
Canto
6
Hoofdstuk 16: Koning Citraketu Ontmoet de Allerhoogste Heer
(1) De zoon van Vyâsa zei: 'Toen bracht de Devarishi, o Koning, de gestorven zoon van de koning [die Harshas'oka werd genoemd, ofwel 'vreugde en verdriet'] in het gezicht van de treurende verwanten aldaar en sprak hij. (2) S'rî Nârada zei: 'O levende ziel, alle goeds u toegewenst, bezie uw moeder, vader, vrienden en verwanten die het treurend over u erg moeilijk hebben. (3) Om uw leven af te maken mag u naar uw lichaam terugkeren en temidden van uw getrouwen alle geneugten smaken en van uw vader de beloning van de koningstroon in ontvangst nemen.'
(4) De persoonlijke ziel zei: 'In welke van al die geboorten, waarin ik door mijn karma heb rondgedoold onder de goddelijken, de dieren en de mensen, waren dezen mijn vaders en moeders? (5) In de loop van de tijd behoort een ieder tot de vrienden, familieleden, vijanden, onpartijdigen, weldoeners, onverschilligen of afgunstigen van ieder ander [vergelijk B.G. 3: 27]. (6) Net zoals ruilmiddelen, zoals goud, van de ene persoon overgaan naar de andere, doorleeft op dezelfde manier het levend wezen dankzij verschillende vaders verschillende levensvormen [zie ook B.G. 2: 22]. (7) Vanuit wat men gewoon is kan men dan het tijdelijke constateren van relaties in de menselijke samenleving voor zolang er in die omgang sprake is van gehechtheden in de zin van 'ik' en 'mijn'. (8) Aldus van een bepaalde geboorte is het levend wezen eeuwig, zolang hij zichzelf niet identificeert met het lichaam waarin hij zo lang mag verblijven en door de werkelijkheid waarvan hij een zelfgevoel heeft. (9) Het is eeuwig, onpersoonlijk en van het fijnstoffelijke; het is het zelfbewuste van de verschillende belichamingen verworven door de verschillende geaardheden van de goddelijkheid der natuur, optredend als zijn eigen heer en meester in deze wereld [zie ook 4.29: 29]. (10) Voor het levend wezen is er in werkelijkheid niemand dierbaar of niet dierbaar, noch is er ook maar iets het zijne of van iemand anders; met andere woorden: het is de ene getuige van de verschillende soorten van intelligentie en uitvoerders van goede en slechte daden [zie ook B.G. 9: 29]. (11) Voor de Ziel is noch geluk noch verdriet aanvaardbaar, noch de vrucht der arbeid; als een volmaakt neutraal iemand verblijft de Heer vanbinnen als de beheerser die oorzaak en gevolg overziet [B.G. 2: 47].'
(12) De zoon van Vyâsa vervolgde: 'Zo gesproken hebbend ging het levend wezen weg tot de stomme verbazing van zijn verwanten, die hun weeklagen opgaven nadat de ketenen van de band der genegenheid waren doorbroken. (13) Toen de familieleden van de zoon, met het uitvoeren van de gepaste rituelen, het lichaam aflegden, gaven ze daarmee de vastgehouden genegenheid, het weeklagen en de illusie die de angst en het leed veroorzaakten op. (14) Zij die het kind hadden gedood volbrachten, vol schaamte over het hebben vermoord van de jongen en beroofd van de luister van hun lichamen, zoals de brahmanen het wilden, bij de rivier de Yamunâ de boetedoening voor het hebben gedood van de baby, o Parîkchit, met in gedachten wat de tweemaal geborene [Angirâ] had gezegd. (15) Citraketu, zich volledig bewust van de geestelijke strekking van de uitspraken van de beide tweemaal geboren zielen, geraakte aldus uit de duistere put van zijn familiegehechtheid zoals een olifant tevoorschijn komt uit een modderpoel. (16) Met het nemen van een bad in de Yamunâ als was voorgeschreven en het vroom uitvoeren van uitgietingen van water waarbij hij ernstig zijn geest en zinnen intoomde, bracht hij de twee zoons van Brahmâ zijn eerbetuigingen.
(17) Vervolgens deed Bhagavân Nârada die er zeer over verheugd was dat hij zo'n overgegeven toegewijde was in de beheersing van zichzelf, deze kennis [deze mantra, dit gebed] uit de doeken zoals hij had beloofd. (18-19) 'O mijn Heer mijn eerbetuigingen aan U, de Allerhoogste Heer Vâsudeva. Laat mij mediteren op Pradyumna [de Heer der intelligentie], Aniruddha [de Heer van de geest] en Sankarshana [de Heer van het Ego, zie ook 4.24: 35-37]. Al mijn respect voor de volledige manifestatie der wijsheid, de belichaming van het opperste geluk die het zelfvervulde Ware van het Zelf der vrede is met Zijn blik afgewend van de dualiteit. (20) Door de realisatie van Uw persoonlijke verrukking geraakt men over de golven van de oceaan der materie. Mijn eerbetoon jegens die Beheerser der Zinnen zo verheven; mijn respect voor U wiens expansies onbegrensd zijn. (21) Als woorden te kort schieten is Hij, de Ene zonder Zijns gelijke, met de geest van geen benaming of gedaante en volledig spiritueel; moge Hij, Hij die boven waarheid en onwaarheid staat, ons genadevol beschermen. (22) In wie dit alles en van wie dit alles standhoudt, oplost en wordt geboren zoals met dingen die gemaakt zijn van aarde; voor Hem, de Allerhoogste Oorzaak, mijn respectvolle eerbetoon. (23) Hij die door de geest, de intelligentie, de zinnen en de vormen van de levensadem niet kan worden beroerd, noch kan worden gekend vanbinnen of vanbuiten, Hij die zich zo weids als de hemel heeft uitgebreid, voor Hem ben ik voorover gebogen. (24) Het lichaam, de zinnen, de levensadem, de geest en de intelligentie kunnen slechts in actie komen door de ondersteuning van het Heersende Principe [Brahman]; zij, net als ijzer dat niet is verhit door vuur [niet kan buigen], kunnen zonder die ondersteuning niet de status van een zelfbewust subject verwerven. (25) Mijn eerbetuigingen jegens U mijn Heer, o Allerhoogste Persoonlijkheid, meest Volmaakte Superziel en Meester van Alle Mystieke Vermogen wiens voeten worden gediend door de talloze lotusknophanden van al de beste toegewijden; aan U, verblijvend in het hoogste, al mijn respect.'
(26) S'rî S'uka zei: 'Nadat Nârada aan deze toegewijde vol van overgave de kennis had overgedragen, vertrok hij samen met Angirâ naar het verblijf van Brahmâ, o grote Heer. (27) Citraketu wijdde zich daarop, enkel water drinkend, met grote concentratie van geest ononderbroken voor de duur van een week aan de kennis zoals die was doorgegeven door Nârada. (28) Niet afwijkend van de aanwijzingen bereikte hij, door zorgvuldig deze gebeden in de praktijk te brengen, aan het eind van zeven dagen en nachten het meesterschap der Vidyâdhara's ['zij die zich baseren op kennis'], o Heerser der Mensen. (29) Aldus in slechts een paar dagen tijds door die spirituele oefening voor zijn geest de weg der verlichting gevonden hebbend, begaf hij zich naar de toevlucht van de lotusvoeten van de God aller goden, Heer S'esha [Anantadeva of Sankarshana, zie 5.25]. (30) Hij zag Hem, zijn Meester en Beheerser, met Zijn glimlachende lotusgezicht en rood doorlopen ogen, zo wit als het kelkblad van een lotus, blauwe zijde dragend, een glinsterende helm, armbanden, een gordel en polsbanden, zich bevindend temidden van Zijn meest volmaakte toegewijden. (31) De aanblik van Hem deed al zijn zonden teniet zodat hij, gezond en zuiver van hart, als een heilige Hem tegemoet kon treden in een devotionele stemming, waarin hij met tranen in zijn ogen en met zijn haren overeind, de Oorspronkelijke Persoonlijkheid van God zijn eerbetuigingen bracht. (32) Hij aan de lotusvoeten van de Heer der Verzen, bevochtigde bij herhaling met de druppels van zijn tranen die rustplaats en was hij, vanwege een van de liefde verstikte stem, voor een lange tijd niet in staat ook maar een enkele letter van het alfabet uit te spreken om Hem zijn gebeden te brengen. (33) Daarop zijn spraakvermogen herwinnend door het met intelligentie beheersen van zijn geest, richtte deze ene koning zich tot de verpersoonlijking van de toegewijde dienst en de geschriften, tot de leraar van een ieder die de naar de uiterlijke wereld afdwalende zinnen reguleert.
(34) Citraketu zei: 'O Onoverwinnelijke gewonnen door mensen van heugenis; aan die toegewijden die U met hun overgegeven zielen voor U innam en die altijd Uw heerlijkheden bezingen met geesten vrij van verlangens, geeft U Uzelf in ultiem mededogen. (35) In relatie tot Uw vormen van weelde die waarlijk, o Allerhoogste, van de schepping, de handhaving en de voleinding van deze kosmische manifestatie zijn, wedijveren de scheppers van deze schepping, die deel uitmaken van een deel van U, in dezen vergeefs met elkaar, bewogen als ze zijn door valse begrippen van gescheidenheid. (36) Van het kleinste atoom tot het grootste van de manifestatie hebt U Uw bestaan in het begin, aan het einde en daar tussenin; niettemin bent U er permanent buiten deze drie zonder zelf een begin en een einde te hebben en zonder zelf te zijn wat ertussen allemaal bestaat.(37) Deze materiële wereld, dit eivormige universum bestaande uit de zeven lagen waarvan een ieder het tienvoudige bedraagt van de voorgaande laag [zie 3.26: 52], zinkt in het niet bij de miljoenen van dergelijke universa in de kosmos, en om deze reden bent U onbegrensd. (38) Begeertig te genieten als de dieren aanbidt de mens enkel gedeelten [halfgoden] maar niet het Allerhoogste van U, o Beheerser; de zegeningen van hen zijn afgelopen als ze hun einde vinden, precies zoals dat is met politici [B.G. 7.20-23 S.B. 2.3: 10]. (39) Zij die bevrediging verlangen floreren, net als geroosterd zaad, niet in U o Allerhoogste; maar in het volle van Uw spirituele kennis is een persoon onberoerd door het netwerk van de geaardheden en de dualiteit van hun materiële kwaliteiten [vergelijk: B.G. 4: 9]. (40) Ze werden door U o Heer, o Onoverwinnelijke, overwonnen toen U zich tot hen richtte omtrent het dharma van U toegewijd zijn. De foutlozen die niet hunkeren naar materieel geluk, zij die grote wijzen zijn van binnen gelukkig, zijn degenen van aanbidding op het pad der bevrijding [zie ook 1.2: 6]. (41) Niet gelijk schiet men tekort qua bewustzijn en heeft men onder de mensen aldus het 'ik' en 'mijn' en het 'mij' en 'jou'; in benaderingen anders dan de Uwe is men als gevolg van de visie der ongelijkwaardigheid in zijn manier van doen inderdaad onzuiver, tijdgebonden en vol van onrecht [vergelijk B.G. 18: 66]. (42) In welk opzicht doet het iemand zelf en anderen goed, of wat zou ermee gediend zijn, als men met een [op zich] rechtschapen procedure jaloers is op anderen en op het Allerhoogste? Een dergelijke praktijk van menselijk zelfverraad roept Uw wrake op en bezorgt anderen pijn, en goddeloos is het ook [zie B.G. 16: 17 en S.B. 1.2: 8]. (43) Van Uw zienswijze in relatie tot het dharma dat Uw aanwijzingen en handelingen omvat zegt men dat die onfeilbaar is; in navolging daarvan geen onderscheid makend tussen de niet-bewegende en bewegende levende wezens is men zeker van het beschaafde [de Âryan of Ariër]. (44) Is het niet, o mijn Heer, zo geworden dat door de aanblik van U al de zonden van al de mensenkinderen zijn vernietigd en dat door het horen van Uw naam terstond zelfs de laagsten der mensen bevrijding vinden uit de verstriktheid van het materiële bestaan? (45) Aldus o Allerhoogste Heer, zijn op het ogenblik U met eigen ogen aanschouwend de smetten weggewassen, hoe zou het ook anders kunnen met wat werd verklaard door de grote rishi der verlichting [Nârada], Uw toegewijde? (46) U bent, o Onbegrensde, als de superziel van de wereld, bekend met alles wat door allen gedaan wordt die hier leven. Wat valt er in te zien bij het licht van vuurvliegjes als men een zon heeft gelijk U als de leraar der transcendentie? (47) Alle eer aan U, o Heer van het bestaan, het eindigen en het scheppen van het universum; Uw positie gaat het begrip te boven van hen die in materieel opzicht verenigd zijn middels valse begrippen van het hebben van een afzonderlijk bestaan in relatie tot het zuivere der bovenzinnelijkheid. (48) Het is in navolging van Uw ondernemen dat inderdaad zij die de schepping bestieren eveneens ondernemen; het is naar Uw waarnemen dat al de zintuigen die kennis nemen waarnemen; het is het door U op Uw kraag blijven dragen van het gigantische universum dat het gelijk een mosterdzaadje wordt; moge er voor U al het respect zijn dat er maar mogelijk is, U de Allerhoogste Heer met de Duizenden Kragen.'
(49) S'rî S'ukadeva zei: 'O beste der Kuru's, de Allerhoogste Heer Ananta Deva, op deze manier aanbeden gaf hem, Citraketu, toen antwoord, zeer verheugd als Hij was over de koning der Vidyâdhara's. (50) De Opperheer zei: 'Door het rechtstreeks aanschouwen van Mij en door het eerbetoon met het gebed waar Nârada en Angirâ u van op de hoogte stelden, hebt u nu de volmaaktheid gevonden, o Koning. (51) Ik als de Superziel van allen, als de oorzaak der manifestatie, heb Me inderdaad uitgebreid in verschillende gedaanten en besta in de beide vormen van de spirituele klankvibraties en het Allerhoogste Brahman [vergelijk B.G. 7: 4-5]. (52) Het levende wezen breidde zich uit in de wereld en ook breidde de wereld zich uit in het levende wezen ; evenzo zijn beiden, als vormen van de schepping, van Mij doordrongen als ook in Mij aanwezig. (53-54) Zoals een persoon die in slaap dromend de hele wereld ziet binnen in zichzelf maar bij zijn ontwaken zichzelf ergens neer ziet liggen, zijn dienovereenkomstig de levende wezens hun verschillende staten van bewustzijn en levensomstandigheden uitingen van het illusieverwekkend vermogen van het Zelf, waarmee bekend men zich altijd hun Allerhoogste Schepper en Getuige moet herinneren [zie ook bhajan Radha Krishna Bol Bol]. (55) Ken Mij enkel als Hem, Hij die alles doordringt, de Allerhoogste Geest los van de materiële staat van wie een persoon die slaapt in staat is onderscheid te maken tussen wat van de droom is en wat zijn geluk zou zijn. (56) Als de persoon zich beide staten van bewustzijn herinnert van dromen en slapen kan hij, in het voorbije, de spirituele kennis van het Brahman bereiken die transcendentaal is. (57) Het levend wezen vergeetachtig wat betreft deze spirituele aard van Mijn positie, leidt daardoor een materieel geconditioneerd leven in afgescheidenheid van de Superziel, waardoor het doolt van het ene lichaam naar het volgende, van de ene naar de andere dood. (58) Met het hier op aarde verwerven van een menselijke geboorte krijgt men door de spirituele kennis en wijsheid de gelegenheid tot zelfrealisatie te komen, maar zij die die kennis niet oppakken zullen er nooit in slagen in het leven. (59) Van het zich herinneren wat een probleem het is alhier rond te ploeteren en dan het tegendeel te bereiken van wat men beoogde, en ook van het zich herinneren hoe men vrij van angst is inderdaad als men niet meer verlangt naar materiële zaken, behoort men, het beter wetend, er een punt achter te zetten. (60) Terwille van hun geluk en om vrij te zijn van ellende leggen man en vrouw activiteiten aan de dag welke op zichzelf niet volstaan om er een eind aan te maken, omdat die handelingen de bron vormen van zowel geluk als verdriet. (61-62) Mensen die zichzelf heel slim vinden maar op deze manier met het tegenovergestelde opgezadeld raken, vinden het buitengewoon moeilijk te begrijpen wat het betekent om van de vooruitgang te zijn met de ziel en los te staan van de drie staten [van bewusteloosheid, slapen en waken]. Het persoonlijk ervaren hebbend of het hebben begrepen door erover te vernemen, moet een persoon die zich door zijn eigen oordeelsvermogen in de spirituele kennis en wijsheid bevrijdde van zijn materialisme, met de gevonden volle bevrediging, Mijn toegewijde worden. (63) Dit is wat over het geheel genomen de capabele en intelligente mens zich dient te realiseren wat betreft het begrijpen van de eenheid, de transcendentie en de ziel van de yoga als het uiteindelijke doel. (64) Als u met geloof, zonder in andere conclusies te vervallen, deze woorden van Mij aanneemt, o Koning, zal u in het volle van de spirituele kennis en de wijsheid spoedig uw vervolmaking vinden.'
(65) S'rî S'uka zei: 'Nadat de Allerhoogste Heer, de Leraar van het Universum, aldus Citraketu een hart onder de riem had gestoken, verdween Hij, Heer Hari, de Ziel van Allen, uit het gezicht.'
Tweede editie, geladen 21 mei 2007.
![]()
Bronteksten:
Koning Citraketu ontmoet de Allerhoogste Heer
De zoon van Vyâsa zei: 'Toen bracht de Devarishi, o Koning, de gestorven zoon van de koning [die Harshas'oka werd genoemd, ofwel 'vreugde en verdriet'] in het gezicht van de treurende verwanten aldaar en sprak hij.S'rî S'ukadeva Gosvâmî zei: Beste koning Parîkshit, met zijn mystieke kracht stelde de grote wijze Nârada alle treurende verwanten in staat om de overleden zoon te zien en sprak toen als volgt. (Vedabase)
S'rî Nârada zei: 'O levende ziel, alle goeds u toegewenst, bezie uw moeder, vader, vrienden en verwanten die het treurend over u erg moeilijk hebben.
S'rî Nârada Muni zei: O levend wezen, ik wens je alle geluk. Kijk toch eens naar je vader en moeder. Al je vrienden en verwanten zijn overweldigd door smart omdat je overleden bent. (Vedabase)
Om uw leven af te maken mag u naar uw lichaam terugkeren en temidden van uw getrouwen alle geneugten smaken en van uw vader de beloning van de koningstroon in ontvangst nemen.'
Omdat je voortijdig gestorven bent, heb je nog steeds de rest van je leven tegoed. Daarom mag je in je lichaam terugkeren en van de rest van je leven genieten, omringd door je vrienden en verwanten. Aanvaard daarom de koningstroon en alle rijkdom die je vader je geschonken heeft. (Vedabase)
De persoonlijke ziel zei: 'In welke van al die geboorten, waarin ik door mijn karma heb rondgedoold onder de goddelijken, de dieren en de mensen, waren dezen mijn vaders en moeders?
Door de mystieke kracht van Nârada Muni ging de ziel weer voor korte tijd zijn dode lichaam in en gaf op verzoek van Nârada Muni antwoord. Hij zei: Overeenkomstig de gevolgen van mijn baatzuchtige activiteiten verhuis ik, het levend wezen, van het ene lichaam naar het andere, waarbij ik nu eens bij de halfgoden terechtkom, dan weer bij de dieren of de planten en een volgende keer bij de mensen. In welk leven waren deze twee mensen daarom eigenlijk mijn vader en moeder? Niemand is in feite mijn vader en moeder. Hoe kan ik deze twee mensen als mijn ouders aanvaarden? (Vedabase)
In de loop van de tijd behoort een ieder tot de vrienden, familieleden, vijanden, onpartijdigen, weldoeners, onverschilligen of afgunstigen van ieder ander [vergelijk B.G. 3: 27].
In deze materiële wereld, die als een rivier is die het levend wezen met zich meevoert, worden alle mensen te zijner tijd vrienden, verwanten of vijanden van elkaar. Soms laten ze elkaar ook onverschillig, treden voor elkaar op als bemiddelaar of verachten elkaar, en soms hebben ze ook nog allerlei andere betrekkingen. Ondanks deze veelzijdige interacties heeft niemand echter een blijvende band met een ander. (Vedabase)
Net zoals ruilmiddelen, zoals goud, van de ene persoon overgaan naar de andere, doorleeft op dezelfde manier het levend wezen dankzij verschillende vaders verschillende levensvormen [zie ook B.G. 2: 22].
Zoals goud en andere artikelen in het proces van koop en verkoop voortdurend van de ene plek naar de andere verhuizen, zo zwerft ook het levend wezen als gevolg van zijn baatzuchtige activiteiten door het hele universum en wordt hij door de ene soort vader na de andere in vele verschillende lichamen van allerlei levensvormen geïnjecteerd. (Vedabase)
Vanuit wat men gewoon is kan men dan het tijdelijke constateren van relaties in de menselijke samenleving voor zolang er in die omgang sprake is van gehechtheden in de zin van 'ik' en 'mijn'.
Enkele levende wezens worden geboren als mens, en andere als dieren. Hoewel het allebei levende wezens zijn, is de relatie die ze met elkaar hebben van voorbijgaande aard. Een dier kan voor enige tijd onder de hoede van een bepaald iemand staan, en dan overgaan in handen van anderen. Zodra het dier weg is, heeft de vorige eigenaar niet meer het gevoel dat het zijn eigendom is. Zolang het dier in zijn bezit is heeft hij er beslist wel gevoel voor, maar zodra het verkocht is, is die genegenheid weg. (Vedabase)
Aldus van een bepaalde geboorte is het levend wezen eeuwig, zolang hij zichzelf niet identificeert met het lichaam waarin hij zo lang mag verblijven en door de werkelijkheid waarvan hij een zelfgevoel heeft.
Hoewel het ene levend wezen een relatie aangaat met het andere doordat er een of andere band bestaat tussen hun vergankelijke lichamen, is het levend wezen eeuwig. In werkelijkheid is het het lichaam dat geboren wordt en verloren gaat, en niet het levend wezen. Men moet er niet van uitgaan dat het levend wezen geboren wordt of sterft. Het levend wezen heeft in werkelijkheid geen relatie met zijn zogenaamde vaders en moeders. Zolang hij als gevolg van zijn baatzuchtige activiteiten in het verleden als de zoon van een bepaalde vader en moeder verschijnt, voelt hij verwantschap met het lichaam dat hem door die vader en moeder gegeven is. Hij ziet zichzelf dan geheel ten onrechte als hun zoon en betoont hen dienovereenkomstig genegenheid. Als hij sterft, is het echter gedaan met de relatie. Gezien dit feit mag men zich niet ten onrechte mee laten slepen door vreugde en verdriet. (Vedabase)
Het is eeuwig, onpersoonlijk en van het fijnstoffelijke; het is het zelfbewuste van de verschillende belichamingen verworven door de verschillende geaardheden van de goddelijkheid der natuur, optredend als zijn eigen heer en meester in deze wereld [zie ook 4.29: 29].
Het levend wezen is eeuwig en onvergankelijk en heeft in werkelijkheid geen begin en geen eind. Hij wordt nooit geboren en sterft evenmin. Hij is het basisprincipe van alle soorten van lichamen, en toch behoort hij niet tot de categorie van de lichamen. Het levend wezen is zo verheven dat hij kwalitatief gelijk is aan de Allerhoogste Heer. Niettemin, omdat hij bijzonder klein is, heeft hij de neiging om door de uitwendige energie begoocheld te raken en hij schept zo allerlei lichamen voor zichzelf, die overeenkomen met zijn verschillende verlangens.. (Vedabase)Voor het levend wezen is er in werkelijkheid niemand dierbaar of niet dierbaar, noch is er ook maar iets het zijne of van iemand anders; met andere woorden: het is de ene getuige van de verschillende soorten van intelligentie en uitvoerders van goede en slechte daden [zie ook B.G. 9: 29].
Dit levend wezen heeft niemand lief noch is hij iemand slecht gezind. Hij maakt geen onderscheid tussen wat van hemzelf is en wat iemand anders toebehoort. Hij is uniek en zonder weerga; met andere woorden, hij wordt niet beïnvloed door vriend of vijand, door mensen die het beste met hem voorhebben of mensen die hem kwaad willen doen. Hij is alleen maar een waarnemer, een getuige van de verschillende eigenschappen van de mensen. (Vedabase)
Voor de Ziel is noch geluk noch verdriet aanvaardbaar, noch de vrucht der arbeid; als een volmaakt neutraal iemand verblijft de Heer vanbinnen als de beheerser die oorzaak en gevolg overziet [B.G. 2: 47].'
De Allerhoogste Heer [âtmâ], de schepper van oorzaak en gevolg, heeft geen deel aan het geluk en de ellende die het gevolg zijn van baatzuchtige activiteiten. Hij is op geen enkele manier verplicht om een materieel lichaam aan te nemen, en omdat Hij geen materieel lichaam heeft, bevindt Hij Zich altijd in een neutrale positie. De levende wezens, die volkomen deeltjes van de Heer zijn, bezitten dezelfde eigenschappen als Hij, maar dan in minieme mate. Daarom moet men zich niet laten meeslepen door verdriet. (Vedabase)
De zoon van Vyâsa vervolgde: 'Zo gesproken hebbend ging het levend wezen weg tot de stomme verbazing van zijn verwanten, die hun weeklagen opgaven nadat de ketenen van de band der genegenheid waren doorbroken.
S'rî S'ukadeva Gosvâmî vervolgde: Nadat de geconditioneerde ziel [jîva] in de gedaante van Mahârâja Citraketu's zoon aldus gesproken had en was verdwenen, waren Citraketu en de andere verwanten van de overleden zoon zeer verwonderd. Ze waren toen in staat om de boeien van genegenheid, die het gevolg waren van hun band met hem, te breken, en gaven daarmee hun verdriet op. (Vedabase)
Toen de familieleden van de zoon, met het uitvoeren van de gepaste rituelen, het lichaam aflegden, gaven ze daarmee de vastgehouden genegenheid, het weeklagen en de illusie die de angst en het leed veroorzaakten op.
Nadat de familieleden zich van hun plicht hadden gekweten en na een passende begrafenisplechtigheid het lichaam van het overleden kind hadden verbrand, gaven ze hun genegenheid, die tot illusie, verdriet, angst en pijn leidt, op. Zulke genegenheid is ongetwijfeld niet gemakkelijk op te geven, maar het kostte hun geen enkele moeite. (Vedabase)
Zij die het kind hadden gedood volbrachten, vol schaamte over het hebben vermoord van de jongen en beroofd van de luister van hun lichamen, zoals de brahmanen het wilden, bij de rivier de Yamunâ de boetedoening voor het hebben gedood van de baby, o Parîkchit, met in gedachten wat de tweemaal geborene [Angirâ] had gezegd.
Koning Citraketu's bijvrouwen, die het kind vergiftigd hadden, schaamden zich heel diep en hun lichaam verloor al hun glans. O koning, ze herinnerden zich in hun verdriet de instructies van Angirâ en gaven hun verlangen om kinderen te krijgen op. Op aanwijzing van de brâhmana's gingen ze naar de oever van de Yamunâ waar ze een bad namen en boete deden voor hun zondige activiteiten. (Vedabase)
Citraketu, zich volledig bewust van de geestelijke strekking van de uitspraken van de beide tweemaal geboren zielen, geraakte aldus uit de duistere put van zijn familiegehechtheid zoals een olifant tevoorschijn komt uit een modderpoel.
Verlicht door het onderricht van de brâhmana's Angirâ en Nârada, raakte koning Citraketu vervuld van geestelijke kennis. Zoals een olifant zich lostrekt uit een modderpoel, zo kwam koning Citraketu te voorschijn uit de donkere put van het gezinsleven. (Vedabase)
Met het nemen van een bad in de Yamunâ als was voorgeschreven en het vroom uitvoeren van uitgietingen van water waarbij hij ernstig zijn geest en zinnen intoomde, bracht hij de twee zoons van Brahmâ zijn eerbetuigingen.
De koning baadde in het water van de Yamunâ en bracht wateroffers aan zijn voorvaders en de halfgoden volgens de daarvoor geldende voorschriften. Terwijl hij met grote ernst zijn geest en zinnen beheerste, betuigde hij vervolgens zijn respect aan de zoons van Heer Brahmâ [Angirâ en Nârada]; en boog voor hen neer. (Vedabase)
Vervolgens deed Bhagavân Nârada die er zeer over verheugd was dat hij zo'n overgegeven toegewijde was in de beheersing van zichzelf, deze kennis [deze mantra, dit gebed] uit de doeken zoals hij had beloofd.
Nârada, de zeer machtige wijze, was heel tevreden over Citraketu omdat hij een toegewijde met beheerste zinnen en een overgegeven ziel was, en hij gaf hem het volgende transcendentale onderricht. (Vedabase)
'O mijn Heer mijn eerbetuigingen aan U, de Allerhoogste Heer Vâsudeva. Laat mij mediteren op Pradyumna [de Heer der intelligentie], Aniruddha [de Heer van de geest] en Sankarshana [de Heer van het Ego, zie ook 4.24: 35-37]. Al mijn respect voor de volledige manifestatie der wijsheid, de belichaming van het opperste geluk die het zelfvervulde Ware van het Zelf der vrede is met Zijn blik afgewend van de dualiteit.
[Nârada gaf Citraketu de volgende mantra.] O Heer, o Allerhoogste Godspersoon, die aangesproken wordt met het omkâra [pranava], ik breng U mijn nederige eerbetuigingen. O Heer Vâsudeva, ik mediteer op U. O Heer Pradyumna, Heer Aniruddha en Heer Sankarshana, ik betuig U nederig eer. O bron van geestelijke kracht, o allerhoogste gelukzaligheid, ik breng mijn nederige eerbetuigingen aan U, die volkomen onafhankelijk en zeer vredig bent. O allerhoogste waarheid, U bent uniek en zonder weerga en U wordt gerealiseerd als Brahman, Paramâtmâ en Bhagavân. Daarom bent U de bron van alle kennis. Ik betuig U nederig eer. (Vedabase)
Door de realisatie van Uw persoonlijke verrukking geraakt men over de golven van de oceaan der materie. Mijn eerbetoon jegens die Beheerser der Zinnen zo verheven; mijn respect voor U wiens expansies onbegrensd zijn.
Aan Uw gelukzaligheid te zien, bent U altijd transcendentaal aan de golven van de materiële natuur. Daarom, mijn Heer, betuig ik U nederig eer. U bent de allerhoogste bestuurder van de zinnen en U expandeert Zich in eindeloos veel gedaantes. U bent de grootste, en daarom breng ik U mijn nederige eerbetuigingen. (Vedabase)
Als woorden te kort schieten is Hij, de Ene zonder Zijns gelijke, met de geest van geen benaming of gedaante en volledig spiritueel; moge Hij, Hij die boven waarheid en onwaarheid staat, ons genadevol beschermen.
De Allerhoogste Godspersoon is niet te bereiken met de woorden of gedachten van de geconditioneerde ziel, want materiële namen en vormen zijn niet van toepassing op de Heer, die volkomen geestelijk is en boven elke denkbare fijn- en grofstoffelijke vorm staat. Het onpersoonlijke Brahman is een van Zijn gedaantes. Moge het Hem believen om ons te beschermen. (Vedabase)
In wie dit alles en van wie dit alles standhoudt, oplost en wordt geboren zoals met dingen die gemaakt zijn van aarde; voor Hem, de Allerhoogste Oorzaak, mijn respectvolle eerbetoon.
Zoals aarden potten nadat ze gemaakt zijn op de aarde staan en als ze breken weer in aarde overgaan, zo wordt deze kosmische openbaring tot stand gebracht door het Allerhoogste Brahman, rust ze op het Allerhoogste Brahman en wordt ze vernietigd in datzelfde Allerhoogste Brahman. Laat ons de Allerhoogste Heer, die de oorzaak van Brahman is, daarom nederig eer betuigen. (Vedabase)
Hij die door de geest, de intelligentie, de zinnen en de vormen van de levensadem niet kan worden beroerd, noch kan worden gekend vanbinnen of vanbuiten, Hij die zich zo weids als de hemel heeft uitgebreid, voor Hem ben ik voorover gebogen.
Het Allerhoogste Brahman komt voort uit de Allerhoogste Godspersoon en strekt Zich naar alle kanten uit, net als de lucht. Hoewel niets materieels het kan raken, bestaat het toch in alles en ook buiten alles. Niettemin kunnen de geest, intelligentie, zinnen en levenskracht Hem nooit bereiken of begrijpen. Ik breng Hem mijn nederige eerbetuigingen. (Vedabase)
Het lichaam, de zinnen, de levensadem, de geest en de intelligentie kunnen slechts in actie komen door de ondersteuning van het Heersende Principe [Brahman]; zij, net als ijzer dat niet is verhit door vuur [niet kan buigen], kunnen zonder die ondersteuning niet de status van een zelfbewust subject verwerven.
Zoals ijzer het vermogen heeft om te branden als het met vuur in aanraking komt en roodgloeiend wordt, zo kunnen het lichaam, de zinnen, de levenskracht, geest en intelligentie, al zijn het maar brokken materie, toch functioneren wanneer de Allerhoogste Godspersoon ze injecteert met een klein sprankje bewustzijn. Zoals ijzer niet kan branden als het niet in het vuur verhit wordt, zo kunnen de zintuigen niet functioneren zonder de gunst van het Allerhoogste Brahman te ontvangen. (Vedabase)
Mijn eerbetuigingen jegens U mijn Heer, o Allerhoogste Persoonlijkheid, meest Volmaakte Superziel en Meester van Alle Mystieke Vermogen wiens voeten worden gediend door de talloze lotusknophanden van al de beste toegewijden; aan U, verblijvend in het hoogste, al mijn respect.'
O transcendentale Heer, die op de allerhoogste planeet in de geestelijke wereld woont, Uw twee lotusvoeten worden altijd gemasseerd door een hele schare van de beste toegewijden, wier handen als lotusknoppen zijn. U bent de Allerhoogste Godspersoon, volmaakt in Zijn zes volheden. U bent de allerhoogste persoon waarover in de Purusha-sûkta gebeden gesproken wordt. U bent de meest volmaakte, zelfgerealiseerde meester van alle mystieke kracht. Laat me U mijn nederige eerbetuigingen aanbieden. (Vedabase)
S'rî S'uka zei: 'Nadat Nârada aan deze toegewijde vol van overgave de kennis had overgedragen, vertrok hij samen met Angirâ naar het verblijf van Brahmâ, o grote Heer.
S'rî S'ukadeva Gosvâmî vervolgde: Nârada, die de geestelijk leraar van Citraketu was geworden, gaf hem een volledige uiteenzetting van dit gebed omdat Citraketu zich met hart en ziel had overgegeven. O koning Parîkshit, daarna vertrok Nârada samen met de grote wijze Angirâ naar de allerhoogste planeet, Brahmaloka. (Vedabase)
Citraketu wijdde zich daarop, enkel water drinkend, met grote concentratie van geest ononderbroken voor de duur van een week aan de kennis zoals die was doorgegeven door Nârada.
Vastend en alleen water drinkend, chantte Citraketu één week lang onafgebroken en met grote nauwkeurigheid en aandacht de mantra die Nârada Muni hem gegeven had. (Vedabase)
Niet afwijkend van de aanwijzingen bereikte hij, door zorgvuldig deze gebeden in de praktijk te brengen, aan het eind van zeven dagen en nachten het meesterschap der Vidyâdhara's ['zij die zich baseren op kennis'], o Heerser der Mensen.
O koning Parîkshit, na slechts één week van steeds weer de mantra chanten die zijn geestelijk leraar hem gegeven had, kreeg Citraketu als tussentijds resultaat van zijn vorderingen in geestelijke kennis de heerschappij over de planeet van de Vidyâdhara's. (Vedabase)
Aldus in slechts een paar dagen tijds door die spirituele oefening voor zijn geest de weg der verlichting gevonden hebbend, begaf hij zich naar de toevlucht van de lotusvoeten van de God aller goden, Heer S'esha [Anantadeva of Sankarshana, zie 5.25].
Daarna maakte Citraketu, onder invloed van de mantra die hij gechant had, in slechts enkele dagen zoveel geestelijke vooruitgang dat hij steeds meer verlicht raakte, en uiteindelijk vond hij bescherming bij de lotusvoeten van Anantadeva. (Vedabase)
Hij zag Hem, zijn Meester en Beheerser, met Zijn glimlachende lotusgezicht en rood doorlopen ogen, zo wit als het kelkblad van een lotus, blauwe zijde dragend, een glinsterende helm, armbanden, een gordel en polsbanden, zich bevindend temidden van Zijn meest volmaakte toegewijden.
Toen hij de toevlucht van Heer S'esha, de Allerhoogste Godspersoon kreeg, zag Citraketu dat Hij even blank was als de vezels van een lotus. Hij was gehuld in blauwachtige gewaden en getooid met een prachtig schitterende helm, armbanden, een gordel en enkelbanden. Een glimlach sierde Zijn gezicht en Zijn ogen waren roodachtig. Hij was omringd door grote bevrijde zielen zoals Sanat-kumâra. (Vedabase)
De aanblik van Hem deed al zijn zonden teniet zodat hij, gezond en zuiver van hart, als een heilige Hem tegemoet kon treden in een devotionele stemming, waarin hij met tranen in zijn ogen en met zijn haren overeind, de Oorspronkelijke Persoonlijkheid van God zijn eerbetuigingen bracht.
Zodra Mahârâja Citraketu de Allerhoogste Heer zag, was hij bevrijd van alle materiële besmetting en doordat hij volkomen gezuiverd was, herkreeg hij zijn oorspronkelijke Krishna-bewustzijn. Hij werd stil en ernstig; tranen van liefde voor de Heer stroomden uit zijn ogen en zijn haar stond recht overeind. Met grote toewijding en liefde bracht hij nederig zijn eerbetuigingen aan de oorspronkelijke Godspersoon. (Vedabase)
Hij aan de lotusvoeten van de Heer der Verzen, bevochtigde bij herhaling met de druppels van zijn tranen die rustplaats en was hij, vanwege een van de liefde verstikte stem, voor een lange tijd niet in staat ook maar een enkele letter van het alfabet uit te spreken om Hem zijn gebeden te brengen.
Citraketu's tranen van liefde en genegenheid maakte de plek waar de lotusvoeten van de Allerhoogste Heer rustten steeds vochtiger. Omdat zijn stem verstikt was door extase was het voor hem een aanzienlijke tijd onmogelijk om zelfs maar één letter van het alfabet te uiten en passende gebeden tot de Heer te richten. (Vedabase)
Daarop zijn spraakvermogen herwinnend door het met intelligentie beheersen van zijn geest, richtte deze ene koning zich tot de verpersoonlijking van de toegewijde dienst en de geschriften, tot de leraar van een ieder die de naar de uiterlijke wereld afdwalende zinnen reguleert.
Nadat hij met behulp van zijn intelligentie zijn geest meester was geworden en alle uitwendige functies van zijn zinnen had stilgelegd, vond hij de passende woorden om zijn gevoelens te uiten. Zo begon hij gebeden te richten tot de Heer, die de verpersoonlijking van de heilige geschriften is [de sâtvata-samhitâ's zoals de Brahmâ-samhitâ en de Nârada-pañcarâtra ] en de geestelijk leraar van iedereen. Hij bad als volgt. (Vedabase)
Citraketu zei: 'O Onoverwinnelijke gewonnen door mensen van heugenis; aan die toegewijden die U met hun overgegeven zielen voor U innam en die altijd Uw heerlijkheden bezingen met geesten vrij van verlangens, geeft U Uzelf in ultiem mededogen.
Citraketu zei: O onoverwinnelijke Heer, hoewel niemand U kan veroveren, laat U Zich zonder meer winnen door toegewijden die meester zijn over hun geest en zinnen. Zij kunnen U veroveren omdat U toegewijden die niets materieels van U verlangen Uw grondeloze genade schenkt. Ja, U geeft ze Uzelf, en daardoor hebt U ook volledige controle over Uw toegewijden. (Vedabase)
In relatie tot Uw vormen van weelde die waarlijk, o Allerhoogste, van de schepping, de handhaving en de voleinding van deze kosmische manifestatie zijn, wedijveren de scheppers van deze schepping, die deel uitmaken van een deel van U, in dezen vergeefs met elkaar, bewogen als ze zijn door valse begrippen van gescheidenheid.
O mijn Heer, deze kosmische openbaring en de schepping, instandhouding en vernietiging daarvan is niets anders dan een manifestatie van Uw machtige vermogen. Omdat Heer Brahmâ en de andere scheppers niet meer dan kleine deeltjes van een deel van U zijn, maakt hun beperkte vermogen om te scheppen hen nog niet tot God [îs'vara]. Het idee dat ze van zichzelf hebben als onafhankelijke scheppers berust daarom louter op valse trots. Het is totaal onjuist. (Vedabase)
Van het kleinste atoom tot het grootste van de manifestatie hebt U Uw bestaan in het begin, aan het einde en daar tussenin; niettemin bent U er permanent buiten deze drie zonder zelf een begin en een einde te hebben en zonder zelf te zijn wat ertussen allemaal bestaat.
U bestaat in het begin, in het midden en aan het eind van alles, en vanaf het nietigste deeltje van de kosmische schepping - het atoom - tot en met de gigantische universa en de totale materiële energie. Desalniettemin bent U eeuwig, want U hebt geen begin, eind of midden. Uw aanwezigheid is in elke van deze drie fasen waarneembaar; daarom bent U blijvend. Zelfs wanneer de kosmische openbaring niet meer bestaat, bent U er nog steeds als het oorspronkelijke vermogen. (Vedabase)
Deze materiële wereld, dit eivormige universum bestaande uit de zeven lagen waarvan een ieder het tienvoudige bedraagt van de voorgaande laag [zie 3.26: 52], zinkt in het niet bij de miljoenen van dergelijke universa in de kosmos, en om deze reden bent U onbegrensd.
Elk universum wordt bedekt door zeven lagen - aarde, water, vuur, lucht, ether, de totale energie en vals ego - die elk steeds tien keer groter zijn dan de vorige. Buiten dit ene universum zijn er nog ontelbare andere, en hoewel ze oneindig groot zijn, bewegen ze als atomen in U rond. Daarom wordt U onbegrensd [ananta] genoemd. (Vedabase)
Begeertig te genieten als de dieren aanbidt de mens enkel gedeelten [halfgoden] maar niet het Allerhoogste van U, o Beheerser; de zegeningen van hen zijn afgelopen als ze hun einde vinden, precies zoals dat is met politici [B.G. 7.20-23 S.B. 2.3: 10].
O Heer, o Allerhoogste, onintelligente mensen die naar zinsbevrediging dorsten en allerlei halfgoden vereren, zijn niet meer dan dieren in menselijke gedaante. Door hun dierlijke neigingen zijn ze niet in staat om U te vereren, maar aanbidden in plaats daarvan de onbeduidende halfgoden, die slechts nietige vonkjes van Uw heerlijkheid zijn. Bij de vernietiging van het universum verdwijnen met de halfgoden ook alle zegeningen die men van hen ontvangen heeft, net zoals de adel verdwijnt wanneer de koning niet meer aan de macht is. (Vedabase)
Zij die bevrediging verlangen floreren, net als geroosterd zaad, niet in U o Allerhoogste; maar in het volle van Uw spirituele kennis is een persoon onberoerd door het netwerk van de geaardheden en de dualiteit van hun materiële kwaliteiten [vergelijk: B.G. 4: 9].
O Allerhoogste Heer, als mensen die bezeten zijn door materiële verlangens naar zinsbevrediging en rijkdom U, de bron van alle kennis, die transcendentaal bent aan alle materiële geaardheden, aanbidden, hoeven ze niet wedergeboren te worden in de materiële wereld, net zoals er uit steriel gemaakte of gebakken zaden geen planten meer komen. Levende wezens zijn onderworpen aan de herhaling van geboorte en dood omdat ze geconditioneerd zijn door de materiële natuur, maar aangezien U transcendentaal bent, laten de wetten der materiële natuur iemand die geneigd is om transcendentaal met U om te gaan ongemoeid. (Vedabase)
Ze werden door U o Heer, o Onoverwinnelijke, overwonnen toen U zich tot hen richtte omtrent het dharma van U toegewijd zijn. De foutlozen die niet hunkeren naar materieel geluk, zij die grote wijzen zijn van binnen gelukkig, zijn degenen van aanbidding op het pad der bevrijding [zie ook 1.2: 6].
O onoverwinnelijke, wat een zege was het toen U over bhâgavata-dharma sprak, het vlekkeloze pad der religie dat naar de bescherming van Uw lotusvoeten leidt! Personen zonder materiële verlangens zoals de Kumâra's, die zelfgerealiseerde wijzen zijn, vereren U om vrij te worden van alle materiële smetten. Met andere woorden, ze volgen het pad van bhâgavata-dharma om op die manier toevlucht bij Uw lotusvoeten te vinden. (Vedabase)
Niet gelijk schiet men tekort qua bewustzijn en heeft men onder de mensen aldus het 'ik' en 'mijn' en het 'mij' en 'jou'; in benaderingen anders dan de Uwe is men als gevolg van de visie der ongelijkwaardigheid in zijn manier van doen inderdaad onzuiver, tijdgebonden en vol van onrecht [vergelijk B.G. 18: 66].
Alle vormen van religie, met uitzondering van bhâgavata-dharma, zijn vol tegenspraak, werken met concepten gebaseerd op materieel voordeel en maken ten onrechte onderscheid tussen "ik en jij" en "mijn en dijn". De volgelingen van het S'rîmad-Bhâgavatam hebben zo'n bewustzijn niet. Ze zijn allemaal Krishna-bewust en denken dat zij van Krishna zijn en Krishna van hen. Er bestaan andere religies van laag niveau die men kan aanhangen als men zijn vijanden wil doden of mystieke krachten wil krijgen, maar zulke religies zitten vol hartstocht en afgunst en zijn daarom onzuiver en tijdelijk. Door de vele afgunst die erin zit, treft men er talloze irreligieuze principes in aan. (Vedabase)
In welk opzicht doet het iemand zelf en anderen goed, of wat zou ermee gediend zijn, als men met een [op zich] rechtschapen procedure jaloers is op anderen en op het Allerhoogste? Een dergelijke praktijk van menselijk zelfverraad roept Uw wrake op en bezorgt anderen pijn, en goddeloos is het ook [zie B.G. 16: 17 en S.B. 1.2: 8].
Hoe kan een religie waardoor men afgunstig wordt op zichzelf en anderen, van enig nut zijn? Wat heeft men eraan om zo'n religie te volgen? Wat levert het feitelijk op? Als men door dergelijke afgunst bij zichzelf en anderen pijn veroorzaakt, wekt men Uw woede op en is men juist irreligieus bezig. (Vedabase)
Van Uw zienswijze in relatie tot het dharma dat Uw aanwijzingen en handelingen omvat zegt men dat die onfeilbaar is; in navolging daarvan geen onderscheid makend tussen de niet-bewegende en bewegende levende wezens is men zeker van het beschaafde [de Âryan of Ariër].
O Heer, onze plicht wordt in het S'rîmad-Bhâgavatam en de Bhagavad-gîtâ beschreven volgens Uw visie, die nooit afwijkt van het hoogste levensdoel. Mensen die hun plicht doen onder Uw toezicht, die alle levende wezens, bewegende en niet-bewegende, gelijkstellen en geen onderscheid maken tussen hoog en laag, worden Âryan's genoemd. Zulke Âryan's vereren U, de Allerhoogste Godspersoon. (Vedabase)
Is het niet, o mijn Heer, zo geworden dat door de aanblik van U al de zonden van al de mensenkinderen zijn vernietigd en dat door het horen van Uw naam terstond zelfs de laagsten der mensen bevrijding vinden uit de verstriktheid van het materiële bestaan?
Het is niet onmogelijk, Heer, dat iemand die U ziet onmiddellijk bevrijd wordt van alle materiële besmetting. En om maar te zwijgen over U persoonlijk zien - louter door het horen van Uw heilige naam, o Heer, al was het maar één keer, zijn zelfs candâla's, mensen van de laagste klasse, bevrijd geraakt van alle materiële besmetting. Waarom zou iemand dan niet vrij worden van alle materiële besmetting door U alleen maar te zien? (Vedabase)
Aldus o Allerhoogste Heer, zijn op het ogenblik U met eigen ogen aanschouwend de smetten weggewassen, hoe zou het ook anders kunnen met wat werd verklaard door de grote rishi der verlichting [Nârada], Uw toegewijde?
Daarom, mijn Heer, zijn louter door U te zien alle besmetting van mijn zondige activiteiten en het resultaat daarvan in de vorm van materiële gehechtheid en wellustige verlangens, waarvan ik in het diepst van mijn hart en mijn geest altijd vervuld was, weggewist. Alles wat de grote wijze Nârada Muni voorspelt, komt uit. Met andere woorden, het is het resultaat van mijn training door Nârada Muni dat ik U nu mag aanschouwen. (Vedabase)
U bent, o Onbegrensde, als de superziel van de wereld, bekend met alles wat door allen gedaan wordt die hier leven. Wat valt er in te zien bij het licht van vuurvliegjes als men een zon heeft gelijk U als de leraar der transcendentie?
O grenzeloze Allerhoogste Godspersoon, wat een levend wezen in deze materiële wereld ook doet, het is U terdege bekend, want U bent de Superziel. Als de zon schijnt, heeft het schijnsel van een glimworm geen enkel effect. Zo is er in Uw aanwezigheid ook niets dat ik U nog moet laten weten, want U weet alles al. (Vedabase)
Alle eer aan U, o Heer van het bestaan, het eindigen en het scheppen van het universum; Uw positie gaat het begrip te boven van hen die in materieel opzicht verenigd zijn middels valse begrippen van het hebben van een afzonderlijk bestaan in relatie tot het zuivere der bovenzinnelijkheid.
O mijn Heer, U bent de schepper, instandhouder en vernietiger van deze kosmische openbaring, maar mensen die te materialistisch zijn en altijd alles los van elkaar zien, hebben geen ogen waarmee ze U kunnen aanschouwen. Ze kunnen Uw werkelijke positie niet begrijpen, en daarom komen ze tot de conclusie dat de kosmische openbaring onafhankelijk van U is. O Heer, U bent de allerhoogste zuiverheid en U bent vervuld van alle zes volheden. Daarom bied ik U nederig mijn eerbetuigingen aan. (Vedabase)
Het is in navolging van Uw ondernemen dat inderdaad zij die de schepping bestieren eveneens ondernemen; het is naar Uw waarnemen dat al de zintuigen die kennis nemen waarnemen; het is het door U op Uw kraag blijven dragen van het gigantische universum dat het gelijk een mosterdzaadje wordt; moge er voor U al het respect zijn dat er maar mogelijk is, U de Allerhoogste Heer met de Duizenden Kragen.'
O mijn Heer, het is pas na Uw interventie dat Heer Brahmâ, Indra en de andere bestuurders van de kosmische openbaring hun activiteiten beginnen te ontplooien, en het is pas nadat U een blik geworpen hebt over de materiële energie, mijn Heer, dat de zinnen beginnen te werken. De Allerhoogste Godspersoon houdt alle universa op Zijn hoofden als mosterdzaadjes. Ik betuig U nederig eer, die Allerhoogste Persoonlijkheid, die duizenden hoofden heeft. (Vedabase)
S'rî S'ukadeva zei: 'O beste der Kuru's, de Allerhoogste Heer Ananta Deva, op deze manier aanbeden gaf hem, Citraketu, toen antwoord, zeer verheugd als Hij was over de koning der Vidyâdhara's.
S'ukadeva Gosvâmî vervolgde: O Mahârâja Parîkshit, beste van de Kuru-dynastie, de Heer, de Allerhoogste Godspersoon, Anantadeva, was zeer tevreden over de gebeden van Citraketu, de koning van de Vidyâdhara's, en antwoordde hem als volgt. (Vedabase)
De Opperheer zei: 'Door het rechtstreeks aanschouwen van Mij en door het eerbetoon met het gebed waar Nârada en Angirâ u van op de hoogte stelden, hebt u nu de volmaaktheid gevonden, o Koning.
De Allerhoogste Godspersoon, Anantadeva, antwoordde als volgt: O koning, als gevolg van het feit dat u de informatie die de grote wijzen Nârada en Angirâ over Mij hebben gegeven ter harte hebt genomen, bent u nu volledig op de hoogte van de transcendentale kennis. Omdat u nu volleerd bent in de geestelijke wetenschap, hebt u Me rechtstreeks aanschouwd. Daarom bent u nu volkomen volmaakt. (Vedabase)
Ik als de Superziel van allen, als de oorzaak der manifestatie, heb Me inderdaad uitgebreid in verschillende gedaanten en besta in de beide vormen van de spirituele klankvibraties en het Allerhoogste Brahman [vergelijk B.G. 7: 4-5].
Alle levende wezens, bewegende en niet-bewegende, zijn Mijn expansies en staan tegelijkertijd los van Mij. Ik ben de Superziel van alle levende wezens, en zij bestaan omdat Ik ze openbaar. Ik ben de vorm van transcendentale geluidstrillingen als omkâra en Hare Krishna Hare Râma, en Ik ben de Allerhoogste Absolute Waarheid. Deze twee manifestaties van Mij - namelijk het transcendentale geluid en de eeuwig gelukzalige transcendentale gedaante van de arcâ-vigraha - zijn Mijn eeuwige gedaantes; ze zijn niet materieel. (Vedabase)
Het levende wezen breidde zich uit in de wereld en ook breidde de wereld zich uit in het levende wezen ; evenzo zijn beiden, als vormen van de schepping, van Mij doordrongen als ook in Mij aanwezig.
In deze wereld van materie, die de geconditioneerde ziel als een oord van genot beschouwt, breidt de geconditioneerde ziel zijn veld van activiteiten uit, denkend dat de materiële wereld bedoeld is voor zijn plezier. Op dezelfde manier wordt ook de materiële wereld als bron van genot binnenin het levend wezen steeds groter. Op deze manier groeien ze beide, maar omdat ze Mijn energieën zijn, zijn ze allebei van Mij doordrongen. Als Allerhoogste Heer ben Ik de oorzaak van dit gebeuren, en men moet weten dat beide werelden in Mij rusten. (Vedabase)
Zoals een persoon die in slaap dromend de hele wereld ziet binnen in zichzelf maar bij zijn ontwaken zichzelf ergens neer ziet liggen, zijn dienovereenkomstig de levende wezens hun verschillende staten van bewustzijn en levensomstandigheden uitingen van het illusieverwekkend vermogen van het Zelf, waarmee bekend men zich altijd hun Allerhoogste Schepper en Getuige moet herinneren [zie ook bhajan Radha Krishna Bol Bol].
Wanneer iemand diep slaapt, droomt hij en ziet hij in zichzelf een heleboel dingen zoals grote bergen en rivieren of misschien zelfs het hele universum, hoewel dat allemaal heel ver weg is. Als men dan uit zijn droom ontwaakt, ziet men dat men een menselijk lichaam heeft en gewoon op bed ligt. Men beschouwt zichzelf dan naargelang de situatie als behorend tot een bepaald land, een bepaalde familie enzovoort. Deze toestanden van diepe slaap, dromen en waken zijn slechts energieën van de Allerhoogste Godspersoon. Men moet zich altijd de Allerhoogste Heer herinneren, die de oorspronkelijke schepper van al deze toestanden is, en er Zelf nooit door geraakt wordt. (Vedabase)
Ken Mij enkel als Hem, Hij die alles doordringt, de Allerhoogste Geest los van de materiële staat van wie een persoon die slaapt in staat is onderscheid te maken tussen wat van de droom is en wat zijn geluk zou zijn.
Weet dat Ik het Allerhoogste Brahman ben, de alomtegenwoordige Superziel dankzij wie het levend wezen kan begrijpen dat hij in een droomtoestand verkeert en dat zijn geluk voorbij de activiteiten van de materiële zinnen ligt. Dat wil zeggen dat Ik de oorzaak van de activiteiten van het slapende levend wezen ben. (Vedabase)
Als de persoon zich beide staten van bewustzijn herinnert van dromen en slapen kan hij, in het voorbije, de spirituele kennis van het Brahman bereiken die transcendentaal is.
Als de enige getuige van de dromen die men tijdens zijn slaap heeft de Superziel is, hoe kan het levend wezen, dat van de Superziel verschilt, zich dan de gebeurtenissen in zijn dromen herinneren? De een kan de ervaringen van de ander niet begrijpen. De kenner van de feiten, het levend wezen dat deze gebeurtenissen in zijn dromen en waken onderzoekt, is verschillend van hetgeen hij waarneemt. Die kennende factor is Brahman. Met andere woorden, zowel het levend wezen als de Superziel hebben het vermogen om te kennen. Daarom kan het levend wezen ook de activiteiten tijdens dromen en waken ervaren. In beide gevallen blijft de kenner hetzelfde, en is hij kwalitatief één met het Allerhoogste Brahman. (Vedabase)
Het levend wezen vergeetachtig wat betreft deze spirituele aard van Mijn positie, leidt daardoor een materieel geconditioneerd leven in afgescheidenheid van de Superziel, waardoor het doolt van het ene lichaam naar het volgende, van de ene naar de andere dood.
Wanneer een levend wezen denkt dat hij van Mij verschilt en vergeet dat zijn geestelijke identiteit kwalitatief één met Mij is in eeuwigheid, kennis en gelukzaligheid, begint zijn materiële, geconditioneerde leven. Met andere woorden, in plaats van te beseffen dat hij dezelfde belangen heeft als Ik, krijgt hij interesse in zijn lichamelijke verlengstukken zoals zijn vrouw, kinderen en bezit. Zo krijgt hij als gevolg van zijn handelen het ene lichaam na het andere en moet hij keer op keer sterven. (Vedabase)
Met het hier op aarde verwerven van een menselijke geboorte krijgt men door de spirituele kennis en wijsheid de gelegenheid tot zelfrealisatie te komen, maar zij die die kennis niet oppakken zullen er nooit in slagen in het leven.
Een mens - en met name iemand die in India, het land der vroomheid, geboren is - kan volmaaktheid in zijn leven bereiken door zelfrealisatie als hij zich aan de voorschriften van de Veda's houdt en die in de praktijk toepast. Wie ondanks het feit dat hij in zo'n gunstige situatie geboren wordt zijn zelf niet begrijpt, kan nooit de hoogste volmaaktheid bereiken, zelfs niet als hij bevorderd wordt naar de hogere planetenstelsels. (Vedabase)
Van het zich herinneren wat een probleem het is alhier rond te ploeteren en dan het tegendeel te bereiken van wat men beoogde, en ook van het zich herinneren hoe men vrij van angst is inderdaad als men niet meer verlangt naar materiële zaken, behoort men, het beter wetend, er een punt achter te zetten.
Wanneer een intelligent mens zich herinnert welke grote moeilijkheden zijn baatzuchtige activiteiten altijd met zich meebrachten, en hoe hij steeds het tegendeel van het verlangde resultaat verkreeg - of het nu om materiële activiteiten ging of om de baatzuchtige activiteiten die aanbevolen worden in de Veda's - dan moet hij zijn verlangen naar baatzuchtige activiteiten opgeven, want alle moeite die hij in die richting doet zal hem niet helpen om het allerhoogste doel in het leven te bereiken. Als men daarentegen handelt zonder enig verlangen naar baatzuchtig resultaat - met andere woorden, als men zich met toegewijde activiteiten bezighoudt - kan men het hoogste doel in het leven bereiken en bevrijd worden van alle ellende. Met dit in gedachten moet men zijn materiële verlangens opgeven. (Vedabase)
Terwille van hun geluk en om vrij te zijn van ellende leggen man en vrouw activiteiten aan de dag welke op zichzelf niet volstaan om er een eind aan te maken, omdat die handelingen de bron vormen van zowel geluk als verdriet.
Als een man en een vrouw trouwen, maken ze plannen om gelukkig te worden en alle mogelijke ellende te verminderen, en werken op allerlei manieren samen voor dit doel, maar omdat hun activiteiten doortrokken zijn van verlangens, zijn ze nooit een bron van geluk, en maken ze ook hun lijden niet minder. Integendeel, dergelijke activiteiten zijn de oorzaak van groot verdriet. (Vedabase)
Mensen die zichzelf heel slim vinden maar op deze manier met het tegenovergestelde opgezadeld raken, vinden het buitengewoon moeilijk te begrijpen wat het betekent om van de vooruitgang te zijn met de ziel en los te staan van de drie staten [van bewusteloosheid, slapen en waken]. Het persoonlijk ervaren hebbend of het hebben begrepen door erover te vernemen, moet een persoon die zich door zijn eigen oordeelsvermogen in de spirituele kennis en wijsheid bevrijdde van zijn materialisme, met de gevonden volle bevrediging, Mijn toegewijde worden.
Men moet goed begrijpen dat de activiteiten van mensen die trots op hun materiële ervaring zijn alleen maar resultaten opleveren die het tegenovergestelde zijn van wat zulke mensen zich er wakend, sluimerend en in diepe slaap van voorgesteld hadden. Bovendien moet men begrijpen dat de geestelijke ziel, die voor een materialist misschien heel moeilijk waar te nemen is, boven dit alles staat. Vervolgens moet men met behulp van zijn onderscheidingsvermogen het verlangen naar baatzuchtige activiteiten in dit leven en het volgende opgeven. En als men deze transcendentale kennis allemaal heeft, moet men Mijn toegewijde worden. (Vedabase)
Dit is wat over het geheel genomen de capabele en intelligente mens zich dient te realiseren wat betreft het begrijpen van de eenheid, de transcendentie en de ziel van de yoga als het uiteindelijke doel.
Mensen die het hoogste levensdoel proberen te bereiken, moeten volmaakt begrijpen dat de Allerhoogste Absolute Persoon en het levend wezen in hun relatie van volkomen geheel en klein deeltje kwalitatief één zijn. Dat is de allerhoogste kennis van het leven. Er bestaat geen hogere waarheid dan deze. (Vedabase)
Als u met geloof, zonder in andere conclusies te vervallen, deze woorden van Mij aanneemt, o Koning, zal u in het volle van de spirituele kennis en de wijsheid spoedig uw vervolmaking vinden.'
O koning, als u deze conclusie van Mij aanvaardt, onthecht bent van materieel genot, diep geloof in Mij hebt en u volledig bewust wordt van deze kennis en u zich bekwaamt in het toepassen ervan in het dagelijks leven, zult u de hoogste perfectie bereiken en tot Mij komen. (Vedabase)
S'rî S'uka zei: 'Nadat de Allerhoogste Heer, de Leraar van het Universum, aldus Citraketu een hart onder de riem had gestoken, verdween Hij, Heer Hari, de Ziel van Allen, uit het gezicht.'
S'rî S'ukadeva Gosvâmî vervolgde: Na Citraketu deze instructies gegeven te hebben en hem ervan verzekerd te hebben dat hij op deze wijze volmaaktheid kon bereiken, verdween de Allerhoogste Godspersoon, de allerhoogste geestelijk leraar en de allerhoogste ziel, Sankarshana, van die plek terwijl Citraketu toekeek. (Vedabase)
Voor
deze oorspronkelijke vertaling is een alles-in-een band exemplaar
met uitgebreid commentaar gebruikt.
ISBN: o-91277-27-7
Zie de
S'rîmad Bhâgavatam
linkspagina
voor een download van dit boek en andere boeken van
Prabhupâda.
Het tweede schilderij op deze pagina is van Pariksit
dasa.
Productie: de