Canto
4
Hoofdstuk 24: Het Lied Gezongen door Heer S'iva
(1) Maitreya zei: 'De zoon van Prithu die onder de naam Vijitâs'va bekend raakte vanwege zijn grote daden, bood, omdat hij veel gaf om zijn jongere broers, hen de de verschillende windstreken van de wereld. (2) Hij, de meester, bood Haryaksha het oostelijk deel, het zuiden gaf hij Dhûmrakes'a, het westelijk deel kende hij zijn broer genaamd Vrika toe en het noordelijk gedeelte gaf hij aan Dravina. (3) Om wat hij gedaan had met het verdwijnen [van het offerpaard - hij viel Indra toen niet aan], was hij bedacht met de naam Antardhâna [wat verdwijning betekent, zie 4.19: 18] en was hij vereerd met de titel Antardhâna [wat verdwijning betekent]. In S'ikhandinî, zijn vrouw verwekte hij drie kinderen die de goedkeuring van een ieder wegdroegen. (4) Ze werden Pâvaka, Pavamâna en S'uci genoemd en waren, terwijl ze de goden van het vuur waren, zo geworden omdat ze in het verleden vervloekt waren door de wijze Vasishthha; nu als zodanig herboren bereikten ze opnieuw het doel van de yoga. (5) Hij die Antardhâna werd genoemd verwekte in zijn vrouw genaamd Nabhasvatî een zoon met de naam Havirdhâna ['de gewonnen offergave'] daar de vader Indra niet gedood ondanks het feit dat hij wist dat hij het paard gestolen had. (6) Het instellen van belastingen, straffen en boetes en dergelijke, waarmee de koningen in hun levensonderhoud voorzien, hield hij steeds voor iets heel gestrengs, zodat hij ze afschafte ten gunste van offerplechtigheden die in het verleden waren opgegeven. (7) Ookal had hij zich gewijd aan de taak een einde te maken aan het leed [van anderen], bereikte hij, als een verwerkelijkte ziel, middels de aanbidding van de Oorspronkelijke Persoonlijkheid, de zo geliefde Superziel, de werkelijkheid van Zijn verblijfplaats met gemak door steeds aan zijn vervoering vast te houden. (8) Havirdhânî, de naam van de vrouw van Havirdhâna, o Vidura, bracht zes zonen ter wereld genaamd Barhishat, Gaya, S'ukla, Krishna, Satya en Jitavrata. (9) Hij die van Havirdhâna de naam Barhishat kreeg was dermate fortuinlijk in zijn vruchtdragend handelen en verzaking in de yoga dat men hem als de Prajâpati [de stamvader] beschouwde, o beste der Kuru's. (10) Met deze praktijk van het voortdurend, en verspreid over de gehele wereld, behagen van de goden van het offer, hield hij het kus'agras [van de zitplaatsen bij het offeren] op het oosten gericht. (11) Op het advies van de god der goden [Brahmâ] huwde hij de dochter van de oceaan genaamd S'atadruti tot wie hij [de vuur-god...] zo sterk was aangetrokken als Agni was tot S'ukî, op het moment dat hij haar, bekoorlijk in al haar leden, jeugdig en rijkelijk opgesmukt, in een cirkel rond zag lopen gedurende de huwelijksplechtigheid. (12) De geleerden, zij die van verlangen waren, zij die de hemel bevolken, de wijzen en de volmaakten, die van de aarde en van de slangen, waren allen gefascineerd door enkel het rinkelen van de enkelbelletjes van de nieuwe bruid wat men overal kon horen. (13) Van [Prâcîna]Barhi verschenen tien zonen in de baarmoeder van S'atadruti, die, allen gezworen volgelingen van het dharma, tezamen de Pracetâ's werden genoemd [van prâcîna: het op het oosten gericht zijn]. (14) Opgedragen door hun vader kinderen te verwekken ontvluchtten ze terwille van hun boetedoening voor de tijd van tienduizend jaar hun thuis en aanbaden ze met hun tapas de Meester der Boetedoening. (15) Op die weg kwamen ze Heer S'iva tegen, die heel erg tevreden over de grote beheersing van hun meditatie, mantrapraktijk en de aanbidding, tot hen sprak.'
(16) Vidura vroeg: 'O brahmaan, zoals dat zich afspeelde met de Pracetâ's die Heer S'iva ontmoetten op hun weg, vertel ons alstublieft alles over wat de tevreden Godheid hen zei. (17) O beste onder de geleerden, het doet zich zeker zelden voor dat ten opzichte van Heer S'iva wijzen, gevangen in hun lichamen, die zich bezig houden met onthechting in het verlangen naar Hem, omgang met hem bereiken. (18) Hoewel hij in zich zelf tevreden is, is hij, de grote Heer S'iva, als hij zich in deze wereld heeft gemanifesteerd en terwille van haar bestaan bezig is met de haar beheersende krachten, verschrikkelijk om te ervaren in zijn handelen [middels Kâlî of Durgâ of Virabâdhra, zie 4:5].'
(19) Maitreya zei: 'De zonen van vader Prâcînabarhi hadden de woorden van hun vader allen zedig op hun hoofd aanvaard [in volle overgave], vertrekkend in westelijke richting in hun hart het ernstig menend met de verzakingen. (20) Ze kwamen aan bij een zeer grote watervlakte zo uitgestrekt als de nabij gelegen oceaan, die een grote ziel en geest herbergde zo helder en vreugdevol als het water ervan. (21) Op dat water aldaar leefde er een ware vindplaats van rode en blauwe lotussen, Kahlâra's en Indîvara's, en lieten zwanen, kraanvogels, eenden [cakravâkas] en andere vogels [kârandava] hun geluiden weerklinken. (22) Doldwaze hommels zoemden vreugdevol luid met hun harige kleine lichaampjes; het was een feest van klimplanten, bomen en lotussen die hun saffraan in alle windrichtingen in de lucht verspreidden. (23) Al de zonen van de koning stonden versteld over de harmonieuze geluiden van de muziek van al de hemelse trommels en pauken tezamen die men daar onophoudelijk kon horen.
(24-25) Te dien tijde waren ze er zeker van dat ze de aanvoerder van alle halfgoden [S'iva], gevolgd door het gezelschap van een verzameling van grote zielen die zijn lof prezen, uit het water zagen komen. Met het zien van de gouden glans, zijn trekken, zijn blauwe keel, drie ogen en genadige, prachtige gelaat boden ze, opgewonden in hun verbazing, hun eerbetuigingen. (26) Hij die alle gevaar verdrijft, de Grote Heer en zorgdrager der religie, tevreden over hun in acht nemen van de principes en hun goede en zachtgeaarde manieren, sprak toen tot hen. (27) Rudra zei: 'O zonen van Barhi, op de hoogte van jullie handelingen en verlangens heb ik, jullie allen het grootste geluk toewensend, om jullie mijn genade te tonen, jullie aldus mijn gezelschap gegund. (28) Welke levende wezens ook, die men kent als individuele zielen en die zich overgeven aan Vâsudeva de Allerhoogste Heer, rechtstreeks aan het bovenzinnelijke van Zijn controle over de drie geaardheden, zijn mij ongetwijfeld zeer dierbaar. (29) Een persoon die voor de duur van een duizendtal levens zich vastlegt op zijn plicht, verkrijgt de positie van Brahmâ [Brahmaloka] en als men het bovendien niet af laat weten met de Allerhoogste Heer, kan men erop rekenen daaropvolgend mij [S'ivaloka] te bereiken. Toegewijden van Heer Vishnu bereiken een post [Vaikunthhaloka] gelijk die van mij en de andere halfgoden, als de tijd van de wereld ten einde loopt. (30) Dat is de reden waarom jullie toegewijden mij zo dierbaar zijn als de Allerhoogste Heer Zelve; en daarom is er ook nooit iemand die zo geliefd is bij de toegewijden als Ik. (31) In het bijzonder moeten jullie bidden en goed luisteren naar dit wat ik je nu ga vertellen, daar het zeer zuiver is, goedgunstig, bovenzinnelijk en zegenend is.'
(32) Maitreya zei: 'Aldus luidden de woorden die de vriendelijk gezinde Heer tot hen sprak, de zonen van de koning, die met gevouwen handen voor Heer S'iva stonden, de grootste toegewijde van Nârâyana. (33) Rudra zei: 'Alle eer aan U die van de Zelfrealisatie is, de beste, de gunstigste der gunstigen. Moge er met U, de geheel volmaakte en aanbiddelijke ziel van allen, de Superziel, van mij, er mijn eerbetuigingen zijn. (34) Al mijn respect voor U Vâsudeva, uit wiens navel de lotus ontsproot, die de oorsprong van de zinnen en de zinsobjecten bent en de allerhoogste en constante verlichting van de eeuwige vrede. (35) Mijn eerbetuigingen voor Sankarshana [de meester van het ego en de integratie], de oorsprong van het subtiele ongemanifesteerde en de onoverkomelijke meester van [ook] de desintegratie; alsmede voor de meester der evolutie, voor Pradyumna [de meester der intelligentie en] de ziel in het voorbije. (36) Alle eer aan U, wederom mijn respect voor U als Aniruddha [Heer van het denken, van wie de zonnegod een expansie is, zie ook 3.1-34], de meester en bestuurder der zinnen; mijn eerbetuigingen aan de Allerhoogste der volmaaktheid en het volledige, die buiten deze materiële schepping staat*; (37) aan de hemelse verblijfplaats, het pad der bevrijding, de toegangspoort van het eeuwige, het zuiverste van het zuivere - mijn eerbetuigingen voor U. Al mijn respect voor Hem die het goud van het zaad is, de vedische offerplechtigheden is [câtur-hotra] en die van de expansie is. (38) Alle lof voor Hem die de voorouderen en de halfgoden onderhoudt, de meester van de drie Veda's en de offers is en de leidende godheid van de maan die een ieder behaagt; al mijn respect voor de Superziel die alle levende wezens doorvaart. (39) Voor de kracht en macht van al het bestaande, het lichaam en het zelf van de diversiteit van de materiële wereld [de virâth rupa] en de instandhouder van de drie werelden, mijn eerbetuigingen. (40) Alle eer aan de hemel die de betekenis onthult, het binnen en buiten van de ziel, de allerhoogste gloed; mijn eerbetuigingen voor het voorbije van de dood en het doel van al het vrome handelen. (41) De toegenegen als ook zich afzijdig houdende God der voorvaderen, het uiteindelijke resultaat van alle vruchtdragend handelen en U als de dood zelve, de oorzaak van alle soorten van ellende resulterend uit de goddeloosheid, biedt ik mijn respect. (42) Omdat U de allerhoogste begunstiger der zegening bent, het meesterbrein [van alle mantra's], het oorzakelijke zelf, biedt ik U mijn eerbetoon; alle glorie aan U als de grootste van alle religieuze beginselen, aan U Krishna, wiens oordeel volledig onafhankelijk is, U bent de oudste der ouden, de Oorspronkelijke Persoonlijkheid en de meester van de yoga-analyse [sânkya-yoga]. (43) Het reservoir van de drie energieën [van degene die handelt, de zinsactiviteiten en de resulterende werklast, zie B.G. 18a: 18], voor de reden van de materiële vereenzelviging van de ziel [egotisme] genaamd Rudra en voor de belichaming van de kennis en de volijver en stem van alle machten, mijn eerbetuigingen. (44) AlstUblieft toon ons, die verlangen naar Uw aanwezigheid, de vorm die als de meest dierbare wordt aanbeden door de toegewijden, en welke de gedaante is die hen in alle opzichten behaagt in ieder respect van hun zintuigen. (45-46) Zo glinsterend als de regen uit het dichte wolkendek gedurende het regenseizoen bent U het toppunt van alle schoonheid: prachtig zijn de lichaamskenmerken van Uw vierhandige vorm, allermooist is Uw aangename gezicht, Uw ogen zijn zo schoon als de bloemblaadjes in de werveling van de lotus en hoe mooi zijn Uw wenkbrauwen, rechte neus, schitterende tanden, hoge voorhoofd en de volledige omlijsting van Uw gezicht en volmaakte oren. (47-48) De pracht van Uw genadevolle glimlach en zijdelingse blikken, Uw krullende haar en de kleding met de saffraankleur van de lotus, wordt ondersteund door de glanzende oorbellen en de blinkende helm, de armbanden, het halssnoer, de enkelbellen, de band, de schelphoorn, werpschijf, knots en de lotusbloem, de bloemenslinger en de beste der paarlen, die U er zelfs nog mooier doen uitzien.(49) De schouders onder Uw haarlokken zijn als die van een leeuw en Uw nek, fortuinlijk van het dragen van het juweel genaamd Kaustubha dat schittert op Uw borst, geeft een nimmer afnemende schoonheid die iedere toets doorstaat. (50) Uw in- en uitademen brengt prachtig in beweging de plooien in uw buik die eruitziet als het blad van een bananenboom, en het diep wervelen van uw navel is als de spiraalwerveling van het sterrenstelsel. (51) Het donkere van Uw huid onder Uw middel is extra aantrekkelijk met zowel de pracht van Uw kleding en symmetrische gouden gordel als lager, met Uw lotusvoeten, kuiten en dijen die van een grote schoonheid zijn. (52) Door de zo aangename lotusvoeten die zijn als de blaadjes van een lotusbloem in de herfst, door de glans van Uw nagels, verdrijft U alles wat tijdelijk is; toon ons enkel het pad van die twee lotusvoeten [eveneens begrepen als de eerste twee Canto's van dit Bhâgavatam] die de moeilijkheden van de materiële wereld reduceren, o leraar, o geestelijk leidsman van allen die lijden onder het duister. (53) Uw gedaante is de degene waar men op moet mediteren; het zuivert het zelf van allen die van de toegewijde dienst de feitelijke onbevreesdheid verlangt die er is in het naleven van de eigen plichten. (54) Uw goede Zelf bereikbaar voor de toegewijden is zeer moeilijk te bereiken voor alle overige belichaamde zielen, zelfs voor hen die horen bij de koning der hemel Indra of voor de zelfgerealiseerden voor wie het doel der eenheid het uiteindelijke is dat moet worden bereikt. (55) Wat, erbuiten staand, zou men anders begeren dan Uw lotusvoeten, als men door zuivere toegewijde dienst van de aanbidding voor U is geweest die zelfs voor de meest deugdzamen moeilijk te bereiken is! (56) Daarin vormt de onoverwinnelijke tijd geen bedreiging voor een ziel van volkomen overgave, terwijl Hij in Zijn vermogen en majesteit, met enkel het optrekken van Zijn wenkbrauwen het hele universum vernietigt. (57) Hij, die in het gezelschap van de Allerhoogste Heer, slechts maar voor de kortste tijd omgang heeft, geniet het voordeel dat niet te vergelijken is met de leidraad van het licht of met dat wat geen onderscheid maakt in de liefde; wat zou nou de zegening van de materieel geconditioneerden zijn? (58) Laat er derhalve voor ons, die zich onderdompelen in de Ganges en er weer uitstappen om het gepieker van de zonde weg te wassen, de genade en de gratie zijn van deze omgang die Uw Voeten der Overwinning verheerlijkt die voor de normale levende wezens de zegening betekenen met de volste goedheid. (59) Van hem wiens hart, dat door de invloed van buiten verbijsterd raakte in de put der duisternis, werd gezuiverd door die gunst van de bhakti-yoga te aanvaarden, durf ik te beweren dat hij zo gelukkig zal zijn om daarin de bedachtzaamheid van Uw weg te vinden. (60) Dat onpersoonlijke van de Transcendentie van binnen en van buiten, dat gelijk het licht in de hemel, zich overal uitspreidt, manifesteerde zich als het zichtbare van het universum van Uw kosmische schepping - dàt is de manifestatie van U Uzelf. (61) Ik kan begrijpen dat een bestaan als dat van U, U als degene die met deze manifestatie van de veelvoud aan energieën [intern, extern en marginaal], schept, handhaaft en opnieuw weer in zich opneemt, U als die onveranderlijke zin voor de diversiteit die het eeuwige is, het iemand moeilijk maakt zich tot U te verhouden, U die zo onafhankelijk bent, o mijn lieve Heer. (62) Die transcendentalisten zijn deskundigen op het bgebied van de Veda's en de erbij behorende literatuur die, voor hun vervolmaking, met geloof en overtuiging , middels een scala aan uiteenlopende handelingen, van het verschuldigde eerbetoon zijn voor U die gekend wordt in feitelijke gebeurtenissen, in zintuiglijke waarnemingen en in het hart. (63) U bent de Ene Oorspronkelijke Persoon, van wie aan de sluimerende energie het volledige is ontsprongen waarmee hartstocht, goedheid en onwetendheid zich hebben onderscheiden en het totaal wordt gevonden van de materiële energie, het ego , de ether, de lucht, het vuur, het water en de aarde, en de deugdzamen, de wijzen en al de levende wezens. (64) In deze schepping, vanuit Uw eigen vermogen, gaat U nadien binnen in de vorm van de vier soorten van lichamen [zoals geboren uit embryo's, eieren, zweet en zaad, zie ook 2.10: 40], aldus middels Uw eigen delen en gehelen hem kennend, de persoon, die van binnen bestaat genietend door zijn zinnen, als iemand die zich tegoed doet aan de zoetheid van honing. (65) Echter, Uwe Heerlijkheid, ziend hoe na de nodige tijd die zo heel grote kracht al de planetenstelsels vernietigt en hoe alle levende wezens hun einde vinden door anderen, kan men slechts raden naar de Absolute Werkelijkheid die als de wind is die de wolken in de lucht uiteendrijft. (66) De gekken schreeuwen hardop wat er allemaal zou moeten gedaan worden, maar de begeerte zwaar ontwikkeld van een dergelijk verlangen in het snakken naar materieel plezier is bij het volledige van Uw Bovenzinnelijkheid als de Vernietiger, in een oogwenk verzwolgen zoals een verzwolgen zoals een muis is door de honger begeertige tong van een slang. (67) Welke man van wijsheid zou U bespottend Uw lotusvoeten uit de weg gaan ? Zonder twijfel zou hij enkel zijn leven vergooien; was het niet onze geestelijk leraar en vader [Brahmâ] die zonder twijfel U aanbad in het verleden precies zoals de veertien Manu's dat deden [na hem, zie Canto 2: 3:9, 6:30, 10:4]? (68) Daarom bent U voor ons, zij die geleerd hebben, het Allerhoogste Brahman, de Ziel van de ziel, de Superziel, de bestemming van hen die ongetwijfeld zonder vrees zijn voor de Vernietiger Rudra die wordt gevreesd door het ganse universum.'
(69) 'Op deze manier biddend, zal er voor allen van u het geluk zijn, o gezuiverde zonen van de koning van verzaking in respect voor de Allerhoogste Heer, als u van uw taken kwijt met alle geloof dat in u is. (70) Jegens Hem, zeker van de Allerhoogste Ziel die zich bevind in uw harten als ook in de harten van alle andere levende wezens, wees enkel van aanbidding altijd vol lof zijnd voor en mediterend op de Heer. (71) Allen van u, lees keer op keer deze instructie van de yoga en sluit hem in uw hart; houdt u aan de gelofte van stilte van het altijd met intelligentie innerlijk verzonken zijn, met het grootste respect te werk gaand. (72) Dit werd voor het eerst uitgeproken door de grote Heer [Brahmâ], de meester der scheppers van het universum en de grote wijzen aangevoerd door Bhrigu, die als zijn zonen belast met de verantwoordelijkheid voor de wereld het verlangden te scheppen [vergelijk 4.1: 12-15 ]. (73) Wij allen, heersers van de mens, raakten, toen de bevolking werd geschapen, naar Zijn opdracht op deze manier bevrijd van alle soorten van onwetendheid en aldus brachten we de verschillende vormen van leven voort. (74) Dit aldus regelmatig voor zichzelf herhalend met grote aandacht, bereikt een persoon hierin verzonken onverwijld het goedgunstige van het Vâsudeva toegewijd zijn [Krishna als de Heer van het bewustzijn]. (75) Van alle zegeningen in deze wereld is kennis de allerhoogste bovenzinnelijke verdienste van geluk van iedere persoon, daar het de boot der kennis is waarmee men de onoverkomelijke oceaan van gevaar oversteekt. (76) Een ieder die devoot gehecht en met geloof regelmatig dit lied van mij bestudeert, dit gebed gericht op de Allerhoogste Heer, de Hoogste Persoonlijkheid die zo moeilijk te respecteren is, zo een persoon zal in staat zijn tot aanbidding. (77) Een persoon kan door de Ziel van de Macht alles bereiken wat hij verlangt als hij gefixeerd is op het lied zoals door mij gezongen; op die manier behaagd is Hij van alle zegeningen de meest geliefde. (78) Hij die in de vroege ochtend, nadat hij opgestaan is dit doet, zijn handen vouwend in geloof, en aldus verzonken persoonlijk zingt en hoort en anderen doet luisteren, zo een menselijk wezen zal bevrijd raken van alle soorten van karmische terugslagen. (79) O zoons van de koning, met de intelligentie van het éénpuntig bidden en zingen van dit lied van de Allerhoogste Persoon, de Superziel, dat door mij werd gezongen, zal u, tot besluit van die praktijk, die gelijk staat aan de grootste verzakingen, de resultaten bereiken die u verlangde.'
Tweede editie, geladen 19 november, 2006.
Bronteksten :
Het lied van Heer S'iva
Maitreya zei: 'De zoon van Prithu die onder de naam Vijitâs'va bekend raakte vanwege zijn grote daden, bood, omdat hij veel gaf om hen gaf, zijn jongere broers de de verschillende windstreken van de wereld.De grote wijze Maitreya vervolgde: Vijitâs'va, de oudste zoon van Mahârâja Prithu, die dezelfde reputatie als zijn vader genoot, werd keizer en gaf zijn jongere broers de heerschappij over verschillende delen van de wereld, want hij was hen zeer toegenegen. (Vedabase)
Hij, de meester, bood Haryaksha het oostelijk deel, het zuiden gaf hij Dhûmrakes'a, het westelijk deel kende hij zijn broer genaamd Vrika toe en het noordelijk gedeelte gaf hij aan Dravina.
Mahârâja Vijitâs'va gaf het oostelijke deel van de wereld aan zijn broer Haryaksha, het zuidelijke deel aan Dhûmrakes'a, het westelijke deel aan Vrika en het noordelijke deel aan Dravina. (Vedabase)
Om wat hij gedaan had met het verdwijnen [van het offerpaard - hij viel Indra toen niet aan], was hij bedacht met de naam Antardhâna [wat verdwijning betekent, zie 4.19: 18] en was hij vereerd met de titel Antardhâna [wat verdwijning betekent]. In S'ikhandinî, zijn vrouw verwekte hij drie kinderen die de goedkeuring van een ieder wegdroegen.
Vroeger had Mahârâja Vijitâs'va de hemelkoning Indra eens een grote dienst bewezen, waarna hij van hem de titel Antardhâna had ontvangen. De naam van zijn echtgenote was Sikhandinî, en bij haar verwekte hij drie goede zoons. (Vedabase)
Ze werden Pâvaka, Pavamâna en S'uci genoemd en waren, terwijl ze de goden van het vuur waren, zo geworden omdat ze in het verleden vervloekt waren door de wijze Vasishthha; nu als zodanig herboren bereikten ze opnieuw het doel van de yoga.
De drie zoons van Mahârâja Antardhâna heetten Pâvaka, Pavamâna en S'uci. Vroeger waren deze drie persoonlijkheden de halfgoden van het vuur, maar ten gevolge van de vloek van de grote wijze Vasishta, werden ze de zoons van Mahârâja Antardhâna. Als zodanig waren ze even machtig als vuurgoden, en ze bereikten de bestemming van degenen die mystieke yoga beoefenen, waardoor ze de positie van halfgoden van het vuur weer terugkregen. (Vedabase)
Hij die Antardhâna werd genoemd verwekte in zijn vrouw genaamd Nabhasvatî een zoon met de naam Havirdhâna ['de gewonnen offergave'] daar de vader Indra niet gedood ondanks het feit dat hij wist dat hij het paard gestolen had.
Mahârâja Antardhâna had nog een andere vrouw, Nabhasvatî genaamd, en hij was zo gelukkig om bij haar nog een andere zoon te verwekken, die de naam Havirdhâna droeg. Aangezien Mahârâja Antardhâna zeer ruimdenkend was, doodde hij de halfgod Indra niet toen deze tijdens de offerplechtigheid het paard van zijn vader stal. (Vedabase)
Het instellen van belastingen, straffen en boetes en dergelijke, waarmee de koningen in hun levensonderhoud voorzien, hield hij steeds voor iets heel gestrengs, zodat hij ze afschafte ten gunste van offerplechtigheden die in het verleden waren opgegeven.
Wanneer Antardhâna, als degene die de hoogste koninklijke macht bezat, belastingen moest heffen, zijn burgers moest straffen of ze zware boetes moest opleggen, had hij geen zin om dit te doen. Daarom trok hij zich uit dergelijke activiteiten terug en hield zich in plaats daarvan bezig met het brengen van verschillende offers. (Vedabase)
Ookal had hij zich gewijd aan de taak een einde te maken aan het leed [van anderen], bereikte hij, als een verwerkelijkte ziel, middels de aanbidding van de Oorspronkelijke Persoonlijkheid, de zo geliefde Superziel, de werkelijkheid van Zijn verblijfplaats met gemak door steeds aan zijn vervoering vast te houden.
Ofschoon Mahârâja Antardhâna bezig was met offers brengen, bewees hij - als zelfgerealiseerde ziel - toch zeer intelligent toegewijde dienst aan de Heer, die Zijn toegewijden van alle angst bevrijd. Door de Allerhoogste Heer op deze wijze te vereren, bereikte Mahârâja Antardhâna, die volkomen in vervoering was, Zijn planeet zeer gemakkelijk. (Vedabase)
Havirdhânî, de naam van de vrouw van Havirdhâna, o Vidura, bracht zes zonen ter wereld genaamd Barhishat, Gaya, S'ukla, Krishna, Satya en Jitavrata.
Havirdhâna, de zoon van Mahârâja Antardhâna, had een vrouw die Havirdhânî heette. Zij bracht zes zoons ter wereld, met de namen Barhishat, Gaya, S'ukla, Krishna, Satya en Jitavrata. (Vedabase)
Hij die van Havirdhâna de naam Barhishat kreeg was dermate fortuinlijk in zijn vruchtdragend handelen en verzaking in de yoga dat men hem als de Prajâpati [de stamvader] beschouwde, o beste der Kuru's.
De grote wijze Maitreya vervolgde: Beste Vidura, Havirdhâna's zeer machtige zoon Barhishat was zeer goed in het brengen van allerlei soorten baatzuchtige offers, en hij was eveneens bedreven in de beoefening van mystieke yoga. Vanwege zijn grote kwaliteiten werd hij bekend als een prajâpati. (Vedabase)
Met deze praktijk van het voortdurend, en verspreid over de gehele wereld, behagen van de goden van het offer, hield hij het kus'agras [van de zitplaatsen bij het offeren] op het oosten gericht.
Mahârâja Barhishat bracht vele offers over de hele wereld. Hij strooide kus'a-gras uit en zorgde ervoor dat de toppen van het gras naar het oosten wezen. (Vedabase)
Op het advies van de god der goden [Brahmâ] huwde hij de dochter van de oceaan genaamd S'atadruti tot wie hij [de vuur-god...] zo sterk was aangetrokken als Agni was tot S'ukî, op het moment dat hij haar, bekoorlijk in al haar leden, jeugdig en rijkelijk opgesmukt, in een cirkel rond zag lopen gedurende de huwelijksplechtigheid.
Mahârâja Barhishat - van nu af aan Prâcînabarhi genaamd - had van de hoogste halfgod Brahmâ de opdracht gekregen om de dochter van de oceaan, S'atadruti, te huwen. Haar schoonheid was volmaakt, en ze was zeer jong. Ze was gehuld in prachtige gewaden, en toen ze het huwelijksperk binnenkwam en in een cirkel begon te lopen, voelde de vuurgod Agni zich zo tot haar aangetrokken dat hij haar gezelschap begeerde, net zoals hij voorheen van Sukî wenste te genieten. (Vedabase)
De geleerden, zij die van verlangen waren, zij die de hemel bevolken, de wijzen en de volmaakten, die van de aarde en van de slangen, waren allen gefascineerd door enkel het rinkelen van de enkelbelletjes van de nieuwe bruid wat men overal kon horen.
Toen S'atadruti trouwde, raakten de demonen, de halfgoden van Gandharvaloka, de grote wijzen en de inwoners van Siddhaloka, de aardse planeten en Nâgaloka, ondanks hun zeer verheven karakter, allemaal bekoord door het rinkelen van haar enkelbelletjes. (Vedabase)
Van [Prâcîna]Barhi verschenen tien zonen in de baarmoeder van Satadrutî, die, allen gezworen volgelingen van het dharma, tezamen de Pracetâ's werden genoemd [van prâcîna: het op het oosten gericht zijn].
Koning Prâcînabarhi verwekte tien kinderen in de schoot van S'atadruti. Ze waren allemaal even religieus en stonden bekend als de Pracetâ's. (Vedabase)
Opgedragen door hun vader kinderen te verwekken ontvluchtten ze terwille van hun boetedoening voor de tijd van tienduizend jaar hun thuis en aanbaden ze met hun tapas de Meester der Boetedoening.
Toen deze Pracetâ's van hun vader de opdracht kregen om te trouwen en kinderen te krijgen, liepen ze allemaal de oceaan in en oefenden zich tienduizend jaar lang in boetedoening en versterving. Op deze wijze vereerden ze de meester van alle versterving, de Allerhoogste Godspersoon. (Vedabase)
Op die weg kwamen ze Heer S'iva tegen, die heel erg tevreden over de grote beheersing van hun meditatie, mantrapraktijk en de aanbidding, tot hen sprak.'
Toen alle zoons van Prâcînabarhi van huis weggingen om boetedoeningen te doen, ontmoetten ze Heer S'iva, die hen uit zijn grote genade over de Absolute Waarheid onderwees. De zoons van Prâcînabarhi mediteerden op zijn leringen door ze te reciteren en met grote zorg en aandacht te eerbiedigen. (Vedabase)
Vidura vroeg: ' O brahmaan, zoals dat zich afspeelde met de Pracetâ's die Heer S'iva ontmoetten op hun weg, vertel ons alstublieft alles over wat de tevreden Godheid hen zei.
Vidura vroeg aan Maitreya: Beste brâhmana, hoe kwam het dat de Pracetâ's Heer S'iva onderweg ontmoetten? Vertel me alstublieft hoe de ontmoeting tot stand kwam, hoe ze Heer S'iva tevreden wisten te stellen en hoe hij ze onderrichtte. Zulke onderwerpen van gesprek zijn zeker belangrijk, en ik hoop dat u me alstublieft genadig zult zijn en me alles wilt beschrijven. (Vedabase)
O beste onder de geleerden, het doet zich zeker zelden voor dat ten opzichte van Heer S'iva wijzen, gevangen in hun lichamen, die zich bezig houden met onthechting in het verlangen naar Hem, omgang met hem bereiken.
De grote wijze Vidura vervolgde: O beste der brâhmana's, het is heel moeilijk voor levende wezens die in een stoffelijk lichaam gevangen zitten, om persoonlijk contact te hebben met Heer S'iva. Zelfs grote wijzen die geen materiële gehechtheden meer hebben, krijgen deze gelegenheid niet, ondanks het feit dat ze altijd in meditatie verzonken zijn teneinde met hem in contact te komen. (Vedabase)
Hoewel hij in zich zelf tevreden is, is hij, de grote Heer S'iva, als hij zich in deze wereld heeft gemanifesteerd en terwille van haar bestaan bezig is met de haar beheersende krachten, verschrikkelijk om te ervaren in zijn handelen [middels Kâlî of Durgâ of Virabâdhra, zie 4:5].'
Heer S'iva, de machtigste halfgod, die slechts Heer Vishnu boven zich heeft staan, is in zichzelf voldaan. Hoewel hij niets in de materiële wereld nastreeft, is hij overal altijd druk in de weer voor het welzijn van degenen die in de materiële wereld verblijven. Hij wordt daarbij vergezeld door zijn gevaarlijke energieën zoals de godin Kâlî en de godin Durgâ. (Vedabase)
Text 19:
Maitreya zei: 'De zonen van vader Prâcînabarhi hadden de woorden van hun vader allen zedig op hun hoofd aanvaard [in volle overgave], vertrekkend in westelijke richting in hun hart het ernstig menend met de verzakingen.
De grote wijze Maitreya vervolgde: Beste Vidura, omdat de zoons van Prâcînabarhi een vrome natuur hadden, aanvaardden ze de woorden van hun vader heel serieus en met heel hun hart, en met deze woorden op het hoofd gingen ze naar het westen om de opdracht van hun vader uit te voeren. (Vedabase)
Ze kwamen aan bij een zeer grote watervlakte zo uitgestrekt als de nabij gelegen oceaan, die een grote ziel en geest herbergde zo helder en vreugdevol als het water ervan.
Op hun reis zagen de Pracetâ's een uitgestrekt waterbekken dat bijna zo groot leek als de oceaan. Het water van dit meer was zo rimpelloos en kalm dat het precies als de geest van een grote ziel was, en zijn bewoners, de vissen en de waterdieren, leken zeer vreedzaam en gelukkig dat ze onder bescherming van zo'n waterbekken stonden. (Vedabase)
Op dat water aldaar leefde er een ware vindplaats van rode en blauwe lotussen, Kahlâra's en Indîvara's, en lieten zwanen, kraanvogels, eenden [cakravâkas] en andere vogels [kârandava] hun geluiden weerklinken.
In dat grote meer groeiden verschillende soorten lotusbloemen. Sommige waren blauwachtig, en andere rood. Sommige groeiden 's nachts, anderen overdag en weer andere, zoals de indîvara-lotusbloem, 's avonds. Alles te zamen waren er zoveel lotusbloemen in dat meer, dat het leek alsof het een mijn van bloemen was. Daarom stonden er overal op de oevers zwanen, kraanvogels, cakravâka's, kârandava's en andere prachtige watervogels. (Vedabase)
Doldwaze hommels zoemden vreugdevol luid met hun harige kleine lichaampjes; het was een feest van klimplanten, bomen en lotussen die hun saffraan in alle windrichtingen in de lucht verspreidden.
Rondom het meer stonden allerlei bomen en klimplanten, waar krankzinnige hommels tussendoor gonsden. De bomen leken heel vrolijk te zijn door het zoete gegons van de hommels, en de saffraan die in de lotusbloemen opgeslagen lag, werd de lucht ingeblazen. Dit alles schiep zo'n atmosfeer, dat het leek alsof er een groot feest gevierd werd. (Vedabase)
Al de zonen van de koning stonden versteld over de harmonieuze geluiden van de muziek van al de hemelse trommels en pauken tezamen die men daar onophoudelijk kon horen.
De zoons van de koning waren zeer verbaasd toen ze het geroffel van allerlei trommen en pauken hoorden, vermengd met andere harmonieuze geluiden die het oor streelden. (Vedabase)
Te dien tijde waren ze er zeker van dat ze de aanvoerder van alle halfgoden [S'iva], gevolgd door het gezelschap van een verzameling van grote zielen die zijn lof prezen, uit het water zagen komen. Met het zien van de gouden glans, zijn trekken, zijn blauwe keel, drie ogen en genadige, prachtige gelaat boden ze, opgewonden in hun verbazing, hun eerbetuigingen.
De Pracetâ's waren zo fortuinlijk dat ze zagen hoe Heer S'iva, de belangrijkste der halfgoden, met zijn metgezellen uit het water opdook. De glans van zijn lichaam was als gesmolten goud, zijn keel was blauwachtig, en hij had drie ogen, waarmee hij heel genadig naar zijn toegewijden keek. Hij werd vergezeld door vele muzikanten die hem verheerlijkten. Zodra de Pracetâ's Heer S'iva zagen, brachten zij hem, hogelijk verbaasd, meteen hun eerbetuigingen en vielen aan zijn lotusvoeten neer. (Vedabase)
Hij die alle gevaar verdrijft, de Grote Heer en zorgdrager der religie, tevreden over hun in acht nemen van de principes en hun goede en zachtgeaarde manieren, sprak toen tot hen.
Heer S'iva was zeer met de Pracetâ's ingenomen omdat hij de beschermheer is van religieuze mensen en mensen met een nobel gedrag. Omdat hij zeer tevreden was over de prinsen, begon hij als volgt te spreken. (Vedabase)
Rudra zei: 'O zonen van Barhi, op de hoogte van jullie handelingen en verlangens heb ik, jullie allen het grootste geluk toewensend, om jullie mijn genade te tonen, jullie aldus mijn gezelschap gegund.
Heer S'iva zei: Jullie zijn allen zoons van koning Prâcînabarhi, en ik wens jullie alle goeds toe. Ik weet ook wat jullie gaan doen en ik ben alleen maar zichtbaar voor jullie om jullie mijn genade te tonen. (Vedabase)
Welke levende wezens ook, die men kent als individuele zielen en die zich overgeven aan Vâsudeva de Allerhoogste Heer, rechtstreeks aan het bovenzinnelijke van Zijn controle over de drie geaardheden, zijn mij ongetwijfeld zeer dierbaar.
Heer S'iva vervolgde: Iedereen die zich heeft overgegeven aan de Allerhoogste Godspersoon, Krishna, de bestuurder van alles - van de materiële natuur en van het levend wezen - is me in feite zeer dierbaar. (Vedabase)
Een persoon die voor de duur van een duizendtal levens zich vastlegt op zijn plicht, verkrijgt de positie van Brahmâ [Brahmaloka] en als men het bovendien niet af laat weten met de Allerhoogste Heer, kan men erop rekenen daaropvolgend mij [S'ivaloka] te bereiken. Toegewijden van Heer Vishnu bereiken een post [Vaikunthhaloka] gelijk die van mij en de andere halfgoden, als de tijd van de wereld ten einde loopt.
Iemand die zijn voorgeschreven plicht honderd levens lang goed uitvoert, komt in aanmerking voor de post van Brahmâ, en als hij zich nog verder kwalificeert, kan hij Heer S'iva benaderen. Wie zich echter in zuivere toegewijde dienst rechtstreeks aan Krishna, Vishnu, overgegeven heeft, wordt onmiddellijk naar de geestelijke planeten verheven. Heer S'iva en andere halfgoden bereiken deze planeten na de vernietiging van deze materiële wereld. (Vedabase)
Dat is de reden waarom jullie toegewijden mij zo dierbaar zijn als de Allerhoogste Heer Zelve; en daarom is er ook nooit iemand die zo geliefd is bij de toegewijden als Ik.
Jullie zijn allemaal toegewijden van de Heer, en daarom ben ik me ervan bewust dat jullie even achtenswaardig zijn als de Allerhoogste Godspersoon. Ik weet dat de toegewijden mij ook hoogachten en dat ik hun om dezelfde reden dierbaar ben. In feite kan niemand de toegewijden zo dierbaar zijn als ik. (Vedabase)
In het bijzonder moeten jullie bidden en goed luisteren naar dit wat ik je nu ga vertellen, daar het zeer zuiver is, goedgunstig, bovenzinnelijk en zegenend is.'
Nu zal ik een mantra chanten die niet alleen transcendentaal, zuiver en zegenrijk is, maar ook het beste gebed voor iemand die het hoogste doel in het leven wil bereiken. Wanneer ik deze mantra chant, luister dan alsjeblieft met grote aandacht. (Vedabase)
Maitreya zei: 'Aldus luidden de woorden die de vriendelijk gezinde Heer tot hen sprak, de zonen van de koning, die met gevouwen handen voor Heer S'iva stonden, de grootste toegewijde van Nârâyana.
De grote wijze Maitreya vervolgde: Uit zijn grondeloze genade vervolgde de verheven Heer S'iva, de grote toegewijde van Heer Nârâyana, zijn toespraak tot de zoons van de koning, die met gevouwen handen voor hem stonden. (Vedabase)
Rudra zei: 'Alle eer aan U die van de Zelfrealisatie is, de beste, de gunstigste der gunstigen. Moge er met U, de geheel volmaakte en aanbiddelijke ziel van allen, de Superziel, van mij, er mijn eerbetuigingen zijn.
Heer S'iva richtte zich met het volgende gebed tot de Allerhoogste Godspersoon: O Allerhoogste Godspersoon, alle eer aan U. Van alle zelfverwerkelijkte zielen bent U de meest verhevene. Aangezien U altijd een bron van zegen bent voor degenen die zelfverwerkelijkt zijn, hoop ik dat U het ook voor mij bent. Door de al-volmaakte aanwijzingen die U geeft, verdient U het vereerd te worden. U bent de Superziel; daarom breng ik mijn eerbetuigingen aan U als het allerhoogste levend wezen. (Vedabase)
Al mijn respect voor U Vâsudeva, uit wiens navel de lotus ontsproot, die de oorsprong van de zinnen en de zinsobjecten bent en de allerhoogste en constante verlichting van de eeuwige vrede.
Mijn Heer, doordat de lotus aan Uw navel ontspruit, bent U de oorsprong der schepping. U bent de allerhoogste bestuurder van de zinnen en de zinsobjecten, en U bent eveneens de alomtegenwoordige Vâsudeva. U bent volmaakt vredig, en aangezien U zelf-verlicht bent, wordt U niet verstoord door de zes soorten van veranderingen. (Vedabase)
Mijn eerbetuigingen voor Sankarshana [de meester van het ego en de integratie], de oorsprong van het subtiele ongemanifesteerde en de onoverkomelijke meester van [ook] de desintegratie; alsmede voor de meester der evolutie, voor Pradyumna [de meester der intelligentie en] de ziel in het voorbije.
O mijn Heer, U bent de oorsprong van de subtiele materiële elementen, de meester van zowel alle integratie als van alle desintegratie, de Godheid genaamd Sankarshana, en de meester van alle intelligentie, die bekendstaan als de Godheid Pradyumna. Daarom bied ik U mijn nederige eerbetuigingen aan. (Vedabase)
Alle eer aan U, wederom mijn respect voor U als Aniruddha [Heer van het denken, van wie de zonnegod een expansie is], de meester en bestuurder der zinnen; mijn eerbetuigingen aan de Allerhoogste der volmaaktheid en het volledige, die buiten deze materiële schepping staat*;
Heer, als de allerhoogste Godheid die als Aniruddha bekendstaat, bent U de meester van de zinnen en de geest. Daarom breng ik U keer op keer mijn eerbetuigingen. U staat zowel als Ananta en als Sankarshana bekend vanwege Uw vermogen om de hele schepping door het laaiende vuur uit Uw mond te vernietigen. (Vedabase)
aan de hemelse verblijfplaats, het pad der bevrijding, de toegangspoort van het eeuwige, het zuiverste van het zuivere - mijn eerbetuigingen voor U. Al mijn respect voor Hem die het goud van het zaad is, de vedische offerplechtigheden is [câtur-hotra] en die van de expansie is.
Mijn Heer, o Aniruddha, U bent de autoriteit die de deuren tot de hogere planetenstelsels en de bevrijding opent. U zetelt altijd in het zuivere hart van het levend wezen. Daarom breng ik U mijn eerbetuigingen. Uw zaad is als goud, en op deze wijze helpt U in de gedaante van vuur bij het brengen van vedische offers, te beginnen met câturhotra. Ik breng U mijn eerbetuigingen. (Vedabase)
Alle lof voor Hem die de voorouderen en de halfgoden onderhoudt, de meester van de drie Veda's en de offers is en de leidende godheid van de maan die een ieder behaagt; al mijn respect voor de Superziel die alle levende wezens doorvaart.
Mijn Heer, U bent degene die zowel voor de Pitriloka's als voor alle halfgoden zorgt. U bent de god van de maan en de meester van alle drie de Veda's. Ik breng U mijn nederige eerbetuigingen omdat U de oorspronkelijke bron van vreugde voor alle levende wezens bent. (Vedabase)
Voor de kracht en macht van al het bestaande, het lichaam en het zelf van de diversiteit van de materiële wereld [de virâth rupa] en de instandhouder van de drie werelden, mijn eerbetuigingen.
O mijn Heer, U bent de gigantische universele gedaante die alle individuele lichamen van de levende wezens bevat. U bent de instandhouder van de drie werelden, en als zodanig houdt U ook de geest, de zinnen, het lichaam en de levensadem daarin in stand. Daarom breng ik U mijn nederige eerbetuigingen. (Vedabase)
Alle eer aan de hemel die de betekenis onthult, het binnen en buiten van de ziel, de allerhoogste gloed; mijn eerbetuigingen voor het voorbije van de dood en het doel van al het vrome handelen.
O mijn Heer, door Uw transcendentale vibraties uit te zenden, onthult U de werkelijke betekenis van alles. U bent de alomtegenwoordige ether, die binnen en buiten alles bestaat, en U bent het allerhoogste doel van de vrome activiteiten die zowel in deze materiële wereld als daarboven plaatsvinden. Daarom breng ik U keer op keer mijn nederige eerbetuigingen. (Vedabase)
De toegenegen als ook zich afzijdig houdende God der voorvaderen, het uiteindelijke resultaat van alle vruchtdragend handelen en U als de dood zelve, de oorzaak van alle soorten van ellende resulterend uit de goddeloosheid, biedt ik mijn respect.
O mijn Heer, U bent degene die de gevolgen van vrome activiteiten waarneemt. U bent voorkeur, afkeer en de activiteiten die daaruit voortkomen. U bent de oorzaak van alle ellende in het leven die door goddeloosheid veroorzaakt wordt, en daarom bent U de dood. Ik breng U mijn nederige eerbetuigingen. (Vedabase)
Omdat U de allerhoogste begunstiger der zegening bent, het meesterbrein [van alle mantra's], het oorzakelijke zelf, biedt ik U mijn eerbetoon; alle glorie aan U als de grootste van alle religieuze beginselen, aan U Krishna, wiens oordeel volledig onafhankelijk is, U bent de oudste der ouden, de Oorspronkelijke Persoonlijkheid en de meester van de yoga-analyse [sânkya-yoga].
O mijn Heer, U bent de allerhoogste van al diegenen die ons hun zegen kunnen geven en de oudste en allerhoogste genieter van alle genieters. U bent de meester van alle metafysische filosofie in de wereld, want U bent de allerhoogste oorzaak van alle oorzaken, Heer Krishna. U vertegenwoordigt het hoogste religieuze principe, de allerhoogste geest, en U bezit een intelligentie die door niets belemmerd kan worden. Keer op keer breng ik U daarom mijn nederige eerbetuigingen. (Vedabase)
Het reservoir van de drie energieën [van degene die handelt, de zinsactiviteiten en de resulterende werklast, zie B.G. 18a: 18], voor de reden van de materiële vereenzelviging van de ziel [egotisme] genaamd Rudra en voor de belichaming van de kennis en de volijver en stem van alle machten, mijn eerbetuigingen.
O mijn Heer, U bent de allerhoogste bestuurder van degene die handelt, van de zinsactiviteiten en de resultaten der zinsactiviteiten [karma]. Daarom bent U degene die het lichaam, de geest en de zinnen bestuurt. Ook bent U de allerhoogste bestuurder van het ego, dat bekendstaat als Rudra. U bent de bron van kennis en van activiteiten volgens de vedische voorschriften. (Vedabase)
AlstUblieft toon ons, die verlangen naar Uw aanwezigheid, de vorm die als de meest dierbare wordt aanbeden door de toegewijden, en welke de gedaante is die hen in alle opzichten behaagt in ieder respect van hun zintuigen.
O mijn Heer, ik zou U juist in die gedaante willen zien die Uw zeer geliefde toegewijden vereren. Hoewel U vele andere gedaanten heeft, wens ik de gedaante te zien waar de toegewijden het meest van houden. Wees me alstublieft genadig en toon me die, want alleen de gedaante die door de toegewijden vereerd wordt, kan alle behoeften van de zinnen volmaakt bevredigen. (Vedabase)
Zo glinsterend als de regen uit het dichte wolkendek gedurende het regenseizoen bent U het toppunt van alle schoonheid: prachtig zijn de lichaamskenmerken van Uw vierhandige vorm, allermooist is Uw aangename gezicht, Uw ogen zijn zo schoon als de bloemblaadjes in de werveling van de lotus en hoe mooi zijn Uw wenkbrauwen, rechte neus, schitterende tanden, hoge voorhoofd en de volledige omlijsting van Uw gezicht en volmaakte oren.
De schoonheid van de Heer is vergelijkbaar met een donkere wolk in het regenseizoen. Zijn lichaam schittert als glinsterende regendruppels. Hij is inderdaad de verpersoonlijking van alle schoonheid. De Heer heeft vier armen en een beeldschoon gezicht met ogen als de kelkblaadjes van een lotus, een prachtige rechte neus, een glimlach die de geest bekoort, een heel mooi voorhoofd en even mooie oren die met oorbellen gesierd zijn. (Vedabase)
De pracht van Uw genadevolle glimlach en zijdelingse blikken, Uw krullende haar en de kleding met de saffraankleur van de lotus, wordt ondersteund door de glanzende oorbellen en de blinkende helm, de armbanden, het halssnoer, de enkelbellen, de band, de schelphoorn, werpschijf, knots en de lotusbloem, de bloemenslinger en de beste der paarlen, die U er zelfs nog mooier doen uitzien.
Door Zijn open en genadevolle glimlach en de zijdelingse blikken die Hij op Zijn toegewijden werpt, is de Heer buitengewoon mooi. Hij heeft zwart krullend haar, en Zijn gewaad, dat wappert in de wind, lijkt op het saffraankleurige stuifmeel dat uit lotusbloemen opwaait. Zijn glinsterende oorbellen, glanzende helm, Zijn armbanden, bloemenslinger, enkelbelletjes, gordel en andere sieraden in combinatie met de hoornschelp, werpschijf, knots en lotus, verhogen de natuurlijke schoonheid van de Kaustubha-parel op Zijn borst. (Vedabase)
De schouders onder Uw haarlokken zijn als die van een leeuw en Uw nek, fortuinlijk van het dragen van het juweel genaamd Kaustubha dat schittert op Uw borst, geeft een nimmer afnemende schoonheid die iedere toets doorstaat.
De Heer heeft schouders als die van een leeuw. Op Zijn schouders rusten bloemenslingers, halskettingen en epauletten waarvan de glinstering geen seconde verflauwt. Daar komt nog de schoonheid van de Kaustubhamani-parel bij, en de S'rîvatsa, de lijnen op de donkere borst van de Heer die het symbool van de geluksgodin zijn. De schittering van deze lijnen overtreft de schoonheid van de gouden strepen op een toetssteen. Ja, een dergelijke schoonheid doet die van een toetssteen verbleken. (Vedabase)
Uw in- en uitademen brengt prachtig in beweging de plooien in uw buik die eruitziet als het blad van een bananenboom, en het diep wervelen van uw navel is als de spiraalwerveling van het sterrenstelsel.
De buik van de Heer wordt verfraaid door de drie plooien in het vlees. De ronde vorm van Zijn buik lijkt op het blad van een banyan-boom, en wanneer Hij in- en uitademt, is de beweging van die plooien een heel erg mooi gezicht. De spiraalvormige navel van de Heer is zo diep, dat het lijkt alsof het hele universum eruit voortgekomen is en er toch weer in terug wil keren. (Vedabase)
Het donkere van Uw huid onder Uw middel is extra aantrekkelijk met zowel de pracht van Uw kleding en symmetrische gouden gordel als lager, met Uw lotusvoeten, kuiten en dijen die van een grote schoonheid zijn.
Vanaf de taille is het lichaam van de Heer donker en gehuld in gele gewaden die verfraaid worden door een met gouddraad geborduurde gordel. Zijn symmetrische lotusvoeten, Zijn kuiten, dijen en de gewrichten van Zijn benen zijn buitengewoon mooi. Het hele lichaam van de Heer ziet er trouwens zeer goed gebouwd uit. (Vedabase)
Door de zo aangename lotusvoeten die zijn als de blaadjes van een lotusbloem in de herfst, door de glans van Uw nagels, verdrijft U alles wat tijdelijk is; toon ons enkel het pad van die twee lotusvoeten [eveneens begrepen als de eerste twee Canto's van dit Bhâgavatam] die de moeilijkheden van de materiële wereld reduceren, o leraar, o geestelijk leidsman van allen die lijden onder het duister.
O Heer, Uw twee lotusvoeten zijn zo prachtig dat ze op twee kelkblaadjes van de in de herfst bloeiende lotus lijken. De nagels van Uw lotusvoeten hebben zo'n sterke uitstraling dat ze alle duisternis in het hart van een geconditioneerde ziel ogenblikkelijk doen wijken. O Heer, toon me alstublieft die gedaante van U, die alle vormen van duisternis uit het hart van een toegewijde verjaagt. O Heer, U bent de allerhoogste geestelijk leraar van iedereen; daarom kunt U alle geconditioneerde zielen die bedekt zijn door de duisternis der onwetendheid verlichten. (Vedabase)
Uw gedaante is de degene waar men op moet mediteren; het zuivert het zelf van een ieder die van de toegewijde dienst de feitelijke onbevreesdheid verlangt die er is in het naleven van de eigen plichten.
O mijn Heer, zoals hierboven beschreven wordt, moet hij die zich wil zuiveren voortdurend op Uw lotusvoeten mediteren. Wie serieus zijn voorgeschreven plicht wil vervullen en naar bevrijding van angst verlangt, moet dit pad van bhakti-yoga gaan volgen. (Vedabase)
Uw goede Zelf bereikbaar voor de toegewijden is zeer moeilijk te bereiken voor alle overige belichaamde zielen, zelfs voor hen die horen bij de koning der hemel Indra of voor de zelfgerealiseerden voor wie het doel der eenheid het uiteindelijke is dat moet worden bereikt.
O mijn Heer, zelfs de koning van het hemelse koninkrijk verlangt ernaar om het hoogste levensdoel te bereiken - toegewijde dienst. U bent eveneens de uiteindelijke bestemming van allen die zich met U vereenzelvigen [aham brahmâsmi]. Voor hen is het echter zeer moeilijk om U te bereiken, terwijl het voor een toegewijde zeer gemakkelijk is. (Vedabase)
Wat, erbuiten staand, zou men anders begeren dan Uw lotusvoeten, als men door zuivere toegewijde dienst van de aanbidding voor U is geweest die zelfs voor de meest deugdzamen moeilijk te bereiken is!
O mijn Heer, zelfs voor bevrijde zielen is het zeer moeilijk om U zuivere toegewijde dienst te bewijzen, maar toch is toegewijde dienst het enige dat U bevredigen kan. Wie zal er nog andere methoden van zelfrealisatie gaan volgen als hij werkelijk ernst maakt met het vervolmaken van zijn leven? (Vedabase)
Daarin vormt de onoverwinnelijke tijd geen bedreiging voor een ziel van volkomen overgave, terwijl Hij in Zijn vermogen en majesteit, met enkel het optrekken van Zijn wenkbrauwen het hele universum vernietigt.
Louter en alleen door zijn wenkbrauwen te bewegen, kan de onoverwinnelijke tijd in persoon het hele universum van het ene moment op het andere doen verdwijnen. De ontzagwekkende tijd laat de toegewijde die volkomen zijn toevlucht bij Uw lotusvoeten gezocht heeft echter ongemoeid. (Vedabase)
Hij, die in het gezelschap van de Allerhoogste Heer, slechts maar voor de kortste tijd omgang heeft, geniet het voordeel dat niet te vergelijken is met de leidraad van het licht of met dat wat geen onderscheid maakt in de liefde; wat zou nou de zegening van de materieel geconditioneerden zijn?
Als men toevallig met een toegewijde in contact komt, al is het maar heel even, verliest men zijn aantrekking tot de resultaten van karma of jñâna. Wat voor belangstelling kan men dan nog opbrengen voor de zegeningen van de halfgoden, die onderhevig zijn aan de wetten van geboorte en dood? (Vedabase)
Laat er derhalve voor ons, die zich onderdompelen in de Ganges en er weer uitstappen om het gepieker van de zonde weg te wassen, de genade en de gratie zijn van deze omgang die Uw Voeten der Overwinning verheerlijkt die voor de normale levende wezens de zegening betekenen met de volste goedheid.
O mijn Heer, Uw lotusvoeten zijn de oorzaak van alle heil en ze vernietigen de smetten die het gevolg zijn van zonde. Ik smeek U daarom, mijn Heer, om me te zegenen met het gezelschap van Uw toegewijden, die door hun verering van Uw lotusvoeten volkomen gezuiverd zijn en zich bijzonder genadig tonen tegenover de geconditioneerde zielen. Ik denk dat U me pas echt zegent als U me toestaat om met zulke toegewijden om te gaan. (Vedabase)
Van hem wiens hart, dat door de invloed van buiten verbijsterd raakte in de put der duisternis, werd gezuiverd door die gunst van de bhakti-yoga te aanvaarden, durf ik te beweren dat hij zo gelukkig zal zijn om daarin de bedachtzaamheid van Uw weg te vinden.
De toegewijde wiens hart door het proces van toegewijde dienst volkomen gezuiverd is en die door Bhaktidevî begunstigd is, wordt nooit in de war gebracht door de uitwendige energie, die als een donkere put is. Omdat hij zo volledig van alle materiële besmetting gezuiverd is, kan hij Uw naam, roem, gedaante, activiteiten enzovoort begrijpen, hetgeen hem grote vreugde schenkt. (Vedabase)
Dat onpersoonlijke van de Transcendentie van binnen en van buiten, dat gelijk het licht in de hemel, zich overal uitspreidt, manifesteerde zich als het zichtbare van het universum van Uw kosmische schepping - dàt is de manifestatie van U Uzelf.
O mijn Heer, het onpersoonlijke Brahman is overal verbreid, net als zonneschijn of lucht. En dat onpersoonlijke Brahman, dat door het hele universum verbreid is en waarin het hele universum is geopenbaard, bent U. (Vedabase)
Ik kan begrijpen dat een bestaan als dat van U, U als degene die met deze manifestatie van de veelvoud aan energieën [intern, extern en marginaal], schept, handhaaft en opnieuw weer in zich opneemt, U als die onveranderlijke zin voor de diversiteit die het eeuwige is, het iemand moeilijk maakt zich tot U te verhouden, U die zo onafhankelijk bent, o mijn lieve Heer.
O mijn Heer, U hebt talrijke energieën, die zich in allerlei vormen openbaren. Met deze energieën hebt U ook de kosmische openbaring geschapen, en ofschoon U haar in stand houdt alsof ze blijvend is, vernietigt U haar uiteindelijk. Hoewel dergelijke veranderingen en wijzigingen U nooit verstoren, worden de levende wezens er wel door in de war gebracht, en denken daarom dat de kosmische openbaring van U verschilt of los van U staat. O Heer, U bent altijd onafhankelijk; dit feit kan ik duidelijk inzien. (Vedabase)
Die transcendentalisten zijn deskundigen op het bgebied van de Veda's en de erbij behorende literatuur die, voor hun vervolmaking, met geloof en overtuiging , middels een scala aan uiteenlopende handelingen, van het verschuldigde eerbetoon zijn voor U die gekend wordt in feitelijke gebeurtenissen, in zintuiglijke waarnemingen en in het hart.
O mijn Heer, Uw universele gedaante bestaat uit de vijf elementen, de zinnen, de geest, de intelligentie, het vals ego. (dat materieel is) en de Paramâtmâ, Uw deel-expansie, die alles bestuurt. Yogî's die geen toegewijden zijn - namelijk de karma-yogî's en de jñâna-yogî's - vereren U met hun specifieke activiteiten in hun eigen positie. Zowel in de Veda's als in de sâstra's die supplementen op de Veda's zijn, en eigenlijk overal, wordt verklaard dat alleen U vereerd moet worden. Dat is het gezaghebbende oordeel van alle Veda's. (Vedabase)
U bent de Ene Oorspronkelijke Persoon, van wie aan de sluimerende energie het volledige is ontsprongen waarmee hartstocht, goedheid en onwetendheid zich hebben onderscheiden en het totaal wordt gevonden van de materiële energie, het ego , de ether, de lucht, het vuur, het water en de aarde, en de deugdzamen, de wijzen en al de levende wezens.
O mijn Heer, U bent de enige Allerhoogste Persoon, de oorzaak van alle oorzaken. Vóór de schepping van deze materiële wereld is Uw materiële energie in sluimerende toestand. Wanneer Uw materiële energie wakker geschud wordt, komen de drie geaardheden tot leven - namelijk goedheid, hartstocht en onwetendheid - wat tot gevolg heeft dat de totale materiële energie - egotisme, ether, lucht, vuur, water, aarde en al de verschillende halfgoden en heiligen - geopenbaard wordt. Op deze wijze wordt de materiële wereld geschapen. (Vedabase)
In deze schepping, vanuit Uw eigen vermogen, gaat U nadien binnen in de vorm van de vier soorten van lichamen [zoals geboren uit embryo's, eieren, zweet en zaad, zie ook 2.10: 40 ], aldus middels Uw eigen delen en gehelen hem kennend, de persoon, die van binnen bestaat genietend door zijn zinnen, als iemand die zich tegoed doet aan de zoetheid van honing.
O mijn Heer, nadat U door middel van Uw eigen vermogen geschapen hebt, gaat U de schepping binnen in vier verschillende gedaantes. Omdat U Zich in het hart van de levende wezens bevindt, kent U hen en weet U hoe ze van hun zinnen genieten. Het zogenaamde geluk in deze materiële schepping is net als het geluk van bijen die van de honing genieten die ze in een honingraat bijeengebracht hebben. (Vedabase)
Echter, Uwe Heerlijkheid, ziend hoe na de nodige tijd die zo heel grote kracht al de planetenstelsels vernietigt en hoe alle levende wezens hun einde vinden door anderen, kan men slechts raden naar de Absolute Werkelijkheid die als de wind is die de wolken in de lucht uiteendrijft.
O mijn Heer, Uw absolute autoriteit kan niet rechtstreeks waargenomen worden, maar als men de gebeurtenissen in de wereld beschouwt, kan men tot de veronderstelling komen dat alles te zijner tijd vernietigd zal worden. De tijd is zeer machtig, en het één vernietigt het ander - net zoals het ene dier door het andere opgegeten wordt. De tijd verstrooit alles, precies zoals de wind de wolken in de lucht verstrooit. (Vedabase)
De gekken schreeuwen hardop wat er allemaal zou moeten gedaan worden, maar de begeerte zwaar ontwikkeld van een dergelijk verlangen in het snakken naar materieel plezier is bij het volledige van Uw Bovenzinnelijkheid als de Vernietiger, in een oogwenk verzwolgen zoals een verzwolgen zoals een muis is door de honger begeertige tong van een slang.
O mijn Heer, de levende wezens in deze materiële wereld zijn als gekken bezig om allerlei plannen te beramen, en ze hebben het altijd druk omdat ze van alles willen doen. Dit komt voort uit hun onbeheerste hebzucht. De begeerte naar materieel genot is voortdurend in het levend wezen aanwezig, maar U bent altijd klaarwakker, en op een gegeven moment neemt U het levend wezen te pakken, net zoals een slang een muis grijpt en hem zonder enige moeite verslindt. (Vedabase)
Welke man van wijsheid zou U bespottend Uw lotusvoeten uit de weg gaan ? Zonder twijfel zou hij enkel zijn leven vergooien; was het niet onze geestelijk leraar en vader [Brahmâ] die zonder twijfel U aanbad in het verleden precies zoals de veertien Manu's dat deden [na hem, zie Canto 2: 3:9, 6:30, 10:4]?
O mijn Heer, elk geleerd mens weet dat hij zijn hele leven vergooit wanneer hij U niet vereert. Hoe zou iemand die deze wetenschap bezit dan de verering van Uw lotusvoeten kunnen opgeven? Zelfs onze vader en geestelijk leraar, Heer Brahmâ, vereert U zonder enige aarzeling, en de veertien Manu's treden in zijn voetsporen. (Vedabase)
Daarom bent U voor ons, zij die geleerd hebben, het Allerhoogste Brahman, de Ziel van de ziel, de Superziel, de bestemming van hen die ongetwijfeld zonder vrees zijn voor de Vernietiger Rudra die wordt gevreesd door het ganse universum.'
O mijn Heer, alle mensen die werkelijk geleerd zijn, kennen U als het Allerhoogste Brahman en de Superziel. Ofschoon het hele universum bang is voor Heer Rudra, omdat hij degene is die uiteindelijk alles vernietigt, bent U voor de geleerde toegewijden ieders bestemming, waar geen sprake is van vrees. (Vedabase