Hoofdstuk 9:
Mârkandeya
Wordt de Heer Zijn Begoochelend Vermogen Getoond
(1)
S'rî
Sûta zei: "De Allerhoogste Heer Nârâyana, de
vriend van Nara, op deze manier door Mârkandeya, de
intelligente wijze, naar behoren gerespecteerd, sprak voldaan
tot de eminente navolger van Bhrigu. (2)
De Opperheer zei: 'O genoegen van Mij, u, volmaakt in uw
concentratie op de ziel, bent de beste van alle brahmaanse
zieners; niet afwijkend in uw toegewijde dienst, verzakingen,
recitaties en concentratie bent u op Mij gericht.
(3)
We zijn geheel tevredengesteld door u met uw vasthouden aan de
gelofte van een levenslang celibaat; alstublieft doe een wens
naar uw keuze, want Ik ben de Verlener van Alle Zegeningen die
u het beste wenst'.
(4)
De
achtenswaardige rishi zei: 'U, o Heer der Heerscharen, o
Onfeilbare, bent zegerijk als de Verdrijver van Al het Leed van
de Overgegevene en aan zoveel als de zegening van het hebben
mogen aanschouwen van Uw goede Zelf hebben we genoeg.
(5)
Brahmâ en anderen verkregen met een geest gerijpt in de
yoga allen het zicht op Uw almachtige lotusvoeten en Hij,
Uzelf, bent nu waarneembaar voor onze ogen. (6)
Niettemin o Lotusogige Kroonjuweel van de Roem, zou ik graag
getuige willen zijn van Uw begoochelend vermogen als gevolg
waarvan de ganse wereld tezamen met haar leiders de
materiële differentiatie van het Absolute voor ogen heeft
[vergelijk B.G. 11:
3-4].'
(7)
Sûta
zei: 'Nadat Hij in deze bewoordingen door de rishi was
verheerlijkt zei Hij, de Opperheer die tot Zijn tevredenheid
was aanbeden, glimlachend: 'Zo zij het'. Daarna vertrok de Heer
naar Badarikâs'rama. (8-9)
De rishi die aan niets anders dacht dan aan dat doel
[van het getuige zijn van de energie van de Heer] hield
zich aldus op in zijn hermitage, om onder alle omstandigheden
op de Heer te mediteren met alles wat in zijn vermogen lag: het
vuur, de zon, de maan, het water, de aarde, de wind, de bliksem
alsook zijn eigen hart. Aldus van aanbidding vergat hij soms
zijn eerbewijzen als hij was verzonken in de vloed van de
zuivere liefde van God [prema].
(10)
Toen de wijze op een dag, o beste van Bhrigu, met zijn
avondritueel bezig was op de oever van de Pushpabhadrâ, o
brahmaan, stak er een hevige wind op. (11)
Die gaf een verschrikkelijk rumoer gevolgd door het verschijnen
van dreigende wolken zo compact als wagenwielen die luid
rommelend met blikseminslagen de regen overal in bakken deden
neerstromen. (12)
Toen verschenen er van alle kanten de vier oceanen die de
oppervlakte van de aarde in bezit namen met hoog door de wind
opgestuwde golven waarin, gepaard aan onheilspellende geluiden,
zich angstwekkende draaikolken en verschrikkelijke zeemonsters
bevonden.
(13)
Vol verbijstering sloeg de wijze de schrik om het hart toen hij
zag hoe de aarde onderstroomde en al de vier soorten bewoners
van het universum [zoals geboren uit vocht, zaad, embryo's
en eieren], met inbegrip van hemzelf, innerlijk en
uiterlijk werden geteisterd door het water dat hoger dan de
hemel steeg, de felle winden, de bliksemschichten en de golven
die torenden tot in de ruimte. (14)
En terwijl hij toekeek werden de wateren van de grote oceaan,
die aanzwollen door de regen uit de wolken die de ganse aarde
met zijn continenten, eilanden en bergen overdekten, door
orkanen tot kolken gebracht met angstwekkende golven.
(15)
Met de drie werelden, de aarde, de ruimte, de hemellichamen en
hemelse oorden van alle kanten overstroomd, zwierf de wijze,
als de enige die was overgebleven, met zijn samengeklitte haar
in wanorde rond als was hij een blinde zonder verstand.
(16)
In de greep van de honger en de dorst, aangevallen door
monsterachtige krokodillen en walvis-eters en geplaagd door de
winden doolde hij, gekweld door de golven en overmand door
vermoeidheid, door het eindeloze duister waarin hij was beland,
niet meer wetend in welke richting van de hemel of de aarde hij
zich begaf. (17-18)
Soms verdrinkend in een grote draaikolk en dan weer gegeseld
door de golven werd hij af en toe belaagd door de monsters die
hem wilden opeten en dan weer elkaar aanvielen. Noodlijdend
voelde hij zich soms ziek en leed hij pijn met depressies bij
gelegenheid terwijl hij op andere tijden verbijsterd was of
ellendig en dan weer een gelukkig moment had of doodsangsten
uitstond. (19)
Talloze en talloze, honderden en duizenden jaren verstreken
waarin hij met zijn geest in beslag genomen ronddoolde in die
mâyâ, die begoochelende materiële
energie van Vishnu. (20)
Op een keer, toen hij daar zo rondzwierf, zag de tweemaal
geborene op een hoger gelegen stukje aarde een prachtige, jonge
banyanboom met vruchten en bloesems. (21)
Op een tak van die boom zag hij in noordoostelijke richting
bovendien een baby, een jongetje liggen in de vouw van een blad
dat de duisternis met zijn uitstraling opslokte [zie ook
3.33:
4].
(22-25)
Verbaasd dronk die koning onder de geleerden met zijn ogen de
aanblik in van Zijn huidskleur die zo donkerblauw was als een
geweldige edelsteen, Zijn mooie lotusgezichtje, Zijn als een
schelphoorn gestreepte nek, Zijn brede borst, fijne neusje en
prachtige wenkbrauwtjes. Hij laafde zich aan Zijn mooie
haartjes die meetrilden met Zijn ademhaling, Zijn fraaie
schelpvormige oortjes die op de bloemen van een granaatappel
leken, Zijn lippen van koraal die met hun gloed Zijn
nectargelijke glimlach ietwat rood kleurden, Zijn aangezicht
met een bekoorlijke glimlach en met Zijn ooghoeken zo roze als
de werveling van een lotus, de door Zijn ademen bewogen plooien
in Zijn buikje ingedeukt door de op een generfd blad lijkende
diepe navel, en ... zag hij hoe het kindje met de genadige
vingertjes van Zijn twee handjes een van Zijn lotusvoetjes
beetgreep en die in Zijn mondje stak [*].
(26)
Toen hij het zag was zijn matheid bij toverslag verdwenen en
spreidden zich uit vreugde de lotus van zijn hart en zijn
lotusogen wijd open. Verward over de identiteit van de
wonderlijke verschijning naderde hij met zijn haren recht
overeind het kindje recht van voren om een antwoord te vinden.
(27)
Precies op dat moment werd de man van Bhrigu als een mug met de
adem van de baby in Zijn lichaam gezogen en stond hij versteld
toen hij vanuit die positie het ganse universum weer zag zoals
het voorheen was geweest. (28-29)
Hij aanschouwde het ganse uitspansel van al de sterren, de
bergen en de oceanen, en de richtingen van de grote eilanden en
de continenten. Hij zag de verlichte en onverlichte zielen, de
bossen, de landen, de rivieren, steden en mijnen; de
boerengehuchten, de weilanden en de verschillende bezigheden
van de varnâs'rama
samenleving. Hij aanschouwde de basiselementen van de natuur en
al hun grofstoffelijke manifestaties, alsook de Tijd zelve van
de verschillende yuga's
en kalpa's
en elk ander materieel voorwerp van nut in het universum dat
was gemanifesteerd alsof het echt was. (30)
Toen hij de Himâlaya's bekeek, de
Pushpabhadrâ-rivier en zijn hermitage waar hij de
rishi's had ontmoet [Nara en
Nârâyana], werd hij, met het universum aldus
voor ogen, via de adem van de baby opnieuw naar buiten geworpen
om terug te vallen in de oceaan der vernietiging.
(31-32)
Op het hogere stuk grond in het water waar de banyan groeide,
was er daar het kind weer liggend in de vouw van Zijn blad, dat
met een nectargelijke blik vol liefde hem aankeek vanuit Zijn
ooghoeken. Met die aanblik voor ogen plaatste hij de baby in
zijn hart en rende hij hoogst opgewonden op de Heer van het
Voorbije af om Hem in zijn armen te sluiten. (33)
Op dat ogenblik werd Hij, de Allerhoogste Heer, die de
Oorspronkelijke Heer van de Yoga is die schuilgaat in het hart
van alle levende wezens in eigen persoon, opeens onzichtbaar
voor de rishi, op dezelfde manier als dat wat door een
incompetent iemand is vervaardigd het plots kan laten afweten.
(34)
O brahmaan, Hem volgend verdwenen daarop de banyan en de
wateren der vernietiging van de wereld, en trof hij zichzelf
het volgende moment, als voorheen, recht voor zijn eigen
âs'rama aan."

Tweede editie,
geladen 4 november 2009

Voorgaande
Aadhar-editie en
Vedabase links:
Tekst
1
S'rî
Sûta zei: "De Allerhoogste Heer Nârâyana, de
vriend van Nara, op deze manier door Mârkandeya, de
intelligente wijze, naar behoren gerespecteerd, sprak voldaan
tot de eminente navolger van Bhrigu.
S'rî
Sûta zei: "De Allerhoogste Heer Nârâyana,
de vriend van Nara, op deze manier door Mârkandeya, de
intelligente wijze, naar behoren gerespecteerd, sprak
voldaan tot de eminente navolger van Bhrigu.
(Vedabase)
Tekst
2
De Opperheer
zei: 'O genoegen van Mij, u, volmaakt in uw concentratie op de
ziel, bent de beste van alle brahmaanse zieners; niet afwijkend
in uw toegewijde dienst, verzakingen, recitaties en
concentratie bent u op Mij gericht.
De
Opperheer zei: 'O genoegen van Mij, u, volmaakt in uw
concentratie op de ziel, bent de beste van alle brahmaanse
zieners; niet afwijkend in uw toegewijde dienst,
verzakingen, recitaties en concentratie bent u gericht op
Mij. (Vedabase)
Tekst
3
We zijn geheel
tevredengesteld door u met uw vasthouden aan de gelofte van een
levenslang celibaat; alstublieft doe een wens naar uw keuze,
want Ik ben de Verlener van Alle Zegeningen die u het beste
wenst'.
We
zijn geheel tevreden gesteld door u met uw vasthouden aan de
gelofte van een levenslang celibaat; alstublieft doe een
wens naar uw keuze, want Ik ben de Verlener van Alle
Zegeningen die u het beste wenst'.
(Vedabase)
Tekst
4
De
achtenswaardige rishi zei: 'U, o Heer der Heerscharen, o
Onfeilbare, bent zegerijk als de Verdrijver van Al het Leed van
de Overgegevene en aan zoveel als de zegening van het hebben
mogen aanschouwen van Uw goede Zelf hebben we genoeg.
De
achtenswaardige rishi zei: 'U, o Heer der Heerscharen, o
Onfeilbare, bent zegerijk als de Verdrijver van Al het Leed
van de Overgegevene en aan zoveel als de zegening van het
hebben mogen aanschouwen van Uw goede Zelf hebben we genoeg.
(Vedabase)
Tekst
5
Brahmâ en
anderen verkregen met een geest gerijpt in de yoga allen het
zicht op Uw almachtige lotusvoeten en Hij, Uzelf, bent nu
waarneembaar voor onze ogen.
Brahmâ
en anderen met een geest gerijpt in de yoga ontvingen allen
het zicht op Uw alvermogende lotusvoeten en Hij, U Zelf,
bent nu waarneembaar voor onze ogen.
(Vedabase)
Tekst
6
Niettemin o
Lotusogige Kroonjuweel van de Roem, zou ik graag getuige willen
zijn van Uw begoochelend vermogen als gevolg waarvan de ganse
wereld tezamen met haar leiders de materiële
differentiatie van het Absolute voor ogen heeft [vergelijk
B.G. 11:
3-4].'
Niettemin
verlang ik, o Kroonjuweel van de Roem met de Lotusogen, het
om getuige te zijn van uw bedrieglijk vermogen waarmee de
ganse wereld tezamen met haar leiders de materiële
differentiatie van het Absolute voor ogen heeft.'
[vergelijk B.G. 11: 3-4]
(Vedabase)
Tekst
7
Sûta zei:
'Nadat Hij in deze bewoordingen door de rishi was
verheerlijkt zei Hij, de Opperheer die tot Zijn tevredenheid
was aanbeden, glimlachend: 'Zo zij het'. Daarna vertrok de Heer
naar Badarikâs'rama.
Sûta
zei: ''In deze bewoordingen door de rishi verheerlijkt zei
Hij, de Opperheer tot Zijn tevredenheid aanbeden
glimlachend, 'Zo zij het', waarop de Beheerser naar
Badarikâs'rama vertrok. (Vedabase)
Tekst
8-9
De rishi
die aan niets anders dacht dan aan dat doel [van het
getuige zijn van de energie van de Heer] hield zich aldus
op in zijn hermitage, om onder alle omstandigheden op de Heer
te mediteren met alles wat in zijn vermogen lag: het vuur, de
zon, de maan, het water, de aarde, de wind, de bliksem alsook
zijn eigen hart. Aldus van aanbidding vergat hij soms zijn
eerbewijzen als hij was verzonken in de vloed van de zuivere
liefde van God [prema].
De
rishi die aldus aan dat doel denkend zich enkel in zijn
eigen hermitage ophield, mediteerde in iedere omstandigheid
op de Heer met al de dingen die hij had - het vuur, de zon,
de maan, het water, de aarde, de wind, de bliksem zowel als
zijn eigen hart . Aldus van aanbidding vergat hij soms zijn
eerbewijzen als hij was verzonken in de vloed van de zuivere
liefde van God [prema].
(Vedabase)
Tekst
10
Toen de wijze
op een dag, o beste van Bhrigu, met zijn avondritueel bezig was
op de oever van de Pushpabhadrâ, o brahmaan, stak er een
hevige wind op.
Toen
de wijze op een dag, o beste van Bhrigu, met zijn
avondritueel bezig was op de oever van de
Pushpabhadrâ, o brahmaan, stak er een hevige wind op.
(Vedabase)
Tekst
11
Die gaf een
verschrikkelijk rumoer gevolgd door het verschijnen van
dreigende wolken zo compact als wagenwielen die luid rommelend
met blikseminslagen de regen overal in bakken deden
neerstromen.
Die
gaf een verschrikkelijk rumoer gevolgd door het verschijnen
van dreigende wolken zo compact als wagenwielen die luid
rommelend met blikseminslagen de regen overal in bakken
deden neerstromen. (Vedabase)
Tekst
12
Toen verschenen
er van alle kanten de vier oceanen die de oppervlakte van de
aarde in bezit namen met hoog door de wind opgestuwde golven
waarin, gepaard aan onheilspellende geluiden, zich
angstwekkende draaikolken en verschrikkelijke zeemonsters
bevonden.
Toen
verschenen er van alle kanten de vier oceanen die de
oppervlakte van de aarde in bezit namen met door de wind
hoog opgestuwde golven waarin, gepaard met onheilspellende
geluiden, zich angstwekkende draaikolken en verschrikkelijke
zeemonsters bevonden. (Vedabase)
Tekst
13
Vol
verbijstering sloeg de wijze de schrik om het hart toen hij zag
hoe de aarde onderstroomde en al de vier soorten bewoners van
het universum [zoals geboren uit vocht, zaad, embryo's en
eieren], met inbegrip van hemzelf, innerlijk en uiterlijk
werden geteisterd door het water dat hoger dan de hemel steeg,
de felle winden, de bliksemschichten en de golven die torenden
tot in de ruimte.
Onthutst
werd de wijze bang toen hij zag hoe de aarde onderstroomde
en al de vier soorten bewoners van het universum [uit
vocht, zaad, embryo's en eieren], met inbegrip van
hemzelf, innerlijk en vanbuiten in hoge nood verkeerden door
het water dat hoger dan de hemel steeg, de felle winden, de
bliksemschichten en de golven die torenden tot in de ruimte.
(Vedabase)
Tekst
14
En terwijl hij
toekeek werden de wateren van de grote oceaan, die aanzwollen
door de regen uit de wolken die de ganse aarde met zijn
continenten, eilanden en bergen overdekten, door orkanen tot
kolken gebracht met angstwekkende golven.
Terwijl
hij toekeek werden van de grote oceaan de wateren die
aanzwollen door de regen uit de wolken die de ganse aarde
met zijn continenten, eilanden en bergen overdekten, door
orkanen tot kolken gebracht met angstwekkende golven.
(Vedabase)
Tekst
15
Met de drie
werelden, de aarde, de ruimte, de hemellichamen en hemelse
oorden van alle kanten overstroomd, zwierf de wijze, als de
enige die was overgebleven, met zijn samengeklitte haar in
wanorde rond als was hij een blinde zonder verstand.
Met
de drie werelden, de aarde, de ruimte, de hemellichamen en
hemelse oorden van alle kanten overstroomd, zwierf de wijze,
als de enige die was overgebleven, rond als was hij een
persoon blind en zonder verstand, met zijn, met zijn
samengeklitte haar in wanorde. (Vedabase)
Tekst
16
In de greep van
de honger en de dorst, aangevallen door monsterachtige
krokodillen en walvis-eters en geplaagd door de winden doolde
hij, gekweld door de golven en overmand door vermoeidheid, door
het eindeloze duister waarin hij was beland, niet meer wetend
in welke richting van de hemel of de aarde hij zich begaf.
In
de greep van de honger en de dorst, aangevallen door
monsterachtige krokodillen en walvis-eters en geplaagd door
de winden doolde hij, gekweld door de golven, en overmand
door vermoeidheid niet meer wetend in welke richting van de
hemel of de aarde hij zich begaf, door het eindeloze duister
waarin hij was beland. (Vedabase)
Tekst
17-18
Soms
verdrinkend in een grote draaikolk en dan weer gegeseld door de
golven werd hij af en toe belaagd door de monsters die hem
wilden opeten en dan weer elkaar aanvielen. Noodlijdend voelde
hij zich soms ziek en leed hij pijn met depressies bij
gelegenheid terwijl hij op andere tijden verbijsterd was of
ellendig en dan weer een gelukkig moment had of doodsangsten
uitstond.
Soms
verdrinkend in een grote draaikolk en dan weer gegeseld door
de golven dreigde somtijds te worden verslonden door de
monsters die dan weer elkaar aanvielen, en ervoer hij in
nood soms hoe hij ziek was en pijn leed met depressies bij
gelegenheid en hij op andere ogenblikken verbijsterd was,
ellendig was, een gelukkig moment had of doodsangsten
uitstond. (Vedabase)
Tekst
19
Talloze en
talloze, honderden en duizenden jaren verstreken waarin hij met
zijn geest in beslag genomen ronddoolde in die
mâyâ, die begoochelende materiële
energie van Vishnu.
Talloze
en talloze, honderden en duizenden jaren verstreken dat hij
met zijn geest in beslag genomen ronddoolde in die
mâyâ, die begoochelende materiële energie
van Vishnu. (Vedabase)
Tekst
20
Op een keer,
toen hij daar zo rondzwierf, zag de tweemaal geborene op een
hoger gelegen stukje aarde een prachtige, jonge banyanboom met
vruchten en bloesems.
Op
een keer, toen hij daar zo rondzwierf, zag de tweemaal
geborene op een hoger gelegen stukje aarde een prachtige,
jonge banyanboom met vruchten en bloesems.
(Vedabase)
Tekst
21
Op een tak van
die boom zag hij in noordoostelijke richting bovendien een
baby, een jongetje liggen in de vouw van een blad dat de
duisternis met zijn uitstraling opslokte [zie ook
3.33:
4].
Op
een tak van die boom zag hij in noordoostelijke richting
bovendien een baby jongetje liggen in de vouw van een blad
dat de duisternis met zijn uitstraling opslokte [zie ook
3.33: 4]. (Vedabase)
Tekst
22-25
Verbaasd dronk
die koning onder de geleerden met zijn ogen de aanblik in van
Zijn huidskleur die zo donkerblauw was als een geweldige
edelsteen, Zijn mooie lotusgezichtje, Zijn als een schelphoorn
gestreepte nek, Zijn brede borst, fijne neusje en prachtige
wenkbrauwtjes. Hij laafde zich aan Zijn mooie haartjes die
meetrilden met Zijn ademhaling, Zijn fraaie schelpvormige
oortjes die op de bloemen van een granaatappel leken, Zijn
lippen van koraal die met hun gloed Zijn nectargelijke glimlach
ietwat rood kleurden, Zijn aangezicht met een bekoorlijke
glimlach en met Zijn ooghoeken zo roze als de werveling van een
lotus, de door Zijn ademen bewogen plooien in Zijn buikje
ingedeukt door de op een generfd blad lijkende diepe navel, en
... zag hij hoe het kindje met de genadige vingertjes van Zijn
twee handjes één van Zijn lotusvoetjes beetgreep
en die in Zijn mondje stak [*].
Verbaasd
dronk die koning onder de geleerden met zijn ogen de aanblik
in van Zijn huidskleur zo donkerblauw als een geweldige
edelsteen, Zijn mooie lotusgezichtje, Zijn als een
schelphoorn gestreepte nek, Zijn brede borst, fijne neusje
en prachtige wenkbrauwtjes; Zijn mooie haartjes die
meetrilden met Zijn ademhaling, Zijn fraaie schelpvormige
oortjes die op de bloemen van een granaatappel leken, Zijn
lippen van koraal die met hun gloed Zijn nectargelijke
glimlach ietwat rood kleurden, Zijn aangezicht met een
bekoorlijke glimlach met Zijn ooghoeken zo roze als de
werveling van een lotus, de door Zijn ademen bewogen plooien
in Zijn buikje ingedeukt door de op een generfd blad
lijkende diepe navel, en ... zag hij hoe het kindje met de
genadige vingertjes van Zijn twee handjes een van Zijn
lotusvoetjes beetgreep en die in Zijn mondje stak
[*]. (Vedabase)
Tekst
26
Toen hij het
zag was zijn matheid bij toverslag verdwenen en spreidden zich
uit vreugde de lotus van zijn hart en zijn lotusogen wijd open.
Verward over de identiteit van de wonderlijke verschijning
naderde hij met zijn haren recht overeind het kindje recht van
voren om een antwoord te vinden.
Toen
hij het zag was zijn matheid bij toverslag verdwenen en
spreidden zich uit vreugde de lotus van zijn hart en zijn
lotusogen wijd open. Verward over de identiteit van de
wonderlijke verschijning naderde hij met zijn haren recht
overeind, het kindje recht van voren om navraag te doen.
(Vedabase)
Tekst
27
Precies op dat
moment werd de man van Bhrigu als een mug met de adem van de
baby in Zijn lichaam gezogen en stond hij versteld toen hij
vanuit die positie het ganse universum weer zag zoals het
voorheen was geweest.
Juist
op dat moment werd met het ademen van de baby de man van
Bhrigu als een mug in Zijn lichaam gezogenen stond hij
stomverbaasd versteld toen hij vanuit die positie het ganse
universum zag zoals het voorheen was geweest.
(Vedabase)
Tekst
28-29
Hij aanschouwde
het ganse uitspansel van al de sterren, de bergen en de
oceanen, en de richtingen van de grote eilanden en de
continenten. Hij zag de verlichte en onverlichte zielen, de
bossen, de landen, de rivieren, steden en mijnen; de
boerengehuchten, de weilanden en de verschillende bezigheden
van de varnâs'rama
samenleving. Hij aanschouwde de basiselementen van de natuur en
al hun grofstoffelijke manifestaties, alsook de Tijd zelve van
de verschillende yuga's
en kalpa's
en elk ander materieel voorwerp van nut in het universum dat
was gemanifesteerd alsof het echt was.
Hij
aanschouwde het ganse uitspansel van al de sterren, de
bergen en de oceanen, en de richtingen van de grote eilanden
en de continenten; hij zag de verlichte en onverlichte
zielen, de bossen, de landen, de rivieren, steden en mijnen;
de boerengehuchten, de weilanden en de verschillende
bezigheden van de varnâs'rama samenleving. Hij
aanschouwde de basiselementen van de natuur en al hun
grofstoffelijke manifestaties, als ook de Tijd zelve van de
verschillende yuga's en kalpa's en elk ander materieel
voorwerp van nut in het universum dat was gemanifesteerd
alsof het echt was. (Vedabase)
Tekst
30
Toen hij de
Himâlaya's bekeek, de Pushpabhadrâ-rivier en zijn
hermitage waar hij de rishi's had ontmoet [Nara en
Nârâyana], werd hij, met het universum aldus
voor ogen, via de adem van de baby opnieuw naar buiten geworpen
om terug te vallen in de oceaan der vernietiging.
Toen
hij van het universum de Himâlaya's bekeek, de
Pushpabhadrâ-rivier en zijn hermitage waar hij de
rishi's had ontmoet [Nara en Nârâyana],
werd hij met het ademen van de baby opnieuw naar buiten
geworpen om terug te vallen in de oceaan der vernietiging.
(Vedabase)
Tekst
31-32
Op het hogere
stuk grond in het water waar de banyan groeide, was er daar het
kind weer liggend in de vouw van Zijn blad, dat met een
nectargelijke blik vol liefde hem aankeek vanuit Zijn
ooghoeken. Met die aanblik voor ogen plaatste hij de baby in
zijn hart en rende hij hoogst opgewonden op de Heer van het
Voorbije af om Hem in zijn armen te sluiten.
Op
het hogere stuk grond in het water waar de banyan groeide,
was er daar, liggend in de vouw van zijn blad, het kind
weer, dat met een nectargelijke blik vol liefde hem aankeek
vanuit Zijn ooghoeken. Met het via zijn ogen plaatsen van
die baby in zijn hart rende hij hogelijkst opgewonden om de
Heer van het Voorbije in zijn armen te sluiten.
(Vedabase)
Tekst
33
Op dat ogenblik
werd Hij, de Allerhoogste Heer, die de Oorspronkelijke Heer van
de Yoga is die schuilgaat in het hart van alle levende wezens
in eigen persoon, opeens onzichtbaar voor de rishi, op
dezelfde manier als dat wat door een incompetent iemand is
vervaardigd het plots kan laten afweten.
Op
dat ogenblik werd Hij, de Allerhoogste Heer, die
rechtstreeks de Oorspronkelijke van de Yoga is verborgen in
het hart van alle levende wezens, plotsklaps onzichtbaar
voor de rishi, op dezelfde manier als dat wat door een
incompetent iemand is vervaardigd het plots kan laten
afweten. (Vedabase)
Tekst
34
O brahmaan, Hem
volgend verdwenen daarop de banyan en de wateren der
vernietiging van de wereld, en trof hij zichzelf het volgende
moment, als voorheen, recht voor zijn eigen
âs'rama aan."
O
brahmaan, Hem volgend verdwenen daarop de banyan en de
wateren der vernietiging van de wereld, en trof hij zichzelf
het volgende moment, als voorheen, recht voor zijn eigen
âs'rama aan." (Vedabase)
*
Het kindje dat Zijn voetje in Zijn mondje stak werd door
S'rîla Vis'vanâtha Cakravartî Thhâkura
geïnterpreteerd als zijnde de Heer die zegt, 'zie hoe
lieflijk mijn voeten zijn naar de smaak van de
toegewijde'.

Voor
deze vertaling werd de Vedabase van de BBT gebruikt die het werk van
Svâmi Prabhupâda's
leerlingen biedt dat werd verricht voor het voltooien van zijn
vertaling van het Bhâgavatam.
Zie
de
S'rîmad Bhâgavatam
linkspagina
voor de Vedabase en/of een download van dit boek en andere boeken van
Prabhupâda.
Productie: de Filognostische
Associatie
van De
Orde van de Tijd

Feed-back |
Links
| Downloads
| Muziek
| Afbeeldingen
| Wat
is er Nieuw?
|
Zoeken |
Donaties
