
Canto
4
Hoofdstuk 30
De Activiteiten van de Pracetâ's
(1) Vidura zei: 'De zoons van Prâcînabarhi waar u voorheen over sprak, o brahmaan, stelden allen met succes de Heer tevreden door het lied van Heer S'iva te zingen [zie 4: 24]; wat bereikten ze daarmee? (2) Wat, o discipel van Brihaspati, was het dat door de Pracetâ's, de Schenker der Genade dierbaar, behalve het bereiken van het Allerhoogste, daardoor bij de voorzienigheid her en der hier tot stand werd gebracht nadat ze de god van de berg Kailâsa hadden ontmoet?'
(3) Maitreya zei: 'De Pracetâ's die bij het meer dat naleefden wat hun vader hen had opgedragen, stelden met het zingen van mantra's met hun verzaking Hij die vanbinnen leeft [de Allerhoogste Heer] tevreden. (4) Na de tienduizend jaren van hun gestrenge verzaking [zie ook 4.24: 14] verscheen toen de Oorspronkelijke Persoon der Eeuwigheid voor hen, ze geruststellend en belonend met Zijn schoonheid.(5) Zich bevindend op de rug van de vogel waarmee Hij rondreist [Garuda], zag Hij eruit als een wolk rond de top van de berg Meru, alle duisternis in de omtrek verdrijvend, met een geel gewaad aan en met het juweel om Zijn nek. (6) Glanzend van de gouden sieraden straalde Hij met Zijn helm op met Zijn hoofd en Zijn verbijsterend mooie gelaat, Zijn acht wapens en het gevolg van wijzen en halfgoden terwijl Garuda Hem diende door als een supermenselijk wezen [een Kinnara] Zijn Heerlijkheden te bezingen. (7) Met temidden van Zijn acht stoere armen een bloemenslinger, zo mooi bijna als de Godin van het Geluk , richtte de Oorspronkelijke Persoonlijkheid van God zich tot de overgegeven zonen van Prâcînabarhi met een stem diep als de donder, terwijl Zijn genadevolle blik op hen rustte. (8) De Allerhoogste Heer zei: 'Ik ben zeer verheugd over de vriendschap van een ieder van jullie, die zo plichtsgetrouw zijn in dezelfde vriendelijkheid, o Zoons van de Koning; derhalve, tot jullie grote geluk, mag je Mij om een gunst vragen. (9) Die persoon die consequent iedere avond aan jullie terugdenkt zal met zijn broeders vriendschap vinden alsmede gelijkheid met alle levende wezens. (10) Van die personen, die jegens Mij, in de ochtend en in de avond met behulp van het lied van Heer S'iva aandachtig zijn in het opzenden van gebeden, zal Ik alle verzoeken inwilligen in wat ze verlangden voor het heil van de goddelijkheid van hun intelligentie. (11) Het fijne van jullie heerlijkheid zal bekend zijn over de hele wereld, omdat jullie zo van harte de opdracht van jullie vader hebben aanvaard. (12) Er zal een zeer beroemde zoon zijn [genaamd Vis'ruta], die in zijn kwaliteiten geenszins onderdoet voor Heer Brahmâ en die de drie werelden zal bevolken met zijn nakomelingen. (13) De lotusogige dochter die de wijze Kandu kreeg van het hemelse meisje genaamd Pramlocâ, werd overgedragen aan de zorg van de [godheid der] bomen, o zoons van Prâcînabarhi. (14) Toen zij honger leed en huilde goot Soma, de Koning van de Maan, met behulp van zijn wijsvinger meedogend de nectar in haar mond. (15) Verwek, op Mijn gezag, nageslacht in navolging van wat door uw vader werd opgedragen en trouw onverwijld met haar, die dochter met de vele kwaliteiten en grote schoonheid. (16) Moge deze echtgenote, dit keurige meisje zo rank, volledig in haar overgave zijn; qua karakter en plichtsopvatting verschilt ze niet van jullie allen; haar manieren zijn hetzelfde. (17) Bij Mijn genade, zal jullie macht miljoenen van hemelse jaren [één jaar op aarde is één dag in de hemel, zie 3: 11] ononderbroken op deze aarde bestaan en zullen jullie voorzeker al de hemelse geneugten genieten. (18) Weest derhalve standvastig jegens Mij middels toegewijde dienst; met jullie geest vrij van de smet der geaardheden, zullen jullie Mijn woning bereiken en, bevrijd uit het materieel bestaan, aldus niet langer zorgen hebben. (19) Zelfs voor personen die een huishoudelijk bestaan hebben opgebouwd wordt een dergelijk familieleven niet gezien als een oorzaak van gebondenheid, als men ieder moment van zijn tijd besteed aan goede werken en aan verhalen die Mij betreffen.(20) Als men dit heeft bereikt, deze immer frisse Kenner in het hart die er is als de Hoogste Geest van God zoals die wordt verdedigd door de kenners van de Absolute Waarheid, staat men niet te juichen of te jammeren en is men ook niet verbijsterd.
