regelbalk

 

S'rî S'rî S'ikshâshthaka

 

 
 

 

Canto 12

 

Hoofdstuk 8

 

Mârkandeya Weerstaat Alle Verleiding en Bidt tot Nara-Nârâyana Rishi

(1) S'rî S'aunaka zei: "O Sûta, moge u lang leven, o heilige man; o beste der sprekers, spreekt u alstublieft tot ons, want u bent voor de mensen die in de eindeloze duisternis ronddolen de ziener van het tegendeel. (2-5) Mensen zeggen dat de zoon van Mrikandu, de ziener [genaamd Mârkandeya], met een buitengewoon lange levensduur daadwerkelijk de enige was die overbleef bij het eindigen van de kalpa dat dit gehele universum omvatte. Hij, de meest vooraanstaande afstammeling van Bhrigu, werd deze kalpa feitelijk geboren in mijn eigen familie en we hebben in ons tijdperk tot nu toe nog geen grote zondvloed die de hele schepping omvat zien plaats vinden. Geheel alleen in deze grote oceaan ronddolend zag hij, zo zegt men, slechts één enkele, wonderbaarlijke persoonlijkheid, een baby jongetje, dat lag in de vouw van een banyan-blad. Hierover verkeren wij in grote twijfel; alstublieft, o yogî die door iedereen beschouwd wordt als zijnde de grootste met betrekking tot de purâna's, maak voor ons die er zo begerig naar uitzien hier een einde aan."

(6) Sûta zei: "O grote wijze, deze vraag van u neemt de lichtzinnigheid weg van de ganse wereld daar ze voert tot de bespreking van het verhaal van Nârâyana dat het vuil van Kali-yuga wegneemt. (7-11) Mârkandeya die, ordelijk de vedische lofzangen samen met de religieuze verplichtingen bestuderend, van zijn vader de wedergeboorte-initiatie rituelen had ontvangen, was volkomen in zijn verzakingen en studies. Zich aan de grote gelofte houdend [zie yama] droeg hij vredig met samengeklit haar en met boombast als zijn kleren de waterpot, de bedelstaf, de heilige draad en de gordel van het celibaat. Met het vel van een zwart hert en gebedskralen van lotuszaden aanbad hij voor het heil van zijn geregelde praktijk [zie niyama] bij de overgangen van de dag tot de Heer in de gedaante van het vuur, de zon, de goeroe, de geschoolden en de Allerhoogste Ziel. 's Ochtends en 's avonds bracht hij met zijn stem onder controle dat wat hij had ingezameld met bedelen naar zijn geestelijk leraar en at hij mee ertoe uitgenodigd of vastte hij indien dat niet zo was [zie ook 7.12; 5 en 7.14: 17]. Toen hij op deze manier van boete en studie voor een eindeloos aantal [miljoenen] jaren van aanbidding was geweest voor de Meester der Zinnen, had hij overwonnen wat onmogelijk te overwinnen was: de dood. (12) Brahmâ, Bhrigu, S'iva, Daksha, de zoons van Brahmâ en de andere menselijke wezens, de halfgoden, de voorvaderen en de geesten raakten allen zeer verbaasd daarover. (13) Met het op deze manier middels zijn verzakingen, recitaties en zinsbeteugeling standhouden met de grote gelofte, mediteerde de yogî op de Heer in het Voorbije en ontdeed hij met zijn geest inwaarts gekeerd zich van alle hindernissen. (14) Met het aldus met het grote van de yoga concentreren van zijn geest, verstreek de enorme tijdspanne van zes manvantara's [van 71 mahâyuga's ieder]. (15) In de zevende periode van Manu raakte Purandara [Indra] die had vernomen van de verzakingen bevreesd, o brahmaan, en besloot hij hem te dwarsbomen. (16) Hij stuurde hemelse zangers en dansmeisjes, Cupido, het lenteseizoen, de [naar sandelhout geurende] Malaya-bries, het kind van de hartstocht en het kind van de bedwelming op de wijze af. (17) O machtige, zij begaven zich aldus naar zijn hermitage aan de noordzijde gelegen van de Himâlaya's alwaar men de rivier de Pushpabhadrâ aantreft en de bergpiek genaamd Citrâ. (18-20) De goede plek van de âs'rama waar vele tweemaal geboren zielen waren gekomen om er te leven, werd omlijst door fijn geboomte en klimplanten en kende overal bekkens vol van kristalhelder water. Zoemend van de doldwaze bijen was het er druk van allerlei vogelfamilies - opgewonden roepende koekoeken en druk dansende, trotse pauwen. De winden die er woeien voerden de verkoelende mistdruppels met zich mee van de watervallen en vormden, omarmd door de bekoring der bloemen, een uitnodiging voor de god van de liefde. (21) Met de maan die in de nacht rijzend zijn gezicht toonde, deed zich daar de lente voor in reeksen van nieuwe spruiten en bloesems met de veelvoud aan klimplanten die innig verstrengeld waren met de bomen. (22) Gevolgd door groepen zingende en muziekinstrumenten bespelende gandharva's, liet de god van de liefde, de meester van hordes van hemelse vrouwen, zich daar zien met zijn boog en zijn pijlen in zijn hand. (23) De dienaren van Indra troffen op die plek hem daar aan die, met het gebracht hebben van zijn offers, met gesloten ogen neerzat in meditatie zo onoverwinnelijk als het vuur zelve. (24) De vrouwen dansten recht voor hem en de zangers van de hemel zongen en maakten muziek met trommels, cimbalen en vînâ's. (25) Terwijl de dienaren van Indra, het kind van de lente en het kind van de begeerte poogden de geest van de wijze in beroering te krijgen, legde de vijfkoppige Cupido (naar het zien, het horen, het ruiken, het voelen en het proeven) een pijl aan op zijn boog. (26-27) Uit het haar van Puñjikasthalî [een Apsara] die met haar middel zwaar overhangen door haar geweldige borsten aan het spelen was met een aantal ballen, vielen de bloemen uit hun haarvlecht. Achter de ballen aanhollend, met haar ogen van links naar rechts schietend, gleed de gordel van haar dunne kleed los en tilde de wind de fijne stof van haar kledingstuk op [zie ook 3.20: 35-36, 3.22: 17, 5.2: 14, 8.12: 17-24]. (28) Cupido, denkend dat hij hem verslagen had, schoot toen zijn pijl weg, maar dit alles gericht op de wijze bleek zo nutteloos als de pogingen van een ongelovige. (29) O wijze, op deze manier trachtend de wijze in verlegenheid te brengen, voelden ze hoe ze zich zelf brandden aan zijn vermogen en dus zagen ze er, als kinderen die een slang hadden uitgelokt, van af. (30) O brahmaan, hoewel de volgelingen van Indra de grote muni grof hadden verstoord, gaf hij niet in het minst toe aan de sentimenten van het ego, hetgeen in het geheel niet zo verrassend is voor grote zielen.

(31) Ziend en horend hoe onder de invloed van de brahmaanse ziener Kâmadeva samen met zijn metgezellen machteloos bleken, verviel de machtige koning van de hemel in een grote verwondering. (32) Met zijn op die manier zich concentreren van zijn geest in verzaking, recitatie en ingetogenheid manifesteerde de Allerhoogste Heer Zichzelf om als Nara-Nârâyana van genade te zijn. (33-34) Van Hen twee was de ene blank en de andere zwart; Hun ogen waren als bloeiende lotussen, van Hun armen waren er vier, Hun kleding bestond uit zwart hertenvel en uit boombast, Hun handen allerzuiverst, droegen een waterpot en een rechte staf van bamboe, en Hun heilige draad bestond er uit drie. Met gebedskralen van lotuszaden die alle menselijke wezens zuiveren en met de Veda's [in de vorm van bundels darbha] representeerden zij, aanbeden door de belangrijkste halfgoden, gloedvol geel van kleur en lang van stuk stralend van het licht, de verzaking. (35) Hen ziend, Nara en Nârâyana, voorwaar de persoonlijke manifestaties van de Hoogste Persoonlijkheid van God, stond hij op om met het grootste respect zijn eer te betonen en zich plat voorover te werpen. (36) Hij was, omdat hij Hen te zien kreeg, gelukkig in zijn hele lijf, geest en zinnen met de haren op zijn lichaam recht overeind, en kon, met de tranen die zijn ogen vulden, zijn blik niet op Hen vestigen. (37) Deemoedig met gevouwen handen sprak hij begerig als hij was Hen te omarmen verstikt aldus tot de twee Heren de lettergrepen 'na-ma-ha, na-ma-ha' (mijn eerbetuigingen, mijn eerbetuigingen). (38) Met het Hen bieden van zitplaatsen, het wassen van Hun voeten en insmeren met sandelhout en andere geurige substanties, was hij van aanbidding met wierook en bloemenslingers. (39) Comfortabel gezeten op Hun zitplaatsen klaar om Hun genade te betonen sprak hij, opnieuw voor Hun voeten neerbuigend, het volgende tot de Hoogst Aanbiddelijke Persoonlijkheden.

(40) S'rî Mârkandeya zei: 'O Almachtige hoe kan ik U onder woorden brengen door Wie werkelijk van alle belichaamde levende wezens zowel als van Brahmâ, S'iva als van mijzelf de lucht van ademen in gang wordt gezet en het leven vindt, het spraakvermogen daarop volgt en door Wie de geest en de zinnen in werking treden; niettemin wordt U voor degenen die van aanbidding zijn een liefdevolle vriend. (41) Deze persoonlijke gedaante van de Fortuinlijke, o Opperheer, toont U voor het uiteindelijke heil van het beëindigen van de materiële ellende en het overwinnen van de dood; en net zoals U, voor de bescherming op verschillende manieren andere bovenzinnelijke lichamen manifesteert, verzwelgt U als U eenmaal dit universum hebt geschapen, net als een spin, het in zijn geheel weer. (42) Van Hem de Beschermer, de Allerhoogste Beheerser van hen die zich bewegen en die zich niet bewegen, wordt degene die zich bevindt aan Zijn voetzolen nimmer geraakt door de emoties van karma, guna en kâla; het is voor U inderdaad voor wie de wijzen met de Veda in hun hart zich ieder moment ter verering en meditatie in lof neerbuigen, zodat ze mogen reiken tot. (43) Niets anders dan het bereiken van Uw voeten, de eigenlijke vorm van de bevrijding, brengt de persoon, die van alle kanten te vrezen heeft o Heer, zijn heil; we weten dat Brahmâ, wiens tijd twee parârdha's beslaat, op grond hiervan hoogst bevreesd is, bang vanwege de Tijd die U bent - en wat te zeggen van de wereldse levensvormen door hem geschapen? [zie 10.13: 56] (44) Dus verzaak ik om die reden deze overdekking van het zelf, het materiële lichaam en alles erbij dat tijdelijk, enkel voor een ogenblik herinnerd, niet-essentieel zijnde zo betekenisloos is, en ben ik van aanbidding voor de voetzolen van U, de Intelligentie van het Werkelijke en de Meester van de Ziel die de Absolute Waarheid bent en van Wie men alles krijgt wat men zich maar kan wensen. (45) O Heer, o Vriend van de Ziel, alhoewel de voortbrengselen van Uw begoochelende vermogen bekend onder de namen sattva, rajas en tamas, er voor de doelstellingen van de handhaving, vernietiging en schepping van dit universum zijn als [Uw] vermaak, is het de [sattvische] goedheid die [met U] voortbestaat voor de bevrijding en niet de andere twee welke de mens gevaar, verbijstering en angst bezorgen [zie ook guna-avatâra's en 10.89: 18]. (46) Omdat de onbevreesdheid, het geluk van de ziel en de geestelijke wereld worden bereikt via de geaardheid der goedheid beschouwen de sâtvata's dat en nimmer enige andere [geaardheid] als de vorm van de Oorspronkelijke Persoon; en om die reden aanbidden de geestelijke autoriteiten in deze wereld de transcendentale persoonlijke gedaante [Vishnu] van U, en de gedaante van degenen met enkel U voor ogen [de vaishnava's], als zijnde het dierbaarst, o Allerhoogste Heer [zie ook 1.2: 26]. (47) Hij, de Allesdoordringende, Alomvattende Manifestatie en Meester van het Universum, de Allerhoogste Persoonlijkheid van God, bied ik mijn eerbetuigingen, daar Hij de hoogst aanbiddelijke godheid Nârâyana is, de wijze die de beste der mensen die, als de meester van de vedische geschriften met Zijn spraak onder controle, zich bevindt in volmaakte zuiverheid [zie hamsa]. (48) Hij inderdaad die, misleid door de begoochelende sluier over zijn ogen, afgeleid raakt in zijn intelligentie over de Aanwezigheid in zijn eigen zinnen, zijn hart en zelfs de voorwerpen waargenomen, kan, ook al was zijn begrip oorspronkelijk overdekt door Uw mâyâ, U kennen, de Geestelijk Leraar van Allen, als hij de vedische kennis verwerft. (49) De visie van de Opperziel, het mysterie onthuld door de vedische teksten, is waar de grote geleerden met de Ongeborene [Brahmâ] voorop verbijsterd over raken in hun pogingen om met allerlei filosofieën aan hun manier van leven aan te passen de kwesties die Hem aangaan die het begrip van de [geconditioneerde] geestelijke ziel te boven gaat, Hij, de Allerhoogste Persoonlijkheid die mijn eerbetoon geldt [vergelijk 1.3: 37, 4.31: 11,4.18: 5, 5.6.11, 5.14: 1, 7.15: 58, 11.19: 1, 11.20: 7 en B.G. 16: 23-24].

 next        

 
 

 

 

Bronteksten (geen voorgaande versie in het Nederlands beschikbaar):

Mârkandeya's Prayers to Nara-Nârâyana Rishi

 

Tekst 1:

S'rî S'aunaka zei: "O Sûta, moge u lang leven, o heilige man; o beste der sprekers, spreekt u alstublieft tot ons, want u bent voor de mensen die in de eindeloze duisternis ronddolen de ziener van het tegendeel.

S'rî S'aunaka said: O Sûta, may you live a long life! O saintly one, best of speakers, please continue speaking to us. Indeed, only you can show men the path out of the ignorance in which they are wandering.

 

Tekst 2-5:

Mensen zeggen dat de zoon van Mrikandu, de ziener [genaamd Mârkandeya], met een buitengewoon lange levensduur daadwerkelijk de enige was die overbleef bij het eindigen van de kalpa dat dit gehele universum omvatte. Hij, de meest vooraanstaande afstammeling van Bhrigu, werd deze kalpa feitelijk geboren in mijn eigen familie en we hebben in ons tijdperk tot nu toe nog geen grote zondvloed die de hele schepping omvat zien plaats vinden. Geheel alleen in deze grote oceaan ronddolend zag hij, zo zegt men, slechts één enkele, wonderbaarlijke persoonlijkheid, een baby jongetje, dat lag in de vouw van een banyan-blad. Hierover verkeren wij in grote twijfel; alstublieft, o yogî die door iedereen beschouwd wordt als zijnde de grootste met betrekking tot de purâna's, maak voor ons die er zo begerig naar uitzien hier een einde aan."

Authorities say that Mârkandeya Rishi, the son of Mrikandu. was an exceptionally long-lived sage who was the only survivor at the end of Brahmâ's day, when the entire universe was merged in the flood of annihilation. But this same Mârkandeya Rishi, the foremost descendant of Bhrigu, took birth in my own family during the current day of Brahmâ, and we have not yet seen any total annihilation in this day of Brahmâ. Also, it is well known that Mârkandeya while wandering helplessly in the great ocean of annihilation, saw in those fearful waters a wonderful personality-an infant boy lying alone within the fold of a banyan leaf. O Sûta, I am most bewildered and curious about this great sage, Mârkandeya Rishi. O great yogî, you are universally accepted as the authority on all the Purânas. Therefore kindly dispel my confusion.

   

Tekst 6

Sûta zei: "O grote wijze, deze vraag van u neemt de lichtzinnigheid weg van de ganse wereld daar ze voert tot de bespreking van het verhaal van Nârâyana dat het vuil van Kali-yuga wegneemt.

Sûta Gosvâmî said: O great sage S'aunaka, your very question will help remove everyone's illusion, for it leads to the topics of Lord Nârâyana, which cleanse away the contamination of this Kali age.

 

Tekst 7-11

Mârkandeya die, ordelijk de vedische lofzangen samen met de religieuze verplichtingen bestuderend, van zijn vader de wedergeboorte-initiatie rituelen had ontvangen, was volkomen in zijn verzakingen en studies. Zich aan de grote gelofte houdend [zie yama] droeg hij vredig met samengeklit haar en met boombast als zijn kleren de waterpot, de bedelstaf, de heilige draad en de gordel van het celibaat. Met het vel van een zwart hert en gebedskralen van lotuszaden aanbad hij voor het heil van zijn geregelde praktijk [zie niyama] bij de overgangen van de dag tot de Heer in de gedaante van het vuur, de zon, de goeroe, de geschoolden en de Allerhoogste Ziel. 's Ochtends en 's avonds bracht hij met zijn stem onder controle dat wat hij had ingezameld met bedelen naar zijn geestelijk leraar en at hij mee ertoe uitgenodigd of vastte hij indien dat niet zo was [zie ook 7.12; 5 en 7.14: 17]. Toen hij op deze manier van boete en studie voor een eindeloos aantal [miljoenen] jaren van aanbidding was geweest voor de Meester der Zinnen, had hij overwonnen wat onmogelijk te overwinnen was: de dood.

After being purified by his father's performance of the prescribed rituals leading to Mârkandeya's brahminical initiation, Mârkandeya studied the Vedic hymns and strictly observed the regulative principles. He became advanced in austerity and Vedic knowledge and remained a lifelong celibate. Appearing most peaceful with his matted hair and his clothing made of bark, he furthered his spiritual progress by carrying the mendicant's waterpot, staff, sacred thread, brahmacârî belt, black deerskin, lotus-seed prayer beads and bundles of kus'a grass. At the sacred junctures of the day he regularly worshiped the Supreme Personality of Godhead in five forms-the sacrificial fire, the sun, his spiritual master, the brâhmanas and the Supersoul within his heart. Morning and evening he would go out begging, and upon returning he would present all the food he had collected to his spiritual master. Only when his spiritual master invited him would he silently take his one meal of the day; otherwise he would fast. Thus devoted to austerity and Vedic study, Mârkandeya Rishi worshiped the supreme master of the senses, the Personality of Godhead, for countless millions of years, and in this way he conquered unconquerable death.

 

 Tekst 12

Brahmâ, Bhrigu, S'iva, Daksha, de zoons van Brahmâ en de andere menselijke wezens, de halfgoden, de voorvaderen en de geesten raakten allen zeer verbaasd daarover.

Lord Brahmâ, Bhrigu Muni, Lord S'iva, Prajâpati Daksha, the great sons of Brahmâ, and many others among the human beings, demigods, forefathers and ghostly spirits-all were astonished by the achievement of Mârkandeya Rishi.

   

Tekst 13

Met het op deze manier middels zijn verzakingen, recitaties en zinsbeteugeling standhouden met de grote gelofte, mediteerde de yogî op de Heer in het Voorbije en ontdeed hij met zijn geest inwaarts gekeerd zich van alle hindernissen.

In this way the devotional mystic Mârkandeya maintained rigid celibacy through penance, study of the Vedas and self-discipline. With his mind thus free of all disturbances, he turned it inward and meditated on the Supreme Personality of Godhead, who lies beyond the material senses.

 

Tekst 14

Met het aldus met het grote van de yoga concentreren van zijn geest, verstreek de enorme tijdspanne van zes manvantara's [van 71 mahâyuga's ieder].

While the mystic sage thus concentrated his mind by powerful yoga practice, the tremendous period of six lifetimes of Manu passed by.

 

Tekst 15

In de zevende periode van Manu raakte Purandara [Indra] die had vernomen van de verzakingen bevreesd, o brahmaan, en besloot hij hem te dwarsbomen.

O brâhmana, during the seventh reign of Manu, the current age, Lord Indra came to know of Mârkandeya's austerities and became fearful of his growing mystic potency. Thus he tried to impede the sage's penance.

 

Tekst 16

Hij stuurde hemelse zangers en dansmeisjes, Cupido, het lenteseizoen, de [naar sandelhout geurende] Malaya-bries, het kind van de hartstocht en het kind van de bedwelming op de wijze af.

To ruin the sage's spiritual practice, Lord Indra sent Cupid, beautiful celestial singers, dancing girls, the season of spring and the sandalwood-scented breeze from the Malaya Hills, along with greed and intoxication personified.

 

Tekst 17

O machtige, zij begaven zich aldus naar zijn hermitage aan de noordzijde gelegen van de Himâlaya's alwaar men de rivier de Pushpabhadrâ aantreft en de bergpiek genaamd Citrâ.

O most powerful S'aunaka, they went to Mârkandeya's hermitage, on the northern side of the Himâlaya Mountains where the Pushpabhadrâ River passes by the famous peak Citrâ.

 

Tekst 18-20

De goede plek van de âs'rama waar vele tweemaal geboren zielen waren gekomen om er te leven, werd omlijst door fijn geboomte en klimplanten en kende overal bekkens vol van kristalhelder water. Zoemend van de doldwaze bijen was het er druk van allerlei vogelfamilies - opgewonden roepende koekoeken en druk dansende, trotse pauwen. De winden die er woeien voerden de verkoelende mistdruppels met zich mee van de watervallen en vormden, omarmd door de bekoring der bloemen, een uitnodiging voor de god van de liefde.

Groves of pious trees decorated the holy âs'rama of Mârkandeya Rishi, and many saintly brâhmanas lived there, enjoying the abundant pure, sacred ponds. The âs'rama resounded with the buzzing of intoxicated bees and the cooing of excited cuckoos, while jubilant peacocks danced about. Indeed, many families of maddened birds crowded that hermitage. The springtime breeze sent by Lord Indra entered there, carrying cooling drops of spray from nearby waterfalls. Fragrant from the embrace of forest flowers, that breeze entered the hermitage and began evoking the lusty spirit of Cupid.

 

Tekst 21

Met de maan die in de nacht rijzend zijn gezicht toonde, deed zich daar de lente voor in reeksen van nieuwe spruiten en bloesems met de veelvoud aan klimplanten die innig verstrengeld waren met de bomen.

Springtime then appeared in Mârkandeya's âs'rama. Indeed, the evening sky, glowing with the light of the rising moon, became the very face of spring, and sprouts and fresh blossoms virtually covered the multitude of trees and creepers.

 

Tekst 22

Gevolgd door groepen zingende en muziekinstrumenten bespelende gandharva's, liet de god van de liefde, de meester van hordes van hemelse vrouwen, zich daar zien met zijn boog en zijn pijlen in zijn hand.

Cupid, the master of many heavenly women, then came there holding his bow and arrows. He was followed by groups of Gandharvas playing musical instruments and singing.

 

Tekst 23

De dienaren van Indra troffen op die plek hem daar aan die, met het gebracht hebben van zijn offers, met gesloten ogen neerzat in meditatie zo onoverwinnelijk als het vuur zelve.

These servants of Indra found the sage sitting in meditation, having just offered his prescribed oblations into the sacrificial fire. His eyes closed in trance, he seemed invincible, like fire personified.

 

Tekst 24

De vrouwen dansten recht voor hem en de zangers van de hemel zongen en maakten muziek met trommels, cimbalen en vînâ's.

The women danced before the sage, and the celestial singers sang to the charming accompaniment of drums, cymbals and vînâs.

 

Tekst 25

Terwijl de dienaren van Indra, het kind van de lente en het kind van de begeerte poogden de geest van de wijze in beroering te krijgen, legde de vijfkoppige Cupido (naar het zien, het horen, het ruiken, het voelen en het proeven) een pijl aan op zijn boog.

While the son of passion [greed personified], spring and the other servants of Indra all tried to agitate Mârkandeya's mind, Cupid drew his five-headed arrow and fixed it upon his bow.

 

Tekst 26-27

Uit het haar van Puñjikasthalî [een Apsara] die met haar middel zwaar overhangen door haar geweldige borsten aan het spelen was met een aantal ballen, vielen de bloemen uit hun haarvlecht. Achter de ballen aanhollend, met haar ogen van links naar rechts schietend, gleed de gordel van haar dunne kleed los en tilde de wind de fijne stof van haar kledingstuk op [zie ook 3.20: 35-36, 3.22: 17, 5.2: 14, 8.12: 17-24].

The Apsarâ Puñjikasthalî made a show of playing with a number of toy balls. Her waist seemed weighed down by her heavy breasts, and the wreath of flowers in her hair became disheveled. As she ran about after the balls, glancing here and there, the belt of her thin garment loosened, and suddenly the wind blew her clothes away.

 

Tekst 28

Cupido, denkend dat hij hem verslagen had, schoot toen zijn pijl weg, maar dit alles gericht op de wijze bleek zo nutteloos als de pogingen van een ongelovige.

Cupid, thinking he had conquered the sage, then shot his arrow. But all these attempts to seduce Mârkandeya proved futile, just like the useless endeavors of an atheist.

 

Tekst 29

O wijze, op deze manier trachtend de wijze in verlegenheid te brengen, voelden ze hoe ze zich zelf brandden aan zijn vermogen en dus zagen ze er, als kinderen die een slang hadden uitgelokt, van af.

O learned S'aunaka, while Cupid and his followers tried to harm the sage, they felt themselves being burned alive by his potency. Thus they stopped their mischief, just like children who have aroused a sleeping snake.

 

Tekst 30

O brahmaan, hoewel de volgelingen van Indra de grote muni grof hadden verstoord, gaf hij niet in het minst toe aan de sentimenten van het ego, hetgeen in het geheel niet zo verrassend is voor grote zielen.

O brâhmana, the followers of Lord Indra had impudently attacked the saintly Mârkandeya, yet he did not succumb to any influence of false ego. For great souls such tolerance is not at all surprising.

 

Tekst 31

Ziend en horend hoe onder de invloed van de brahmaanse ziener Kâmadeva samen met zijn metgezellen machteloos bleken, verviel de machtige koning van de hemel in een grote verwondering.

The mighty King Indra was most astonished when he heard of the mystic prowess of the exalted sage Mârkandeya and saw how Cupid and his associates had become powerless in his presence.

 

Tekst 32

Met zijn op die manier zich concentreren van zijn geest in verzaking, recitatie en ingetogenheid manifesteerde de Allerhoogste Heer Zichzelf om als Nara-Nârâyana van genade te zijn.

Desiring to bestow His mercy upon the saintly Mârkandeya, who had perfectly fixed his mind in self-realization through penance, Vedic study and observance of regulative principles, the Supreme Personality of Godhead personally appeared before the sage in the forms of Nara and Nârâyana.

 

Tekst 33-34

Van Hen twee was de ene blank en de andere zwart; Hun ogen waren als bloeiende lotussen, van Hun armen waren er vier, Hun kleding bestond uit zwart hertenvel en uit boombast, Hun handen allerzuiverst, droegen een waterpot en een rechte staf van bamboe, en Hun heilige draad bestond er uit drie. Met gebedskralen van lotuszaden die alle menselijke wezens zuiveren en met de Veda's [in de vorm van bundels darbha] representeerden zij, aanbeden door de belangrijkste halfgoden, gloedvol geel van kleur en lang van stuk stralend van het licht, de verzaking.

One of Them was of a whitish complexion, the other blackish, and They both had four arms. Their eyes resembled the petals of blooming lotuses, and They wore garments of black deerskin and bark, along with the three-stranded sacred thread. In Their hands, which were most purifying, They carried the mendicant's waterpot, straight bamboo staff and lotus-seed prayer beads, as well as the all-purifying Vedas in the symbolic form of bundles of darbha grass. Their bearing was tall and Their yellow effulgence the color of radiant lightning. Appearing as austerity personified, They were being worshiped by the foremost demigods.

 

Tekst 35

Hen ziend, Nara en Nârâyana, voorwaar de persoonlijke manifestaties van de Hoogste Persoonlijkheid van God, stond hij op om met het grootste respect zijn eer te betonen en zich plat voorover te werpen.

These two sages, Nara and Nârâyana, were the direct personal forms of the Supreme Lord. When Mârkandeya Rishi saw Them, he immediately stood up and then with great respect offered Them obeisances by falling down flat on the ground like a stick.

 

Tekst 36

Hij was, omdat hij Hen te zien kreeg, gelukkig in zijn hele lijf, geest en zinnen met de haren op zijn lichaam recht overeind, en kon, met de tranen die zijn ogen vulden, zijn blik niet op Hen vestigen.

The ecstasy of seeing Them completely satisfied Mârkandeya's body, mind and senses and caused the hairs on his body to stand on end and his eyes to fill with tears. Overwhelmed, Mârkandeya found it difficult to look at Them.

 

Tekst 37

Deemoedig met gevouwen handen sprak hij begerig als hij was Hen te omarmen verstikt aldus tot de twee Heren de lettergrepen 'na-ma-ha, na-ma-ha' (mijn eerbetuigingen, mijn eerbetuigingen).

Standing with his hands folded in supplication and his head bowed in humility, Mârkandeya felt such eagerness that he imagined he was embracing the two Lords. In a voice choked with ecstasy, he repeatedly said, "I offer You my humble obeisances."

 

Tekst 38

Met het Hen bieden van zitplaatsen, het wassen van Hun voeten en insmeren met sandelhout en andere geurige substanties, was hij van aanbidding met wierook en bloemenslingers.

He gave Them sitting places and washed Their feet, and then he worshiped Them with presentations of arghya, sandalwood pulp, fragrant oils, incense and flower garlands.

 

Tekst 39

Comfortabel gezeten op Hun zitplaatsen klaar om Hun genade te betonen sprak hij, opnieuw voor Hun voeten neerbuigend, het volgende tot de Hoogst Aanbiddelijke Persoonlijkheden.

Mârkandeya Rishi once again bowed down at the lotus feet of those two most worshipable sages, who were sitting at ease, ready to bestow all mercy upon him. He when addressed Them as follows.

 

Tekst 40

S'rî Mârkandeya zei: 'O Almachtige hoe kan ik U onder woorden brengen door Wie werkelijk van alle belichaamde levende wezens zowel als van Brahmâ, S'iva als van mijzelf de lucht van ademen in gang wordt gezet en het leven vindt, het spraakvermogen daarop volgt en door Wie de geest en de zinnen in werking treden; niettemin wordt U voor degenen die van aanbidding zijn een liefdevolle vriend.

S'rî Mârkandeya said: O Almighty Lord, how can I possibly describe You? You awaken the vital air, which then impels the mind, senses and power of speech to act. This is true for all ordinary conditioned souls and even for great demigods like Brahmâ and S'iva. So it is certainly true for me. Nevertheless, You become the intimate friend of those who worship You.

 

Tekst 41

Deze persoonlijke gedaante van de Fortuinlijke, o Opperheer, toont U voor het uiteindelijke heil van het beëindigen van de materiële ellende en het overwinnen van de dood; en net zoals U, voor de bescherming op verschillende manieren andere bovenzinnelijke lichamen manifesteert, verzwelgt U als U eenmaal dit universum hebt geschapen, net als een spin, het in zijn geheel weer.

O Supreme Personality of Godhead, these two personal forms of Yours have appeared to bestow the ultimate benefit for the three worlds - the cessation of material misery and the conquest of death. My Lord, although You create this universe and then assume many transcendental forms to protect it, You also swallow it up, just like a spider who spins and later withdraws its web.

 

Tekst 42

Van Hem de Beschermer, de Allerhoogste Beheerser van hen die zich bewegen en die zich niet bewegen, wordt degene die zich bevindt aan Zijn voetzolen nimmer geraakt door de emoties van karma, guna en kâla; het is voor U inderdaad voor wie de wijzen met de Veda in hun hart zich ieder moment ter verering en meditatie in lof neerbuigen, zodat ze mogen reiken tot.

Because You are the protector and the supreme controller of all moving and nonmoving beings, anyone who takes shelter of Your lotus feet can never be touched by the contamination of material work, material qualities or time. Great sages who have assimilated the essential meaning of the Vedas offer their prayers to You. To gain Your association, they bow down to You at every opportunity and constantly worship You and meditate upon You.

 

Tekst 43

Niets anders dan het bereiken van Uw voeten, de eigenlijke vorm van de bevrijding, brengt de persoon, die van alle kanten te vrezen heeft o Heer, zijn heil; we weten dat Brahmâ, wiens tijd twee parârdha's beslaat, op grond hiervan hoogst bevreesd is, bang vanwege de Tijd die U bent - en wat te zeggen van de wereldse levensvormen door hem geschapen? [zie 10.13: 56]

My dear Lord, even Lord Brahmâ, who enjoys his exalted position for the entire duration of the universe, fears the passage of time. Then what to speak of those whom Brahmâ creates, the conditioned souls. They encounter fearful dangers at every step of their lives. I do not know of any relief from this fear except shelter at Your lotus feet, which are the very form of liberation.

 

Tekst 44

Dus verzaak ik om die reden deze overdekking van het zelf, het materiële lichaam en alles erbij dat tijdelijk, enkel voor een ogenblik herinnerd, niet-essentieel zijnde zo betekenisloos is, en ben ik van aanbidding voor de voetzolen van U, de Intelligentie van het Werkelijke en de Meester van de Ziel die de Absolute Waarheid bent en van Wie men alles krijgt wat men zich maar kan wensen.

Therefore I worship Your lotus feet, having renounced my identification with the material body and everything else that covers my true self. These useless, insubstantial and temporary coverings are merely presumed to be separate from You, whose intelligence encompasses all truth. By attaining You-the Supreme Godhead and the master of the soul-one attains everything desirable.

 

Tekst 45

O Heer, o Vriend van de Ziel, alhoewel de voortbrengselen van Uw begoochelende vermogen bekend onder de namen sattva, rajas en tamas, er voor de doelstellingen van de handhaving, vernietiging en schepping van dit universum zijn als [Uw] vermaak, is het de [sattvische] goedheid die [met U] voortbestaat voor de bevrijding en niet de andere twee welke de mens gevaar, verbijstering en angst bezorgen [zie ook guna-avatâra's en 10.89: 18].

O my Lord, O supreme friend of the conditioned soul, although for the creation, maintenance and annihilation of this world You accept the modes of goodness, passion and ignorance, which constitute Your illusory potency, You specifically employ the mode of goodness to liberate the conditioned souls. The other two modes simply bring them suffering, illusion and fear.

 

Tekst 46

Omdat de onbevreesdheid, het geluk van de ziel en de geestelijke wereld worden bereikt via de geaardheid der goedheid beschouwen de sâtvata's dat en nimmer enige andere [geaardheid] als de vorm van de Oorspronkelijke Persoon; en om die reden aanbidden de geestelijke autoriteiten in deze wereld de transcendentale persoonlijke gedaante [Vishnu] van U, en de gedaante van degenen met enkel U voor ogen [de vaishnava's], als zijnde het dierbaarst, o Allerhoogste Heer [zie ook 1.2: 26].

O Lord, because fearlessness, spiritual happiness and the kingdom of God are all achieved through the mode of pure goodness, Your devotees consider this mode, but never passion and ignorance, to be a direct manifestation of You, the Supreme Personality of Godhead. Intelligent persons thus worship Your beloved transcendental form, composed of pure goodness, along with the spiritual forms of Your pure devotees.

 

Tekst 47

Hij, de Allesdoordringende, Alomvattende Manifestatie en Meester van het Universum, de Allerhoogste Persoonlijkheid van God, bied ik mijn eerbetuigingen, daar Hij de hoogst aanbiddelijke godheid Nârâyana is, de wijze die de beste der mensen die, als de meester van de vedische geschriften met Zijn spraak onder controle, zich bevindt in volmaakte zuiverheid [zie hamsa].

I offer my humble obeisances to Him, the Supreme Personality of Godhead. He is the all-pervading and all-inclusive form of the universe, as well as its spiritual master. I bow down to Lord Nârâyana, the supremely worshipable Deity appearing as a sage, and also to the saintly Nara, the best of human beings, who is fixed in perfect goodness, fully in control of his speech, and the propagator of the Vedic literatures.

 

Tekst 48

Hij inderdaad die, misleid door de begoochelende sluier over zijn ogen, afgeleid raakt in zijn intelligentie over de Aanwezigheid in zijn eigen zinnen, zijn hart en zelfs de voorwerpen waargenomen, kan, ook al was zijn begrip oorspronkelijk overdekt door Uw mâyâ, U kennen, de Geestelijk Leraar van Allen, als hij de vedische kennis verwerft.

A materialist, his intelligence perverted by the action of his deceptive senses, cannot recognize You at all, although You are always present within his own senses and heart and also among the objects of his perception. Yet even though one's understanding has been covered by Your illusory potency, if one obtains Vedic knowledge from You, the supreme spiritual master of all, he can directly understand You.

 

Tekst 49

De visie van de Opperziel, het mysterie onthuld door de vedische teksten, is waar de grote geleerden met de Ongeborene [Brahmâ] voorop verbijsterd over raken in hun pogingen om met allerlei filosofieën aan hun manier van leven aan te passen de kwesties die Hem aangaan die het begrip van de [geconditioneerde] geestelijke ziel te boven gaat, Hij, de Allerhoogste Persoonlijkheid die mijn eerbetoon geldt [vergelijk 1.3: 37, 4.31: 11,4.18: 5, 5.6.11, 5.14: 1, 7.15: 58, 11.19: 1, 11.20: 7 en B.G. 16: 23-24].

My dear Lord, the Vedic literatures alone reveal confidential knowledge of Your supreme personality, and thus even such great scholars as Lord Brahmâ himself are bewildered in their attempt to understand You through empirical methods. Each philosopher understands You according to his particular speculative conclusions. I worship that Supreme Person, knowledge of whom is hidden by the bodily designations covering the conditioned soul's spiritual identity.

  

 

 

 

 

 

Voor deze vertaling werd de Vedabase van de BBT gebruikt die het werk van Svâmi Prabhupâda's
leerlingen biedt dat werd verricht voor het voltooien van zijn vertaling van het Bhâgavatam.

Zie de S'rîmad Bhâgavatam linkspagina
voor de Vedabase en/of een download van dit boek en andere boeken van Prabhupâda.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd  


 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties