regelbalk


 

 

Canto 9

Râdhâ Mâdhava 2

 

 

Hoofdstuk 18: Koning Yayâti Herkrijgt zijn Jeugd

(1) S'rî S'uka zei: 'Van koning Nahusha [een andere zoon van Purûravâ's zoon Âyu] waren er net als de zes zintuigen van een belichaamde ziel [met de geest als het zesde], de zes van Yati, Yayâti, Samyâti, Âyati, Viyati en Kriti. (2) De oudste zoon Yati, die wist wat het inhield om macht uit te oefenen, aanvaardde het koninkrijk niet dat zijn vader hem bood, [want, zo argumenteerde hij,] de persoon die een dergelijke positie inneemt kan geen ernst maken met zijn zelfverwerkelijking. (3) Toen zijn vader er door de brahmanen toe werd gedwongen om afstand te doen van zijn verheven positie, vanwege het beledigen van Indra's vrouw S'acî, en hij was afgezakt tot het leven van een slang, werd Yayâti de koning. (4) De vier broers jonger dan hem stond hij het toe om de verschillende windstreken te besturen. Yayâti aldus de wereld regerend huwde de dochters [Devayânî] van S'ukrâcârya en [S'armishthhâ van] Vrishaparvâ.'

(5) De koning zei: 'De machtige ziener S'ukrâcârya was een brahmaan terwijl Yayâti behoorde tot de klasse der kshatriya's; hoe kon er tegen de gebruiken in een [pratiloma-]huwelijk van een brahmaan [-se dochter] zijn met een kshatriya?' [anuloma, omgekeerd, was meer algemeen].

(6-7) S'rî S'uka zei: 'Op een dag was Vrishaparvâ's dochter genaamd S'armishthhâ, een meisje met een moeilijk karakter, tezamen met duizenden vriendinnen en de dochter van de goeroe Devayânî, zo onschuldig als ze was in de paleistuin aan het rondlopen waar het vol met lotusbloemen en overal bloeiende bomen gezellig zoemde van de hommels. (8) Al de lotus-ogige meisjes aankomend bij de oever van het meer aldaar deden hun kleren uit aan de kant en begonnen zich te vermaken in het water elkaar natspetterend. (9) Toen ze Heer S'iva voorbij zagen komen met de godin [Pârvatî] gezeten op zijn stier, kwamen de jonge meisjes snel uit het water om zich vol schaamte te bedekken met hun kledingstukken. (10) S'armishthhâ zonder het in de gaten te hebben trok als was het haar eigen kleed de kleren van de dochter van de goeroe aan waarop Devayânî geïrriteerd dit zei: (11) 'Hoe jammer, zie nou toch eens hoe zij, als een dienstmeid, indruist tegen de goede zeden. Net als een hond uit op de ghee voor een offerplechtigheid heeft ze het kledingstuk aangetrokken dat voor mij bedoeld was! (12-14) Van hen door wiens verzaking deze gehele wereld werd geschapen, van hen die het aangezicht vormen van de Persoonlijkheid van de Transcendentie en door wiens vroomheid het licht van de juiste weg gekend wordt, van hen aan wie de meesters van de wereld, de verlichte zielen van beheersing en zelfs de Allerhoogste Heer, de Zuiverende Superziel en Echtgenoot van de Godin hun gebeden opdragen, van ons afstammelingen van Bhrigu beter dan de rest heeft zij, wiens duistere vader een leerling is van onze vader, als een laag-bij-de-grondse s'ûdra aangetrokken wat bedoeld was als onze kleding - het is als een onkuis iemand die de Veda's onder de knie probeert te krijgen!'

(15) S'armishthhâ aldus terecht gewezen ademde zwaar als een slang waarop men heeft getrapt en zei zeer kwaad op haar lip bijtend tegen de dochter van de goeroe: (16) 'Wat een onzin, jij bedelares! Je kent je plaats niet. Ben jij het niet die buiten bij ons huis staat te wachten [op voedsel] zoals de kraaien dat doen?'

(17) Met deze onaardige woorden griste S'armishthhâ na haar reprimande woedend de kleren van de deugdzame dochter van de geestelijk leraar weg en duwde ze haar in een put. (18) Toen ze naar huis ging gebeurde het dat Yayâti, die in de buurt was vanwege een jachtpartij, daar aankwam en, smachtend naar water, haar aantrof in de put. (19) Zijn bovenkleding losmakend reikte de koning naar haar die daar beneden geheel naakt was en legde hij zijn hand in de hare in zijn vriendelijkheid om haar eruit te trekken. (20-21) Tot hem, de held, zei de dochter van de denker der hitte [Us'anâ ofwel S'ukrâcârya, zie ook B.G. 10: 37] met woorden vol van liefde en genegenheid: 'O Koning met het in uw hand nemen van de mijne hebt u, o overwinnaar van alle andere koninkrijken, mijn hand aanvaard! Moge die hand niet worden beroerd door iemand anders dan u omdat de relatie tussen u en mij, die we door de voorzienigheid nu hebben o held, niet iets is dat door een mens werd beschikt! (22) Omdat ik in deze put ben beland heb ik uw goede zelf kunnen ontmoeten; [weest u zich van het volgende bewust:] geen gekwalificeerde brahmaan kan mijn echtgenoot worden o sterk gearmde, omdat Kaca, de zoon van Brihaspati, daar in het verleden een vloek tegen heeft uitgesproken nadat ik hem had vervloekt [*].'

(23) Het stond Yayâti niet aan wat door God was beschikt, maar voor zichzelf denkend stemde hij, tot haar aangetrokken, echter in met wat ze hem zei. (24) Nadat de koning was vertrokken legde ze, weer naar huis teruggekeerd, in tranen alles aan haar vader voor verslag doend van wat S'armishthhâ had gedaan en wat er daarna gezegd was. (25) De machtige denker was er hoogst ongelukkig mee en het priesterschap vervloekend en de bezigheid van het verzamelen van de granen lovend [uñcha-vritti, zie 7.11: 16 en 7.12: 17-19] verliet hij met zijn dochter zijn verblijfplaats. (26) Vrishaparvâ die begreep dat zijn geestelijk leraar dat deed om te berispen of te vervloeken, stemde hem gunstig door hem met gebogen hoofd tegemoet te komen en zich neer te werpen voor de voeten. (27) De machtige zoon van Bhrigu, wiens woede niet langer dan een enkel moment kon duren, zei toen tot zijn discipel: 'Alstublieft kom aan haar wensen tegemoet, o Koning, zolang als ik leef ben ik niet in staat het met dit meisje op te geven!'

(28) Met zijn instemmen om de zaak af te handelen gaf Devayânî uitdrukking aan haar verlangen: 'Ik zal naar wie ook toe gaan aan wie mijn vader mij wegschenkt, samen met mijn dienares [S'armishthhâ] en haar vriendinnen.'

(29) Op dat moment wijselijk inziend wat het gevaar alswel het voordeel was van zijn [de âcârya zijn] grootheid, schonk de vader S'armishthhâ tezamen met haar vriendinnen aan Devayânî opdat zij met de duizenden andere vrouwen zorg zou dragen voor Devayânî als haar dienares. (30) Aan de nazaat van Nahusha zijn dochter samen met S'armishthhâ uithuwelijkend zei Us'anâ tot hem: 'O Koning, laat S'armishthhâ nimmer toe tot uw sponde!'

(31) Toen S'armishthhâ [later echter] zag hoe Us'anâ's dochter leuke kinderen had, vroeg ze hem eens op een gunstig tijdstip op een afgezonderde plaats, of hij als de echtgenoot van haar vriendin niet voor haar als een trouwe echtgenote voelde. (32) Zich herinnerend wat S'ukra had gezegd toen hij instructie verschafte voor een moment als dit, nam hij, door die prinses verzocht een zoon met haar te hebben, vanuit zijn eigen plichtsbesef en de algemene religieuze beginselen het besluit om aan haar toe te geven [vergelijk B.G. 7: 11]. (33) Yadu en Turvasu waren degenen die geboorte namen uit Devayânî en Druhyu, Anu en Pûru waren er van S'armishthhâ, de dochter van Vrishaparvâ. (34) Ontdekkend dat S'armishthhâ in verwachting was van hem vertrok Devayânî, kokend van woede, trots als ze was naar de woning van haar vader. (35) Zijn lieveling, de lust van zijn leven, achterna gegaan, probeerde hij haar gunstig te stemmen met veelbetekenende woorden maar hij kon haar zelfs niet tot vrede bewegen door haar voeten te masseren. (36) S'ukra kwaad op hem zei: 'Jij rokkenjagende bedrieglijke kerel, moge jou, dwaas, de ouderdom toevallen die het menselijk lichaam misvormt.'

(37) S'rî Yayâti zei: 'Tot nu toe is mijn lust nog niet bevredigd met uw dochter, o brahmaan!' [S'ukra antwoordde:] 'Zolang u nog van de lust bent mag u uw gedenkwaardigheid inwisselen voor de jeugd van iemand die bereid is uw plaats voor u in te nemen.'

(38) En zo greep hij de kans om van plaats te verwisselen met zijn oudste zoon hem vragend: 'O Yadu, geliefde zoon, schenk me alsjeblieft je jeugd in ruil voor deze ouderdom! (39) Met wat de vader van je moeder me gaf mijn beste zoon, ben ik niet bevredigd in mijn zinnelijke behoeften, sta het me toe bij het goede van jouw leeftijd nog een paar jaren meer van het leven te genieten!' [zie ook 7.5: 30]

(40) S'rî Yadu zei: 'Het stemt me niet gelukkig uw oude dag op me te nemen terwijl u zich in de jeugd verheugd. Zonder [het hebben gehad van] de ervaring van lichamelijk geluk zal een persoon [als ik] nimmer onverschillig raken over materiële genoegens!' [zie ook: 7.12: 9-11 en B.G 4: 13]

(41) De vader vroeg het aan Turvasu, Druhyu en aan Anu, o zoon van Bharata, maar ze weigerden het te aanvaarden omdat ze, niet bekend met de ware aard [van de ziel], hun tijdelijkheid aanzagen voor iets blijvends. (42) Hij vroeg het aan Pûru hoewel hij een jongere zoon was, hem zeggend: 'Mijn beste zoon, jij bent van een beter gehalte, jij zou me niet, zoals je oudere broers, moeten weigeren.'

(43) S'rî Pûru zei: 'Wie o Koning, beste onder de mensen, krijgt in deze wereld de gelegenheid de vader terug te betalen die hem dit lichaam schonk; bij zijn genade is het mogelijk dat hij een hoger leven kan genieten. (44) Hij die handelt naar de wensen van zijn vader is de beste, hij die handelt naar wat hem wordt opgedragen is maar middelmatig en van een laag allooi is hij die handelt zonder geloof te hechten, maar als stront is hij die tegen het woord van zijn vader ingaat.'

(45) Op deze manier was het genoegen geheel aan Pûru om de last van zijn vader's ouderdom op zich te nemen, en die was zeer ingenomen met al de verlangens die hoorden bij de jeugd van zijn zoon waar hij om gevraagd had, o heerser over de mensen. (46) Als de meester over het geheel van de zeven continenten regeerde hij als een vader over zijn onderdanen, zoveel als hij maar wilde het materiële geluk genietend zonder enige beperking van zijn zinnen. (47) Devayânî diende eveneens vierentwintig uur per dag als de liefste van haar geliefde in alle beslotenheid met haar hele lichaam, geest en woorden en alles wat erbij nodig was om hem de goddelijke verrukking te bezorgen. (48) Met verschillende rituelen Hari aanbiddend, de Persoonlijkheid van het Offer, de God en het Reservoir van alle Goddelijkheid en Het Voorwerp van Alle Vedische Kennis, was Yayâti van een overvloedige liefdadigheid. (49) Gelijk een massa wolken in de lucht doet heel de, in Hemzelf, geschapen wereld zich dan weer voor als een verscheidenheid aan levensvormen, en dan weer vertoont hij zich niet, als was hij een creatie van de geest zoals in een droom [zie ook B.G. 7: 24-25]. (50) Zeker van Hem, Heer Vâsudeva in zijn hart, de Ene Nârâyana die in een ieder aanwezig is maar zichtbaar is voor niemand, aanbad hij vrij van verlangens de Allerhoogste Meester. (51) Hoewel hij aldus voor de periode van een duizendtal jaren te werk ging met de geest en de vijf zinnen in een idee van werelds geluk, kon hij, onzuiver in zijn sensualiteit, niet bevredigd raken, zelfs al was hij de heerser over allen.

   

next

 
 

Tweede editie, geladen 22 januari 2008    

 

 

 

 

 

Vorige Aadhar-editie en Vedabase links:

 

Tekst 1

S'rî S'uka zei: 'Van koning Nahusha [een andere zoon van Purûravâ's zoon Âyu] waren er net als de zes zintuigen van een belichaamde ziel [met de geest als het zesde], de zes van Yati, Yayâti, Samyâti, Âyati, Viyati en Kriti.

S'rî S'uka zei: 'Van koning Nahusha [een andere zoon van Purûravâ's zoon Âyu] waren er net als de zes zintuigen van een belichaamde ziel [met de geest als het zesde], de zes van Yati, Yayâti, Samyâti, Âyati, Viyati en Kriti. (Vedabase)

 

Tekst 2

De oudste zoon Yati, die wist wat het inhield om macht uit te oefenen, aanvaardde het koninkrijk niet dat zijn vader hem bood, [want, zo argumenteerde hij,] de persoon die een dergelijke positie inneemt kan geen ernst maken met zijn zelfverwerkelijking.

De oudste zoon Yati, die wist wat het inhield om macht uit te oefenen, aanvaardde het koninkrijk niet dat zijn vader hem bood, [want, zo argumenteerde hij,] de persoon die een dergelijke positie inneemt kan geen ernst maken met zijn zelfverwerkelijking. (Vedabase)

 

Tekst 3

Toen zijn vader er door de brahmanen toe werd gedwongen om afstand te doen van zijn verheven positie, vanwege het beledigen van Indra's vrouw S'acî, en hij was afgezakt tot het leven van een slang, werd Yayâti de koning.

Toen zijn vader er door de brahmanen toe werd gedwongen om afstand te doen van zijn verheven positie, vanwege het beledigen van Indra's vrouw S'acî, en hij was afgezakt tot het leven van een slang, werd Yayâti de koning. (Vedabase)

 

Tekst 4

De vier broers jonger dan hem stond hij het toe om de verschillende windstreken te besturen. Yayâti aldus de wereld regerend huwde de dochters [Devayânî] van S'ukrâcârya en [S'armishthhâ van] Vrishaparvâ.'

De vier broers jonger dan hem stond hij het toe om de verschillende windstreken te besturen. Yayâti aldus de wereld regerend huwde de dochters [Devayânî] van S'ukrâcârya en [S'armishthhâ van] Vrishaparvâ.' (Vedabase)

 

Tekst 5

De koning zei: 'De machtige ziener S'ukrâcârya was een brahmaan terwijl Yayâti behoorde tot de klasse der kshatriya's; hoe kon er tegen de gebruiken in een [pratiloma-]huwelijk van een brahmaan [-se dochter] zijn met een kshatriya?' [anuloma, omgekeerd, was meer algemeen].

De koning zei: 'De machtige ziener S'ukrâcârya was een brahmaan terwijl Yayâti behoorde tot de klasse der kshatriya's; hoe kon er tegen de gebruiken in een [pratiloma-] huwelijk van een brahmaan [-se dochter] zijn met een kshatriya?' [anuloma, omgekeerd, was meer algemeen].(Vedabase)

   

Tekst 6-7

S'rî S'uka zei: 'Op een dag was Vrishaparvâ's dochter genaamd S'armishthhâ, een meisje met een moeilijk karakter, tezamen met duizenden vriendinnen en de dochter van de goeroe Devayânî, zo onschuldig als ze was in de paleistuin aan het rondlopen waar het vol met lotusbloemen en overal bloeiende bomen gezellig zoemde van de hommels.

S'rî S'uka zei: 'Op een dag was Vrishaparvâ's dochter genaamd S'armishthhâ, een meisje met een moeilijk karakter, tezamen met duizenden vriendinnen en de dochter van de goeroe Devayânî, zo onschuldig als ze was in de paleistuin aan het rondlopen waar het vol met lotusbloemen en overal bloeiende bomen gezellig zoemde van de hommels. (Vedabase)

   

Tekst 8

Al de lotus-ogige meisjes aankomend bij de oever van het meer aldaar deden hun kleren uit aan de kant en begonnen zich te vermaken in het water elkaar natspetterend.

Al de lotus-ogige meisjes aankomend bij de oever van het meer aldaar deden hun kleren uit aan de kant en begonnen zich te vermaken in het water elkaar natspetterend. (Vedabase)

 

Tekst 9

Toen ze Heer S'iva voorbij zagen komen met de godin [Pârvatî] gezeten op zijn stier, kwamen de jonge meisjes snel uit het water om zich vol schaamte te bedekken met hun kledingstukken.

Toen ze Heer S'iva voorbij zagen komen met de godin [Pârvatî] gezeten op zijn stier, kwamen de jonge meisjes snel uit het water om zich vol schaamte te bedekken met hun kledingstukken. (Vedabase)

 

Tekst 10

S'armishthhâ zonder het in de gaten te hebben trok als was het haar eigen kleed de kleren van de dochter van de goeroe aan waarop Devayânî geïrriteerd dit zei:

S'armishthhâ zonder het in de gaten te hebben trok als was het haar eigen kleed de kleren van de dochter van de goeroe aan waarop Devayânî geïrriteerd dit zei: (Vedabase)

 

Tekst 11

'Hoe jammer, zie nou toch eens hoe zij, als een dienstmeid, indruist tegen de goede zeden. Net als een hond uit op de ghee voor een offerplechtigheid heeft ze het kledingstuk aangetrokken dat voor mij bedoeld was!

'Hoe jammer, zie nou toch eens hoe zij, als een dienstmeid, indruist tegen de goede zeden. Net als een hond uit op de ghee voor een offerplechtigheid heeft ze het kledingstuk aangetrokken dat voor mij bedoeld was! (Vedabase)

 

Tekst 12-14

Van hen door wiens verzaking deze gehele wereld werd geschapen, van hen die het aangezicht vormen van de Persoonlijkheid van de Transcendentie en door wiens vroomheid het licht van de juiste weg gekend wordt, van hen aan wie de meesters van de wereld, de verlichte zielen van beheersing en zelfs de Allerhoogste Heer, de Zuiverende Superziel en Echtgenoot van de Godin hun gebeden opdragen, van ons afstammelingen van Bhrigu beter dan de rest heeft zij, wiens duistere vader een leerling is van onze vader, als een laag-bij-de-grondse s'ûdra aangetrokken wat bedoeld was als onze kleding - het is als een onkuis iemand die de Veda's onder de knie probeert te krijgen!'

Van hen door wiens verzaking deze gehele wereld werd geschapen, van hen die het aangezicht vormen van de Persoonlijkheid van de Transcendentie en door wiens vroomheid het licht van de juiste weg gekend wordt, van hen aan wie de meesters van de wereld, de verlichte zielen van beheersing en zelfs de Allerhoogste Heer, de Zuiverende Superziel en Echtgenoot van de Godin hun gebeden brengen, van ons afstammelingen van Bhrigu beter dan de rest heeft zij, wiens duistere vader een leerling is van onze vader, als een laag-bij-de-grondse arbeider aangetrokken wat bedoeld was als onze kleding - alsof een onkuis iemand zich met de Veda's zou kunnen inlaten!' (Vedabase)

 

Tekst 15

S'armishthhâ aldus terecht gewezen ademde zwaar als een slang waarop men heeft getrapt en zei zeer kwaad op haar lip bijtend tegen de dochter van de goeroe:

S'armishthhâ aldus terecht gewezen ademde zwaar als een slang waarop men heeft getrapt en zei zeer kwaad op haar lip bijtend tegen de dochter van de goeroe: (Vedabase)

 

Tekst 16

'Wat een onzin, jij bedelares! Je kent je plaats niet. Ben jij het niet die buiten bij ons huis staat te wachten [op voedsel] zoals de kraaien dat doen?'

= 'Wat een onzin, jij bedelares! Je kent je plaats niet. Ben jij het niet die buiten bij ons huis staat te wachten [op voedsel] zoals de kraaien dat doen?' (Vedabase)

 

Tekst 17

Met deze onaardige woorden griste S'armishthhâ na haar reprimande woedend de kleren van de deugdzame dochter van de geestelijk leraar weg en duwde ze haar in een put.

Met deze onaardige woorden griste S'armishthhâ na haar reprimande woedend de kleren van de deugdzame dochter van de geestelijk leraar weg en duwde ze haar in een put. (Vedabase)

  

Tekst 18

Toen ze naar huis ging gebeurde het dat Yayâti, die in de buurt was vanwege een jachtpartij, daar aankwam en, smachtend naar water, haar aantrof in de put.

Toen ze naar huis ging gebeurde het dat Yayâti, in de buurt verkerend vanwege een jachtpartij, daar aankwam en, smachtend naar water, haar aantrof in de put. (Vedabase)

 

Tekst 19

Zijn bovenkleding losmakend reikte de koning naar haar die daar beneden geheel naakt was en legde hij zijn hand in de hare in zijn vriendelijkheid om haar eruit te trekken.

Zijn bovenkleding losmakend reikte de koning naar het naakte van haar daar beneden en legde hij zijn hand in de hare in zijn vriendelijkheid om haar eruit te trekken. (Vedabase)

 

Tekst 20-21

Tot hem, de held, zei de dochter van de denker der hitte [Us'anâ ofwel S'ukrâcârya, zie ook B.G. 10: 37] met woorden vol van liefde en genegenheid: 'O Koning met het in uw hand nemen van de mijne hebt u, o overwinnaar van alle andere koninkrijken, mijn hand aanvaard! Moge die hand niet worden beroerd door iemand anders dan u omdat de relatie tussen u en mij, die we door de voorzienigheid nu hebben o held, niet iets is dat door een mens werd beschikt!

Tot hem, de held, zei de dochter van de denker der hitte [Us'anâ ofwel S'ukrâcârya, zie ook B.G. 10: 37] met woorden vol van liefde en genegenheid: 'O Koning met het in uw hand nemen van de mijne hebt u, o overwinnaar van alle andere koninkrijken, mijn hand aanvaard! Moge die hand niet worden beroerd door iemand anders dan u daar de relatie tussen u en mij, die we door de voorzienigheid nu hebben o held, niet iets is dat door de mens werd beschikt!(Vedabase)

 

Tekst 22

Omdat ik in deze put ben beland heb ik uw goede zelf kunnen ontmoeten; [weest u zich van het volgende bewust:] geen gekwalificeerde brahmaan kan mijn echtgenoot worden o sterk gearmde, omdat Kaca, de zoon van Brihaspati, daar in het verleden een vloek tegen heeft uitgesproken nadat ik hem had vervloekt [*].'

Omdat ik in deze put ben beland heb ik uw goede zelf kunnen ontmoeten; [weest u zich van het volgende bewust:] geen gekwalificeerde brahmaan kan mijn echtgenoot worden o sterk gearmde, omdat Kaca, de zoon van Brihaspati, dat in het verleden heeft vervloekt nadat ik hem had vervloekt [*].' (Vedabase)

 

Tekst 23

Het stond Yayâti niet aan wat door God was beschikt, maar voor zichzelf denkend stemde hij, tot haar aangetrokken, echter in met wat ze hem zei.

Het stond Yayâti niet aan wat door God was beschikt, maar voor zichzelf denkend stemde hij, tot haar aangetrokken, echter in met wat ze hem zei. (Vedabase)

 

Tekst 24

Nadat de koning was vertrokken legde ze, weer naar huis teruggekeerd, in tranen alles aan haar vader voor verslag doend van wat S'armishthhâ had gedaan en wat er daarna gezegd was.

Nadat de koning was vertrokken legde ze, weer naar huis terug gekeerd, in tranen alles aan haar vader voor verslag doend van wat S'armishthhâ had gedaan en wat er daarna gezegd was. (Vedabase)

 

Tekst 25

De machtige denker was er hoogst ongelukkig mee en het priesterschap vervloekend en de bezigheid van het verzamelen van de granen lovend [uñcha-vritti, zie 7.11: 16 and 7.12: 17-19] verliet hij met zijn dochter zijn verblijfplaats.

De machtige denker was er hoogst ongelukkig mee en het priesterschap vervloekend en de bezigheid van het verzamelen van de granen lovend [uñcha-vritti, zie 7.11: 16 and 7.12: 17-19] verliet hij met zijn dochter zijn verblijfplaats. (Vedabase)

   

Tekst 26

Vrishaparvâ die begreep dat zijn geestelijk leraar dat deed om te berispen of te vervloeken, stemde hem gunstig door hem met gebogen hoofd tegemoet te komen en zich neer te werpen voor de voeten.

Vrishaparvâ die begreep dat zijn geestelijk leraar dat deed om te berispen of te vervloeken stemde hem gunstig op de weg [hem tegemoet komend] met zijn hoofd naar beneden neergevallen voor de voeten. (Vedabase)

   

Tekst 27

De machtige zoon van Bhrigu, wiens woede niet langer dan een enkel moment kon duren, zei toen tot zijn discipel: 'Alstublieft kom aan haar wensen tegemoet, o Koning, zolang als ik leef ben ik niet in staat het met dit meisje op te geven!'

De machtige zoon van Bhrigu, wiens woede niet langer dan een enkel moment kon duren, zei toen tot zijn discipel: 'Alstublieft kom aan haar wensen tegemoet, o Koning, zolang als ik leef ben ik niet in staat het met dit meisje op te geven!'(Vedabase)

 

Tekst 28

Met zijn instemmen om de zaak af te handelen gaf Devayânî uitdrukking aan haar verlangen: 'Ik zal naar wie ook toe gaan aan wie mijn vader mij wegschenkt, samen met mijn dienares [S'armishthhâ] en haar vriendinnen.'

Met zijn instemmen om de zaak af te handelen gaf Devayânî uitdrukking aan haar verlangen: 'Ik zal naar wie ook toe gaan aan wie mijn vader mij wegschenkt, samen met mijn dienares [S'armishthhâ] en haar vriendinnen.' (Vedabase)

 

Tekst 29

Op dat moment wijselijk inziend wat het gevaar alswel het voordeel was van zijn [de âcârya zijn] grootheid, schonk de vader S'armishthhâ tezamen met haar vriendinnen aan Devayânî opdat zij met de duizenden andere vrouwen zorg zou dragen voor Devayânî als haar dienares.

Op dat moment wijselijk inziend wat het gevaar alswel het voordeel was van zijn [de âcârya zijn] grootheid, schonk de vader S'armishthhâ tezamen met haar vriendinnen aan Devayânî opdat zij met de duizenden andere vrouwen zorg zou dragen voor Devayânî als haar dienares. (Vedabase)

 

Tekst 30

Aan de nazaat van Nahusha zijn dochter samen met S'armishthhâ uithuwelijkend zei Us'anâ tot hem: 'O Koning, laat S'armishthhâ nimmer toe tot uw sponde!'

Aan de nazaat van Nahusha zijn dochter samen met S'armishthhâ uithuwelijkend zei Us'anâ tot hem: 'O Koning, laat S'armishthhâ nimmer toe tot uw sponde!' (Vedabase)

 

Tekst 31

Toen S'armishthhâ [later echter] zag hoe Us'anâ's dochter leuke kinderen had, vroeg ze hem eens op een gunstig tijdstip op een afgezonderde plaats, of hij als de echtgenoot van haar vriendin niet voor haar als een trouwe echtgenote voelde.

Toen S'armishthhâ [later echter] zag hoe Us'anâ's dochter leuke kinderen had, vroeg ze hem eens op het juiste ogenblik ervoor op een afgezonderde plaats, of hij als de echtgenoot van haar vriendin niet voor haar als een trouwe echtgenote voelde. (Vedabase)

 

Tekst 32

Zich herinnerend wat S'ukra had gezegd toen hij instructie verschafte voor een moment als dit, nam hij, door die prinses verzocht een zoon met haar te hebben, vanuit zijn eigen plichtsbesef en de algemene religieuze beginselen het besluit om aan haar toe te geven [vergelijk B.G. 7: 11].

Zich herinnerend wat S'ukra had gezegd toen hij instructie verschafte voor een moment als dit, besloot hij, door die prinses verzocht een zoon met haar te hebben, vanuit zijn eigen plichtsbesef en de algemene religieuze beginselen er toe om aan haar toe te geven [vergelijk B.G. 7: 11]. (Vedabase)

 

Tekst 33

Yadu en Turvasu waren degenen die geboorte namen uit Devayânî en Druhyu, Anu en Pûru waren er van S'armishthhâ, de dochter van Vrishaparvâ.

Yadu en Turvasu eveneens waren degenen die geboorte namen uit Devayânî en Druhyu, Anu en Pûru waren er van S'armishthhâ, de dochter van Vrishaparvâ. (Vedabase)

 

Tex 34

Ontdekkend dat S'armishthhâ in verwachting was van hem vertrok Devayânî, kokend van woede, trots als ze was naar de woning van haar vader.

Ontdekkend dat S'armishthhâ in verwachting was van hem vertrok Devayânî in haar trots kokend van woede naar de woning van haar vader. (Vedabase)

  

Tekst 35

Zijn lieveling, de lust van zijn leven, achterna gegaan, probeerde hij haar gunstig te stemmen met veelbetekenende woorden maar hij kon haar zelfs niet tot vrede bewegen door haar voeten te masseren.

Zijn lieveling, de lust van zijn leven, achterna gegaan, probeerde hij haar gunstig te stemmen met veelbetekenende woorden maar hij kon haar zelfs niet tot vrede bewegen door haar voeten te masseren. (Vedabase)

 

Tekst 36

S'ukra kwaad op hem zei: 'Jij rokkenjagende bedrieglijke kerel, moge jou, dwaas, de ouderdom toevallen die het menselijk lichaam misvormt.'

S'ukra kwaad op hem zei: 'Jij rokkenjagende bedrieglijke kerel, moge jou, dwaas, de ouderdom toevallen die het menselijk lichaam misvormt.' (Vedabase)

 

Tekst 37

S'rî Yayâti zei: 'Tot nu toe is mijn lust nog niet bevredigd met uw dochter, o brahmaan!'

[S'ukra antwoordde:] 'Zolang u nog van de lust bent mag u uw gedenkwaardigheid inwisselen voor de jeugd van iemand die bereid is uw plaats voor u in te nemen.'

S'rî Yayâti zei: 'Tot nu toe is mijn lust nog niet bevredigd met uw dochter, o brahmaan!'

[S'ukra antwoordde:] 'Zo lang u nog lustig bent mag u uw gedenkwaardigheid uitwisselen met de jeugd van iemand die bereid is uw plaats voor u in te nemen.' (Vedabase)

 

Tekst 38

En zo greep hij de kans om van plaats te verwisselen met zijn oudste zoon hem vragend: 'O Yadu, geliefde zoon, schenk me alsjeblieft je jeugd in ruil voor deze ouderdom!

En zo maakte hij van de gelegenheid gebruik om van plaats te verwisselen zijn oudste zoon vragend: 'O Yadu, geliefde zoon, schenk me alsjeblieft je jeugd in ruil voor deze ouderdom! (Vedabase)

 

Tekst 39

Met wat de vader van je moeder me gaf mijn beste zoon, ben ik niet bevredigd in mijn zinnelijke behoeften, sta het me toe bij het goede van jouw leeftijd nog een paar jaren meer van het leven te genieten!' [zie ook 7.5: 30]

Met wat de vader van je moeder me gaf mijn beste zoon, ben ik niet bevredigd in mijn zinnelijke behoeften, sta het me toe bij het goede van jouw leeftijd nog een paar jaren meer van het leven te genieten!' [zie ook 7.5: 30] (Vedabase)

 

Tekst 40

S'rî Yadu zei: 'Het stemt me niet gelukkig uw oude dag op me te nemen terwijl u zich in de jeugd verheugd. Zonder [het hebben gehad van] de ervaring van lichamelijk geluk zal een persoon [als ik] nimmer onverschillig raken over materiële genoegens!' [zie ook: 7.12: 9-11 en B.G 4: 13]

S'rî Yadu zei: 'Ik ben niet blij met uw oude dag terwijl u zich in de jeugd ophoudt. Zonder [het hebben gehad van] de ervaring van lichamelijk geluk zal een persoon [als ik] nimmer onverschillig raken over materiële genoegens!' [zie ook: 7.12: 9-11 and B.G 4: 13]. (Vedabase)

 

Tekst 41

De vader vroeg het aan Turvasu, Druhyu en aan Anu, o zoon van Bharata, maar ze weigerden het te aanvaarden omdat ze, niet bekend met de ware aard [van de ziel], hun tijdelijkheid aanzagen voor iets blijvends.

Turvasu erom verzocht door de vader en Druhyu en Anu ook, o zoon van Bharata, weigerden het te aanvaarden daar zij, niet bekend met de ware aard [van de ziel], van hun tijdelijkheid daadwerkelijk dachten dat het iets permanents was. (Vedabase)

 

Tekst 42

Hij vroeg het aan Pûru hoewel hij een jongere zoon was, hem zeggend: 'Mijn beste zoon, jij bent van een beter gehalte, jij zou me niet, zoals je oudere broers, moeten weigeren.'

Hoewel hij een zoon van een jongere leeftijd was vroeg hij het aan Pûru zeggend: 'Jij beste zoon, van een betere kwaliteit, zou me niet, zoals je oudere broers, moeten weigeren.' (Vedabase)

 

Tekst 43

S'rî Pûru zei: 'Wie o Koning, beste onder de mensen, krijgt in deze wereld de gelegenheid de vader terug te betalen die hem dit lichaam schonk; bij zijn genade is het mogelijk dat hij een hoger leven kan genieten.

S'rî Pûru zei: 'Wat o Koning, beste onder de mensen, heeft deze wereld te betekenen als een persoon in de gelegenheid is de vader terug te betalen die hem dit lichaam schonk, daar het bij zijn genade mogelijk is dat hij een hoger leven kan genieten. (Vedabase)

 

Tekst 44

Hij die handelt naar de wensen van zijn vader is de beste, hij die handelt naar wat hem wordt opgedragen is maar middelmatig en van een laag allooi is hij die handelt zonder geloof te hechten, maar als stront is hij die tegen het woord van zijn vader ingaat.'

Hij die handelt met respekt voor wat zijn vader denkt is de beste, hij die handelt op zijn gebod is maar middelmatig en van een laag allooi is hij die handelt zonder geloof te hechten, maar als stront is hij die het woord van zijn vader tegenstreeft. (Vedabase)

 

Tekst 45

Op deze manier was het genoegen geheel aan Pûru om de last van zijn vader's ouderdom op zich te nemen, en die was zeer ingenomen met al de verlangens die hoorden bij de jeugd van zijn zoon waar hij om gevraagd had, o heerser over de mensen.

Op deze manier was het genoegen geheel aan Pûru om de ouderdom op zich te nemen van zijn vader die zeer tevreden was met al de verlangens van de jeugd van zijn zoon waar hij om gevraagd had, o heerser over de mensen. (Vedabase)

 

Tekst 46

Als de meester over het geheel van de zeven continenten regeerde hij als een vader over zijn onderdanen, zoveel als hij maar wilde het materiële geluk genietend zonder enige beperking van zijn zinnen.

Als de meester over het geheel van de zeven continenten regeerde hij als een vader over zijn onderdanen, zoveel als hij maar wilde het materiële geluk genietend zonder enige beperking van zijn zinnen. (Vedabase)

 

Tekst 47

Devayânî diende eveneens vierentwintig uur per dag als de liefste van haar geliefde in alle beslotenheid met haar hele lichaam, geest en woorden en alles wat erbij nodig was om hem de goddelijke verrukking te bezorgen.

Devayânî diende eveneens vierentwintig uur per dag als de liefste van haar geliefde in alle beslotenheid met haar hele lichaam, geest en woorden en alles wat erbij nodig was om hem de goddelijke verrukking te bezorgen. (Vedabase)

 

Tekst 48

Met verschillende rituelen Hari aanbiddend, de Persoonlijkheid van het Offer, de God en het Reservoir van alle Goddelijkheid en Het Voorwerp van Alle Vedische Kennis, was Yayâti van een overvloedige liefdadigheid.

Met verschillende rituelen Hari aanbiddend, de Persoonlijkheid van het Offer, de God en het Reservoir van alle Goddelijkheid en Het Voorwerp van Alle Vedische Kennis, was hij van een overvloedige liefdadigheid. (Vedabase)

 

Tekst 49

Gelijk een massa wolken in de lucht doet heel de, in Hemzelf, geschapen wereld zich dan weer voor als een verscheidenheid aan levensvormen, en dan weer vertoont hij zich niet, als was hij een creatie van de geest zoals in een droom [zie ook B.G. 7: 24-25].

Hij, in wie de gehele schepping zoals ingesteld door Hem wordt gevonden, is gemanifesteerd als de hemel ten opzichte van de wolken naar de verschillende soorten van levens en is niet-gemanifesteerd als een droombeeld voor de geest om in rond te waren [zie ook B.G. 7: 24-25]. (Vedabase)

 

Tekst 50

Zeker van Hem, Heer Vâsudeva in zijn hart, de Ene Nârâyana die in een ieder aanwezig is maar zichtbaar is voor niemand, aanbad hij vrij van verlangens de Allerhoogste Meester.

Zeker van Hem, Heer Vâsudeva in zijn hart, de Ene Nârâyana die in een ieder aanwezig is maar zichtbaar is voor niemand, aanbad hij vrij van verlangens de Allerhoogste Meester. (Vedabase)

 

Tekst 51

Hoewel hij aldus voor de periode van een duizendtal jaren te werk ging met de geest en de vijf zinnen in een idee van werelds geluk, kon hij, onzuiver in zijn sensualiteit, niet bevredigd raken, zelfs al was hij de heerser over allen.

Hoewel hij aldus voor de periode van een duizendtal jaren te werk ging met de geest en de vijf zinnen in een idee van werelds geluk, kon hij, onzuiver in zijn sensualiteit, niet bevredigd raken, zelfs al was hij de heerser over allen. (Vedabase)

  

 

* Swâmi Prabhupâda verklaart: 'Kaca, de zoon van de geleerde hemelse priester Brihaspati, was een voormalig student van S'ukrâcârya, van wie hij de kunst van het weer opnieuw tot leven wekken van een voortijdig gestorven mens had geleerd. Deze kunst, genaamd mrita-sañjîvanî, werd met name in tijden van oorlog toegepast. Als er eens een oorlog was, zouden er ongetwijfeld soldaten vroegtijdig de dood vinden, maar als zijn lichaam nog intact was, kon hij weer tot leven worden gewekt door deze mrita-sañjîvanî kunst. Deze kunst was S'ukrâcârya bekend en ook vele anderen, en Kaca, de zoon van Brihaspati, werd S'ukrâcârya's leerling om dit onder de knie te krijgen. Devayânî verlangde naar Kaca als haar echtgenoot, maar Kaca, uit achting voor S'ukrâcârya, beschouwde de dochter van de goeroe als een te respecteren hoger geplaatste en weigerde daarom met haar te trouwen. Devayânî vervloekte kwaad Kaca hem zeggend dat hoewel hij de mrita-sañjîvanî kunst had geleerd van haar vader, het hem van geen nut zou zijn. Eenmaal zo vervloekt, sloeg Kaca terug met de vloek dat Devayânî nooit een man zou hebben die een brâhmana was.'

 

 

 

 

Voor deze oorspronkelijke vertaling is een alles-in-een band exemplaar
met uitgebreid commentaar gebruikt.
ISBN: o-91277-27-7
Het schilderij is getiteld 'Karma' en is © van
Wim Kuenen, gebruikt met toestemming.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd.


 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties