Canto
11
Hoofdstuk 24: De Analytische Kennis, Sânkhya, Samengevat
(1) De Allerhoogste Heer zei: 'En nu zal Ik de analytische kennis met je bespreken zoals die werd ontwikkeld door de klassieke autoriteiten. Daarvan op de hoogte is een persoon meteen in staat de verbijstering die is gebaseerd op de dualiteit los te laten. (2) In den beginne, in het tijdperk der plichtmatigheid [Krita] en voor die tijd bestonden er mensen van een hoog onderscheidingsvermogen voor wie de ziener en het geziene eenvoudigweg één en hetzelfde waren [zie ook 11.22: 29]. (3) Dat ene ongedifferentieerde ware waar de spraak en de geest geen toegang toe hebben, veranderde in de tweevoud van de vormen die de materiële natuur voortbracht enerzijds en het grote geheel [de integriteit van de natuur zelf] anderzijds [prakriti en purusha, zie 11.22]. (4) Een van de twee is inderdaad zij, de substantie van de materiële natuur, die bestaat uit een dubbel zelf [voortbrengselen en oorzaken, symmetrie en complementariteit], terwijl het andere wezen hij is, de kenner, die de oorspronkelijke persoon wordt genoemd [de genieter of het mannelijk principe]. (5) Als antwoord op de verlangens van het levende wezen manifesteerden zich door Mijn beroering [in de vorm van de tijd, van Kâla], zich de geaardheden: tamas, rajas en sattva [de guna's]. (6) Vanuit de realisatie van dezen deed zich de mogelijkheid van de leidraad van de oer-natuur voor [de sûtra] omdat in de transformatie van de grotere werkelijkheid [de mahat-tattva] die daarmee gemoeid is zich de identificatie ontwikkelde [van de purusha die leidde tot ahankâra of vals ego], hetgeen de oorzaak van de verbijstering is. (7) Dat ik-bewustzijn [of valse ego] is aldus van de drie categorieën en [bedient overeenkomstig afwisselend] met emotie, helderheid en onwetendheid [zich van] de zinsobjecten [tanmâtra], de zintuigen [indriya's] en de geest [manas]. Zo vormt het [geïdentificeerde zelf] de oorzaak van het begrijpen en niet begrijpen [het zogenaamde bewuste en onbewuste]. (8) Uit de traagheid van het valse ego ontwikkelden zich de subtiele gevoelens met de grove materie, aan de helderheid ervan ontsproten de zintuigen, en uit de goedheid van het geïdentificeerde zelf ontwikkelden zich de elf goden [zie deva]. (9) Door het onder Mijn invloed samengaan van al de elementen kwam het ei van het universum tot stand dat dienst doet als Mijn verheven verblijf [zie vanaf 11.22: 18]. (10) In het water van de oceaan der oorzaken verscheen Ik binnenin dat ei [als Nârâyana] en uit Mijn navel rees een lotus op die bekend staat als het universum. Op die lotus vond de uit zichzelf geborene zijn bestaan [Brahmâ, zie 3.8]. (11) Hij, de ziel van het universum gedreven door de passie, schiep door zijn boete bij Mijn genade de drie verschillende werelden genaamd de aarde, de atmosfeer en de hemel [bhûh, bhuvah en svaha], samen met hun heersers [zie Gâyatrî en loka]. (12) De hemel werd het thuis voor de goden, de atmosfeer het thuis voor de geestverschijningen, de aardse plaatsen vormen het thuis voor de mensen en de andere levende wezens en het voorbije van deze drie is er voor hen die van de volmaaktheid zijn [siddhaloka]. (13) De plaatsen van de onderwereld werden door de meester geschapen als het verblijf voor de onverlichte zielen en zij die perfect zijn in het ego [de 'slangen', de Nâga's]. Al de bestemmingen van de drie werelden ontlenen hun bestaan aan de vruchtdragende handelingen van de zielen die verstrikt zijn in de geaardheden [zie B.G. 4: 17, 10.1: 42-43]. (14) Door boete, yoga en zelfs door verzaking [in sannyâsa] is men van de smetteloze bestemmingen mahar, janas, tapas en satya, maar Mijn bestemming [Vaikunthha] is er met toegewijde dienst. (15) Zoals beschikt door Mij, de Ondersteuner, het Zelf van de Tijd, ontworstelt men zich aan of verdrinkt men in de machtige stroom van de geaardheden van deze wereld waarin men gebonden is aan het verrichten van baatzuchtige arbeid. (16) Wat het kleine, het grote, het dunne of het massieve ook moge zijn van de manifestatie, is allemaal het product van de combinatie van de twee van de materiële natuur en de genieter [zie ook B.G. 18: 16]. (17) Dat wat de oorzaak vormt van iets is er zowel in het begin, tijdens het leven als aan het einde van dat wat werd voortgebracht. De transformatie [zowel als het ingrediënt en hij die transformeert en niet zozeer deze of gene vorm] is het werkelijke van alledaagse gebruiksvoorwerpen als zaken van goud en dingen van klei [vergelijk 6.16: 22, 10.87: 15, 11.22: 8]. (18) Iets dat werkzaam is als een voorafgaand ingrediënt in de productie van een ander ding dat aldus een modificatie van dat ingrediënt is, wordt het ware van iets genoemd als het aanwezig is van het begin tot het einde [vergelijk B.G. 2: 13, 2: 16]. (19) De materiële natuur die de basis vormt [âdhâra] van het oorzakelijke ingediënt [het getransformeerde], het ware van de Oorspronkelijke Persoon [Hij die transformeert], en dat wat in beroering brengt, te weten de Tijd [de transformatie], deze drie [resp. prakriti, Purusha en kâla] vormen tezamen de Absolute Waarheid [het Brahman] die Ik ben. (20) Zolang Ik erop toezie zal de rijke schepping voor het doel van de verscheidenheid van haar kwaliteiten generatie na generatie zonder ophouden worden gehandhaafd tot aan haar voleinding [zie ook B.G. 3: 24]. (21) Als de universele gedaante die van Mij doordrongen is de volle planetaire verscheidenheid tentoon heeft gespreid van zijn tijdperken [van schepping, handhaving en verval], komt [omdat het einde van de synergie is bereikt] deze verscheidenheid met zijn verschillende werelden ervoor in aanmerking om [weer op te lossen in] haar vijf samenstellende grofstoffelijke elementen [zie yuga's en manvantara's, en B.G. 11: 13]. (22-27) Het sterfelijk omhulsel wordt [ten tijde van de vernietiging] opgenomen in het voedsel, het voedsel in het graan, het graan in de aarde en de aarde in de geur. De geur gaat over in het water, het water in de kwaliteit ervan, die smaak in het vuur en het vuur in de vorm. De vorm gaat op in de aanraking, de aanraking vervolgens in de ether, de ether in het subtiele voorwerp van het geluid en de zinnen [van het geluid etc.] in hun bronnen [de goden van de zon en de maan etc.]. De bronnen [als het ahankâra ego van de passie] gaan op in de emoties [het ego der goedheid], Mijn beste, en zij gaan op in de geest, de beheerser van het geluid, welke oplost in het oorspronkelijke van de elementen [het ego der traagheid], en dat almachtige primair elementaire gaat op in de kosmische intelligentie [mahat]. Dat grotere van de natuur gaat over in zijn eigen geaardheden en zij in hun uiteindelijke verblijftplaats van het ongemanifesteerde dat zijn rustplaats vind in de onfeilbare Tijd. De tijd gaat over in de individualiteit [de jîva] van het Allerhoogste dat het illusoir vermogen stuurt en die individualiteit gaat op in Mij, het Allerhoogste Ongeboren Zelf [âtmâ], die, gekenmerkt door schepping en vernietiging, volmaakt in Zichzelve verblijvend alleen overblijft [zie ook 3.11: 28, 4.23: 15-18, 11.3: 12-15]. (28) Net zoals de duisternis zich niet kan handhaven met de zon die oprijst aan de hemel, kan ook van degene die dit nauwlettend bestudeert de verbijstering van de geest der dualiteit zich niet handhaven in het hart. (29) Dit is wat Ik, Hij die zowel de Geestelijke als de Materiële Wereld overziet, had te zeggen wat betreft deze Sânkhya instructie van analyse [zie ook 3.25 - 3.33] welke de band der twijfels doorbreekt van mensen die in hun levens met de stroom mee en tegen de stroom inroeien.'
Tweede editie, geladen 24 juli 2009
Voorgaande Aadhar-editie en Vedabase links:
De Allerhoogste Heer zei: 'En nu zal Ik de analytische kennis met je bespreken zoals die werd ontwikkeld door de klassieke autoriteiten. Daarvan op de hoogte is een persoon meteen in staat de verbijstering die is gebaseerd op de dualiteit los te laten.De Allerhoogste Heer zei: 'En nu zal Ik de analytische kennis met je bespreken zoals ingesteld door de klassieke autoriteiten, waarvan op de hoogte een persoon in staat is terstond de verbijstering gebaseerd op de dualiteit te laten varen. (Vedabase)
In den beginne, in het tijdperk der plichtmatigheid [Krita] en voor die tijd bestonden er mensen van een hoog onderscheidingsvermogen voor wie de ziener en het geziene eenvoudigweg één en hetzelfde waren [zie ook 11.22: 29].
In het tijdperk der plichtmatigheid [krita] bestonden er mensen bedreven in het van onderscheid zijn over de tijd voordien, waarin de ziener en het geziene eenvoudigweg één en het zelfde waren [zie ook 11.22: 29]. (Vedabase)
Dat ene ongedifferentieerde ware waar de spraak en de geest geen toegang toe hebben, veranderde in de tweevoud van de vormen die de materiële natuur voortbracht enerzijds en het grote geheel [de integriteit van de natuur zelf] anderzijds [prakriti en purusha, zie 11.22].
Dat ene ongedifferentieerde ware waar de spraak en de geest geen toegang toe hebben, veranderde in de tweevoud van de vormen van de voortbrengselen van de materiële natuur en het grote van haar gelijkaardigheid [prakriti en purusha, zie 11.22]. (Vedabase)
Een van de twee is inderdaad zij, de substantie van de materiële natuur, die bestaat uit een dubbel zelf [voortbrengselen en oorzaken, symmetrie en complementariteit], terwijl het andere wezen hij is, de kenner, die de oorspronkelijke persoon wordt genoemd [de genieter of het mannelijk principe].
Een van de twee is inderdaad zij, de substantie van de materiële natuur, bestaande uit een dubbel zelf [voortbrengselen en oorzaken] en de andere bestaansvorm is hij, de kenner, die de oorspronkelijke persoon wordt genoemd [de genieter of het mannelijk principe]. (Vedabase)
Als antwoord op de verlangens van het levende wezen manifesteerden zich door Mijn beroering [in de vorm van de tijd, van Kâla], zich de geaardheden: tamas, rajas en sattva [de guna's].
Uit de [pradhâna] materiële natuur manifesteerden door Mij [als Kâla] in beroering gebracht, en door de instemmende oorspronkelijke persoon, zich de geaardheden van tamas, rajas and sattva [de gunas]. (Vedabase)
Vanuit de realisatie van dezen deed zich de mogelijkheid van de leidraad van de oer-natuur voor [de sûtra] omdat in de transformatie van de grotere werkelijkheid [de mahat-tattva] die daarmee gemoeid is zich de identificatie ontwikkelde [van de purusha die leidde tot ahankâra of vals ego], hetgeen de oorzaak van de verbijstering is.
Uit dezen deed zich de draad voor van de oer-natuur [de sûtra] en in de transformatie van dat grote [de mahat-tattva] daarmee verenigd werd de identificatie ontwikkeld [ermee van de purusha als ahankâra of vals ego], welke de oorzaak van de verbijstering is. (Vedabase)
Dat ik-bewustzijn [of valse ego] is aldus van de drie categorieën en [bedient overeenkomstig afwisselend] met emotie, helderheid en onwetendheid [zich van] de zinsobjecten [tanmâtra], de zintuigen [indriya's] en de geest [manas]. Zo vormt het [geïdentificeerde zelf] de oorzaak van het begrijpen en niet begrijpen [het zogenaamde bewuste en onbewuste].
Het ik-bewustzijn [ego] van de drie categorieën zijnde van emotie, schittering en duisternis is in het bestrijken van de zinsobjecten [tanmâtra], de zintuigen [indriyas] en de geest [manas] de oorzaak van begrijpen en niet begrijpen [het zogenaamde bewuste en onbewuste]. (Vedabase)
Uit de traagheid van het valse ego ontwikkelden zich de subtiele gevoelens met de grove materie, aan de helderheid ervan ontsproten de zintuigen, en uit de goedheid van het geïdentificeerde zelf ontwikkelden zich de elf goden [zie deva].
Uit de traagheid ontsproten de motieven [de substantie] en hun gevoelens, uit de schittering [de gedrevenheid, de passie] ontleenden de zinnen hun bestaan, en de elf goden rezen op uit de emotie [ofwel de goedheid onderhevig aan verandering, zie deva]. (Vedabase)
Door het onder Mijn invloed samengaan van al de elementen kwam het ei van het universum tot stand dat dienst doet als Mijn verheven verblijf [zie vanaf 11.22: 18].
Door de vermenging van al de elementen werd het ei van het universum tot stand gebracht dat dienst doet als Mijn verheven verblijf [zie vanaf 11.22: 18]. (Vedabase)
In het water van de oceaan der oorzaken verscheen Ik binnenin dat ei [als Nârâyana] en uit Mijn navel rees een lotus op die bekend staat als het universum. Op die lotus vond de uit zichzelf geborene zijn bestaan [Brahmâ, zie 3.8].
In het water van de oceaan der oorzaken verscheen Ik binnen in dat ei [als Nârâyana] en uit Mijn navel rees een lotus op die bekend staat als universeel en daarin was er toen de uit zichzelf geborene [Brahmâ, zie 3.8]. (Vedabase)
Hij, de ziel van het universum gedreven door de passie, schiep door zijn boete bij Mijn genade de drie verschillende werelden genaamd de aarde, de atmosfeer en de hemel [bhûh, bhuvah en svaha], samen met hun heersers [zie Gâyatrî en loka].
Hij, de ziel van het universum, schiep door zijn boete, begiftigd met de passie, bij Mijn genade de verschillende werelden in drieën genaamd de aarde, de atmosfeer en de hemel [bhûh, bhuvah en svaha], tezamen met hun heersers [zie gâyatrî en loka]. (Vedabase)
De hemel werd het thuis voor de goden, de atmosfeer het thuis voor de geestverschijningen, de aardse plaatsen vormen het thuis voor de mensen en de andere levende wezens en het voorbije van deze drie is er voor hen die van de volmaaktheid zijn [siddhaloka].
De hemel werd het thuis voor de goden, de atmosfeer het thuis voor de geestverschijningen, de aardse plaatsen vormen het thuis voor de mensen en de andere levende wezens en het voorbije van deze drie is er voor hen die van de volmaaktheid zijn [siddhaloka]. (Vedabase)
De plaatsen van de onderwereld werden door de meester geschapen als het verblijf voor de onverlichte zielen en zij die perfect zijn in het ego [de 'slangen', de Nâga's]. Al de bestemmingen van de drie werelden ontlenen hun bestaan aan de vruchtdragende handelingen van de zielen die verstrikt zijn in de geaardheden [zie B.G. 4: 17, 10.1: 42-43].
De plaatsen lager aan de aarde werden door de meester geschapen als de verblijfplaats voor de onverlichte zielen en zij die perfect zijn in het ego [de 'slangen', de nâga's]; van hen die verkeren onder de invleod van de gunas zijn de bestemmingen van de drie werelden er overeenkomstig al de soorten van karma [zie B.G. 4: 17, 10.1: 42-43]. (Vedabase)
Door boete, yoga en zelfs door verzaking [in sannyâsa] is men van de smetteloze bestemmingen mahar, janas, tapas en satya, maar Mijn bestemming [Vaikunthha] is er met toegewijde dienst.
Door boete, yoga, en zelfs door verzaking [in sannyâsa] is men van de smetteloze bestemmingen mahar, janas, tapas en satya, maar Mijn bestemming [vaikunthha] is er met toegewijde dienst. (Vedabase)
Zoals beschikt door Mij, de Ondersteuner, het Zelf van de Tijd, ontworstelt men zich aan of verdrinkt men in de machtige stroom van de geaardheden van deze wereld waarin men gebonden is aan het verrichten van baatzuchtige arbeid.
Zoals beschikt door Mij, de Ondersteuner, het Zelf van de Tijd, rijst men op en verdrinkt men in de machtige stroom van de geaardheden van deze wereld van gebonden zijn aan baatzuchtige arbeid. (Vedabase)
Wat het kleine, het grote, het dunne of het massieve ook moge zijn van de manifestatie, is allemaal het product van de combinatie van de twee van de materiële natuur en de genieter [zie ook B.G. 18: 19].
Wat het kleine, het grote, het dunne of het massieve ook moge zijn dat men kan opmerken van de manifestatie, wordt allemaal met elkaar verbonden door de twee van de materiële natuur en de genieter [zie ook B.G. 18: 16]. (Vedabase)
Dat wat de oorzaak vormt van iets is er zowel in het begin, tijdens het leven als aan het einde van dat wat werd voortgebracht. De transformatie [zowel als het ingrediënt en hij die transformeert en niet zozeer deze of gene vorm] is het werkelijke van alledaagse gebruiksvoorwerpen als zaken van goud en dingen van klei [vergelijk 6.16: 22, 10.87: 15, 11.22: 8].
Zoals het is met allerdaagse zaken - als dingen van goud en gebruiksartikelen vervaardigd uit klei - is een product er in de omvorming vanaf het begin tot zijn middenstadium en tot zijn einde als een werkelijkheid [als de 'elementaire oorzaak', vergelijk 6.16: 22, 10.87: 15, 11.22: 8]. (Vedabase)
Iets dat werkzaam is als een voorafgaand ingrediënt in de productie van een ander ding dat aldus een modificatie van dat ingrediënt is, wordt het ware van iets genoemd als het aanwezig is van het begin tot het einde [vergelijk B.G. 2: 13, 2: 16].
Dat ding waaruit als de voorgaande elementaire oorzaak een ander ding is voortgebracht als de omvorming ervan, wordt waar genoemd als het van het begin tot het einde aanwezig is [vergelijk B.G. 2: 13, 2: 16]. (Vedabase)
De materiële natuur die de basis vormt [âdhâra] van het oorzakelijke ingediënt [het getransformeerde], het ware van de Oorspronkelijke Persoon [Hij die transformeert], en dat wat in beroering brengt, te weten de Tijd [de transformatie], deze drie [resp. prakriti, Purusha en kâla] vormen tezamen de Absolute Waarheid [het Brahman] die Ik ben.
De materiële natuur die de grondslag vormt [âdhâra] van de elementaire oorzaak, het ware dat de Oorspronkelijke Allerhoogste Persoon is, en de in beroering brengende instantie van de Tijd, deze drie [kâla, purusha en prakriti] vormen tezamen de Absolute Waarheid [het brahman] die Ik ben. (Vedabase)
Zolang Ik erop toezie zal de rijke schepping voor het doel van de verscheidenheid van haar kwaliteiten generatie na generatie zonder ophouden worden gehandhaafd tot aan haar voleinding [zie ook B.G. 3: 24].
Voor zolang er op toegezien [wordt door Mij], blijft voor het doel van de rijke verscheidenheid van het leven naar de geaardheden, de schepping in die zin van ouders en kinderen zonder ophouden bestaan tot aan het einde van haar handhaven [zie ook B.G. 3: 24]. (Vedabase)
Als de universele gedaante die van Mij doordrongen is de volle planetaire verscheidenheid tentoon heeft gespreid van zijn tijdperken [van schepping, handhaving en verval], komt [omdat het einde van de synergie is bereikt] deze verscheidenheid met zijn verschillende werelden ervoor in aanmerking om [weer op te lossen in] haar vijf samenstellende grofstoffelijke elementen [zie yuga's en manvantara's, en B.G. 11: 13].
Toegerust met haar verschillende planeten het vergund eigenschappen van de vijf grofstoffelijke elementen ten toon te spreiden, manifesteert de universele gedaante, door Mij doordrongen, in tijdperken de verscheidenheid [zie yuga's en manvantara's, en B.G. 11: 13]. (Vedabase)
Het sterfelijk omhulsel wordt [ten tijde van de vernietiging] opgenomen in het voedsel, het voedsel in het graan, het graan in de aarde en de aarde in de geur. De geur gaat over in het water, het water in de kwaliteit ervan, die smaak in het vuur en het vuur in de vorm. De vorm gaat op in de aanraking, de aanraking vervolgens in de ether, de ether in het subtiele voorwerp van het geluid en de zinnen [van het geluid etc.] in hun bronnen [de goden van de zon en de maan etc.]. De bronnen [als het ahankâra ego van de passie] gaan op in de emoties [het ego der goedheid], Mijn beste, en zij gaan op in de geest, de beheerser van het geluid, welke oplost in het oorspronkelijke van de elementen [het ego der traagheid], en dat almachtige primair elementaire gaat op in de kosmische intelligentie [mahat]. Dat grotere van de natuur gaat over in zijn eigen geaardheden en zij in hun uiteindelijke verblijftplaats van het ongemanifesteerde dat zijn rustplaats vind in de onfeilbare Tijd. De tijd gaat over in de individualiteit [de jîva] van het Allerhoogste dat het illusoir vermogen stuurt en die individualiteit gaat op in Mij, het Allerhoogste Ongeboren Zelf [âtmâ], die, gekenmerkt door schepping en vernietiging, volmaakt in Zichzelve verblijvend alleen overblijft [zie ook 3.11: 28, 4.23: 15-18, 11.3: 12-15].
Het sterfelijk omhulsel wordt [ten tijde van de vernietiging] opgenomen in het voedsel, het voedsel in het graan, het graan in de aarde en de aarde in de geur. De geur gaat over in het water, het water in de kwaliteit ervan, die smaak in het vuur en het vuur in de vorm. De vorm gaat op in de aanraking, de aanraking dan in de ether, de ether in het subtiele voorwerp van het geluid, en de zinnen [van het geluid etc.] in hun bronnen [de goden van de zon en de maan etc.]. De bronnen [als ahankâra ego van passie] gaan op in de emoties [het ego der goedheid], Mijn beste, en zij gaan op in de geest, de beheerser van het geluid, welke oplost in het oorspronkelijke van de elementen [het ego der traagheid], en dat almachtige primair elementaire gaat op in de cosmische intelligentie [mahat]. Dat grotere van de natuur gaat over in zijn eigen geaardheden en zij in hun uiteindelijke verblijftplaats van het ongemanifesteerde dat zijn oplossing vind in de onfeilbare Tijd. De tijd gaat over in de individualiteit [de jîva] van het Allerhoogste dat het illusoir vermogen stuurt en die individualiteit gaat op in Mij, het Allerhoogste Ongeboren Zelf [âtmâ], die, gekenmerkt door schepping en vernietiging, gevestigd in Zichzelve alleen blijft [zie ook 3.11: 28, 4.23: 15-18, 11.3: 12-15]. (Vedabase)
Net zoals de duisternis zich niet kan handhaven met de zon die oprijst aan de hemel, kan ook van degene die dit nauwlettend bestudeert de verbijstering van de geest der dualiteit zich niet handhaven in het hart.
Hoe kan, precies zoals de duisternis met de zon die oprijst aan de hemel, op deze manier, van degene die nauwlettend naspeurt, de verbijstering van de geest der dualiteit zich handhaven in het hart? (Vedabase)
Dit is wat Ik, Hij die zowel de Geestelijke als de Materiële Wereld overziet, had te zeggen wat betreft deze Sânkhya instructie van analyse [zie ook 3.25 - 3.33] welke de band der twijfels doorbreekt van mensen die in hun levens met de stroom mee en tegen de stroom inroeien.
Door Mij de Opzichter van de Geestelijke en Materiële Wereld, werd aldus deze sânkhya instructie van analyse uitgesproken [zie ook 3.25-33] welke de band der twijfels breekt in het meegaan met en het ingaan tegen de aard der dingen. (Vedabase)
Voor
deze vertaling werd de Vedabase van de BBT gebruikt die het werk van
Svâmi Prabhupâda's
leerlingen biedt dat werd verricht voor het voltooien van zijn
vertaling van het Bhâgavatam.
Zie de
S'rîmad
Bhâgavatam linkspagina
voor de Vedabase en/of een download van dit boek en andere boeken van
Prabhupâda.
Schilderij 'Drieluik' (middenpaneel) ter beschikking gesteld door
Wim
Kuenen,
gebruikt met toestemming.
Productie: de Filognostische
Associatie
van De
Orde van de Tijd