regelbalk


  
 

Canto 8

Râdhâ Mâdhava 2

 

 

Hoofdstuk 18: Heer Vâmanadeva, de Dwerg-incarnatie

(1) S'rî S'uka zei: 'Het Eeuwig Wezen, Hij met de schelphoorn, de knots, de lotus en de werpschijf in Zijn vier handen, de gele kledij en de lotusblaadjes-ogen, Hij wiens heldendaden de lof van Brahmâ gelden, manifesteerde zich bijgevolg uit Aditi. (2) Met een zuivere, donkere huidskleur, de luister van twee oorhangers in de vorm van haaien en een allerbekoorlijkst lotusgezicht was Hij de Allerhoogste Persoonlijkheid met het S'rîvatsa-teken op Zijn borst, pols- en armbanden, een glimmende helm, een gordel, een heilige draad en lieftallige enkelbelletjes. (3) Met een zwerm bijen druk voor het zoete zoemend rondom een buitengewoon mooie bloemenslinger en met om Zijn nek het Kaustubha-juweel, verdreef de Heer met Zijn gloed de duisternis van het huis van Kas'yapa. (4) Op dat moment was men overal in geluk verzet, alle levende wezens, in de wateren, in de bergen, de hogere werelden, in de buitenruimte en op aarde; er was de volheid van de kwaliteit van ieder seizoen en de koeien, de godheden van het vuur en de tweemaal geborenen waren allen in hun beste doen. (5) Op het tijdstip dat de maan zich in het huis S'ravana bevond [met dvâdas'î, de twaalfde dag van de heldere maandhelft van Bhâdra], waren, met de geboorte van de Heer ten tijde van het middaguur [Abhijit], al de planeten en de sterren, de zon en de maan op hun gunstigst. (6) Op dvâdas'î met de zon boven de meridiaan, o Koning, was het precieze moment, door de geleerden Vijayâ genaamd, waarop de Heer verscheen. (7) Het gerucht van de verschillende geluiden van de schelphoorns, trommels, pauken, panava's en ânaka's [andere trommels], en andere instrumenten, zwol aan tot een enorm tumult. (8) In vreugde dansten de hemelse dansmeisjes en zongen de zangers van de hemel, terwijl de wijzen, de goddelijken, de vaders der mensheid, de voorvaderen en de goden van het vuur de Heer behaagden met gebeden. (9-10) De vervolmaakten, de wetenschappers, de aapachtigen [de krijgers van Râma], zij van de supermacht, de eerbiedwaardigen, de spoken [de schatbewaarders], zij die van de duivel waren [de bewakers], de reciteerders [de 'broeders van Garuda'], de beste deskundigen [de 'slangen'] en alle volgelingen van de halfgoden, verheerlijkten en zongen hun lof waarbij ze Aditi's woning met de bloemen bedolven [vergelijk 6.7: 2-8 en 5.5: 21-22]. (11) Toen Aditi Hem, de Allerhoogste Persoonlijkheid van God die was verwekt in geluk en geboorte had genomen uit haar eigen baarmoeder, ontwaarde, was ze met verwondering geslagen over het feit dat Hij vanuit Zijn eigen geestelijk vermogen een lichaam had aangenomen en ook Kas'yapa riep daarbij in grote verwondering uit: 'Alle heil, alle heerlijkheid!' [jaya jaya!].

(12) Het bovenzinnelijk lichaam dat de Heer had aangenomen, compleet met sieraden en wapens, kan materieel niet worden waargenomen maar had zich geestelijk gemanifesteerd; het verdween meteen daarop weer en recht voor hun ogen zagen ze hoe Hij wiens avonturen allen even wonderbaarlijk zijn, zich manifesteerde, als een toneelspeler in een theater, in de gedaante van een brahmaanse dwerg [Vâmana].(13) Hem als een brahmacârî dwerg ziend maakte de grote rishi's zeer gelukkig en aldus voerden ze, met de stamvader die Kas'yapa was als hun leider, al de plechtigheden uit [zoals de jâta-karma geboorteplechtigheid]. (14) Toen Hij van Brihaspati ceremonieel Zijn heilige draad kreeg werd voor de zonnegod de Gâyatrî [zie notitie ** 5.7] gezongen en bood Kas'yapa Hem een gordel [van strohalmen, als aanduiding van de tweemaal geboren status]. (15) Moeder aarde bood hem een hertenvel, de maangod die in het bos heerst schonk Hem een staf, om Zijn lichaam te bedekken gaf Aditi hem ondergoed en van de meester van het universum, de heerser der hemel ontving Hij een parasol. (16) De Kenner van Binnen [Brahmâ] gaf een waterpot, de zeven wijzen gaven Hem kus'agras mee en de godin Sarasvatî schonk de Onvergankelijke Ziel een snoer rudrâkshakralen, o Koning. (17) Toen Hij op die manier Zijn heilige draad had gekregen leverde de Heerser der Yaksha's [Kuvera, de schatbewaarder van de Hemel] een bedelnap en verschafte de kuise moeder van het universum Bhavânî [de echtgenote van S'iva] rechtstreeks de aalmoezen zelf.

(18) Hij als brahmacârî aldus door iedereen verwelkomd, was met Zijn brahmaanse gloed de beste van allen, het stralende middelpunt van de gehele vergadering waar al de grote brahmaanse wijzen bijeen waren. (19) Na in een vuur te hebben voorzien zoals het hoorde, voltooide Hij met offerandes de plechtigheid van het aanbidden, hetgeen hij beter deed dan de beste der brahmanen. (20) Nadat Hij had vernomen over Bali's heerlijkheid als een uitvoerder van paardenoffers onder de leiding van de Bhrigu-brahmanen, ging Hij naar de plaats waar ze werden uitgevoerd, en met iedere stap die Hij als de Volkomen en Volledig Toegeruste Essentie deed voorzag Hij de aarde daarmee van Zijn voetafdrukken. (21) Aan de noordelijke oever van de rivier de Narmadâ in het gebied Bhrigukaccha, waar al de priesters van Bhrigu hun rituelen aan het opvoeren waren terwille van het zo hoogst belangrijke paardoffer, zagen ze Hem in hun nabijheid [stralend] als de rijzende zon. (22) De priesters zowel als Bali, de aanstichter van de yajña, en alle anderen die daar bijeengekomen waren, zagen zichzelf overweldigd door de schittering van Heer Vâmana, o Koning, en vroegen zich af of ze nu de zon zagen opkomen, of dat de vuurgod of Sanat-kumâra er nu aankwam erop uit hun plechtigheid bij te wonen. (23) Terwijl de Bhrigu's op deze manier met hun discipelen in dispuut verkeerden betrad de Allerhoogste Heer, Vâmana met in Zijn handen, Zijn parasol, staf en kamandalu gevuld met water, het perk van het as'vamedha offer. (24-25) Toen Vâmana, het geleerde, schijnbaar menselijke kind dat de Heer was, met Zijn munja gordel van stro en de heilige draad om Hem heen, Zijn bovenkleding van hertenvel en Zijn samengeklitte haarlokken arriveerde en de priesters van Bhrigu met hun discipelen zag, werd Hij die met Zijn glans hen allen overschaduwde, op gepaste wijze verwelkomt waarbij men van het vuuroffer voor Hem opstond. (26) De aanstichter van het offer, in vreugde over het treffen met Hem die zo prachtig was in al Zijn luisterrijke leden, bood Hem een zitplaats aan. (27) Met een welkomstwoord werd aldus de Schoonheid van de Bevrijde Zielen door Bali Mahârâja vereerd die Hem de voeten waste. (28) Het zuivere water van die voeten dat alle zonden van de mens wegwast nam hij, zich welbewust van het dharma, op zijn hoofd; het bracht hem al de zegen, een zegen die zelfs de beste van allen, Heer S'iva met de maansikkel op zijn hoofd, met toewijding en bovenzinnelijkheid op zijn hoofd zou aanvaarden.'

(29) S'rî Bali zei: 'Mag ik U van harte welkom heten, mijn eerbetuigingen voor U, o brahmaan, wat kunnen we voor U betekenen; ik denk dat U, o edele, de verzaking in eigen persoon bent van de brahmaanse zieners. (30) Omdat Uwe Heerlijkheid vandaag bij ons verblijf bent aangekomen, zijn al onze voorvaderen tevredengesteld, is nu de gehele familie gezuiverd en is dit offer dat we brengen compleet! (31) Vandaag, o brahmaanse zoon, zijn mijn offervuren naar behoren gediend overeenkomstig de beginselen; door het water dat van Uw lotusvoeten spoelde is de aarde gezuiverd van alle zonden en, o Heer, is zij tevens door de aanraking met Uw kleine voeten geheiligd. (32) Wat het ook is waar Uw hart naar uitgaat, o brahmacârî, mag U van mij nemen; of het nu een koe is, goud, een ingerichte woning, smakelijk eten en drinken of anders een brahmanendochter, o beste der aanbiddelijken, welvarende dorpen, paarden, olifanten of wagens; wat mij betreft mag U hebben wat U zich ook maar wenst.'

 

 

next                         

 

 

 
Tweede editie, geladen 17 oktober 2007.

 

 

 

Bronteksten:

Heer Vâmanadeva, de dwerg-incarnatie

 

Tekst 1

S'rî S'uka zei: 'Het Eeuwig Wezen, Hij met de schelphoorn, de knots, de lotus en de werpschijf in Zijn vier handen, de gele kledij en de lotusblaadjes-ogen, Hij wiens heldendaden de lof van Brahmâ gelden, manifesteerde zich bijgevolg uit Aditi.

S'ukadeva Gosvâmî zei: Nadat Heer Brahmâ de activiteiten en de macht van de Allerhoogste Heer met deze woorden geprezen had, verscheen de Allerhoogste Godspersoon, die nooit zoals gewone levende wezens aan de dood onderworpen is, uit de schoot van Aditi. Een schelphoorn, een knots, een lotus en een werpschijf sierden Zijn vier handen. Hij was gekleed in gele gewaden en Zijn ogen leken op de kelkblaadjes van een bloeiende lotus. (Vedabase)

 

Tekst 2

Met een zuivere, donkere huidskleur, de luister van twee oorhangers in de vorm van haaien en een allerbekoorlijkst lotusgezicht was Hij de Allerhoogste Persoonlijkheid met het S'rîvatsa-teken op Zijn borst, pols- en armbanden, een glimmende helm, een gordel, een heilige draad en lieftallige enkelbelletjes.

Het lichaam van de Allerhoogste Godspersoon had een zwartachtige tint en was vrij van alle onvolkomenheden. Zijn lotusgezicht, getooid met oorringen die op haaien leken, zag er prachtig uit en op Zijn borst was het S'rîvatsa-teken. Hij droeg armbanden om Zijn polsen en om Zijn bovenarmen, een helm op Zijn hoofd, een gordel om Zijn middel, een heilige draad over Zijn borst en enkelbelletjes om Zijn lotusvoeten. (Vedabase)

 

Tekst 3

Met een zwerm bijen druk voor het zoete zoemend rondom een buitengewoon mooie bloemenslinger en met om Zijn nek het Kaustubha-juweel, verdreef de Heer met Zijn gloed de duisternis van het huis van Kas'yapa.

Op Zijn borst hing een ongewoon mooie bloemenslinger en omdat de bloemen bijzonder zoet van geur waren, werden ze belaagd door een zwerm bijen die al zoemend op zoek waren naar honing. Toen de Heer ter wereld kwam met het Kaustubha-juweel om Zijn hals, verjoeg Hij door Zijn stralende glans de duisternis in het huis van de Prajâpati Kas'yapa. (Vedabase)

 

Tekst 4

Op dat moment was men overal in geluk verzet, alle levende wezens, in de wateren, in de bergen, de hogere werelden, in de buitenruimte en op aarde; er was de volheid van de kwaliteit van ieder seizoen en de koeien, de godheden van het vuur en de tweemaal geborenen waren allen in hun beste doen.

Op dat ogenblik heerste er overal geluk; in de waterbekkens zoals de rivieren en de oceanen en diep in ieders hart. De verschillende seizoenen manifesteerden hun specifieke kwaliteiten en alle levende wezens in het hogere planetenstelsel, de ruimte en op aarde waren uitgelaten van vreugde. De halfgoden, koeien, brâhmana's en heuvels en bergen waren allemaal vervuld van blijdschap. (Vedabase)

 

Tekst 5:

Op het tijdstip dat de maan zich in het huis S'ravana bevond [met dvâdas'î, de twaalfde dag van de heldere maandhelft van Bhâdra], waren, met de geboorte van de Heer ten tijde van het middaguur [Abhijit], al de planeten en de sterren, de zon en de maan op hun gunstigst.

De Heer verscheen in dit universum op de dag van S'ravana-dvâdas'î [op de twaalfde dag van de wassende maan in de maand Bhâdra], toen de maan het teken van S'ravana binnenging, op het gunstige tijdstip van Abhijit. Omdat alle sterren en planeten - van de zon tot en met Saturnus - het verschijnen van de Heer als een grote zegen beschouwden, droegen ze milddadig bij tot het gebeuren. (Vedabase)

 

Tekst 6:

Op dvâdas'î met de zon boven de meridiaan, o Koning, was het precieze moment, door de geleerden Vijayâ genaamd, waarop de Heer verscheen.

O Koning, toen de Heer ter wereld kwam - op dvâdas'î, de twaalfde dag van de maan - stond zoals elke geleerde weet de zon op de meridiaan. Deze dvâdas'î wordt Vijayâ genoemd. (Vedabase)

 

Tekst 7:

Het gerucht van de verschillende geluiden van de schelphoorns, trommels, pauken, panava's en ânaka's [andere trommels], en andere instrumenten, zwol aan tot een enorm tumult.

Er brak een concert los van schelphoorns, pauken, trommels, panava's en ânaka's. Het geluid van al deze en nog verschillende andere instrumenten tezamen was oorverdovend. (Vedabase)

 

Tekst 8:

In vreugde dansten de hemelse dansmeisjes en zongen de zangers van de hemel, terwijl de wijzen, de goddelijken, de vaders der mensheid, de voorvaderen en de goden van het vuur de Heer behaagden met gebeden.

De hemelse danseressen [de Apsarâ's] begonnen van vreugde uitgelaten te dansen, de besten van de Gandharva's hieven liederen aan en de grote wijzen, de halfgoden, Manu's, Pitâ's en vuurgoden richtten gebeden tot de Heer om Hem tevreden te stellen. (Vedabase)

 

Tekst 9-10:

De vervolmaakten, de wetenschappers, de aapachtigen [de krijgers van Râma], zij van de supermacht, de eerbiedwaardigen, de spoken [de schatbewaarders], zij die van de duivel waren [de bewakers], de reciteerders [de 'broeders van Garuda'], de beste deskundigen [de 'slangen'] en alle volgelingen van de halfgoden, verheerlijkten en zongen hun lof waarbij ze Aditi's woning met de bloemen bedolven [vergelijk 6.7: 2-8 en 5.5: 21-22].

De Siddha's, Vidyâdhara's, Kimpurusha's, Kinnara's, Cârana's, Yaksha's, Râkshasa's, Suparna's, de besten der slangen en de volgelingen van de halfgoden loofden en verheerlijkten de Heer en dansten terwijl ze met z'n allen Aditi's woning onder een regen van bloemen bedolven. (Vedabase)

  

Tekst 11:

Toen Aditi Hem, de Allerhoogste Persoonlijkheid van God die was verwekt in geluk en geboorte had genomen uit haar eigen baarmoeder, ontwaarde, was ze met verwondering geslagen over het feit dat Hij vanuit Zijn eigen geestelijk vermogen een lichaam had aangenomen en ook Kas'yapa riep daarbij in grote verwondering uit: 'Alle heil, alle heerlijkheid!' [jaya jaya!].

Toen Aditi de Allerhoogste Godspersoon zag, die uit haar eigen schoot verschenen was en door middel van Zijn eigen geestelijke energie een transcendentaal lichaam had aangenomen, was ze met stomheid geslagen en heel erg gelukkig. Toen Prajâpati Kas'yapa het kind zag, riep hij vol vreugde en verbazing: "Jaya! Jaya!" (Vedabase)

 

Tekst 12:

Het bovenzinnelijk lichaam dat de Heer had aangenomen, compleet met sieraden en wapens, kan materieel niet worden waargenomen maar had zich geestelijk gemanifesteerd; het verdween meteen daarop weer en recht voor hun ogen zagen ze hoe Hij wiens avonturen allen even wonderbaarlijk zijn, zich manifesteerde, als een toneelspeler in een theater, in de gedaante van een brahmaanse dwerg [Vâmana].

De Heer kwam ter wereld in Zijn oorspronkelijke gedaante, getooid met sieraden en met Zijn wapens in de hand. Hoewel deze eeuwige gedaante in de materiële wereld normaal niet zichtbaar is, verscheen Hij toch in die vorm. Net als een toneelspeler nam Hij toen in het bijzijn van Zijn vader en moeder de gedaante van Vâmana aan, een brâhmana-dwerg en brahmacârî. (Vedabase)

 

Tekst 13:

Hem als een brahmacârî dwerg ziend maakte de grote rishi's zeer gelukkig en aldus voerden ze, met de stamvader die Kas'yapa was als hun leider, al de plechtigheden uit [zoals de jâta-karma geboorteplechtigheid].

Toen de grote wijzen de Heer voor zich zagen staan als de brahmacârî-dwerg Vâmana, waren ze werkelijk zeer gelukkig. Daarom plaatsten ze de prajâpati Kas'yapa Muni aan het hoofd van hun groep en voltrokken alle ceremonies, zoals onder andere het geboorteritueel. (Vedabase)

 

Tekst 14:

Toen Hij van Brihaspati ceremonieel Zijn heilige draad kreeg werd voor de zonnegod de Gâyatrî [zie notitie ** 5.7] gezongen en bood Kas'yapa Hem een gordel [van strohalmen, als aanduiding van de tweemaal geboren status].

Bij de heilige draad ceremonie van Vâmanadeva chantte de zonnegod persoonlijk de Gâyatrî-mantra; Brihaspati bood Hem de heilige draad aan en Kas'yapa Muni schonk Hem een gordel van stro. (Vedabase)

 

Tekst 15:

Moeder aarde bood hem een hertenvel, de maangod die in het bos heerst schonk Hem een staf, om Zijn lichaam te bedekken gaf Aditi hem ondergoed en van de meester van het universum, de heerser der hemel ontving Hij een parasol.

Moeder aarde bood Hem een hertevel aan, en de god van de maan, de koning van het woud, gaf Hem een brahma-danda [de staf van een brahmacârî]. Zijn moeder Aditi schonk Hem stof voor ondergoed en de god van het hemelrijk gaf Hem een parasol. (Vedabase)

  

Tekst 16:

De Kenner van Binnen [Brahmâ] gaf een waterpot, de zeven wijzen gaven Hem kus'agras mee en de godin Sarasvatî schonk de Onvergankelijke Ziel een snoer rudrâkshakralen, o Koning.

O Koning, Heer Brahmâ schonk de onuitputtelijke Allerhoogste Godspersoon een waterkruik, de zeven wijzen gaven Hem kus'a-gras en moeder Sarasvatî bood Hem een ketting van Rudrâksha-kralen aan. (Vedabase)

 

Tekst 17:

Toen Hij op die manier Zijn heilige draad had gekregen leverde de Heerser der Yaksha's [Kuvera, de schatbewaarder van de Hemel] een bedelnap en verschafte de kuise moeder van het universum Bhavânî [de echtgenote van S'iva] rechtstreeks de aalmoezen zelf.

Toen Vâmanadeva Zijn heilige draad had ontvangen, gaf Kuvera, de koning van de Yaksha's, Hem een bedelnap en moeder Bhagavatî, de vrouw van Heer S'iva en de meest kuise vrouw van het universum, schonk Hem Zijn eerste aalmoezen. (Vedabase)

  

Tekst 18:

Hij als brahmacârî aldus door iedereen verwelkomd, was met Zijn brahmaanse gloed de beste van allen, het stralende middelpunt van de gehele vergadering waar al de grote brahmaanse wijzen bijeen waren.

Toen Hij zo door iedereen welkom was geheten, liet Heer Vâmanadeva, de beste van de brahmacârî's, Zijn Brahman-gloed zien. Daardoor overtrof Hij alle aanwezigen in schoonheid, terwijl het huis toch vol grote en heilige brâhmana's was. (Vedabase)

 

Tekst 19:

Na in een vuur te hebben voorzien zoals het hoorde, voltooide Hij met offerandes de plechtigheid van het aanbidden, hetgeen hij beter deed dan de beste der brahmanen.

