regelbalk

 

 
Govinda jaya jaya

 

 

 

 

Canto 12

 

Hoofdstuk 4

 

Pralaya: de Vier Soorten van Vernietiging

(1) S'rî S'uka zei: 'De tijd vanaf het kleinste van het atoom en culminerend in de twee helften [of parârdha's] van het leven van Brahmâ, o Koning is beschreven [in 3.11] tezamen met de duur van de yuga's; luister nu naar de vernietiging van de kalpa. (2) Duizend cycli van vier yuga's heet een kalpa, een dag van Brahmâ, waarin er veertien oervaders van de mensheid zijn [Manu's]. (3) Na hen is er de desintegratie beschreven als de nacht van Brahmâ die van dezelfde duur is; tot aan het eind van die tijd blijven deze drie werelden ontbonden. (4) Dit wordt de incidentele vernietiging genoemd [of naimittika pralaya] waarin [Nârâyana] de schepper van het universum neerligt net als heer Brahmâ, om op Zijn bed Ananta het universum in Zich op te nemen. (5) Na de volle tijd van twee parârdha's van het hoogst geplaatste levende wezen, heer Brahmâ, zijn vervolgens de zeven elementen [mahat, ahamkâra en de tanmâtra's], onderhevig aan vernietiging. (6) Dit, o Koning, is de elementaire vernietiging, waarna dit universele ei, dit samenstel [van deze zeven universele principes] ontbindt, als de tijd van zijn uiteenvallen is bereikt. (7) Een honderd jaren lang zullen de wolken o Koning, geen regen laten vallen op de aarde en zullen dan, met de er op volgende hongersnood, de mensen in de war gestuurd door de tijd, daardoor lijdend onder honger [zelfs] elkaar consumeren en geleidelijk aan hun vernietiging vinden. (8) De zon die met zijn verschrikkelijke stralen niet het geringste terug biedt, zal alle vocht opdrinken van de aarde, de oceaan en de levende lichamen. (9) Dan zal het vuur der vernietiging voortkomen uit de mond van Heer Sankarshana en aangewakkerd door de kracht van de wind de kale gebieden van de planeten verbranden [3.11: 30, 8.5: 35]. (10) Van alle kanten brandend met de vlammen van het vuur beneden en de zon erboven, zal het ei van het universum gloeien als een bal koeienmest. (11) Vervolgens zal er meer dan honderd jaar een verschrikkelijke wind waaien die de vernietiging brengt en de hemel grijs zal verduisteren. (12) Samengepakte veelkleurige wolken, mijn beste, zullen het dan honderd jaar lang laten regenen met enorme donderslagen. (13) Het omhulsel van het universum zal, vollopend, dan één enkele [kosmische] zee van water vormen. (14) Als het water ten tijde van de vloed de kwaliteit van de geur wegneemt zal het aarde-element, verstoken van haar geur, oplossen [zie ook 3.26: 49-61, 11.3: 9, 11.24: 22-27]. (15-19) Vuur neemt dan de smaak van het water weg, waarna het, verstoken van haar unieke kwaliteit, oplost; dan volgt het vuur door de lucht verstoken van haar vorm. Met het vuur opgegaan in de wind neemt de ether de kwaliteit [der aanraking] van de lucht weg en dan volgt de kwaliteit van de ether, het geluid, dat wordt weggenomen door het oorspronkelijk elementaire [of valse ego in onwetendheid]. Met de ether vervolgens daarin opgaand neemt de vitale kracht [vals ego in hartstocht] bezit van de zinnen, mijn beste, en worden de goden gegrepen die onderhevig zijn aan verandering [naar het valse ego der goedheid]. De kosmische intelligentie neemt daar weer bezit van [van vaikârika] samen met de kwaliteiten [of manifeste functies] ervan en die mahat wordt dan door de guna's van sattva en zo voorts binnengehaald. Deze drie geaardheden o Koning worden dan, er door de Tijd toe aangezet, overschaduwd door de onuitputtelijke doener [de oorspronkelijke ongemanifesteerde vorm van de natuur] van wie er niet de transformatie en dergelijke is met de verdelingen van de tijd; ongemanifesteerd zonder een begin en een einde vormt het de onfeilbare eeuwige oorzaak. (20-21) Daarin vindt men niet de spraak, geen geest, noch de geaardheid goedheid, hartstocht of onwetendheid; daar zijn er niet de elementen van de grotere werkelijkheid - de levensadem, de intelligentie, de zinnen en zo meer - noch zijn er daar de goden of is er daar de schikking van de verschillende planetaire vormen van orde. Er is daar niet het slapen, het waken of de diepe slaap, geen water, lucht, ether, vuur, aarde of zon; dat, alle logica verslaand er zijnde als een leegte of iemand die diep in slaap is, vormt de substantie die dienst doet als de wortel [de pradhâna], zo zeggen de autoriteiten. (22) Deze tijd als de energieën hulpeloos opgaan, volledig onttakeld door de Tijd, vormt de [prâkritika pralaya] vernietiging van al de materiële elementen van de natuur van de ongeziene Oorspronkelijke Persoon.

(23) Het is de spirituele kennis [het bewustzijn, de Absolute Waarheid] die zich manifesteert in de vorm van deze elementen der intelligentie, de zinnen en de zinsobjecten; wat men ook waarneemt als hebbende een begin en een eind is inessentieel daar het geen bestaan heeft dat los staat van zijn oorzaak [maar slechts een aanduiding vormt, vergelijk 11.28: 31]. (24) Een lamp, een waarnemend oog en de waargenomen vorm zijn [als de omvormingen ervan] niet verschillend van het licht, op dezelfde manier verschillen de intelligentie, de zintuigen en de zintuigelijke waarnemingen niet van de [ene] zich verschillend manifesterende werkelijkheid [zie ook siddhânta en B.G. 9.15]. (25) Het waken, de slaap en de diepe slaap die bij de intelligentie horen worden aldus een begoocheling van de zinnen genoemd, dit o Koning is de dualiteit ervaren door de ziel. (26) Net zoals wolken in de lucht er wel en er niet zijn in het Absolute van de Waarheid, is evenzo dit ganse universum wel en niet aanwezig zoals het met zijn verschillende delen zich ontwikkelt en weer opgaat. (27) Het oorzakelijk element, mijn beste, van welke samengestelde bestaansvorm dan ook alhier, kan, zo is gesteld [in de vedânta-sûtra], los van zijn gemanifesteerde product worden waargenomen, precies zoals men dat met de draden van stof kan [zie ook 6.3: 12, 11.12: 21]. (28) Wat men ook ervaart in termen van een algemene oorzaak en een specifiek effect is, in die wederzijdse afhankelijkheid, een vorm van verbijstering, daar alles wat onderhevig is aan het hebben van een begin en een einde niet wezenlijk is [d.w.z. de fixatie is de illusie, de materie is echt]. (29) Onderhevig aan verandering is een enkel atoom, hoewel het zich manifesteert, zonder het Rechtstreekse Bewijs van het Opperste Zelf [in de vorm van de Tijd] niet denkbaar [of zelfs maar waarneembaar], zelfs als het zo gelijksoortig [aan de onveranderlijke ziel] standhoudt zonder te veranderen. (30) Dienovereenkomstig bestaat er wat betreft de Absolute Waarheid geen dualiteit; als een persoon niet in kennis erover denkt als zijnde tweevoudig is dat als het hebben van twee hemelen, twee daglichten of twee winden. (31) Net zoals goud zich voor mensen voordoet in vele vormen afhankelijk van het gebruik ervan wordt evenzo de Allerhoogste Heer Adhokshaja die zintuiglijk niet te doorgronden is, omschreven in verschillende termen door zowel de gewone man als door de vedische persoon. (32) Zoals een wolk als een product van de zon zichtbaar wordt gemaakt door de zon en waarlijk als een gedeeltelijke expansie van de zon de duisternis is [van het werpen van een schaduw] voor de ogen, is zo ook het ik-besef een kwaliteit van God, die zichtbaar door Hem als een gedeeltelijke expansie van Hem tegelijkertijd dienst doet als een individuele ziel die [met een versluierde blik] in verhouding tot de Opperziel in gebondenheid leeft. (33) Als de wolk als een product van de zon uiteengedreven is ziet het oog daarop de zon in zijn eigen gedaante; zo ook verwerft men, als het oppervlakkige valse ego dat de geestelijke ziel verduistert wordt vernietigd door geestelijk na te speuren, op dat moment de juiste heugenis. (34) Als men op deze manier door middel van dit zwaard van onderscheid het misleidende valse ego [van fixaties] heeft weggesneden dat de oorzaak vormt van de gebondenheid van de ziel en men een gedegen realisatie heeft van de Onfeilbare Allerhoogste Ziel [van het Levende Wezen], is dat wat men noemt de uiteindelijke vernietiging [âtyantika pralaya], mijn beste.

(35) O onderwerper van de vijanden, door sommige deskundigen in het subtiele wordt bevestigd dat schepping en vernietiging van al de levende wezens beginnende bij Brahmâ voortdurend plaats vindt. (36) Van de dingen onderworpen aan verandering welke gezwind worden weggenomen door de kracht van de machtige stroom van de Tijd, vormen de verschillende omstandigheden [stadia van bestaan] de oorzaken van hun constant geboren en vernietigd worden [nityah pralaya]. (37) De verschillende stadia gecreëerd door de Tijd die, zonder een begin en een eind, de representatie vormt van Î'svara, worden, zoals u weet, niet rechtstreeks waargenomen, net zoals de bewegingen van de planeten in de ruimte [of iemands verschillende conditioneringen] niet direct worden gezien [zie ook 3.10; 10-14]. (38) Op deze manier wordt de voortgang van de Tijd [kâla] beschreven als zijnde van een voortdurende [nitya], incidentele [naimittika], natuurlijke [elementaire of prâkritika] en uiteindelijke [âtyantika] vernietiging.

(39) Bondig zijn deze vertellingen over de lîlâ van de schepper van het universum, Nârâyana, het reservoir van alle bestaansvormen, aan u voorgedragen o beste van de Kuru's; zelfs niet de Ongeborene [Brahmâ] is in staat ze allen op te sommen. (40) Voor de persoon die, in leed verkerend door het vuur van de verschillende vormen van ongeluk, het verlangt de moeilijk te boven te komen oceaan van het materiële bestaan over te steken, bestaat er geen andere boot dan het leveren van dienst naar de persoonlijke smaak voor de vertellingen van de wederwaardigheden van de Fortuinlijke, de Allerhoogste Persoonlijkheid. (41) Dit essentiële compendium van al de klassieke verhalen werd voorheen door de onfeilbare Heer Nara-Nârâyana uitgesproken voor Nârada die het herhaalde voor Krishna-dvaipayana [Vyâsa, de schrijver; zie 5.19: 10-15]. (42) Hij, die machtige heer Bâdarâyana, was er zeker van dit Bhâgavatam, deze bloemlezing, qua status gelijk aan de vier Veda's, aan mij te vertellen o Mahârâja. (43) Dit zal worden verteld door Sûta Gosvâmî, die hier bij ons zit, aan de wijzen aanwezig in het Naimishâranya woud voor een langdurig offer voorgezeten door S'aunaka, o beste van de Kuru's [zie 1.1].  

 

 next        

 
 

 

 

Bronteksten (geen voorgaande versie in het Nederlands beschikbaar):

The Four Categories of Universal Annihilation

 

Tekst 1:

S'rî S'uka zei: 'De tijd vanaf het kleinste van het atoom en culminerend in de twee helften [of parârdha's] van het leven van Brahmâ, o Koning is beschreven [in 3.11] tezamen met de duur van de yuga's; luister nu naar de vernietiging van de kalpa.

S'ukadeva Gosvâmî said: My dear King, I have already described to you the measurements of time, beginning from the smallest fraction measured by the movement of a single atom up to the total life span of Lord Brahmâ. I have also discussed the measurement of the different millennia of universal history. Now hear about the time of Brahmâ's day and the process of annihilation.

 

Tekst 2:

Duizend cycli van vier yuga's heet een kalpa, een dag van Brahmâ, waarin er veertien oervaders van de mensheid zijn [Manu's].

One thousand cycles of four ages constitute a single day of Brahmâ, known as a kalpa. In that period, O King, fourteen Manus come and go.

  

Tekst 3

Na hen is er de desintegratie beschreven als de nacht van Brahmâ die van dezelfde duur is; tot aan het eind van die tijd blijven deze drie werelden ontbonden

After one day of Brahmâ, annihilation occurs during his night, which is of the same duration. At that time all the three planetary systems are subject to destruction.

  

 Tekst 4

Dit wordt de incidentele vernietiging genoemd [of naimittika pralaya] waarin [Nârâyana] de schepper van het universum neerligt net als heer Brahmâ, om op Zijn bed Ananta het universum in Zich op te nemen.

This is called the naimittika, or occasional, annihilation, during which the original creator, Lord Nârâyana, lies down upon the bed of Ananta S'esha and absorbs the entire universe within Himself while Lord Brahmâ sleeps.

 

Tekst 5

Na de volle tijd van twee parârdha's van het hoogst geplaatste levende wezen, heer Brahmâ, zijn vervolgens de zeven elementen [mahat, ahamkâra en de tanmâtra's], onderhevig aan vernietiging.

When the two halves of the lifetime of Lord Brahmâ, the most elevated created being, are complete, the seven basic elements of creation are annihilated.

 

Tekst 6

Dit, o Koning, is de elementaire vernietiging, waarna dit universele ei, dit samenstel [van deze zeven universele principes] ontbindt, als de tijd van zijn uiteenvallen is bereikt.

O King, upon the annihilation of the material elements, the universal egg, comprising the elemental amalgamation of creation, is confronted with destruction.

 

Tekst 7

Een honderd jaren lang zullen de wolken o Koning, geen regen laten vallen op de aarde en zullen dan, met de er op volgende hongersnood, de mensen in de war gestuurd door de tijd, daardoor lijdend onder honger [zelfs] elkaar consumeren en geleidelijk aan hun vernietiging vinden.

As annihilation approaches, O King, there will be no rain upon the earth for one hundred years. Drought will lead to famine, and the starving populace will literally consume one another. The inhabitants of the earth, bewildered by the force of time, will gradually be destroyed.

 

 Tekst 8

De zon die met zijn verschrikkelijke stralen niet het geringste terug biedt, zal alle vocht opdrinken van de aarde, de oceaan en de levende lichamen.

The sun in its annihilating form will drink up with its terrible rays all the water of the ocean, of living bodies and of the earth itself. But the devastating sun will not give any rain in return.

  

 Tekst 9

Dan zal het vuur der vernietiging voortkomen uit de mond van Heer Sankarshana en aangewakkerd door de kracht van de wind de kale gebieden van de planeten verbranden [3.11: 30, 8.5: 35].

Next the great fire of annihilation will flare up from the mouth of Lord Sankarshana. Carried by the mighty force of the wind, this fire will burn throughout the universe, scorching the lifeless cosmic shell.

 

Tekst 10

Van alle kanten brandend met de vlammen van het vuur beneden en de zon erboven, zal het ei van het universum gloeien als een bal koeienmest.

Burned from all sides-from above by the blazing sun and from below by the fire of Lord Sankarshana-the universal sphere will glow like a burning ball of cow dung.

 

Tekst 11

Vervolgens zal er meer dan honderd jaar een verschrikkelijke wind waaien die de vernietiging brengt en de hemel grijs zal verduisteren.

A great and terrible wind of destruction will begin to blow for more than one hundred years, and the sky, covered with dust, will turn gray.

 

Tekst 12

Samengepakte veelkleurige wolken, mijn beste, zullen het dan honderd jaar lang laten regenen met enorme donderslagen.

After that, O King, groups of multicolored clouds will gather, roaring terribly with thunder, and will pour down floods of rain for one hundred years.

 

Tekst 13

Het omhulsel van het universum zal, vollopend, dan één enkele [kosmische] zee van water vormen.

At that time, the shell of the universe will fill up with water, forming a single cosmic ocean.

 

Tekst 14

Als het water ten tijde van de vloed de kwaliteit van de geur wegneemt zal het aarde-element, verstoken van haar geur, oplossen [zie ook 3.26: 49-61, 11.3: 9, 11.24: 22-27].

As the entire universe is flooded, the water will rob the earth of its unique quality of fragrance, and the element earth, deprived of its distinguishing quality, will be dissolved.

 

Tekst 15-19

Vuur neemt dan de smaak van het water weg, waarna het, verstoken van haar unieke kwaliteit, oplost; dan volgt het vuur door de lucht verstoken van haar vorm. Met het vuur opgegaan in de wind neemt de ether de kwaliteit [der aanraking] van de lucht weg en dan volgt de kwaliteit van de ether, het geluid, dat wordt weggenomen door het oorspronkelijk elementaire [of valse ego in onwetendheid]. Met de ether vervolgens daarin opgaand neemt de vitale kracht [vals ego in hartstocht] bezit van de zinnen, mijn beste, en worden de goden gegrepen die onderhevig zijn aan verandering [naar het valse ego der goedheid]. De kosmische intelligentie neemt daar weer bezit van [van vaikârika] samen met de kwaliteiten [of manifeste functies] ervan en die mahat wordt dan door de guna's van sattva en zo voorts binnengehaald. Deze drie geaardheden o Koning worden dan, er door de Tijd toe aangezet, overschaduwd door de onuitputtelijke doener [de oorspronkelijke ongemanifesteerde vorm van de natuur] van wie er niet de transformatie en dergelijke is met de verdelingen van de tijd; ongemanifesteerd zonder een begin en een einde vormt het de onfeilbare eeuwige oorzaak.

The element fire then seizes the taste from the element water, which, deprived of its unique quality, taste, merges into fire. Air seizes the form inherent in fire, and then fire, deprived of form, merges into air. The element ether seizes the quality of air, namely touch, and that air enters into ether. Then, O King, false ego in ignorance seizes sound, the quality of ether, after which ether merges into false ego. False ego in the mode of passion takes hold of the senses, and false ego in the mode of goodness absorbs the demigods. Then the total mahat-tattva seizes false ego along with its various functions, and that mahat is seized by the three basic modes of nature-goodness, passion and ignorance. My dear King Parîkshit, these modes are further overtaken by the original unmanifest form of nature, impelled by time. That unmanifest nature is not subject to the six kinds of transformation caused by the influence of time. Rather, it has no beginning and no end. It is the unmanifest, eternal and infallible cause of creation.

 

Tekst 20-21

Daarin vindt men niet de spraak, geen geest, noch de geaardheid goedheid, hartstocht of onwetendheid; daar zijn er niet de elementen van de grotere werkelijkheid - de levensadem, de intelligentie, de zinnen en zo meer - noch zijn er daar de goden of is er daar de schikking van de verschillende planetaire vormen van orde. Er is daar niet het slapen, het waken of de diepe slaap, geen water, lucht, ether, vuur, aarde of zon; dat, alle logica verslaand er zijnde als een leegte of iemand die diep in slaap is, vormt de substantie die dienst doet als de wortel [de pradhâna], zo zeggen de autoriteiten.

In the unmanifest stage of material nature, called pradhâna, there is no expression of words, no mind and no manifestation of the subtle elements beginning from the mahat, nor are there the modes of goodness, passion and ignorance. There is no life air or intelligence, nor any senses or demigods. There is no definite arrangement of planetary systems, nor are there present the different stages of consciousness-sleep, wakefulness and deep sleep. There is no ether, water, earth, air, fire or sun. The situation is just like that of complete sleep, or of voidness. Indeed, it is indescribable. Authorities in spiritual science explain, however, that since pradhâna is the original substance, it is the actual basis of material creation.

    

 Tekst 22

Deze tijd als de energieën hulpeloos opgaan, volledig onttakeld door de Tijd, vormt de [prâkritika pralaya] vernietiging van al de materiële elementen van de natuur van de ongeziene Oorspronkelijke Persoon.

This is the annihilation called prâkritika, during which the energies belonging to the Supreme Person and His unmanifest material nature, disassembled by the force of time, are deprived of their potencies and merge together totally.

 

 Tekst 23

Het is de spirituele kennis [het bewustzijn, de Absolute Waarheid] die zich manifesteert in de vorm van deze elementen der intelligentie, de zinnen en de zinsobjecten; wat men ook waarneemt als hebbende een begin en een eind is inessentieel daar het geen bestaan heeft dat los staat van zijn oorzaak [maar slechts een aanduiding vormt, vergelijk 11.28: 31].

It is the Absolute Truth alone who manifests in the forms of intelligence, the senses and the objects of sense perception, and who is their ultimate basis. Whatever has a beginning and an end is insubstantial because of being an object perceived by limited senses and because of being nondifferent from its own cause.

 

Tekst 24

Een lamp, een waarnemend oog en de waargenomen vorm zijn [als de omvormingen ervan] niet verschillend van het licht, op dezelfde manier verschillen de intelligentie, de zintuigen en de zintuigelijke waarnemingen niet van de [ene] zich verschillend manifesterende werkelijkheid [zie ook siddhânta en B.G. 9.15].

A lamp, the eye that views by the light of that lamp, and the visible form that is viewed are all basically nondifferent from the element fire. In the same way, intelligence, the senses and sense perceptions have no existence separate from the supreme reality, although that Absolute Truth remains totally distinct from them.

 

Tekst 25

Het waken, de slaap en de diepe slaap die bij de intelligentie horen worden aldus een begoocheling van de zinnen genoemd, dit o Koning is de dualiteit ervaren door de ziel.

The three states of intelligence are called waking consciousness, sleep and deep sleep. But, my dear King, the variegated experiences created for the pure living entity by these different states are nothing more than illusion.

 

Tekst 26

Net zoals wolken in de lucht er wel en er niet zijn in het Absolute van de Waarheid, is evenzo dit ganse universum wel en niet aanwezig zoals het met zijn verschillende delen zich ontwikkelt en weer opgaat.

Just as clouds in the sky come into being and are then dispersed by the amalgamation and dissolution of their constituent elements, this material universe is created and destroyed within the Absolute Truth by the amalgamation and dissolution of its elemental, constituent parts.

 

Tekst 27

De samenstellende oorzaak, mijn beste, van welke samengestelde bestaansvorm dan ook alhier, kan, zo is gesteld [in de vedânta-sûtra], los van zijn gemanifesteerde product worden waargenomen, precies zoals men dat met de draden van stof kan [zie ook 6.3: 12, 11.12: 21].

My dear King, it is stated [in the Vedânta-sûtra] that the ingredient cause that constitutes any manifested product in this universe can be perceived as a separate reality, just as the threads that make up a cloth can be perceived separately from their product.

 

Tekst 28

Wat men ook ervaart in termen van een algemene oorzaak en een specifiek effect is, in die wederzijdse afhankelijkheid, een vorm van verbijstering, daar alles wat onderhevig is aan het hebben van een begin en een einde niet wezenlijk is [d.w.z. de fixatie is de illusie, de materie is echt].

Anything experienced in terms of general cause and specific effect must be an illusion, because such causes and effects exist only relative to each other. Indeed, whatever has a beginning and an end is unreal.

 

Tekst 29

Onderhevig aan verandering is een enkel atoom, hoewel het zich manifesteert, zonder het Rechtstreekse Bewijs van het Opperste Zelf [in de vorm van de Tijd] niet denkbaar [of zelfs maar waarneembaar], zelfs als het zo gelijksoortig [aan de onveranderlijke ziel] standhoudt zonder te veranderen.

Although perceived, the transformation of even a single atom of material nature has no ultimate definition without reference to the Supreme Soul. To be accepted as factually existing, something must possess the same quality as pure spirit-eternal, unchanging existence.

 

Tekst 30

Dienovereenkomstig bestaat er wat betreft de Absolute Waarheid geen dualiteit; als een persoon niet in kennis erover denkt als zijnde tweevoudig is dat als het hebben van twee hemelen, twee daglichten of twee winden.

There is no material duality in the Absolute Truth. The duality perceived by an ignorant person is like the difference between the sky contained in an empty pot and the sky outside the pot, or the difference between the reflection of the sun in water and the sun itself in the sky, or the difference between the vital air within one living body and that within another body.

 

Tekst 31

Net zoals goud zich voor mensen voordoet in vele vormen afhankelijk van het gebruik ervan wordt evenzo de Allerhoogste Heer Adhokshaja die zintuiglijk niet te doorgronden is, omschreven in verschillende termen door zowel de gewone man als door de vedische persoon.

According to their different purposes, men utilize gold in various ways, and gold is therefore perceived in various forms. In the same way, the Supreme Personality of Godhead, who is inaccessible to material senses, is described in various terms, both ordinary and Vedic, by different types of men.

 

Tekst 32

Zoals een wolk als een product van de zon zichtbaar wordt gemaakt door de zon en waarlijk als een gedeeltelijke expansie van de zon de duisternis is [van het werpen van een schaduw] voor de ogen, is zo ook het ik-besef een kwaliteit van God, die zichtbaar door Hem als een gedeeltelijke expansie van Hem tegelijkertijd dienst doet als een individuele ziel die [met een versluierde blik] in verhouding tot de Opperziel in gebondenheid leeft.

Although a cloud is a product of the sun and is also made visible by the sun, it nevertheless creates darkness for the viewing eye, which is another partial expansion of the sun. Similarly, material false ego, a particular product of the Absolute Truth made visible by the Absolute Truth, obstructs the individual soul, another partial expansion of the Absolute Truth, from realizing the Absolute Truth.

 

Tekst 33

Als de wolk als een product van de zon uiteengedreven is ziet het oog daarop de zon in zijn eigen vorm, zo ook verwerft men, als het oppervlakkige valse ego dat de geestelijke ziel verduistert wordt vernietigd door geestelijk na te speuren, op dat moment de juiste heugenis.

When the cloud originally produced from the sun is torn apart, the eye can see the actual form of the sun. Similarly, when the spirit soul destroys his material covering of false ego by inquiring into the transcendental science, he regains his original spiritual awareness.

 

Tekst 34

Als men op deze manier door middel van dit zwaard van onderscheid het misleidende valse ego [van fixaties] heeft weggesneden dat de oorzaak vormt van de gebondenheid van de ziel en men een gedegen realisatie heeft van de Onfeilbare Allerhoogste Ziel [van het Levende Wezen], is dat wat men noemt de uiteindelijke vernietiging [âtyantika pralaya], mijn beste.

My dear Parîkshit, when the illusory false ego that binds the soul has been cut off with the sword of discriminating knowledge and one has developed realization of Lord Acyuta, the Supreme Soul, this is called the âtyantika, or ultimate, annihilation of material existence.

 

Tekst 35

O onderwerper van de vijanden, door sommige deskundigen in het subtiele wordt bevestigd dat schepping en vernietiging van al de levende wezens beginnende bij Brahmâ voortdurend plaats vindt.

Experts in the subtle workings of nature, O subduer of the enemy, have declared that there are continuous processes of creation and annihilation that all created beings, beginning with Brahmâ, constantly undergo.

 

Tekst 36

Van de dingen onderworpen aan verandering welke gezwind worden weggenomen door de kracht van de machtige stroom van de Tijd, vormen de verschillende omstandigheden [stadia van bestaan] de oorzaken van hun constant geboren en vernietigd worden [nityah pralaya].

All material entities undergo transformation and are constantly and swiftly eroded by the mighty currents of time. The various stages of existence that material things exhibit are the perpetual causes of their generation and annihilation.

 

Tekst 37

De verschillende stadia gecreëerd door de Tijd die, zonder een begin en een eind, de representatie vormt van Î'svara, worden, zoals u weet, niet rechtstreeks waargenomen, net zoals de bewegingen van de planeten in de ruimte [of iemands verschillende conditioneringen] niet direct worden gezien [zie ook 3.10; 10-14].

These stages of existence created by beginningless and endless time, the impersonal representative of the Supreme Lord, are not visible, just as the infinitesimal momentary changes of position of the planets in the sky cannot be directly seen.

 

Tekst 38

Op deze manier wordt de voortgang van de Tijd [kâla] beschreven als zijnde van een voortdurende [nitya], incidentele [naimittika], natuurlijke [elementaire of prâkritika] en uiteindelijke [âtyantika] vernietiging.

In this way the progress of time is described in terms of the four kinds of annihilation-continuous, occasional, elemental and final.

 

Tekst 39

Bondig zijn deze vertellingen over de lîlâ van de schepper van het universum, Nârâyana, het reservoir van alle bestaansvormen, aan u voorgedragen o beste van de Kuru's; zelfs niet de Ongeborene [Brahmâ] is in staat ze allen op te sommen.

O best of the Kurus, I have related to you these narrations of the pastimes of Lord Nârâyana, the creator of this world and the ultimate reservoir of all existence, presenting them to you only in brief summary. Even Lord Brahmâ himself would be incapable of describing them entirely.

 

Tekst 40

Voor de persoon die, in leed verkerend door het vuur van de verschillende vormen van ongeluk, het verlangt de moeilijk te boven te komen oceaan van het materiële bestaan over te steken, bestaat er geen andere boot dan het leveren van dienst naar de persoonlijke smaak voor de vertellingen van de wederwaardigheden van de Fortuinlijke, de Allerhoogste Persoonlijkheid.

For a person who is suffering in the fire of countless miseries and who desires to cross the insurmountable ocean of material existence, there is no suitable boat except that of cultivating devotion to the transcendental taste for the narrations of the Supreme Personality of Godhead's pastimes.

 

Tekst 41

Dit essentiële compendium van al de klassieke verhalen werd voorheen door de onfeilbare Heer Nara-Nârâyana uitgesproken voor Nârada die het herhaalde voor Krishna-dvaipayana [Vyâsa, de schrijver; zie 5.19: 10-15].

Long ago this essential anthology of all the Purânas was spoken by the infallible Lord Nara-Nârâyana Rishi to Nârada, who then repeated it to Krishna Dvaipâyana Vedavyâsa.

 

Tekst 42

Hij, die machtige heer Bâdarâyana, was er zeker van dit Bhâgavatam, deze bloemlezing, qua status gelijk aan de vier Veda's, aan mij te vertellen o Mahârâja.

My dear Mahârâja Parîkshit, that great personality S'rîla Vyâsadeva taught me this same scripture, S'rîmad-Bhâgavatam, which is equal in stature to the four Vedas.

 

Tekst 43

Dit zal worden verteld door Sûta Gosvâmî, die hier bij ons zit, aan de wijzen aanwezig in het Naimishâranya woud voor een langdurig offer voorgezeten door S'aunaka, o beste van de Kuru's [zie 1.1].  

O best of the Kurus, the same Sûta Gosvâmî who is sitting before us will speak this Bhâgavatam to the sages assembled in the great sacrifice at Naimishâranya. This he will do when questioned by the members of the assembly, headed by S'aunaka.

 

 

 

 

 

 

Voor deze vertaling werd de Vedabase van de BBT gebruikt die het werk van Svâmi Prabhupâda's
leerlingen biedt dat werd verricht voor het voltooien van zijn vertaling van het Bhâgavatam.

Zie de S'rîmad Bhâgavatam linkspagina
voor de Vedabase en/of een download van dit boek en andere boeken van Prabhupâda.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd  


 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties