Canto
9
Hoofdstuk 24: De Yadu en Vrishni Dynastieën, Prithâ en de Glorie van Heer Krishna
(1) S'rî S'uka zei: 'In haar [zie 9.23: 35-38] verwekte Vidarbha [de zoon van de Yadu Jyâmagha] de twee zoons Kus'a en Kratha en een derde [eveneens, zie 9.23: 7-10] genaamd Romapâda die de favoriet van de Vidarbha dynastie was. (2) Romapâda's zoon was Babhru, van Babhru kwam Kriti ter wereld en van zijn zoon Us'ika was Cedi er [zie ook 9.22: 6] door wie Caidya [Damaghosha, 7.1: 18] en andere beschermers van de mensen werden geboren. (3-4) Van Kratha was er een zoon genaamd Kunti, door wie Vrishni ter wereld kwam van wie toen Nirvriti zijn geboorte nam door wie hij die Das'ârha werd genoemd het levenslicht zag. Van hem was er een zoon Vyoma die Jîmûta verwekte die Vikriti als zijn zoon had van wie Bhîmaratha werd geboren wiens zoon Navaratha Das'aratha kreeg. (5) Karambhi van S'akuni [Das'aratha's zoon] kreeg een zoon Devarâta, zijn zoon was Devakshatra waarna er van hem Madhu was die Kuruvas'a kreeg die Anu verwekte. (6-8) Van Puruhotra, bekend als de zoon van Anu, was er Ayu, die Sâtvata als zijn zoon had en Bhajamâna, Bhaji, Divya, Vrishni, Devâvridha, Andhaka en Mahâbhoja waren de zeven zoons van Sâtvata, o waarde vriend. Van Bhajamâna waren er met één vrouw voorwaar de zoons Nimloci, Kinkana en Dhrishthi terwijl er met een andere evenzo de drie zoons S'atâjit, Sahasrâjit en Ayutâjit waren, o meester. (9) Van Devâvridha en zijn zoon Babhru worden er, zoals we dat hoorden van anderen en dat nog steeds heden ten dage zo wordt gezien, twee verzen gereciteerd door de oudere generatie: (10-11) 'Babhru, de beste van al de mensen en Devâvridha, de beste onder de goddelijken - van het akkoord van deze twee hebben al de veertienduizend-en-vijfenzestig personen [die na hem volgden] de eeuwige verblijfplaats bereikt.' en: 'In de dynastie van Mahâbhoja was er van de omgang van de Bhoja koningen Babhru en Devâvridha enkel het meer en meer volledige van het dharma'.
(12) Van Vrishni [geboren door Sâtvata] verschenen de zoons Sumitra en Yudhâjit, o onderwerper van de vijanden. S'ini en Anamitra namen geboorte door hem [Yudhâjit] en van Anamitra verscheen Nighna. (13) Van Nighna vonden de zoons Satrâjita en Prasena hun bestaan. Een andere zoon van hem heette ook S'ini en zijn zoon was Satyaka. (14) Yuyudhâna die er van Satyaka was kreeg Jaya en van hem was Kuni er wiens zoon Yugandhara was. Een andere zoon van Anamitra was Vrishni. (15) S'vaphalka en Citraratha waren zijn zoons. Verwekt in Gândinî door S'vaphalka was er Akrûra, de oudste van twaalf andere zeer gevierde zoons: (16-18) Âsanga, Sârameya en Mridura; Mriduvit, Giri, Dharmavriddha, Sukarmâ, Kshetropeksha en Arimardana; S'atrughna, Gandhamâda en Pratibâhu. Behalve de twaalf van hen was er een zuster genaamd Sucârâ. Van Akrûra waren er twee zoons genaamd Devavân en Upadeva. Citraratha had, met Prithu en Vidûratha voorop, vele zoons die bekend staan als de zoons van Vrishni.
(19) Van Kukura, Bhajamâna, S'uci en Kambalabarhisha [zoons van Andhaka zie 6-8] had Kukura een zoon genaamd Vahni en van hem was Vilomâ er. (20) Zijn zoon Kapotaromâ kreeg Anu en zijn vriend was Tumburu. Van Andhaka [Anu's zoon] was Dundubhi er van wie Avidyota er was die een zoon had genaamd Punarvasu. (21-23) Van hem waren er Âhuka en Âhukî, een zoon en een dochter, en van Âhuka waren er de zoons Devaka en Ugrasena. Devaka had vier zoons: Devavân, Upadeva, Sudeva en Devavardhana. Er bestonden ook zeven dochters, o beschermer van de mens: S'ântidevâ, Upadevâ, S'rîdevâ, Devarakshitâ, Sahadevâ, Devakî en Dhritadevâ die de oudste was. Vasudeva [Krishna's vader] trouwde met hen. (24) Kamsa, Sunâmâ, Nyagrodha, Kanka, S'anku, Suhû als ook Râshthrapâla en vervolgens Dhrishthi en Tushthimân waren Ugrasena's zoons. (25) Ugrasena's dochters Kamsâ, Kamsavatî, Kankâ, S'ûrabhû en Râshthrapâlikâ werden de echtgenotes van de jongere broers van Vasudeva.
(26) Door S'ûra die ter wereld kwam door Vidûratha [de zoon van Citraratha van Vrishni] nam een zoon genaamd Bhajamâna zijn geboorte en van hemzelf was S'ini er die de vader was van de beroemde koning Bhoja wiens zoon de gevierde Hridika is. (27) Devamîdha, S'atadhanu en Kritavarmâ waren daarna zijn zonen. Van Devamîdha was [er een andere] S'ûra er die een vrouw had genaamd Mârishâ. (28-31) In haar verwekte hij tien zoons: Vasudeva, Devabhâga, Devas'ravâ, Ânaka, Sriñjaya, S'yâmaka, Kanka, S'amîka, Vatsaka en Vrika. Toen Vasudeva zijn geboorte nam heetten de godsbewusten hem welkom met het geluid van paukengeroffel. Hij wordt ook wel Ânakadundubhi genoemd omdat hij de Heer Zijn plaats van geboorte bood. S'ûra zijn dochters Prithâ [de moeder van Arjuna, Krishna's neef en vriend] en S'rutadevâ als ook S'rutakîrti, S'rutas'ravâ en Râjâdhidevî waren zijn vijf zussen. Vader S'ûra leverde aan een kinderloze vriend genaamd Kunti, Prithâ die aldus bekend staat als Kuntî.
(32) Zij ontving van Durvâsâ, die ze had behaagd, de kennis om iedere halfgod aan te kunnen roepen. Alleen maar om uit te zoeken wat dat kon doen riep zij, de vrome, de zonnegod aan. (33) Toen ze op datzelfde ogenblik de godheid voor zich zag verschijnen, was ze zeer verrast en zei ze: 'Neemt u me niet kwalijk o godheid, keert u alstublieft weerom, ik was alleen maar bezig om te kijken wat het zou bewerkstelligen!'
(34) [De zonnegod gaf ten antwoord:] 'Om niet vruchteloos te zijn in uw ontmoeting met een godheid zal ik u hiertoe een zoon in uw schoot geven en het zo voor u regelen, o mijn schone, dat u niet zal worden onteerd.'
(35) Met het doen van die belofte maakte de zonnegod haar zwanger en keerde hij terug naar zijn hemelse verblijf. Direct daarna werd een kind geboren dat als een tweede zonnegod was. (36) Bang voor wat de mensen ervan zouden denken gaf ze met grote spijt dat kind op [Karna: 'in het oor'] het laten wegdrijvend in het water van de rivier [in een mandje, zie ook 9.23: 13]; het was inderdaad uw vrome en ridderlijke overgrootvader Pându die met haar trouwde.
(37) Uit het huwelijk van S'rutadevâ [Kuntî's zuster] met Vriddhas'armâ, de koning van Karûsha, werd toen Dantavakra geboren. Dantavakra was degene die, vervloekt door de zeven wijzen [oorspronkelijk door de Kumâra's, zie Jaya en Vijaya], een zoon werd van Diti. (38) Dhrishthaketu, de koning van Kekaya, huwde S'rutakîrti met wie hij vijf zoons met Santardana voorop. (39) Râjâdhidevî bracht met Jayasena zonen ter wereld [genaamd Vinda en Anuvinda]. Damaghosha, de koning van Cedi, trouwde toen met S'rutas'ravâ. (40) S'is'upâla, wiens geboorte ik reeds beschreef [7.1: 46; 7.10: 38], was haar zoon. Van Devabhâga [een van Vasudeva's broers] waren er met de echtgenote Kamsâ [de zoons] Citraketu en Brihadbala. (41) Met Devas'ravâ schonk Kamsavatî het leven aan Suvîra en Ishumân; en door Kanka werden Baka, Satyajit en Purujit verwekt in Kankâ. (42) Sriñjaya met Râshthrapâlikâ verwekte zoons met voorop Vrisha en Durmarshana. S'yâmaka verwekte in S'ûrabhûmi Harikes'a en Hiranyâksha. (43) In Mis'rakes'î, een meisje uit de hemel, werden door Vatsaka Vrika en andere zoons verwekt. Vrika schonk zijn echtgenote Durvâkshî zonen met Taksha, Pushkara en S'âla als de eersten. (44) Sumitra en Arjunapâla als de oudsten werden toen door S'amîka verwekt in Sudâmanî. Ânaka verwekte bij Karnikâ Ritadhâmâ en ook Jaya.
(45) Pauravî, Rohinî, Bhadrâ, Madirâ, Rocanâ en Ilâ met Devakî voorop waren de vrouwen [zie ook 21-23] aanwezig voor Ânakadundubhi [Vasudeva]. (46) Met Krita voorop waren Bala, Gada, Sârana en Durmada, Vipula en Dhruva de zonen die Vasudeva toen verwekte in Rohinî. (47-48) Subhadra, Bhadrabâhu, Durmada en Bhadra behoorden tot de twaalf zoons met Bhûta als de oudste die uit Pauravî geboorte namen. Nanda, Upananda, Kritaka, S'ûra en anderen waren de zoons van Madirâ, terwijl Kaus'alyâ [Bhadrâ] slechts aan één zoon genaamd Kes'î geboorte gaf. (49) Van haar die Rocanâ werd genoemd kwamen [met Vasudeva] Hasta, Hemângada en anderen ter wereld. In Ilâ verwekte hij de zoons aangevoerd door Uruvalka die de leidende persoonlijkheden waren van de Yadu-dynastie. (50) Ânakadundubhi verwekte in Dhritadevâ één zoon: Viprishthha, terwijl Pras'ama, Prasita en anderen de zonen van S'ântidevâ waren, o Koning. (51) Râjanya, Kalpa en Varsha waren de eersten van de tien zoons met Upadevâ en Vasu, Hamsa en Suvams'a en anderen waren de zes zoons [die Vasudeva had] met S'rîdevâ. (52) Met Devarakshitâ bracht hij het eveneens tot negen stuks die er waren met Gadâ als de eerste. Bij Sahadevâ verwekte Vasudeva acht zoons. (53-55) Zij, met S'ruta en Pravara [of Pauvara] voorop, waren rechtstreeks het dharma in eigen persoon van de Vasu's. Vasudeva verwekte in Devakî toen acht zeer geschikte zoons: Kîrtimân, Sushena, Bhadrasena, Riju, Sammardana, Bhadra en Sankarshana, de heer der serpenten. De achtste die van hen twee verscheen was de Heer in eigen persoon [Krishna]; en wat te zeggen van [Zijn zus] Subhadrâ, uw zo hoogst fortuinlijke grootmoeder, o Koning?
(56) Wanneer en waar ook er een verval van het dharma is en een toename van zondige activiteiten, dan, te dien tijde, daalt de Allerhoogste Heer, de Beheerser Hari, neer in eigen persoon [zie B.G. 4: 7]. (57) Behalve de Beheerser Zijn mededogen met de gevallen zielen bestaat er geen enkele reden voor Hem om geboorte te nemen of in actie te komen, o grote leider; Hij is de Ene in het Voorbije, de Getuige die de Superziel is [zie ook B.G. 8: 4]. (58) Wat Hij ook in gang zet middels de materiële energie doet Hij uit mededogen met de bedoeling de [materialistische] werkelijkheid tot een einde te brengen van de geboorte, het voortbestaan en de vernietiging van de levende wezens en ze terug naar huis te leiden, terug naar God ['het ware zelf te bereiken', zie B.G. 15: 7 en 13: 20-24]. (59) Met de militaire macht die met hoge onkosten door de, eigenlijk voor het leiderschap ongeschikte, onverlichte bestuurders in het leven wordt geroepen om elkaar te kunnen aanvallen, maakt Hij de weg vrij voor het terugdringen van hun aantallen [zie ook 1.11: 35, 3.3 en 7.9: 43]. (60) Zelfs voor de geesten van de heersende persoonlijkheden der verlichting [Brahmâ en S'iva] gaan de activiteiten die de Allerhoogste Heer, de doder van Madhu, aan de dag legde met Sankarshana [Balarâma], het begrip te boven. (61) Om de duisternis van de misère en het weeklagen van hen die hun geboorte gaan nemen in dit Kali-tijdperk te verdrijven, enkel om de toegewijden genade te tonen, vertoonde Hij Zijn vrome activiteiten. (62) Met het in achting hiervoor behagen [van de ziel] door de oren open te houden voor de waarheid en zichzelf bij de heilige plaatsen te houden wordt, met het contact dat men heeft in het vernemen over het bovenzinnelijke, het sterke verlangen naar vruchtdragende handelingen voorgoed vernietigd. (63-64) Hij, altijd ondernemend met de ondersteuning van de lofwaardige Kuru's, Sriñjaya's en Pândava's, Hij samen met hen die van Bhoja, Vrishni, Andhaka, Madhu, S'ûrasena en Das'ârha waren, Hij met Zijn beminnelijke glimlachen en met Zijn instructies en heldhaftige, als grootmoedig te beschouwen avonturen, behaagde de menselijke samenleving met Zijn persoonlijke gedaante welke zo aantrekkelijk is in ieder opzicht. (65) Alle mannen en vrouwen [van Vrindâvana] die tot hun voldoening zich laven aan de aanblik van Zijn gezicht en voorhoofd, schitterend opgesierd met de haaienvormige oorhangers aan Zijn prachtige oren; allen die zich laven aan Zijn glimlachen van plezier die voor het oog een festijn vormen waar men nimmer genoeg van krijgt, zijn allen boos over het knipperen van hun eigen ogen! [zie ook B.G. 7: 3] (66) Toen Hij Zijn geboorte nam liet Hij het huis van Zijn vader achter zich om in Vraja [en Vrindâvana] de sfeer te verheffen met het aldaar doden van vele demonen; Hij verwekte honderden zoons met het aanvaarden van vele duizenden van de fijnste vrouwen als Zijn echtgenotes en als de Allerhoogste Persoon aanbeden middels vele offers verbreidde Hij Zijn roem onder de mensen [de huishouders] met achting voor de vedische rituelen [zie ook B.G. 4: 8]. (67) Door ze tegen elkaar op te zetten maakte Hij in de slag [van Kurukshetra] een eind aan de grote last op deze aarde die gevormd werd door de Kuru-persoonlijkheden; onder Zijn toeziend oog werden met de triomf al de baatzuchtige heersers uit de weg geruimd in verband waarmee Hij [aan Arjuna] uitlegde wat in het leven nu de overwinning inhoud [zie Gîtâ] en tenslotte keerde Hij, na Uddhava te hebben geïnstrueerd over het bovenzinnelijke [zie 3.2, 3.4: 29, elfde Canto], terug naar Zijn hemelverblijf.'(Afbeelding: stamboom van Purûravâ tot aan Krishna)
Aldus eindigt het negende canto van het S'rîmad Bhâgavatam genaamd: Bevrijding.
Tweede editie, geladen 14 februari 2008
Vorige Aadhar-editie en Vedabase links:
S'rî S'uka zei: 'In haar [zie 7.23: 35-38] verwekte Vidarbha [de zoon van de Yadu Jyâmagha] de twee zoons Kus'a en Kratha en een derde [eveneens, zie 9.23: 7-10] genaamd Romapâda die de favoriet van de Vidarbha dynastie was.S'rî S'uka zei: 'In haar [zie 9.23: 35-38] verwekte Vidarbha [de zoon van de Yadu Jyâmagha] de twee zoons Kus'a en Kratha en een derde [eveneens, zie 9.23: 7-10] genaamd Romapâda die de favoriet van de Vidarbha dynastie was. (Vedabase)
Romapâda's zoon was Babhru, van Babhru kwam Kriti ter wereld en van zijn zoon Us'ika was Cedi er [zie ook 9.22: 6] door wie Caidya [Damaghosha, 7.1: 18] en andere beschermers van de mensen werden geboren.
Romapâda's zoon was Babhru, van Babhru kwam Kriti ter wereld en van zijn zoon Us'ika was Cedi er [zie ook 9.22:6] door wie Caidya [Damaghosha, 7.1: 18] en andere beschermers van de mensen werden geboren. (Vedabase)
Van Kratha was er een zoon genaamd Kunti, door wie Vrishni ter wereld kwam van wie toen Nirvriti zijn geboorte nam door wie hij die Das'ârha werd genoemd het levenslicht zag. Van hem was er een zoon Vyoma die Jîmûta verwekte die Vikriti als zijn zoon had van wie Bhîmaratha werd geboren wiens zoon Navaratha Das'aratha kreeg.
Van Kratha was er een zoon genaamd Kunti, door wie Vrishni ter wereld kwam van wie toen Nirvriti zijn geboorte nam door wie hij die Das'ârha werd genoemd het levenslicht zag. Van hem was er een zoon Vyoma die Jîmûta verwekte die Vikriti als zijn zoon had van wie Bhîmaratha werd geboren wiens zoon Navaratha Das'aratha kreeg. (Vedabase)
Karambhi van S'akuni [Das'aratha's zoon] kreeg een zoon Devarâta, zijn zoon was Devakshatra waarna er van hem Madhu was die Kuruvas'a kreeg die Anu verwekte.
Karambhi van S'akuni [Das'aratha's zoon] kreeg een zoon Devarâta, zijn zoon was Devakshatra waarna er van hem Madhu was die Kuruvas'a kreeg die Anu verwekte. (Vedabase)
Van Puruhotra, bekend als de zoon van Anu, was er Ayu, die Sâtvata als zijn zoon had en Bhajamâna, Bhaji, Divya, Vrishni, Devâvridha, Andhaka en Mahâbhoja waren de zeven zoons van Sâtvata, o waarde vriend. Van Bhajamâna waren er met één vrouw voorwaar de zoons Nimloci, Kinkana en Dhrishthi terwijl er met een andere evenzo de drie zoons S'atâjit, Sahasrâjit en Ayutâjit waren, o meester.
Van Pûruhotra, bekend als de zoon van Anu, was er Âyu; Bhajamâna, Bhaji, Divya, Vrishni, Devâvridha, Andhaka en Mahâbhoja waren de zeven zoons van Sâtvata, o waarde vriend. Van Bhajamâna waren er met één vrouw voorwaar de zoons Nimloci, Kinkana en Dhrishthi terwijl er met een andere evenzo de drie zoons S'atâjit, Sahasrâjit en Ayutâjit waren, o meester. (Vedabase)
Van Devâvridha en zijn zoon Babhru worden er, zoals we dat hoorden van anderen en dat nog steeds heden ten dage zo wordt gezien, twee verzen gereciteerd door de oudere generatie:
Van Devâvridha en zijn zoon Babhru worden er, zoals we dat hoorden van anderen en dat nog steeds heden ten dage zo wordt gezien, twee verzen gereciteerd door de oudere generatie: (Vedabase)
'Babhru, de beste van al de mensen en Devâvridha, de beste onder de goddelijken - van het akkoord van deze twee hebben al de veertienduizend-en-vijfenzestig personen [die na hem volgden] de eeuwige verblijfplaats bereikt.' en: 'In de dynastie van Mahâbhoja was er van de omgang van de Bhoja koningen Babhru en Devâvridha enkel het meer en meer volledige van het dharma'.
'Babhru, de beste van al de mensen en Devâvridha, de beste onder de goddelijken - van het akkoord van deze twee hebben al de veertienduizend-en-vijfenzestig personen [die na hem volgden] de eeuwige verblijfplaats bereikt.' en: 'In de dynastie van Mahâbhoja was er van de omgang van de Bhoja koningen Babhru en Devâvridha enkel het meer en meer volledige van het dharma'. (Vedabase)
Van Vrishni [geboren door Sâtvata] verschenen de zoons Sumitra en Yudhâjit, o onderwerper van de vijanden. S'ini en Anamitra namen geboorte door hem [Yudhâjit] en van Anamitra verscheen Nighna.
Van Vrishni [geboren door Sâtvata] verschenen de zoons Sumitra en Yudhâjit, o onderwerper van de vijanden. S'ini en Anamitra namen geboorte door hem [Yudhâjit] en van Anamitra verscheen Nighna. (Vedabase)
Van Nighna vonden de zoons Satrâjita en Prasena hun bestaan. Een andere zoon van hem heette ook S'ini en zijn zoon was Satyaka.
Van Nighna vonden de zoons Satrâjita en Prasena hun bestaan. Een andere zoon van hem heette ook S'ini en zijn zoon was Satyaka. (Vedabase)
Yuyudhâna die er van Satyaka was kreeg Jaya en van hem was Kuni er wiens zoon Yugandhara was. Een andere zoon van Anamitra was Vrishni.
Yuyudhâna die er van Satyaka was kreeg Jaya en van hem was Kuni er wiens zoon Yugandhara was. Een andere zoon van Anamitra was Vrishni. (Vedabase)
S'vaphalka en Citraratha waren zijn zoons. Verwekt in Gândinî door S'vaphalka was er Akrûra, de oudste van twaalf andere zeer gevierde zoons:
S'vaphalka en Citraratha waren zijn zoons. Verwekt in Gândinî door S'vaphalka was er Akrûra, de oudste van twaalf andere zeer gevierde zoons: (Vedabase)
Âsanga, Sârameya en Mridura; Mriduvit, Giri, Dharmavriddha, Sukarmâ, Kshetropeksha en Arimardana; S'atrughna, Gandhamâda en Pratibâhu. Behalve de twaalf van hen was er een zuster genaamd Sucârâ. Van Akrûra waren er twee zoons genaamd Devavân en Upadeva. Citraratha had, met Prithu en Vidûratha voorop, vele zoons die bekend staan als de zoons van Vrishni.
Âsanga, Sârameya en Mridura; Mriduvit, Giri, Dharmavriddha, S'ukarmâ, Kshetropeksha en Arimardana; S'atrughna, Gandhamâda en Pratibâhu. Behalve de twaalf van hen was er een zuster genaamd Sucârâ. Van Akrûra waren er twee zoons genaamd Devavân en Upadeva. Citraratha had, met Prithu en Vidûratha voorop, vele zoons die bekend staan als de zoons van Vrishni. (Vedabase)
Van Kukura, Bhajamâna, S'uci en Kambalabarhisha [zoons van Andhaka zie 6-8] had Kukura een zoon genaamd Vahni en van hem was Vilomâ er.
Van Kukura, Bhajamâna, S'uci en Kambalabarhisha [zoons van Andhaka zie 6-8] had Kukura een zoon genaamd Vahni en van hem was Vilomâ er. (Vedabase)
Zijn zoon Kapotaromâ kreeg Anu en zijn vriend was Tumburu. Van Andhaka [Anu's zoon] was Dundubhi er van wie Avidyota er was die een zoon had genaamd Punarvasu.
Zijn zoon Kapotaromâ kreeg Anu en zijn vriend was Tumburu. Van Andhaka [Anu's zoon] was Dundubhi er van wie Avidyota er was die een zoon had genaamd Purnarvasu. (Vedabase)
Van hem waren er Âhuka en Âhukî, een zoon en een dochter, en van Âhuka waren er de zoons Devaka en Ugrasena. Devaka had vier zoons: Devavân, Upadeva, Sudeva en Devavardhana. Er bestonden ook zeven dochters, o beschermer van de mens: S'ântidevâ, Upadevâ, S'rîdevâ, Devarakshitâ, Sahadevâ, Devakî en Dhritadevâ die de oudste was. Vasudeva [Krishna's vader] trouwde met hen.
Van hem waren er Âhuka en Âhukî, een zoon en een dochter, en van Âhuka waren er de zoons Devaka en Ugrasena. Devaka had welzeker vier zoons: Devavân, Upadeva, Sudeva en Devavardhana. Er bestonden ook zeven dochters, o beschermer van de mens: S'ântidevâ, Upadevâ, S'rîdevâ, Devarakshitâ, Sahadevâ, Devakî en Dhritadevâ die de oudste was. Vasudeva [Krishna's vader] trouwde met hen. (Vedabase)
Kamsa, Sunâmâ, Nyagrodha, Kanka, S'anku, Suhû als ook Râshthrapâla en vervolgens Dhrishthi en Tushthimân waren Ugrasena's zoons.
Kamsa, Sunâmâ, Nyagrodha, Kanka, S'anku, Suhû als ook Râshthrapâla en vervolgens Dhrishthi en Tushthimân waren Ugrasena's zoons. (Vedabase)
Ugrasena's dochters Kamsâ, Kamsavatî, Kankâ, S'ûrabhû en Râshthrapâlikâ werden de echtgenotes van de jongere broers van Vasudeva.
Ugrasena's dochters Kamsâ, Kamsavatî, Kankâ, S'ûrabhû en Râshtrapâlikâ werden de echtgenotes van de jongere broers van Vasudeva. (Vedabase)
Door S'ûra die ter wereld kwam door Vidûratha [de zoon van Citraratha van Vrishni] nam een zoon genaamd Bhajamâna zijn geboorte en van hemzelf was S'ini er die de vader was van de beroemde koning Bhoja wiens zoon de gevierde Hridika is.
Door S'ûra die ter wereld kwam door Vidûratha [de zoon van Citraratha van Vrishni] nam een zoon genaamd Bhajamâna zijn geboorte en van hemzelf was S'ini er die de vader was van de beroemde koning Bhoja wiens zoon de gevierde Hridika is. (Vedabase)
Devamîdha, S'atadhanu en Kritavarmâ waren daarna zijn zonen. Van Devamîdha was [er een andere] S'ûra er die een vrouw had genaamd Mârishâ.
Devamîdha, S'atadhanu en Kritavarmâ waren daarna zijn zonen. Van Devamîdha was [er een andere] S'ûra er die een vrouw had genaamd Mârishâ. (Vedabase)
In haar verwekte hij tien zoons: Vasudeva, Devabhâga, Devas'ravâ, Ânaka, Sriñjaya, S'yâmaka, Kanka, S'amîka, Vatsaka en Vrika. Toen Vasudeva zijn geboorte nam heetten de godsbewusten hem welkom met het geluid van paukengeroffel. Hij wordt ook wel Ânakadundubhi genoemd omdat hij de Heer Zijn plaats van geboorte bood. S'ûra zijn dochters Prithâ [de moeder van Arjuna, Krishna's neef en vriend] en S'rutadevâ als ook S'rutakîrti, S'rutas'ravâ en Râjâdhidevî waren zijn vijf zussen. Vader S'ûra leverde aan een kinderloze vriend genaamd Kunti, Prithâ die aldus bekend staat als Kuntî.
In haar verwekte hij tien zoons: Vasudeva, Devabhâga, Devas'ravâ, Ânaka, Sriñjaya, S'yâmaka, Kanka, s'amîka, Vatsaka en Vrika. Bij de geboorte van Vasudeva heetten de godbewusten hem welkom met het geluid van paukengeroffel. Hij wordt ook wel Ânakadundubhi genoemd omdat hij de Heer Zijn plaats van geboorte bood. S'ûra zijn dochters Prithâ [de moeder van Arjuna, Krishna's neef en vriend] en S'rutadevâ als ook S'rutakîrti, S'rutasravâ en Râjâdhidevî waren zijn vijf zussen. Vader S'ûra leverde een kinderloze vriend genaamd Kunti, Prithâ die aldus bekend staat als Kuntî. (Vedabase)
Zij ontving van Durvâsâ, die ze had behaagd, de kennis om iedere halfgod aan te kunnen roepen. Alleen maar om uit te zoeken wat dat kon doen riep zij, de vrome, de zonnegod aan.
Zij ontving van Durvâsâ, die ze had behaagd, de kennis om iedere halfgod aan te kunnen roepen. Alleen maar om uit te zoeken wat dat kon doen riep zij, de vrome, de zonnegod aan. (Vedabase)
Toen ze op datzelfde ogenblik de godheid voor zich zag verschijnen, was ze zeer verrast en zei ze: 'Neemt u me niet kwalijk o godheid, keert u alstublieft weerom, ik was alleen maar bezig om te kijken wat het zou bewerkstelligen!'
Toen ze op datzelfde ogenblik de godheid voor zich zag verschijnen, was ze zeer verrast en zei ze: 'Neemt u me niet kwalijk o godheid, keert u alstublieft weerom, ik maakte alleen maar gebruik om te kijken wat het zou bewerkstelligen!' (Vedabase)
[De zonnegod gaf ten antwoord:] 'Om niet vruchteloos te zijn in uw ontmoeting met een godheid zal ik u hiertoe een zoon in uw schoot geven en het zo voor u regelen, o mijn schone, dat u niet zal worden onteerd.'
[De zonnegod gaf ten antwoord:] 'Om niet vruchteloos te zijn in uw ontmoeting met een godheid zal ik u hiertoe een zoon in uw schoot geven en het zo voor u regelen, o mijn schone, dat u niet zal worden onteerd.' (Vedabase)
Met het doen van die belofte maakte de zonnegod haar zwanger en keerde hij terug naar zijn hemelse verblijf. Direct daarna werd een kind geboren dat als een tweede zonnegod was.
Met het geven van die belofte maakte de zonnegod haar zwanger en keerde hij terug naar zijn hemelse verblijf. Direkt daarna werd een kind geboren dat als een tweede zonnegod was. (Vedabase)
Bang voor wat de mensen ervan zouden denken gaf ze met grote spijt dat kind op [Karna: 'in het oor'] het laten wegdrijvend in het water van de rivier [in een mandje, zie ook 9.23: 13]; het was inderdaad uw vrome en ridderlijke overgrootvader Pându die met haar trouwde.
Bang voor wat de mensen ervan zouden denken gaf ze met grote spijt dat kind op [Karna: 'in het oor'] in het water van de rivier [in een mandje, zie ook 9.23: 13]; het was inderdaad uw vrome en ridderlijke overgrootvader Pându die met haar trouwde. (Vedabase)
Uit het huwelijk van S'rutadevâ [Kuntî's zuster] met Vriddhas'armâ, de koning van Karûsha, werd toen Dantavakra geboren. Dantavakra was degene die, vervloekt door de zeven wijzen [oorspronkelijk door de Kumâra's, zie Jaya en Vijaya], een zoon werd van Diti.
Uit het huwelijk van S'rutadevâ [Kuntî's zuster] met Vriddhas'armâ, de koning van Karûsha, werd toen Dantavakra geboren. Dantavakra was degene die, vervloekt door de zeven wijzen [oorspronkelijk door de Kumâra's, zie Jaya en Vijaya], een zoon werd van Diti. (Vedabase)
Dhrishthaketu, de koning van Kekaya, huwde S'rutakîrti met wie hij vijf zoons met Santardana voorop.
Dhrishthaketu, de koning van Kekaya, huwde S'rutakîrti met wie hij de vijf zoons had van Kekaya met Santardana voorop. (Vedabase)
Râjâdhidevî bracht met Jayasena zonen ter wereld [genaamd Vinda en Anuvinda]. Damaghosha, de koning van Cedi, trouwde toen met S'rutas'ravâ.
Râjâdhidevî bracht met Jayasena zonen ter wereld [genaamd Vinda en Anuvinda]. Damagosha, de koning van Cedi, trouwde toen met S'rutasravâ. (Vedabase)
S'is'upâla, wiens geboorte ik reeds beschreef [7.1: 46; 7.10: 38], was haar zoon. Van Devabhâga [een van Vasudeva's broers] waren er met de echtgenote Kamsâ [de zoons] Citraketu en Brihadbala.
S'is'upâla, wiens geboorte ik reeds beschreef [7.1: 46; 7.10: 38], was haar zoon. Van Devabhâga [een van Vasudeva's broers] waren er met de echtgenote Kamsâ Citraketu en Brihadbala. (Vedabase)
Met Devas'ravâ schonk Kamsavatî het leven aan Suvîra en Ishumân; en door Kanka werden Baka, Satyajit en Purujit verwekt in Kankâ.
Met Devas'ravâ schonk Kamsavatî geboorte aan Suvîra en Isumân; en door Kanka werden Baka, Satyajit en Pûrujit verwekt in Kankâ. (Vedabase)
Sriñjaya met Râshthrapâlikâ verwekte zoons met voorop Vrisha en Durmarshana. S'yâmaka verwekte in S'ûrabhûmi Harikes'a en Hiranyâksha.
Sriñjaya met Râshtrapâlikâ verwekte zoons met voorop Vrisha en Durmarshana en S'yâmaka verwekte in S'ûrabhûmi Harikes'a en Hiranyâksa. (Vedabase)
In Mis'rakes'î, een meisje uit de hemel, werden door Vatsaka Vrika en andere zoons verwekt. Vrika schonk zijn echtgenote Durvâkshî zonen met Taksha, Pushkara en S'âla als de eersten.
In Mis'rakes'î, een meisje uit de hemel, werden door Vatsaka Vrika en andere zoons verwekt. Vrika schonk zijn echtgenote Durvâksî zonen met Taksha, Pushkara en S'âla als de eersten. (Vedabase)
Sumitra en Arjunapâla als de oudsten werden toen door S'amîka verwekt in Sudâmanî. Ânaka verwekte bij Karnikâ Ritadhâmâ en ook Jaya.
Sumitra en Arjunapâla als de oudsten werden toen door s'amîka verwekt in Sudâmanî. Ânaka waarachtig met Karnikâ kreeg Ritadhâmâ en ook Jaya. (Vedabase)
Pauravî, Rohinî, Bhadrâ, Madirâ, Rocanâ en Ilâ met Devakî voorop waren de vrouwen [zie ook 21-23] aanwezig voor Ânakadundubhi [Vasudeva].
Pauravî, Rohinî, Bhadrâ, Madirâ, Rocanâ en Ilâ met Devakî voorop waren de vrouwen [zie ook 21-23] aanwezig voor Ânakadundubhi [Vasudeva]. (Vedabase)
Met Krita voorop waren Bala, Gada, Sârana en Durmada, Vipula en Dhruva de zonen die Vasudeva toen verwekte in Rohinî.
Met Krita voorop waren Bala, Gada, Sârana en Durmada, Vipula en Dhruva de zonen die Vasudeva toen verwekte in Rohinî. (Vedabase)
Subhadra, Bhadrabâhu, Durmada en Bhadra behoorden tot de twaalf zoons met Bhûta als de oudste die uit Pauravî geboorte namen. Nanda, Upananda, Kritaka, S'ûra en anderen waren de zoons van Madirâ, terwijl Kaus'alyâ [Bhadrâ] slechts aan één zoon genaamd Kes'î geboorte gaf.
Subhadra, Bhadrabâhu, Durmada en Bhadra behoorden tot de twaalf zoons met Bhûta als de oudste die uit Pauravî geboorte namen. Nanda, Upananda, Kritaka, S'ûra en anderen waren de zoons van Madirâ, terwijl Kaus'alyâ [Bhadrâ] slechts aan één zoon genaamd Kes'î geboorte gaf. (Vedabase)
Van haar die Rocanâ werd genoemd kwamen [met Vasudeva] Hasta, Hemângada en anderen ter wereld. In Ilâ verwekte hij de zoons aangevoerd door Uruvalka die de leidende persoonlijkheden waren van de Yadu-dynastie.
Van hem die Rocanâ werd genoemd kwamen daarna Hasta, Hemângada en anderen ter wereld. In Ilâ verwekte hij de zoons aangevoerd door Uruvalka die de leidende persoonlijkheden waren van de Yadu-dynastie.(Vedabase)
Ânakadundubhi verwekte in Dhritadevâ één zoon: Viprishthha, terwijl Pras'ama, Prasita en anderen de zonen van S'ântidevâ waren, o Koning.
Ânakadundubhi verwekte in Dhritadevâ een zoon: Viprstha, terwijl Pras'ama, Prasita en anderen de zonen van S'ântidevâ waren, o Koning. (Vedabase)
Râjanya, Kalpa en Varsha waren de eersten van de tien zoons met Upadevâ en Vasu, Hamsa en Suvams'a en anderen waren de zes zoons [die Vasudeva had] met S'rîdevâ.
Râjanya, Kalpa en Varsha en anderen waren de tien zoons met Upadevâ en Vasu, Hamsa en Suvams'a en anderen waren de zes zoons met S'rîdevâ. (Vedabase)
Met Devarakshitâ bracht hij het eveneens tot negen stuks die er waren met Gadâ als de eerste. Bij Sahadevâ verwekte Vasudeva acht zoons.
Met Devarakshitâ bracht hij het eveneens tot negen stuks die er waren met Gadâ als de eerste. Met Sahadevâ verwekte Vasudeva acht zoons. (Vedabase)
Zij, met S'ruta en Pravara [of Pauvara] voorop, waren rechtstreeks het dharma in eigen persoon van de Vasu's. Vasudeva verwekte in Devakî toen acht zeer geschikte zoons: Kîrtimân, Sushena, Bhadrasena, Riju, Sammardana, Bhadra en Sankarshana, de heer der serpenten. De achtste die van hen twee verscheen was de Heer in eigen persoon [Krishna]; en wat te zeggen van [Zijn zus] Subhadrâ, uw zo hoogst fortuinlijke grootmoeder, o Koning?
Zij, met S'ruta en Pravara [of Pauvara] voorop, waren rechtstreeks het dharma in eigen persoon van de vasu's. Vasudeva verwekte in Devakî toen acht zeer geschikte zoons: Kîrtimân, Sushena, Bhadrasena, Riju, Sammardana, Bhadra en Sankarshana, de beheerser der serpenten. De achtste die van hen twee verscheen was de Heer in eigen persoon [Krishna]; en wat te zeggen van [Zijn zus] Subhadrâ, uw zo hoogst fortuinlijke grootmoeder, o Koning? (Vedabase)
Wanneer en waar ook er een verval van het dharma is en een toename van zondige activiteiten, dan, te dien tijde, daalt de Allerhoogste Heer, de Beheerser Hari, neer in eigen persoon [zie B.G. 4: 7].
Wanneer en waar ook er een verval van het dharma is en een toename van zondige aktiviteiten, dan, te dien tijde, daalt de Allerhoogste Heer, de Beheerser Hari, neer in eigen persoon [zie B.G. 4: 7]. (Vedabase)
Behalve de Beheerser Zijn mededogen met de gevallen zielen bestaat er geen enkele reden voor Hem om geboorte te nemen of in actie te komen, o grote leider; Hij is de Ene in het Voorbije, de Getuige die de Superziel is [zie ook B.G. 8: 4].
Behalve de Beheerser Zijn mededogen met de gevallen zielen bestaat er geen enkele reden voor Hem om geboorte te nemen of in aktie te komen, o grote leider; Hij is de Ene in het Voorbije, de Getuige die de Superziel is [zie ook B.G. 8: 4]. (Vedabase)
Wat Hij ook in gang zet middels de materiële energie doet Hij uit mededogen met de bedoeling de [materialistische] werkelijkheid tot een einde te brengen van de geboorte, het voortbestaan en de vernietiging van de levende wezens en ze terug naar huis te leiden, terug naar God ['het ware zelf te bereiken', zie B.G. 15: 7 en 13: 20-24].
Wat Hij ook in gang zet middels de materiële energie doet Hij uit mededogen met de bedoeling de [materialistische] werkelijkheid tot een einde te brengen van de geboorte, het voortbestaan en de vernietiging van de levende wezens en ze terug naar huis te leiden, terug naar God ['het ware zelf te bereiken', zie B.G. 15: 7 en 13: 20-24]. (Vedabase)
Met de militaire macht die met hoge onkosten door de, eigenlijk voor het leiderschap ongeschikte, onverlichte bestuurders in het leven wordt geroepen om elkaar te kunnen aanvallen, maakt Hij de weg vrij voor het terugdringen van hun aantallen [zie ook 1.11: 35, 3.3 en 7.9: 43].
Met de militaire macht die ten koste van veel door de eigenlijk voor het leiderschap ongeschikte onverlichte bestuurders in het leven wordt geroepen om elkaar te kunnen aanvallen, maakt Hij de weg vrij voor het terugdringen van hun aantallen [zie ook 1.11: 35, 3.3 en 7.9: 43]. (Vedabase)
Zelfs voor de geesten van de heersende persoonlijkheden der verlichting [Brahmâ en S'iva] gaan de activiteiten die de Allerhoogste Heer, de doder van Madhu, aan de dag legde met Sankarshana [Balarâma], het begrip te boven.
Zelfs voor de geesten van de beheersers der verlichting [Brahmâ en S'iva] gaan de aktiviteiten die de Allerhoogste Heer, de doder van Mâdhu, aan de dag legde met Sankarshana [Balarâma], het begrip te boven. (Vedabase)
Om de duisternis van de misère en het weeklagen van hen die hun geboorte gaan nemen in dit Kali-tijdperk te verdrijven, enkel om de toegewijden genade te tonen, vertoonde Hij Zijn vrome activiteiten.
Om de duisternis van de misère en het weeklagen van hen die hun geboorte gaan nemen in dit Kali-tijdperk te verdrijven, enkel om de toegewijden genade te tonen, vertoonde Hij Zijn vrome aktiviteiten. (Vedabase)
Met het in achting hiervoor behagen [van de ziel] door de oren open te houden voor de waarheid en zichzelf bij de heilige plaatsen te houden wordt, met het contact dat men heeft in het vernemen over het bovenzinnelijke, het sterke verlangen naar vruchtdragende handelingen voorgoed vernietigd.
Dit aangaande [de ziel] behagend door de oren open te houden voor de waarheid en zichzelf bij de heilige plaatsen te houden wordt, met het in aanraking verkeren in het vernemen over het bovenzinnelijke, het sterke verlangen naar vruchtdragende handelingen voorgoed vernietigd. (Vedabase)
Hij, altijd ondernemend met de ondersteuning van de lofwaardige Kuru's, Sriñjaya's en Pândava's, Hij samen met hen die van Bhoja, Vrishni, Andhaka, Madhu, S'ûrasena en Das'ârha waren, Hij met Zijn beminnelijke glimlachen en met Zijn instructies en heldhaftige, als grootmoedig te beschouwen avonturen, behaagde de menselijke samenleving met Zijn persoonlijke gedaante welke zo aantrekkelijk is in ieder opzicht.
Altijd ondernemend met de ondersteuning van de lofwaardige Kuru's, Sriñjaya's en Pândava's, zij van Bhoja, Vrishni, Andhaka, Madhu, S'ûrasena en Das'ârha, met Zijn beminnelijke glimlachen en met Zijn instructies en heldhaftige avonturen gezien als grootmoedig, behaagde Hij de menselijke samenleving met Zijn persoonlijke gedaante zo aangenaam in alle leden. (Vedabase)
Alle mannen en vrouwen [van Vrindâvana] die tot hun voldoening zich laven aan de aanblik van Zijn gezicht en voorhoofd, schitterend opgesierd met de haaienvormige oorhangers aan Zijn prachtige oren; allen die zich laven aan Zijn glimlachen van plezier die voor het oog een festijn vormen waar men nimmer genoeg van krijgt, zijn allen boos over het knipperen van hun eigen ogen! [zie ook B.G. 7: 3]
Alle mannen en vrouwen [van Vrindâvana] die naar hun voldoening de aanblik indrinken van Zijn gezicht en voorhoofd, schitterend opgesierd met de haaienvormige oorhangers aan Zijn prachtige oren; allen die Zijn glimlachen van plezier indrinken die een feest voor het oog zijn en waar men nimmer genoeg van krijgt, zijn allen boos over het knipperen van hun eigen ogen! [zie ook B.G. 7: 3]. (Vedabase)
Toen Hij Zijn geboorte nam liet Hij het huis van Zijn vader achter zich om in Vraja [en Vrindâvana] de sfeer te verheffen met het aldaar doden van vele demonen; Hij verwekte honderden zoons met het aanvaarden van vele duizenden van de fijnste vrouwen als Zijn echtgenotes en als de Allerhoogste Persoon aanbeden middels vele offers verbreidde Hij Zijn roem onder de mensen [de huishouders] met achting voor de vedische rituelen [zie ook B.G. 4: 8].
Toen Hij geboorte nam ging Hij weg van het huis van Zijn vader om de positie van Vraja [en Vrindâvana] te verhogen met het aldaar doden van vele demonen; Hij verwekte honderden zoons met het aanvaarden van vele duizenden van de fijnste vrouwen als Zijn echtgenotes en als de Allerhoogste Persoon aanbeden middels vele offers breidde hij Zichzelf uit met de mensen [de huishouders] in overeenstemming met de vedische rituelen [zie ook B.G. 4: 8]. (Vedabase)
Door ze tegen elkaar op te zetten maakte Hij in de slag [van Kurukshetra] een eind aan de grote last op deze aarde die gevormd werd door de Kuru-persoonlijkheden; onder Zijn toeziend oog werden met de triomf al de baatzuchtige heersers uit de weg geruimd in verband waarmee Hij [aan Arjuna] uitlegde wat in het leven nu de overwinning inhoud [zie Gîtâ] en tenslotte keerde Hij, na Uddhava te hebben geïnstrueerd over het bovenzinnelijke [zie 3.2, 3.4: 29, elfde Canto], terug naar Zijn hemelverblijf.'
Hij in de slag [van Kurukshetra] maakte daadwerkelijk een eind aan de grote last op deze aarde aan Kuru-persoonlijkheden door het aanstichten van een onderlinge ruzie; door Zijn aanblik werden in de triomf al de baatzuchtige heersers uit de weg geruimd waarbij Hij [aan Arjuna] uitleg verschafte over de overwinning [zie Gîtâ] en na het geven van bovenzinnelijke instructies aan Uddhava [zie 3.2, 3.4: 29, elfde Canto], terugkeerde naar Zijn verblijf. (Vedabase)
Voor
deze oorspronkelijke vertaling is een alles-in-een band exemplaar
met uitgebreid commentaar gebruikt.
ISBN: o-91277-27-7
Zie de S'rîmad
Bhâgavatam linkspagina
De eerste afbeelding is een collage van Anand Aadhar van een
beeltenis van Sûrya, Bangladesh, West Bengal, India, ca
1075.
Ter beschikking gesteld door LACMA.
De tweede afbeelding is een Zuid-Indiase tempelhoutsnede
voorstellende de tien incarnaties van Vishnu.
(Vanaf links - Mâtsya, Kurma, Varâha, Narasimha,
Vâmana, Paras'urâma, Râma, Balarâma, Krishna
en Kalki)
Bron: Exoticindiaart.com,
gebruikt met toestemming.
Productie: de Filognostische
Associatie
van De
Orde van de Tijd