regelbalk

 

 

Canto 3

Guru Puja

 

 

Hoofdstuk 10: De Afdelingen van de Schepping

(1) Vidura zei: 'Hoeveel verschillende soorten schiep de grootvader van alle schepselen op deze planeet naar het lichaam en de geest van de Almachtige, nadat de Hoogste Persoonlijkheid was verdwenen? (2) Met het oog op alles waar ik naar gevraagd heb, o machtige, wees zo goed ze me allemaal van het begin tot het eind te beschrijven, o hoogst geleerde persoon; wees zo genadig al mijn twijfels weg te nemen'."

(3) Sûta zei [zie Canto 1]: "O zoon van Bhrigu [S'aunaka], de grote wijze, de zoon van Kusâra [Maitreya] aldus gestimuleerd door Vidura, voelde zich tevreden gesteld en gaf zodoende antwoord op de vragen vanuit de bodem van zijn hart.

(4) Maitreya zei: 'En zodoende verrichtte Brahmâ voor een honderdtal hemelse jaren boetedoeningen voor het heil van de ziel, te werk gaand zoals hem dat gezegd was door de Ongeborene, de Allerhoogste Heer. (5) Daarin zag hij, die was geboren uit de lotus, dat door de inherente macht van de natuurkrachten [de eeuwige tijd] de wind de wateren scheidde waarop de lotus zich bevond. (6) Door zijn boete had hij zeker gewonnen aan bovenzinnelijke kennis en was hij gerijpt in zijn zelfbewustzijn en praktische kennis, en met dat vermogen nam hij de wind tezamen met het water in zich op. (7) Toen zag hij hoe uitgebreid de lotus was waarop hij zich bevond; door de actie was heel de wereld die voorheen verzonken was nu afgescheiden en lag ze open voor zijn schepping, was zijn bevinding. (8) Binnengaand in die werveling van de lotus, in zijn activiteiten aangemoedigd door de Opperheer, verdeelde hij de ene in de drie werelden en kon hij er daar veertien van in het leven roepen [zie ook 2.5.42]. (9) Wat betreft dezen had de hoogste persoon in het universum geen ander leidmotief dan het bepalen van de plichten in alle opzichten naar het volwassen stadium van het belang van de individuele lokaliteiten waar de zielen hun leven hadden.

(10) Vidura zei: 'U sprak aangaande de variëteit van de verschillende gedaanten van de Heer, de wonderbaarlijke acteur, van het eeuwige van de tijd, o brahmaan; kan u alstublieft beschrijven hoe zich die feitelijk heeft voorgedaan, o Heer?'

(11) Maitreya zei: 'Hij is de bron van de verschillende interacties naar de natuurlijke geaardheden, hij is onverdeeld en onbegrensd en het instrument van de Oorspronkelijke Persoon die door Zijn spel en vermaak het materiële leven schiep van de ziel. (12) Het fenomenale welk er voorzeker is als dezelfde energie van Vishnu, scheidde Zichzelf van de geest af door de Allerhoogste Heer in de vorm van de tijd [kâla], welke beschouwd wordt als Zijn ongemanifesteerde [onpersoonlijke] aspect. (13) Zoals het in het heden is, zo was het in het begin en tot het einde toe zal het ook hetzelfde blijven.

(14) Er zijn negen soorten van scheppingen: de drie geaardheden van de materie [naar prakriti: hartstocht, goedheid en onwetendheid], de drie kwaliteiten naar deze geaardheden [naar vikriti: beweging, kennis en onbeweeglijkheid], en de drie soorten van voleinding welke dan de materiële verdelingen van de tijd vormen [naar kâla: het ten hemel varen van de mensen, het uitsterven van de diersoorten en het eindigen van de planten samen met het universum]. (15) De eerste [de mahat-tattva, van de goedheid] is niets anders dan het geheel van de schepping dat voortkwam uit de Heer met de interactie van de drie geaardheden. De tweede [van de passie] is enkel het valse ego van de ontwaakte activiteiten van de materiële ingrediënten en hun interrelaties. (16) Het geschapene van de materie zelf is de derde soort [die van onwetendheid] die enkel van de zintuiglijke waarneming is waarnaar als vierde er naar de materie van de zinnen de praktische basis is van de materiële kennis. (17) De interactie naar de geaardheid goedheid geeft het goddelijke [van de beweging] naar de materiële schepping welke met het geheel van de geest de vijfde soort vormt waarnaar ten zesde er de duisternis der schepping is [het inerte van de materie] dat van meesters dwazen maakt. (18) Naast de eerste zes scheppingen van de materiële energie [van de natuur of de Heer] zijn er de secundaire scheppingen [van plant, dier en mens]; verneem van mij wat hen betreft enkel over de zo machtige die de incarnatie is van de geaardheid hartstocht [Brahmâ] en over de wederwaardigheden van dat brein van de Allerhoogste Heer.

(19) Het zevende principe der schepping betreft de zes soorten van wezens die niet uit zichzelf bewegen: bomen die vruchten dragen zonder bloemen, planten en struiken die bestaan totdat de vrucht is gerijpt, de klimplanten, de gewassen met een holle stengel, planten die opklimmen zonder steun en de bloesemende vruchtbomen. (20) Die [onbeweeglijke] wezens zoeken hun voeding opwaarts, zijn vrijwel onbewust met enkel een gevoel van binnen en bestaan uit vele soorten. (21) De achtste schepping zijn de soorten van lagere dieren; er zijn achtentwintig verschillende soorten en ze worden beschouwd als zijnde zonder kennis van hun lot, van een buitengemene onwetendheid, van een onderscheid door middel van ruiken en van een slechte memorie van hart [geweten]. (22) O allerzuiverste, de koe, de geit, de buffel, de antiloop, het zwijn, de gavaya [een soort van os], het hert, het schaap en de kameel hebben allen gespleten hoeven. (23) De ezel, het paard en het muildier, de gaura, de s'arabha-bison en het wilde rund hebben zo enkel slechts één teen, o Vidura en laat je me nu enkel vertellen van de dieren met vijf nagels. (24) Dat zijn de hond, de jakhals, de vos, de tijger, de kat, het konijn, het sajâru-stekelvarken, de leeuw, de aap, de olifant, de schildpad, de iguana ['vier-benige slang'], de krokodil en anderen. (25) De reiger, de gier, de kraanvogel, de havik, de bhâsa [een ander soort aaseter], de bhallûka, de pauw, de zwaan, de sârasa [indische kraanvogel], de cakravâka, de kraai, de uil en anderen zijn de vogels. (26) De negende soort die [ook] zijn buik vollaad, o Vidura, is slechts van één soort: de mensen; in hen treedt de geaardheid hartstocht zeer naar voren, ze zijn zeer actief tot hun misère maar denken altijd dat ze heel gelukkig zijn.

(27) Al deze drie scheppingen zowel als de halfgoden in hen veschijnend [als de tiende soort] zijn, mijn beste, in tegenstelling tot de voorgaande [van de geaardheden en de kwaliteiten] die ik voorheen beschreef, onderworpen aan aanpassingen [ofwel evolueren], maar de zonen van Brahmâ [de brahmanen, de Kumâra's] zijn van beide [d.w.z. ze passen zich ook aan, maar veranderen niet in kwaliteit]. (28-29) Van de schepping van de toegewijden zijn er acht soorten: (1) de halfgoden, (2) de voorvaderen, (3) de atheïsten, (4) de bovenzinnelijke wezens, engelen en de heiligen (5) de beschermers en de giganten (6) de hemelse zangers (7) de leidgeesten voor het goede en het kwade en zij die verblijven in de hemel en (8) de bovenmenselijke wezens en anderen. Al de tien soorten van scheppingen die ik je beschreef o Vidura, zijn geschapen door Brahmâ, de schepper van het universum. (30) Hierna zal ik de verschillende afstammelingen van de Manu's bespreken en op die manier hoe de Schepper, gedreven door de geaardheid hartstocht, in de verschillende tijdperken met een feilloze vastbeslotenheid creëert naar de Heer die, van Zich Zelve als Zichzelf, kwam door Zijn eigen energie.

 

  next

 
Tweede Editie, geladen 1 juni, 2006.  

 

 

 

Bronteksten:

De afdelingen van de schepping.

 

Tekst 1:

Vidura zei: 'Hoeveel verschillende soorten schiep de grootvader van alle schepselen op deze planeet naar het lichaam en de geest van de Almachtige, nadat de Hoogste Persoonlijkheid was verdwenen?

S'rî Vidura zei: O grote wijze, vertel me alstublieft hoe Brahmâ, de grootvader van alle bewoners van de planeten, na de verdwijning van de Allerhoogste Godspersoon, uit zijn eigen lichaam en geest de lichamen der levende wezens schiep. (Vedabase)

  

Tekst 2:

Met het oog op alles waar ik naar gevraagd heb, o machtige, wees zo goed ze me allemaal van het begin tot het eind te beschrijven, o hoogst geleerde persoon; wees zo genadig al mijn twijfels weg te nemen.

O hooggeleerde, neem alstublieft al mijn onzekerheid weg en vertel me van begin tot eind over al hetgeen waar ik u naar gevraagd heb. (Vedabase)

 

Tekst 3:

Sûta zei [zie Canto 1]: 'O zoon van Bhrigu [S'aunaka], de grote wijze, de zoon van Kusâra [Maitreya] aldus gestimuleerd door Vidura, voelde zich tevreden gesteld en gaf zodoende antwoord op de vragen vanuit de bodem van zijn hart.

Sûta Gosvâmî zei: O zoon van Bhrigu, toen de grote wijze Maitreya Muni deze woorden van Vidura vernam, voelde hij zich zeer geïnspireerd. Alles bevond zich in zijn hart, en zo begon hij de vragen de een na de ander te beantwoorden. (Vedabase)

 

Tekst 4:

Maitreya zei: "En zodoende verrichtte Brahmâ voor een honderdtal hemelse jaren boetedoeningen voor het heil van de ziel, te werk gaand zoals hem dat gezegd was door de Ongeborene, de Allerhoogste Heer.

De zeer geleerde wijze Maitreya zei: O Vidura, zo hield Brahmâ, zoals hem door de Godspersoon was aangeraden, zich honderd hemeljaren lang bezig met het doen van boete en legde zich toe op het toegewijd dienen van de Heer. (Vedabase)

 

Tekst 5:

Daarin zag hij, die was geboren uit de lotus, dat door de inherente macht van de natuurkrachten [de eeuwige tijd] de wind de wateren scheidde waarop de lotus zich bevond.

Daarop zag Brahmâ dat zowel de lotus waarop hij zich bevond als het water waaruit de lotus groeide, in beroering kwam door een felle, woedende wind. (Vedabase)

 

Tekst 6:

Door zijn boete had hij zeker gewonnen aan bovenzinnelijke kennis en was hij gerijpt in zijn zelfbewustzijn en praktische kennis, en met dat vermogen nam hij de wind tezamen met het water in zich op.

Zijn langdurige boetedoening en bovenzinnelijke kennis over zelfverwerkelijking hadden Brahmâ gevorderd gemaakt in praktische kennis, en zo dronk hij de wind geheel in, tegelijk met het water. (Vedabase)

  

Tekst 7:

Toen zag hij hoe uitgebreid de lotus was waarop hij zich bevond; door de actie was heel de wereld die voorheen verzonken was nu afgescheiden en lag ze open voor zijn schepping, was zijn bevinding.

Daarna zag hij dat de lotus waarop hij zat over het hele universum was uitgespreid, en bedacht hij hoe hij alle planeten scheppen zou, die tevoren in deze lotus opgenomen waren geweest. (Vedabase)

 

Tekst 8:

Binnengaand in die werveling van de lotus, in zijn activiteiten aangemoedigd door de Opperheer, verdeelde hij de ene in de drie werelden en kon hij er daar veertien van het leven roepen [zie ook 2.5.42].

Terwijl Brahmâ zo bezig was met het dienen van de Allerhoogste Godspersoon, ging hij het hart van de lotus binnen, en daar deze zich over het hele universum uitspreidde, verdeelde hij hem in drie werelden en daarna in veertien onderafdelingen. (Vedabase)
  

Tekst 9:

Wat betreft dezen had de hoogste persoon in het universum geen ander leidmotief dan het bepalen van de plichten in alle opzichten naar het volwassen stadium van het belang van de individuele lokaliteiten waar de zielen hun leven hadden.

Heer Brahmâ is de meest verheven persoon van het heelal, vanwege zijn ongemotiveerde toegewijde dienst in gevorderde bovenzinnelijke kennis. Hij schiep nu de veertien planetenstelsels om de verschillende soorten wezens daarin te laten wonen. (Vedabase)

 

Tekst 10

Vidura zei: 'U sprak aangaande de variëteit van de verschillende gedaanten van de Heer, de wonderbaarlijke acteur, van het eeuwige van de tijd, o brahmaan; kan u alstublieft beschrijven hoe zich die feitelijk heeft voorgedaan, o Heer?'

Vidura vroeg aan Maitreya: O heer, o zeer geleerde wijze, beschrijf me alstublieft de eeuwige tijd, die een andere gedaante is van de Allerhoogste, wiens daden wonderbaarlijk zijn. Wat zijn de kenmerken van die eeuwige tijd? Beschrijf ze alstublieft in bijzonderheden. (Vedabase)

 

Tekst 11

Maitreya zei: 'Hij is de bron van de verschillende interacties naar de natuurlijke geaardheden, hij is onverdeeld en onbegrensd en het instrument van de Oorspronkelijke Persoon die door Zijn spel en vermaak het materiële leven schiep van de ziel.

Maitreya zei: De eeuwige tijd is de oerbron van de wisselwerking van de drie geaardheden van de materiële natuur. Hij is onveranderlijk en eindeloos en werkt als instrument van de Allerhoogste Godspersoon bij Zijn spel en vermaak in de stoffelijke schepping. (Vedabase)

 

Tekst 12:

Het fenomenale welk er voorzeker is als dezelfde energie van Vishnu, scheidde Zichzelf van de geest af door de Allerhoogste Heer in de vorm van de tijd [kâla], welke beschouwd wordt als Zijn ongemanifesteerde [onpersoonlijke] aspect.

Deze kosmische openbaring is als materiële energie gescheiden van de Allerhoogste door middel van kâla, die het ongeopenbaarde, onpersoonlijke aspect van de Heer is. Het vertegenwoordigt de objectieve openbaring van de Heer onder invloed van dezelfde materiële energie van Vishnu. (Vedabase)

  

Tekst 13:

Zoals het in het heden is, zo was het in het begin en tot het einde toe zal het ook hetzelfde blijven.

Deze kosmische openbaring is nu zoals ze is, was hetzelfde in het verleden en zal zo blijven voortbestaan in de toekomst. (Vedabase)

  

Tekst 14:

Er zijn negen soorten van scheppingen: de drie geaardheden van de materie [naar prakriti: hartstocht, goedheid en onwetendheid], de drie kwaliteiten naar deze geaardheden [naar vikriti: beweging, kennis en onbeweeglijkheid], en de drie soorten van voleinding welke dan de materiële verdelingen van de tijd vormen [naar kâla: het ten hemel varen van de mensen, het uitsterven van de diersoorten en het eindigen van de planten samen met het universum].

Naast de schepping die zich vanzelf door de wisselwerking van de geaardheden voordoet, zijn er negen verschillende soorten van schepping. Er zijn drie soorten van vernietiging: door toedoen van de eeuwige tijd, de stoffelijke elementen en de aard van het werk dat men verricht. (Vedabase)

 

Tekst 15:

De eerste [de mahat-tattva, van de goedheid] is niets anders dan het geheel van de schepping dat voortkwam uit de Heer met de interactie van de drie geaardheden. De tweede [van de passie] is enkel het valse ego van de ontwaakte activiteiten van de materiële ingrediënten en hun interrelaties.

Van de negen scheppingen is de eerste die van het mahat-tattva, het totaal der stoffelijke elementen, waarin - als gevolg van de aanwezigheid van de Allerhoogste - de geaardheden met elkaar in wisselwerking treden. Bij de tweede wordt het vals ego verwekt, waaruit de stoffelijke elementen, materiële kennis en materiële activiteiten zich manifesteren. (Vedabase)

 

Tekst 16:

Het geschapene van de materie zelf is de derde soort [die van onwetendheid] die enkel van de zintuiglijke waarneming is waarnaar als vierde er naar de materie van de zinnen de praktische basis is van de materiële kennis.

In de derde schepping wordt de zintuiglijke waarneming voortgebracht en daaruit verschijnen de elementen. De vierde schepping is die van kennis en het vermogen om te werken. (Vedabase)

 

Tekst 17:

De interactie naar de geaardheid goedheid geeft het goddelijke [van de beweging] naar de materiële schepping welke met het geheel van de geest de vijfde soort vormt waarnaar ten zesde er de duisternis der schepping is [het inerte van de materie] dat van meesters dwazen maakt.

De vijfde schepping is die van de besturende halfgoden, door wisselwerking met de geaardheid goedheid, waarvan de geest het totaal vormt. De zesde schepping is het duister der onwetendheid van het levend wezen, waarin de meester handelt als een dwaas. (Vedabase)

 

Tekst 18:

Naast de eerste zes scheppingen van de materiële energie [van de natuur of de Heer] zijn er de secundaire scheppingen [van plant, dier en mens]; verneem van mij wat hen betreft enkel over de zo machtige die de incarnatie is van de geaardheid hartstocht [Brahmâ] en over de wederwaardigheden van dat brein van de Allerhoogste Heer.

Alle genoemde zijn natuurlijke scheppingen van de uitwendige energie van de Heer. Hoor nu van mij over de scheppingen van Brahmâ, die een incarnatie van de geaardheid hartstocht is en die ten behoeve van de schepping over een brein beschikt als dat van de Godspersoon. (Vedabase)

 

Tekst 19:

Het zevende principe der schepping betreft de zes soorten van wezens die niet uit zichzelf bewegen: bomen die vruchten dragen zonder bloemen, planten en struiken die bestaan totdat de vrucht is gerijpt, de klimplanten, de gewassen met een holle stengel, planten die opklimmen zonder steun en de bloesemende vruchtbomen.

De zevende schepping is die van de roerloze wezens, die in zes soorten bestaan: de vruchtbomen zonder bloesem, struiken en planten die leven tot de vrucht gerijpt is, klimplanten, rietachtigen, vrij opklimmende planten en bomen met zowel bloesem als vruchten. (Vedabase)

 

Tekst 20:

Die [onbeweeglijke] wezens zoeken hun voeding opwaarts, zijn vrijwel onbewust met enkel een gevoel van binnen en bestaan uit vele soorten.

Alle bomen en planten zoeken hun levensonderhoud in de hoogte. Ze zijn bijna bewusteloos, maar kennen innerlijke pijngevoelens. Ze zijn gevarieerd van uiterlijk. (Vedabase)

 

Tekst 21:

De achtste schepping zijn de soorten van lagere dieren; er zijn achtentwintig verschillende soorten en ze worden beschouwd als zijnde zonder kennis van hun lot, van een buitengemene onwetendheid, van een onderscheid door middel van ruiken en van een slechte memorie van hart [geweten].

De achtste schepping is die van de lagere levenssoorten, in verschillende variëteiten, achtentwintig in getal. Ze zijn alle zeer onintelligent en onwetend. Ze kennen hetgeen ze willen hebben aan de geur, maar kunnen in hun hart niets onthouden. (Vedabase)

 

Tekst 22:

O allerzuiverste, de koe, de geit, de buffel, de antiloop, het zwijn, de gavaya [een soort van os], het hert, het schaap en de kameel hebben allen gespleten hoeven.

O zuiverste Vidura, onder de dieren hebben de koe, de geit, de buffel, de krishna [een soort hert], het varken, de gavaya, het hert, het schaap en de kameel alle twee hoeven. (Vedabase)

 

Tekst 23:

De ezel, het paard en het muildier, de gaura, de s'arabha-bison en het wilde rund hebben zo enkel slechts één teen, o Vidura en laat je me nu enkel vertellen van de dieren met vijf nagels.

Het paard, de muilezel, de ezel, de gaura [een hert], de s'arabha-bizon en de wilde koe hebben alle slechts één hoef. Nu kun je van me horen over de dieren met vijf nagels. (Vedabase)

 

Tekst 24:

Dat zijn de hond, de jakhals, de vos, de tijger, de kat, het konijn, het sajâru-stekelvarken, de leeuw, de aap, de olifant, de schildpad, de iguana ['vier-benige slang'], de krokodil en anderen.

De hond, de jakhals, de tijger, de vos, de kat, het konijn, de sajâru, de leeuw, de aap, de olifant, de schildpad, de alligator, de gosâpa enz., hebben poten met vijf nagels. Men kent ze als pancâ-nakha's of vijf-nagelige dieren. (Vedabase)

 

Tekst 25:

De reiger, de gier, de kraanvogel, de havik, de bhâsa [een ander soort aaseter], de bhallûka, de pauw, de zwaan, de sârasa [indische kraanvogel], de cakravâka, de kraai, de uil en anderen zijn de vogels.

De reiger, gier, kraanvogel, havik, bhâsa, bhallûka, pauw, zwaan, sârasa, cakravâka, kraai, uil en andere, zijn de vogels. (Vedabase)

 

Tekst 26:

De negende soort die [ook] zijn buik vollaad, o Vidura, is slechts van één soort: de mensen; in hen treedt de geaardheid hartstocht zeer naar voren, ze zijn zeer actief tot hun misère maar denken altijd dat ze heel gelukkig zijn.

De negende schepping is die van de mensen, die slechts één soort kennen en hun voedsel in de maag opslaan. Bij het mensenras overheerst de geaardheid hartstocht zeer sterk. Mensen zijn altijd druk bezig temidden van allerlei ellende, maar toch achten ze zich in alle opzichten gelukkig. (Vedabase)

 

Tekst 27:

Al deze drie scheppingen zowel als de halfgoden in hen veschijnend [als de tiende soort] zijn, mijn beste, in tegenstelling tot de voorgaande [van de geaardheden en de kwaliteiten] die ik voorheen beschreef, onderworpen aan aanpassingen [ofwel evolueren], maar de zonen van Brahmâ [de brahmanen, de Kumâra's] zijn van beide [d.w.z. ze passen zich ook aan, maar veranderen niet in kwaliteit].

O goede Vidura, deze laatste drie scheppingen en de schepping van de halfgoden [de tiende schepping] noemt men vaikrita, die verschillen van de eerder beschreven prâkrta [natuurlijke] scheppingen. Het verschijnen van de Kumâra's behoort tot beide categorieën. (Vedabase)

 

Tekst 28-29:

Van de schepping van de toegewijden zijn er acht soorten:. (1) de halfgoden, (2) de voorvaderen, (3) de atheïsten, (4) de bovenzinnelijke wezens, engelen en de heiligen. (5) de beschermers en de giganten. (6) de hemelse zangers. (7) de leidgeesten voor het goede en het kwade en zij die verblijven in de hemel en. (8) de bovenmenselijke wezens en anderen. Al de tien soorten van scheppingen die ik je beschreef o Vidura, zijn geschapen door Brahmâ, de schepper van het universum.

De halfgoden en dergelijke worden geschapen in acht soorten: (1) de halfgoden, (2) de voorvaders, (3) de asura's of demonen, (4) de Gandharva's en Apsarâ's, of engelen, (5) de Yaksha's en Râkshasa's, (6) de Siddha's, Cârana's en Vidyâdhara's, (7) de Bhûta's, Preta's en Pis'âca's en. (8) de bovenmenselijke wezens, hemelze zangers enz. Zij allen worden geschapen door Brahmâ, de schepper van het heelal. (Vedabase)

 

Tekst 30:

Hierna zal ik de verschillende afstammelingen van de Manu's bespreken en op die manier hoe de Schepper, gedreven door de geaardheid hartstocht, in de verschillende tijdperken met een feilloze vastbeslotenheid creëert naar de Heer die, van Zich Zelve als Zichzelf, kwam door Zijn eigen energie.

Nu zal ik de nakomelingen van de Manu's beschrijven. De schepper, Brahmâ, schept met nimmer falend verlangen, als incarnatie van de geaardheid hartstocht van de Godspersoon, in ieder tijdvak met de kracht van de energie van de Heer de kosmische aangelegenheden. (Vedabase)

 

 

 

 

 

 

 

Voor deze oorspronkelijke vertaling is een alles-in-een band exemplaar
met uitgebreid commentaar gebruikt.
ISBN: o-91277-27-7
Zie de
S'rîmad Bhâgavatam linkspagina
voor een download van dit boek en andere boeken van Prabhupâda.
De afbeelding op deze pagina is van
Jadurani devî dâsî
Produktie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd


 

 

 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties