
Canto
5
Hoofdstuk 9: Het Verheven Karakter van Jada Bharata
(1-2) S'rî S'uka zei: 'Nadat hij zijn leven in het lichaam van een hert had opgegeven verkreeg Bharata, de meest verheven toegewijde en hoogst vereerde van alle heilige koningen, zijn laatste lichaam als een brahmaan zo wordt gezegd. Als het mannelijk kind van een tweeling broer en zus werd hij geboren uit de tweede echtgenote van een van de brahmanen van de lijn van de heilige Angirâ die was begiftigd met de kwaliteiten van een volmaakte beheersing over geest en zinnen, die van boetvaardigheid was, vedische studie en recitatie, van verzaking, tevredenheid, tolerantie, zachtgeaardheid, kennis, zonder afgunst was en van spirituele gelukzaligheid in de wijsheid van de ziel; bij zijn eerste vrouw had hij negen zonen die qua scholing, karakter, gedrag, schoonheid en grootmoedigheid gelijk waren aan hem. (3) Zich ook in die geboorte dankzij de speciale genade van de Heer zijn voorgaande levens herinnerend, was hij, er zeer beducht op niet nogmaals ten val te komen in de omgang met zijn dierbaren, altijd bang dat hij zou worden gehinderd op het pad van de toegewijde dienst en hield hij zijn geest dicht bij zijn ziel door altijd te denken aan de twee lotusvoeten van de Allerhoogste Heer, luisterend naar en zich de beschrijvingen heugend van de kwaliteiten die de gebondenheid aan baatzuchtige arbeid overwinnen; maar voor de mensen in zijn omgeving gaf hij blijk van zichzelf als behept zijnde met het karakter van een gek, een dwaas en iemand blind voor de werkelijkheid [reden waarom hij Jada werd genoemd]. (4) Zijn brahmaanse vader die zich voorzeker emotioneel verplicht voelde jegens zijn zoon, meende dat hij, als een vader naar zijn zoon toe, hem erin behoorde te onderrichten, ookal had hij er geen oren naar, dat daadwerkelijk de regulerende beginselen moesten worden nageleefd, zodat hij opnieuw, tot het einde van zijn schooljaren, als iemand van de heilige draad, de plichten van reinheid zou beoefenen van het zuiveringsproces zoals voorgeschreven door de s'âstra's. (5) Maar ook voor zijn vader deed hij alsof hij geen zier kon begrijpen van wat er werd onderwezen. Gedurende de vier maanden van de zomer wenste hij het hem te onderrichten in de vedische mantra's met inbegrip van de Gâyatrî voorafgegaan door Omkâra, maar hij slaagde, ondanks de volle studie ervan, er niet in hem de volledige beheersing ervan bij te brengen. (6) Aldus denkend dat zijn zoon, hoewel hij er niet naar taalde, door hemzelf ten volle zou moeten worden onderwezen in al de reinheid, de vedische studie, geloften, principes, offers en dienst aan de goeroe die hoort bij de celibataire staat [de brahmacarya-âs'rama], was de brahmaan, in dezen zijn zoon beschouwend als zijn ziel en zaligheid, in werkelijkheid zelf zwaar gehecht aan zijn thuis zodat, in de loop van de niet zo vergeetachtige tijd, hij van deze wereld afscheid moest nemen als een man gefrustreerd over de ongeschikte opstandigheid van zijn zoon. (7) Nadien vertrouwde de jongste vrouw, uit wiens baarmoeder de tweeling ter wereld kwamen, de zorg voor hen toe aan de eerste echtgenote en volgde ze haar man naar zijn verblijf in het hiernamaals [Patiloka].
(8) Na de dood van de vader stopten de stiefbroers van Jada Bharata, die er met de drie Veda's goed in waren geslaagd hun weg te vinden met de rituelen en met hun trage geesten er geen idee van hadden hoe hoog hij stond, met de onderneming hun broer te onderrichten. (9-10) Zoals hij door de tweebenige, dier-gelijke materialisten werd aangesproken als zijnde een gek, een sufferd, een doveman en een stomkop, was hij het gewoon ook in die termen zijn antwoorden te geven. Hij deed de dingen die hem met geweld werden opgedragen om te doen. Hij at altijd welke grote of kleine hoeveelheid smakelijk of smakeloos voedsel hij ook kreeg door te bedelen, door verdienste of wat vanzelf tot hem kwam. Hij leefde nooit voor het genoegen van zijn zinnen daar hij voor altijd was gestopt te leven voor de materiële bedoeling. Uit zichzelf had hij de bovenzinnelijke gelukzalige visie verworven als iemand in de kennis van het ware zelf, die met de tweevoudige aangelegenheid van geluk en ongeluk, zomer en winter, wind en regen, zichzelf niet identificeerde met het lichaam. Ferm van leden bedekte hij, sterk als een stier, nooit zijn lichaam. Zich niet wassend was hij smerig van het liggen op de grond en masseerde hij zijn lichaam nimmer. Met zijn lendenen bedekt door een vuile lap en met een van vuil zwarte heilige draad, was hij in zijn spirituele schittering als een verborgen edelsteen. Hij zwierf rond onder de minachting van het onwetende volk dat hem, als brahmaan van geboorte, enkel een vriend van hen noemde ['brahma-bandu']. (11) Daar hij alleen maar omkeek naar arbeid om in ruil voedsel te krijgen van anderen, zetten zelfs zijn stiefbroers hem aan het werk met boerenarbeid in de velden - een karwei waarin hij er geen idee van had van wat zou moeten vereffend of uitgegraven of waar hij de zaken diende op te stapelen. Gewoonlijk enkel gebroken rijst etend, oliekoeken, kaf, door wormen aangevreten graan, of verbrande rijst die aan de pan kleefde, was het niettemin allemaal nectar voor hem.
(12) Daaropvolgend, na een zekere tijd, dook er een roofzuchtig leider van de arbeidersklasse op die uitzag naar een mensenzoon die, niet beter zijnd dan een dier, hij kon gebruiken om een offerplechtigheid te houden voor de godin Bhadra Kâlî. (13) Het soort van beest dat hij had, had kans gezien te ontsnappen en zijn volgelingen die op pad waren het te vinden konden, in het holst van de nacht temidden van de duisternis, het dierlijke type niet te pakken krijgen. Door het lot voorbeschikt stuitten ze op de brahmaanse zoon uit de lijn van Angirâ, die vanaf een hoger gelegen positie de velden bewaakte tegen herten en wilde zwijnen en dergelijke. (14) Toen ze vervolgens ontdekten dat hij er het goede karakter voor had namen ze, met opgetogen en stralende gezichten omdat ze begrepen hadden hoe ze tot het werk van hun meester konden bijdragen, hem stevig met touwen vastgebonden met zich mee naar de tempel van de godin. (15) Toen staken de volgelingen van de schurk, overeenkomstig hun eigen gebruiken hem in nieuwe kleren en wasten ze hem, bedekten ze zijn lichaam met sieraden, smeerden ze hem in met sandelhoutpasta en omhingen ze hem met bloemen zodat hij als een diergelijke persoon, klaar was voor het offer. Onder de klanken van liederen, gebeden, trommels en trompetten, gaven ze hem een plaats voor de godin Kâlî, volledig uitgedost en naar behoren gevoed, met wierook, lampen, bloemenslingers, geweekte granen, twijgen en jong groen, vruchten en andere artikelen voor de eredienst.(16) Daarop hief de priester van die leider van het boeventuig, zich in voorbereiding op het offeren van een stroom bloed van de diermens voor de beeltenis van Bhadra Kâlî, een schrikwekkend vlijmscherp zwaard, dat hij heiligde met de daarvoor bestemde mantra's. (17) Door een hartstochtelijke en onwetende aard werden deze verwerpelijke types, die het materialistisch verbijsterd mis hadden, voortgedreven door geesten vol van verbeelding, zodat, in het op hun eigen manier bewandelen van een foute weg, de gemeenschap der helden van de Opperheer, de brahmanen, geminacht werd. Tewerkgaand met een voorkeur voor geweld jegens anderen traden ze allerwreedst rechtstreeks op tegen iemand van een brahmaanse geboorte, een zoon van spirituele wijsheid die geen vijanden had en die een ieder het beste wenste. Op het laatste moment echter brak zowaar de godin Bhadra Kâlî, die zag wat tegen de wil van God en in strijd met de wet stond te gebeuren, uit het beeld tevoorschijn met een vurige fysieke verschijning van een bovenmatig helle, onverdraaglijke, spirituele gloed. (18) Kwaad geworden vertoonde ze in totale weerzin haar kenmerken van geheven wenkbrauwen, een vreselijk gebit, bloeddoorlopen ogen, een opgewonden beangstigend gezicht alsof ze het hele universum wilde vernietigen en een afgrijselijke lach. Door haar grote woede vrijgekomen, sloeg ze, van het altaar afkomend, met hetzelfde staal als ze wilden gebruiken de hoofden van al de zondige overtreders eraf en dronk ze samen met haar metgezellen, het bloed dat uit de nekken stroomde als een zeer hete bedwelmende drank. Onder de invloed van al het bedwelmende drinken zette ze het met haar volgelingen luidkeels op een zingen en dansen, en wierpen ze voor de lol de hoofden naar elkaar.
(19) Als men op deze manier daadwerkelijk in afgunst met de groten te ver is gegaan, zal men bijkomstig voor zichzelf dit als resultaat oogsten. (20) Oh, Vishnudatta ['beschermd door Vishnu'; Parîkchit], dit is geen groot wonder voor hen die niet verbijsterd zijn, die zonder vijandschap en van goedheid voor allen, door de Allerhoogste Heer der onoverwinnelijke tijd, die de beste van alle wapenen met zich voert [de Sudars'ana schijf], rechtstreeks volledig zijn vrijgemaakt van de zeer sterke en vaste knoop in het hart van een lichamelijk levensbegrip. Zelfs al zijn ze bedreigd met onthoofding, hebben die verloste zielen en toegewijden die van een volledige overgave zijn en die zijn beschermd door Zijn lotusvoeten, niets te vrezen en zijn ze nimmer van slag door dit soort van stemmingen van de Goddelijkheid.
Tweede editie, geladen 24 januari, 2007.
Bronteksten:
Het Verheven Karakter van Jada Bharata
S'rî S'uka zei: 'Nadat hij zijn leven in het lichaam van een hert had opgegeven verkreeg Bharata, de meest verheven toegewijde en hoogst vereerde van alle heilige koningen, zijn laatste lichaam als een brahmaan zo wordt gezegd. Als het mannelijk kind van een tweeling broer en zus werd hij geboren uit de tweede echtgenote van een van de brahmanen van de lijn van de heilige Angirâ die was begiftigd met de kwaliteiten van een volmaakte beheersing over geest en zinnen, die van boetvaardigheid was, vedische studie en recitatie, van verzaking, tevredenheid, tolerantie, zachtgeaardheid, kennis, zonder afgunst was en van spirituele gelukzaligheid in de wijsheid van de ziel; bij zijn eerste vrouw had hij negen zonen die qua scholing, karakter, gedrag, schoonheid en grootmoedigheid gelijk waren aan hem.S'rîla S'ukadeva Gosvâmî vervolgde: Beste koning, nadat Bharata Mahârâja zijn hertelichaam opgegeven had, werd hij in een zeer zuivere familie van brâhmana's geboren. Zijn vader behoorde tot de dynastie van Angirâ, en bezat alle brahmaanse eigenschappen; hij was meester over zijn geest en zinnen, en had zowel de vedische geschriften als aanvullende literatuur bestudeerd. Bovendien was hij zeer bekwaam in het doen van schenkingen en altijd voldaan, verdraagzaam, uitermate vriendelijk, geleerd en vrij van afgunst. Hij was zelfgerealiseerd, bewees toegewijde dienst aan de Heer, en verkeerde voordturend in trance. Bij zijn eerste vrouw kreeg hij negen zonen, die allemaal net zulke goede eigenschappen bezaten als hijzelf, en bij zijn tweede vrouw verwekte hij een tweeling - een jongen en een meisje. Van de jongen werd gezegd dat hij de beste onder de toegewijden was en de voornaamste der heilige koningen - dit was Bharata Mahârâja. Nu volgt het verhaal over zijn leven nadat hij zijn hertelichaam opgegeven had. (Vedabase)
Zich ook in die geboorte dankzij de speciale genade van de Heer zijn voorgaande levens herinnerend, was hij, er zeer beducht op niet nogmaals ten val te komen in de omgang met zijn dierbaren, altijd bang dat hij zou worden gehinderd op het pad van de toegewijde dienst en hield hij zijn geest dicht bij zijn ziel door altijd te denken aan de twee lotusvoeten van de Allerhoogste Heer, luisterend naar en zich de beschrijvingen heugend van de kwaliteiten die de gebondenheid aan baatzuchtige arbeid overwinnen; maar voor de mensen in zijn omgeving gaf hij blijk van zichzelf als behept zijnde met het karakter van een gek, een dwaas en iemand blind voor de werkelijkheid [reden waarom hij Jada werd genoemd].
Doordat Bharata Mahârâja gezegend was met de speciale genade van de Heer, kon hij zich de gebeurtenissen van zijn vorige leven herinneren. Hoewel hij het lichaam van een brâhmana gekregen had, was hij niettemin erg bang voor zijn familieleden en vrienden, die geen toegewijden waren. Hij was er altijd huiverig voor om met hen om te gaan, uit vrees dat hij weer ten val zou komen. Daarom gedroeg hij zich in het openbaar alsof hij gek was - achterlijk, doof en stom - zodat de mensen niet zouden proberen om met hem te praten. Op die manier beschermde hij zichzelf tegen slecht gezelschap. Innerlijk verheerlijkte hij echter voortdurend de Heer en mediteerde hij op Zijn lotusvoeten, hetgeen iemand ervoor behoedt om gehecht te raken aan baatzuchtige activiteiten. Op deze wijze wist hij te ontsnappen aan de gevaarlijke omgang met niet-toegewijden. (Vedabase)
Zijn brahmaanse vader die zich voorzeker emotioneel verplicht voelde jegens zijn zoon, meende dat hij, als een vader naar zijn zoon toe, hem erin behoorde te onderrichten, ookal had hij er geen oren naar, dat daadwerkelijk de regulerende beginselen moesten worden nageleefd, zodat hij opnieuw, tot het einde van zijn schooljaren, als iemand van de heilige draad, de plichten van reinheid zou beoefenen van het zuiveringsproces zoals voorgeschreven door de s'âstra's.
De brâhmana-vader van Jada Bharata [Bharata Mahârâja] was zijn zoon zeer toegenegen en ook erg aan hem gehecht. Daar Jada Bharata niet geschikt was voor de grihastha-âs'rama, volgde hij het zuiveringsproces slechts tot aan het einde van de brahmacarya-âs'rama. Ondanks het feit dat Jada Bharata zijn vaders instructies niet aanvaardde, leerde de brâhmana hem toch hoe hij zich schoon moest houden en zich moest wassen, omdat hij van mening was dat een zoon onderricht hoort te krijgen van zijn vader. (Vedabase)
Maar ook voor zijn vader deed hij alsof hij geen zier kon begrijpen van wat er werd onderwezen. Gedurende de vier maanden van de zomer wenste hij het hem te onderrichten in de vedische mantra's met inbegrip van de Gâyatrî voorafgegaan door Omkâra, maar hij slaagde, ondanks de volle studie ervan, er niet in hem de volledige beheersing ervan bij te brengen.
Jada Bharata gedroeg zich tegenover zijn vader als een dwaas, ondanks het feit dat deze hem heel goed les gaf in de vedische kennis. Hij hoopte dat zijn vader zo tot de conclusie zou komen dat het geen zin had om hem iets te leren, en dat hij verdere pogingen in die richting zou opgeven. Hij deed precies het tegenovergestelde van wat hem geleerd was: hoewel men hem bijvoorbeeld geleerd had om zijn handen te wassen nadat hij zich ontlast had, deed hij het ervoor. Toch wilde zijn vader hem les geven uit de Veda's gedurende de lente en de zomer. Hij probeerde hem de gâyatrî-mantra met het omkâra en het vyâhriti bij te brengen, maar na vier maanden was hem dat nog steeds niet gelukt. (Vedabase)
Aldus denkend dat zijn zoon, hoewel hij er niet naar taalde, door hemzelf ten volle zou moeten worden onderwezen in al de reinheid, de vedische studie, geloften, principes, offers en dienst aan de goeroe die hoort bij de celibataire staat [de brahmacarya-âs'rama], was de brahmaan, in dezen zijn zoon beschouwend als zijn ziel en zaligheid, in werkelijkheid zelf zwaar gehecht aan zijn thuis zodat, in de loop van de niet zo vergeetachtige tijd, hij van deze wereld afscheid moest nemen als een man gefrustreerd over de ongeschikte opstandigheid van zijn zoon.
De brâhmana-vader van Jada Bharata beschouwde zijn zoon als zijn ziel en zaligheid, en was daarom zeer aan hem gehecht. Hij vond het belangrijk om zijn zoon goed op te voeden, en volkomen in beslag genomen door deze vruchteloze poging, probeerde hij zijn zoon de regels en bepalingen van brahmacarya bij te brengen, zoals het in acht nemen van de vedische geloften, reinheid, studie van de Veda's, het volgen van bepaalde leefregels, dienst aan de geestelijk leraar en hoe men een vuuroffer brengt. Hij deed zijn uiterste best om zijn zoon dit alles te leren, maar al zijn pogingen faalden. In zijn hart hoopte hij dat zijn zoon een grote geleerde zou worden, maar daar kwam niets van terecht. Net als iedereen, was deze brâhmana gehecht aan het gezinsleven, en vergat hij dat hij op een dag zou moeten sterven. De dood was dit echter niet vergeten en kwam hem precies op tijd halen. (Vedabase)
Nadien vertrouwde de jongste vrouw, uit wiens baarmoeder de tweeling ter wereld kwamen, de zorg voor hen toe aan de eerste echtgenote en volgde ze haar man naar zijn verblijf in het hiernamaals [Patiloka].
Daarna vertrouwde de jongste vrouw van de brâhmana haar tweeling - de jongen en het meisje - aan de brâhmana's eerste vrouw toe, en vertrok naar Patiloka door haar echtgenoot vrijwillig in de dood te volgen. (Vedabase)
Na de dood van de vader stopten de stiefbroers van Jada Bharata, die er met de drie Veda's goed in waren geslaagd hun weg te vinden met de rituelen en met hun trage geesten er geen idee van hadden hoe hoog hij stond, met de onderneming hun broer te onderrichten.
Na de dood van hun vader gaven Jada Bharata's negen stiefbroers hun vaders poging om Jada Bharata een volledige opvoeding te geven op, omdat ze hem als een hersenloze dwaas beschouwden. Hoewel deze stiefbroers goed onderlegd waren in de drie Veda's - de Rig- Sâma- en Yajur-Veda, die alle drie sterk baatzuchtige activiteiten aanmoedigen - waren ze geenszins geestelijk verlicht als het om toegewijde dienst aan de Heer ging, en daarom konden ze niet begrijpen hoe hoog het niveau was waarop Jada Bharata zich bevond. (Vedabase)
Zoals hij door de tweebenige, dier-gelijke materialisten werd aangesproken als zijnde een gek, een sufferd, een doveman en een stomkop, was hij het gewoon ook in die termen zijn antwoorden te geven. Hij deed de dingen die hem met geweld werden opgedragen om te doen. Hij at altijd welke grote of kleine hoeveelheid smakelijk of smakeloos voedsel hij ook kreeg door te bedelen, door verdienste of wat vanzelf tot hem kwam. Hij leefde nooit voor het genoegen van zijn zinnen daar hij voor altijd was gestopt te leven voor de materiële bedoeling. Uit zichzelf had hij de bovenzinnelijke gelukzalige visie verworven als iemand in de kennis van het ware zelf, die met de tweevoudige aangelegenheid van geluk en ongeluk, zomer en winter, wind en regen, zichzelf niet identificeerde met het lichaam. Ferm van leden bedekte hij, sterk als een stier, nooit zijn lichaam. Zich niet wassend was hij smerig van het liggen op de grond en masseerde hij zijn lichaam nimmer. Met zijn lendenen bedekt door een vuile lap en met een van vuil zwarte heilige draad, was hij in zijn spirituele schittering als een verborgen edelsteen. Hij zwierf rond onder de minachting van het onwetende volk dat hem, als brahmaan van geboorte, enkel een vriend van hen noemde ['brahma-bandu'].
Gedegenereerde mensen zijn in feite niet beter dan dieren; het enige verschil is dat zij op twee benen lopen in plaats van op vier. Dit soort mensen, die niet beter waren dan dieren op twee benen, plachten Jada Bharata voor gek, achterlijk, doof en stom uit te maken. Ze mishandelden hem, en Jada Bharata gedroeg zich tegenover hen inderdaad als een gek die doof, blind en achterlijk was. Hij protesteerde nooit en probeerde hen er evenmin van te overtuigen dat hij niet gek was. Als anderen hem vroegen iets te doen, deed hij wat ze wilden. Hij aanvaardde en at al het voedsel dat hij kreeg door te bedelen, of als salaris, of wat als vanzelf naar hem toekwam, of dit nu veel was of weinig, lekker of juist bedorven en smakeloos. Hij at nooit iets om zijn zinnen te bevredigen, want hij was reeds vrij van de lichamelijke levensbeschouwing, op basis waarvan iemand bepaald voedsel als smakelijk of onsmakelijk beschouwt. Omdat zijn bewustzijn vervuld was van transcendentale toegewijde dienst, konden de dualiteiten die uit de lichamelijke levensbeschouwing voortkomen hem niet raken. Zijn lichaam was in feite zo sterk als dat van een stier, en zijn ledematen waren zeer gespierd. Zomer, winter, wind of regen konden hem niet deren - hij bedekte zijn lichaam nooit. Hij sliep op de grond, smeerde zijn lichaam nooit in met olie, en waste zich evenmin. Doordat zijn lichaam zo vuil was, waren zijn geestelijke uitstraling en kennis verhuld, zoals men ook de schittering van een met vuil bedekte edelsteen niet kan zien. Het enige wat hij droeg was een smerige lendedoek en zijn zwartgeworden heilige draad. Omdat de mensen begrepen dat hij in een brâhmana-familie geboren was, maakten ze hem uit voor een brahma-bandhu en dergelijke. Aldus beledigd of genegeerd door de materialisten, zwierf hij van her naar der. (Vedabase)
Daar hij alleen maar omkeek naar arbeid om in ruil voedsel te krijgen van anderen, zetten zelfs zijn stiefbroers hem aan het werk met boerenarbeid in de velden - een karwei waarin hij er geen idee van had van wat zou moeten vereffend of uitgegraven of waar hij de zaken diende op te stapelen. Gewoonlijk enkel gebroken rijst etend, oliekoeken, kaf, door wormen aangevreten graan, of verbrande rijst die aan de pan kleefde, was het niettemin allemaal nectar voor hem.
Jada Bharata werkte alleen om te eten te hebben. Zijn stiefbroers profiteerden daarvan, en lieten hem op het land werken in ruil voor wat voedsel, maar in feite was hij niet zo goed in dat soort werk. Hij wist niet waar hij de mest moest uitstrooien, of waar hij de grond vlak moest maken en waar ongelijk. Zijn broers gaven hem gebroken rijst, oliekoeken, het kaf van rijst, graan waar wormen aan gegeten hadden en verbrande rijstkorrels die aan de pan waren blijven plakken, maar hij aanvaardde dit alles graag - alsof het delicatessen waren. Hij koesterde tegen niemand enige wrok, en at alles met veel plezier op. (Vedabase)
Daaropvolgend, na een zekere tijd, dook er een roofzuchtig leider van de arbeidersklasse op die uitzag naar een mensenzoon die, niet beter zijnd dan een dier, hij kon gebruiken om een offerplechtigheid te houden voor de godin Bhadra Kâlî.
Op een dag wilde de leider van een roversbende, die uit een s'ûdra-familie kwam en graag een zoon wilde hebben, de godin Bhadra Kâlî vereren door haar een zwakzinnig mens te offeren, die als niet beter dan een dier beschouwd wordt. (Vedabase)
Het soort van beest dat hij had, had kans gezien te ontsnappen en zijn volgelingen die op pad waren het te vinden konden, in het holst van de nacht temidden van de duisternis, het dierlijke type niet te pakken krijgen. Door het lot voorbeschikt stuitten ze op de brahmaanse zoon uit de lijn van Angirâ, die vanaf een hoger gelegen positie de velden bewaakte tegen herten en wilde zwijnen en dergelijke.
De leider van de rovers had zo'n dierlijk mens gevangen om te offeren, maar daar deze ontsnapt was, gaf hij zijn volgelingen opdracht om hem terug te vinden. Ze holden verschillende kanten uit, maar konden hem nergens vinden. Terwijl ze zo in het holst van de nacht in het pikkedonker overal rondzwierven kwamen ze bij een rijstveld waar ze de edele zoon van de Angirâ-familie aantroffen [Jada Bharata], die op een heuveltje zat om de gewassen tegen herten en wilde zwijnen te beschermen. (Vedabase)
Toen ze vervolgens ontdekten dat hij er het goede karakter voor had namen ze, met opgetogen en stralende gezichten omdat ze begrepen hadden hoe ze tot het werk van hun meester konden bijdragen, hem stevig met touwen vastgebonden met zich mee naar de tempel van de godin.
De volgelingen en dienaren van de leider van de roversbende vonden dat Jada Bharata alle eigenschappen van zo'n dierlijk mens vertoonde en waren het erover eens dat hij volmaakt geschikt zou zijn voor de offerande. Met van blijdschap stralende gezichten bonden ze hem met touwen vast, en brachten hem naar de tempel van de godin Kâlî. (Vedabase)
Toen staken de volgelingen van de schurk, overeenkomstig hun eigen gebruiken hem in nieuwe kleren en wasten ze hem, bedekten ze zijn lichaam met sieraden, smeerden ze hem in met sandelhoutpasta en omhingen ze hem met bloemen zodat hij als een diergelijke persoon, klaar was voor het offer. Onder de klanken van liederen, gebeden, trommels en trompetten, gaven ze hem een plaats voor de godin Kâlî, volledig uitgedost en naar behoren gevoed, met wierook, lampen, bloemenslingers, geweekte granen, twijgen en jong groen, vruchten en andere artikelen voor de eredienst.
Overeenkomstig hun zelfverzonnen ritueel voor het doden van dierlijke mensen baadden de dieven Jada Bharata. Vervolgens staken ze hem in nieuwe kleren, tooiden hem met sieraden die bestemd zijn voor dieren, smeerden hem in met verschillende reukoliën, brachten tilaka en sandelhoutpasta op zijn lichaam aan en hingen bloemenkransen om zijn hals. Daarna gaven ze hem overvloedig te eten en brachten hem voor de godin Kâlî, aan wie ze wierook, lampjes, bloemenkransen, geroosterd graan, jonge twijgjes, net uitgelopen loten, vruchten en bloemen offerden. Op die manier, en door liederen en gebeden te zingen, waarbij ze zichzelf met trommels en hoorns begeleidden, vereerden ze de godin voordat ze het mens-dier doodden. Vervolgens lieten ze Jada Bharata voor het beeld van de godin plaatsnemen. (Vedabase)Tekst 16:
Daarop hief de priester van die leider van het boeventuig, zich in voorbereiding op het offeren van een stroom bloed van de diermens voor de beeltenis van Bhadra Kâlî, een schrikwekkend vlijmscherp zwaard, dat hij heiligde met de daarvoor bestemde mantra's.
Een van de dieven, die als opperpriester optrad, stond nu klaar om het bloed van Jada Bharata, die ze voor een dierlijk mens aanzagen, aan de godin Kâlî te offeren, opdat ze het bij wijze van sterke drank zou kunnen drinken. Hij pakte een zeer vervaarlijk uitziend, vlijmscherp zwaard op, en terwijl hij het wijdde met de mantra voor Bhadra Kâlî, hief hij het op om Jada Bharata te doden. (Vedabase)
Door een hartstochtelijke en onwetende aard werden deze verwerpelijke types, die het materialistisch verbijsterd mis hadden, voortgedreven door geesten vol van verbeelding, zodat, in het op hun eigen manier bewandelen van een foute weg, de gemeenschap der helden van de Opperheer, de brahmanen, geminacht werd. Tewerkgaand met een voorkeur voor geweld jegens anderen traden ze allerwreedst rechtstreeks op tegen iemand van een brahmaanse geboorte, een zoon van spirituele wijsheid die geen vijanden had en die een ieder het beste wenste. Op het laatste moment echter brak zowaar de godin Bhadra Kâlî, die zag wat tegen de wil van God en in strijd met de wet stond te gebeuren, uit het beeld tevoorschijn met een vurige fysieke verschijning van een bovenmatig helle, onverdraaglijke, spirituele gloed.
Alle schurken en dieven die mee hadden geholpen aan de voorbereidingen voor de verering van de godin Kâlî hadden dezelfde lage mentaliteit, gebonden als ze waren aan de geaardheden hartstocht en onwetendheid. Overweldigd door het verlangen om heel rijk te worden, hadden ze de moed om de voorschriften van de Veda's te schenden, en waren er zelfs toe in staat om Jada Bharata te doden, hoewel hij uit een brâhmana-familie kwam en een zelfgerealiseerde ziel was. Uit hun diepe afgunst brachten deze rovers hem voor de godin Kâlî om geofferd te worden. Zulke mensen zijn verslaafd aan kwalijke praktijken - daarom waagden ze het om te proberen Jada Bharata te doden, die de beste vriend van alle levende wezens was. Hij was niemands vijand, en ging altijd volkomen op in meditatie op de Allerhoogste Godspersoon. Bovendien was hij de zoon van een goede brâhmana, en zelfs als hij hun vijand of een agressief iemand geweest zou zijn, dan hadden ze hem nog niet mogen doden. Hoe dan ook, er was geen enkele reden om Jada Bharata van het leven te beroven, en de godin Kâlî kon een dergelijk onrecht niet aanzien. Ze begreep onmiddellijk dat deze zondige rovers op het punt stonden om een groot toegewijde van de Heer te doden. Plotseling brak het beeld van de godin in tweeën, en kwam de godin Kâlî er persoonlijk uit te voorschijn in een lichaam dat zo'n intense, ondraaglijke gloed uitstraalde, dat het in brand leek te staan. (Vedabase)
Kwaad geworden vertoonde ze in totale weerzin haar kenmerken van geheven wenkbrauwen, een vreselijk gebit, bloeddoorlopen ogen, een opgewonden beangstigend gezicht alsof ze het hele universum wilde vernietigen en een afgrijselijke lach. Door haar grote woede vrijgekomen, sloeg ze, van het altaar afkomend, met hetzelfde staal als ze wilden gebruiken de hoofden van al de zondige overtreders eraf en dronk ze samen met haar metgezellen, het bloed dat uit de nekken stroomde als een zeer hete bedwelmende drank. Onder de invloed van al het bedwelmende drinken zette ze het met haar volgelingen luidkeels op een zingen en dansen, en wierpen ze voor de lol de hoofden naar elkaar.
Niet in staat om zo'n misdaad te verdragen, keek de godin Kâlî met haar vuurschietende ogen woedend in het rond en liet haar verschrikkelijke slagtanden zien. Haar rooddoorlopen ogen gloeiden, en ze toonde zich in haar meest vreselijke gedaante, alsof ze klaarstond om de hele schepping te vernietigen. Met een woeste sprong kwam ze van het altaar en onthoofdde onmiddellijk alle schurken en dieven met hetzelfde zwaard dat ze hadden willen gebruiken om er Jada Bharata mee te doden. Vervolgens begon ze samen met haar metgezellen, allen heksen en vrouwelijke demonen, het warme bloed dat uit hun halzen stroomde op te drinken alsof het sterke drank was. Dronken van dit bloed begonnen ze allemaal heel hard te zingen en te dansen, alsof ze op het punt stonden om het hele universum te verwoesten, en tegelijkertijd gooiden ze de hoofden van de misdadigers bij wijze van spel naar elkaar toe. (Vedabase)
Als men op deze manier daadwerkelijk in afgunst met de groten te ver is gegaan, zal men bijkomstig voor zichzelf dit als resultaat oogsten.
Als een afgunstig iemand een overtreding begaat tegenover een grote persoonlijkheid, wordt hij altijd op bovengenoemde wijze gestraft. (Vedabase)
Oh, Vishnudatta ['beschermd door Vishnu'; Parîkchit], dit is geen groot wonder voor hen die niet verbijsterd zijn, die zonder vijandschap en van goedheid voor allen, door de Allerhoogste Heer der onoverwinnelijke tijd, die de beste van alle wapenen met zich voert [de Sudars'ana schijf], rechtstreeks volledig zijn vrijgemaakt van de zeer sterke en vaste knoop in het hart van een lichamelijk levensbegrip. Zelfs al zijn ze bedreigd met onthoofding, hebben die verloste zielen en toegewijden die van een volledige overgave zijn en die zijn beschermd door Zijn lotusvoeten, niets te vrezen en zijn ze nimmer van slag door deze soort van stemmingen van de Goddelijkheid.
Vervolgens zei S'ukadeva Gosvâmî tegen Mahârâja Parîkshit: O Vishnudatta, degenen die al weten dat de ziel verschillend is van het lichaam, die bevrijd zijn van de onontwarbare knoop in het hart, die zich voortdurend inzetten voor het welzijn van alle levende wezens en er nooit aan denken om wie dan ook kwaad te doen, worden altijd beschermd door de Allerhoogste Godspersoon, die Zijn werpschijf draagt [de Sudars'ana-cakra] en als de allerhoogste tijd optreedt om de demonen te doden en Zijn toegewijden te beschermen. De toegewijden zoeken altijd toevlucht bij de lotusvoeten van de Heer. Daarom blijven ze altijd kalm, zelfs als ze onthoofd dreigen te worden. Voor hen is dit allemaal geenszins verbazingwekkend. (Vedabase)
Voor
deze oorspronkelijke vertaling is een alles-in-een band exemplaar
met uitgebreid commentaar gebruikt.
ISBN: o-91277-27-7
Zie de
S'rîmad Bhâgavatam
linkspagina
voor een download van dit boek en andere boeken van
Prabhupâda.
Het schilderij op deze pagina is van Pariksit
dasa
Productie: de Filognostische
Associatie
van De
Orde van de Tijd