Nadat Heer S'rî Vâmanadeva een offervuur had ontstoken, verrichtte Hij een eredienst en voltrok een vuurceremonie in het offerperk. (Vedabase)

 

Tekst 20:

Nadat Hij had vernomen over Bali's heerlijkheid als een uitvoerder van paardenoffers onder de leiding van de Bhrigu-brahmanen, ging Hij naar de plaats waar ze werden uitgevoerd, en met iedere stap die Hij als de Volkomen en Volledig Toegeruste Essentie deed voorzag Hij de aarde daarmee van Zijn voetafdrukken.

Toen de Allerhoogste Heer, die in elk opzicht volmaakt is, hoorde dat Bali Mahârâja onder bescherming van brâhmana's van de Bhrigu-dynastie as'vamedha-offers bracht, begaf Hij Zich naar het offerperk om Bali Mahârâja Zijn genade te schenken. Door Zijn gewicht drukte Hij bij elke stap die Hij zette de aarde naar beneden. (Vedabase)

 

Tekst 21

Aan de noordelijke oever van de rivier de Narmadâ in het gebied Bhrigukaccha, waar al de priesters van Bhrigu hun rituelen aan het opvoeren waren terwille van het zo hoogst belangrijke paardoffer, zagen ze Hem in hun nabijheid [stralend] als de rijzende zon.

Terwijl de brahmaanse priesters, de nazaten van Bhrigu, op het terrein van Bhrigukaccha op de noordelijke oever van de rivier de Narmadâ het offer aan het brengen waren, zagen ze Vâmanadeva, die eruitzag als de zon die vlakbij opkomt. (Vedabase)

 

Tekst 22:

De priesters zowel als Bali, de aanstichter van de yajña, en alle anderen die daar bijeengekomen waren, zagen zichzelf overweldigd door de schittering van Heer Vâmana, o Koning, en vroegen zich af of ze nu de zon zagen opkomen, of dat de vuurgod of Sanat-kumâra er nu aankwam erop uit hun plechtigheid bij te wonen.

O Koning, de schitterende uitstraling van Vâmanadeva beroofde de priesters, Bali Mahârâja en alle andere aanwezigen van hun glans. Daarom informeerden ze onder elkaar of misschien de zonnegod zelf, Sanat-kumâra of de god van het vuur persoonlijk gekomen was om de offerceremonie bij te wonen. (Vedabase)

 

Tekst 23:

Terwijl de Bhrigu's op deze manier met hun discipelen in dispuut verkeerden betrad de Allerhoogste Heer, Vâmana met in Zijn handen, Zijn parasol, staf en kamandalu gevuld met water, het perk van het as'vamedha offer.

De priesters van de Bhrigu-dynastie en hun leerlingen waren nog druk aan het praten en allerlei veronderstellingen aan het uiten toen Vâmanadeva, de Allerhoogste Godspersoon, met de staf, de parasol en een kruik vol water in Zijn handen de arena betrad waar het as'vamedha-offer gehouden werd. (Vedabase)

 

Tekst 24-25:

Toen Vâmana, het geleerde, schijnbaar menselijke kind dat de Heer was, met Zijn munja gordel van stro en de heilige draad om Hem heen, Zijn bovenkleding van hertenvel en Zijn samengeklitte haarlokken arriveerde en de priesters van Bhrigu met hun discipelen zag, werd Hij die met Zijn glans hen allen overschaduwde, op gepaste wijze verwelkomt waarbij men van het vuuroffer voor Hem opstond.

Als een jonge brâhmana, met een gordel van stro, een heilige draad, een hertevel en samengeklitte haren betrad Heer Vâmanadeva het offerperk. Zijn uitstraling was zo schitterend dat Hij de luister van alle priesters en hun leerlingen deed verbleken, die zich daarop van hun zitplaatsen verhieven en de Heer naar behoren verwelkomden door Hem hun eerbetuigingen te brengen. (Vedabase)

  

Tekst 26:

De aanstichter van het offer, in vreugde over het treffen met Hem die zo prachtig was in al Zijn luisterrijke leden, bood Hem een zitplaats aan.

Bali Mahârâja was buitengewoon gelukkig om de Heer te zien en bood Vâmanadeva, wiens ledematen harmonisch bijdroegen tot de totale schoonheid van Zijn lichaam, met grote voldoening een zitplaats aan. (Vedabase)

 

Tekst 27:

Met een welkomstwoord werd aldus de Schoonheid van de Bevrijde Zielen door Bali Mahârâja vereerd die Hem de voeten waste.

Zo bood Bali Mahârâja de Allerhoogste Godspersoon, die er in de ogen van de bevrijde zielen altijd prachtig uitziet, een passende ontvangst en vereerde hij Hem door Zijn lotusvoeten te wassen. (Vedabase)

  

Tekst 28:

Het zuivere water van die voeten dat alle zonden van de mens wegwast nam hij, zich welbewust van het dharma, op zijn hoofd; het bracht hem al de zegen, een zegen die zelfs de beste van allen, Heer S'iva met de maansikkel op zijn hoofd, met toewijding en bovenzinnelijkheid op zijn hoofd zou aanvaarden.'

Heer S'iva, de beste van de halfgoden, die op zijn voorhoofd het embleem van de maan draagt, vangt vol toewijding met zijn hoofd het Gangeswater op dat van de teen van Vishnu stroomt. Bali Mahârâja wist dit, want hij kent de religieuze principes. Daarom trad hij in het voetspoor van Heer S'iva en sprenkelde eveneens het water dat de lotusvoeten van de Heer had schoongewassen op zijn hoofd. (Vedabase)

 

Tekst 29:

S'rî Bali zei: 'Mag ik U van harte welkom heten, mijn eerbetuigingen voor U, o brahmaan, wat kunnen we voor U betekenen; ik denk dat U, o edele, de verzaking in eigen persoon bent van de brahmaanse zieners.

Toen zei Bali Mahârâja tot Heer Vâmanadeva: O brâhmana, ik heet Je hartelijk welkom en bied Je mijn eerbetuigingen aan. Laat ons alsjeblieft weten wat we voor Je kunnen doen. We beschouwen Je als de ascese van grote brâhmana-wijzen in persoon. (Vedabase)

 

Tekst 30:

Omdat Uwe Heerlijkheid vandaag bij ons verblijf bent aangekomen, zijn al onze voorvaderen tevredengesteld, is nu de gehele familie gezuiverd en is dit offer dat we brengen compleet!

O Heer, omdat Je zo vriendelijke bent geweest om ons met een bezoek te vereren, zijn al mijn voorvaderen voldaan en is ons gezin en de hele dynastie geheiligd. Dankzij Jouw aanwezigheid is het offer dat we brengen nu compleet. (Vedabase)

 

Tekst 31:

Vandaag, o brahmaanse zoon, zijn mijn offervuren naar behoren gediend overeenkomstig de beginselen; door het water dat van Uw lotusvoeten spoelde is de aarde gezuiverd van alle zonden en, o Heer, is zij tevens door de aanraking met Uw kleine voeten geheiligd.

O brahmanen-zoon, het offervuur van vandaag is ontstoken volgens de richtlijnen van de s'âstra, en het water waarmee Je lotusvoeten gewassen zijn, heeft me bevrijd van de reacties op alle zonden in mijn leven. O Heer, door de aanraking van Je lotusvoetjes is het hele aardoppervlak geheiligd. (Vedabase)

 

Tekst 32:

Wat het ook is waar Uw hart naar uitgaat, o brahmacârî, mag U van mij nemen; of het nu een koe is, goud, een ingerichte woning, smakelijk eten en drinken of anders een brahmanendochter, o beste der aanbiddelijken, welvarende dorpen, paarden, olifanten of wagens; wat mij betreft mag U hebben wat U zich ook maar wenst.'

O brahmanen-zoon, blijkbaar ben Je hier naar toe gekomen om mij iets te vragen. Daarom zeg ik Je dat Je alles van me mag nemen wat Je maar wilt. O beste van alle aanbiddenswaardige personen, Je mag een koe van me nemen, goud, een geheel ingericht huis, heerlijk eten en drinken, de dochter van een brâhmana tot vrouw, welvarende dorpen, paarden, olifanten, strijdwagens of wat Je maar wenst. (Vedabase)

 

 

 

 

 

Voor deze oorspronkelijke vertaling is een alles-in-een band exemplaar
met uitgebreid commentaar gebruikt.
ISBN: o-91277-27-7
Zie de
S'rîmad Bhâgavatam linkspagina
voor een download van dit boek en andere boeken van Prabhupâda.
Het schilderij op deze pagina is van
Parîkshit dâsa.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd  


 

 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties