regelbalk

 

Jaya Râdhâ Mâdhava 1

 

 

 

Canto 11

 

Hoofdstuk 9

 

Onthechting van Al het Materiële

(1) De achtenswaardige brahmaan zei: 'Gehechtheid aan welke van de bezittingen ook die zo zeer gekoesterd worden door de mens [een huis, de vrouw, de auto etc.], voert voorzeker tot ellende; wie dan ook die dat weet zal, vrij van een dergelijke gehechtheid, daarop het onbegrensde geluk bereiken.

(2) Een grote havik [de visarend] die vlees had werd aangevallen door anderen heel sterk die zonder prooi zaten; op dat moment het vlees opgevend bereikte hij het geluk.

(3) Ik, als een kind enkel in de ziel genietend, trek hier rond; in mij vindt men geen eer en oneer; verkerend met het zelf is er niet de bezorgdheid van degene die een thuis heeft en kinderen. (4) Vrij van zorgen zijn er zo twee types: hij niet goed bij zijn verstand die onwetend als een kind opgegaan is in het groot geluk en degene die de Allerhoogste Boven de Geaardheden der Natuur heeft bereikt.

(5) Eens arriveerden ten huize van een jong meisje dat zich een echtgenoot wenste en van wie alle verwanten weg waren naar een andere plaats, een paar mannen die ze met grote gastvrijheid ontving. (6) Helemaal alleen als ze was sloeg ze, zodat haar gasten konden eten, de kaf van de rijst waardoor de schelpen armbanden om haar onderarmen een hoop kabaal maakten. (7) Zij verlegen van aard beschaamd over dat [dienstmeiden-] geluid, slim van geest brak een voor een de schelpenarmbanden van haar armen, slechts twee overlatend aan iedere pols. (8) Nog steeds was er van de twee, met haar pellen van de rijst, het geluid natuurlijk, zodat, toen ze van ieder van de twee er een weghalend er nog maar een overbleef, er geen geluid meer was te horen. (9) Ik ronddolend langs alle plaatsen in mijn naspeuren van de waarheid van de wereld, o onderwerper der vijanden, was met eigen ogen getuige van de les van dit meisje. (10) In een plaats waar veel mensen zijn zullen zich ruzies voordoen, zelfs met alleen twee mensen die converseren; voorzeker behoort men daarom te leven zoals de armband van het jonge meisje. (11) Door onthechting en een geregelde praktijk [vairâgya en abhyâsa] moet de geest worden bestendigd, met zorg geconcentreerd door het de baas zijn van de ademhaling in zithoudingen [zie ook B.G. 6: 10-15 en 6: 46-47]. (12) Met het bereikt hebben van bestendigheid in die positie, stap voor stap de karmische besmetting opgevend, bereikt die zelfde geest het nirvâna met het in sattva sterk geworden zijnd verzaken van de brandstof van de rajas en de tamas [voor het vuur van het materieel bestaan, zie ook B.G. 6: 26 en 14: 6-8].

(13) Te dien tijde aldus verankerd in de ziel heeft men geen weet van wat ook [als bestaande] van buiten of van binnen, net als de pijlenmaker die verdiept in de pijl de koning niet opmerkte die vlak naast hem voorbij kwam [zie B.G. 7: 27-28].

(14) Alleen, zich bewegend zonder een vaste woonplaats [ook: tempel] en terughoudend niet herkend in zijn handelingen, spreekt een wijze, het zonder gezelschap stellend, zeer weinig. (15) Het bouwen van een huis als een zinledige bezigheid [zie B.G. 4: 18], leidt tot misère; ook de slang gedijt gelukkig met het zijn binnengegaan van een schuilplaats gebouwd door anderen.

(16) Het ene Zelf, de ene Opperheerser zonder Zijns gelijke, die de Grondvesting en het Reservoir van Allen inderdaad werd, is Nârâyana, de God die in het begin bij machte van Zijn eigen vermogen schiep en met het deel van de tijd aan het eind van de kalpa dit universum terugtrekt in Zichzelf. (17-18) Als door Zijn vermogen, de tijdfactor, de materiële machten van sattva en zo voorts in balans zijn gebracht, bestaat de Oorspronkelijke Persoonlijkheid, de purusha van de primaire natuur [pradhâna], die de aanbiddelijke beheerser van de Goden en de normale zielen is, in de puurste ervaring van openbaring omschreven als kaivalya [zaligheid], het volledige van de gelukzaligheid ontdaan van materiële relaties [zie ook B.G. 7: 5]. (19) Door het zuivere vermogen van Zijn Zelf, Zijn eigen energie samengesteld uit de drie geaardheden, manifesteert Hij, ermee [met de Tijd] beroering gevend in de aanvang van de schepping, het plan van de materie [de sûtra, de draad, de regel of de directie van de mahat-tattva, zie ook 3.26: 19]. (20) Daaraan [naar die draad] wordt, zich manifesterend als de oorzaak van de drie geaardheden die de verschillende categorieën van de manifestatie tot stand brengen, zoals men zegt, dit universum, waarvan het levende wezen zijn bestaan ondervindt, geregen en gebonden [zie ook B.G 7: 7]. (21) Net als de spin, die de draad vanuit zichzelf voortbrengt, met zijn bek met die draad [van zijn maal] geniet en eventueel die draad inslikt, gaat op dezelfde manier de Opperste Beheerser te werk.

(22) Waar de geconditioneerde ziel zijn geest ook op vestigt, die specifieke staat zal hij, vanwege de volle concentratie van zijn intelligentie, met de emotionele uitwerking van zijn afgunst of angst bereiken. [zie B.G. 8: 6]. (23) O koning, een larve [of een gevangen insect] mediterend op een wesp die dicht bij hem bezig is in zijn nest zal, vast houdend aan zijn eigen lichaam, dezelfde staat van zijn van die wesp vinden.

(24) Dit is de kennis met het lering trekken uit al deze goeroes, alstublieft verneem van mij wat ik te zeggen heb over de kennis verworven in het lering trekken uit het eigen lichaam, o Koning. (25) Het lichaam als mijn geestelijk leraar van onthechting en onderscheidingsvermogen behoort - er mee altijd lijdend naar de zaak van het onvermijdelijke handhaven en de toekomstige vernietiging van zijn bestaan - ookal bezin ik me ermee op de waarheden van de wereld, hoe dan ook anderen toe; aldus overtuigd trek ik rond zonder gehechtheid. (26) Het lichaam dat al de categorieën van de vrouw, de kinderen, de dieren, de bedienden, het huis en de verwanten die het tracht te behagen koestert, heeft, in navolging van de aard van de boom die zijn zaad laat vallen, omvalt en sterft, ten tijde van zijn dood zich uitgebreid met het hebben geschapen van dit [andere kinder-]lichaam ervan, [ervoor] met grote inspanning weelde vergaard hebbend. (27) Aan de ene kant leidt de tong bij tijden dorstig het gekoesterde lichaam af, aan de andere kant doen de geslachtsdelen dat, doet de tastzin dat, doet de maag dat, leiden de oren af naar elders, zoekt de reuk zijn weg of zijn de ogen anderzijds wankelmoedig zich naar elders aan het bewegen; en zo trekken de ledematen als bijvrouwen het hoofd van de huishouding in vele richtingen. (28) Na het met de bomen, giftige insecten, zoogdieren, vogels, slangen en meer van dergelijken geschapen hebben van materiële lichamen in vele variëteiten middels de mâyâ van Zijn eigen vermogen, schiep de Heer in Zijn hart onvoldaan, het menselijk wezen begiftigd met een intelligentie geschikt om zich de Absolute Waarheid voor te stellen en bereikte Hij het geluk. (29) Na vele geboorten het tot deze menselijke gedaante, die zo moeilijk te bereiken is, gebracht te hebben welke, alhoewel ze niet eeuwig is, beloont met een grote waarde, behoort een nuchter persoon zo lang als hij, gedoemd te sterven, nog niet ten onder is gegaan [in zijn graf beland is], zonder af te wachten in deze wereld zich in te spannen voor de uiteindelijke bevrijding die altijd in alle omstandigheden van zinsbevrediging mogelijk is.

(30) Aldus [van al deze vierentwintig plus één meesters] het ziend in de Ziel trek ik, met het ten volle hebben ontwikkeld van de onthechting en de wijsheid, rond over deze aarde bevrijd van gehechtheid en egoïsme. (31) Voorzeker kan de kennis van één [zo'n] leraar niet erg solide zijn of volledig [derhalve: 11.3: 21]; de Absolute Waarheid, die zijns gelijke niet kent, wordt door de wijzen zonder twijfel verheerlijkt op vele manieren.'

(32) De Opperheer zei: 'De brahmaan van diepe intelligentie [in feite Heer Dattâtreya, zie 2.7: 4 en **] aldus tot koning Yadu gesproken hebbend, nam, naar behoren door de koning geëerd te zijn die zijn eerbetuigingen bracht, afscheid en ging heen, net zo tevreden als hij was gekomen. (33) Na de woorden van de Avadhûta gehoord te hebben raakte Yadu, de voorvader van onze voorouders, bevrijd met een toen gelijk bewustzijn.

 

 next        

 
 

 

 

Brontelksten (geen voorgaande versie in het Nederlands beschikbaar: )

Detachment from All that Is Material

 

Tekst 1:

De achtenswaardige brahmaan zei: 'Gehechtheid aan welke van de bezittingen ook die zo zeer gekoesterd worden door de mens [een huis, de vrouw, de auto etc.], voert voorzeker tot ellende; wie dan ook die dat weet zal, vrij van een dergelijke gehechtheid, daarop het onbegrensde geluk bereiken.

The saintly brâhmana said - Everyone considers certain things within the material world to be most dear to him, and because of attachment to such things one eventually becomes miserable. One who understands this gives up material possessiveness and attachment and thus achieves unlimited happiness.

 

Tekst 2:

Een grote havik [de visarend] die vlees had werd aangevallen door anderen heel sterk die zonder prooi zaten; op dat moment het vlees opgevend bereikte hij het geluk.

Once a group of large hawks who were unable to find any prey attacked another, weaker hawk who was holding some meat. At that time, being in danger of his life, the hawk gave up his meat and experienced actual happiness.

 

Tekst 3:

Ik, als een kind enkel in de ziel genietend, trek hier rond; in mij vindt men geen eer en oneer; verkerend met het zelf is er niet de bezorgdheid van degene die een thuis heeft en kinderen.

In family life, the parents are always in anxiety about their home, children and reputation. But I have nothing to do with these things. I do not worry at all about any family, and I do not care about honor and dishonor. I enjoy only the life of the soul, and I find love on the spiritual platform. Thus I wander the earth like a child.

 

Tekst 4:

Vrij van zorgen zijn er zo twee types: hij niet goed bij zijn verstand die onwetend als een kind opgegaan is in het groot geluk en degene die de Allerhoogste Boven de Geaardheden der Natuur heeft bereikt.

In this world two types of people are free from all anxiety and merged in great happiness - one who is a retarded and childish fool and one who has approached the Supreme Lord, who is beyond the three modes of material nature.

 

Tekst 5:

Eens arriveerden ten huize van een jong meisje dat zich een echtgenoot wenste en van wie alle verwanten weg waren naar een andere plaats, een paar mannen die ze met grote gastvrijheid ontving.

Once a marriageable young girl was alone in her house because her parents and relatives had gone that day to another place. At that time a few men arrived at the house, specifically desiring to marry her. She received them with all hospitality.

 

Tekst 6:

Helemaal alleen als ze was sloeg ze, zodat haar gasten konden eten, de kaf van de rijst waardoor de schelpen armbanden om haar onderarmen een hoop kabaal maakten.

The girl went to a private place and began to make preparations so that the unexpected male guests could eat. As she was beating the rice, the conchshell bracelets on her arms were colliding and making a loud noise.

 

 Tekst 7

Zij verlegen van aard beschaamd over dat [dienstmeiden-] geluid, slim van geest brak een voor een de schelpenarmbanden van haar armen, slechts twee overlatend aan iedere pols.

The young girl feared that the men would consider her family to be poor because their daughter was busily engaged in the menial task of husking rice. Being very intelligent, the shy girl broke the shell bracelets from her arms, leaving just two on each wrist.

 

Tekst 8

Nog steeds was er van de twee, met haar pellen van de rijst, het geluid natuurlijk, zodat, toen ze van ieder van de twee er een weghalend er nog maar een overbleef, er geen geluid meer was te horen.

Thereafter, as the young girl continued to husk the rice, the two bracelets on each wrist continued to collide and make noise. Therefore she took one bracelet off each arm, and with only one left on each wrist there was no more noise.

 

Tekst 9

Ik ronddolend langs alle plaatsen in mijn naspeuren van de waarheid van de wereld, o onderwerper der vijanden, was met eigen ogen getuige van de les van dit meisje.

O subduer of the enemy, I travel throughout the surface of the earth learning constantly about the nature of this world, and thus I personally witnessed the lesson of the young girl.

 

Tekst 10

In een plaats waar veel mensen zijn zullen zich ruzies voordoen, zelfs met alleen twee mensen die converseren; voorzeker behoort men daarom te leven zoals de armband van het jonge meisje.

When many people live together in one place there will undoubtedly be quarreling. And even if only two people live together there will be frivolous conversation and disagreement. Therefore, to avoid conflict, one should live alone, as we learn from the example of the bracelet of the young girl.

 

 Tekst 11

Door onthechting en een geregelde praktijk [vairâgya en abhyâsa] moet de geest worden bestendigd, met zorg geconcentreerd door het de baas zijn van de ademhaling in zithoudingen [zie ook B.G. 6: 10-15 en 6: 46-47].

Having perfected the yoga sitting postures and conquered the breathing process, one should make the mind steady by detachment and the regulated practice of yoga. Thus one should carefully fix the mind on the single goal of yoga practice.

  

 Tekst 12  

Met het bereikt hebben van bestendigheid in die positie, stap voor stap de karmische besmetting opgevend, bereikt die zelfde geest het nirvâna met het in sattva sterk geworden zijnd verzaken van de brandstof van de rajas en de tamas [voor het vuur van het materieel bestaan, zie ook B.G. 6: 26 en 14: 6-8].

The mind can be controlled when it is fixed on the Supreme Personality of Godhead. Having achieved a stable situation, the mind becomes free from polluted desires to execute material activities; thus as the mode of goodness increases in strength, one can completely give up the modes of passion and ignorance, and gradually one transcends even the material mode of goodness. When the mind is freed from the fuel of the modes of nature, the fire of material existence is extinguished. Then one achieves the transcendental platform of direct relationship with the object of his meditation, the Supreme Lord.

 

Tekst 13

Te dien tijde aldus verankerd in de ziel heeft men geen weet van wat ook [als bestaande] van buiten of van binnen, net als de pijlenmaker die verdiept in de pijl de koning niet opmerkte die vlak naast hem voorbij kwam [zie B.G. 7: 27-28].

Thus, when one's consciousness is completely fixed on the Absolute Truth, the Supreme Personality of Godhead, one no longer sees duality, or internal and external reality. The example is given of the arrow maker who was so absorbed in making a straight arrow that he did not even see or notice the king himself, who was passing right next to him.

  

 Tekst 14

Alleen, zich bewegend zonder een vaste woonplaats [ook: tempel] en terughoudend niet herkend in zijn handelingen, spreekt een wijze, het zonder gezelschap stellend, zeer weinig.

A saintly person should remain alone and constantly travel without any fixed residence. Being alert, he should remain secluded and should act in such a way that he is not recognized or noticed by others. Moving without companions, he should not speak more than required.

 

 Tekst 15  

Het bouwen van een huis als een zinledige bezigheid [zie B.G. 4: 18], leidt tot misère; ook de slang gedijt gelukkig met het zijn binnengegaan van een schuilplaats gebouwd door anderen.

When a person living in a temporary material body tries to construct a happy home, the result is fruitless and miserable. The snake, however, enters a home that has been built by others and prospers happily.

 

Tekst 16

Het ene Zelf, de ene Opperheerser zonder Zijns gelijke, die de Grondvesting en het Reservoir van Allen inderdaad werd, is Nârâyana, de God die in het begin bij machte van Zijn eigen vermogen schiep en met het deel van de tijd aan het eind van de kalpa dit universum terugtrekt in Zichzelf.

The Lord of the universe, Nârâyana, is the worshipable God of all living entities. Without extraneous assistance, the Lord creates this universe by His own potency, and at the time of annihilation the Lord destroys the universe through His personal expansion of time and withdraws all of the cosmos, including all the conditioned living entities, within Himself. Thus, His unlimited Self is the shelter and reservoir of all potencies. The subtle pradhâna, the basis of all cosmic manifestation, is conserved within the Lord and is in this way not different from Him. In the aftermath of annihilation the Lord stands alone.

 

Tekst 17-18

Als door Zijn vermogen, de tijdfactor, de materiële machten van sattva en zo voorts in balans zijn gebracht, bestaat de Oorspronkelijke Persoonlijkheid, de purusha van de primaire natuur [pradhâna], die de aanbiddelijke beheerser van de Goden en de normale zielen is, in de puurste ervaring van openbaring omschreven als kaivalya [zaligheid], het volledige van de gelukzaligheid ontdaan van materiële relaties [zie ook B.G. 7: 5].

When the Supreme Personality of Godhead displays His own potency in the form of time and guides His material potencies, such as the mode of goodness, into a neutral condition of equilibrium, He remains as the supreme controller of that neutral state, called pradhâna, as well as of the living entities. He is also the supreme worshipable object for all beings, including liberated souls, demigods and ordinary conditioned souls. The Lord is eternally free from any material designation, and He constitutes the totality of spiritual bliss, which one experiences by seeing the Lord's spiritual form. The Lord thus exhibits the fullest meaning of the word 'liberation.'

  

Tekst 19

Door het zuivere vermogen van Zijn Zelf, Zijn eigen energie samengesteld uit de drie geaardheden, manifesteert Hij, ermee [met de Tijd] beroering gevend in de aanvang van de schepping, het plan van de materie [de sûtra, de draad, de regel of de directie van de mahat-tattva, zie ook 3.26: 19].

O subduer of the enemies, at the time of creation the Personality of Godhead expands His own transcendental potency in the form of time, and agitating His material energy, mâyâ, composed of the three modes of material nature, He creates the mahat-tattva.

 

Tekst 20

Daaraan [naar die draad] wordt, zich manifesterend als de oorzaak van de drie geaardheden die de verschillende categorieën van de manifestatie tot stand brengen, zoals men zegt, dit universum, waarvan het levende wezen zijn bestaan ondervindt, geregen en gebonden [zie ook B.G 7: 7].

According to great sages, that which is the basis of the three modes of material nature and which manifests the variegated universe is called the sûtra or mahat-tattva. Indeed, this universe is resting within that mahat-tattva, and due to its potency the living entity undergoes material existence.

 

Tekst 21

Net als de spin, die de draad vanuit zichzelf voortbrengt, met zijn bek met die draad [van zijn maal] geniet en eventueel die draad inslikt, gaat op dezelfde manier de Opperste Beheerser te werk.

Just as from within himself the spider expands thread through his mouth, plays with it for some time and eventually swallows it, similarly, the Supreme Personality of Godhead expands His personal potency from within Himself. Thus, the Lord displays the network of cosmic manifestation, utilizes it according to His purpose and eventually withdraws it completely within Himself.

 

 Tekst 22

Waar de geconditioneerde ziel zijn geest ook op vestigt, die specifieke staat zal hij, vanwege de volle concentratie van zijn intelligentie, met de emotionele uitwerking van zijn afgunst of angst bereiken [zie B.G. 8: 6].

If out of love, hate or fear an embodied soul fixes his mind with intelligence and complete concentration upon a particular bodily form, he will certainly attain the form that he is meditating upon.

 

 Tekst 23

O koning, een larve [of een gevangen insect] mediterend op een wesp die dicht bij hem bezig is in zijn nest zal, vast houdend aan zijn eigen lichaam, dezelfde staat van zijn van die wesp vinden.

O King, once a wasp forced a weaker insect to enter his hive and kept him trapped there. In great fear the weak insect constantly meditated upon his captor, and without giving up his body, he gradually achieved the same state of existence as the wasp. Thus one achieves a state of existence according to one's constant concentration.

 

 Tekst 24

Dit is de kennis met het lering trekken uit al deze goeroes, alstublieft verneem van mij wat ik te zeggen heb over de kennis verworven in het lering trekken uit het eigen lichaam, o Koning.

O King, from all these spiritual masters I have acquired great wisdom. Now please listen as I explain what I learned from my own body.

 

 Tekst 25

Het lichaam als mijn geestelijk leraar van onthechting en onderscheidingsvermogen behoort - er mee altijd lijdend naar de zaak van het onvermijdelijke handhaven en de toekomstige vernietiging van zijn bestaan - ookal bezin ik me ermee op de waarheden van de wereld, hoe dan ook anderen toe; aldus overtuigd trek ik rond zonder gehechtheid.

The material body is also my spiritual master because it teaches me detachment. Being subject to creation and destruction, it always comes to a painful end. Thus, although using my body to acquire knowledge, I always remember that it will ultimately be consumed by others, and remaining detached, I move about this world.

 

 Tekst 26

Het lichaam dat al de categorieën van de vrouw, de kinderen, de dieren, de bedienden, het huis en de verwanten die het tracht te behagen koestert, heeft, in navolging van de aard van de boom die zijn zaad laat vallen, omvalt en sterft, ten tijde van zijn dood zich uitgebreid met het hebben geschapen van dit [andere kinder-]lichaam ervan, [ervoor] met grote inspanning weelde vergaard hebbend.

A man attached to the body accumulates money with great struggle to expand and protect the position of his wife, children, property, domestic animals, servants, homes, relatives, friends, and so on. He does all this for the gratification of his own body. As a tree before dying produces the seed of a future tree, the dying body manifests the seed of one's next material body in the form of one's accumulated karma. Thus assuring the continuation of material existence, the material body sinks down and dies.

 

 Tekst 27

Aan de ene kant leidt de tong bij tijden dorstig het gekoesterde lichaam af, aan de andere kant doen de geslachtsdelen dat, doet de tastzin dat, doet de maag dat, leiden de oren af naar elders, zoekt de reuk zijn weg of zijn de ogen anderzijds wankelmoedig zich naar elders aan het bewegen; en zo trekken de ledematen als bijvrouwen het hoofd van de huishouding in vele richtingen.

A man who has many wives is constantly harassed by them. He is responsible for their maintenance, and thus all the ladies constantly pull him in different directions, each struggling for her self-interest. Similarly, the material senses harass the conditioned soul, pulling him in many different directions at once. On one side the tongue is pulling him to arrange tasty food; then thirst drags him to get a suitable drink. Simultaneously the sex organs clamor for satisfaction, and the sense of touch demands soft, sensuous objects. The belly harasses him until it is filled, the ears demand to hear pleasing sounds, the sense of smell hankers for pleasant aromas, and the fickle eyes clamor for pleasing sights. Thus the senses, organs and limbs, all desiring satisfaction, pull the living entity in many directions.

  

 Tekst 28

Na het met de bomen, giftige insecten, zoogdieren, vogels, slangen en meer van dergelijken geschapen hebben van materiële lichamen in vele variëteiten middels de mâyâ van Zijn eigen vermogen, schiep de Heer in Zijn hart onvoldaan, het menselijk wezen begiftigd met een intelligentie geschikt om zich de Absolute Waarheid voor te stellen en bereikte Hij het geluk.

The Supreme Personality of Godhead, expanding His own potency, mâyâ-s'akti, created innumerable species of life to house the conditioned souls. Yet by creating the forms of trees, reptiles, animals, birds, snakes and so on, the Lord was not satisfied within His heart. Then He created human life, which offers the conditioned soul sufficient intelligence to perceive the Absolute Truth, and became pleased.

  

 Tekst 29

Na vele geboorten het tot deze menselijke gedaante, die zo moeilijk te bereiken is, gebracht te hebben welke, alhoewel ze niet eeuwig is, beloont met een grote waarde, behoort een nuchter persoon zo lang als hij, gedoemd te sterven, nog niet ten onder is gegaan [in zijn graf beland is], zonder af te wachten in deze wereld zich in te spannen voor de uiteindelijke bevrijding die altijd in alle omstandigheden van zinsbevrediging mogelijk is.

After many, many births and deaths one achieves the rare human form of life, which, although temporary, affords one the opportunity to attain the highest perfection. Thus a sober human being should quickly endeavor for the ultimate perfection of life as long as his body, which is always subject to death, has not fallen down and died. After all, sense gratification is available even in the most abominable species of life, whereas Krishna consciousness is possible only for a human being.

 

 Tekst 30

Aldus [van al deze vierentwintig plus één meesters] het ziend in de Ziel trek ik, met het ten volle hebben ontwikkeld van de onthechting en de wijsheid, rond over deze aarde bevrijd van gehechtheid en egoïsme.

Having learned from my spiritual masters, I remain situated in realization of the Supreme Personality of Godhead and, fully renounced and enlightened by realized spiritual knowledge, wander the earth without attachment or false ego.

 

 Tekst 31

Voorzeker kan de kennis van één [zo'n] leraar niet erg solide zijn of volledig [derhalve: 11.3: 21]; de Absolute Waarheid, die zijns gelijke niet kent, wordt door de wijzen zonder twijfel verheerlijkt op vele manieren.'

Although the Absolute Truth is one without a second, the sages have described Him in many different ways. Therefore one may not be able to acquire very firm or complete knowledge from one spiritual master.

 

 Tekst 32

De Opperheer zei: 'De brahmaan van diepe intelligentie [in feite Heer Dattâtreya, zie 2.7: 4 en **] aldus tot koning Yadu gesproken hebbend, nam, naar behoren door de koning geëerd te zijn die zijn eerbetuigingen bracht, afscheid en ging heen, net zo tevreden als hij was gekomen.

The Supreme Personality of Godhead said - Having thus spoken to King Yadu, the wise brâhmana accepted obeisances and worship from the King and felt pleased within himself. Then bidding farewell, he left exactly as he had come.

 

 Tekst 33

Na de woorden van de Avadhûta gehoord te hebben raakte Yadu, de voorvader van onze voorouders, bevrijd met een toen gelijk bewustzijn.

O Uddhava, hearing the words of the avadhûta, the saintly King Yadu, who is the forefather of our own ancestors, became free from all material attachment, and thus his mind was evenly fixed on the spiritual platform.

 

*: Vers 3.25: 34 in aanmerking genomen waarin gesteld wordt dat toegewijden gezelschap zoeken om voor Krishna met elkaar om te gaan, zeggen de âcârya's naar aanleiding van dit vers dat het enkel op de Heer gericht zijn, niet als jnâni's speculerend, hetzelfde is als het alleen zijn om niet in ruzies te belanden [zie pp. 11.9: 10].

**: De paramparâ [pp. 11.9: 32] bevestigt: 'Dit vers [2.7: 4] vermeldt dat Yadu gezuiverd raakte door in contact te verkeren met de lotusvoeten van Dattâtreya, en dienovereenkomstig stelt het huidige vers, vandito sv-arcito râjñâ - dat Koning Yadu de lotusvoeten van de brâhmana aanbad. Aldus, is volgens S'rîla S'rîdhara Svâmî, de avadhûta brâhmana de Persoonlijkheid van God zelve, en S'rîla Vis'vanâtha Cakravartî Thhâkura bevestigt dit nog eens.'

 

 

 

 

 

 

Voor deze vertaling werd de Vedabase van de BBT gebruikt die het werk van Svâmi Prabhupâda's
leerlingen biedt dat werd verricht voor het voltooien van zijn vertaling van het Bhâgavatam.

Zie de S'rîmad Bhâgavatam linkspagina
voor de Vedabase en/of een download van dit boek en andere boeken van Prabhupâda.
De afbeelding van Dattâtreya is van
Raja Ravi Varma
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd  


 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties