
Canto
6
Hoofdstuk 17: Moeder Pârvatî Vervloekt Citraketu
(1) S'rî S'uka zei: 'Na het brengen van zijn eerbetuigingen in de richting waarin Heer Ananta was verdwenen begon Citraketu, de Koning der Vidyâdhara's te reizen, over de gehele wereld rondtrekkend. (2-3) Zonder enig obstakel op zijn weg bezocht hij honderdduizenden mensen in duizenden plaatsen en werd hij in zijn kracht en zinsbeheersing door de wijzen, de volmaakten en de monniken geprezen als een grote yogi. Zijn hart ophalend temidden van de hoogten van Kulâcalendra [de berg Meru] alwaar men zich beoefent in de perfectie, schiep hij er genoegen in om met de vrouwen van de Vidyâdhara's de lof in het leven te roepen van Heer Hari, de Beheerser.(4-5) Toen hij eens rondtrok in zijn schitterend glanzende, hemelse voertuig dat hij van Heer Vishnu gekregen had, trof hij Heer S'iva temidden van al de heiligen. Omringd door de volmaakten en de zangers van de hemel, had hij zijn arm geslagen om de godin die bij hem op schoot zat. Citraketu moest er hard om lachen en sprak toen aldaar in de aanwezigheid van de moeder zodat ze het duidelijk kon horen. (6) Citraketu zei: 'Deze geestelijk leraar van heel de wereld, die voor al de belichaamden de rechtstreekse vertegenwoordiger is van het dharma, zit zowaar midden in een bijeenkomst zijn vrouw te omhelzen! (7) Met zijn haar samengeklit, verheven, van de boete, strikt in het spirituele en de vergadering voorzittend, omarmt hij een dame, er onbeschaamd bijzittend als de eerste de beste materieel gemotiveerde persoon. (8) Normaal gesproken omhelzen zelfs de geconditioneerde zielen hun vrouwen in het privé... en deze ene meester der geloften en verzaking geniet van zijn vrouw in een bijeenkomst!'
(9) S'rî S'uka zei: 'Toen de grote Heer der onpeilbare intelligentie dat hoorde o Koning, glimlachte hij enkel en hield hij zich stil, en zo deed iedereen dat in navolging. (10) Toen hij, zich niet bewust van de macht, zich tegen alle etiquette in zo uitliet, sprak de godin vertoornd tot de overmoedige die dacht dat hij zichzelf zo goed beheerste. (11) S'rî Pârvatî zei: 'En nu zou hij hier opeens de Allerhoogste Beheerser zijn, hij die de straf uitdeelt en die de meester der ingetogenheid is voor mensen als wij, die de criminelen en de schaamtelozen zijn? (12) Het is zeker zo dat hij die op de lotus zit geen flauw benul heeft van het dharma. En ook hebben Brahmâ's zonen, Bhrigu of Nârada, noch zeker ook de vier Kumâra's, Heer Kapila en Manu zelf er geen idee van, anders zouden ze onze S'iva er wel van weerhouden hebben de regels te breken! (13) Hij hier is de laagste der kshatriya's. Hij die door hem, met het overtreffen van de goden, zo respectloos werd terechtgewezen, is de ene die met zijn lotusvoeten de leraar van de hele wereld is en de goedgunstige der goedgunstigheid zelve om op te mediteren. Om die reden verdient deze man het te worden bestraft. (14) Deze onbeschofte, hooghartige kerel verdient het niet om de toevlucht der lotusvoeten van Vaikunthha, die door al de heiligen wordt aanbeden, te mogen benaderen [vergelijk: de S'ikshâshthaka]. (15) Daarom, o grootste onder de zondaars, ga heen en neem geboorte onder de demonen, o dwaas, zodat deze wereld weer de groten toebehoort en jij, mijn zoon, niet nog langer van enige overtreding zal zijn.'(16) S'rî S'uka zei: 'Aldus vervloekt kwam Citraketu van zijn hemelse wagen naar beneden om zich, met een diepe buiging van zijn hoofd voor Pârvatî, van zijn beste kant te laten zien, o zoon van Bharata. (17) Citraketu zei: 'Met mijn handen voor u gevouwen o Moeder, aanvaard ik uw vloek; dat wat de goden een sterveling opleggen wordt wordt geheel bepaald door zijn daden in het verleden. (18) In de vicieuze cirkel van dit materiële bestaan is het levend wezen verbijsterd in zijn onwetendheid en doolt hij overal rond, steeds maar geluk en ongeluk ervarend. (19) Een persoon zich niet bewust beschouwt zichzelf, en voorzeker ook anderen, in dezen als degene die handelt, maar noch kan werkelijk de individuele ziel, noch iemand anders, degene zijn die het geluk en het leed afroept. (20) Wat is, in deze maalstroom van de geaardheden der natuur, nu eigenlijk een vloek of een gunst, wat is nu een promotie naar de hemel of een neergang in de hel of wat zou geluk of leed daarin zijn? (21) Hij is de ene Allerhoogste Heer, die middels Zijn vermogens het geconditioneerde bestaan van al de wezens schept als ook het leven der bevrijding; het geluk en het leed enerzijds en de positie boven de tijd verheven anderzijds. (22) Voor Hem is niemand dierbaar of niet dierbaar, een familielid of een vriend, en ook hoort men niet bij anderen of bij Hem; Hij is gelijkgezind, alomtegenwoordig, onberoerd door de wereld en onthecht in dat geluk waarover men, in de gehechte staat, zich kwaad maakt. (23) Niettemin is er vanwege Zijn krachten met de belichaamden de schepping van het bij herhaling voorbestemd zijn voor geluk en leed, winst en verlies, gebondenheid en bevrijding en dood en geboorte. (24) Om die reden smeek ik u niet om van uw vloek bevrijd te raken o vertoornde. Ik wil alleen maar dat u mijn excuses aanvaardt voor alles wat in uw ogen, o kuise, voor mij iets verkeerds is geweest om te zeggen.'
(25) S'rî S'uka zei: 'Na aldus de verheven persoonlijkheden zijn respect getoond te hebben, o standvastige overwinnaar der vijanden, ging Citraketu in zijn eigen hemelvoertuig weg terwijl de twee hem gadegesloegen en toelachten. (26) Daarna zei toen de grote Heer tot zijn vrouw het volgende terwijl Nârada, de Daitya's, de Siddha's en zijn persoonlijke metgezellen allen luisterden. (27) S'rî Rudra zei: 'Heb je gezien, o schone, hoe grootmoedig de dienaren der dienaren zijn, de grote zielen die met het sensuele van verzaking in hun relatie met de Allerhoogste Persoonlijkheid wiens werken zo wonderbaarlijk zijn? (28) De zuivere zielen van Nârâyana zijn allen in geen enkele omstandigheid bevreesd, of het nu de hemel betreft, de bevrijding of het in de hel verkeren; in hun ogen maakt het niet uit waar men zich bevindt. (29) De belichaamden zijn, vanwege hun contact met het fysieke, met de Heer Zijn spel en vermaak zonder twijfel van de dualiteit van het geluk en het ongeluk, van de dood en van het geboren worden en van de vloek en de gunst. (30) Als men zonder de zaken op de juiste manier van elkaar te onderscheiden een verschil maakt, vindt men navenant binnenin de persoon zelf de kwaliteiten en de fouten die men maakt als gevolg van het zich iets verbeelden met het verschil van, bijvoorbeeld, er zeker van te zijn of men wel of niet een bloemenslinger heeft verdiend. (31) Mensen die in hun harten liefde en geloof koesteren jegens de Allerhoogste Heer Vâsudeva zijn van ware kennis en onthechting, zij zoeken hun heil niet in deze of gene materiële zegening [zie ook 1.2: 7]. (32) Noch ik, noch Heer Brahmâ, noch de As'vinî-kumâra's, noch Nârada, de zonen van Brahmâ, de heiligen noch al de grote halfgoden kennen de ware aard van Hem van wie wij, die onszelf zo graag zien als onafhankelijke heersers, allen maar gedeelten van delen zijn. (33) Inderdaad geniet niemand Zijn bijzondere voorkeur of afkeer noch behoort zelfs ook maar iemand Hem toe of aan iemand anders; als de Ziel van de ziel van alle wezens is de Heer de meest geliefde voor alle levende wezens. (34-35) Deze zo allerfortuinlijkste koning Citraketu is een alom geliefde, gehoorzame dienaar van Hem. Hij is een vreedzaam en gelijkgezind iemand die, net als ik, de liefde van de Onfeilbare is. Weest derhalve niet verbaasd over de manier van doen van die personen die de grote zielen en persoonlijkheden van de toewijding zijn vol van vrede en gelijkheid jegens allen.'
(36) S'rî S'uka zei: 'Aldus vernemend wat de grote heer S'iva haar te zeggen had vond Pârvatî haar gemoedsrust weer terug o Koning en raakte de godin verlost van haar ontsteltenis. (37) Toen hij, die als een grote toegewijde die in ieder opzicht in staat was een tegenvloek tegen de godin te formuleren, de veroordeling over zijn hoofd uitgestort aanvaardde, kenmerkte hem dat als een ware toegewijde. (38) Geboren uit de brahmaan genaamd Tvashthâ schakelde hij bij het Dakshina vuuroffer over op de afdeling van de demonische levensvormen, en werd hij aldus met al zijn kennis en wijsheid gevierd als Vritrâsura [zie 6.9 en vergelijk met 1.5: 19]. (39) Dit is alles [mijn beste Parîkchit] wat ik u uit had te leggen op wat u me vroeg over Vritrâsura, degene van een verheven intelligentie die werd geboren in de duisternis. (40) Deze geschiedenis van de vrome Citraketu die zo'n grote ziel was, omvat alle heerlijkheid, en hij die het van de toegewijden van Vishnu te horen krijgt, raakt bevrijd van de gebondenheid. (41) Een ieder die met de Heer steeds in gedachten vroeg opstaat in de ochtend en met geloof zijn woorden beheersend dit verhaal opleest, zal de hoogste bestemming bereiken.'
Tweede editie, geladen 28 mei 2007.
![]()
Bronteksten:
Moeder Pârvatî vervloekt Citraketu
S'rî S'uka zei: 'Na het brengen van zijn eerbetuigingen in de richting waarin Heer Ananta was verdwenen begon Citraketu, de Koning der Vidyâdhara's te reizen, over de gehele wereld rondtrekkend.S'rîla S'ukadeva Gosvâmî zei: Nadat Citraketu zijn eerbetuigingen had gebracht in de richting waarin Ananta, de Allerhoogste Godspersoon, verdwenen was, begon hij als leider van de Vidyâdhara's aan een reis door de ruimte. (Vedabase)
Zonder enig obstakel op zijn weg bezocht hij honderdduizenden mensen in duizenden plaatsen en werd hij in zijn kracht en zinsbeheersing door de wijzen, de volmaakten en de monniken geprezen als een grote yogi. Zijn hart ophalend temidden van de hoogten van Kulâcalendra [de berg Meru] alwaar men zich beoefent in de perfectie, schiep hij er genoegen in om met de vrouwen van de Vidyâdhara's de lof in het leven te roepen van Heer Hari, de Beheerser.
Onder de lofuitingen van grote wijzen en heiligen en de bewoners van Siddhaloka en Câranaloka trok Citraketu, de zeer machtige mystieke yogi, miljoenen jaren rond en genoot van het leven zonder dat zijn lichaam en zintuigen onderhevig waren aan verval. Zo reisde hij rond in de valleien van de berg Sumeru, waar men perfectie kan bereiken in allerlei vormen van mystieke kracht. In die valleien genoot hij van het leven door samen met de vrouwen van Vidyâdhara-loka de heerlijkheid van de Allerhoogste Heer Hari te bezingen. (Vedabase)
Toen hij eens rondtrok in zijn schitterend glanzende, hemelse voertuig dat hij van Heer Vishnu gekregen had, trof hij Heer S'iva temidden van al de heiligen. Omringd door de volmaakten en de zangers van de hemel, had hij zijn arm geslagen om de godin die bij hem op schoot zat. Citraketu moest er hard om lachen en sprak toen aldaar in de aanwezigheid van de moeder zodat ze het duidelijk kon horen.
Toen koning Citraketu op een keer in zijn prachtig stralende vliegtuig dat hij van Heer Vishnu gekregen had door de ruimte reisde, zag hij Heer S'iva, omringd door Siddha's en Cârana's. Heer S'iva zat temidden van een groep grote heiligen met Pârvatî op zijn schoot en zijn arm om haar heen. Citraketu begon toen hard te lachen en sprak zo luid dat Pârvatî hem kon horen. (Vedabase)
Citraketu zei: 'Deze geestelijk leraar van heel de wereld, die voor al de belichaamden de rechtstreekse vertegenwoordiger is van het dharma, zit zowaar midden in een bijeenkomst zijn vrouw te omhelzen!
Citraketu zei: Heer S'iva, de geestelijk leraar van alle mensen, is van alle levende wezens die een materieel lichaam hebben de beste. Hij is het die het pad van religie verkondigt. Hoe verwonderlijk is het daarom dat hij midden in een gezelschap van grote heiligen zijn vrouw Pârvatî omhelst. (Vedabase)
Met zijn haar samengeklit, verheven, van de boete, strikt in het spirituele en de vergadering voorzittend, omarmt hij een dame, er onbeschaamd bijzittend als de eerste de beste materieel gemotiveerde persoon.
Heer S'iva, wiens haar in samengeklitte strengen op zijn hoofd ligt, heeft zonder meer zware ascese en boetedoeningen ondergaan. Hij is zelfs de voorzitter op de bijeenkomst van personen die strikt de vedische principes naleven. Maar toch zit hij midden tussen de heiligen met zijn vrouw op zijn schoot en omhelst haar alsof hij een gewoon, schaamteloos mens was. (Vedabase)
Normaal gesproken omhelzen zelfs de geconditioneerde zielen hun vrouwen in het privé... en deze ene meester der geloften en verzaking geniet van zijn vrouw in een bijeenkomst!'
Gewone geconditioneerde zielen omhelzen hun vrouw meestal op een stille plek en genieten zo van haar gezelschap. Hoe verbazingwekkend is het daarom dat Heer Mahâdeva, die toch een grote meester is op het gebied van ascese, openlijk zijn vrouw temidden van een gezelschap van grote heiligen omhelst. (Vedabase)
S'rî S'uka zei: 'Toen de grote Heer der onpeilbare intelligentie dat hoorde o Koning, glimlachte hij enkel en hield hij zich stil, en zo deed iedereen dat in navolging.
S'rîla S'ukadeva Gosvâmî vervolgde: Beste koning, Heer S'iva, die zeer machtige persoonlijkheid wiens kennis onpeilbaar is, glimlachte alleen maar na het horen van Citraketu's woorden en bleef zwijgen, en alle aanwezigen op de bijeenkomst volgden zijn voorbeeld en zeiden niets. (Vedabase)Toen hij, zich niet bewust van de macht, zich tegen alle etiquette in zo uitliet, sprak de godin vertoornd tot de overmoedige die dacht dat hij zichzelf zo goed beheerste.
Citraketu, die niet wist op wat voor verheven niveau Heer S'iva en Pârvatî stonden, leverde scherpe kritiek op hen. Zijn woorden waren bepaald niet vleiend en daarom ontstak de godin Pârvatî in grote woede en sprak ze Citraketu, die dacht dat hij wat het beheersen van zijn zinnen betreft beter was dan Heer S'iva, als volgt toe. (Vedabase)
S'rî Pârvatî zei: 'En nu zou hij hier opeens de Allerhoogste Beheerser zijn, hij die de straf uitdeelt en die de meester der ingetogenheid is voor mensen als wij, die de criminelen en de schaamtelozen zijn?
De godin Pârvatî zei: Helaas, heeft deze omhooggevallen figuur nu soms een positie gekregen waarin hij schaamteloze personen als ons kan bestraffen? Is hij soms tot heerser benoemd, tot drager van de roede der kastijding? Is hij nu de enige meester van alles geworden? (Vedabase)
Het is zeker zo dat hij die op de lotus zit geen flauw benul heeft van het dharma. En ook hebben Brahmâ's zonen, Bhrigu of Nârada, noch zeker ook de vier Kumâra's, Heer Kapila en Manu zelf er geen idee van, anders zouden ze onze S'iva er wel van weerhouden hebben de regels te breken!
Helaas, noch Heer Brahmâ, geboren uit de lotus, noch de grote heiligen met Bhrigu en Nârada aan het hoofd, noch de vier Kumâra's, aangevoerd door Sanat-kumâra, kennen de principes van de religie. Ook Manu en Kapila hebben de religieuze principes vergeten. Ik neem aan dat het daardoor komt dat ze geen poging hebben ondernomen om Heer S'iva van zijn onbehoorlijke gedrag af te brengen. (Vedabase)
Hij hier is de laagste der kshatriya's. Hij die door hem, met het overtreffen van de goden, zo respectloos werd terechtgewezen, is de ene die met zijn lotusvoeten de leraar van de hele wereld is en de goedgunstige der goedgunstigheid zelve om op te mediteren. Om die reden verdient deze man het te worden bestraft.
Deze Citraketu is de laagste der kshatriya's, want door zijn beledigingen aan het adres van Heer S'iva, op wiens lotusvoeten Brahmâ en de andere halfgoden altijd mediteren, heeft hij deze grote zielen schaamteloos terzijde geschoven. Heer S'iva is de verpersoonlijking van religie en de geestelijk leraar van de hele wereld. Daarom moet Citraketu gestraft worden. (Vedabase)
Deze onbeschofte, hooghartige kerel verdient het niet om de toevlucht der lotusvoeten van Vaikunthha, die door al de heiligen wordt aanbeden, te mogen benaderen [vergelijk: de S'ikshâshthaka].
Deze man is verwaand geworden door zijn succes en denkt dat hij de beste is. Hij verdient het niet om de beschermende lotusvoeten van Heer Vishnu te benaderen, die door alle heiligen vereerd worden, want hij is onbeschaamd en denkt dat hij uiterst belangrijk is. (Vedabase)
Daarom, o grootste onder de zondaars, ga heen en neem geboorte onder de demonen, o dwaas, zodat deze wereld weer de groten toebehoort en jij, mijn zoon, niet nog langer van enige overtreding zal zijn.'
Mijn beste zoon, o schaamteloze, word nu geboren in een lage, zondige familie van demonen zodat je nooit meer zo'n overtreding tegen nobele en heilige personen in deze wereld zult maken. (Vedabase)
S'rî S'uka zei: 'Aldus vervloekt kwam Citraketu van zijn hemelse wagen naar beneden om zich, met een diepe buiging van zijn hoofd voor Pârvatî, van zijn beste kant te laten zien, o zoon van Bharata.
S'rî S'ukadeva Gosvâmî vervolgde: Beste koning Parîkshit, toen Citraketu door Pârvatî vervloekt was, stapte hij uit zijn vliegtuig, boog met grote nederigheid voor haar neer en stelde haar zo volkomen tevreden. (Vedabase)
Citraketu zei: 'Met mijn handen voor u gevouwen o Moeder, aanvaard ik uw vloek; dat wat de goden een sterveling opleggen wordt wordt geheel bepaald door zijn daden in het verleden.
Citraketu zei: Lieve moeder, met gevouwen handen aanvaard ik deze vloek die u over mij hebt uitgesproken. Ik maak me geen zorgen over het feit dat ik vervloekt ben, want vreugde en verdriet worden ons door de halfgoden toegekend als resultaat van onze daden in het verleden. (Vedabase)
In de vicieuze cirkel van dit materiële bestaan is het levend wezen verbijsterd in zijn onwetendheid en doolt hij overal rond, steeds maar geluk en ongeluk ervarend.
Misleid door onwetendheid doolt het levend wezen overal en eeuwig rond door het woud van deze materiële wereld en ervaart het geluk en de pijn die het resultaat zijn van zijn daden in het verleden. [Daarom, mijn lieve moeder, kan deze gebeurtenis noch u noch mijzelf aangerekend worden.]. (Vedabase)
Een persoon zich niet bewust beschouwt zichzelf, en voorzeker ook anderen, in dezen als degene die handelt, maar noch kan werkelijk de individuele ziel, noch iemand anders, degene zijn die het geluk en het leed afroept.
In deze materiële wereld zijn noch het levend wezen zelf noch anderen [vrienden of vijanden] de oorzaak van materieel geluk of leed. Maar uit grove onwetendheid denkt het levend wezen dat de oorzaak van zijn geluk en verdriet bij hemzelf ligt, of bij anderen. (Vedabase)
Wat is, in deze maalstroom van de geaardheden der natuur, nu eigenlijk een vloek of een gunst, wat is nu een promotie naar de hemel of een neergang in de hel of wat zou geluk of leed daarin zijn?
Deze materiële wereld is als de golven van een altijd maar voortstromende rivier. Wat is daarom een vloek en wat een gunst? Wat zijn de hemelse planeten en wat de helse? Wat is eigenlijk geluk en wat leed? Omdat de golven voortdurend doorstromen, is er niet één die een eeuwigheid effect heeft. (Vedabase)
Hij is de ene Allerhoogste Heer, die middels Zijn vermogens het geconditioneerde bestaan van al de wezens schept als ook het leven der bevrijding; het geluk en het leed enerzijds en de positie boven de tijd verheven anderzijds.
De Allerhoogste Godspersoon is één. Hij schept alle geconditioneerde zielen door Zijn eigen vermogen, maar Zelf wordt Hij niet geraakt door de omstandigheden van de materiële wereld. Omdat het levend wezen besmet is door de materiële energie, wordt hij in onwetendheid gedompeld en ondergaat als gevolg daarvan verschillende staten van gebondenheid. Door kennis bereikt het levend wezen soms bevrijding. In sattva-guna en rajo-guna is hij onderworpen aan geluk en leed. (Vedabase)
Voor Hem is niemand dierbaar of niet dierbaar, een familielid of een vriend, en ook hoort men niet bij anderen of bij Hem; Hij is gelijkgezind, alomtegenwoordig, onberoerd door de wereld en onthecht in dat geluk waarover men, in de gehechte staat, zich kwaad maakt.
De Allerhoogste Godspersoon stelt alle levende wezens gelijk. Niemand is Hem bijzonder dierbaar en iemand is Zijn grote vijand; niemand is Zijn vriend en niemand is familie van Hem. Omdat Hij niet gehecht is aan de materiële wereld, heeft Hij geen voorkeur voor zogenaamd geluk of afkeer tegen zogenaamd leed. De twee begrippen geluk en leed zijn betrekkelijk. De Heer is altijd gelukkig; voor Hem is er geen sprake van leed. (Vedabase)
Niettemin is er vanwege Zijn krachten met de belichaamden de schepping van het bij herhaling voorbestemd zijn voor geluk en leed, winst en verlies, gebondenheid en bevrijding en dood en geboorte.
Hoewel de Allerhoogste Heer niet gehecht is aan het geluk en het leed dat ons overeenkomstig ons karma ten deel valt, en hoewel niemand Zijn vijand of Zijn speciale vriend is, creëert Hij door middel van Zijn materiële vermogen vrome en goddeloze activiteiten. Om de materialistische manier van leven te laten voortduren, schept Hij dus geluk en leed, voor- en tegenspoed, gebondenheid en bevrijding, en geboorte en dood. (Vedabase)
Om die reden smeek ik u niet om van uw vloek bevrijd te raken o vertoornde. Ik wil alleen maar dat u mijn excuses aanvaardt voor alles wat in uw ogen, o kuise, voor mij iets verkeerds is geweest om te zeggen.'
O moeder, u maakt zich voor niets boos, want al mijn geluk en leed is voorbestemd door mijn vroegere activiteiten. Daarom smeek ik u ook niet om bevrijding of ontheffing van uw vloek. Hoewel wat ik gezegd heb niet verkeerd was, verzoek ik u toch om me alles wat u denkt dat niet in orde is te vergeven. (Vedabase)
S'rî S'uka zei: 'Na aldus de verheven persoonlijkheden zijn respect getoond te hebben, o standvastige overwinnaar der vijanden, ging Citraketu in zijn eigen hemelvoertuig weg terwijl de twee hem gadegesloegen en toelachten.
S'rî S'ukadeva Gosvâmî vervolgde: O koning Parîkshit, bedwinger van de vijand, nadat Citraketu Heer S'iva en zijn vrouw Pârvatî gunstig had gestemd, ging hij aan boord van zijn vliegtuig en vertrok, terwijl zij hem nakeken. Toen Heer S'iva en Pârvatî zagen dat Citraketu ondanks het feit dat hij wist dat hij vervloekt was niet bang was glimlachten ze, volkomen verrast door zijn houding. (Vedabase)
Daarna zei toen de grote Heer tot zijn vrouw het volgende terwijl Nârada, de Daitya's, de Siddha's en zijn persoonlijke metgezellen allen luisterden.
Daarna sprak de zeer machtige Heer S'iva in bijzijn van de grote wijze Nârada, de demonen, de bewoners van Siddhaloka en zijn persoonlijke metgezellen, als volgt tot zijn vrouw Pârvatî terwijl alle anderen meeluisterden. (Vedabase)
S'rî Rudra zei: 'Heb je gezien, o schone, hoe grootmoedig de dienaren der dienaren zijn, de grote zielen die met het sensuele van verzaking in hun relatie met de Allerhoogste Persoonlijkheid wiens werken zo wonderbaarlijk zijn?
Heer S'iva zei: Lieve, mooie Pârvatî, heb je gezien hoe groot de vaishnava's zijn? Omdat deze grote zielen de dienaars van de dienaars van de Allerhoogste Godspersoon Hari zijn, hebben ze geen enkele belangstelling voor materieel geluk. (Vedabase)
De zuivere zielen van Nârâyana zijn allen in geen enkele omstandigheid bevreesd, of het nu de hemel betreft, de bevrijding of het in de hel verkeren; in hun ogen maakt het niet uit waar men zich bevindt.
Toegewijden die louter en alleen toegewijde dienst bewijzen aan de Allerhoogste Godspersoon Nârâyana, vrezen geen enkele situatie in het leven. Voor hen zijn de hemelse planeten, bevrijding en de helse planeten allemaal hetzelfde, want zulke toegewijden hebben alleen maar belangstelling voor het dienen van de Heer. (Vedabase)
De belichaamden zijn, vanwege hun contact met het fysieke, met de Heer Zijn spel en vermaak zonder twijfel van de dualiteit van het geluk en het ongeluk, van de dood en van het geboren worden en van de vloek en de gunst.
Door de werking van de uitwendige energie van de Allerhoogste Heer komen de levende wezens in aanraking met een materieel lichaam en worden daardoor geconditioneerd. De dualiteiten van geluk en leed, geboorte en dood, vloeken en zegeningen zijn natuurlijke consequenties van dit contact met de materiële wereld. (Vedabase)
Als men zonder de zaken op de juiste manier van elkaar te onderscheiden een verschil maakt, vindt men navenant binnenin de persoon zelf de kwaliteiten en de fouten die men maakt als gevolg van het zich iets verbeelden met het verschil van, bijvoorbeeld, er zeker van te zijn of men wel of niet een bloemenslinger heeft verdiend.
Zoals men bij vergissing een bloemenslinger voor een slang aanziet of in een droom vreugde en verdriet ervaart, zo maken we in de materiële wereld uit gebrek aan zorgvuldige overweging onderscheid tussen geluk en leed, waarbij we het één als goed beschouwen en het ander als slecht. (Vedabase)
Mensen die in hun harten liefde en geloof koesteren jegens de Allerhoogste Heer Vâsudeva zijn van ware kennis en onthechting, zij zoeken hun heil niet in deze of gene materiële zegening [zie ook 1.2: 7].
Mensen die Heer Vâsudeva of Krishna toegewijde dienst bewijzen, bezitten automatisch volmaakte kennis en zijn vanzelf volkomen onthecht van deze materiële wereld. Daarom zijn zulke toegewijden niet geïnteresseerd in het zogenaamde geluk en leed van deze wereld. (Vedabase)
Noch ik, noch Heer Brahmâ, noch de As'vinî-kumâra's, noch Nârada, de zonen van Brahmâ, de heiligen noch al de grote halfgoden kennen de ware aard van Hem van wie wij, die onszelf zo graag zien als onafhankelijke heersers, allen maar gedeelten van delen zijn.
Noch ik [Heer S'iva] noch Brahmâ, de As'vinî-kumâra's, Nârada of een van de andere grote wijzen die Brahmâ's zoons zijn, en zelfs niet de halfgoden kunnen het spel en vermaak en de persoonlijkheid van de Allerhoogste Heer begrijpen. Hoewel we deeltjes zijn van de Allerhoogste Heer, beschouwen we onszelf als onafhankelijke, opzichzelfstaande bestuurders; dat is de reden waarom we Zijn persoonlijkheid niet kunnen bevatten. (Vedabase)
Inderdaad geniet niemand Zijn bijzondere voorkeur of afkeer noch behoort zelfs ook maar iemand Hem toe of aan iemand anders; als de Ziel van de ziel van alle wezens is de Heer de meest geliefde voor alle levende wezens.
Niemand is Hem bijzonder dierbaar en niemand is Zijn vijand. En hoewel niemand aan Hem verwant is, is niemand Hem vreemd. Hij is in feite de ziel van de ziel van alle levende wezens en hun goedgunstige vriend. Hij staat heel dicht bij hen allemaal en Hij is hun zeer dierbaar. (Vedabase)
Deze zo allerfortuinlijkste koning Citraketu is een alom geliefde, gehoorzame dienaar van Hem. Hij is een vreedzaam en gelijkgezind iemand die, net als ik, de liefde van de Onfeilbare is. Weest derhalve niet verbaasd over de manier van doen van die personen die de grote zielen en persoonlijkheden van de toewijding zijn vol van vrede en gelijkheid jegens allen.'
Deze grootmoedige Citraketu is een dierbare toegewijde van de Heer. Hij stelt alle levende wezens gelijk en kent geen gehechtheid of haat. Maar ook ik ben Heer Nârâyana zeer dierbaar. Daarom moet niemand verbaasd zijn bij het zien van de activiteiten van de meest verheven toegewijden van Nârâyana, want zulke toegewijden zijn vrij van gehechtheid en afgunst. Ze zijn altijd vredig en iedereen even welgezind. (Vedabase)
S'rî S'uka zei: 'Aldus vernemend wat de grote heer S'iva haar te zeggen had vond Pârvatî haar gemoedsrust weer terug o Koning en raakte de godin verlost van haar ontsteltenis.
S'rî S'ukadeva Gosvâmî zei: O koning, toen de halfgoden [Umâ, de vrouw van Heer S'iva] deze woorden van haar man had aangehoord, verbaasde ze zich niet langer over het gedrag van koning Citraketu en hervond haar gemoedsrust. (Vedabase)
Toen hij, die als een grote toegewijde die in ieder opzicht in staat was een tegenvloek tegen de godin te formuleren, de veroordeling over zijn hoofd uitgestort aanvaardde, kenmerkte hem dat als een ware toegewijde.
De grote toegewijde Citraketu was zo machtig dat hij op zijn beurt, bij wijze van vergelding, moeder Pârvatî best had kunnen vervloeken, maar in plaats daarvan aanvaardde hij de vloek heel nederig en boog het hoofd voor Heer S'iva en zijn vrouw. Dit gedrag is typerend voor een Vaishnava en dient zeer gewaardeerd te worden. (Vedabase)
Geboren uit de brahmaan genaamd Tvashthâ schakelde hij bij het Dakshina vuuroffer over op de afdeling van de demonische levensvormen, en werd hij aldus met al zijn kennis en wijsheid gevierd als Vritrâsura [zie 6.9 en vergelijk met 1.5: 19].
Als gevolg van de vloek van moeder Durgâ [Bhavânî, de vrouw van Heer S'iva] werd deze zelfde Citraketu geboren in een demonische levensvorm. Hoewel hij nog steeds in het volle bezit van zijn transcendentale kennis was en bovendien wist hoe hij die kennis in praktijk moest brengen, verscheen hij bij het vuuroffer dat Tvashthâ bracht als een demon en werd zo beroemd als Vritrâsura. (Vedabase)
Dit is alles [mijn beste Parîkchit] wat ik u uit had te leggen op wat u me vroeg over Vritrâsura, degene van een verheven intelligentie die werd geboren in de duisternis.
Beste koning Parîkshit, u heeft me gevraagd hoe het kwam dat Vritrâsura, die toch een groot toegewijde was, in een demonische familie geboren werd. Ik heb dus geprobeerd om u daar alles over uit te leggen. (Vedabase)
Deze geschiedenis van de vrome Citraketu die zo'n grote ziel was, omvat alle heerlijkheid, en hij die het van de toegewijden van Vishnu te horen krijgt, raakt bevrijd van de gebondenheid.
Citraketu was een groot toegewijde [mahâtmâ]. Als deze geschiedenis van Citraketu door een zuivere toegewijde wordt verteld, is ook de toehoorder bevrijd uit zijn geconditioneerde leven in het materiële bestaan. (Vedabase)
Een ieder die met de Heer steeds in gedachten vroeg opstaat in de ochtend en met geloof zijn woorden beheersend dit verhaal opleest, zal de hoogste bestemming bereiken.'
Wie 's ochtends vroeg opstaat en deze geschiedenis van Citraketu hardop voorleest, zijn woorden en zijn geest in bedwang houdt en zich de Allerhoogste Godspersoon herinnert, zal zonder problemen terugkeren naar huis, terug naar God. (Vedabase)
![]()
Voor deze oorspronkelijke vertaling is een alles-in-een band exemplaar
met uitgebreid commentaar gebruikt.
ISBN: o-91277-27-7
Zie de S'rîmad Bhâgavatam linkspagina
voor een download van dit boek en andere boeken van Prabhupâda.
Het schilderij op deze pagina is van Muralidhara dasa.
Productie: de Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd
Feed-back | Links | Downloads | Muziek | Afbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties