bij het boek de Bhâgavata Purâna

"Het Verhaal van de Fortuinlijke"

door KRISHNA -DVAIPÂYANA VYÂSA

Downloads:
Bekijk de volledige tekstbestanden boek voor boek.

Muziekbestanden
Luister naar MIDI en Audio-bestanden van de devotionele muziek

Afbeeldingen
Bekijk al de Afbeeldingen van het boek

Links
Vind de oorspronkelijke tekst en vertaling hoofdstuk voor hoofdstuk en andere links

 

S'rîmad Bhâgavatam
&
Bhagavad Gîtâ Tijdcitaten:

 

CANTO 1

S.B. 1.5: 18
Zij die filosofisch zijn toegenegen zouden, om die reden, zich enkel moeten bekommeren om wat niet zo zeer wordt gevonden door van hoog naar laag te dwalen; in de loop van de tijd, die zo onvermoeibaar en subtiel is, zal men - net als de misère - het genoegen als resultaat van de gedane arbeid overal vanzelf vinden.  

S.B. 1.6: 8-9

(8) Toen ik het onderricht volgde van de geleerden, leefde ik, nog maar vijf jaar oud, in afhankelijkheid van haar, zonder ervaring te hebben met de bepaaldheid van de tijd of het land waarin we leefden. (9) Toen ze op een avond naar buiten ging om een koe te melken, werd ze door een slang in haar been gebeten en viel ze de hoogmogende tijd ten offer.

S.B. 1.8: 4

Heer Krishna samen met de muni's kalmeerden aldaar de geschokte en emotioneel aangedane familie die haar vrienden en familieleden had verloren, door eop te wijzen hoe een ieder is onderworpen aan de onafwendbare Tijd.

S.B. 1.8: 28

Ik beschouw U als de verpersoonlijking van de eeuwige Tijd die zonder begin en einde is - de alles doordringende Ene die Uw genade overal gelijkelijk uitstrekt onder de levende wezens in de onenigheid van de maatschappelijke omgang.

S.B. 1.9: 14

Al het onaangename, denk ik, is aan de Tijd toe te schrijven, daar jullie ook, zoals de hele wereld met zijn heersende goden, onder die controle vallen zoals de wolken meegevoerd door de wind.

S.B. 1.9: 15

En waar Yudhishthhira, de zoon van de heerser der religie, Bhîma met zijn machtige strijdknots, Arjuna met de Gândiva in zijn hand en onze weldoener Heer Krishna zijn, wordt het [effect van de tijd] verdreven.

S.B. 1.11: 6

Ze zeiden: 'We hebben ons altijd neergebogen voor Uw lotusvoeten zoals men dat doet in de aanbidding van Brahmâ en Zijn zonen en de koning van de hemel, daar U, voor diegene die het opperste welzijn in dit leven verlangt, de Meester der Transcendentie bent waarop de onvermijdelijke tijd geen invloed heeft.

S.B. 1.13: 17-20

(17) De onoverkomelijke, niet waarneembare, eeuwige Tijd overtreft superieur al degenen die onoplettend en vergroofd zijn in de geest van gehechtheid aan familieaangelegenheden. (18) Vidura, die dit goed wist, zei tegen Dhritarâshthra: 'O koning, trekt u zich alstublieft onverwijld terug uit deze positie, zie toch hoe de angst het in uw leven heeft overgenomen. (19) In deze materiële wereld is er niets of niemand die deze angst kan afwenden, daar het de Allerhoogste Heer is die zich in de gedaante van de eeuwige Tijd voor een ieder van ons aandient. (20) Onvermijdelijk ten prooi aan de macht van de tijd moet een persoon dit leven, dat een ieder zo dierbaar is, zomaar weer opgeven, om nog maar te zwijgen van de weelde en dergelijke zaken die hij heeft verworven.

S.B. 1 .13: 46

Hoe kan dit lichaam bestaande uit de vijf elementen [vuur, water, lucht, aarde en ether] met dit denken en onder de kontrole van de tijd, actie en de materiële geaardheden der natuur [kâla, karma en guna's] anderen beschermen als het zelf net zo goed gebeten is door die slang als alle anderen?

S.B. 1 : 13.49

Die Ongeborene, de Vader van de Schepping, is, 0 Koning nu nedergedaald in deze wereld in een gedaante van de [alles verslindende] Tijd, met de bedoeling een einde te maken aan al de vijanden van de verlichte zielen.

S.B. 1: 14: 3

Hij zag een angstwekkende ommekeer in de sturing van de eeuwige Tijd, bemerkte onregelmatigheden in de seizoenen en zag dat de burgers in hun menselijke zonden zich aan woede, begeerte en valsheid overgaven in de behartiging van hun middelen van bestaan.

S.B. 1: 14: 5

Toen de koning zag hoe in de loop van de tijd de mensen zich goddeloze gewoonten als hebzucht en dergelijke eigen maakten, richtte hij, zich geplaatst voor deze ernstige oorzaken en slechte voortekenen, tot zijn jongere broer.

S.B. 1.14: 8

Is het zo, zoals Nârada ons voorhield, dat de tijd gekomen is dat de Hoogste Persoonlijkheid de manifestatie uit eigen beweging achter zich zal laten?

S.B. 1.15: 27

Met voor de geest de woorden gesproken door Govinda, herinner ik me hoe aantrekkelijk ze zijn, en ze, doortrokken van betekenis en aan de tijd en omstandigheid aangepast, een einde maken aan de pijn in het hart.

S.B. 1.16: 24

Breng me alstublieft op de hoogte, o bron van alle overvloed, van de reden van uw beproevingen die u tot een dergelijke zwakte hebben teruggebracht. Is het moeder, dat uw goede geluk dat zelfs werd aanbeden door de goddelijken, met geweld werd weggenomen door de machtige invloed van de tijd?'

S.B. 1.18: 37

Vanwege het breken van de etiquette, zal een slangenvogel, op de zevende dag, voorzeker de slechterik van de dynastie bijten die mijn vader heeft beledigd.

S.B. 1.19: 4

Terwijl hij zo aan het denken was hoorde hij van de doods-vloek van de zoon van de wijze, welke hij als een goedgunstig voorval in de nabije toekomst aanvaardde dat de vorm had aangenomen van het vuur van een slangenvogel veroorzaakt door de onverschilligheid van iemand die al te gehecht is.

 

CANTO 2

 

S.B. 2.1: 14

O lid van de Kuru-familie, daarom zou ook uw levensduur, die beperkt is tot zeven dagen, u ook er toe moeten inspireren om alles te volbrengen wat traditioneel behoort bij de rituelen voor een volgend leven.

S.B. 2.1: 24

Zijn persoonlijke lichaam is het grofstoffelijke van alle materie waarin al die fenomenen worden ervaren van het resulterende verleden, toekomst en heden van het universum.

S.B. 2.1: 34

Laat me u zeggen dat de haren op het hoofd van de Allerhoogste Beheerser de wolken zijn, o beste van de Kuru's, en dat de intelligentie van de Almachtige de grondoorzaak is van de materiële schepping, zo zegt men. Zijn denken, de bron van alle veranderingen, staat bekend als de maan.

S.B. 2.2: 15

Wanneer dan ook men zijn lichaam op wil geven, o Koning, behoort men als een wijze zonder verstoord te zijn, comfortabel gezeten met het denken onberoerd door aangelegenheden van tijd en plaats, de zinnen door de geest te beheersen in het overwinnen van de adem des levens.

S.B. 2.2: 17

Daarin zal men niet de heerschappij van de tijd aantreffen die voorzeker de godspersonen beheerst die sturing geven aan de wereldse schepselen met hun halfgoden, noch zal men daar wereldse goedheid, hartstocht of onwetendheid aantreffen, noch enige andere materiële verandering of veroorzaking van zijn natuur.

S.B. 2.2: 18

Wetende wat wel en wat niet betrekking heeft op het goddelijke van de opperste situatie, geven zij die ernaar verlangen de goddelozen uit de weg te gaan volledig de verwardheden op [van het argumenteren naar plaats en tijd] waarbij ze in het absolute van de goede wil de aanbiddelijke lotusvoeten van de Heer op ieder moment in hun hart nemen.

S.B. 2.2: 24-25:

In de beheersing van de goddelijkheid van het vuur bereikt men, de hemelbewegingen volgend, door het gracieuze verloop van de ademhaling [de Sushumnâ], de zuivere geest [Brahmaloka, plaats van de Schepper] die opheldering geeft en de besmettingen wegwast, waarna men opwaarts de cirkel [de cakra, het wiel], o Koning, genaamd S'is'umâra bereikt [betekenis: dolfijn, de vorm van de Melkweg, de galactische tijd]. Die navel van het universum is de spil van de Handhaver [Vishnu] welke dankzij hen die door de discipline zijn gezuiverd alleen, voor het levend wezen en die transcendentalisten aanbiddelijk is die voor een zekere tijd zich kunnen verheugen in de ziel die ze bereiken.

S.B. 2.5: 11

Van het licht van de stralende wereld [genaamd de brahmajyoti] manifesteer ik precies zoals de zon en het vuur dat doen, zowel als ook de maan en het firmament met haar planeten onder de sterren.

S.B. 2.5: 21-22

[De Heer van de] Eeuwige Tijd, de beheerser van de begoochelende macht van de materie [mâyâ] die de werklast [karma] als ook de specifieke aard [- of svabhâva - heeft het op zich genomen middels de energie van zijn [Zijn] eigen Zelf, onafhankelijk daarin opgegaan, te verschijnen met het in gang zetten van verschillende gedaanten.

Door die eeuwige tijd gebeurde het zo dat vanwege de transformatie van de activiteiten geschapen door de geaardheden der natuur, de Oorspronkelijke Persoon Zijn omvorming van het geheel der materie [de mahat-tattva] plaats vond.

S.B. 2.5: 26-29:

Door de omvorming van de ether kwam men door de kwaliteit van de lucht in aanraking met het voorgaande in opeenvolging naar het volle van het geluid [de orale traditie b.v.] en zodoende eveneens tot een leven van onderscheid en het vermogen van het krachtige. Dienovereenkomstig transformerend naar die lucht bracht de tijd als reactie op het verleden op natuurlijke wijze het vuur-element voort, daarbij eveneens de nodige vorm, aanraking en geluid gevend [in boeken b.v.]. Van dat vuur van getransformeerd zijn viel het zo voor dat men in aanraking kwam met de sappen en de smaak van het water-element welk, zoals voorheen gezien, eveneens in opeenvolging geluid gaf [tranen, speeksel, zaad, bloed, melk]. Maar door de veelvormigheid van die transformatie van water kwam weer daarop volgend het geurrijke [van het aarde-element] van het sap dat de vorm aannam van de kwaliteiten van aanraking en geluid.

S.B. 2.5: 32

Voor de tijd dat al deze elementen van de zinnen en het denken naar de geaardheden der natuur afgezonderd bleven, zolang kon het lichaam [van de mens en de mensheid] niet worden gevormd, o [Nârada] beste in de kennis.

S.B. 2.5: 34

Talloze millennia bleef die universele werkelijkheid verzonken in de [causale] wateren totdat de individuele ziel [jîva of de Heer] door de actie van de Eeuwige Tijd naar de geaardheden der natuur het niet levende tot leven deed komen.

S.B. 2.6: 24

Om offers te brengen is het geofferde zoals bloemen en groen met brandbaar materiaal [zoals stro] nodig tezamen met een altaar als ook het grote van de tijd [een kalender b.v.] in het volgen van de geaardheden van de natuur.

S.B. 2.6: 24

En hoe zit het een dag van Brahmâ [een kalpa] en de tussenliggende perioden [vikalpa's], en wat te zeggen van de tijd die de maat vormt voor wat we het verleden, het heden en de toekomst noemen - en hoe zit het met de levensduur die belichaamde wezens is toebemeten? O zuiverste der tweemaal geborenen, wat zou het begin van de tijd kunnen zijn en wat te zeggen van hoe die, in de zin van het eigen karma, wordt ervaren als zijnde kort of lang? 

 

 

CANTO 3

 

S.B. 3.2: 7

Uddhava zei: 'De zon van Krishna is ondergegaan verzwolgen door die grote slang die het verleden is. Wat kan ik anders zeggen over ons welzijn met het verdwijnen van het huis van mijn familie?

 S.B. 3.4: 16

Hoewel U zonder verlangens bent kent U allerlei soorten van activiteiten; hoewel U ongeboren bent neemt U niettemin geboorte; hoewel U de heerser over de eeuwige Tijd bent, zoekt U Uw toevlucht tot de vesting uit vrees voor Uw vijanden en hoewel U behagen schept in Uzelf leidt U een huiselijk bestaan in het gezelschap van vrouwen; dit verbijstert de intelligentie van hen die leerden in deze wereld.

S.B. 3.4: 17

Hoewel U nooit verdeeld bent onder de invloed van de tijd, beroept U zich op mij voor advies in Uw eeuwige intelligentie o Meester, alsof U het niet meer weet terwijl dat nooit zo is; dat doet mij versteld staan, o Heer.

S.B. 3.5: 26-28

Het Opperste Levende Wezen bezwangerde, door de incarnatie van de Oorspronkelijke Persoon, welke de volkomen expansie is van de oorspronkelijke ziel, door het zaad van de levende wezens, onder de invloed van de tijd, de uitwendige energie in het zijn van de Transcendentie naar de geaardheden van mâyâ.

Daarop volgend kwam, door de interactie van de tijd, uit het ongemanifesteerde, het totaal van de zuivere goedheid tot stand dat kon wortelen in het belichaamde om het hoogste licht van volledige universa te manifesteren.

Dat eindtotaal, welk eveneens moet worden beschouwd als een volkomen expansie van de ziel naar de geaardheid en de tijd, differentieerde, als het vergaarbekken van de wezens in wording, zich in de vele verschillende vormen van het gezichtsbereik van de Persoonlijkheid van God en hiervan zag men het voortbrengen van de vervalsing ermee.

S.B. 3.5: 33-36

De Allerhoogste Heer die, als de [cyclische] tijd de uitwendige energie vermengend, met Zijn blik de ether bestrijkt, schiep van de aanraking van het in contact komen met de ether de lucht.

De lucht, eveneens getransformeerd door de uiterst machtige ether deed toen het bliksemen [de bio-electriciteit] der zintuiglijke gewaarwording ontstaan en dat gaf op die manier het licht van de wereld om te zien.

Het interakteren van de lucht en de blik van het Allerhoogste met die electriciteit schiep door de tijdmix van de materiële energie de smaak [voor het leven] in water.

Vervolgens kwam het geëlectrificeerde water, als gevolg van het omvormende overzien door het Allerhoogste van de aarde, tot de kwaliteit van de geur in het gedeeltelijk vermengen van de cyclische [eeuwige] tijd met de uitwendige materiële energie.

S.B. 3.6: 15

Als Zijn ogen, de zon, ging de lokale heerser van het licht het gigantische binnen waarvan, naar de vormen, de ervaring van het deel van het zien tot stand kwam.

S.B. 3.6: 24

Ook het hart van het Universele Wezen manifesteerde zich afzonderlijk als Candra, de orde van de maan, die binnenging als de heersende macht over de mentale aktiviteit waarmee het levend wezen beslissingen neemt en overeenkomsten sluit.

 S.B. 3.7: 33

Hoe zijn de periodieke respektbetuigingen geregeld, o brahmaan, naar het geschapene van de voorvaderen en hoe zijn de tijdsperioden ingesteld naar de planeten, de sterren en hemellichten?

 S.B. 3.8: 11

Hij, van binnenuit het lichaam der transcendentie, behield het subtiele van de materiële elementen als de ziel van de tijd [kâla], leven en energie gevend van Zijn eigen positie van verblijf in het water, op de manier waarop de macht van vuur is gelegen in het brandhout.

 S.B. 3.8: 20

Omdat hij het in onwetendheid bezag, o Vidura, kwam het, met het zich aldus bezinnen op de oorzaak van de schepping, tot het overwicht van de driedimensionale [tri-kâlika] tijd welke voor de belichaamden het beangstigende en het bekorten van de levensduur tot een honderdtal jaren met zich meebrengt in relatie tot dat wat uitzichzelf voortkwam en het rad [de s'is'umâra cakra of het galactische] van de eeuwige tijd [vergelijk 2.2.: 24-25].

 S.B. 3.9: 17

Zolang als de mensen in het algemeen bezig zijn met ongewenste activiteiten en in de vastgelegde handelingen van hun eigen zaken minachting hebben voor uw goedgunstige activiteiten, zal de strijd om het bestaan van deze mensen zeer hard zijn en allemaal op een janboel uitlopen; moge er mijn eerbetuiging zijn voor Hem die als het eeuwige van de tijd te werk gaat.

 S.B. 3.10: 10-14

Vidura zei: 'U sprak aangaande de variëteit van de verschillende gedaanten van de Heer, de wonderbaarlijke akteur, van het eeuwige van de tijd, o brahmaan; kan u alstublieft beschrijven hoe zich die feitelijk heeft voorgedaan, o Heer?'

Maitreya zei: 'Hij is de bron van de verschillende interacties naar de natuurlijke geaardheden, hij is onverdeeld en onbegrensd en het instrument van de Oorspronkelijke Persoon die door Zijn spel en vermaak het materiële leven schiep van de ziel.

Het fenomenale welk er voorzeker is als de zelfde energie van Vishnu, scheidde Zichzelf van de geest af door de Allerhoogste Heer in de vorm van de tijd [kâla], welke beschouwd wordt als Zijn ongemanifesteerde [onpersoonlijke] aspekt.

Zoals het in het heden is, zo was het in het begin en tot het einde toe zal het ook hetzelfde blijven.

Er zijn negen soorten van scheppingen: de drie geaardheden van de materie [naar prakriti: hartstocht, goedheid en onwetendheid], de drie kwaliteiten naar deze geaardheden [naar vikriti: beweging, kennis en onbeweeglijkheid], en de drie soorten van voleinding [die van de planten die eindigen met het universum, die van de lagere dieren die uitsterven en die van de hogere wezens die in de Heer eindigen].

S.B.  3.11: 11-13

Het samenstel van zo een 'dag' en 'nacht' wordt een voorouderlijke [traditionele of solaire] maand genoemd waarvan een tweetal een seizoen vormt waarvan er zes zijn [resp. ' koude' of hentanta, 'dauw' of shirshira, 'lente' of vasanta, 'warmte' of grishma, 'regen' of varsha en 'herfst' of sarad, gerekend vanaf de 22-e dec.] overeenkomstig de beweging van de zon zoals die gaat door de noordelijke en zuidelijke hemel.

Deze beweging van de zon wordt gezegd één dag van de halfgoden te vormen en wordt een vatsara genoemd [een tropisch jaar] van twaalf maanden. De levensduur van het menselijk wezen wordt geschat op een groot aantal van dergelijke jaren [zie ook 'de volledige kalender van orde'].

De planeten, de hemellichamen [zoals de maan] en de sterren draaien allemaal samen met de atomen rond in het universum hun omloopbanen voltooiend als een slotsom van jaren in het Almachtige [of cyclische] van het eeuwige van de tijd.

S.B. 3.11: 39

Deze eeuwige tijd die beginnend vanaf het atoom reikt tot aan de uiteindelijke tijdsduur van twee parârdha's, is voorzeker nooit de [eigenlijke] beheerser; hij is enkel in staat kontrole uit te oefenen als Heer van de Aarde over hen die van het lichamelijk bewustzijn zijn.

S.B. 3.12: 39

De geschiedenissen, de purâna's of de vijfde Veda kwamen voorzeker allen uit de monden voort van hem die alles van de tijd rondom kan bezien.

 S.B. 3.15: 3

De godbewusten zeiden: 'Door deze duisternis waar u weet van hebt, o machtige, zijn we erg bang omdat we niet ongemanifesteerd zijn zoals u dat bent; uw allerhoogste goddelijke weg is vrij van de invloed der tijd.

 S.B. 3.21: 16

Onder leiding van U als de vader van alle levende wezens, o mijn Heer, zijn al dezen die het slachtoffer van hun verlangens zijn, gebonden door het touw van hun omstandigheden en breng ik, gekonditioneerd zoals zij dat zijn, U mijn offers, o belichaming der religie die tewerk gaat als de eeuwige tijd.

 S.B. 3.21: 18

Het wiel van het universum dat met een ontzagwekkende snelheid ronddraait rond de spil van het onvergankelijke van U [Brahman] met drie assen [zon, maan en sterren], [twaalf tot] dertien spaken [als de maanmaanden] driehonderd en zestig verbindingen [als de dagen in een halfgodenjaar], zes randen, [als de seizoenen] en ontelbare blaadjes [momenten], draagt niet in het geringst bij tot de bekorting van de levens van de toegewijden.

 S.B. 3.24: 33

Ik geef me over aan Heer Kapila, die de bovenzinnelijke allerhoogste persoonlijkheid is, de oorsprong van de wereld en het volle bewustzijn van de tijd en de drie geaardheden der natuur; de handhaver van alle werelden, die in Zichzelf naar Zijn eigen vermogen Zijn manifestaties ontbindt en die de macht is van de onafhankelijkheid.

 S.B. 3.26: 15

Aldus zijn naar de geest de materiële kwaliteiten opgesomd zoals ze feitelijk door Mij zijn gerangschikt [en saguna brahman worden genoemd], waarbij wat betreft de tijd wordt gesproken van het vijfentwintigste element.

De invloed van de Oorspronkelijke Persoonlijkheid van God wordt gezegd de tijdfactor te zijn waarvan sommigen vrees koesteren in het begoocheld zijn door het ego van het in contact staan met de materiële natuur van het individuele bestaan.

De beweging van de materiële natuur zonder haar interactie van de geaardheden en haar specifieke kwaliteiten, o dochter van Manu, is de tijd waarvan we alhier Hem kennen, de Opperheer.

Hij die van binnenuit bestaat, in de vorm van de Oorspronkelijke Persoon en van buiten in de vorm van de tijd, is Hij, de Allerhoogste Heer bij al Zijn vermogens naar alles [al de elementen] van het leven.

 S.B. 3.26: 22

Helderheid, niet afgeleid zijn en sereniteit worden aldus de kenmerkende eigenschappen genoemd van het [Krishna- of natuurlijke tijd-]bewustzijn dat gelijk de natuurlijke staat van zuiver water is.

 S.B. 3.26: 35

Van het etherische zich ontwikkelend uit het subtiele van het geluid, vindt onder de transformerende impuls van de tijd de evolutie van het subtiele element der aanraking plaats en wordt aldus de lucht gevonden, het zinsorgaan ervoor en van die zin de waarneming.

 S.B. 3.26: 50

Toen dezen [in het begin] onvermengd waren, gingen al de zeven van de oorspronkelijke volledigheid [de vijf materiële elementen, de totale energie (mahat-tattva) en het geïdentificeerde ego] vanaf het begin de schepping binnen; in feite vanuit de associatie met de tijd, het karma en de drie geaardheden der natuur.

 S.B. 3.28: 12

Als het eigen denken gezuiverd is en beheerst wordt door de yogapraktijk, behoort men te mediteren op de Allerhoogste Heer Zijn gedaante en tijdmaat [een mechanische of een waterklok gefixeerd op het hoogste punt van de zon met de verdeling van de tijd overeenkomstig het Bhâgavatam], kijkend naar de punt van de neus.

 S.B. 3.29: 4

En oh, wat over de Eeuwige Tijd, die gedaante, die de Allerhoogste Heerser vertegenwoordigend, van Uw natuur de leiding heeft over alle andere heersers en onder de invloed waarvan de mensen in het algemeen zich vroom gedragen?

 S.B. 3.29: 37

De goddelijkheid van de tijd, als de oorzaak van de aldus bekende transformatie van de vormen van de levende wezens die hun oorsprong vinden in de Allerhoogste Geest, is de reden waarom al diegenen die zichzelf als afgescheiden beschouwen in angst leven.

 S.B. 3.29: 38

Hij die van binnenuit al de levende wezens binnengaat, vernietigt met die levende wezens en ieders ondersteuning is; Hij is genaamd Vishnu, de genieter van alle offers die die tijdfactor, de meester aller meesters, is.

 S.B. 3.29: 40-45

Voor wie bevreesd de wind waait, voor wie bevreesd deze zon schijnt, voor wie bevreesd de regens door de Godheid worden gezonden en uit vrees voor wie de hemellichamen aan de hemel stralen, vanwege wie de bomen en de klimplanten bevreesd zijn en de kruiden ieder op hun tijd bloemen dragen als ook de vruchten verschijnen, in vrees de rivieren stromen en de oceanen niet overstromen, vanwege wie het vuur brandt en de aarde met zijn bergen niet verzinkt uit vrees voor Hem, door wie de hemel lucht geeft aan hen die ademhalen en onder wiens heerschappij het geheel van het universum uitdijt tot de volledige werkelijkheid [maha tattva] met haar zeven lagen [de zeven kos'a's of ook dvîpa's met hun bewustzijnstoestanden op het nivo van het fysieke, fysiologische, psychologische, intellectuele, het gelukzalige, het gewaar zijn en het ware zelf], uit vrees voor wie de goden die zorg dragen voor de geaardheden der natuur van deze wereld wat betreft de aangelegenheden van de schepping hun functies uitoefenen naar gelang de yuga's [zie 3-11], onder wiens gezag al dit levende en levenloze staat; die oneindige uiteindelijke beheerser van de Tijd die zonder een begin is, is de onveranderlijke Schepper die mensen vormt uit mensen en de heerschappij van de dood beëindigt middels de dood.

 S.B. 3.30: 1

Kapila zei: 'Ondanks de grote kracht ervan zijn de mensen niet bekend met de tijdfactor en worden ze erdoor meegevoerd, precies zoals een wolkenmassa door de wind.

 S.B. 3.32: 37

Ik gaf uitleg over de vier afdelingen [naar de geaardheden en de transcendentie daarboven] van identiteit [svarûpa] in toegewijde dienst als ook het niet waarneembare van de beweging der tijd [de konditionering] die de levende wezens voortdrijft.

 

CANTO 4

 

S.B. 4.29: 21-22

De tijd van een jaar werd Candavega genoemd, waartoe de dagen en de nachten van dit leven werden begrepen als te worden weggenomen zoals gesymboliseerd door het rondwaren van de driehonderd-en-zestig mannen en vrouwen van de hemel hierboven. [zie 27: 13]

De oude dag van alle levende wezens was rechtstreeks de dochter van de Tijd die bij niemand welkom was en die door de koning der Yavana's, die voor dood en vernietiging was, werd aangenomen als zijn schoonzus. [zie 27: 19-30].

S.B. 4.29: 54

.... De groep tijgers van voren zijn als al de momenten van de dagen en nachten die, onopgemerkt in het genieten van het huishouden, iemands levensduur bekorten. En van achteren, er zich van verzekerend niet te worden gezien, sluipt de jager naderbij, de opzichter van de dood door wiens pijl in deze wereld iemands hart wordt doorboord. U moet zichzelf in dezen zien als degene wiens hart wordt doorboord, o Koning.

S.B. 4.29: 69

Met een geest van enkel de goedheid met de Allerhoogste Heer, heeft men een constante associatie, zoals het nog steeds hebben van een maan als die verduisterd is, en aldus verbonden ziet men dit universum zoals het is.

S.B. 4.30: 28

U, meedogend, en aldus zo zeker door Uw expansies zichtbaar voor de nederige toegewijden, worden met het nodige respekt voor de tijd altijd herinnerd met iemands toegewijde dienst, o vernietiger van alle onheil. 

 

CANTO 5

 

S.B. 5.8: 9

'Helaas! [dacht hij bij zichzelf], is door de Heerser die het rad van de tijd beweegt, deze hier verstoken van zijn soort, zijn vrienden en verwanten en heeft het in het vinden van mij als zijn toevlucht, mij alleen als vader, moeder, broeder en soortgenoot behorend bij de kudde. Vanzelfsprekend stelt het, niemand anders hebbend, een groot vertrouwen in mijn persoon als steun en toeverlaat en is het volledig van mij afhankelijk om te kunnen leren en voedsel, liefde en bescherming te vinden; zonder wrokkig te zijn behoor ik in te zien wat de fout is van het verwaarlozen van iemand die zijn toevlucht heeft genomen en moet ik dienovereenkomstig handelen.

 S.B. 5.9: 6

Aldus denkend dat zijn zoon, hoewel hij er niet naar taalde, door hemzelf ten volle zou moeten worden onderwezen in al de reinheid, de vedische studie, geloften, principes, offers en dienst aan de goeroe die hoort bij de celibataire staat [de brahmacarya-âs'rama], was de brahmaan, in dezen zijn zoon beschouwend als zijn ziel en zaligheid, in werkelijkheid zelf zwaar gehecht aan zijn thuis zodat in de loop van de niet zo vergeetachtige tijd hij van deze wereld afscheid moest nemen als een man gefrustreerd over de ongeschikte opstandigheid van zijn zoon.

 S.B. 5.9: 20

Oh, Vishnudatta ['beschermd door Vishnu'; Parîkchit], dit is geen groot wonder voor hen die niet verbijsterd zijn, die zonder vijandschap en van goedheid voor allen, door de Allerhoogste Heer der onoverwinnelijke tijd, die de beste van alle wapenen met zich voert [de Sudars'ana schijf], rechtstreeks volledig zijn vrijgemaakt van de zeer sterke en vaste knoop in het hart van een lichamelijk levensbegrip. Zelfs al zijn ze bedreigd met onthoofding, hebben die verloste zielen en toegewijden die van een volledige overgave zijn en die zijn beschermd door Zijn lotusvoeten, niets te vrezen en zijn ze nimmer van slag door dit soort van stemmingen van de Goddelijkheid.

 S.B. 5.11: 11

Door de elementen, door de natuur zelf, door de kultuur, door het karma en door de tijd, worden al deze elf van de geest omgevormd in de honderden, duizenden en miljoenen van hen, die niet uit elkaar volgen noch uit zichzelf ontstaan, maar van de kenner van het veld afkomstig zijn.

 S.B. 5.12: 10 

Aldus mager zijn, dik, klein of groot, bestaand als individuele levensvormen, levenloze materie of wat voor ander natuurlijk fenomeen nog meer, is allemaal onbestendigheid in naam van een zekere rangschikking, tijd en aktiviteit, die u zou moeten begrijpen als deel van de werking van de dualiteit van de natuur.

S.B. 5.14: 9

Soms beklimt hij ook, in het holst van de nacht, gedreven door een tijdelijke werveling van hartstocht, een verleidelijke vrouw; in een totaal veronachtzamen van een hogere kijk verliest hij dan, verblind door de kracht van die passie, niettegenstaande de goddelijkheid van de zon en de maan, iedere notie in zijn overmand zijn door een geest vol lust.

 S.B. 5.14: 29

Zo gebeurt het dat van de Beheerser, de Allerhoogste Heer Vishnu Zijn cakra of schijf der Tijd, die zich uitstrekt van de eerste uitbreiding der atomen tot de duur van het volledige leven van Brahmâ, men moet lijden onder de symptomen van het ronddraaien ervan, waarvan na de nodige tijd gezwind voor iemands ogen, in een oogwenk, alle levens der wezens, van Brahmâ tot de eenvoudigste grasspriet, zijn vergaan. Rechtstreeks voor Hem, de Beheerser wiens persoonlijke wapen de schijf van de Tijd is, is men voorzeker bang van hart ['de leeuw']. Zich niet bekommerend om de Allerhoogste Heer, de oorspronkelijke Persoon van het Offer, neemt hij, met zelf-verzonnen goden die door de geschriften der beschaving worden ontkend en die zijn als buizerds, gieren, reigers en kraaien, voor aanbiddelijk aan wat ongegrond is.

S.B.  5.18: 30

'Mijn Heer, ons respekt voor U, als de Allerhoogste Heer in de gedaante van een schildpad, U bent het bovenzinnelijk goede van allen; jegens U wiens positie niet te bepalen is, ons eerbetoon. U, alhoewel de oudste, wordt door de werking van de tijd niet aangetast; mijn eerbied voor U als de Grote die overal reikt; keer op keer verbuig ik me voor de toevlucht van allen - onze eerbetuigingen gelden U!

5: 18: 33

In U, die ontelbaar zijt in het bijzondere van namen en vormen, van verschillende lichaamskenmerken, hebben zij die studeerden dit idee van getallen, waarvan ze de waarheid achterhalen door te observeren; jegens Hem, U die zich aldus onthult in analyse, mijn eerbetuigingen [zie ook Kapila 3 - 28 tot 33].

 S.B. 5.20: 12

'Door zijn eigen uitstraling verdeelt Hij de tijd in de lichte en donkere periode van de maand [s'ukla en Krishna]; moge Hij, die goddelijkheid van de maan zowel als van het graan dat moet worden verdeeld onder voorvaderen en de goden, die Koning Aller Mensen, ons goedgezind blijven.'

 S.B. 5.20: 30

Binnen die dvîpa treft men de ene [bergketen] aan genaamd Mânasottara die inderdaad de binnen- en buitengelegen landen daar afgrenst; hij heeft, met een afmeting zo groot als 10.000 yojana's hoog en breed, in zijn vier richtingen de woonplaatsen van de vier lokale heersers, de halfgoden aangevoerd door Indra. Op zijn hoogste punt wordt de berg Meru er omkruist door het voertuig van de zon in een baan die bij de dagen en nachten van de halfgoden bestaat uit een heel jaar [een samvatsara].

 S.B. 5.21: 7

(...) Aan alle vier zijden van Meru aldus de zonsopkomst, de zonsondergang, de middag of middernacht uitmakend, geeft hij aanleiding tot de verschillende tijden der levende wezens van actief zijn of het staken van aktiviteit.

 S.B. 5.21: 13

Het heeft slechts één wiel met twaalf spaken [de maanden], zes segmenten [de seizoenen] en de drie gedeelten van de naaf [de kwartalen], die in hun geheel bekend staan als een tropisch jaar [samvatsara]; de as zit vast aan de top van de berg Meru met Mânasottara aan de andere kant. Het wiel van de wagen van de zonnegod zit daar vast ronddraaiend op de bergketen Mânasottara als het wiel van een oliepers.

 S.B. 5.22: 2

Daartoe zei hij [S'uka] in heldere bewoordingen: 'Net zoals het met de bewegingen van kleine mieren, op een ronddraaiende pottenbakkersschijf, zeker is dat als gevolg van hun veranderende posities er een verschillende ervaring is, zo is dat ook zo in verhouding tot Meru en Dhruvaloka [de centrale sterrenhoop en het middelpunt van het sterrenstelsel]: met de sterren, die rondbewegen met het grote wiel van de tijd, bevinden ze zich aan de rechter kant, maar van de individuele bewegingen van de planeten aangevoerd door de zon óp dat ronddraaiende wiel van de tijd, wordt de beweging ten opzichte van de sterren en sterrentekens voorzeker verschillend waargenomen.

S.B. 5.22: 3

Die oorzaak, deze hoogst machtige oorspronkelijke persoon, rechtstreeks waargenomen als Nârâyana de Superziel van de drie Veda's, die er is voor het heil en de karmische zuivering van al de werelden, is de oorzaak waar alle heiligheid en alle vedisch weten navraag naar doet; Hij beschikt de twaalf verdelingen van het jaar en, in overeenstemming met wat voorheen werd genoten, de verschillende kwaliteiten naar het zesvoudige van de seizoenen beginnende met de lente.

 S.B. 5.22: 5

Om die reden is Hij deze levende kracht van al de drie werelden die, tussen het hogere en het lagere van het universum, zich bevinden in de buitenruimte op het wiel van de tijd; in twaalf maanden gaand door de sterrentekens die dienovereenkomstig het jaar verdelen, is er een maand met twee vijftiendaagse perioden die als de dag en de nacht zijn en inderdaad dat deel van het jaar waaraan men denkt als een seizoen dat een zesde van de omloopbaan beslaat of twee en een kwart constellatie, berekend naar de sterren [zo is er dus sprake van twaalf of meer sterrenbeelden, zie ook 3.21: 18].

 S.B. 5.22: 11

[Meer dan] tweehonderd duizend yojana's daarachter [achter de maan], Meru rechts latend zijn er, tezamen met de vele sterren die door de Beheerser vastgeklonken zijn aan het wiel van de tijd, de achtentwintig sterren met voorop Abhijit.

 S.B. 5.23: 1-3

S'rî S'uka zei: 'Voorbij aan hen [de wijzen] treft men 1.3 miljoen yojana's verderop [astronomie: op 26 duizend lichtjaren van de aarde] dat allerhoogste verblijf, geprezen in de Rig Veda mantra's aan, dat van Vishnu is, de bron van het leven van alle levensvormen die vanaf nu tot aan het einde van de schepping voortleven. Daar inderdaad verwijlt de grote toegewijde Dhruva, de zoon van Uttânapâda wiens grootheid van toegewijd navolgen ik reeds beschreef [zie 4-9]; en eromheen, het rechts van zich latend, houden Agni, de vuurgod, Indra de koning van de hemel, de stamvader de Prajâpati en Kasyapa zowel als Dharmarâja, in hun zorg over de tijd altijd vol respekt vast aan hun imago. Voor al de rusteloze hemellichten zoals daar zijn de planeten en de sterren, is die plaats daar daadwerkelijk als het, door de Beheerser gevestigde, eeuwig oplichtende en stralende draaipunt waarvan de ondoorgrondelijke, alles omvattende macht bij de factor van de tijd wordt gekend als de oorzaak van hun ronddraaien. Net als drie stieren die voor het pletten van rijst zijn vastgemaakt aan een paal in het midden, behouden de hemellichten hun eigen posities in hun omloopbanen gefixeerd op de binnenste en buitenste cirkels van het wiel van de tijd zich rondbewegend, op dezelfde manier zoals de planeten rondom de zon hun posities behouden. Vasthoudend aan Dhruvaloka tot het einde der schepping, draaien ze in de hemel rond als voortgedreven door de wind, net als zware wolken en grote vogels die beheerst door de lucht hun lichamen rondbewegen overeenkomstig hun voorgaande posities. Zo gedragen de hemellichten zich consequent, door de gecombineerde inzet van de materiële natuur en de Oorspronkelijke Persoon, naar hun voorgaande bestaan en komen ze nooit in botsing met de aarde.

 S.B. 5.23: 4

Sommigen stellen zich dit grote wiel van planeten en sterren voor in de vorm van een s'is'umâra [een dolfijn] en beschrijven het, geconcentreerd in de yoga, als [het zichtbare van] de Allerhoogste Heer Vâsudeva [zie ook een afbeelding van de sterrenhemel zoals men die feitelijk door een telescoop ziet].

 S.B. 5.23: 8

Deze [vorm van S'is'umâra] is inderdaad voorzeker de gedaante van de Allerhoogste Heer, van Heer Vishnu, die bestaat uit al de halfgoden; het iedere ochtend, middag en avond in acht nemend, moet men in aanbidding mediteren zijn woorden als volgt beheersend: 'Onze eerbetuigingen aan deze rustplaats van al de lichtende werelden, aan de meester der halfgoden, de Grote Persoonlijkheid in de vorm van de Tijd, op wie wij mediteren' ['namah jyotih-lokâya kâlâyanâya animisâm pataye mahâ-purushâya abhidhîmahi', zie ook 2.2: 24].

 5.24: 3

De Allerhoogste Heer die er is voor beider bescherming gaat te werk met de allerhoogste aanwezigheid van het wiel van de tijd [de Sudars'ana Cakra] dat men acht als het meest gekoesterde, toegewijde en geliefde wapen dat door zijn macht en ondraaglijke hitte er voor zorgt dat Râhu, met zijn bange geest en bevreesde hart, van die positie wegvlucht waarin hij voor bijna een uur tijds aanwezig is en waarvan de mensen aldus spreken van een zonsverduistering.

 5.24: 11

Voorzeker maakt men zich er daar geen zorgen over hoe men de tijd indeelt naar de werking van de dag en de nacht.

 5.24: 14

Op geen enkele manier kan wie ook van de deugdzamen of de dood zelve hen beïnvloeden, behalve dan het wapen van de Heer zijn machtige wiel van de Tijd.

5.24: 15

Het is vrijwel altijd uit vrees voor de Heer zijn cakra-orde dat de echtgenotes van de goddelozen hun foetussen verliezen in miskramen.

 5.24: 28

Onder Sutala in de wereld Talâtala heerst de dânava [demonische] koning genaamd Maya; door de almachtige Tripurâri [S'iva], de heer der drie steden, werden, het goede geluk van de drie werelden verlangend, zijn steden verbrand; maar op voorspraak van Zijn genade verkreeg hij een koninkrijk als de meester van alle tovenarij en aldus beschermd door Mahâdeva [de grote god die S'iva is], denkt hij dat hij niets te vrezen heeft van de Sudarsana Cakra [de acute aanwezigheid van de Heer in de vorm van de Tijd] die wordt aanbeden.

5.26: 8  

Er is de persoon die, enkel het geld, de vrouw of de kinderen van iemand anders weggenomen hebbend, er van op aan kan, door de angstaanjagende mannen van de dood te worden gebonden met de touwen der tijd en met geweld te worden geworpen in de hel van Tâmisra ['de duisternis'] waar hij moet hongeren, smachten naar water, met stokken wordt geslagen en wordt uitgescholden; het levend wezen verliest, na beland te zijn in die meest duistere omstandigheid, door de zware bestraffingen aldaar ontvangen voorzeker bij tijden zijn bewustzijn.

 

 

CANTO 6

 

6.1: 42

De goddelijkheid van de zon, het vuur, de hemel, de lucht, de goden, de maan, de avond, de dag en de nacht, de richtingen, het water en het land; al dezen verpersoonlijken het Dharma, waarlijk aldus de getuigen vormend voor het belichaamde levende wezen.

6.1: 47

Net zoals de huidige tijd bewijs vormt van het verleden en een aanwijzing vormt voor de toekomst, is net zo deze geboorte aanduiding voor het dharma en adharma van iemands geboorten in het verleden en in de toekomst.

 6.3: 27

Vervolg nooit hen, de goddelijken en volmaakten naar wiens zuivere vertellingen de toegewijden zingen die met een gelijkgezinde blik van overgave zijn aan de Allerhoogste Heer; omdat ze volledig worden beschermd door de knots van de Heer is het ons, net als de tijd zelve, niet gegeven hen te bestraffen.

 6.5: 11

De aarde was het veld van handelen, de bestemming van het levend wezen welke, sedert mensenheugenis bestaand, de oorzaak is van zijn gebondenheid; wat zou tijdgebonden arbeid nu voor nut hebben als men niet haar eindigheid inziet?

 6.5: 19

kâla-cakram bhrami tîkshnam
sarvam nishkarshayaj jagat
svatantram abudhasyeha
kim asat-karmabhir bhavet

Het o zo scherpgerande, ronddraaiende rad van de tijd bestiert de hele wereld naar eigen maat en orde; wat voor nut heeft het te ondernemen in winstverlangen er hier in deze wereld niets over wetend [zie: de orde van de tijd]?

 6.8: 20-23

Moge Kes'ava met Zijn knots me in de ochtend beschermen, moge Govinda met Zijn fluit in handen dat doen in de voormiddag, moge Nârâyana me beschermen in de namiddag en moge voor het vierde dagdeel Heer Vishnu, de heerser met de schijf, de beheerser van alle krachten zijn [zie tevens 5.21.10]. (21) Moge Heer Madhusûdhana met de ontzagwekkende boog S'ârnga me in de vroege avond beschermen. Moge Mâdhava, de Heer van Brahmâ, Vishnu en S'iva, me laat op de avond beschermen en moge Heer Hrishîkes'a me vroeg in de nacht beschermen. Moge rond middernacht Heer Padmanâbha [de Heer uit wiens navel het universum ontsproot] mijn enige beschermer zijn. (22) Moge de Heer met het S'rîvatsa-teken de Heerser zijn na middernacht, moge Janârdana, de Heer met het zwaard in zijn hand de Heerser zijn gedurende de nacht, moge Heer Dâmodara [zie Dâmodarâstaka] me beschermen bij het ochtendgloren en moge de Heerser over het Universum, de Allerhoogste Heer die de tijd in eigen persoon is over de vroege ochtend heersen [**]. (23) Laat alstublieft de scherpgerande schijf die door de Heer wordt aangewend [Zijn orde van de tijd, het cyclische van de natuurlijke tijd], die aan het einde der tijden is als het vuur der vernietiging, met het rondbewegen van het geheel der werelden, de vijandelijke troepen in de as leggen precies zoals een laaiend vuur dat tezamen met zijn vriend de wind in een oogwenk zou doen met droog gras.

6.9: 31

De goddelijken zeiden: 'U, o Heer van het Offer, brengen we, hoewel U degene bent die aan alles een einde maakt, onze eerbetuigingen daar U daadwerkelijk degene bent die zich bedient van de cakra [de schijf, het cyclische, de orde van de tijd] als wapen; al ons respect geldt U die bekend staat met zo veel transcendentale namen.

6.9: 35

In dat opzicht vragen we ons derhalve af of U als de Heer er bent als een normaal mens die gebonden is aan handelingen in de materiële wereld, die onder de invloed is geraakt van de geaardheden in een afhankelijk zijn van tijd, ruimte, activiteiten en de natuur en is gedwongen de goede en slechte gevolgen te dragen van wat hij zelf doet; danwel of U volledig in uzelf tevreden, zelfbeheerst van aard, nimmer tekort schietend qua spiritueel vermogen en de immer neutrale getuige bent. Wat dit betreft zijn we er zeker van U niet te begrijpen.

 6.9: 42

Daarom o Allerhoogste Heer, als vonken ten opzichte van het oorspronkelijke vuur, wat is er de strekking of de speciale noodzaak van dat U, die rechtstreeks de Allerhoogste Absolute Waarheid bent, door ons op de hoogte wordt gesteld? U als de oorzaak van al de schepping, de handhaving, en de vernietiging van de materiële wereld bent, in Uw zich vermaken met de geestelijke energie, zowel aanwezig in de kern van de harten van al de horden van levende wezens als buiten hen, als ook aanwezig als de Superziel voorbij aan hen. Bij de uiterlijke elementen van uw gedaanten en de bijzonderheden naar gelang de omstandigheid, de tijd, het soort van lichaam en de materiële positie is er door U, als Hij die al de materiële oorzaken ten toon spreidt, als de getuige van alles wat er gaande is, als de getuigenis zelf, het eeuwigdurende geheugen van het hele universum [het âkâsha geheugen].

6.15: 3

Net als korrels zand die samen komen en weer uit elkaar gaan door de kracht van de golven, worden zij, de belichaamden, overeenkomstig verenigd en gescheiden [vergelijk B.G. 2.13].

6.17: 21

Hij is de ene Allerhoogste Heer, die middels Zijn vermogens het gekonditioneerde leven van al de wezens schept als ook het leven der bevrijding; het geluk en het leed enerzijds en de positie boven de tijd verheven anderzijds.
 

Canto 7

 

7.1: 11-12

O Heerser der Mensen, de ware Schepper, Beheerser in Eigen Persoon van de materie en de Toevlucht voor de wezens is de Tijd die door zijn bewegingen konditioneert [zie ook B.G 11: 32].(12) Het is door enkel deze Tijd dat de Allerhoogste Heer Zijn heerlijkheden wijdverspreid zijn, o Koning, waarbij naar sattva de zekerheid van het aantal der goden wordt beijverd en bijgevolg met hen die overdekt zijn door rajas en tamas zich de vijandigheid voordoet waartoe Hij als de vriend der verlichte zielen de onverlichten aan hun eind brengt.

7.1: 23

Srî Nârada zei: 'Met de bedoeling beledigingen, lofprijzingen, eer en oneer zonder onderscheid te ondergaan heeft de Allerhoogste van de Primaire Natuur [pradhâna] dit voertuig van de tijd geschapen, o Koning [zie ook B.G. 2: 14, 12: 18-19].

7.2: 42

Dit lichaam van de persoon geboren uit onwetendheid bestaat net zo afzonderlijk van hem als de materie van een huis afzonderlijk bestaat ten opzichte van zijn bewoner; net zoals de gekonditioneerde ziel met water, aarde en vuur met de tijd geboorte nam wordt hij ook door de tijd omgevormd en overweldigd.

7.3: 31

Zonder er zelf door aangedaan te zijn, bent u waarlijk de Tijd die eeuwig waakzaam is en de levensduur bekort van alle wezens met ieder van zijn segmenten; van deze materiële wereld bent u het Grote Zelf en de ongeboren Allerhoogste Beheerser zowel als de essentiële oorzaak van het leven.

7.8: 8

Hij de beheerser, de tijdfactor, is de unieke Heer die die ene kracht van de geest en het leven is, het stabiele van iemands fysiek vermogen en de zinnen; Hij, de Ware van het zelf, is met al Zijn vermogens waarlijk de Allerhoogste Ene Meester der natuurlijke geaardheden die schept, handhaaft en het hele universum weer terugroept.

7.8: 52

De bewakers van de weelde zeiden: 'Wij, de meest vooraanstaanden onder Uw dienaren zullen hier en nu proberen U met onze dienst te behagen; door de zoon van Diti werden we gedwongen zijn draagstoel te dragen maar hij was de oorzaak van de armoe van alles en iedereen; daarom betuigen we U de eer, omdat U degene bent die hem aan zijn einde geholpen heeft, o vijfentwintigste principe [dat de tijd is, zie 3.26: 10-15] '

7.9: 5

Met hem, zo'n kleine jongen, aan Zijn lotusvoeten neergevallen was de godheid zo genadevol hoogst ontroerd en met het heffen van Zijn lotushand die Hij op zijn hoofd plaatste, verdreef hij uit alle geesten de angst over de slang van de tijd [naar zijn vier fysieke noodzakelijkheden van âhâra, nidrâ, bhaya en maithuna; eten, slapen, zich bezorgen of verdedigen en paren].

7.9: 21-24

Het illusoire van de materie is een creatie van de geest [als een fixatie beleefd] die de bron vormt van eindeloze begeertige handelingen; handelingen die door de Tijd, die de drie geaardheden der natuur in beroering brengt, zijn geconditioneerd. En zo gevangen worden je dan als persoon, onder het toeziend oog van God met wat er in de Veda's [in het karma-kânda gedeelte] is geregeld, minder glorieus de zestien spaken geboden [van de waarnemende en handelende zinnen, de elementen en de geest] van het rad der wedergeboorte, o Ongeborene. Wie o wie, die het moet stellen zonder het beste dat U voorstelt, kan hier op eigen houtje uitkomen [zie ook B.G. 9.25]? (22) U bent inderdaad dat ene element van de Tijd, waaraan men in zijn intelligentie, middels Uw persoonlijke energie, voor altijd en eeuwig is overgeleverd; aanwezig als een vorm van materiële energie die in alle gevolgen en oorzaken onder Uw cyclische controle valt, sta ik machteloos, o Heer en Meester, en ben ik geplet onder het wiel met de zestien spaken; alstublieft redt me hieruit, o Machtigste, ik heb me geheel aan U overgegeven. (23) Ik was er getuige van o Almachtige, hoe in dit opzicht al de hoger geplaatste staatslieden in hun begeerte naar een lang leven, weelde en glorie, allen door onze vader met zijn sarcastische lach in een oogwenk werden verslagen, desalniettemin werd Hij door U volledig weggevaagd. (24) Daarom, wetende waar al de zinsbevrediging van al die langlevendheid, weelde en beschaving van al de belichaamden, van Brahmâ tot aan de kleinste mier, toe leidt, heb ik er geen behoefte aan door U te moeten worden onderworpen, U die zo machtig zijt als de Meester van de Tijd; alstUblieft wees zo goed me in de richting te leiden van de omgang met Uw gewetensvolle dienaren.

7.9: 33

Uit Uw sluimering op het bed van Ananta in de causale wateren ontwaakt, verscheen de grote lotus van al de werelden uit Uw navel zoals een bananenboom dat doet uit zijn zaad en dat kosmische lichaam van U, dit universum aangedreven door de tijdfactor, toont Uw manier van reageren [in de vorm en godheden van de geaardheden] op de materie.

7.10: 43-44 

 Ze handelen over Prahlâda die hoogste verheven toegewijde zijn kenmerken van toewijding, spirituele kennis en verzaking; probeer ieder van hen te doorgronden en hiermee daadwerkelijk te weten wat van de Heer is, de Meester van het behoud, de schepping en de vernietiging; wat Zijn kwaliteiten en handelingen zijn, Zijn doorgegeven wijsheid en hoe Hij, met de Tijd, een einde maakt aan alle hogere en lagere levende wezens en hun kulturen, hoe groots ze ook mogen wezen.

7.10: 67

O Heerser der Mensen, met behulp van de pijlen aangelegd op zijn boog zette S'iva als de Heer en Beheerser op deze manier ten tijde van het middaguur de zo moeilijk te treffen steden in lichterlaaie.

7.12: 11

Al dit opvolgen van de aanwijzingen van de goeroe is even zo goed van toepassing op een huishouder als op een verzaakt iemand, zij het dat de huishouder voor een bepaalde periode sex kan hebben [ook: B.G. 7.11].

7.13: 6

Met moet zich niet zozeer verheugen in het zekere - of het onzekere - van de dood van dit lichaam en zijn levensduur, maar zich meer de Hoogmogende Tijd voorhouden die heerst over het verschijnen en verdwijnen van de levende wezens.

7.13: 33

Voor de regering, voor dieven, voor vijanden, verwanten, dieren en vogels, voor bedelaars, voor de Tijd zelve, zowel als voor zichzelf, is hij die voor het geld leeft altijd bevreesd.

7.14: 3-4

Altijd gewetensvol op de juiste tijd de nektar van de vertellingen aanhorend over de avatâra's van de Heer, temidden van zijn medemens en vrij van alle materiële bezigheden, moet men met zo een goede omgang geleidelijk aan zichzelf bevrijden uit zijn gehechtheid aan kinderen en echtgenote en aldus persoonlijk op zichzelf komen te staan ontwakend als uit een droom [zie ook 5.5: 1 en B.G. 18: 54].

7.14: 10

Op het drievoudige pad [van dharma, artha en kâma] niet overmatig van inspanning [ugra-karma] zijnd behoort een persoon, alhoewel vol zorg over zijn huishouding, alleen zoveel binnen te halen als de genade van God naar gelang de tijd en omstandigheid zou verschaffen [zie ook 4.8: 54].

7.15: 41

Men zegt dat het lichaam de strijdwagen is, de zinnen zijn de paarden, de geest, de meester der zinnen, de teugel, de zinsobjecten vormen de bestemmingen, de intelligentie is de wagenmenner en het bewustzijn is van de grootste gebondenheid, de konditionering, geschapen door de Heer. 

7.15: 53

De zinnen dan naar de geest gezet die besmet is met woorden in golven van materiële voorkeur, de woorden dan beperkt tot het volledige van haar elementen, de letters, die dan weer ingeperkt zijn tot het AUM van de pranava dat weerklinkt en die uiteindelijke geluidsklank vervolgens opgegeven tot op het punt erin vervat, resulteert dan daadwerkelijk in de levensadem naar het Allerhoogste van het levende wezen.

7.15: 66

Een persoon behoort met wat er ook toegestaan zou zijn wat betreft de middelen, de tijd en de plaats te werk te gaan overeenkomstig zijn voorgeschreven plichten, o Koning, een man behoort met dat proces, als alles verder in orde is, het niet op enige andere wijze te proberen.

 

 Canto 8

 

 8.5: 42

Begeerte is Zijn onderlip en genegenheid is Zijn bovenlip; de luister van het lichaam kon er zijn van Zijn neus en door Zijn aanraking kon er de dierlijke lust zijn; van Zijn wenkbrauwen was er de Heer van de Dood [Yamarâja] maar van Zijn wimpers kon er de eeuwige Tijd zijn; moge Hij, de Ene Almachtige, ons Zijn goedkeuring verlenen.

8.6: 25

Wees niet bevreesd voor het kâlakûtha ['valse tijd'] gif dat uit de oceaan van melk zal verschijnen, ga nooit al te gretig te werk, laat nooit de woede in je opkomen en koester ook geen begeerte naar de dingen voortgebracht.'

8.7: 25-26

U bent de bron van het [spirituele, vedische] geluid, de oorsprong van het universum, de Ziel, de levensadem, de zinnen en de elementen, de geaardheden der natuur en de zelfontplooiing, de eeuwige tijd, de vastberadenheid en de religiositeit van de waarheid [sathya] en de waarachtigheid [rita]; het is voor u dat men de oorspronkelijke lettergreep van drie letters uitspreekt [A-U-M]. (26) Het vuur, uw mond, maakt het complete uit van al de goddelijke zielen; het oppervak van de aardbol kent men, o liefde aller werelden, als uw lotusvoeten; de tijd is de vooruitgang van het geheel van uw halfgoden tezamen; de windrichtingen vormen uw oren en de heerser der wateren [Varuna] is er als uw smaak.

8.8: 21-22

Bedreven in de religie heeft men nog geen vriendschap gevonden met andere levende wezens, boetvaardig mag men zijn maar de oorzaak van de bevrijding kan men over het hoofd zien, en met welke macht dan ook die men met de mensen kan vinden, men raakt niet bevrijdt van de macht van de tijd; nimmer zal er, vrij van de besmetting van de geaardheden der natuur, [naast de Heer] een tweede zijn [zie ook 1.2: 8].

 8.11: 7-8

Bali kaatste terug: 'Allen hier op dit veld aanwezig zijn onderworpen aan de heerschappij van de tijd en vinden allen ieder op hun beurt, net zoals iedereen dat doet in zijn werk, een goede roep, overwinning, nederlaag en de dood. (8) Omdat de hele wereld, vooruit strevend, door de tijd wordt bewogen, verheugt of weeklaagt de asura niet die hiervan doordrongen is; in die zin hebben jullie allen er dus maar weinig kaas van gegeten! [vergelijk B.G.: 2.11]

8.12: 40

Als men zich eenmaal verbonden heeft met Mij in de vorm van de eeuwige tijd zal die illusiewekkende energie bestaande uit de geaardheden der natuur, met al haar verschillende elementen [als optelsom er als de godin Durgâ*] niet langer in staat zijn je van je verstand te beroven.'

8.14: 9

Als de grondleggers [de prajâpati's] verwekt Hij nageslacht; om de gewetenloze mensen te vernietigen neemt Hij de gedaante aan van koningen en in de vorm van de tijd is Hij er om een einde te maken aan alles wat zich als verschillend ontwikkelde naar de geaardheden der natuur.

 8.17: 27

U als de Oorspronkelijke Oorzaak, het einde en de handhaving van het universum, U als het reservoir van talloze vermogens bent de Allerhoogste Persoon over wie men spreekt als zijnde de Tijd; U bent de Heer, de Beheerser die het hele universum in Zijn greep krijgt, zoals golven hun greep krijgen op iemand die in het water belande.

8.19: 8-9

Nauwlettend erop toeziend hoe hij als de dood in eigen persoon achter Hem aanzat met de drietand in zijn hand dacht Hij, de Kenner der Tijd, Heer Vishnu, de Belangrijkste der Mystici: (9) 'Waarheen Ik Mij ook begeef zal deze hier, gelijk een ieders dood, zich ook begeven; derhalve zal Ik zijn hart binnengaan daar hij alleen naar de buitenkant kijkt.'

 8.21: 21-22

Voorheen werkte de tijd in ons voordeel en bracht ons de overwinning op de goddelijken, maar vandaag werkt de tijd, welke inderdaad de Allerhoogste Heer in het bestaan is, tegen ons. Met geen enkele macht, raadgeving, slimmigheid, verdedigingswerk, toverspreuk of kruiderij, diplomatie of andere middelen of soortgelijke planningen is niet ook maar één enkele ziel de tijdfactor de baas.

 8.22: 34

Geen van de plaatselijke grootheden daar zullen ertoe in staat zijn u de loef af te steken, om nog maar te zwijgen van de gewone man, daar Ik met mijn cakra er voor zal zorgen dat al de daitya's die in overtreding zijn met uw regel het af zullen leggen. 

 8.23: 16

Naar de tijd en plaats, de ontvanger en de benodigdheden kunnen er tekortkomingen zijn met de mantra's en het volgen van de principes, maar dat alles wordt foutloos gemaakt door regelmatig met elkaar de glorie te herhalen [in lezing en gezang] van uwe Heerlijkheid [*].

 

Canto 9

 

9-1: 38-39

Tevreden met hem, o wetsdienaar, zei hij om zijn woord gestand te doen en om de wijze zijn liefde te tonen: 'Deze discipel van uw lijn zal iedere andere maand een vrouw zijn en met deze regeling mag Sudyumna zoals verlangd de wereld regeren.

  9.4: 3

Al deze zo heel intelligente afstammelingen van Angirâ [zie 6.6: 19] zijn vandaag een offer aan het brengen maar iedere zesde dag na zo'n dag zullen ze, o geleerde zoon, door hun karma in onwetendheid vervallen.

9.4: 28

Tevreden over zijn onvermengde toegewijde dienst schonk de Heer voor de bescherming van de toegewijden hem Zijn cakra zo bedreigend voor hen die tegenstand bieden. [zie tevens 7.9: 43 en B.G. 9: 31].

9.4: 53-59

(53-54) Heer Brahmâ zei: 'Als de Allerhoogste Heer klaar is met Zijn spel en vermaak zal, volgend op Zijn verlangen het in de vorm van de tijd te verzengen, met een enkele beweging van Zijn wenkbrauwen de plaats waar ik me bevind, mijn verblijf, tezamen met dit hele universum, na één dag van mijn leven [een dvi-parârdha, zie 3.11: 33], daadwerkelijk worden verslagen. Ik, Heer S'iva, Daksha, Bhrigu en anderen onder hun leiding, de heersers over de mens, de levende wezens en de halfgoden - wij en allen door ons geleid, die voor het heil van alle levende wezens ons hoofd buigen overgegeven aan de regulerende beginselen, handelen naar Zijn wilsbeschikking.'

(55) Afgewezen door Heer Brahmâ zocht Durvâsâ, verschroeid door de cakra, zijn toevlucht bij hem die altijd op Kailasa verblijft [Heer S'iva]. (56) S'rî S'ankara zei: 'Wij in verhouding tot de Allerhoogste schieten tekort in macht, mijn beste - met ons ronddraaiend in Hem, de Verhevenheid, kunnen [Ik en] de andere levende wezens tot aan de Ongeborene, Heer Brahmâ, toe en ook de universa niet, het [die macht] mettertijd worden; inderdaad kunnen wij en al de duizenden en miljoenen van onze werelden zich niet tot dat ontwikkelen. (57-59) Ik, Sanat en de andere Kumâra's, Nârada, de grote Ongeboren Heer, Kapila, Vyâsadeva, Devala [de grote wijze], Yamarâja, Âsuri [de heilige] en Marîci, en de anderen volkomen in de kennis aangevoerd door hen, hebben de grenzen ontdekt van alle weten, maar geen van ons is in staat zijn illusiewekkende energie en dat wat er door overdekt wordt volledig te doorgronden. De beheerser van het universum Zijn wapen [de cakra] is daadwerkelijk zelfs voor ons moeilijk te hanteren en derhalve moet u uw toevlucht zoeken bij de Heer die in Zijn goedgunstigheid niet zal falen. '

(from the Cakra-prayers: ) 9.5: 6

Alle respekt voor u, het gelukbrengend centrum van de omwentelingen, de maat voor de ganse natuur, die inderdaad is als een kwaad voorteken voor de onverlichte zielen die het stellen zonder de religie; de handhaver van de drie werelden bent u, de opperste goedheid wiens uitstraling zo wonderbaarlijk net zo gezwind bezig is als de geest die ik tracht te verwoorden.

9.10: 22

Râma zei tot hem: 'Jij dienaar van het schuim der aarde, aangezien jij, misdadiger, als een hond Mijn weerloze vrouw hebt ontvoerd zal Ik, die in Zijn heldhaftigheid nimmer faalt, je als gevolg van die schaamteloze daad, vandaag bestraffen, jij waanzinnige schurk, als de Tijd in eigen persoon! [zie ook B.G. 16: 6-18].'

 

Canto Tien

 

10.10: 30-31

U bent de Ene voor alle levende wezens, U bent de meester van de levenskracht, van het lichaam, van de ziel en van de zinnen; U bent inderdaad de tijd, de Allerhoogste Heer Vishnu, de Onvergankelijke Beheerser. U als de Grootste, de kosmische schepping èn het subtiele, bestaande uit de hartstocht, de goedheid en de traagheid, bent voorwaar de Oorspronkelijke Persoonlijkheid en Eigenaar, de kenner van de rusteloze geest in alle bereiken

10.16: 41

Voor de Tijd, voor het Zekere van de Tijd, voor de Getuige van de Indelingen van de Tijd, voor Hem in de gedaante van het Universum, voor Degene die het Allemaal Overziet, voor haar Schepper; voor de Uiteindelijke Oorzaak van het Universum [ons respectvolle eerbetoon].

10.16: 49

U waarlijk bent de Almachtige Heer der Schepping, Handhaving en Vernietiging van dit universum die, zonder een aanvang met het vermogen van de Tijd met de geaardheden de erbuiten staande gangmaker bent; met Uw blik de afzonderlijke, sluimerende kenmerken opwekkend van ieder van hen [de geaardheden] speelt U Uw spel onberispelijk.

10.17: 24

Bescherm alsJeblieft ons, Jouw mensen, Jouw vrienden, tegen dat onoverkomelijke vuur van de Tijd [van de dood], o Meester, het kan onmogelijk bij ons opkomen dat we Je Voeten, die alle vrees verdrijven, zouden verlaten.

10.20: 16

De wegen buiten gebruik vervaagden overgroeid door gras precies zoals geschreven Teksten die, niet bestudeerd door de brahmanen, uiteenvallen onder de invloed van de tijd.

10.24: 22

Van de goedheid, de hartstocht en de onwetendheid veroorzaakt door handhaving, schepping en vernietiging [zie guna] werd door de geaardheid hartstocht [het rond bewegen] dit universum voortgebracht en is er van het tweevoudige de verscheidenheid van de wereld.

10.24: 31

S'rî S'uka zei: 'Deze woorden horend uitgesproken door de Allerhoogste Heer, de Tijd in eigen persoon, met de bedoeling de trots van Indra te breken, namen Nanda en de oudere mannen ze aan als zijnde uitstekend.

10.27: 6

De vader, de goeroe, bent U van het gehele universum, de Oorspronkelijke Beheerser en de onoverkomelijke Tijd van dienst als de roede, die, middels Uw eigen wil bovenzinnelijke gedaanten aannemend, er op uit is de eigenwanen weg te vagen van diegenen die denken dat ze de heer van het universum zijn.

10.34: 29

Toen hij de twee als de Dood en de Tijd eraan zag komen werd hij bang en in de war liet hij de vrouwen achter en rende hij voor zijn leven.

 10.36: 32

Hierheen gebracht zal ik ze door de olifant zo machtig als de tijd zelve laten doden, en als ze daaraan ontkomen, dan zullen mijn worstelaars zo sterk als de bliksem ze de wereld uithelpen.

10.38: 5

Maar genoeg daarover, zelfs voor een gevallen ziel als ik kan het zich zeker zo voordoen dat die het tot de aanwezigheid van Acyuta brengt; soms bereikt iemand meegesleurd door de rivier van de tijd de andere oever!

10.38: 16

En als ik dan voor de voeten ben neergevallen zal de Almachtige op mijn hoofd Zijn ene, eigen, lotusgelijke hand leggen die de angst verdrijft voor het serpent van de tijd vanwege wiens gezwinde kracht de mensen zwaar verstoord een veilig heenkomen zoeken.

10.43: 5

Aldus bedreigd stuurde de kwaad geworden olifantenhoeder de kwade olifant in de richting van Krishna, van de tijd, de dood en Yama de uitnemendheid zijnde.

10.51: 18-19

Uw kinderen, uw koninginnen en andere verwanten, ministers, adviseurs en onderdanen zijn nu niet meer in leven, ze behoren niet meer tot deze tijd; de tijd scheidt. De Tijd, machtiger dan het machtigste, is de Allerhoogste Onuitputtelijke Heer van Beheersing die, een spel spelend van herder en kudde, de sterfelijke wezens in beweging zet.

10.54: 14

Niettemin beklaag of verheug ik mij niet - nooit en te nimmer; wetende dat de wereld wordt voortgedreven door de tijd in combinatie met het lot. 

10 54: 16

Momenteel, nu onze vijanden hebben gewonnen, werkt de tijd in hun voordeel en dan weer zullen wij overwinnen als de tijd zich ten gunste van ons keert.'

10.60: 39

Jij, de Opperziel van Al de Werelden die Zichzelf wegschenkt en over Wiens kunnen de wijzen spreken die de staf opgaven [van het rondtrekken, Paramahamsa's wordend, zie 5.1*], bent aldus door mij uitverkozen in afwijzing van die meesters van de hemel, geboren op de lotus [Brahmâ] en het bestaan beheersend [S'iva], wiens ambities teniet zijn gedaan door de kracht van de Tijd voortgebracht door Je wenkbrauwen. Wat [dan zou ik, Jou hebbend, moeten] met anderen?

10.68: 24

'Kijk toch eens wat een wonder dit is, de onvermijdelijke gang van de Tijd; dat wat een schoen is wil boven op het hoofd kruipen dat gesierd is met een kroon!

10.70: 26

De hele wereld neigend tot het verkeerde handelen is verbijsterd over de plichten alhier die ten gunste werken in de aanbidding van U naar Uw woord, die, in zoverre men het eigene daarin doet, de macht van het bestaan vormen dienend met langlevendheid en hoop; mogen er de eerbetuigingen zijn voor Hem, de Altijd Waakzame ['die niet aflaat met de Tijd'] die zomaar opeens dit alles afkapt [ten tijde van het stervensuur].

10.71: 8

Hiranyagarbha ['hij van het gouden licht' ofwel Brahmâ] en S'arva ['hij die met de pijl doodt', te weten S'iva, zie 7.10: 67], zijn van de Beheerser van het Universum, Uw vormeloosheid van de Tijd, enkel het instrument in de schepping en vernietiging.

73: 12-13

Wij die voorheen met het verlustigen over de weelde het zicht verloren, ruziënd met elkaar over het veroveren van deze aarde, belaagden zeer genadeloos onze eigen burgers, o Meester, en hebben met de dood voor ogen hoogmoedig U buiten beschouwing gelaten. Zij, wij inderdaad o Krishna, werden ertoe gedwongen om afstand te doen van onze weelde, in onze trots vernietigd door de genade van Uw persoonlijke gedaante, de onweerstaanbare macht van de Tijd die zich zo geheimzinnig beweegt; mogen wij alstUblieft leven met Uw voeten in gedachten.

10.74: 19
 'Acyuta is het voorzeker die de allerhoogste positie verdient, Hij is de Opperheer, de leider van de Sâtvata's, Hij zonder twijfel staat borg voor al de halfgoden zowel als de plaats, de tijd en de benodigdheden en dergelijke.

10.74: 31

 'Het vedische woord van waarheid dat de Tijd de onvermijdelijke beheerser is, is bewaarheid aangezien zelfs de intelligentie van de ouderen door de woorden van een jongen op een dwaalspoor kon worden gezet!

10.84: 12

Noch het vuur, noch de zon, de maan noch het firmament, noch de aarde, het water, de ether, de adem, de spraak, noch de geest nemen, aanbeden zijnde, de zonden weg van hen die de dingen tegenover elkaar plaatsen; ze worden weggevaagd door een enkel moment van dienst aan de mannen van [brahmaanse] scholing.

10.84: 23

Geen van deze koningen genietend met U, noch de Vrishni's kennen U, verhuld door het gordijn van mâyâ, als de Allerhoogste Ziel, de Tijd en de Beheerser [B.G. 6: 26].

10.84: 32-33

[De Heer] Zijn bewustzijn wordt om geen enkele reden, noch uit zichzelf noch als gevolg van een invloed van buitenaf, in zijn kwaliteiten ooit verstoord door het destructieve en creatieve dat wordt teweeggebracht door de tijd van dit [universum, zie B.G. 4.14 en 10.30]; Hij, de Beheerser zonder een Tweede, wiens bewustzijn niet is aangedaan door hindernissen, materiële handelingen en hun gevolgen en de geaardheden en hun stroom van veranderingen [kles'a, karma en guna], wordt door iemand anders [onwetend] beschouwd als zijnde overdekt door Zijn eigen expansies van prâna en andere elementen, precies zoals de zon wordt overdekt door wolken, sneeuw of verduisteringen.'

10.84: 38

Iemand die intelligent is behoort het verlangen naar rijkdom te verzaken door offers te brengen en liefdadig te zijn, het verlangen naar een vrouw en kinderen te verzaken door zich bezig te houden met huishoudelijke zaken en het verlangen naar een wereld voor zichzelf [of een ander leven] te verzaken, o Vasudeva, met behulp van de Tijd [door zijn effecten te bestuderen, zie ook 9.5 en B.G. 3: 16]; allen die nuchter waren verzaakten hun verlangens naar een huiselijk bestaan en begaven zich voor boetedoeningen het bos in [zie ook B.G. 2: 13].

10. 86: 53

Een brahmaan is van geboorte de beste van alle levende wezens, en wat zou hij niet nog meer voor Me betekenen, als hij door zijn ascese, zijn geleerdheid en zijn tevredenheid begiftigd is met een greep op de tijd [van dit Kali-tijdperk, zie ook ** en kâla]!

 10.87: 24
Ach, wie alhier zo kortgeleden geboren en spoedig weer te sterven weet wie er het eerste was, uit wie de ziener zich voordeed [Brahmâ] en op wie de twee groepen van halfgoden volgden [naar de zinnen en de principes] [zie B.G. 7: 26]? Als hij neerligt om zich terug te trekken is er te dien tijde noch het grofstoffelijke, noch het subtiele, noch dat [de lichamen] wat beiden omvat; noch is er het verloop van de Tijd of zijn de s'âstra's er [B.G. 9: 7].

10.87: 30

Als de talloze belichaamde wezens niet tijdgebonden zouden zijn, dan zou het alomtegenwoordige niet zo'n soevereine macht zijn, o Onveranderlijke; [vanwege Uw] Zich niet scheiden van de substantie van waaruit zij werden voortgebracht moet [U] de Regulator [van de Tijd] worden gekend als zijnde overal in gelijke mate aanwezig, niet als ergens anders zijnd; en aldus heeft men het verkeerd begrepen ervan uitgaande dat men weet [heeft van het volledige van U] daar men van het onvolkomene is [de lokale orde dus] van wat gekend wordt [zie 6.5: 19].

10.87: 31

Het genereren van de materiële natuur en haar mannelijke principe, de persoon, vindt niet werkelijk plaats; door de combinatie van beiden die ongeboren zijn vinden deze levende lichamen in U hun bestaan als bellen op het water [in aanraking met de lucht] en hebben ze daarom verschillende namen en kwaliteiten [later weer] opgaand in het Allerhoogste zoals rivieren in de zee uitmonden en alle smaken van de nectar zich samenvoegen in de honing [zie ook B.G. 9: 7].

10.87: 32

Zij die van de wijsheid zijn en fervent jegens U begrijpen hoe Uw mâyâ de menselijke wezens begoochelt, leveren krachtdadige liefdevolle dienst aan U, de bron der bevrijding; hoe zou er voor hen die U trouw volgen, ook maar iets van angst zijn voor een materieel bestaan dat het drie-gerande [wiel van de Tijd van verleden, heden en toekomst] van Uw fronsende wenkbrauwen bij herhaling creëert met hen die niet tot U hun toevlucht nemen? [zie ook B.G. 4: 10, 7: 14 & 14: 26]

10.90: 47
O Koning, Zijn geboorte nemend onder de Yadu's stelde Hij het pelgrimsoord van de rivier van de hemel [de Ganges] die van Zijn voeten spoelt in de schaduw; vriend en vijand bereikte zijn doel naar Zijn belichaming [7.1: 46-47]; de onovertroffen en hoogst volmaakte godin S'rî voor wie alle anderen zich in bochten wringen is de Zijne; Zijn naam gehoord of gezongen is wat het ongunstige vernietigt; door Hem werd het dharma ingesteld voor de lijnen van erfopvolging [van de wijzen]; met Heer Krishna, wiens wapen het wiel van de Tijd is, is dit wegnemen van de last van de aarde, niet iets verwonderlijks [zie ook 3.2: 7-12].

 

Canto 11

 

11.1: 11-12

Met het hebben verricht van zegenrijke rituelen die de vroomheid afroepen logeerden de wijzen Vis'vâmitra, Asita, Kanva, Durvâsâ, Bhrigu, Angirâ, Kas'yapa, Vâmadeva, Atri, Vasishthha, tezamen met Nârada en anderen, [eens] ten huize van de heer der Yadu's [Vasudeva]. Door Hem uitgewuifd, de Ziel van de Tijd met over wie het gaan zingen, zo goedgunstig voor de hele wereld, de onzuiverheden van Kali-yuga worden weggenomen, begaven ze zich naar Pindâraka [een pelgrimsoord].

11.1: 24

De Opperheer, zeer goed in staat, bekend met de betekenis aller dingen, wilde het echter niet anders maken en was, met het Zich vertonen als de Tijd, er blij mee met de vloek der geleerden in te stemmen.

11.3: 08

Als de ontbinding der materiële elementen op handen is trekt de [Heer in de gedaante van de] Tijd die Zonder een Begin of een Einde is, het gemanifesteerde universum bestaande uit de grofstoffelijke objecten en subtiele geaardheden [terug] in het niet-gemanifesteerde [zie ook 3.29: 40-45, 3.26: 51].

11.6: 14

Als ossen bijeen gehouden door de neus hebben Brahmâ en al de andere belichaamde wezens hun bestaan, onderling in strijd verkerend onder de controle van de Tijd; mogen die lotusvoeten van U, de Allerhoogste Persoonlijkheid in het voorbije van zowel de materiële natuur als de individuele persoon, voor ons het bovenzinnelijk geluk verspreiden [vergelijk 1.13: 42, 6.3: 12].

11.6: 15  

U bent de oorzaak van deze schepping, handhaving en vernietiging, de oorzaak van het ongeziene, de individuele ziel en het grotere van de manifeste werkelijkheid; men zegt dat U, deze zelfde persoonlijkheid, de beheersende tijdfactor bent die zich voordoet als een drievoudig rad, die, als de Tijd die ononderbroken in zijn voortgang de afname van alles bewerkstelligt, de Allerhoogste Persoonlijkheid bent [*].

11.7: 43

Op dezelfde wijze als het bereik van de ether niet geraakt wordt door de winden die de wolken blazen, is de persoon [in zijn ware zelf] niet aangetast door de lichamen bestaande uit het vuur, het water en de aarde, die door de geaardheden der natuur in gang gezet zijn door de Tijd.

11.7: 48-50

Door de Tijd die in de grond niet waar te nemen is, zijn er, zoals met de maan, beginnend bij de geboorte en eindigend met de crematie, de staten van het lichaam in zijn verschillende fasen; maar geen van dezen zijn van de ziel [B.G. 2: 13, 2: 20]. De tijd dringend, voortsnellend als een stroom, met zijn voortdurend ontstaan en weer vergaan van schepselen die als de vlammen zijn met een vuur, is, vanuit de ziel bekeken, niet te zien echter [*]. Een yogî met het aanvaarden van de objecten voor zijn zinnen verzaakt ze op de juiste tijd [naar de cakra]; hij raakt niet verstrikt in hen net zoals de zon niet als die met zijn stralen de wateren binnendringt [ze verdampend en weer retournerend met de regen].

11.8: 36

Hoe veel feitelijk geluk heeft het zingenot en hebben die mannen die mijn zinnen streelden mij verschaft; om een vrouw te hebben en [zelfs] goden heeft allemaal, in de tijd verdeeld, zijn aanvang en zijn eind.

11.8: 41-42

Wie anders dan de Oorspronkelijke Beheerser zou, met mijn in het behagen