming nose she's got, and see her beautiful smile!

 

Tekst 21

In welk opzicht verschilt men van wormen in het genieten van wat is samengesteld uit huid, vlees, bloed, spieren, vet, beenmerg en been, urine, ontlasting en pus?

What difference is there between ordinary worms and persons who try to enjoy this material body composed of skin, flesh, blood, muscle, fat, marrow, bone, stool, urine and pus?

 

 Tekst 22

Hij die weet wat het beste voor hem is, moet nimmer er ook maar aan beginnen het aan te leggen met vrouwen of mannen aangetrokken tot vrouwen, om geen enkele andere reden dan het feit dat de geest verenigd met de zinnen reikend naar de zinsobjecten van streek raakt [vergelijk 5.5: 2, 7.12: 9, 9.19: 17, 9.14: 36].

Yet even one who theoretically understands the actual nature of the body should never associate with women or with men attached to women. After all, the contact of the senses with their objects inevitably agitates the mind.

  

Tekst 23

Een ding dat men niet ziet of hoort geeft geen aanleiding tot mentale beroering; de geest van degene die de levenskrachten [de zinnen] inperkt vindt, aldus gestopt, de vrede.

Therefore one should never let his senses associate freely with women or with men attached to women. Even those who are highly learned cannot trust the six enemies of the mind; what to speak, then, of foolish persons like me.

 

Tekst 24

Als de zintuigen, deze zes vijanden [shath-varga], nog zelfs niet door de wijzen kunnen worden vertrouwd, wat dan te zeggen van personen als ik; het is om die reden dat men niet de omgang moet zoeken met vrouwen of mannen aangetrokken tot vrouwen [zie ook yoshita].'

Therefore one should never let his senses associate freely with women or with men attached to women. Even those who are highly learned cannot trust the six enemies of the mind; what to speak, then, of foolish persons like me.

 

Tekst 25

De Allerhoogste Heer zei: 'Hij aldus als de beste onder de koningen en de halfgoden het zo zingend, gaf, zich Mij, de Opperziel, in zichzelf realiserend de wereld van Urvas'î op en werd waarlijk vreedzaam toen zijn illusie werd weggenomen door het geestelijke inzicht.

The Supreme Personality of Godhead said - Having thus chanted this song, Mahârâja Purûravâ, eminent among the demigods and human beings, gave up the position he had achieved in the planet of Urvas'î. His illusion cleansed away by transcendental knowledge, he understood Me to be the Supreme Soul within his heart and so at last achieved peace.

 

Tekst 26

Iemand met gezond verstand moet daarom het slechte [of begeertige van het] gezelschap van zich afzetten en zich hechten aan de godvruchtigen [met inbegrip van de devi's, om geen seksist te zijn]; daar bij de woorden van de heiligen wordt gekapt met de diepe gehechtheid van de geest.

An intelligent person should therefore reject all bad association and instead take up the association of saintly devotees, whose words cut off the excessive attachment of one's mind.

 

Tekst 27

De toegewijden die met hun geesten gevestigd op Mij niet afhankelijk zijn [van lusten] zijn volledig van de vrede met een gelijke blik vrij van bezitsdrang, vals ego, dualiteiten en begeerte.

My devotees fix their minds on Me and do not depend upon anything material. They are always peaceful, endowed with equal vision, and free from possessiveness, false ego, duality and greed.

 

Tekst 28

O hoogst fortuinlijke ziel, voortdurend doen zich onder die hoogst fortuinlijke zielen de discussies voor over Mij; van personen die deel nemen in deze gesprekken worden de zonden geheel uitgewist.

O greatly fortunate Uddhava, in the association of such saintly devotees there is constant discussion of Me, and those partaking in this chanting and hearing of My glories are certainly purified of all sins.

 

Tekst 29

Zij die luisteren, zingen en ze daadwerkelijk met respect ter harte nemen, zij aldus besloten trouw van ziel, bereiken de bhakti voor Mij.

Whoever hears, chants and respectfully takes to heart these topics about Me becomes faithfully dedicated to Me and thus achieves My devotional service.

 

Tekst 30

Wat anders zou er nog overblijven [om te bereiken] voor de toegewijde die het heeft gebracht tot de toegewijde dienst aan Mij, Hij van de Talloze Kwaliteiten, de Absolute Waarheid die de Ervaring van het Geestelijk Geluk Omvat.

What more remains to be accomplished for the perfect devotee after achieving devotional service unto Me, the Supreme Absolute Truth, whose qualities are innumerable and who am the embodiment of all ecstatic experience?

 

Tekst 31

Net als de koude, de angst en de duisternis zich zal oplossen voor hem die zijn beroep doet op het allerhoogste van het vuur [Agni] wordt evenzo de traagheid van begrip, het gevoel van onveiligheid en de onwetendheid weggenomen van degene die de godvruchten van dienst is.

Just as cold, fear and darkness are eradicated for one who has approached the sacrificial fire, so dullness, fear and ignorance are destroyed for one engaged in serving the devotees of the Lord.

 

Tekst 32

Voor hen die kopje onder gaan en weer boven komen drijven in de verschrikkelijke oceaan van het materiële leven zijn de vrome toegewijden, vreedzaam in hun begrip van het Absolute, een hoogst verheven toevlucht die net is als wat een sterk schip in het water is voor een drenkeling [vergelijk 11.23: 28 en 11.17: 44].

The devotees of the Lord, peacefully fixed in absolute knowledge, are the ultimate shelter for those who are repeatedly rising and falling within the fearful ocean of material life. Such devotees are just like a strong boat that comes to rescue persons who are at the point of drowning.

 

Tekst 33

Met het voedsel inderdaad als het leven zelf van de levende wezens, met Mij als de toevlucht van hen die in nood verkeren en de religie als dé verworvenheid voor mensen die overlijden, vormen de toegewijden de toevlucht voor hen die er beducht voor zijn af te glijden.

Just as food is the life of all creatures, just as I am the ultimate shelter for the distressed, and just as religion is the wealth of those who are passing away from this world, so My devotees are the only refuge of persons fearful of falling into a miserable condition of life.

 

Tekst 34

De toegewijden schenken je de ogen waar de zon het uitwendige vergunt na te zijn opgegaan; de toegewijden zijn degenen die te aanbidden zijn, je [ware] familie, even zo goed als ze je eigenlijke ziel zijn en Mij eveneens [zie ook b.v. 1.1: 15, 3.5: 47, 3.6: 28, 11.2: 6].

My devotees bestow divine eyes, whereas the sun allows only external sight, and that only when it is risen in the sky. My devotees are one's real worshipable deities and real family; they are one's own self, and ultimately they are nondifferent from Me.

 

Tekst 35

Hij zich overgevend aan het opperste [Purûravâ] om die reden, reisde, aldus bevrijd van het verlangen naar de wereld van Urvas'î, verlost van alle gehechtheid en waarlijk in zichzelf tevreden rond over deze aarde.'

Thus losing his desire to be on the same planet as Urvas'î, Mahârâja Purûravâ began to wander the earth free of all material association and completely satisfied within the self.

 

 

 

 

 

 

Voor deze vertaling werd de Vedabase van de BBT gebruikt die het werk van Svâmi Prabhupâda's
leerlingen biedt dat werd verricht voor het voltooien van zijn vertaling van het Bhâgavatam.

Zie de S'rîmad Bhâgavatam linkspagina
voor de Vedabase en/of een download van dit boek en andere boeken van Prabhupâda.
Het schilderij van Purûravâ is van Khitindra Nâth Mazumdar.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd  


 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties