Canto
10
Hoofdstuk 12: Het Einde van de Demon Aghâsura
(1) S'rî S'uka zei: 'Op een dag vatte de Heer het plan op om te gaan picknicken in het bos. Vroeg in de ochtend opgestaan wekte Hij Zijn kameraadjes en de kalfjes door fraai op Zijn hoorn te blazen. Daarna vertrokken ze vanuit Vraja terwijl ze hun groepjes kalveren voor zich uit dreven. (2) Zij allen in hun sas, prachtig stralend samen met Hem eropuit trekkend met hun herdersstaven, hoorns, fluiten en de vele kalveren die ieder van hen had en die samen wel meer dan duizend stuks bedroegen, boden een hoogst aantrekkelijke aanblik. (3) Met Krishna's eigen kalfjes erbij hadden zich er niet te tellen hoe veel verzameld en samen met hen genoot Hij toen, opgegaan in hun jongensspelletjes, op uiteenlopende plaatsen [in het woud].
(4) Hoewel ze met kleurige steentjes, schelpen, goud en parels reeds waren opgesierd, maakten ze ook gebruik van vruchten, groene bladeren, bossen prachtige bloemen, pauweveren en grondkleuren om zichzelf te verfraaien. (5) Elkaars eigendommen weggrissend wierpen ze die op een afstand van degene die zich erom bezorgde en werden ze door hen die hem zagen aankomen verder overgegooid, maar dan weer met een lach teruggegeven. (6) Als Krishna wegdwaalde met oog voor de schoonheid van het woud maakten ze lol door met 'ik was 't eerst, ik was 't eerst', te proberen Hem aan te raken. (7-11) Sommigen bliezen op hun fluiten, sommigen schalden hun hoorns, sommigen zoemden mee met de hommels en anderen deden de koekoeken na. Sommigen holden achter de schaduwen van de vogels aan, sommigen schreden elegant met de zwanen of zaten met de eenden net zo stil of dansten met de pauwen. Ze zochten naar jonge aapjes en sprongen samen met hen tussen de bomen op de manier zoals zij tussen de bomen heen en weer slingerden. Ze sprongen samen met de kikkers mee nat rakend in het water, lachten om hun schaduwen en dreven de spot met hun eigen echo's. Op deze manier genoten ze van de verdienste van hun voorgaande levens in vriendschap met Hem die voor hen die in mâyâ verstrikt zijn de Allerhoogste Goddelijkheid is, die voor de transcendentalisten die het aanvaardden om van dienst te zijn, bijgevolg het spiritueel geluk is [zie * en 1.1: 2, 1.7: 6 en 2.1: 6].(12) Ookal zijn ze vele levens lang vol van boete, dan nog bereiken yogi's bedreven in de zelfbeheersing niet het stof van Zijn lotusvoeten; hoe fortuinlijk zijn dan niet de bewoners van Vraja voor wie Hij daadwerkelijk persoonlijk aanwezig het voorwerp werd van hun persoonlijke getuigenis?
(13) En toen verscheen hij genaamd Agha ['de kwaadaardige'] daar ten tonele, een grote demon die de aanblik van hun gelukkige tijdverdrijf niet kon verdragen en naar wiens levenseinde steeds werd uitgezien door al de onsterfelijken, ondanks de nectar die ze dronken. (14) De jongens ziend aangevoerd door Krishna dacht de door Kamsa gezonden Aghâsura, die de jongere broer was van Bakî [Pûtanâ] en Bakâsura: 'Dit moet de moordenaar zijn van de twee die samen met mij ter wereld kwamen; dus omwille van hen, laat me dan nu Hem en Zijn jongetjes om zeep helpen! (15) Als deze jongens voor mijn broer en zus het sesamzaad en het water zijn geworden voor hun begrafenisrituelen, zullen alle inwoners van Vraja bij elkaar zo goed als dood zijn als de kracht van hun leven hen heeft verlaten, als deze levende wezens die voor hen zo dierbaar zijn als hun liefde en adem weg zijn.' (16) Aldus vastbesloten nam hij de wonderlijke gedaante aan van een zeer, zeer grote python die zich kilometers ver uitstrekte en versperde hij, zo hoog als een berg en met een bek ver open als een berggrot, op dat moment zeer listig de weg om de picknickers te verzwelgen. (17) Met de gapende binnenkant van zijn bek, rustte zijn onderlip op de aarde en beroerde de bovenlip de hemel; zijn tanden waren als bergpieken en binnenin was het aardedonker, zijn tong leek op een brede weg, zijn adem was als een warme wind en zijn felle blik was als vuur. (18) Hem ziend in die positie dachten ze allen dat het Vrindâvana op zijn best was; voor hen was het inderdaad een sport [te doen] alsof ze naar de vorm van de bek van een python keken: (19) 'Kijk eens vrienden, een dooie python die daar voor ons ligt om ons allemaal op te slokken met zijn slangenbek wijd open, denk je ook niet? (20) Werkelijk, zo klaar als een klontje, daar heb je de bovenlip en daaronder, die grote zandbank is zijn onderlip met die roodachtige gloed... (21) En rechts en links, die holten, die zien er net uit als zijn mondhoeken, en die pieken daar, die zien d'r precies uit als de tanden van het beest. (22) Het brede pad, zo weids en lang, is als de tong en de duisternis daar tussen de bergen in, dat inderdaad is de binnenkant van zijn bek. (23) Let maar eens op hoezeer de wind die er heet als vuur vandaan komt op zijn adem lijkt, met de kwalijke lucht van verbrand vlees van de lijken in zijn buik. (24) Zou dit beest er zijn om allen te verzwelgen die het wagen er binnen te gaan? Als dat zo is, dan zal hij net als Bakâsura door Hem onverwijld een kopje kleiner worden gemaakt!' zeiden ze en wierpen daarbij een blik op het stralende gezicht van Krishna, Baka's vijand, terwijl ze luid lachend, in hun handen klappend de bek inliepen.
(25) Horend hoe ze op verschillende manieren bezijden de waarheid aan het praten waren zonder door te hebben waar ze mee van doen hadden, kwam Krishna, die heel goed doorhad dat de Rakshasa maar al te echt was en hen voor de gek aan het houden was, tot de conclusie dat Hij, de Allerhoogste Heer, het Volkomene van alle levende wezens Zich bevindend in het hart, Zijn kameraden moest tegenhouden. (26) Ondertussen waren alle jongens en hun kalveren de buik van de demon binnengegaan, maar ze werden niet verzwolgen; de Rakshasa, aan zijn dode verwanten denkend, wachtte erop dat Baka's vijand naar binnenging. (27) Krishna, die voor alles en iedereen de bron der onbevreesdheid is, stond versteld toen Hij dat zag en betreurde vol mededogen de gang van zaken die zich afspeelde voor Zijn vrienden, die niemand anders dan Hem hadden en nu hulpeloos, aan Zijn controle ontsnapt, als strootjes waren voor het vuur van de buik van Aghâsura, van de dood in eigen persoon. (28) Wat nu te beginnen; deze schurk zou er niet moeten zijn, noch moesten die onschuldige trouwe zielen hun einde vinden; hoe kon Hij nu beide tegelijk voor elkaar krijgen? Zijn gedachten bij elkaar rapend wist de Heer, de Ziener van het Onbegrensde, wat hem te doen stond en liep Hijzelf de bek in. (29) Op dat ogenblik riepen van achter de wolken al de goden bevreesd uit: 'Helaas, helaas!' en stonden Kamsa en de andere bloeddorstige vrienden van Aghâsura te juichen. (30) Toen Hij dat hoorde maakte Krishna, de Allerhoogste Heer die inderdaad nooit wordt verslagen, Zichzelf groot binnenin de keel van de demon [zie siddhi] die probeerde de jongens en kalveren in zijn maag te pletten. (31) Met die actie werden al de luchtwegen geblokkeerd en puilden de ogen van de heftig worstelende en kronkelende gigant uit hun kassen; de levensadem, die gestokt was in het inwendig geheel geblokkeerde lichaam, brak toen naar buiten ontsnappend via het schedeldak. (32) Toen alle levensadem het lichaam had verlaten en Krishna zag dat al de jongens en kalveren dood neerlagen, wekte Hij, Mukunda, de Opperheer, ze weer tot leven en kwam Hij, begeleid door hen, uit de mond weer tevoorschijn. (33) Vanuit het wellustige lijf kwam een prachtig licht tevoorschijn dat geheel op eigen kracht de tien richtingen verlichtte; het bleef in de lucht wachten totdat de Allerhoogste Persoonlijkheid naar buiten kwam en ging toen, voor ogen van al de goden, Zijn lichaam binnen [sâyujya-mukti]. (34) Vervolgens deed iedereen hoogst verheugd het zijne met het in aanbidding vieren van Zijn heerlijkheid [zie ook 1.2: 13]: men liet bloemen neerregenen, de zangers van de hemel zongen, de hemelse dansmeisjes dansten, al de halfgoden speelden ieder op hun eigen instrumenten en de brahmanen brachten hun gebeden. (35) De Ongeborene [Brahmâ] nabij in zijn verblijf die het wonderbaarlijke geluid hoorde van die voor iedereen zo hoogst gunstige gebeden, lieflijke klanken, liederen en gejuich terwille van de Ene Allerhoogste Heer, haastte zich er snel heen om getuige te zijn van de verheerlijking van God die hem versteld deed staan.
(36) O Koning, de uitgedroogde huid van de python werd een bezienswaardigheid van Vrindâvana die als een grot dienend nog lang daarna een uitje vormde. (37) Dit voorval van het sterven en verlost raken van de Python en de bevrijding van Zijn metgezellen, dat plaatsgreep toen de Heer vijf jaar oud was [kaumâra], werd pas een jaar later [pauganda] door de jongens in Vraja doorverteld alsof het diezelfde dag nog was gebeurd. (38) Het feit dat door het kleine beetje omgang met de Allerhoogste Persoon van het Brahman, van het zichtbare en onzichtbare, die voor de mensen als een kind van genade was, ook Agha werd bevrijd van alle materiële smetten en ertoe werd verheven om op te gaan in de Superziel, was in het geheel niet zo verbazingwekkend, hoe moeilijk het ook is voor hen ver bezijden de waarheid dat te bereiken. (39) Als zij, die [gelijk Aghâsura] op een of andere manier een enkele keer of zelfs met geweld maar een beeld van Hem in hun harten geïnstalleerd kregen, door Hem de bestemming toegekend krijgen, wat dan zou dat voor hen betekenen in wie Hij immer aanwezig is als de verdrijver van de illusie, altijd iedere levende ziel zo zeker het resulterende genoegen vergunnend?' "
(40) S'rî Sûta [zie 1: 12-15] zei: "Hij [Parîkchit] die werd beschermd door de God van de Yadu's [Yâdavadeva of Krishna] op deze wijze, o tweemaal geborene, horend over de o zo wonderbaarlijke handelingen van zijn redder [zie 1.8], deed aldus gefixeerd in zijn bewustzijn navraag bij de zoon van Vyâsa naar nog meer van dergelijke verdienstelijke daden. (41) De achtenswaardige koning zei: 'O brahmaan wat zich voordeed in een andere tijd, werd beschreven alsof het zich precies toen had afgespeeld, hoe kan dat zo zijn; hoe kon wat de Heer deed op vijfjarige leeftijd door al de jongens worden beschreven op Zijn zesde? (42) Ik brand van nieuwsgierigheid, o grote yogi, om er van u over te vernemen, o goeroe, ik ben er zeker van dat het uit niets anders kan zijn voortgekomen dan uit het begoochelend vermogen van de Heer [yoga-mâyâ]. (43) Al ben ik maar een werelds heerser toch ben ik in deze wereld zeer gezegend, o leraar, altijd te mogen drinken van de nectar van uw heilzame verhalen over Krishna'."
(44) S'rî Sûta zei: "Toen hij, de man van boete, op deze manier door hem werd ondervraagd had hij, op het moment dat hij werd herinnerd aan de Onbegrensde, volledig het contact met zijn zinnen verloren; met moeite langzaam zijn uitwendige visie herwinnend gaf hij toen de Heer Zijn meest uitnemende, allerbeste aanhanger antwoord."
Tweede editie, geladen 4 april 2008.
Bronteksten:
Krishna doodt de demon Aghâsura
S'rî S'uka zei: 'Op een dag vatte de Heer het plan op om te gaan picknicken in het bos. Vroeg in de ochtend opgestaan wekte Hij Zijn kameraadjes en de kalfjes door fraai op Zijn hoorn te blazen. Daarna vertrokken ze vanuit Vraja terwijl ze hun groepjes kalveren voor zich uit dreven.S'rî S'ukadeva Gosvâmî vervolgde: O koning, op een dag besloot Krishna Zijn lunch als een picknick in het woud te nemen. Nadat Hij vroeg in de ochtend opgestaan was, blies Hij op Zijn herdershoorn en maakte met dit prachtige geluid alle koeherdersjongens en kalveren wakker. Vervolgens trokken Krishna en de jongens, hun kalveren voor zich uit drijvend, van Vrajabhûmi naar het woud. (Vedabase)
Zij allen in hun sas, prachtig stralend samen met Hem eropuit trekkend met hun herdersstaven, hoorns, fluiten en de vele kalveren die ieder van hen had en die samen wel meer dan duizend stuks bedroegen, boden een hoogst aantrekkelijke aanblik.
Op dat moment kwamen er duizenden koeherdersjongens uit hun huizen in Vrajabhûmi en voegden zich bij Krishna, hun duizenden kalveren voor zich uit drijvend. De jongens zagen er prachtig uit en droegen lunchpakketjes, hoorns, fluiten en stokken om de kalveren mee in toom te houden. (Vedabase)
Met Krishna's eigen kalfjes erbij hadden zich er niet te tellen hoe veel verzameld en samen met hen genoot Hij toen, opgegaan in hun jongensspelletjes, op uiteenlopende plaatsen [in het woud].
Samen met de koeherdersjongens en hun kalveren trok ook Krishna erop uit met een onbegrensde hoeveelheid kalveren. Zo begonnen ze met groot enthousiasme in het woud te spelen. (Vedabase)
Hoewel ze met kleurige steentjes, schelpen, goud en parels reeds waren opgesierd, maakten ze ook gebruik van vruchten, groene bladeren, bossen prachtige bloemen, pauweveren en grondkleuren om zichzelf te verfraaien.
Door hun moeders waren deze jongens al prachtig versierd met sieraden van kâca, guñjâ, parels en goud, maar toen ze het woud ingingen versierden ze zich nog verder met vruchten, groene bladeren, bosjes bloemen, pauweveren en zachte mineralen. (Vedabase)
Elkaars eigendommen weggrissend wierpen ze die op een afstand van degene die zich erom bezorgde en werden ze door hen die hem zagen aankomen verder overgegooid, maar dan weer met een lach teruggegeven.
De koeherdersjongens stalen altijd elkaars lunchpakketjes. Als een jongen erachter kwam dat zijn pakketje weggenomen was, gooiden de anderen het verder weg, en degenen die daar stonden gooiden het dan nog verder weg. Als de eigenaar van het lunchpakketje ontmoedigd raakte, moesten de andere jongens lachen, en als de eigenaar dan begon te huilen, werd het pakketje aan hen teruggegeven. (Vedabase)
Als Krishna wegdwaalde met oog voor de schoonheid van het woud maakten ze lol door met 'ik was 't eerst, ik was 't eerst', te proberen Hem aan te raken.
Soms liep Krishna een eindje weg om van de schoonheid van het woud te genieten. Dan renden de andere jongens achter Hem aan om Hem gezelschap te houden en zeiden allemaal: "Ik zal het eerst bij Krishna zijn en Hem het eerst aanraken! Ik zal Krishna het eerst aanraken!" Zo genoten ze van het leven door Krishna telkens weer aan te raken. (Vedabase)
Sommigen bliezen op hun fluiten, sommigen schalden hun hoorns, sommigen zoemden mee met de hommels en anderen deden de koekoeken na. Sommigen holden achter de schaduwen van de vogels aan, sommigen schreden elegant met de zwanen of zaten met de eenden net zo stil of dansten met de pauwen. Ze zochten naar jonge aapjes en sprongen samen met hen tussen de bomen op de manier zoals zij tussen de bomen heen en weer slingerden. Ze sprongen samen met de kikkers mee nat rakend in het water, lachten om hun schaduwen en dreven de spot met hun eigen echo's. Op deze manier genoten ze van de verdienste van hun voorgaande levens in vriendschap met Hem die voor hen die in mâyâ verstrikt zijn de Allerhoogste Goddelijkheid is, die voor de transcendentalisten die het aanvaardden om van dienst te zijn, bijgevolg het spiritueel geluk is [zie * en 1.1: 2, 1.7: 6 en 2.1: 6].
Alle jongens deden wat anders. Sommigen speelden fluit en anderen bliezen op hun herdershoorns. Sommigen deden het gezoem van de hommels na en anderen het geroep van de koekoeken. Sommigen imiteerden de overvliegende vogels door achter hun schaduwen op de grond aan te rennen, sommigen imiteerden de prachtige bewegingen en bekoorlijke houding van de zwanen of gingen stilletjes tussen de reigers zitten, en sommigen imiteerden het dansen van de pauwen. Sommige jongens lokten de jonge aapjes uit de bomen, sommigen klommen net als de apen de bomen in, sommigen trokken net dezelfde gezichten als de apen altijd deden en sommigen sprongen van de ene tak op de andere. Sommige jongens gingen naar de watervallen en staken, met de kikkers meespringend, de rivier over, en als ze dan hun eigen spiegelbeeld in het water zagen, moesten ze lachen. Ook scholden ze hun eigen echo uit. Zo deden alle koeherdersjongens spelletjes met Krishna, die de bron van de Brahman-gloed is voor de jnânî's die het verlangen koesteren daarin op te gaan, die de Allerhoogste Godspersoon is voor de toegewijden die de positie van Zijn eeuwige dienaren ingenomen hebben, en die voor gewone mensen niet meer is dan een doodgewoon kind. De koeherdersjongens, die de resultaten van vele levens van vrome activiteiten verzameld hadden, waren nu in staat op deze wijze met de Allerhoogste Godspersoon om te gaan. Hoe kan men hun grote geluk verklaren? (Vedabase)
Ookal zijn ze vele levens lang vol van boete, dan nog bereiken yogi's bedreven in de zelfbeheersing niet het stof van Zijn lotusvoeten; hoe fortuinlijk zijn dan niet de bewoners van Vraja voor wie Hij daadwerkelijk persoonlijk aanwezig het voorwerp werd van hun persoonlijke getuigenis?
Yogî's mogen dan door vele levens lang yama, niyama, âsana en prânâyâma te beoefenen zware ascese en boetedoeningen ondergaan, wat geen van alle gemakkelijk is, maar zelfs als ze na verloop van tijd perfectie bereiken en hun geest weten te beheersen, kunnen ze nog steeds zelfs geen stofdeeltje van de lotusvoeten van de Allerhoogste Godspersoon proeven. Wat valt er dan wel niet te zeggen over het enorme geluk van de inwoners van Vrajabhûmi, Vrindâvana, met wie de Allerhoogste Godspersoon persoonlijk omging en die de Heer rechtstreeks konden zien? (Vedabase)
En toen verscheen hij genaamd Agha ['de kwaadaardige'] daar ten tonele, een grote demon die de aanblik van hun gelukkige tijdverdrijf niet kon verdragen en naar wiens levenseinde steeds werd uitgezien door al de onsterfelijken, ondanks de nectar die ze dronken.
Beste koning Parîkshit, toen verscheen er een groot demon met de naam Aghâsura, naar wiens dood zelfs de halfgoden uitkeken. De halfgoden dronken elke dag nectar, maar toch waren ze bang voor deze grote demon en keken uit naar zijn dood. Deze demon kon het transcendentale plezier dat de koeherdersjongens met elkaar hadden in het woud niet verdragen. (Vedabase)
De jongens ziend aangevoerd door Krishna dacht de door Kamsa gezonden Aghâsura, die de jongere broer was van Bakî [Pûtanâ] en Bakâsura: 'Dit moet de moordenaar zijn van de twee die samen met mij ter wereld kwamen; dus omwille van hen, laat me dan nu Hem en Zijn jongetjes om zeep helpen!
Aghâsura, die gestuurd was door Kamsa, was de jongere broer van Pûtanâ en Bakâsura. Daarom dacht hij toen hij Krishna, de leider van de koeherdersjongens, zag: "Deze Krishna heeft mijn zuster en broer, Pûtanâ en Bakâsura, gedood, en daarom zal ik voor hun plezier deze Krishna doden, en samen met Hem Zijn metgezellen, de andere koeherdersjongens." (Vedabase)
Als deze jongens voor mijn broer en zus het sesamzaad en het water zijn geworden voor hun begrafenisrituelen, zullen alle inwoners van Vraja bij elkaar zo goed als dood zijn als de kracht van hun leven hen heeft verlaten, als deze levende wezens die voor hen zo dierbaar zijn als hun liefde en adem weg zijn.'
Aghâsura dacht: Als ik Krishna en Zijn vrienden op de een of andere manier kan laten dienen als laatste offergave van sesam en water voor de zielen van mijn dode broer en zuster, zullen de inwoners van Vrajabhûmi vanzelf sterven, want deze jongens zijn hun ziel en zaligheid. Als er geen leven is, heeft het lichaam geen nut meer; dus als hun zonen dood zijn, zullen de inwoners van Vraja vanzelf sterven. (Vedabase)
Aldus vastbesloten nam hij de wonderlijke gedaante aan van een zeer, zeer grote python die zich kilometers ver uitstrekte en versperde hij, zo hoog als een berg en met een bek ver open als een berggrot, op dat moment zeer listig de weg om de picknickers te verzwelgen.
Na dit besluit nam de gewetenloze Aghâsura de gedaante aan van een enorme python, die zo dik was als een grote berg en wel dertien kilometer lang. Toen hij dit wonderbaarlijke lichaam van een python aangenomen had, sperde hij zijn bek zo ver open dat het een grote berggrot leek en ging languit op de weg liggen, in de verwachting dat hij Krishna en Zijn metgezellen, de koeherdersjongens, zou kunnen verzwelgen. (Vedabase)
Met de gapende binnenkant van zijn bek, rustte zijn onderlip op de aarde en beroerde de bovenlip de hemel; zijn tanden waren als bergpieken en binnenin was het aardedonker, zijn tong leek op een brede weg, zijn adem was als een warme wind en zijn felle blik was als vuur.
Zijn onderlip rustte op het aardoppervlak en zijn bovenlip raakte de wolken. De randen van zijn bek leken op de zijkanten van een grote berggrot en binnenin zijn bek was het zo donker als maar mogelijk is. Zijn tong leek op een brede verkeersweg, zijn adem was als een hete wind en zijn ogen gloeiden als vuur. (Vedabase)
Hem ziend in die positie dachten ze allen dat het Vrindâvana op zijn best was; voor hen was het inderdaad een sport [te doen] alsof ze naar de vorm van de bek van een python keken:
Toen de jongens de wonderbaarlijke gedaante zagen van deze demon, die op een enorme python leek, dachten ze dat dit een van de prachtige plekjes van Vrindâvana moest zijn. Vervolgens stelden ze zich voor dat het op de bek van een enorme python leek. De jongens waren, met andere woorden, niet bang en dachten dat het een standbeeld was met de vorm van een grote python waar ze fijn konden spelen. (Vedabase)
'Kijk eens vrienden, een dooie python die daar voor ons ligt om ons allemaal op te slokken met zijn slangenbek wijd open, denk je ook niet?
De jongens zeiden: Beste vrienden, is dit schepsel nu dood of is het werkelijk een levende python met zijn bek wijd opengesperd om ons allemaal te verslinden? Maak alsjeblieft een einde aan deze onzekerheid. (Vedabase)
Werkelijk, zo klaar als een klontje, daar heb je de bovenlip en daaronder, die grote zandbank is zijn onderlip met die roodachtige gloed...
Toen besloten ze: Beste vrienden, dit is vast een dier dat hier ligt om ons allemaal te verslinden. Zijn bovenlip lijkt op een wolk die roodgekleurd is door de zon, en zijn onderlip lijkt op de roodachtige schaduw van een wolk. (Vedabase)
En rechts en links, die holten, die zien er net uit als zijn mondhoeken, en die pieken daar, die zien d'r precies uit als de tanden van het beest.
De twee op berggrotten lijkende inhammen aan de linkerkant en rechterkant zijn de hoeken van zijn bek en de hoge bergtoppen zijn tanden. (Vedabase)
Het brede pad, zo weids en lang, is als de tong en de duisternis daar tussen de bergen in, dat inderdaad is de binnenkant van zijn bek.
De tong van het dier is zo lang en zo breed als een grote verkeersweg, en binnenin zijn bek is het pikdonker, zoals in een berggrot. (Vedabase)
Let maar eens op hoezeer de wind die er heet als vuur vandaan komt op zijn adem lijkt, met de kwalijke lucht van verbrand vlees van de lijken in zijn buik.
De brandende wind is de adem die uit zijn bek komt, en vanwege de dode lichamen die hij al gegeten heeft draagt die de stank van brandend vlees met zich mee. (Vedabase)
Zou dit beest er zijn om allen te verzwelgen die het wagen er binnen te gaan? Als dat zo is, dan zal hij net als Bakâsura door Hem onverwijld een kopje kleiner worden gemaakt!' zeiden ze en wierpen daarbij een blik op het stralende gezicht van Krishna, Baka's vijand, terwijl ze luid lachend, in hun handen klappend de bek inliepen.
Toen zeiden de jongens: "Is dit levende schepsel hierheen gekomen om ons te verslinden? Als hij dat doet, zal hij net als Bakâsura zonder mankeren gedood worden." Daarop keken ze naar het prachtige gelaat van Krishna, de vijand van Bakâsura, en liepen luid lachend en in hun handen klappend de bek van de python in. (Vedabase)
Horend hoe ze op verschillende manieren bezijden de waarheid aan het praten waren zonder door te hebben waar ze mee van doen hadden, kwam Krishna, die heel goed doorhad dat de Rakshasa maar al te echt was en hen voor de gek aan het houden was, tot de conclusie dat Hij, de Allerhoogste Heer, het Volkomene van alle levende wezens Zich bevindend in het hart, Zijn kameraden moest tegenhouden.
De Allerhoogste Godspersoon, S'rî Krishna, die Zich als antaryâmî, de Superziel, in het diepst van ieders hart bevindt, hoorde de jongens onder elkaar over de namaak-python praten. Ze wisten echter niet dat het in werkelijkheid Aghâsura was, een demon die als python verschenen was. Krishna wist dit wel en wilde Zijn vrienden daarom verbieden de bek van de demon in te gaan. (Vedabase)
Ondertussen waren alle jongens en hun kalveren de buik van de demon binnengegaan, maar ze werden niet verzwolgen; de Rakshasa, aan zijn dode verwanten denkend, wachtte erop dat Baka's vijand naar binnenging.
Terwijl Krishna overwoog hoe Hij hen moest tegenhouden, liepen de koeherdersjongens de bek van de demon in. Deze slikte hen echter niet in, want hij dacht aan zijn verwanten die door Krishna gedood waren, en wachtte gewoon tot Krishna zijn bek zou binnengaan. (Vedabase)
Krishna, die voor alles en iedereen de bron der onbevreesdheid is, stond versteld toen Hij dat zag en betreurde vol mededogen de gang van zaken die zich afspeelde voor Zijn vrienden, die niemand anders dan Hem hadden en nu hulpeloos, aan Zijn controle ontsnapt, als strootjes waren voor het vuur van de buik van Aghâsura, van de dood in eigen persoon.
Krishna zag dat de koeherdersjongens, die niemand anders als hun Heer kenden dan Hem, nu buiten Zijn bereik en hulpeloos waren, omdat ze als strootjes het vuur ingelopen waren van de buik van Aghâsura, die de dood in persoon was. Het was voor Krishna onverdraaglijk om van Zijn vrienden, de koeherdersjongens, gescheiden te zijn. Daarom was Hij een moment verbaasd, alsof Hij besefte dat dit allemaal zo geregeld was door Zijn inwendig vermogen, en wist niet zeker wat Hij moest doen. (Vedabase)
Wat nu te beginnen; deze schurk zou er niet moeten zijn, noch moesten die onschuldige trouwe zielen hun einde vinden; hoe kon Hij nu beide tegelijk voor elkaar krijgen? Zijn gedachten bij elkaar rapend wist de Heer, de Ziener van het Onbegrensde, wat hem te doen stond en liep Hijzelf de bek in.
Wat moest er nu gedaan worden? Hoe kon Hij tegelijkertijd deze demon doden en de toegewijden redden? Krishna, die onbegrensde vermogens heeft, besloot te wachten tot Hij een intelligente manier bedacht had waarop Hij tegelijkertijd de jongens kon redden en de demon kon doden. Toen liep Hij de bek van Aghâsura in. (Vedabase)
Op dat ogenblik riepen van achter de wolken al de goden bevreesd uit: 'Helaas, helaas!' en stonden Kamsa en de andere bloeddorstige vrienden van Aghâsura te juichen.
Toen Krishna de bek van Aghâsura binnenging, riepen de halfgoden die zich achter de wolken verstopt hadden: "Helaas! Helaas!" Maar de vrienden van Aghâsura, zoals Kamsa en andere demonen, waren dolblij. (Vedabase)
Toen Hij dat hoorde maakte Krishna, de Allerhoogste Heer die inderdaad nooit wordt verslagen, Zichzelf groot binnenin de keel van de demon [zie siddhi] die probeerde de jongens en kalveren in zijn maag te pletten.
Toen de onoverwinnelijke Allerhoogste Godspersoon, Krishna, de halfgoden vanachter de wolken "Helaas! Helaas!" hoorde roepen, liet Hij Zich binnenin de keel van de demon onmiddellijk in omvang toenemen om Zichzelf en de koeherdersjongens, Zijn persoonlijke metgezellen, te redden van de demon, die hen wilde verpletteren. (Vedabase)
Met die actie werden al de luchtwegen geblokkeerd en puilden de ogen van de heftig worstelende en kronkelende gigant uit hun kassen; de levensadem, die gestokt was in het inwendig geheel geblokkeerde lichaam, brak toen naar buiten ontsnappend via het schedeldak.
Omdat Krishna Zijn lichaam steeds groter maakte, zette ook de demon zijn lichaam uit en nam enorme afmetingen aan. Toch stokte zijn adem en stikte hij, terwijl zijn ogen heen en weer rolden en uitpuilden. De levenslucht van de demon kon echter door geen enkele uitgang ontsnappen en barstte uiteindelijk door een gat bovenin zijn hoofd naar buiten. (Vedabase)
Toen alle levensadem het lichaam had verlaten en Krishna zag dat al de jongens en kalveren dood neerlagen, wekte Hij, Mukunda, de Opperheer, ze weer tot leven en kwam Hij, begeleid door hen, uit de mond weer tevoorschijn.
Toen alle levenslucht van de demon door dat gat bovenin zijn hoofd verdwenen was, liet Krishna Zijn blik over de dode kalveren en koeherdersjongens gaan en bracht hen zo weer tot leven. Vervolgens kwam Mukunda, die bevrijding kan schenken, met Zijn vrienden en kalveren uit de bek van de demon tevoorschijn. (Vedabase)
Vanuit het wellustige lijf kwam een prachtig licht tevoorschijn dat geheel op eigen kracht de tien richtingen verlichtte; het bleef in de lucht wachten totdat de Allerhoogste Persoonlijkheid naar buiten kwam en ging toen, voor ogen van al de goden, Zijn lichaam binnen [sâyujya-mukti].
Uit het lichaam van de enorme python kwam een schitterende gloed tevoorschijn, die alle richtingen verlichtte en zelfstandig in de lucht bleef hangen tot Krishna uit de bek van het lijk naar buiten kwam. Terwijl de halfgoden toekeken, ging deze gloed het lichaam van Krishna binnen. (Vedabase)
Vervolgens deed iedereen hoogst verheugd het zijne met het in aanbidding vieren van Zijn heerlijkheid [zie ook 1.2: 13]: men liet bloemen neerregenen, de zangers van de hemel zongen, de hemelse dansmeisjes dansten, al de halfgoden speelden ieder op hun eigen instrumenten en de brahmanen brachten hun gebeden.
Iedereen was blij: de halfgoden lieten een regen van bloemen uit Nandana-kânana neerkomen, de hemelse danseresjes dansten en de Gandharva's, die beroemde zangers zijn, zongen gebeden. De slagwerkers sloegen op hun pauken en de brâhmana's zongen vedische lofzangen. Zo vervulde iedereen zowel in de hemel als op de aarde zijn eigen plicht in het verheerlijken van de Heer. (Vedabase)
De Ongeborene [Brahmâ] nabij in zijn verblijf die het wonderbaarlijke geluid hoorde van die voor iedereen zo hoogst gunstige gebeden, lieflijke klanken, liederen en gejuich terwille van de Ene Allerhoogste Heer, haastte zich er snel heen om getuige te zijn van de verheerlijking van God die hem versteld deed staan.
Toen Heer Brahmâ de muziek, zang en kreten als "Jaya! Jaya!" hoorde van de schitterende festiviteiten die niet ver van zijn planeet gehouden werden, kwam hij onmiddellijk naar beneden om de bedoeling ervan te zien. Bij het zien van zoveel eerbetoon aan Heer Krishna stond hij versteld. (Vedabase)
O Koning, de uitgedroogde huid van de python werd een bezienswaardigheid van Vrindâvana die als een grot dienend nog lang daarna een uitje vormde.
O koning Parîkshit, toen het python-lichaam van Aghâsura opdroogde tot het niet meer was dan een groot vel, werd het een prachtige plek voor de inwoners van Vrindâvana om te bezoeken, en dat bleef het voor een lange tijd. (Vedabase)
Dit voorval van het sterven en verlost raken van de Python en de bevrijding van Zijn metgezellen, dat plaatsgreep toen de Heer vijf jaar oud was [kaumâra], werd pas een jaar later [pauganda] door de jongens in Vraja doorverteld alsof het diezelfde dag nog was gebeurd.
Dit voorval, waarbij Krishna Zichzelf en Zijn vrienden van de dood redde en Aghâsura, die de gedaante van een python aangenomen had, verloste, vond plaats toen Krishna vijf jaar oud was. Het werd een jaar later in Vrajabhûmi onthuld, alsof het dezelfde dag gebeurd was. (Vedabase)
Het feit dat door het kleine beetje omgang met de Allerhoogste Persoon van het Brahman, van het zichtbare en onzichtbare, die voor de mensen als een kind van genade was, ook Agha werd bevrijd van alle materiële smetten en ertoe werd verheven om op te gaan in de Superziel, was in het geheel niet zo verbazingwekkend, hoe moeilijk het ook is voor hen ver bezijden de waarheid dat te bereiken.
Krishna is de oorzaak van alle oorzaken. De oorzaken en gevolgen in de materiële wereld, zowel de hogere als de lagere, zijn allemaal gecreëerd door de Allerhoogste Heer, de oorspronkelijke bestuurder. Toen Krishna als de zoon van Nanda Mahârâja en Yas'odâ verscheen, deed Hij dat vanuit Zijn grondeloze genade. Daarom was er voor Hem niets wonderbaarlijks aan om Zijn onbegrensde volheid tentoon te spreiden. Hij toonde Zich juist zo enorm genadig dat zelfs Aghâsura, een zeer zondige schurk, tot een van Zijn metgezellen verheven werd en sârûpya-mukti verkreeg, wat voor materieel verontreinigde personen gewoonweg onmogelijk is. (Vedabase)
Als zij, die [gelijk Aghâsura] op een of andere manier een enkele keer of zelfs met geweld maar een beeld van Hem in hun harten geïnstalleerd kregen, door Hem de bestemming toegekend krijgen, wat dan zou dat voor hen betekenen in wie Hij immer aanwezig is als de verdrijver van de illusie, altijd iedere levende ziel zo zeker het resulterende genoegen vergunnend?' "
Als men zich maar één keer of zelfs op eigen kracht de gedaante van de Allerhoogste Godspersoon voor de geest haalt, kan men, net als Aghâsura, door de genade van Krishna de allerhoogste verlossing verkrijgen. Wat valt er dan wel niet te zeggen over degenen in wier hart de Allerhoogste Godspersoon verschijnt wanneer Hij als een incarnatie komt, of over degenen die voortdurend opgaan in gedachten aan de lotusvoeten van de Heer, die de bron van transcendentale gelukzaligheid is voor alle levende wezens en door wie alle illusie volledig weggenomen wordt? (Vedabase)
S'rî Sûta [zie 1: 12-15] zei: "Hij [Parîkchit] die werd beschermd door de God van de Yadu's [Yâdavadeva of Krishna] op deze wijze, o tweemaal geborene, horend over de o zo wonderbaarlijke handelingen van zijn redder [zie 1.8], deed aldus gefixeerd in zijn bewustzijn navraag bij de zoon van Vyâsa naar nog meer van dergelijke verdienstelijke daden.
S'rî Sûta Gosvâmî zei: O geleerde heiligen, het spel en vermaak van S'rî Krishna is erg wonderbaarlijk. Mahârâja Parîkshit werd na het horen van dit spel en vermaak van Krishna, die hem in de schoot van zijn moeder gered had, bestendig van geest, en om over deze vrome activiteiten te horen stelde hij S'ukadeva Gosvâmî nog meer vragen. (Vedabase)
De achtenswaardige koning zei: 'O brahmaan wat zich voordeed in een andere tijd, werd beschreven alsof het zich precies toen had afgespeeld, hoe kan dat zo zijn; hoe kon wat de Heer deed op vijfjarige leeftijd door al de jongens worden beschreven op Zijn zesde?
Mahârâja Parîkshit vroeg: O grote wijze, hoe konden dingen die in het verleden gebeurd waren, beschreven worden alsof ze in het heden plaatsvonden? Heer S'rî Krishna beleefde dit spel en vermaak waarbij Aghâsura gedood werd tijdens Zijn kaumâra-leeftijd. Hoe konden de jongens dit voorval dan beschrijven alsof het kort geleden gebeurd was, toen Hij al in de pauganda-leeftijd was? (Vedabase)
Ik brand van nieuwsgierigheid, o grote yogi, om er van u over te vernemen, o goeroe, ik ben er zeker van dat het uit niets anders kan zijn voortgekomen dan uit het begoochelend vermogen van de Heer [yoga-mâyâ].
O grootste yogi, mijn geestelijk leraar, vertel me alstublieft waarom dit gebeurde. Ik wil dit erg graag weten. Ik denk dat het weer niets anders was dan een door Krishna geschapen illusie. (Vedabase)
Al ben ik maar een werelds heerser toch ben ik in deze wereld zeer gezegend, o leraar, altijd te mogen drinken van de nectar van uw heilzame verhalen over Krishna'."
O heer, mijn geestelijk leraar, hoewel we de laagste van de kshatriya's zijn, worden we toch verheerlijkt en begunstigd omdat we de gelegenheid hebben om de nectar van de vrome activiteiten van de Allerhoogste Godspersoon voortdurend van u te mogen horen. (Vedabase)
S'rî Sûta zei: "Toen hij, de man van boete, op deze manier door hem werd ondervraagd had hij, op het moment dat hij werd herinnerd aan de Onbegrensde, volledig het contact met zijn zinnen verloren; met moeite langzaam zijn uitwendige visie herwinnend gaf hij toen de Heer Zijn meest uitnemende, allerbeste aanhanger antwoord."
Sûta Gosvâmî zei: O S'aunaka, grootste van alle heiligen en toegewijden, toen Mahârâja Parîkshit hem deze vraag stelde, herinnerde S'ukadeva Gosvâmî zich in het diepst van zijn hart onmiddellijk allerlei onderwerpen over Krishna en verloor uitwendig het contact met de activiteiten van zijn zintuigen. Daarna herwon hij met grote moeite zijn uitwendige zintuiglijke waarneming en sprak tot Mahârâja Parîkshit over krishna-kathâ. (Vedabase)
*: S'rîla Prabhupâda geeft als commentaar: 'Mensen zijn over het algemeen niet bekend met het geheim van het succes, en derhalve heeft S'rîla Vyâsadeva, vol van mededogen jegens de gevallen zielen in deze materiële wereld, speciaal in dit tijdperk van Kali, ons het S'rîmad-Bhâgavatam gegeven. S'rîmad-Bhâgavatam purânam amalam yad vaishnavânâm priyam (S.B. 12.13: 18). Voor Vaishnava's die enigszins gevorderd zijn, of die zich volledig bewust zijn van de heerlijkheden en vermogens van de Heer, is het S'rîmad-Bhâgavatam een geliefd Vedisch boek. Per slot van rekening, moeten we van lichaam veranderen (tathâ dehântara-prâptih). Als we ons niet bekommeren om de Bhagavad-gîtâ en het S'rîmad-Bhâgavatam, weten we niet wat ons volgende lichaam zal zijn. Maar als men vasthoudt aan deze twee boeken - Bhagavad-gîtâ en S'rîmad-Bhâgavatam - kan men er zeker van zijn in het volgende leven de associatie te verkrijgen (tyaktvâ deham punar janma naiti mâm eti so 'rjuna [B.G. 4: 9]). Derhalve, is de distributie van het S'rîmad-Bhâgavatam over de gehele wereld een welzijns-activiteit voor theologen, filosofen, transcendentalisten en yogi's (yoginâm api sarveshâm [B.G. 6: 47]), zowel als voor de mensen in het algemeen'. (Vedabase)
![]()
Voor
deze vertaling werd het enige deel dat Svâmi Prabhupâda
van het tiende Canto schreef gebruikt.
Zie de
Srîmad
Bhâgavatam linkspagina
voor een download van dit boek en andere boeken van
Prabhupâda.
Het eerste schilderij op deze pagina is van Dhriti
devî dâsî,
het tweede van Syamarani
dâsî
en de derde van Syamarani
dâsî,
Parîkshit
dâsa
(Doug
Ball) &
Dhriti
devî dâsî.
Productie: de Filognostische
Associatie
van De
Orde van de Tijd