(21) Maitreya zei: 'Toen ze Hem, de Heer, Hij die alle obstakels uit de weg ruimt, aldus hoorden spreken over het hoogste levensdoel, werd de duisternis van de besmetting der hartstocht van de Pracetâ's verdreven en brachten ze, met haperende stemmen en gevouwen handen, gebeden voor de grootste van alle vrienden. (22) De Pracetâ's zeiden: 'Onze eerbetuigingen, keer op keer aan de vernietiger van alle leed die Zijn naam vestigde als de grootheid der kwaliteiten sneller dan de snelste geest en spraak; alle eer aan Hem wiens wegen met behulp van de zinnen niet kunnen worden gekend. (23) De Eenduidige, de Meest Vreedzame bieden we ons respekt; de wereld van de dualiteit doet zich als betekenisloos voor als men zijn geest heeft gevestigd op dat wat het Zijne is; onze eerbetuigingen aan Hem die, naar de geaardheden der materie, de vormen aannam voor de handhaving, schepping en vernietiging van het universum. (24) Onze eerbied geldt U, wiens bestaan vrij is van de materiële invloed, die de misère wegneemt, die altijd uit is op de bevrijding van de geconditioneerde zielen en die de alles-doordringende Heer van het bewustzijn, Vâsudeva, Krishna, de pleitbezorger van alle toegewijden is. (25) Ons eerbetoon voor Hem met de lotusnavel, Hem met de lotus-slinger, Hem met de lotusvoeten en voor Hem met de lotusogen. (26) Laat ons onze eerbetuigingen aanbieden aan Hem wiens gewaad smetteloos is met de kleur van de gele saffraan van een lotusbloem, aan de Allerhoogste Getuige, de toevlucht van alle levende wezens. (27) De gedaante die U aan ons, die onder de materie te lijden hebben, onthulde, o Heer, maakt aan talloze problemen een einde; wat kunnen we nog meer van U verlangen? (28) U die in Uw mededogen door Uw expansies zichtbaar bent voor de bescheiden toegewijden, wordt, met het nodige respect voor de tijd, steeds herinnerd middels iemands toegewijde dienst, o vernietiger van alle onheil. (29) Daarmee komen alle verlangens van de levende wezens tot rust, hoe diep ze ook mogen zijn gevallen in hun verlangen naar zovele zaken; en waarom zou U, verborgen in onze harten, ook geen weet hebben van alles waar wij naar verlangen? (30) Dat is voorzeker de gunst die wij verlangen; dat U, o Vader van het Universum, tevreden bent, U als de Allerhoogste Heer en geestelijk leraar met wie men op het pad der bevrijding het uiteindelijke doel bereikt. (31) Daarom bidden we voor die zegen van U, o Heer van de bovenzinnelijkheid boven alles; Uw glorie is onafzienbaar en aldus wordt U gevierd als zijnde Ananta [de Onbegrensde]. (32) Een bij compleet in het bereiken van de Pârijâta [de van honing druipende hemelse wensboom of kalpa-vriksha] zoekt zijn heil niet bij een andere; om wat, o wat, zouden wij met het bereiken van Uw lotusvoeten, de grondslag van alles, nog meer vragen? (33) Zolang we besmet zijn door Uw illusieverwekkende energie [mâyâ], moeten we ronddolen in deze wereld al naar gelang onze werklast [ons karma], vergun ons voor de duur van die tijd het gezelschap van Uw liefhebbende toegewijden, welk leven we ook mogen vinden. (34) Slechts een enkel ogenblik in het gezelschap te mogen verkeren van hen die gehecht zijn aan de Allerhoogste Heer is niet te vergelijken met het bereiken van de hemel, noch met de liefde van het niet meer opnieuw geboren zijn; bestaat er een grotere zegen voor een sterfelijk wezen? (35) Waar het zuivere van Uw woorden wordt gevonden in aanbidding en bespreking, wordt alle materiële hunkering tot vrede gebracht en bestaat er geen afgunst onder de levende wezens, noch enige vrees. (36) Daar waar de aanbidding van Heer Nârâyana, het uiteindelijk doel van hen die verzaken, gevonden wordt, is de Allerhoogste Heer persoonlijk aanwezig door de steeds weer herhaalde gesprekken over de waarheid gevoerd door degenen die vrij zijn van gehechtheid. (37) Waarom zou het treffen met die toegewijden, die, met de zuivering voor ogen, hun voeten bewegen in de richting van heilige plaatsen, niet tot het genoegen gaan behoren van hen die in angst leven? (38) Wij die voor een ogenblik in het gezelschap van Heer S'iva verkeerden, Uw beminde vriend o Heer, zijn er vandaag zeker van de bestemming die U bent bereikt te hebben, de specialist om ons middels de omgang te genezen van de dood, de ziekte van het materieel bestaan die het moeilijkst te genezen is.(39-40) Wij, die de geschriften bestudeerden die de leraren, de brahmanen en de ouderen behaagden en goed waren voor de mensen van beschaving [de gevorderden, de âryans] en die zonder enige afgunst hun vrienden, broeders en alle levende wezens eerden, wat anders zouden wij ons wensen? Wij, die in dezen om de meest verheven Oorspronkelijke Persoon tevreden te stellen van al die zware boetedoening waren, o Heer en zo lang bij het water ons onthielden van voedsel, welke andere gunst zouden wij van U verlangen? (41) Manu, Brahmâ, de machtige Heer S'iva alsook anderen die met verzaking en kennis hun bestaan zuiverden konden, op het laatst echter, U niet zien, gebeden in Uw eer opzendend, maar niettemin hebben we naar ons eigen vermogen voor U onze gebeden gedaan. (42) Onze eerbetuigingen aan U, de Allerhoogste Bovenzinnelijke Persoon die gelijk is voor iedereen en altijd zuiver is, de Allerhoogste alomtegenwoordige Heer der eeuwige goedheid.'
(43) Maitreya zei: 'Aldus geprezen door de Pracetâ's gaf de Heer, op die manier behaagd, blijk van Zijn genegenheid en zorg voor de overgegeven zielen, maar met Hem vertrekkend naar Zijn verblijf wensten ze het niet om afscheid van Hem te nemen, daar ze nog niet genoeg van Hem, de macht van het immateriële, hadden gezien. (44) Daarna lieten de Pracetâ's het water van het meer achter zich, maar toen ze zagen dat de wereld was overdekt door bomen die zeer hoog gegroeid waren alsof ze de weg naar de hemel wilden blokkeren, gingen ze verwoed te keer. (45) Als met het vuur aan het Einde der Tijden, staken ze, geholpen door de wind, in hun verbittering, o Koning [Vidura als een heerser over de zinnen], alle uithoeken in brand teneinde de aarde boomloos te maken. (46) Toen Hij zag dat ze alle bomen in de as hadden gelegd, kwam de Grote Vader [Brahmâ] om de zoons van Barhishmân tot vrede te bewegen met behulp van de rede. (47) De resterende bomen, die zeer bevreesd waren [zij of hun godheid], leverden te dien tijde, op het advies van Brahmâ, hun dochter uit aan de Pracetâ's [zie tekst 13]. (48) Opgedragen door Brahmâ, trouwden ze toen allen met haar, Mârishâ, van wie, vanwege het niet hebben gerespecteerd van de Grootheid [S'iva zie 4: 2], de zoon der Aanstichter [de zoon van Brahmâ] wederom geboorte nam. (49) Hij was niemand anders dan Daksha, degene die geïnspireerd door God al het gewenste leven voortbracht en die in zijn vorige bestaan het in zijn tijd zag gebeuren dat hij tenonderging ten tijde van de manvantara [periode of Manu] genaamd Câkshusha [de huidige wordt Vaivasvata* genoemd]. (50-51) Omdat hij iemand was die direct na zijn geboorte met de schittering van zijn luister de schittering van allen overtrof, werd hij, met zijn bedrevenheid in de vruchtdragende arbeid, Daksha genoemd ['de bedrevene']. Hij, aangesteld door de Eerste, Brahmâ, om al het leven voort te brengen zodat de mensheid was bewaard, overtuigde zich er ook van alle andere stamvaders erbij te betrekken.
Tweede editie, geladen 18 december, 2006.
![]()
Bronteksten:
De activiteiten van de Pracetâ's
Vidura zei: 'De zoons van Prâcînabarhi waar u voorheen over sprak, o brahmaan, stelden allen met succes de Heer tevreden door het lied van Heer S'iva te zingen [zie 4: 24]; wat bereikten ze daarmee?Vidura vroeg Maitreya: O brâhmana, voorheen sprak u over de zonen van Prâcînabarhi, en u vertelde me dat ze de Allerhoogste Godspersoon tevreden hadden gesteld door een lied te chanten dat geschreven was door Heer S'iva. Wat bereikten ze op die manier? (Vedabase)
Wat, o discipel van Brihaspati, was het dat door de Pracetâ's, de Schenker der Genade dierbaar, behalve het bereiken van het Allerhoogste, daardoor bij de voorzienigheid her en der hier tot stand werd gebracht nadat ze de god van de berg Kailâsa hadden ontmoet?'
Mijn beste Bârhaspatya, wat bereikten de zonen van koning Barhishat, bekend als de Pracetâ's, na hun ontmoeting met Heer S'iva, die de Allerhoogste Godspersoon, degene die bevrijding schenkt, zeer dierbaar is? Ze moeten zonder meer naar de geestelijke wereld zijn teruggekeerd, maar wat bereikten ze afgezien daarvan in deze materiële wereld, tijdens dit leven of in andere levens? (Vedabase)
Maitreya zei: 'De Pracetâ's die bij het meer dat naleefden wat hun vader hen had opgedragen, stelden met het zingen van mantra's met hun verzaking Hij die vanbinnen leeft [de Allerhoogste Heer] tevreden
De grote wijze Maitreya zei: De zonen van koning Prâcînabarhi, bekend als de Pracetâ's, beoefenden strenge ascese in het water van de zee om de opdracht van hun vader uit te voeren. Door te chanten en de mantra's te herhalen die ze van Heer S'iva hadden gekregen, slaagden ze erin Heer Vishnu, de Allerhoogste Godspersoon, tevreden te stellen. (Vedabase)
Na de tienduizend jaren van hun gestrenge verzaking [zie ook 4.24: 14] verscheen toen de Oorspronkelijke Persoon der Eeuwigheid voor hen, ze geruststellend en belonend met Zijn schoonheid.
Nadat de Pracetâ's tienduizend jaar lang strenge ascese hadden beoefend, verscheen de Allerhoogste Godspersoon, wiens gedaante zo strelend is voor het oog, persoonlijk vóór hen om hen voor hun versterving te belonen. Dit verheugde de Pracetâ's zeer en beloonde alle moeite van de ascese die ze hadden ondergaan. (Vedabase)
Zich bevindend op de rug van de vogel waarmee Hij rondreist [Garuda], zag Hij eruit als een wolk rond de top van de berg Meru, alle duisternis in de omtrek verdrijvend, met een geel gewaad aan en met het juweel om Zijn nek.
De Godspersoon, gezeten op de rug van Garuda, leek op een wolk die op de top van de berg Meru rust. Het transcendentale lichaam van de Godspersoon was gehuld in prachtige gele kledij, en om Zijn hals droeg Hij het Kaustubha-mani-juweel. De lichaamsgloed van de Heer verdreef al het duister in het universum. (Vedabase)
Glanzend van de gouden sieraden straalde Hij met Zijn helm op met Zijn hoofd en Zijn verbijsterend mooie gelaat, Zijn acht wapens en het gevolg van wijzen en halfgoden terwijl Garuda Hem diende door als een supermenselijk wezen [een Kinnara] Zijn Heerlijkheden te bezingen.
Het gezicht van de Heer was bijzonder mooi, en Zijn hoofd was zeer fraai gedecoreerd met een oogverblindend schitterende helm en gouden sieraden. De Heer had acht armen, en in ieder van Zijn handen droeg Hij een ander wapen. Hij was omringd door halfgoden, grote wijzen en andere metgezellen, die Hem allen dienst bewezen. Garuda, de drager van de Heer, verheerlijkte de Heer met vedische mantra's door met zijn vleugels te klapperen. Hij leek op een bewoner van Kinnaraloka. (Vedabase)
Met temidden van Zijn acht stoere armen een bloemenslinger, zo mooi bijna als de Godin van het Geluk , richtte de Oorspronkelijke Persoonlijkheid van God zich tot de overgegeven zonen van Prâcînabarhi met een stem diep als de donder, terwijl Zijn genadevolle blik op hen rustte.
Om Zijn hals droeg de Godspersoon een bloemenslinger die tot aan Zijn knieën reikte. Zijn acht krachtige, lange armen werden verfraaid door die bloemenslinger, die met de schoonheid van de geluksgodin wedijverde. Met een genadige glimlach en een stem als de donder, sprak de Heer tot de zonen van Prâcînabarhishat, die zich volkomen aan Hem hadden overgegeven. (Vedabase)
De Allerhoogste Heer zei: 'Ik ben zeer verheugd over de vriendschap van een ieder van jullie, die zo plichtsgetrouw zijn in dezelfde vriendelijkheid, o Zoons van de Koning; derhalve, tot jullie grote geluk, mag je Mij om een gunst vragen.
De Allerhoogste Godspersoon zei: O beste zonen van de koning, de vriendschappelijke relatie die jullie onderling hebben, doet Me veel plezier. Jullie houden je allen met hetzelfde bezig - toegewijde dienst. Jullie onderlinge vriendschap doet Me zoveel plezier, dat Ik jullie alle geluk toewens. Nu mogen jullie Me om een zegen vragen. (Vedabase)
Die persoon die consequent iedere avond aan jullie terugdenkt zal met zijn broeders vriendschap vinden alsmede gelijkheid met alle levende wezens.
De Heer vervolgde: Degenen die zich jullie iedere avond herinneren, zullen vriendschap ontwikkelen voor hun broeders en alle andere levende wezens. (Vedabase)
Van die personen, die jegens Mij, in de ochtend en in de avond met behulp van het lied van Heer S'iva aandachtig zijn in het opzenden van gebeden, zal Ik alle verzoeken inwilligen in wat ze verlangden voor het heil van de goddelijkheid van hun intelligentie.
Degenen die zowel 's ochtends als 's avonds de gebeden van Heer S'iva tot Me richten, zal Ik zegenen. Op die manier zullen ze tegelijkertijd hun verlangens kunnen bevredigen en een goed verstand ontwikkelen. (Vedabase)
Het fijne van jullie heerlijkheid zal bekend zijn over de hele wereld, omdat jullie zo van harte de opdracht van jullie vader hebben aanvaard.
Omdat jullie de opdrachten van je vader met plezier in jullie hart hebben aanvaard en ze trouw hebben uitgevoerd, zullen jullie aantrekkelijke eigenschappen over de hele wereld worden geloofd. (Vedabase)
Er zal een zeer beroemde zoon zijn [genaamd Vis'ruta], die in zijn kwaliteiten geenszins onderdoet voor Heer Brahmâ en die de drie werelden zal bevolken met zijn nakomelingen.
Jullie zullen een goede zoon krijgen, die in geen enkel opzicht zal onderdoen voor Heer Brahmâ. Hij zal daarom door het hele universum beroemd zijn, en zijn zonen en kleinzonen zullen de drie werelden bevolken. (Vedabase)
De lotusogige dochter die de wijze Kandu kreeg van het hemelse meisje genaamd Pramlocâ, werd overgedragen aan de zorg van de [godheid der] bomen, o zoons van Prâcînabarhi.
O zonen van koning Prâcînabarhishat, het hemelse gezelschapsmeisje Pramlocâ gaf de lotus-ogige dochter van Kandu ter bewaring aan de bomen van het woud. Daarna keerde ze terug naar haar hemelse planeet. Deze dochter was geboren uit de vereniging van de Apsarâ Pramlocâ met de wijze Kandu. (Vedabase)
Toen zij honger leed en huilde goot Soma, de Koning van de Maan, met behulp van zijn wijsvinger meedogend de nectar in haar mond.
Daarna begon het kind, dat aan de zorg van de bomen was overgeleverd, te huilen omdat het honger had. Vervolgens plaatste de koning van het woud. (de koning van de maan) uit mededogen zijn vinger, waar nectar uit vloeide, in de mond van het kind. Zo werd het kind grootgebracht door de genade van de koning van de maan. (Vedabase)
Verwek, op Mijn gezag, nageslacht in navolging van wat door uw vader werd opgedragen en trouw onverwijld met haar, die dochter met de vele kwaliteiten en grote schoonheid.
Aangezien jullie Mijn bevelen altijd gehoorzamen, vraag Ik jullie om nu onmiddellijk te trouwen met dat meisje dat alle schoonheid en goede eigenschappen bezit. Verwek kinderen bij haar, zoals jullie vader je heeft opgedragen. (Vedabase)
Moge deze echtgenote, dit keurige meisje zo rank, volledig in haar overgave zijn; qua karakter en plichtsopvatting verschilt ze niet van jullie allen; haar manieren zijn hetzelfde.
Jullie broers hebben, als toegewijden en gehoorzame zonen van je vader, allen dezelfde aard. Dit meisje is net als jullie en ze is jullie allen toegewijd. Verenigd als jullie zijn door een gemeenschappelijk beginsel, bevinden jullie, zonen van Prâcînabarhishat, en het meisje, je op hetzelfde niveau. (Vedabase)
Bij Mijn genade, zal jullie macht miljoenen van hemelse jaren [één jaar op aarde is één dag in de hemel, zie 3: 11] ononderbroken op deze aarde bestaan en zullen jullie voorzeker al de hemelse geneugten genieten.
De Heer zegende de Pracetâ's toen met de volgende woorden: Mijn dierbare prinsen, dankzij Mijn genade kunnen jullie zowel van alle faciliteiten in deze wereld als van die in de hemelse wereld genieten. Voorwaar, jullie kunnen gedurende een miljoen hemelse jaren met je volle vermogens ongestoord genieten. (Vedabase)Tekst 18:
Weest derhalve standvastig jegens Mij middels toegewijde dienst; met jullie geest vrij van de smet der geaardheden, zullen jullie Mijn woning bereiken en, bevrijd uit het materieel bestaan, aldus niet langer zorgen hebben.
Daarna zullen jullie zuivere toegewijde dienst aan Mij ontwikkelen, en vrij worden van alle materiële smetten. Dan zullen jullie, volkomen onthecht van het materiële genot van de zogenaamde hemelse planeten alsook van dat op de helse planeten, terugkeren naar huis, terug naar God. (Vedabase)
Zelfs voor personen die een huishoudelijk bestaan hebben opgebouwd wordt een dergelijk familieleven niet gezien als een oorzaak van gebondenheid, als men ieder moment van zijn tijd besteed aan goede werken en aan verhalen die Mij betreffen.
Degenen die zich bezighouden met de zegenrijke activiteiten van toegewijde dienst, begrijpen zonder meer dat de Allerhoogste Godspersoon de uiteindelijke genieter of begunstigde is van alle activiteiten. Wanneer ze iets doen, offeren ze daarom alle resultaten aan de Allerhoogste Godspersoon, en ze brengen ieder moment van hun tijd door met het spreken over de Heer. Zelfs als zulke personen deelnemen aan het familieleven, hebben de gevolgen van hun activiteiten geen invloed op hen. (Vedabase)
Als men dit heeft bereikt, deze immer frisse Kenner in het hart die er is als de Hoogste Geest van God zoals die wordt verdedigd door de kenners van de Absolute Waarheid, staat men niet te juichen of te jammeren en is men ook niet verbijsterd.
Aangezien toegewijden voortdurend bezig zijn met toegewijde dienst, voelen ze een steeds toenemende frisheid bij alles wat ze doen. Het is de alwetende, de Superziel in het hart van de toegewijde, die aan alles deze voortdurend toenemende frisheid geeft. Degenen die de Absolute Waarheid verkondigen, kennen dit als het Brahman-niveau. Wie tot dit niveau van bevrijding is gekomen [brahma-bhûta], raakt nooit verward. Hij klaagt niet, noch raakt hij onnodig opgetogen, want hij heeft de staat van brahma-bhûta bereikt. (Vedabase)
Maitreya zei: 'Toen ze Hem, de Heer, Hij die alle obstakels uit de weg ruimt, aldus hoorden spreken over het hoogste levensdoel, werd de duisternis van de besmetting der hartstocht van de Pracetâ's verdreven en brachten ze, met haperende stemmen en gevouwen handen, gebeden voor de grootste van alle vrienden.
De grote wijze Maitreya zei: Nadat de Allerhoogste Godspersoon aldus had gesproken, richtten de Pracetâ's hun gebeden tot Hem. De Heer, die alle succes toekent in het leven, is de allerhoogste weldoener. Hij is tevens de allerhoogste vriend, die de toegewijde verlichting geeft van alle ellende. Met een stem die haperde van extase spraken de Pracetâ's hun gebeden uit, gezuiverd als ze waren door de aanwezigheid van de Heer, die in eigen persoon voor hen stond. (Vedabase)
De Pracetâ's zeiden: 'Onze eerbetuigingen, keer op keer aan de vernietiger van alle leed die Zijn naam vestigde als de grootheid der kwaliteiten sneller dan de snelste geest en spraak; alle eer aan Hem wiens wegen met behulp van de zinnen niet kunnen worden gekend.
De Pracetâ's spraken als volgt: Lieve Heer, U schenkt de levende wezens verlichting van allerlei materiële ellende. Uw grootmoedige, transcendentale eigenschappen en heilige naam zijn al-zegenrijk. Dit feit staat reeds vast. U verplaatst Zich sneller dan woorden en de geest, en U kunt niet worden waargenomen met materiële zintuigen. Daarom brengen we U keer op keer onze nederige eerbetuigingen. (Vedabase)
De Eenduidige, de Meest Vreedzame bieden we ons respekt; de wereld van de dualiteit doet zich als betekenisloos voor als men zijn geest heeft gevestigd op dat wat het Zijne is; onze eerbetuigingen aan Hem die, naar de geaardheden der materie, de vormen aannam voor de handhaving, schepping en vernietiging van het universum.
Lieve Heer, aanvaard alstublieft onze nederige eerbetuigingen. Wanneer de geest op U gericht is, lijkt de wereld der dualiteiten zinloos, hoewel het een oord van materieel genot is. Uw bovenzinnelijke gedaante is vol transcendentale vreugde. Daarom brengen we U vol respect onze eerbetuigingen. Uw verschijningen als Heer Brahmâ, Heer Vishnu en Heer S'iva zijn bedoeld voor de schepping, de instandhouding en de vernietiging van deze kosmische openbaring. (Vedabase)
Onze eerbied geldt U, wiens bestaan vrij is van de materiële invloed, die de misère wegneemt, die altijd uit is op de bevrijding van de geconditioneerde zielen en die de alles-doordringende Heer van het bewustzijn, Vâsudeva, Krishna, de pleitbezorger van alle toegewijden is.
Lieve Heer, we brengen U onze nederige eerbetuigingen, omdat Uw bestaan volkomen losstaat van iedere materiële invloed. U maakt altijd een eind aan de ellendige omstandigheden waarin Uw toegewijden zich bevinden, en in Uw geest maakt U plannen hoe dit te doen. U bevindt Zich overal als Paramâtmâ; daarom kent men U als Vâsudeva. U aanvaardt Vasudeva ook als Uw vader, en iedereen kent U onder de naam Krishna. U bent zo goed dat U de invloed van allerlei soorten toegewijden altijd doet toenemen. (Vedabase)
Ons eerbetoon voor Hem met de lotusnavel, Hem met de lotus-slinger, Hem met de lotusvoeten en voor Hem met de lotusogen.
Lieve Heer, we brengen U onze nederige eerbetuigingen, want aan Uw buik ontspruit de lotus die de oorsprong van alle levende wezens is. U bent altijd getooid met een krans van lotussen, en Uw voeten lijken op een heerlijk geurende lotus. Uw ogen zijn als de kelkbladen van een lotus. Daarom brengen we U voortdurend onze nederige eerbetuigingen. (Vedabase)
Laat ons onze eerbetuigingen aanbieden aan Hem wiens gewaad smetteloos is met de kleur van de gele saffraan van een lotusbloem, aan de Allerhoogste Getuige, de toevlucht van alle levende wezens.
Lieve Heer, de kleding die U draagt is geelachtig van kleur, als het saffraan van een lotus, maar is niet van enige materiële substantie gemaakt. Aangezien U in ieders hart woont, bent U rechtstreeks de getuige van alle activiteiten van de levende wezens. Daarom brengen we U keer op keer onze nederige eerbetuigingen. (Vedabase)
De gedaante die U aan ons, die onder de materie te lijden hebben, onthulde, o Heer, maakt aan talloze problemen een einde; wat kunnen we nog meer van U verlangen?
Lieve Heer, wij geconditioneerde zielen zijn altijd gehuld in onwetendheid doordat we ons met het lichaam identificeren. Dat is de reden waarom we de voorkeur geven aan de ellendige omstandigheden van het materiële bestaan. Om ons uit deze ellende te bevrijden, bent U voor ons verschenen in deze transcendentale gedaante. Dit getuigt van Uw oneindige, grondeloze genade ten opzichte van degenen onder ons die op deze manier lijden. Wat kan er dan niet gezegd worden van de toegewijden, die U altijd zo gunstig gezind bent? (Vedabase)
U die in Uw mededogen door Uw expansies zichtbaar bent voor de bescheiden toegewijden, wordt, met het nodige respect voor de tijd, steeds herinnerd middels iemands toegewijde dienst, o vernietiger van alle onheil.
Lieve Heer, U vernietigt alles wat heilloos is, en door Uw arcâvigraha-expansie toont U Zich genadig tegenover Uw arme toegewijden. U moet ons beslist als Uw eeuwige dienaren beschouwen. (Vedabase)
Daarmee komen alle verlangens van de levende wezens tot rust, hoe diep ze ook mogen zijn gevallen in hun verlangen naar zovele zaken; en waarom zou U, verborgen in onze harten, ook geen weet hebben van alles waar wij naar verlangen?
Als de Heer uit Zijn natuurlijke mededogen aan Zijn toegewijde denkt, is dit voldoende om alle verlangens van de beginnende toegewijde te vervullen. De Heer bevindt Zich in het hart van elk levend wezen, hoe onbeduidend het ook mag zijn. Hij weet alles over het levend wezen, en Hij kent al zijn verlangens. Waarom zou de Heer, ondanks het feit dat we zo onbeduidend zijn, onze verlangens niet kennen? (Vedabase)
Dat is voorzeker de gunst die wij verlangen; dat U, o Vader van het Universum, tevreden bent, U als de Allerhoogste Heer en geestelijk leraar met wie men op het pad der bevrijding het uiteindelijke doel bereikt.
O Heer van het universum, U bent de ware leraar van de wetenschap der toegewijde dienst. We zijn blij dat U het uiteindelijke doel van ons leven bent, en we hopen dat U tevreden over ons zult zijn. Dat is de zegen waar we naar verlangen; we willen niets anders dan dat U volkomen tevreden bent. (Vedabase)
Daarom bidden we voor die zegen van U, o Heer van de bovenzinnelijkheid boven alles; Uw glorie is onafzienbaar en aldus wordt U gevierd als zijnde Ananta [de Onbegrensde].
O Heer, we bidden U ons deze zegen te schenken, omdat U de Allerhoogste bent en boven alle vormen van transcendentie staat, en ook omdat Uw volheden oneindig zijn. Daarom kent men U onder de naam Ananta. (Vedabase)
Een bij compleet in het bereiken van de Pârijâta [de van honing druipende hemelse wensboom of kalpa-vriksha] zoekt zijn heil niet bij een andere; om wat, o wat, zouden wij met het bereiken van Uw lotusvoeten, de grondslag van alles, nog meer vragen?
O Heer, als een bij op een hemelse pârijâta-boom neerdaalt, verlaat hij die beslist niet meer, aangezien hij daar geen enkele reden toe heeft. Onze situatie is net zo, want als wij Uw lotusvoeten bereikt hebben, en er onze toevlucht bij hebben genomen, om wat voor zegen zullen we U dan nog vragen? (Vedabase)
Zolang we besmet zijn door Uw illusieverwekkende energie [mâyâ], moeten we ronddolen in deze wereld al naar gelang onze werklast [ons karma], vergun ons voor de duur van die tijd het gezelschap van Uw liefhebbende toegewijden, welk leven we ook mogen vinden.
O Heer, zolang we vanwege onze materiële besmetting in deze materiële wereld moeten blijven en van het ene lichaam naar het andere en van de ene planeet naar de andere moeten zwerven, bidden we U in het gezelschap te mogen verkeren van degenen die Uw spel en vermaak bespreken. We bidden U ons deze zegen leven na leven toe te kennen, ongeacht in welke lichaamsvorm of op welke planeet we ons bevinden. (Vedabase)
Slechts een enkel ogenblik in het gezelschap te mogen verkeren van hen die gehecht zijn aan de Allerhoogste Heer is niet te vergelijken met het bereiken van de hemel, noch met de liefde van het niet meer opnieuw geboren zijn; bestaat er een grotere zegen voor een sterfelijk wezen?
Zelfs één ogenblik in het gezelschap van een zuivere toegewijde kan niet worden vergeleken met de zegen van het bevorderd worden naar de hemelse planeten of zelfs in volkomen bevrijde staat opgaan in de Brahman-gloed. Voor levende wezens die hun lichaam moeten opgeven en sterven, is omgang met zuivere toegewijden de grootste zegen. (Vedabase)
Waar het zuivere van Uw woorden wordt gevonden in aanbidding en bespreking, wordt alle materiële hunkering tot vrede gebracht en bestaat er geen afgunst onder de levende wezens, noch enige vrees.
Telkens wanneer er over de zuivere aangelegenheden van de geestelijke wereld wordt gesproken, vergeten de aanwezigen - op zijn minst voor dat moment - al hun materiële verlangens. En dat niet alleen, maar ze zijn ook niet langer afgunstig op elkaar en ze hebben geen last meer van angst of zorgen. (Vedabase)
Daar waar de aanbidding van Heer Nârâyana, het uiteindelijk doel van hen die verzaken, gevonden wordt, is de Allerhoogste Heer persoonlijk aanwezig door de steeds weer herhaalde gesprekken over de waarheid gevoerd door degenen die vrij zijn van gehechtheid.
De Allerhoogste Heer, nârâyana, is aanwezig waar toegewijden opgaan in het chanten en horen van de heilige naam van de Allerhoogste Godspersoon. Heer Nârâyana is het uiteindelijke doel van de sannyâsi's, degenen die zich in de wereldverzakende levensorde bevinden; en zij die vrij zijn van materiële besmetting vereren Hem door middel van deze sankîrtana-beweging. Ze herhalen de heilige naam onophoudelijk. (Vedabase)
Waarom zou het treffen met die toegewijden, die, met de zuivering voor ogen, hun voeten bewegen in de richting van heilige plaatsen, niet tot het genoegen gaan behoren van hen die in angst leven?
O Heer, Uw persoonlijke metgezellen, de toegewijden, zwerven over de hele wereld om zelfs de heilige bedevaartplaatsen te zuiveren. Hoe zouden zulke activiteiten degenen die werkelijk bang zijn voor het materiële bestaan geen plezier kunnen doen? (Vedabase)
Wij die voor een ogenblik in het gezelschap van Heer S'iva verkeerden, Uw beminde vriend o Heer, zijn er vandaag zeker van de bestemming die U bent bereikt te hebben, de specialist om ons middels de omgang te genezen van de dood, de ziekte van het materieel bestaan die het moeilijkst te genezen is.
O Heer, dankzij het feit dat we een ogenblik in het gezelschap konden zijn van de U zo dierbare Heer S'iva, die Uw meest vertrouwelijke vriend is, hadden we het geluk tot U te komen. U bent de meest kundige dokter, want U kunt de ongeneeslijke ziekte van het materiële bestaan verhelpen. Doordat dit grote geluk ons is toegevallen, hebben we onze toevlucht bij Uw lotusvoeten kunnen zoeken. (Vedabase)
Wij, die de geschriften bestudeerden die de leraren, de brahmanen en de ouderen behaagden en goed waren voor de mensen van beschaving [de gevorderden, de âryans] en die zonder enige afgunst hun vrienden, broeders en alle levende wezens eerden, wat anders zouden wij ons wensen? Wij, die in dezen om de meest verheven Oorspronkelijke Persoon tevreden te stellen van al die zware boetedoening waren, o Heer en zo lang bij het water ons onthielden van voedsel, welke andere gunst zouden wij van U verlangen?
O Heer, we hebben de Veda's bestudeerd, een geestelijk leraar aanvaard en onze eerbetuigingen gebracht aan de brâhmana's, gevorderde toegewijden en oudere personen die geestelijk vergevorderd zijn. We hebben hun onze eer betuigd, en zijn nooit afgunstig geweest op een van onze broeders, vrienden of wie dan ook. Bovendien hebben we zware versterving beoefend onder water, en ons lange tijd van voedsel onthouden. Al deze geestelijke verworvenheden willen we U eenvoudigweg ter Uwer bevrediging aanbieden. Dat is de enige zegen waarom we vragen - verder willen we niets. (Vedabase)
Manu, Brahmâ, de machtige Heer S'iva alsook anderen die met verzaking en kennis hun bestaan zuiverden konden, op het laatst echter, U niet zien, gebeden in Uw eer opzendend, maar niettemin hebben we naar ons eigen vermogen voor U onze gebeden gedaan.
O Heer, zelfs grote yogî's en mystici die dankzij hun ascese en kennis zeer gevorderd zijn en tot een volkomen zuiver bestaan zijn gekomen, alsook grote persoonlijkheden als Manu, Heer Brahmâ en Heer S'iva, kunnen Uw heerlijkheid en vermogens niet volledig begrijpen. Desalniettemin hebben ze U naargelang hun vermogen met hun gebeden verheerlijkt. Hoewel wij op een veel lager niveau staan dan deze persoonlijkheden, richten we eveneens naar ons beste kunnen onze gebeden tot U. (Vedabase)
Onze eerbetuigingen aan U, de Allerhoogste Bovenzinnelijke Persoon die gelijk is voor iedereen en altijd zuiver is, de Allerhoogste alomtegenwoordige Heer der eeuwige goedheid.'
O Heer, U heeft vriend noch vijand; daarom beziet U iedereen met gelijke blik. U kunt niet besmet raken door zondige activiteiten, en Uw geestelijke gedaante is eeuwig transcendentaal aan de materiële schepping. U bent de Allerhoogste Godspersoon omdat U overal, in alles wat bestaat, aanwezig bent. Daarom noemt men U Vâsudeva. We brengen U onze nederige eerbetuigingen. (Vedabase)
Maitreya zei: 'Aldus geprezen door de Pracetâ's gaf de Heer, op die manier behaagd, blijk van Zijn genegenheid en zorg voor de overgegeven zielen, maar met Hem vertrekkend naar Zijn verblijf wensten ze het niet om afscheid van Hem te nemen, daar ze nog niet genoeg van Hem, de macht van het immateriële, hadden gezien.
De grote wijze Maitreya vervolgde: Mijn beste Vidura, toen de Allerhoogste Godspersoon, de beschermheer der overgegeven zielen, aldus door de Pracetâ's geprezen en vereerd was, antwoordde Hij: "Mogen al jullie gebeden verhoord worden." Na dit te hebben gezegd, vertrok de Heer, die nooit en door niemand verslagen kan worden. De Pracetâ's wilden echter niet van Hem gescheiden worden, omdat ze Hem nog niet tot hun volle bevrediging hadden aanschouwd. (Vedabase)
Daarna lieten de Pracetâ's het water van het meer achter zich, maar toen ze zagen dat de wereld was overdekt door bomen die zeer hoog gegroeid waren alsof ze de weg naar de hemel wilden blokkeren, gingen ze verwoed te keer.
Toen de Pracetâ's daarna uit de zee kwamen, zagen ze dat alle bomen heel hoog geworden waren, alsof ze de weg naar de hemelse planeten wilden versperren. Het hele aardoppervlak stond vol met zulke bomen. Dit maakte de Pracetâ's enorm kwaad. (Vedabase)
Als met het vuur aan het Einde der Tijden, staken ze, geholpen door de wind, in hun verbittering, o Koning [Vidura als een heerser over de zinnen], alle uithoeken in brand teneinde de aarde boomloos te maken.
Mijn beste koning, net zoals Heer S'iva ten tijde van de verwoesting uit woede wind en vuur spuwt uit zijn mond, spuwden ook de Pracetâ's vuur en wind teneinde het aardoppervlak volkomen boomloos te maken. (Vedabase)
Toen Hij zag dat ze alle bomen in de as hadden gelegd, kwam de Grote Vader [Brahmâ] om de zoons van Barhishmân tot vrede te bewegen met behulp van de rede.
Toen Heer Brahmâ zag dat alle bomen op aarde tot as werden verbrand, kwam hij onmiddellijk naar de zonen van koning Barhishmân toe en bracht hen met zijn logische argumenten tot bedaren. (Vedabase)
De resterende bomen, die zeer bevreesd waren [zij of hun godheid], leverden te dien tijde, op het advies van Brahmâ, hun dochter uit aan de Pracetâ's [zie tekst 13].
De resterende bomen, die heel bang waren voor de Pracetâ's, stonden op aanraden van Heer Brahmâ onmiddellijk hun dochter aan hen af. (Vedabase)
Opgedragen door Brahmâ, trouwden ze toen allen met haar, Mârishâ, van wie, vanwege het niet hebben gerespecteerd van de Grootheid [S'iva zie 4: 2], de zoon der Aanstichter [de zoon van Brahmâ] wederom geboorte nam.
In opdracht van Heer Brahmâ aanvaardden alle Pracetâ's het meisje als hun vrouw. Later bracht dit meisje een zoon van Brahmâ, Daksha genaamd, ter wereld. Daksha moest als zoon van Mârishâ geboren worden omdat hij Heer Mahâdeva [S'iva] niet gehoorzaamd had en zich oneerbiedig tegenover hem had gedragen. Als gevolg daarvan moest hij tweemaal zijn lichaam verlaten. (Vedabase)
Hij was niemand anders dan Daksha, degene die geïnspireerd door God al het gewenste leven voortbracht en die in zijn vorige bestaan het in zijn tijd zag gebeuren dat hij tenonderging ten tijde van de manvantara [periode of Manu] genaamd Câkshusha [de huidige wordt Vaivasvata* genoemd].
Hoewel zijn vorige lichaam vernietigd was, schiep diezelfde Daksha, door de allerhoogste wil geïnspireerd, alle gewenste levende wezens in de Câkshusha-manvantara. (Vedabase)
Omdat hij iemand was die direct na zijn geboorte met de schittering van zijn luister de schittering van allen overtrof, werd hij, met zijn bedrevenheid in de vruchtdragende arbeid, Daksha genoemd ['de bedrevene']. Hij, aangesteld door de Eerste, Brahmâ, om al het leven voort te brengen zodat de mensheid was bewaard, overtuigde zich er ook van alle andere stamvaders erbij te betrekken.
Vanaf het moment dat hij geboren werd, wierp Daksha door zijn ongeëvenaarde lichaamsgloed een schaduw over de luister van alle andere levende wezens. Omdat hij buitengewoon bedreven was in het verrichten van baatzuchtige activiteiten, werd hij Daksha genoemd, wat "de zeer vaardige" betekent. Heer Brahmâ vertrouwde hem daarom de taak toe van het voortbrengen en in stand houden van levende wezens. Na verloop van tijd betrok Daksha ook andere prajâpati's [stamvaders] bij dit werk. (Vedabase)
* De verschillende Manus die bestaan gedurende één dag van Heer Brahmâ zijn de volgende: (1) Svâyambhuva, (2) Svârocisha, (3) Uttama, (4) Tâmasa, (5) Raivata, (6) Câkshusha, (7) Vaivasvata, (8) Sâvarni, (9) Dakshasâvarni, (10) Brahma-sâvarni, ( 11) Dharma-sâvarni, (12) Rudrasâvarni, (13) Deva-sâvarni en (14) Indra-sâvarni [zie ook 3: 11].
Voor
deze oorspronkelijke vertaling is een alles-in-een band exemplaar
met uitgebreid commentaar gebruikt.
ISBN: o-91277-27-7
Zie de
S'rîmad Bhâgavatam
linkspagina
voor een download van dit boek en andere boeken van
Prabhupâda.
Het eerste schilderij op deze pagina is van Muralidhara
dasa.
Productie: de Filognostische
Associatie
van De
Orde van de Tijd
Feed-back | Links | Downloads | Muziek | Afbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties