
Canto
3
(1) De Allerhoogste Heer zei: 'Ik zal nu voor u de verschillende categorieën van de werkelijkheid beschrijven, met de kennis waarvan een ieder bevrijding kan vinden van [het juk van] de geaardheden der materiële natuur. (2) Ik zal uitwijden over dat waarover men spreekt als de spirituele kennis [de jñâna] die de knopen [van het egoïsme] in het hart doorsnijdt en voor een persoon de uiteindelijke volmaaktheid van de zelfverwerkelijking vormt. (3) De Opperziel, de Oorspronkelijke Persoon, is zonder een begin en is, zich bevindend in het voorbije van de materie, verheven boven de geaardheden der natuur. Men kan Hem overal waarnemen als het zelfverlichte van de gehele schepping die door Hem wordt gehandhaafd. (4) Diezelfde persoon, die grootste der groten, aanvaardde geheel uit eigen beweging voor Zijn spel en vermaak de subtiele materiële energie die is bekleed met de drie geaardheden en in relatie staat tot de goddelijkheid [van Vishnu]. (5) De natuur creëerde middels de geaardheden de uiteenlopende gedaanten van de materieel levende schepselen. Daarmee geconfronteerd in deze wereld verkeerden ze meteen al in illusie omdat die [gedaanten] de overdekking vormen van hun spirituele kennis. (6) Door zich te vereenzelvigen met de werking der materie die werd teweeggebracht door de geaardheden der natuur en die wat anders is dan hijzelf, denkt het levende wezen ten onrechte dat hij zelf degene is die handelt. (7) Daardoor gebonden aan een geconditioneerd leven werd hij aldus afhankelijk, hoewel hij de van nature vreugdevolle en onafhankelijke getuige is die niets doet. (8) De kenners van de waarheid zien het zo dat het lichaam en de zintuigen waarmee je werkt onderhevig zijn aan de werking van de geaardheden van de materiële natuur en dat de geestelijke ziel die boven alle materie staat verantwoordelijk is voor het ervaren van geluk en ongeluk [zie ook B.G. 13: 21].
(9) Devahûti zei: 'Wees zo goed me uit te leggen wat de kenmerken zijn van de energieën en de Oorspronkelijke Persoon [van prakriti en purusha] die samen de oorzaak vormen van de manifeste en niet-manifeste werkelijkheid waaruit deze schepping bestaat.'
(10) De Allerhoogste Heer zei: 'De ongedifferentieerde, eeuwige werkelijkheid die zich differentieerde als de materiële natuur [prakriti] die een combinatie van de drie geaardheden vormt, deze oorzaak van het effect [van de materiële manifestatie] wordt de primaire natuur [de oerether of pradhâna] genoemd. (11) Die primaire natuur staat bekend als de basis van waaruit de vijf grofstoffelijke en vijf subtiele elementen, de tien zinnen van waarnemen en handelen en de vier zinsafdelingen ontstonden, die samen uitkomen op een aantal van vierentwintig [zie ook elementen]. (12) De vijf grofstoffelijke elementen zijn om precies te zijn: aarde, water, vuur, lucht en ether. Van de subtiele elementen zijn er, zoals Ik het zie, een gelijk aantal. Het zijn de reuk en dergelijke [smaak, kleur, aanraking en geluid]. (13) De tien zinnen zijn de organen voor het horen, aanraken, zien, proeven en ruiken [voor de waarneming], met [voor het handelen] de mond, de handen, de benen, de geslachtsorganen en de organen voor de uitscheiding als de tiende. (14) De geest, de intelligentie, het ego en het bewustzijn zijn de vier aspecten van de interne, subtiele zin die men onderscheid als men aandacht heeft voor de verschillende kenmerken van de [hersen]functies. (15) Aldus zijn met de door Mij gegeven rangschikking de materiële kwaliteiten van de Absolute Waarheid van Brahman opgesomd [saguna brahman genaamd]. Wat betreft de tijd wordt daarbij gesproken van het vijfentwintigste element.
(16) Van de Oorspronkelijke Persoonlijkheid van God wordt gezegd dat Hij de invloed van de tijdfactor vormt die gevreesd wordt door sommigen die begoocheld zijn door het ego van het in contact staan met de materiële aard van het individuele bestaan. (17) De [expanderende, accelererende] beweging van de materiële natuur zonder haar interactie van de geaardheden en hun specifieke kwaliteiten o dochter van Manu, vormt de [ruimte]tijd [de vierde dimensie] waarvan we in onze wereld Hem kennen, de Opperheer. (18) Hij die er vanbinnen is in de vorm van de oorspronkelijke persoon [de purusha] en vanbuiten in de vorm van de tijd [het vijfentwintigste element], existeert op basis van [de manifestatie] van Zijn vermogens als de Heer van Alle Volheden [Bhagavân, de Fortuinlijke] voor alle levende wezens [en elementen]. (19) Zij [de materiële natuur] van wie het evenwicht der geaardheden werd verstoord door de genade, de goddelijke beschikking, van de Hoogste Persoon die haar schoot bezwangerde met Zijn semen, Zijn inwendig vermogen, brengt het geheel van de kosmische intelligentie voort [de mahat-tattva] van Brahmâ's stralende gouden werkelijkheid [die bekend staat als hiranmaya]. (20) Het universum dat deze onveranderlijke grondoorzaak van de kosmische manifestatie in zich draagt, slokte door zijn eigen uitstraling de hechte duisternis op van het Zelf in zijn voorwereldlijke sluimertoestand. (21) De geaardheid goedheid, welke de heldere en nuchtere positie vormt om de Allerhoogste Heer te begrijpen, staat bekend onder de naam Vâsudeva; het is het bewustzijn dat de aard van het intellect vormt [zie ook S.B. 1.2: 23]. (22) De kenmerkende eigenschappen van iemands [rede in deze staat van Krishna- of natuurlijk tijds-]bewustzijn zijn als die van de natuurlijke staat van zuiver water: helderheid, onveranderlijkheid en sereniteit.
(23-24) Uit de volledige werkelijkheid [de mahat-tattva] die de veranderingen ondergaat die worden veroorzaakt door de Allerhoogste Heer Zijn energieën, ontsprongen de in vijf verdeelde elementen, het materiële ego [of ik-besef] en de daaruit voortspruitende geest in combinatie met de verschillende zinnen van handelen en waarnemen. Bewogen door dat actieve vermogen van de Heer manifesteerde het ego zich in de drie soorten van de goedheid, de hartstocht en de onwetendheid. (25) Dat alles van het ego bestaande uit de elementen, de zinnen en de geest vormt de persoon van de Hoogste Persoonlijkheid van Ananta met Zijn duizenden hoofden [Vishnu's slangenbed] die bekend staat onder de naam Sankarshana [de Heer Zijn eerste volkomen expansie]. (26) Het valse ego, het ik geïdentificeerd met de materie, kan aldus [overeenkomstig de drie guna's] worden gekenschetst als zowel degene die handelt, het instrument waarmee gehandeld wordt [het lichaam] als het effect van de handelingen [of dat wat er tot stand gebracht werd]. Ook kan men in dat verband spreken van het ego als zijnde sereen, actief of traag. (27) Met de transformatie [van het ego in drie valse vormen] ontwikkelde zich [in goedheid] uit de emoties ervan het principe van de geest waarvan de gedachten en bespiegelingen aanleiding geven tot verlangens. (28) De naam van dat principe is Aniruddha, Hij [de persoonlijke expansie van de geest van Vâsudeva] die bekend staat als de heerser over de zinnen. Hij is zo blauw als een lotus in de herfst en wordt alleen geleidelijk aan gerealiseerd door de yogi's. (29) Vanuit de schittering van het licht van de transformatie deed zich het principe van de intelligentie [de expansie van de Heer genaamd Pradyumna] voor, o deugdzame dame, om ondersteuning te verlenen aan het zintuiglijk constateren van de voorwerpen die er waar te nemen zijn [zie ook S.B. 1.5: 37]. (30) Twijfel, misverstaan, het juiste begrip, geheugen en slaap beschouwt men aldus als de verschillende kenmerken van de functies der intelligentie.
(31) Van de krachtwerking van het ego zijn er de zinnen om te komen tot handelen en om kennis te verwerven overeenkomstig de werkzame krachten van respectievelijk de vitale energie en de intelligentie. (32) Ertoe aangezet door het vermogen van de Allerhoogste Heer manifesteerde zich vanuit de onwetendheid van het ego in transformatie het subtiele element van het geluid. Daarop ontwikkelde zich vanuit de ether de gehoorzin om de geluiden op te vangen. (33) Geleerde personen definiëren geluid als dat wat een materieel object aanduidt, als dat wat de aanwezigheid van een spreker verraadt [die herinnerd niet noodzakelijk nog langer aanwezig is] en als dat wat kenmerkend is voor het subtiele element van de ruimte. (34) Wat betreft zijn werking en kenmerken wordt de ether beschreven als het element dat intern en extern ruimte biedt aan de levende wezens en als het handelingsgebied van de levensadem [prana], de zinnen en de geest. (35) Vanuit de ether zich ontwikkelend uit de subtiliteit van het geluid, vindt onder de transformerende impuls van de tijd de evolutie van het subtiele element der aanraking plaats en treft men aldus de lucht aan, het zinsorgaan ervoor en met die tastzin de feitelijke waarneming. (36) Zachtheid en hardheid, alsmede koude en hitte zijn van dit subtiele element der aanraking de onderscheiden kenmerken in het zinnelijk ervaren van de lucht. (37) Door deze verschillende kenmerken van de werking van de lucht die beweegt en zich vermengt, dingen naar elkaar toe brengt en [stof]deeltjes en golven van geluid meevoert, worden de overige zinnen tot het juiste functioneren aangezet. (38) Bij lotsbeschikking evolueerde vanuit het element van de lucht en het subtiele element der aanraking de gedaante [die men heeft] waarin zich met het vuur het gezichtsvermogen ontwikkelde om kleur en vorm waar te nemen.
(39) O deugdzame, de kenmerken van het vormelement zijn de afmeting, de kwaliteit en de individualiteit van een voorwerp. Voor vuur is dit de straling. (40) De functies van het vuur bestaan eruit te verlichten, te verteren, te verdampen, de kou te verdrijven, honger en dorst op te wekken en te zorgen voor eten en drinken. (41) Van de waargenomen vorm die door hogerhand beschikt transformeert onder invloed van het vuur manifesteerde zich het smaakelement waarvan er met het water de tong verscheen die de smaak waarneemt. (42) Hoewel de smaak één is, raakt ze door al de verschillende substanties verdeeld in de gewaarwording van het wrange, zoete, bittere, scherpe [zoute] en zure. (43) Het typische van water is dat het bevochtigt, coaguleert, de dorst lest, het leven in stand houdt, verfrist, zacht maakt, verkoelt en in overvloed beschikbaar is. (44) Door de transformaties die het element van de smaak door het water onderging, manifesteerde zich zoals beschikt bij het vinden van de aarde de maat der geur terwille van het ruiken van aroma's. (45) De eenheid van de geur is, afhankelijk van de verhoudingen der substanties, verdeeld in de realisaties van het vermengd, pregnant, welriekend, mild, sterk en zurig zijn en zo meer. (46) De kenmerkende functie van de aarde is dat ze gemodelleerd wordt in vormen van het Allerhoogste Brahman met verblijfplaatsen, opbergpotten etc. die de plaats vormen voor de aanwezigheid van alles wat afgescheiden in de ruimte kan bestaan. (47) De zintuiglijke functie die het individuele kenmerk van de lucht [het geluid] als haar object heeft wordt de gehoorzin genoemd en de zin welke de verschillende kenmerken van de lucht [de aanraking] als haar object heeft staat bekend als de tastzin. (48) De zintuiglijke functie die dat wat zich aftekent van het vuur [ofwel de vorm] als haar object heeft wordt het gezichtsvermogen genoemd, de specifieke waarneming van de kenmerken van water staat bekend als de smaakzin en de waarneming van het bijzondere van de aarde wordt de reukzin genoemd.
(49) In de kenmerken van het gevolg van iets kan men de kenmerken van de oorzaak herkennen. Bijgevolg kan men in enkel het aarde-element [als het laatst geschapen element] de eigenaardigheden van al de voorgaande elementen terugvinden. (50) Toen [bij de aanvang van de schepping] de zeven primaire elementen [de vijf materiële elementen, het ego en de kosmische intelligentie - de mahat-tattva] zich nog niet hadden vermengd, ging [de Heer] de oorsprong van de schepping toegerust met kâla, karma en guna [de tijd, de werklast en de geaardheden] het universum binnen. (51) Toen werden door Hem [als de Tijd] deze zeven principes tot activiteit aangezet en in een eivorm verenigd die in een onbewuste staat verkeerde. Uit dat ei manifesteerde zich het gevierde Kosmische Wezen [of de oorspronkelijke 'gigantische' persoon, de virâth purusha]. (52) Dit ei noemt men vis'esha ['de gedifferentieerde werkelijkheid']. Het is de uitwendige gedaante van Heer Hari, de Hoogste Persoonlijkheid, die zich uitstrekt als het geheel der leefwerelden [zie S.B. 2.1: 24-37] die bestaan uit opeenvolgende lagen van water en de overige elementen, ieder tien keer zo dik als de vorige. Van buiten zijn ze omhuld door pradhâna, de ongedifferentieerde staat der materie [de oerether]. (53) Uit het gouden [zonlicht van het] universele ei verrees, vanuit de wateren die Hij doordrong en waarin Hij lag, de grootsheid van God [Mahâdeva] verdeeld in vele cellen [kham, etherische openingen van lichtbeheersing]. (54) Het eerste dat van Hem verscheen was een mond gevolgd door het spraakorgaan. Daarmee verscheen tevens de goddelijkheid van het vuur [Vahni, de goddelijkheid die over het vuur van de spijsvertering heerst] met daaropvolgend de neusvleugels met de bij hen horende reukzin en de levensadem [prâna]. (55) Uit de reukzin manifesteerde zich de goddelijkheid van de lucht [Vâyu]. Toen manifesteerde zich vanuit het gezichtsvermogen van de twee ogen de goddelijkheid van de zon [Sûrya] en kwam [daarop] uit de gehoorzin van de twee oren de goddelijkheid heersend over de windrichtingen voort. (56) Toen verscheen de huid van de universele gedaante met zijn haargroei en dergelijke, waarna de geneeskrachtige kruiden verschenen met daarna de geslachtsorganen. (57) Van hen was er semen en manifesteerde zich de goddelijkheid der wateren. Ook manifesteerde zich een anus en was er van die anus het vermogen zich te ontlasten. Daarna verscheen de [god van de] dood die de hele wereld in vrees doet leven. (58) Ook manifesteerden zich twee handen samen met het vermogen dat ze hebben en verscheen daarna Heer Indra ten tonele [de onafhankelijkheid]. Vanuit de manifestatie van de twee benen manifesteerde zich de voorwaartse beweging en verscheen vervolgens de Heer [Heer Vishnu die over hen heerst]. (59-60) De aderen van het universele lichaam vertoonden zich samen met het erbij geproduceerde bloed. Daarmee verschenen de rivieren en manifesteerde zich een maag waarmee zich honger en dorst voordoet. Na hen verschenen de oceaan en het hart van de universele gedaante. Uit het hart manifesteerde zich toen het denken. (61) Vanuit het denken kwam toen de maan [Candra] in zicht en daaruit manifesteerde zich de intelligentie. Vanuit die intelligentie verscheen de Heer van de spraak [Brahmâ]. Het zich in vals ego identificeren met de materie leidde toen tot de verschijning van Rudra [S'iva], de rede en de goddelijkheid die over de rede heerst.
(62) Al deze vormen van goddelijkheid die hun bestaan vonden waren geenszins in staat de Oorspronkelijke Persoon in het leven te roepen en om die reden gingen ze de een na de ander weer terug naar de bron van hun bestaan om Hem op te wekken. (63) De god van het vuur der spijsvertering ging de mond weer binnen, maar mislukte erin Hem op te wekken. De god van de wind ging weer terug naar de reukzin van de neusgaten, maar kon de Oorspronkelijke Persoon toen niet naar voren roepen. (64) Het goddelijke licht voor Zijn twee ogen kon de Authentieke Persoon niet teweegbrengen en met het goddelijke zich oriënteren middels de hoorzin op Zijn twee oren werd het Grote van de Persoon evenmin tot leven gewekt. (65) Het goddelijke van de huid kon met zijn begroeiing en zegen aan kruiden de Gevierde Persoon niet naar boven halen en de goddelijkheid van het water kon met de voortplanting via de geslachtsorganen de Grote Persoon ook niet in beweging krijgen. (66) Met het vermogen zich te ontlasten kon de god van de dood bij Zijn anus de Kosmische Ene niet in gang krijgen en zelfs de twee handen van Heer Indra met hun macht van beheersen konden de manier niet vinden om de Meester van de Macht toen tot leven te wekken. (67) Vishnu met de macht der vooruitgang was met het binnengaan van Zijn twee voeten niet in staat de Grootheid van het Geheel tot actie te bewegen en ook was de goddelijke stroom der rivieren naar Zijn bloedvaten terugkerend met het bloed en de macht van de circulatie toen niet in staat de Oorspronkelijke Persoon in beweging te krijgen. (68) De oceaan die samen met de honger en de dorst volgde kon naar Zijn buik bewegend de Grote Persoon niet in gang zetten en het hart met de geest overeenkomstig de goddelijkheid van de maan mislukte er toen ook in de Enige Ware Gigantische Persoon op te wekken. (69) Ook Brahmâ ging Zijn hart binnen met intelligentie, maar wekte de Gevierde Persoon niet op, zoals ook Heer S'iva er niet toe in staat bleek het volledige van de Purusha op te wekken met het sturen van het ego naar Zijn hart. (70) Maar, toen de goddelijkheid die met de rede heerst over het bewustzijn het hart binnenging als de kenner van het veld, rees op dat moment het Kosmisch Wezen op uit de causale wateren. (71) Het is als met een slapende man waarvan de levensadem, de handelende en kennende zinnen, het denken en het begrijpen uit eigen beweging hem niet in beweging kunnen brengen zonder dat Hij er is. (72) Daarom behoort iemand die aan yoga doet met behulp van geestelijke kennis, onthechting en toewijding, gewetensvol de gedachte aan Hem als de Superziel die in het hart aanwezig is, in overweging te nemen.'
Derde herziene editie, geladen 22 september 2010.
Vorige Aadhar-editie en Vedabase links:
De Allerhoogste Heer zei: 'Ik zal nu voor u de verschillende categorieën van de werkelijkheid beschrijven met de kennis waarvan een ieder bevrijding kan vinden van [het juk van] de geaardheden der materiële natuur.De Allerhoogste Heer zei: 'Ik zal nu voor u de verschillende categorieën van de werkelijkheid beschrijven, met de kennis waarvan een ieder bevrijding kan vinden van de geaardheden der materiële natuur. (Vedabase)
Ik zal uitwijden over dat waarover men spreekt als de spirituele kennis [de jñâna] die de knopen [van het egoïsme] in het hart doorsnijdt en voor een persoon de uiteindelijke volmaaktheid van de zelfverwerkelijking vormt.
Dat waarover men spreekt als de spirituele kennis, die voor een persoon de uiteindelijke volmaaktheid van de zelfverwerkelijking is, zal ik u nu uiteenzetten, daar het dat is waardoor de knopen in het hart worden doorsneden. (Vedabase)
De Opperziel, de Oorspronkelijke Persoon, is zonder een begin en is, zich bevindend in het voorbije van de materie, verheven boven de geaardheden der natuur. Men kan Hem overal waarnemen als het zelfverlichte van de gehele schepping die door Hem wordt gehandhaafd.
De Opperziel van de oorspronkelijke persoon is zonder een begin, transcendentaal aan de geaardheden der natuur in het voorbije en is overal waarneembaar als het zelf-verlichte van de gehele schepping die hij handhaaft. (Vedabase)
Diezelfde persoon, die grootste der groten, aanvaardde geheel uit eigen beweging voor Zijn spel en vermaak de subtiele materiële energie die is bekleed met de drie geaardheden en in relatie staat tot de goddelijkheid [van Vishnu].
Die zelfde persoon, die grootste der groten, aanvaarde geheel uit eigen beweging de subtiele materiële energie in relatie tot het goddelijke als Zijn spel en vermaak en verwierf de bekleding met de drie geaardheden. (Vedabase)
De natuur creëerde middels de geaardheden de uiteenlopende gedaanten van de materieel levende schepselen. Daarmee geconfronteerd in deze wereld verkeerden ze meteen al in illusie omdat die [gedaanten] de overdekking vormen van hun spirituele kennis.
Door de geaardheden schiep de natuur de uiteenlopende vormen der materieel levende schepselen, die daarmee gekonfronteerd terstond aldaar in illusie waren verzet met de overdekking van hun spirituele kennis. (Vedabase)
Door zich te vereenzelvigen met de werking der materie die werd teweeggebracht door de geaardheden der natuur en die wat anders is dan hijzelf, denkt het levende wezen ten onrechte dat hij zelf degene is die handelt.
Door identificatie met de materiële aktiviteiten die in feite worden teweeggebracht door de geaardheden der natuur, schrijft het levende wezen ze aldus foutief aan zichzelf toe. (Vedabase)
Daardoor gebonden aan een geconditioneerd leven werd hij aldus afhankelijk, hoewel hij de van nature vreugdevolle en onafhankelijke getuige is die niets doet.
Door de misvatting van zijn leven in materiële konditionering wordt het afhankelijk gemaakt alhoewel het van degene is die niet handelt, die de natuurlijke vreugdevolle getuige is, die onafhankelijk is. (Vedabase)
De kenners van de waarheid zien het zo dat het lichaam en de zintuigen waarmee je werkt onderhevig zijn aan de werking van de geaardheden van de materiële natuur en dat de geestelijke ziel die boven alle materie staat verantwoordelijk is voor het ervaren van geluk en ongeluk [zie ook B.G. 13: 21].
Zij die leerden begrijpen dat het lichaam en de zintuigen van respekt onder de veroorzaking van het materiële van de natuur verkeren; wat betreft de waarneming van geluk en ongeluk is de geestelijke ziel boven de materie verantwoordelijk.' (Vedabase)
Devahûti zei: 'Wees zo goed me uit te leggen wat de kenmerken zijn van de energieën en de Oorspronkelijke Persoon [van prakriti en purusha] die samen de oorzaak vormen van de manifeste en niet-manifeste werkelijkheid waaruit deze schepping bestaat.'
Devahûti zei: 'Wees zo goed me uit te leggen wat de kenmerken zijn van zowel de energieën als de Hoogste Persoonlijkheid, die beide oorzaak zijn van het manifeste en niet-manifeste waaruit deze schepping bestaat. (Vedabase)
De Allerhoogste Heer zei: 'De ongedifferentieerde, eeuwige werkelijkheid die zich differentieerde als de materiële natuur [prakriti] die een combinatie van de drie geaardheden vormt, deze oorzaak van het effect [van de materiële manifestatie] wordt de primaire natuur [de oerether of pradhâna] genoemd.
De Allerhoogste Heer zei: 'Nu verder, wordt het ongedifferentieerde dat in bezit is van de gedifferentieerde materiële natuur, bestaande uit de oorzaak en het effect van de combinatie van de drie geaardheden, de primaire natuur [pradhâna] genoemd. (Vedabase)
Die primaire natuur staat bekend als de basis van waaruit de vijf grofstoffelijke en vijf subtiele elementen, de tien zinnen van waarnemen en handelen en de vier zinsafdelingen ontstonden, die samen uitkomen op een aantal van vierentwintig [zie ook elementen].
Die primaire natuur, weet men, is samengesteld uit de vijf grofstoffelijke en vijf subtiele elementen, het geestelijke van de vier interne zinnen en de tien zinnen van waarneming en arbeid, aldus tezamen uitkomend op een aantal van vierentwintig. (Vedabase)De vijf grofstoffelijke elementen zijn om precies te zijn: aarde, water, vuur, lucht en ether. Van de subtiele elementen zijn er, zoals Ik het zie, een gelijk aantal. Het zijn de reuk en dergelijke [smaak, kleur, aanraking en geluid].
De vijf grofstoffelijke elementen zijn om precies te zijn: aarde, water, vuur, lucht en ether; de subtiele elementen zijn in aantal gelijk en worden door Mij geacht te zijn de reuk en dergelijke [smaak, kleur, aanraking en geluid]. (Vedabase)
De tien zinnen zijn de organen voor het horen, aanraken, zien, proeven en ruiken [voor de waarneming], met [voor het handelen] de mond, de handen, de benen, de geslachtsorganen en de organen voor de uitscheiding als de tiende.
De tien zinnen zijn de organen voor het horen, aanraken, zien, proeven, en ruiken, [voor de waarneming], met de mond, de handen, de benen, de geslachtsorganen en de organen voor de uitscheiding als de tiende [voor het handelen]. (Vedabase)
De geest, de intelligentie, het ego en het bewustzijn zijn de vier aspecten van de interne, subtiele zin die men onderscheid als men aandacht heeft voor de verschillende kenmerken van de [hersen]functies.
Het denken, de intelligentie, ego en bewustzijn zijn de vier aspekten van de interne subtiele zin die men heeft, met het acht slaan op de onderscheiden functies in de vorm van verschillende kenmerken. (Vedabase)
Aldus zijn met de door Mij gegeven rangschikking de materiële kwaliteiten van de Absolute Waarheid van Brahman opgesomd [saguna brahman genaamd]. Wat betreft de tijd wordt daarbij gesproken van het vijfentwintigste element.
Aldus zijn naar de geest de materiële kwaliteiten opgesomd zoals ze daadwerkelijk door Mij zijn gerangschikt [en saguna brahman worden genoemd], waarbij wat betreft de tijd wordt gesproken van het vijfentwintigste element. (Vedabase)
Van de Oorspronkelijke Persoonlijkheid van God wordt gezegd dat Hij de invloed van de tijdfactor vormt die gevreesd wordt door sommigen die begoocheld zijn door het ego van het in contact staan met de materiële aard van het individuele bestaan.
De invloed van de Oorspronkelijke Persoonlijkheid van God wordt gezegd de tijdfaktor te zijn waarvan sommigen vrees koesteren in het begoocheld zijn door het ego van het in kontakt staan met de materiële natuur van het individuele bestaan. (Vedabase)
De [expanderende, accelererende] beweging van de materiële natuur zonder haar interactie van de geaardheden en hun specifieke kwaliteiten o dochter van Manu, vormt de [ruimte]tijd [de vierde dimensie] waarvan we in onze wereld Hem kennen, de Opperheer.
De beweging van de materiële natuur zonder haar interaktie van de geaardheden en haar specifieke kwaliteiten, o dochter van Manu, is de tijd waarvan we alhier Hem kennen, de Opperheer. (Vedabase)
Hij die er vanbinnen is in de vorm van de oorspronkelijke persoon [de purusha] en vanbuiten in de vorm van de tijd [het vijfentwintigste element], existeert op basis van [de manifestatie] van Zijn vermogens als de Heer van Alle Volheden [Bhagavân, de Fortuinlijke] voor alle levende wezens [en elementen].
Hij die van binnenuit bestaat, in de vorm van de oorspronkelijke persoon en van buiten in de vorm van de tijd, is Hij, de Allerhoogste Heer bij al Zijn vermogens naar alles [al de elementen] van het leven. (Vedabase)
Zij [de materiële natuur] van wie het evenwicht der geaardheden werd verstoord door de genade, de goddelijke beschikking, van de Hoogste Persoon die haar schoot bezwangerde met Zijn semen, Zijn inwendig vermogen, brengt het geheel van de kosmische intelligentie voort [de mahat-tattva] van Brahmâ's stralende gouden werkelijkheid [die bekend staat als hiranmaya].
Door haar bestaan in beweging gebracht, bezwangert de Hoogste Persoon vanuit Zijn uitgebalanceerde vermogen de baarmoeder [van moeder natuur] en brengt zij het volledige van de waarheid van Brahmâ's stralende gouden werkelijkheid [hiranmaya] voort. (Vedabase)
Het universum dat deze onveranderlijke grondoorzaak van de kosmische manifestatie in zich draagt, slokte door zijn eigen uitstraling de hechte duisternis op van het Zelf in zijn voorwereldlijke sluimertoestand.
Het universum dat in zich deze onveranderlijke grondoorzaak herbergt, slokt door de eigen uitstraling de hechte duisternis op waarin zij verwikkeld was. (Vedabase)
De geaardheid goedheid, welke de heldere en nuchtere positie vormt om de Allerhoogste Heer te begrijpen, staat bekend onder de naam Vâsudeva; het is het bewustzijn dat de aard van het intellect vormt [zie ook S.B. 1.2: 23].
De geaardheid goedheid, welke de heldere en nuchtere manier is van het verstaan van de Allerhoogste Heer, staat bekend onder de naam Vâsudeva; dat bewustzijn dat zich voordoet als het grote principe [het maha-tattva, het intellect]. (Vedabase)
De kenmerkende eigenschappen van iemands [rede in deze staat van Krishna- of natuurlijk tijds-]bewustzijn zijn als die van de natuurlijke staat van zuiver water: helderheid, onveranderlijkheid en sereniteit.
Helder, niet afgeleid en sereen worden aldus de kenmerkende eigenschappen genoemd van het [Krishna- of natuurlijke tijds-] bewustzijn dat gelijk de natuurlijke staat van zuiver water is. (Vedabase)
Uit de volledige werkelijkheid [de mahat-tattva] die de veranderingen ondergaat die worden veroorzaakt door de Allerhoogste Heer Zijn energieën, ontsprongen de in vijf verdeelde elementen, het materiële ego [of ik-besef] en de daaruit voortspruitende geest in combinatie met de verschillende zinnen van handelen en waarnemen. Bewogen door dat actieve vermogen van de Heer manifesteerde het ego zich in de drie soorten van de goedheid, de hartstocht en de onwetendheid.
Van de volledige werkelijkheid die de veranderingen ondergaat teweeg gebracht door de Allerhoogste Heer Zijn energieën, ontsprong, behept met het aktieve vermogen ervan, het materiële ego zich in drie soorten transformerend als zijnde van de goedheid, de hartstocht en de onwetendheid, waaruit zich eveneens het denken ontwikkelde, de verschillende zinnen van handelen en waarnemen en de elementen in vijf verdeeld. (Vedabase)
Dat alles van het ego bestaande uit de elementen, de zinnen en de geest vormt de persoon van de Hoogste Persoonlijkheid van Ananta met Zijn duizenden hoofden [Vishnu's slangenbed] die bekend staat onder de naam Sankarshana [de Heer Zijn eerste volkomen expansie].
Alles van het ego bestaande uit de elementen, de zinnen en de geest is direct de Hoogste Persoonlijkheid van Ananta met Zijn duizenden hoofden [Vishnu's slangenbed] bekend onder de naam Sankarshana [eveneens bekend als de Heer Zijn eerste volkomen expansie]. (Vedabase)
Het valse ego, het ik geïdentificeerd met de materie, kan aldus [overeenkomstig de drie guna's] worden gekenschetst als zowel degene die handelt, het instrument waarmee gehandeld wordt [het lichaam] als het effect van de handelingen [of dat wat er tot stand gebracht werd]. Ook kan men in dat verband spreken van het ego als zijnde sereen, actief of traag.
Het ego geïdentificeerd met de materie kan aldus worden gekenschetst als degene die handelt, die het instrument en het effect is, zowel als zijnde sereen, aktief en traag. (Vedabase)
Met de transformatie [van het ego in drie valse vormen] ontwikkelde zich [in goedheid] uit de emoties ervan het principe van de geest waarvan de gedachten en bespiegelingen aanleiding geven tot verlangens.
Uit de goedheid van de materiële identificatie ontwikkelde zich na transformatie het principe van het denken waarvan de gedachten en bespiegelingen aanleiding geven tot verlangens. (Vedabase)
De naam van dat principe is Aniruddha, Hij [de persoonlijke expansie van de geest van Vâsudeva] die bekend staat als de heerser over de zinnen. Hij is zo blauw als een lotus in de herfst en wordt alleen geleidelijk aan gerealiseerd door de yogi's.
Die geest staat feitelijk bekend onder de naam Aniruddha, de Opperheer van de zinnen die blauwachtig is als een lotus in de herfst en alleen geleidelijk aan gerealiseerd word door de yogî's. (Vedabase)
Vanuit de schittering van het licht van de transformatie deed zich het principe van de intelligentie [de expansie van de Heer genaamd Pradyumna] voor, o deugdzame dame, om ondersteuning te verlenen aan het zintuiglijk constateren van de voorwerpen die er waar te nemen zijn.
Door de transformatie van de materiële identificatie in de hartstocht deed zich het principe van de intelligentie voor, o deugdzame dame, om ondersteuning te verlenen in het naar de zinnen constateren van de voorwerpen die in zicht komen. (Vedabase)
Twijfel, misverstaan, het juiste begrip, geheugen en slaap beschouwt men aldus als de verschillende kenmerken van de functies der intelligentie.
Twijfel, misverstaan, het juiste begrip, geheugen en slaap worden aldus beschouwd als zijnde de kenmerken van de intelligentie in haar verschillende functies. (Vedabase)
Van de krachtwerking van het ego zijn er de zinnen om te komen tot handelen en om kennis te verwerven overeenkomstig de werkzame krachten van respectievelijk de vitale energie en de intelligentie.
Uit de hartstocht van het ego hebben we naar waarheid de zinnen van handelen en kennis overeenkomstig respektievelijk de werkzame krachten van de vitale energie en het effect van de ervaring van de intelligentie. (Vedabase)
Ertoe aangezet door het vermogen van de Allerhoogste Heer manifesteerde zich vanuit de onwetendheid van het ego in transformatie het subtiele element van het geluid. Daarop ontwikkelde zich vanuit de ether de gehoorzin om de geluiden op te vangen.
Van de duisternis van het ego en haar transformatie, werd, daartoe aangezet door het vermogen van de Allerhoogste Heer, het subtiele element van het geluid gemanifesteerd, waarvan het etherische toen de gehoorzin vormde als ontvankelijkheid voor de werking ervan. (Vedabase)
Geleerde personen definiëren geluid als dat wat een materieel object aanduidt, als dat wat de aanwezigheid van een spreker verraadt [die herinnerd niet noodzakelijk nog langer aanwezig is] en als dat wat kenmerkend is voor het subtiele element van de ruimte.
Geleerde personen weten het te definiëren als dat wat een materieel object aanduidt; ze kennen geluid als het verraad van de aanwezigheid van een spreker en als gestalte gevend aan de subtiele werkelijkheid van het zinnelijk bestaan [de ether]. (Vedabase)
Wat betreft zijn werking en kenmerken wordt de ether beschreven als het element dat intern en extern ruimte biedt aan de levende wezens en als het handelingsgebied van de levensadem [prana], de zinnen en de geest.
De aktiviteiten en kenmerken van het etherisch element voorzien in de buiten- en de binnenruimte, voor alle levende wezens het handelingsgebied zijnd van de levensadem, de zinnen en het denken. (Vedabase)
Vanuit de ether zich ontwikkelend uit de subtiliteit van het geluid, vindt onder de transformerende impuls van de tijd de evolutie van het subtiele element der aanraking plaats en treft men aldus de lucht aan, het zinsorgaan ervoor en met die tastzin de feitelijke waarneming.
Van het etherische zich ontwikkelend uit het subtiele van het geluid, vindt onder de transformerende impuls van de tijd de evolutie van het subtiele element der aanraking plaats en wordt aldus de lucht gevonden, het zinsorgaan ervoor en van die zin de waarneming. (Vedabase)
Zachtheid en hardheid, alsmede koude en hitte zijn van dit subtiele element der aanraking de onderscheiden kenmerken in het zinnelijk ervaren van de lucht.
Zachtheid en hardheid, koude en hitte eveneens, zijn van dit subtiele element van aanraking de onderscheiden eigenschappen in het zinnelijk ervaren van de lucht. (Vedabase)
Door deze verschillende kenmerken van de werking van de lucht die beweegt en zich vermengt, dingen naar elkaar toe brengt en [stof]deeltjes en golven van geluid meevoert, worden de overige zinnen tot het juiste functioneren aangezet.
Door de onderscheiden kenmerken van de aktiviteiten van de lucht die beweegt en zich vermengd, maakt het de toenadering [tot objecten] mogelijk, daarbij de deeltjes en golven van geluid meevoerend die de zinnen tot het juiste functioneren aanzetten. (Vedabase)
Bij lotsbeschikking evolueerde vanuit het element van de lucht en het subtiele element der aanraking de gedaante [die men heeft] waarin zich met het vuur het gezichtsvermogen ontwikkelde om kleur en vorm waar te nemen.
Van de lucht gerealiseerd door de subtiele werkelijkheid der aanraking, ontwikkelden, zoals voorbeschikt, zich de vormen waaruit de waarneming van het vuur voortkwam in de zin van het zien van kleur en vorm. (Vedabase)
O deugdzame, de kenmerken van het vormelement zijn de afmeting, de kwaliteit en de individualiteit van een voorwerp. Voor vuur is dit de straling.
O deugdzame, de kenmerken van de vorm van een object zijn naar de werkelijkheid der zinnen, de afmetingen ervan, de kwaliteit, de bepaalde individualiteit en de stralende gloed. (Vedabase)
De functies van het vuur bestaan eruit te verlichten, te verteren, te verdampen, de kou te verdrijven, honger en dorst op te wekken en te zorgen voor eten en drinken.
De functies van het vuur zijn in werkelijkheid het verlichten, het verteren van wat men drinkt en eet, het verdrijven van de kou en het verdampen als ook het van dienst zijn met honger en dorst. (Vedabase)
Van de waargenomen vorm die door hogerhand beschikt transformeert onder invloed van het vuur manifesteerde zich het smaakelement waarvan er met het water de tong verscheen die de smaak waarneemt.
Vanuit de substantie van de vorm die de transformaties van het vuur ondergaat, manifesteerde zich naar goddelijke beschikking de zin voor de smaak, waardoor het water en de tong in relatie daarmee werden gevonden. (Vedabase)
Hoewel de smaak één is, raakt ze door al de verschillende substanties verdeeld in de gewaarwording van het wrange, zoete, bittere, scherpe [zoute] en zure.
Hoewel de smaak één is, is zij door omvorming aldus naar de veelvoud van andere substanties verdeeld in de gewaarwording van het wrange, zoete, bittere, scherpe [zoute] en zure. (Vedabase)
Het typische van water is dat het bevochtigt, coaguleert, de dorst lest, het leven in stand houdt, verfrist, zacht maakt, verkoelt en in overvloed beschikbaar is.
Het typische van water is dat het bevochtigt, coaguleert, de dorst lest, het leven in stand houdt, verfrist, zacht maakt, doet afkoelen en in overvloed beschikbaar is. (Vedabase)
Door de transformaties die het element van de smaak door het water onderging, manifesteerde zich zoals beschikt bij het vinden van de aarde de maat der geur terwille van het ruiken van aroma's.
Door het element van de smaak, in het ondergaan van de transformaties door het water, deed zich van boven beschikt de maat der geur voor in het vinden van de aarde en het ruiken van aroma's. (Vedabase)
De eenheid van de geur is, afhankelijk van de verhoudingen der substanties, verdeeld in de realisaties van het vermengd, pregnant, welriekend, mild, sterk en zurig zijn en zo meer.
Het ene van de geur is verdeeld naar de verhoudingen van substanties in het afzonderlijke van vermengd zijn, opdringerig, welriekend, mild, sterk, zurig van geur zijn, enzovoorts. (Vedabase)
De kenmerkende functie van de aarde is dat ze gemodelleerd wordt in vormen van het Allerhoogste Brahman met verblijfplaatsen, opbergpotten etc. die de plaats vormen voor de aanwezigheid van alles wat afgescheiden in de ruimte kan bestaan.
De kenmerkende functie van de aarde is de plaats te zijn voor de manifestatie van de in de ruimte gescheiden aard van al het bestaande dat van de Hoogste Geest is gemodelleerd in vormen, verblijfplaatsen, opbergpotten etc. (Vedabase)
De zintuiglijke functie die het individuele kenmerk van de lucht [het geluid] als haar object heeft wordt de gehoorzin genoemd en de zin welke de verschillende kenmerken van de lucht [de aanraking] als haar object heeft staat bekend als de tastzin.
De zin die het onderscheiden kenmerk van de lucht [geluid] als haar object heeft wordt de gehoorzin genoemd en die zin welke de onderscheiden kenmerken van de lucht [de aanraking] als haar object heeft staat bekend als de tastzin. (Vedabase)
De zintuiglijke functie die dat wat zich aftekent van het vuur [ofwel de vorm] als haar object heeft wordt het gezichtsvermogen genoemd, de specifieke waarneming van de kenmerken van water staat bekend als de smaakzin en de waarneming van het bijzondere van de aarde wordt de reukzin genoemd.
De zin die het afzonderlijke van het vuur [vorm] als haar object heeft wordt het gezichtsvermogen genoemd, de onderscheiden waarneming van de kenmerken van water staat bekend als de smaakzin en het afzonderlijke van de aarde in de waarneming wordt de reukzin genoemd. (Vedabase)
In de kenmerken van het gevolg van iets kan men de kenmerken van de oorzaak herkennen. Bijgevolg kan men in enkel het aarde-element [als het laatst geschapen element] de eigenaardigheden van al de voorgaande elementen terugvinden.
De kenmerken van de oorzaak worden waarlijk waargenomen in het gevolg en bijgevolg worden naar die orde de onderscheiden kenmerken van alle elementen waargenomen in de aarde alleen [en in mindere mate in de voorgaande elementen]. (Vedabase)
Toen [bij de aanvang van de schepping] de zeven primaire elementen [de vijf materiële elementen, het ego en de kosmische intelligentie - de mahat-tattva] zich nog niet hadden vermengd, ging [de Heer] de oorsprong van de schepping toegerust met kâla, karma en guna [de tijd, de werklast en de geaardheden] het universum binnen.
Toen dezen [in het begin] onvermengd waren, gingen al de zeven van de oorspronkelijke volledigheid [de vijf materiële elementen, de totale energie (mahat-tattva) en het geïdentificeerde ego] vanaf het begin de schepping binnen; in feite vanuit de associatie met de tijd, het karma en de drie geaardheden der natuur. (Vedabase)
Toen werden door Hem [als de Tijd] deze zeven principes tot activiteit aangezet en in een eivorm verenigd die in een onbewuste staat verkeerde. Uit dat ei manifesteerde zich het gevierde Kosmische Wezen [of de oorspronkelijke 'gigantische' persoon, de virâth purusha].
Toen stap voor stap [met Hem als de tijd], werd vanuit deze zeven principes, tot aktiviteit aangezet, een eivorm verenigd zonder bewustzijn, waaruit het gevierde Kosmische Wezen [of de oorspronkelijke persoon, de virâth purusha] zich opwierp. (Vedabase)
Dit ei noemt men vis'esha ['de gedifferentieerde werkelijkheid']. Het is de uitwendige gedaante van Heer Hari, de Hoogste Persoonlijkheid, die zich uitstrekt als het geheel der leefwerelden [zie S.B. 2.1: 24-37] die bestaan uit opeenvolgende lagen van water en de overige elementen, ieder tien keer zo dik als de vorige. Van buiten zijn ze omhuld door pradhâna, de ongedifferentieerde staat der materie [de oerether].
Dit ei genaamd Vis'esha ['het aktieve'], vond orde in de tienvoudige uitbreiding naar het grotere van het water en de andere elementen verwikkeld in de geaardheden van de primaire natuur aan de oppervlakte van de zich uitstrekkende planetenstelsels; dit is de [planetaire] gedaante die de Heer, het Opperwezen, aannam. (Vedabase)
Uit het gouden [zonlicht van het] universele ei verrees, vanuit de wateren die Hij doordrong en waarin Hij lag, de grootsheid van God [Mahâdeva] verdeeld in vele cellen [kham, etherische openingen van lichtbeheersing].
Uit het gouden [zonlicht] van het ei rees, vanuit de wateren die Hij doordrong en waarin Hij lag, het grote van het goddelijke op, in vele cellen verdeeld in het kontroleren van het licht. (Vedabase)
Het eerste dat van Hem verscheen was een mond gevolgd door het spraakorgaan. Daarmee verscheen tevens de goddelijkheid van het vuur [Vahni, de goddelijkheid die over het vuur van de spijsvertering heerst] met daaropvolgend de neusvleugels met de bij hen horende reukzin en de levensadem [prâna].
Het eerste dat van Hem verscheen was een mond om in geluid een relatie aan te gaan [Vânî] waarna, met dat orgaan, er de goddelijkheid van het [spijsverterings-]vuur was, toen vergezeld door de neusvleugels met de levensadem en de reukzin in hen. (Vedabase)
Uit de reukzin manifesteerde zich de goddelijkheid van de lucht [Vâyu]. Toen manifesteerde zich vanuit het gezichtsvermogen van de twee ogen de goddelijkheid van de zon [Sûrya] en kwam [daarop] uit de gehoorzin van de twee oren de goddelijkheid heersend over de windrichtingen voort.
Uit de reukzin werd het goddelijke van de lucht [Vâyu] gerealiseerd, de twee ogen van het gezichtsvermogen brachten de goddelijkheid van de zon [Sûrya] in het bewustzijn en door de gehoorzin van de twee oren straalde de goddelijkheid van de windrichtingen voort. (Vedabase)
Toen verscheen de huid van de universele gedaante met zijn haargroei en dergelijke, waarna de geneeskrachtige kruiden verschenen met daarna de geslachtsorganen.
Van de gevierde vorm verscheen de huid met haar haargroei en dergelijke, waarna de geneeskrachtige kruiden werden gezien zowel als de geslachtsorganen. (Vedabase)
Van hen was er semen en manifesteerde zich de goddelijkheid der wateren. Ook manifesteerde zich een anus en was er van die anus het vermogen zich te ontlasten. Daarna verscheen de [god van de] dood die de hele wereld in vrees doet leven.
Van dat zaad van sexuele voortplanting vond de goddelijkheid over de wateren zijn plaats en manifesteerde zichzelf daadwerkelijk een anus en het vermogen zich te ontlasten, van waaruit de dood die in de gehele wereld angst veroorzaakt werd gerealiseerd. (Vedabase)
Ook manifesteerden zich twee handen samen met het vermogen dat ze hebben en verscheen daarna Heer Indra ten tonele [de onafhankelijkheid]. Vanuit de manifestatie van de twee benen manifesteerde zich de voorwaartse beweging en verscheen vervolgens de Heer [Heer Vishnu die over hen heerst].
Eveneens manifesteerden zich twee handen met naar hun macht het vermogen naar eigen goeddunken te handelen [Heer Indra]. Van de manifestatie van de twee voeten werd de voortgang gezien, waarnaar men toen tot het besef van de Heer [Vishnu] kwam. (Vedabase)
De aderen van het universele lichaam vertoonden zich samen met het erbij geproduceerde bloed. Daarmee verschenen de rivieren en manifesteerde zich een maag waarmee zich honger en dorst voordoet. Na hen verschenen de oceaan en het hart van de universele gedaante. Uit het hart manifesteerde zich toen het denken.
Van het gevierde persoonlijke toonden zich de aderen en de bloedsomloop daarnaar. Naar hen worden de rivieren waargenomen. Vervolgens manifesteerde zich een maag waarvan zich honger en dorst voordeed. In navolging daarvan zag men de oceaan. Uit het verschijnen van een hart kwam toen het denken voort. (Vedabase)
Vanuit het denken kwam toen de maan [Candra] in zicht en daaruit manifesteerde zich de intelligentie. Vanuit die intelligentie verscheen de Heer van de spraak [Brahmâ]. Het zich in vals ego identificeren met de materie leidde toen tot de verschijning van Rudra [S'iva], de rede en de goddelijkheid die over de rede heerst.
Uit het denken kwam toen naar de intelligentie de maan [Candra] in het zicht en van die intelligentie zag men de Heer van de spraak [Brahmâ] tegemoet. Het zich identificeren met de materie gaf toen de verschijning van Rudra [S'iva], de godheid heersend over het bewustzijn. (Vedabase)
Al deze vormen van goddelijkheid die hun bestaan vonden waren geenszins in staat de Oorspronkelijke Persoon in het leven te roepen en om die reden gingen ze de een na de ander weer terug naar de bron van hun bestaan om Hem op te wekken.
Al deze vormen van goddelijkheid die hun bestaan vonden waren in het geheel niet in staat de oorspronkelijke persoon der viering weer op te roepen en om die reden versmolten ze in de genen teneinde Hem naar orde op te wekken. (Vedabase)
De god van het vuur der spijsvertering ging de mond weer binnen, maar mislukte erin Hem op te wekken. De god van de wind ging weer terug naar de reukzin van de neusgaten, maar kon de Oorspronkelijke Persoon toen niet naar voren roepen.
De goddelijkheid van het vuur der spijsvertering vestigde zich voor de mond, maar mislukte erin de Gevierde op te wekken. Het goddelijke van de wind vestigde zich voor de reukzin van de neusgaten, maar kon toen niet de Oorspronkelijke naar voren roepen. (Vedabase)
Het goddelijke licht voor Zijn twee ogen kon de Authentieke Persoon niet teweegbrengen en met het goddelijke zich oriënteren middels de hoorzin op Zijn twee oren werd het Grote van de Persoon evenmin tot leven gewekt.
Het goddelijke van het licht voor Zijn twee ogen kon de Authentieke niet teweeg brengen en met het goddelijke van het zich oriënteren door middel van de hoorzin met Zijn twee oren werd het Grote van de Persoon ook niet tot leven gewekt. (Vedabase)
Het goddelijke van de huid kon met zijn begroeiing en zegen aan kruiden de Gevierde Persoon niet naar boven halen en de goddelijkheid van het water kon met de voortplanting via de geslachtsorganen de Grote Persoon ook niet in beweging krijgen.
Het goddelijke van de huid, met haar begroeiing en zegen aan kruiden, kon niet de gevierde Persoon naar boven brengen en de goddelijkheid van het water kon, met de voortplanting met behulp van de geslachtsorganen, de Grote Persoon ook niet teweeg brengen. (Vedabase)
Met het vermogen zich te ontlasten kon de god van de dood bij Zijn anus de Kosmische Ene niet in gang krijgen en zelfs de twee handen van Heer Indra met hun macht van beheersen konden de manier niet vinden om de Meester van de Macht toen tot leven te wekken.
Met het vermogen zich te ontlasten kon de God van de Dood met Zijn Anus de Kosmische Ene niet in gang krijgen en zelfs de twee handen van Heer Indra met hun macht van beheersen konden de manier niet vinden om de Virâth Purusha toen op te wekken. (Vedabase)
Vishnu met de macht der vooruitgang was met het binnengaan van Zijn twee voeten niet in staat de Grootheid van het Geheel tot actie te bewegen en ook was de goddelijke stroom der rivieren naar Zijn bloedvaten terugkerend met het bloed en de macht van de circulatie toen niet in staat de Oorspronkelijke Persoon in beweging te krijgen.
Vishnu met de macht der voortgang was met zijn twee voeten niet in staat de Grote Volledigheid tot aktie te bewegen en daadwerkelijk was het goddelijke van de stroom der rivieren naar Zijn bloedvaten met het bloed en de macht van de circulatie toen ook niet in staat de Gevierde Persoon te bewegen. (Vedabase)
De oceaan die samen met de honger en de dorst volgde kon naar Zijn buik bewegend de Grote Persoon niet in gang zetten en het hart met de geest overeenkomstig de goddelijkheid van de maan mislukte er toen ook in de Enige Ware Gigantische Persoon op te wekken.
De oceaan volgend met honger en dorst kon naar Zijn buik de Grote persoon niet in gang zetten en het hart met de geest naar de goddelijkheid van de maan mislukte er toen ook in de Enige Ware op te wekken. (Vedabase)
Ook Brahmâ ging Zijn hart binnen met intelligentie, maar wekte de Gevierde Persoon niet op, zoals ook Heer S'iva er niet toe in staat bleek het volledige van de Purusha op te wekken met het sturen van het ego naar Zijn hart.
Ook Brahmâ ging Zijn hart binnen met intelligentie, maar wekte de Gevierde Persoon niet op, als ook Heer S'iva, die er niet toe in staat was het volledige van de Purusha op te wekken met het ego naar Zijn hart. (Vedabase)
Maar, toen de goddelijkheid die met de rede heerst over het bewustzijn het hart binnenging als de kenner van het veld, rees op dat moment het Kosmisch Wezen op uit de causale wateren.
Maar toen de goddelijkheid die met de rede heerst over het bewustzijn het hart binnen ging als de kenner van het veld, precies toen rees het Kosmisch Wezen op uit de causale wateren. (Vedabase)
Het is als met een slapende man waarvan de levensadem, de handelende en kennende zinnen, het denken en het begrijpen uit eigen beweging hem niet in beweging kunnen brengen zonder dat Hij er is.
Het is als met een man die slaapt waarvan de levensadem, de werkende en kennende zinnen, zijn denken en zijn overwegen, uit eigen beweging niet zonder Hem in gang komen. (Vedabase)
Daarom behoort iemand die aan yoga doet met behulp van geestelijke kennis, onthechting en toewijding, gewetensvol de gedachte aan Hem als de Superziel die in het hart aanwezig is, in overweging te nemen.'
Daarom behoort de belichaamde, met behulp van spirituele kennis, onthechting en toewijding in de uitvoering van de yoga, zorgvuldig de gedachte aan Hem, de Superziel, in overweging te nemen. (Vedabase)

De tekst en de audio
worden aangeboden onder de
Creative
Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike
3.0
Unported License.
De afbeelding is
een collage van Anand Aadhar van een wielontwerp van
eigen hand
en gelaatsdetails van een stenen tempelreliëf getiteld:
"Trimurti Ellora" Bron.
Productie: de Filognostische
Associatie
van De
Orde van de Tijd.
Feed-back | Links | Downloads | Muziek | Afbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties