Canto
10
Hoofdstuk 1: De Komst van Heer Krishna: Inleiding
(1) De achtenswaardige koning zei: 'Uwe Heerlijkheid heeft uitgebreid zowel de dynastieën van de koningen van de zonne- en de maangod beschreven als ook de verheven en wonderbaarlijke karakters van hun leden [*]. (2) Alstublieft beschrijf ons Heer Vishnu die verscheen als een incarnatie in delen [d.w.z.: het volle van Hem tezamen met Zijn Volkomen expansie Sankarshana die hier Baladeva is] in de lijn van de dharma-getrouwe, welgemanierde Yadu's die u eveneens beschreef, o beste onder de muni's. (3) Wees zo goed ons alles te vertellen over wat de Allerhoogste Heer, de Oorzaak van de Manifestatie, deed na nedergedaald te zijn in de Yadu-dynastie. (4) Het aanhoren [middels de paramparâ] van de aangename klanken van de verheerlijking van de Heer Geprezen in de Geschriften is het juiste medicijn waarmee de geest wordt verlost van de materiële ziekte van zijn verlangens; een persoon, tenzij hij een doder van dieren is, kan door dergelijke beschrijvingen, aangehoord of gezongen, zichzelf verre houden [van de valsheid, zichzelf beheersen, zie ook B.G. 2: 44]. (5-7) Mijn grootvaders [de Pândava's] op het slagveld met onoverwinnelijke strijders als Devavrata [Bhîshma] en andere grote bevelhebbers die waren als timingila's [haaien-eters], staken in het verleden met behulp van de boot die Hij is net zo gemakkelijk de zo moeilijk te overwinnen oceaan van Kaurava-soldaten over als men over de hoefafdruk van een kalf heen stapt. Dit lichaam van mij, het enige zaadje dat nog over is van de Kuru's en Pândava's, werd, gedoemd ten onder te gaan door As'vatthâmâ's wapen, door Hem, met de cakra in Zijn hand, beschermd, zich bevindend in de schoot van mijn moeder die eveneens haar toevlucht tot Hem gezocht had [zie 1.8: 11 en 1.12: 7]. O man van scholing, beschrijf alstublieft de glorie van de Heer die verscheen als een normaal menselijk wezen, van Hem die het eeuwige leven en de dood schenkt zoals men dat zegt, van Hem die in gedaanten van de Tijd de Oorspronkelijke Persoon is aanwezig zowel binnen als buiten het geheel van de belichaamde wezens. (8) Balarâma, die Sankarshana is, kennen we van u als de zoon van Rohinî; hoe kan Hij zonder van het ene naar het andere lichaam over te stappen verband houden met de schoot van Devakî? (9) Waarom ging Mukunda, de Opperheer weg uit het huis van Zijn vader naar Vraja en waar vestigde Hij, de Meester van de aanhangers van Vishnu, Zich met Zijn verwanten? (10) Wat deed Hij verblijvend in Vraja en de stad Mathurâ en waarom bracht Hij, de doder van Kes'î, Kamsa de broer van Zijn moeder ter dood, hetgeen iets is dat recht tegen de geschriften indruist!? (11) Voor de duur van hoeveel jaren leefde Hij, een menselijk lichaam aannemend, onder de Vrishni's en woonde Hij in de stad van de Yadu's [Dvârakâ]; en hoeveel vrouwen waren er daar met de Meester? (12) O wijze, overal van op de hoogte bent u in staat uit te wijden over de handelingen van Heer Krishna; beschrijf mij, zo vol van geloof en overgave, in detail dit alles en al wat er nog meer te zeggen valt. (13) Zelfs niet de moeilijk te verdragen honger of mijn afzien van water is mij nog tot last nu ik drink van de nectar van de verhandelingen over de Heer die komt uit uw lotusmond.'
(14) Sûta [zie: 1.1] zei: "O zoon van Bhrigu [S'aunaka], de machtige zoon van Vyâsa, de zuiverste van alle toegewijden, bewees, na deze vragen te hebben aangehoord, hem die door Vishnu was gezegend de eer en begon met de beschrijving van de onderwerpen aangaande Krishna die een einde maken aan de duisternis van het Kali-tijdperk [vergelijk 1.7: 2-8]. (15) S'rî S'uka zei: 'Met uw intelligentie hebt u de juiste overtuiging ontwikkeld, o beste van de wijze koningen, want als gevolg daarvan heeft zich in uw hart een duurzame toewijding voor de verhalen over Vâsudeva ontwikkeld [Krishna dus als de zoon van Vasudeva]. (16) Zoals de wereld wordt gezuiverd door het [Ganges-]water van Zijn tenen [5.17: 1], zijn de drie soorten personen van de spreker, de vragensteller en de toehoorder gezuiverd met het zich baden in de gesprekken over Vâsudeva. (17) Moeder aarde overbelast met de eindeloze aantallen van de ingebeelde, nodeloze, daitya strijdkrachten [9.24: 67] en hun namaak edelen ging [eens] naar Heer Brahmâ om bij hem haar toevlucht te zoeken. (18) De gedaante van een koe aannemend verscheen ze zeer van streek deerniswekkend huilend voor de Almachtige [zie ook 1.16: 18] en legde ze hem haar klachten voor. (19) Heer Brahmâ, die alles begrijpt, benaderde daarop samen met haar, de goddelijken en de Drie-ogige [Heer S'iva] de oever van de melk-oceaan [alwaar Vishnu verblijft, zie ook 8.7: 41]. (20) Daar aangekomen aanbaden ze met de grootste aandacht met de [Purusha-sûkta]hymnen voor de Oorspronkelijke Persoon de Allerhoogste Persoonlijkheid, de God der Goden en de Meester van het Universum die zorg draagt voor allen.
(21) De heer van de Veda [Brahmâ] hoorde in trance een weerklinken van woorden in de hemel [zie ook 1.1: 1] en zei tot de dienaren der drie werelden, de halfgoden: 'Verneem van mij wat de Oorspronkelijke Persoon Zijn gebod is, o onsterfelijke zielen, en hervat terstond zonder te talmen uw plichten daarmee aangegeven. (22) Reeds voor we hier aankwamen wist de Persoonlijkheid van God van het leed van de aarde; Hij zal middels u allen als Zijn delen Zich verbreiden in de familie der Yadu's en zo geboorte nemend zolang op aarde verblijven als Hij, de Heer der Heerscharen, nodig vindt om middels Zijn eigen hoogmogende Tijd de last van de planeet terug te dringen. (23) In het huis van Vasudeva zal de Opperheer, de oorspronkelijke bovenzinnelijke persoon, in eigen persoon verschijnen en dus moeten [ook] de vrouwen van de goddelijken, teneinde Hem te behagen, allen hun geboorte nemen. (24) Het deel van Vâsudeva voorheen bekend staand als de onafhankelijke Ananta met de duizenden kragen [Sankarshana, zie ook 5.25] zal als de Heer voor de Heer ten tonele verschijnen [als Baladeva] met het verlangen tot Zijn genoegen op te treden. (25) De genade van Vishnu [Vishnu-mâyâ], zo goed als de Opperheer door wie al de werelden in beslag worden genomen, is met al haar verschillende vermogens door de meester opgedragen te verschijnen en Zijn aangelegenheden te behartigen [zie ook B.G. 9: 12 & 13].'
(26) S'rî S'uka zei: 'Na aldus de onsterfelijken op de hoogte te hebben gesteld keerde de almachtige meester der stamvaders, na moeder aarde tot kalmte te hebben bewogen met aangename woorden, naar zijn eigen hemelse woning terug. (27) S'ûrasena de koning van de Yadu's [zie 9.23: 27] ging in de stad Mathurâ wonen alwaar hij de koninkrijken van Mâthura en S'ûrasena genoot. (28) Mathurâ, nauw verbonden met de Allerhoogste Heer Hari, was sedertdien de hoofdstad voor al de koningen van Yadu [zie ook de bhajan Sâvarana S'rî Gaura Mahimâ]. (29) Het was in die plaats van God dat een tijd geleden de godspersoon Vasudeva, nadat hij met Devakî getrouwd was, met zijn pas getrouwde vrouw een wagen besteeg om naar huis terug te keren. (30) Kamsa, de zoon van Ugrasena voerde, om zijn zuster voor die gelegenheid een plezier te doen, de teugels van de paarden temidden van duizenden gouden wagens. (31-32) Met haar het huis verlatend had koning Devaka, die dol was op zijn dochter, als bruidsschat vierhonderd olifanten behangen met goud meegegeven, tienduizend paarden met achttienhonderd wagens en een honderdtal dienstmaagden, jong en mooi, compleet met juwelen. (33) O mijn beste Koning, schelphoorns, trompetten, trommels en pauken weerklonken tezamen om de bruid en de bruidegom bij hun vertrek het beste toe te wensen. (34) Met hen onderweg, richtte zich een stem uit de hemel tot Kamsa die de teugels hield: 'Het achtste kind van dit meisje dat je met je meevoert jij dwaas, zal jou ter dood brengen!'
(35) Aldus aangesproken nam hij, die kwaadwillig en zondig de Bhoja-familie te schande had gemaakt, een zwaard ter hand gericht tegen zijn zuster en greep hij haar bij haar haar met de bedoeling haar te doden. (36) Om hem die bereid was zo'n gruwelijke en schaamteloze misdaad te begaan tot vrede te bewegen richtte zich toen Vasudeva, die hoogst fortuinlijke ziel, tot hem. (37) S'rî Vasudeva zei: 'Een man van zoveel kwaliteiten, zulk een schitterende ster onder de heldhaftige Bhoja's als de goedheid van jou, hoe kan jij nu je zuster ter dood brengen, een vrouw nota bene, ten tijde van haar huwelijk [zie ook 1.7: 53-54]? (38) Inbegrepen bij het lichaam dat geboren wordt is er voor een ieder die ter wereld kwam de dood, o held; of men nu vandaag sterft of over honderd jaar, op het laatst is ieder levend wezen zeker van de dood [zie ook B.G. 2: 27-28]. (39) Als het lichaam terug moet keren naar de vijf elementen ontvangt de bewoner overeenkomstig zijn eigen karma automatisch een nieuw lichaam als hij zijn voormalige lijf opgeeft. (40) Zoals een persoon die loopt van het staan op het ene been overstapt op het andere been en zoals een rups bezig is op een plant [van het ene blad naar het andere gaand], vergaat het evenzo het levend wezen dat de gevolgen van zijn karma ondergaat [zie ook B.G. 2: 22 en 2: 13]. (41) Als men zich in het geval van een droom, als men in zijn bewustzijn volledig in beslag wordt genomen door mentale beelden, zich in zijn denken, voelen en willen moet overgeven aan wat men allemaal gezien heeft en hoorde, wat zou dan het geval zijn als men zijn huidige lichaam moet vergeten [zie ook 4.29: 60-79 en 5.26]? (42) De geest, die wordt voortgedreven door God of door de eigen wil, begeeft zich in gissingen van deze positie naar andere zodat op het laatst, naar gelang de verandering in gedachten, voelen, willen en handelen, de belichaamde ten tijde van de dood overeenkomstig de materiële geaardheid waaraan hij onderworpen is zijn geboorte neemt [B.G. 13: 22, 14: 14-15 en 6: 34-35]. (43) Op dezefde manier als de reflectie van de hemellichamen gezien in water of andere vloeistoffen bewogen door de wind vertekeningen te zien geeft in verschillende vormen, raakt ook het levend wezen in de situatie die hij door zijn eigen inbeelding overeenkomstig de geaardheden schiep, verbijsterd naar gelang zijn eigen gehechtheden [zie ook 5.5: 4 en B.G. 9: 12-13, 12: 5]. (44) Daarom moet men, zich zijn eigenbelang ter harte nemend, niemand kwaad doen, want degene die kwaad doet moet zelf steeds bang zijn voor anderen. (45) Deze onschuldige vrouw, je jongere zus, is volledig van jou afhankelijk als was ze je eigen dochter - breng haar niet ter dood; ze betekent iets goeds voor je en is je zorg en mededogen waardig!'
(46) S'rî S'uka zei: 'Hij genadeloos, kon door de pogingen van goed advies op deze manier niet gestopt worden of tot vrede bewogen, o zoon van Kuru, daar hij het pad volgde van de menseneters [de Râkshasa's]. (47) Zich bewust van dat besluit dacht Vasudeva diep na over hoe hij, met de acute dreiging van de dood, hem ervan kon weerhouden en zo kwam hij uit op die andere manier. (48) Door een intelligent persoon moet, zolang als hij zijn zaken onder controle heeft, de dood worden vermeden, maar geplaatst voor de onvermijdelijkheid van de dood gaat deze regel niet op. (49-50) En zo bedacht hij: 'Als ik beloof mijn zoons uit te leveren aan deze man van de dood, kan het me lukken mijn onschuldige Devakî te ontzetten, want voordat hij zover komt, komt wellicht deze heer des doods zelf te overlijden; en als dat niet het geval is kan hij de dood alsnog vinden [omdat werd voorspeld dat hij zou worden gedood door mijn zoon]. Je kan moeilijk van tevoren uitmaken hoe het lot zich zal keren. Ookal blijft de dreiging hierna dan nog bestaan, hiermee kan ik haar nu in de gegeven situatie het leven redden. (51) Als een stuk hout om een of andere reden ontsnapt aan een brand is dat aan de voorzienigheid te danken en niet aan iets anders; op dezelfde manier kan je ook niet weten wat er de oorzaak van is dat de één zich in een lichaam ophoudt en de ander het moet verlaten. (52) Na dit alles te hebben overwogen, betoonde de godvrezende man met alle verstand die in hem was, de zondaar zijn respect, hem met lofuitingen het voorstel doend. (53) Met een brede lach uitwendig zich voor de hardvochtige, schaamteloze man voordoend als gelukkig, sprak hij met een geest vol van angst en verdriet. (54) S'rî Vasudeva zei: 'Van Devakî heb je inderdaad, naar wat de stem uit de hemel liet horen, niets te vrezen, o nuchtere geest; ik zal al de zoons aan je uitleveren die van haar ter wereld komen daar zij het waren door wie die angst bij je opkwam.'
(55) S'rî S'uka zei: 'Kamsa, zich neerleggend bij de waarheid van wat hij zei, was er voorlopig van weerhouden zijn zuster om te brengen zodat met hem meer op zijn gemak Vasudeva er gelukkig in slaagde heelhuids thuis te komen. (56) Na de nodig tijd gaf daarna Devakî, de moeder van alle goddelijkheid [zie 4.31: 14 en B.G. 10: 2], jaar na jaar geboorte aan inderdaad [zoals gezegd in 9.24: 53-55] acht zoons en een dochter. (57) Er heel bang voor niet waarachtig over te komen gaf Ânakadundubhi [ofwel Vasudeva, zie 9.24: 28-31] met veel moeite Kîrtimân, de eerstgeborene, aan Kamsa. (58) Wat zou er nu voor een gelouterde ziel te pijnlijk zijn, wat houdt nu afhankelijkheid in voor de geschoolden, wat zou er voor het lagere echelon verboden zijn en wat zou er voor de zelfgerealiseerden te moeilijk om te verzaken zijn? (59) O Koning, toen hij zag dat Vasudeva onverstoord, waarachtig en zeker van zichzelf was, was Kamsa verheugd en zei hij met een grijns op zijn gezicht: (60) 'Neem dit kind met je mee, mijn angst is er inderdaad niet vanwege hem, het was met de achtste zwangerschap die jij met je vrouw hebt dat mijn dood was voorspeld.'
(61) 'Goed dan' zei Ânakadundubhi, zijn zoon weer terugnemend en vertrekkend, zonder dat hij veel waarde hechtte aan de woorden van hem die zo karakterloos zichzelf niet in de hand had. (62-63) Van Nanda [Krishna's pleegvader] af aan waren allen in Vraja, al de koeherders en ingezetenen en de vrouwen, zowel als de Vrishni's te beginnen bij Vasudeva en Devakî en de Yadu-vrouwen, allen in waarheid goden uit de hemel, o nazaat van Bharata; en dat gold ook voor de verwanten, vrienden en weldoeners in het gevolg van Kamsa [zie ook vers 22 en B.G. 6: 41-42]. (64) Dit alles werd Kamsa duidelijk gemaakt door de almachtige Nârada [**]; hem benaderend zei hij hem dat al de Daitya's en dergelijken die een overlast voor de aarde vormden zouden worden gedood [zie vers 17 en ook 9.24: 56]. (65-66) Na het vertrek van de rishi dacht Kamsa dat al de Yadu's goddelijk waren en dat dus ieder kind geboren uit Devakî Vishnu zou kunnen zijn. Aldus in angst verzet over zijn eigen dood arresteerde hij Vasudeva en Devakî ze thuis gevangen zettend in boeien en doodde hij de een na de ander ieder van hun pasgeboren kinderen niet wetend of het nu de 'Nimmer-geboren' Heer was of niet [***]. (67) Moeders, vaders, broers, vrienden of wie dan ook worden ter dood gebracht door koningen als hij, die op deze aarde voortgedreven worden door afgunst en hebzucht. (68) Hij, zich er wel van bewust dat hij in een voorgaand leven als de grote Asura Kâlanemi [letterlijk: 'de band om het wiel van de tijd'] persoonlijk ter dood gebracht was door Vishnu [zie 8.10: 56], werd, opnieuw geboren in deze wereld, een vijand van de [zoals Nârada hem had gezegd door Vishnu gezegende] Yadu-dynastie. (69) Zijn eigen vader Ugrasena, de koning van de Yadu's, Bhoja's en Andhaka's werd door hem, de almachtige, onderworpen [eveneens gevangen gezet] zodat hij in S'ûrasena het rijk voor zichzelf alleen had.
Tweede editie, geladen 21 februari 2008
Vorige Aadhar-editie en Vedabase links:
De achtenswaardige koning zei: 'Uwe Heerlijkheid heeft uitgebreid zowel de dynastieën van de koningen van de zonne- en de maangod beschreven als ook de verheven en wonderbaarlijke karakters van hun leden [*].De achtenswaardige koning zei: 'Uwe Heerlijkheid heeft uitgebreid zowel de dynastieën van de koningen van de zonne- en de maangod beschreven als ook de verheven en wonderbaarlijke karakters van hun leden [*]. (Vedabase)
Alstublieft beschrijf ons Heer Vishnu die verscheen als een incarnatie in delen [d.w.z.: het volle van Hem tezamen met Zijn Volkomen expansie Sankarshana die hier Baladeva is] in de lijn van de dharma-getrouwe, welgemanierde Yadu's die u eveneens beschreef, o beste onder de muni's.
Alstublieft beschrijf ons Heer Vishnu die verscheen als een incarnatie in delen [d.w.z.: het volle van Hem tezamen met Zijn Volkomen expansie Sankarshana die hier Baladeva is] in de lijn van de dharma-getrouwe, welgemanierde Yadu's die u eveneens beschreef, o beste onder de muni's. (Vedabase)
Wees zo goed ons alles te vertellen over wat de Allerhoogste Heer, de Oorzaak van de Manifestatie, deed na nedergedaald te zijn in de Yadu-dynastie.
Wees zo goed ons alles te vertellen over wat de Allerhoogste Heer, de Oorzaak van de Manifestatie, deed na nedergedaald te zijn in de Yadu-dynastie. (Vedabase)
Het aanhoren [middels de paramparâ] van de aangename klanken van de verheerlijking van de Heer Geprezen in de Geschriften is het juiste medicijn waarmee de geest wordt verlost van de materiële ziekte van zijn verlangens; een persoon, tenzij hij een doder van dieren is, kan door dergelijke beschrijvingen, aangehoord of gezongen, zichzelf verre houden [van de valsheid, zichzelf beheersen, zie ook B.G. 2: 44].
Het aanhoren [middels de paramparâ] van de aangename klanken van de verheerlijking van de Heer Geprezen in de Geschriften is het juiste medicijn waarmee de geest wordt verlost van de materiële ziekte van zijn verlangens; een persoon, tenzij hij een doder van dieren is, kan door dergelijke beschrijvingen, aangehoord of gezongen, zichzelf verre houden [van de valsheid, zichzelf beheersen, zie ook B.G. 2:44]. (Vedabase)
Mijn grootvaders [de Pândava's] op het slagveld met onoverwinnelijke strijders als Devavrata [Bhîshma] en andere grote bevelhebbers die waren als timingila's [haaien-eters], staken in het verleden met behulp van de boot die Hij is net zo gemakkelijk de zo moeilijk te overwinnen oceaan van Kaurava-soldaten over als men over de hoefafdruk van een kalf heen stapt. Dit lichaam van mij, het enige zaadje dat nog over is van de Kuru's en Pândava's, werd, gedoemd ten onder te gaan door As'vatthâmâ's wapen, door Hem, met de cakra in Zijn hand, beschermd, zich bevindend in de schoot van mijn moeder die eveneens haar toevlucht tot Hem gezocht had [zie 1.8: 11 en 1.12: 7]. O man van scholing, beschrijf alstublieft de glorie van de Heer die verscheen als een normaal menselijk wezen, van Hem die het eeuwige leven en de dood schenkt zoals men dat zegt, van Hem die in gedaanten van de Tijd de Oorspronkelijke Persoon is aanwezig zowel binnen als buiten het geheel van de belichaamde wezens.
Mijn grootvaders [de Pândava's] op het slagveld met onvergankelijke strijders als Devavrata [Bhîshma] en andere grote bevelhebbers die waren als timingilas [haaien-eters], staken in het verleden met behulp van de boot die Hij is net zo gemakkelijk de zo moeilijk te overwinnen oceaan van Kaurava-soldaten over als men over de hoefafdruk van een kalf heen stapt. Dit lichaam van mij, het enige zaadje dat nog over is van de Kuru's en Pândava's, werd, gedoemd ten onder te gaan door Asvatthâmâ's wapen, door Hem, met de cakra in Zijn hand, beschermd, zich bevindend in de schoot van mijn moeder die eveneens haar toevlucht tot Hem gezocht had [zie 1.8: 11 en 1-12: 7]. O man van scholing, beschrijf alstublieft de glorie van de Heer die verscheen als een normaal menselijk wezen, van Hem die het eeuwige leven en de dood schenkt zoals men dat zegt, van Hem die in gedaanten van de Tijd de Oorspronkelijke Persoon is aanwezig zowel binnen als buiten het geheel van de belichaamde wezens. (Vedabase)
Balarâma, die Sankarshana is, kennen we van u als de zoon van Rohinî; hoe kan Hij zonder van het ene naar het andere lichaam over te stappen verband houden met de schoot van Devakî?
Balarâma, die Sankarshana is, kennen we van u als de zoon van Rohinî; hoe kan Hij zonder van het ene naar het andere lichaam over te stappen verband houden met de schoot van Devakî? (Vedabase)
Waarom ging Mukunda, de Opperheer weg uit het huis van Zijn vader naar Vraja en waar vestigde Hij, de Meester van de aanhangers van Vishnu, Zich met Zijn verwanten?
Waarom ging Mukunda, de Opperheer weg uit het huis van Zijn vader naar Vraja en waar vestigde Hij, de Meester van de aanhangers van Vishnu, Zich met Zijn verwanten? (Vedabase)
Wat deed Hij verblijvend in Vraja en de stad Mathurâ en waarom bracht Hij, de doder van Kes'î, Kamsa de broer van Zijn moeder ter dood, hetgeen iets is dat recht tegen de geschriften indruist!?
Wat deed Hij verblijvend in Vraja en de stad Mathurâ en waarom bracht Hij, de doder van Kes'î, Kamsa de broer van Zijn moeder ter dood, hetgeen iets is dat recht tegen de geschriften indruist!? (Vedabase)
Voor de duur van hoeveel jaren leefde Hij, een menselijk lichaam aannemend, onder de Vrishni's en woonde Hij in de stad van de Yadu's [Dvârakâ]; en hoeveel vrouwen waren er daar met de Meester?
Voor de duur van hoeveel jaren leefde Hij, een menselijk lichaam aannemend, onder de Vrishni's en woonde Hij in de stad van de Yadu's [Dvârakâ]; en hoeveel vrouwen waren er daar met de Meester? (Vedabase)
O wijze, overal van op de hoogte bent u in staat uit te wijden over de handelingen van Heer Krishna; beschrijf mij, zo vol van geloof en overgave, in detail dit alles en al wat er nog meer te zeggen valt.
O wijze, overal van op de hoogte bent u in staat uit te wijden over de handelingen van Heer Krishna; beschrijf mij, zo vol van geloof en overgave, in detail dit alles en al wat er nog meer te zeggen valt. (Vedabase)
Zelfs niet de moeilijk te verdragen honger of mijn afzien van water is mij nog tot last nu ik drink van de nectar van de verhandelingen over de Heer die komt uit uw lotusmond.'
Zelfs niet de moeilijk te verdragen honger of mijn afzien van water is mij nog tot last met het drinken van de nektar van de verhandelingen over de Heer die voortkomen uit uw lotusmond.' (Vedabase)
Sûta [zie: 1.1] zei: "O zoon van Bhrigu [S'aunaka], de machtige zoon van Vyâsa, de zuiverste van alle toegewijden, bewees, na deze vragen te hebben aangehoord, hem die door Vishnu was gezegend de eer en begon met de beschrijving van de onderwerpen aangaande Krishna die een einde maken aan de duisternis van het Kali-tijdperk [vergelijk 1.7: 2-8].
Sûta [zie: 1.1] zei: "O zoon van Bhrigu [Saunaka], de machtige zoon van Vyâsa, de meest vooraanstaande onder de zuivere toegewijden, aldus zijn vrome vragen horend, bewees hem die door Vishnu was gezegend de eer en begon met de beschrijving van de onderwerpen aangaande Krishna die een einde maken aan de duisternis van het Kali-tijdperk [vergelijk 1.7: 2-8]. (Vedabase)
S'rî S'uka zei: 'Met uw intelligentie hebt u de juiste overtuiging ontwikkeld, o beste van de wijze koningen, want als gevolg daarvan heeft zich in uw hart een duurzame toewijding voor de verhalen over Vâsudeva ontwikkeld [Krishna dus als de zoon van Vasudeva].
S'rî S'uka zei: 'Uw volledig geconcentreerde intelligentie, o beste der geheiligde koningen, is het resultaat van de ononderbroken aantrekking in uw luisteren naar de betogen over Vâsudeva [Krishna dus als de zoon van Vasudeva]. (Vedabase)
Zoals de wereld wordt gezuiverd door het [Ganges-]water van Zijn tenen [5.17: 1], zijn de drie soorten personen van de spreker, de vragensteller en de toehoorder gezuiverd met het zich baden in de gesprekken over Vâsudeva.
Zoals de wereld wordt gezuiverd door het [Ganges-]water van Zijn tenen [5.17:1], zijn de drie soorten personen van de spreker, de vraagsteller en de aanwezigen gezuiverd met het zich baden in de gesprekken over Vâsudeva. (Vedabase)
Moeder aarde overbelast met de eindeloze aantallen van de ingebeelde, nodeloze, daitya strijdkrachten [9.24: 67] en hun namaak edelen ging [eens] naar Heer Brahmâ om bij hem haar toevlucht te zoeken.
Moeder aarde overbelast met de eindeloze aantallen van de ingebeelde, nodeloze, daitya strijdkrachten [9.24: 67] en hun namaak edelen ging [eens] naar Heer Brahmâ om bij hem haar toevlucht te zoeken. (Vedabase)
De gedaante van een koe aannemend verscheen ze zeer van streek deerniswekkend huilend voor de Almachtige [zie ook 1.16: 18] en legde ze hem haar klachten voor.
De gedaante van een koe aannemend verscheen ze zeer van streek deerniswekkend huilend voor de Almachtige [zie ook 1.16: 18] en legde ze hem haar klachten voor. (Vedabase)
Heer Brahmâ, die alles begrijpt, benaderde daarop samen met haar, de goddelijken en de Drie-ogige [Heer S'iva] de oever van de melk-oceaan [alwaar Vishnu verblijft, zie ook 8.7: 41].
Heer Brahmâ, die alles begrijpt, benaderde daarop samen met haar, de goddelijken en de Drie-ogige [Heer S'iva] de oever van de melk-oceaan [alwaar Vishnu verblijft, zie ook 8.7: 36]. (Vedabase)
Daar aangekomen aanbaden ze met de grootste aandacht met de [Purusha-sûkta]hymnen voor de Oorspronkelijke Persoon de Allerhoogste Persoonlijkheid, de God der Goden en de Meester van het Universum die zorg draagt voor allen.
Daar aangekomen aanbaden ze met de grootste aandacht met de hymnen voor de Oorspronkelijke Persoon [de purusha-sûkta] de Allerhoogste Persoonlijkheid, de God der Goden en de Meester van het Universum die zorg draagt voor allen. (Vedabase)
De heer van de Veda [Brahmâ] hoorde in trance een weerklinken van woorden in de hemel [zie ook 1.1: 1] en zei tot de dienaren der drie werelden, de halfgoden: 'Verneem van mij wat de Oorspronkelijke Persoon Zijn gebod is, o onsterfelijke zielen, en hervat terstond zonder te talmen uw plichten daarmee aangegeven.
De heer van de Veda [Brahmâ] hoorde in trance een weerklinken van woorden in de hemel [zie ook 1.1: 1] en zei tot de dienaren der drie werelden, de halfgoden: 'Verneem van mij wat de Oorspronkelijke Persoon Zijn gebod is, o onsterfelijke zielen, en hervat terstond zonder te talmen uw plichten, zoals gezegd. (Vedabase)
Reeds voor we hier aankwamen wist de Persoonlijkheid van God van het leed van de aarde; Hij zal middels u allen als Zijn delen Zich verbreiden in de familie der Yadu's en zo geboorte nemend zolang op aarde verblijven als Hij, de Heer der Heerscharen, nodig vindt om middels Zijn eigen hoogmogende Tijd de last van de planeet terug te dringen.
Reeds voor we hier aankwamen wist de Persoonlijkheid van God van het leed van de aarde; Hij zal middels u allen als Zijn delen Zichzelf uitbreiden in de familie der Yadu's en zo geboorte nemend op aarde leven voor de tijd die Hij, de Heer der Heerscharen, met Zijn eigen vermogen van de Tijd nodig heeft om de last van de planeet terug te dringen. (Vedabase)
In het huis van Vasudeva zal de Opperheer, de oorspronkelijke bovenzinnelijke persoon, in eigen persoon verschijnen en dus moeten [ook] de vrouwen van de goddelijken, teneinde Hem te behagen, allen hun geboorte nemen.
In het huis van Vasudeva zal de Opperheer, de oorspronkelijke bovenzinnelijke persoon, in eigen persoon verschijnen en dus moeten [ook] de vrouwen van de goddelijken, teneinde Hem te behagen, allen hun geboorte nemen. (Vedabase)
Het deel van Vâsudeva voorheen bekend staand als de onafhankelijke Ananta met de duizenden kragen [Sankarshana, zie ook 5.25] zal als de Heer voor de Heer ten tonele verschijnen [als Baladeva] met het verlangen tot Zijn genoegen op te treden.
Het deel van Vâsudeva voorheen bekend staand als de onafhankelijke Ananta met de duizenden kragen [Sankarshana, zie ook 5.25] zal als de Heer voor de Heer ten tonele verschijnen [als Baladeva] met het verlangen tot Zijn genoegen op te treden. (Vedabase)
De genade van Vishnu [Vishnu-mâyâ], zo goed als de Opperheer door wie al de werelden in beslag worden genomen, is met al haar verschillende vermogens door de meester opgedragen te verschijnen en Zijn aangelegenheden te behartigen [zie ook B.G. 9: 12 & 13].'
De genade van Vishnu [Vishnu-mâyâ], zo goed als de Opperheer door wie al de werelden in beslag worden genomen, is met al haar verschillende vermogens door de meester opgedragen te verschijnen en Zijn aangelegenheden te behartigen [zie ook B.G. 9: 12 & 13].' (Vedabase)
S'rî S'uka zei: 'Na aldus de onsterfelijken op de hoogte te hebben gesteld keerde de almachtige meester der stamvaders, na moeder aarde tot kalmte te hebben bewogen met aangename woorden, naar zijn eigen hemelse woning terug.
S'rî S'uka zei: 'Na aldus de onsterfelijken op de hoogte te hebben gesteld keerde de almachtige meester der stamvaders, na moeder aarde tot kalmte te hebben bewogen met aangename woorden, naar zijn eigen hemelse woning terug. (Vedabase)
S'ûrasena de koning van de Yadu's [zie 9.23: 27] ging in de stad Mathurâ wonen alwaar hij de koninkrijken van Mâthura en S'ûrasena genoot.
S'ûrasena de koning van de Yadu's [zie 9.23: 27] ging in de stad Mathurâ wonen alwaar hij de koninkrijken van Mâthura en S'ûrasena genoot. (Vedabase)
Mathurâ, nauw verbonden met de Allerhoogste Heer Hari, was sedertdien de hoofdstad voor al de koningen van Yadu [zie ook de bhajan Sâvarana S'rî Gaura Mahimâ].
Mathurâ, nauw verbonden met de Allerhoogste Heer Hari, was sedertdien de hoofdstad voor al de koningen van Yadu [zie ook de bhajan Sâvarana S'rî Gaura Mahimâ]. (Vedabase)
Het was in die plaats van God dat een tijd geleden de godspersoon Vasudeva, nadat hij met Devakî getrouwd was, met zijn pas getrouwde vrouw een wagen besteeg om naar huis terug te keren.
Het was in die plaats van God dat een tijd geleden de godspersoon Vasudeva, nadat hij met Devakî getrouwd was, met zijn pas getrouwde vrouw een wagen besteeg om naar huis terug te keren. (Vedabase)
Kamsa, de zoon van Ugrasena voerde, om zijn zuster voor die gelegenheid een plezier te doen, de teugels van de paarden temidden van duizenden gouden wagens.
Kamsa, de zoon van Ugrasena voerde, om zijn zuster voor die gelegenheid een plezier te doen, de teugels van de paarden te midden van duizenden gouden wagens. (Vedabase)
Met haar het huis verlatend had koning Devaka, die dol was op zijn dochter, als bruidsschat vierhonderd olifanten behangen met goud meegegeven, tienduizend paarden met achttienhonderd wagens en een honderdtal dienstmaagden, jong en mooi, compleet met juwelen.
Met haar het huis verlatend had koning Devaka, die dol was op zijn dochter, als bruidsschat vierhonderd olifanten behangen met goud meegegeven, tienduizend paarden met achttienhonderd wagens en een honderdtal dienstmaagden, jong en mooi, compleet met juwelen. (Vedabase)
O mijn beste Koning, schelphoorns, trompetten, trommels en pauken weerklonken tezamen om de bruid en de bruidegom bij hun vertrek het beste toe te wensen.
O mijn beste Koning, schelphoorns, trompetten, trommels en pauken weerklonken tezamen om de bruid en de bruidegom bij hun vertrek het beste toe te wensen. (Vedabase)
Met hen onderweg, richtte zich een stem uit de hemel tot Kamsa die de teugels hield: 'Het achtste kind van dit meisje dat je met je meevoert jij dwaas, zal jou ter dood brengen!'
Met hen onderweg, richtte zich een stem uit de hemel tot Kamsa die de teugels voerde: 'Het achtste kind van dit meisje dat je met je meevoert jij dwaas, zal jou ter dood brengen!' (Vedabase)
Aldus aangesproken nam hij, die kwaadwillig en zondig de Bhoja-familie te schande had gemaakt, een zwaard ter hand gericht tegen zijn zuster en greep hij haar bij haar haar met de bedoeling haar te doden.
Aldus aangesproken nam hij, die kwaadwillig en zondig de Bhoja-familie te schande had gemaakt, een zwaard ter hand tegen zijn zuster haar bij haar haar grijpend met de bedoeling haar te doden. (Vedabase)
Om hem die bereid was zo'n gruwelijke en schaamteloze misdaad te begaan tot vrede te bewegen richtte zich toen Vasudeva, die hoogst fortuinlijke ziel, tot hem.
Om hem die bereid was zo een gruwelijke en schaamteloze misdaad te begaan tot vrede te bewegen richtte zich toen Vasudeva, die hoogst fortuinlijke ziel, tot hem. (Vedabase)
S'rî Vasudeva zei: 'Een man van zoveel kwaliteiten, zulk een schitterende ster onder de heldhaftige Bhoja's als de goedheid van jou, hoe kan jij nu je zuster ter dood brengen, een vrouw nota bene, ten tijde van haar huwelijk [zie ook 1.7: 53-54]?
S'rî Vasudeva zei: 'Een man van zoveel kwaliteiten, zulk een schitterende ster onder de heldhaftige Bhoja's als de goedheid van jou, hoe kan jij nu je zuster ter dood brengen, een vrouw nota bene, ten tijde van haar huwelijk [zie ook 1.7: 53-54]? (Vedabase)
Inbegrepen bij het lichaam dat geboren wordt is er voor een ieder die ter wereld kwam de dood, o held; of men nu vandaag sterft of over honderd jaar, op het laatst is ieder levend wezen zeker van de dood [zie ook B.G. 2: 27-28].
Tezamen met het lichaam dat geboren wordt is er de dood voor allen die ter wereld kwamen, o held; of men nu vandaag sterft of over honderd jaar, op het laatst is ieder levend wezen zeker van de dood [zie ook B.G. 2: 27-28]. (Vedabase)
Als het lichaam terug moet keren naar de vijf elementen ontvangt de bewoner overeenkomstig zijn eigen karma automatisch een nieuw lichaam als hij zijn voormalige lijf opgeeft.
Als het lichaam terug moet keren naar de vijf elementen ontvangt de bewoner overeenkomstig zijn eigen karma automatisch een nieuw lichaam als hij zijn voormalige lijf opgeeft. (Vedabase)
Zoals een persoon die loopt van het staan op het ene been overstapt op het andere been en zoals een rups bezig is op een plant [van het ene blad naar het andere gaand], vergaat het evenzo het levend wezen dat de gevolgen van zijn karma ondergaat [zie ook B.G. 2: 22 en 2: 13].
Zoals een persoon die loopt van het staan op het ene been verandert naar het andere been en zoals een rups bezig is op een plant [van het ene blad naar het andere gaand], vergaat het evenzo het levend wezen dat de gevolgen van zijn karma ondergaat [zie ook B.G. 2: 22 en 2: 13 ]. (Vedabase)
Als men zich in het geval van een droom, als men in zijn bewustzijn volledig in beslag wordt genomen door mentale beelden, zich in zijn denken, voelen en willen moet overgeven aan wat men allemaal gezien heeft en hoorde, wat zou dan het geval zijn als men zijn huidige lichaam moet vergeten [zie ook 4.29: 60-79 en 5.26]?
Als men zich in het geval van een droom, als men in zijn bewustzijn volledig in beslag wordt genomen door mentale beelden, zich in zijn denken, voelen, willen moet overgeven aan wat men allemaal gezien heeft en hoorde, wat dan zou het zijn als men zijn huidige lichaam moet vergeten [zie ook 4.29: 60-79 en 5.26]? (Vedabase)
De geest, die wordt voortgedreven door God of door de eigen wil, begeeft zich in gissingen van deze positie naar andere zodat op het laatst, naar gelang de verandering in gedachten, voelen, willen en handelen, de belichaamde ten tijde van de dood overeenkomstig de materiële geaardheid waaraan hij onderworpen is zijn geboorte neemt [B.G. 13: 22, 14: 14-15 en 6: 34-35].
De geest voortgedreven door God of door de eigen wil begeeft zich in gissingen van deze positie naar andere zodat op het laatst, naar de verandering in gedachten, voelen, willen en handelen, de belichaamde ten tijde van de dood, overeenkomstig de materiële geaardheid waaraan hij onderworpen is zijn geboorte neemt [B.G. 13: 22, 14: 14-15 en 6: 34-35]. (Vedabase)
Op dezefde manier als de reflectie van de hemellichamen gezien in water of andere vloeistoffen bewogen door de wind vertekeningen te zien geeft in verschillende vormen, raakt ook het levend wezen in de situatie die hij door zijn eigen inbeelding overeenkomstig de geaardheden schiep, verbijsterd naar gelang zijn eigen gehechtheden [zie ook 5.5: 4 en B.G. 9: 12-13, 12: 5].
Zoals het inderdaad is met hemellichten gezien in water of andere vloeistoffen die reflecterend door de voortdrijvende wind vertekeningen geven in verschillende vormen, raakt op dezelfde manier, het levend wezen in de situatie geschapen door zijn eigen inbeelding naar de geaardheden, verbijsterd al naar gelang zijn eigen gehechtheden [zie ook 5.5: 4 en B.G. 9: 12-13, 12: 5]. (Vedabase)
Daarom moet men, zich zijn eigenbelang ter harte nemend, niemand kwaad doen, want degene die kwaad doet moet zelf steeds bang zijn voor anderen.
Doe daarom niemand kwaad, een persoon die kwaad is op iemand moet met dit gezegd, als hij zijn eigenbelang wil behartigen, handelen in vrees voor [de belangen van] anderen. (Vedabase)
Deze onschuldige vrouw, je jongere zus, is volledig van jou afhankelijk als was ze je eigen dochter - breng haar niet ter dood; ze betekent iets goeds voor je en is je zorg en mededogen waardig!'
Deze onschuldige vrouw, je jongere zus, is volledig van jou afhankelijk als was ze je eigen dochter - breng haar niet ter dood; ze betekent iets goeds voor je en is je zorg en mededogen waardig!' (Vedabase)
S'rî S'uka zei: 'Hij genadeloos, kon door de pogingen van goed advies op deze manier niet gestopt worden of tot vrede bewogen, o zoon van Kuru, daar hij het pad volgde van de menseneters [de Râkshasa's].
S'rî S'uka zei: 'Hij genadeloos, kon door de pogingen van goed advies op deze manier niet gestopt worden of tot vrede bewogen, o zoon van Kuru, daar hij het pad volgde van de menseneters [de râkshasa's]. (Vedabase)
Zich bewust van dat besluit dacht Vasudeva diep na over hoe hij, met de acute dreiging van de dood, hem ervan kon weerhouden en zo kwam hij uit op die andere manier.
Zich bewust van dat besluit dacht Vasudeva diep na over hoe hij, met de acute dreiging van de dood, hem ervan kon afhouden en zo kwam hij uit op die andere manier. (Vedabase)
Door een intelligent persoon moet, zolang als hij zijn zaken onder controle heeft, de dood worden vermeden, maar geplaatst voor de onvermijdelijkheid van de dood gaat deze regel niet op.
Door een intelligent persoon moet, zolang als hij zijn zaken onder kontrole heeft, de dood worden vermeden, maar er schuilt geen kwaad in als dat voor de belichaamde niet meer mogelijk is. (Vedabase)
En zo bedacht hij: 'Als ik beloof mijn zoons uit te leveren aan deze man van de dood, kan het me lukken mijn onschuldige Devakî te ontzetten, want voordat hij zover komt, komt wellicht deze heer des doods zelf te overlijden; en als dat niet het geval is kan hij de dood alsnog vinden [omdat werd voorspeld dat hij zou worden gedood door mijn zoon]. Je kan moeilijk van tevoren uitmaken hoe het lot zich zal keren. Ookal blijft de dreiging hierna dan nog bestaan, hiermee kan ik haar nu in de gegeven situatie het leven redden. '
En zo bedacht hij: 'Als ik beloof mijn zoons uit te leveren aan deze man van de dood zou ik mijn onschuldige Devakî kunnen ontzetten, of deze heer Dood nu weer opnieuw zijn geboorte zou moeten nemen of niet zou sterven; zo niet dan kan het tegenovergestelde zich voordoen, maar men kan moeilijk vooraf uitmaken hoe het lot zich zal keren [zou hij niet door mijn eigen zoon ter dood worden gebracht?]. Deze situatie kan zich weer voordoen in de toekomst, maar met zoals het er nu voorstaat kan ik haar leven redden. (Vedabase)
Als een stuk hout om een of andere reden ontsnapt aan een brand is dat aan de voorzienigheid te danken en niet aan iets anders; op dezelfde manier kan je ook niet weten wat er de oorzaak van is dat de één zich in een lichaam ophoudt en de ander het moet verlaten.
Vuur in een stuk hout kan zich daarin ophouden of aanleiding geven tot een grote brand, dat is de voorzienigheid, er is geen andere reden voor zijn oorzaak; op dezelfde manier kan men gewis niet uitmaken wat er de oorzaak van zou zijn dat men zich in een lichaam bevindt of dat men er uit zou moeten. (Vedabase)
Na dit alles te hebben overwogen, betoonde de godvrezende man met alle verstand die in hem was, de zondaar zijn respect, hem met lofuitingen het voorstel doend.
Na dit alles te hebben overwogen, betoonde de godvrezende man met alle verstand die in hem was, de zondaar zijn respekt, het in lof aan hem voorleggend. (Vedabase)
Met een brede lach uitwendig zich voor de hardvochtige, schaamteloze man voordoend als gelukkig, sprak hij met een geest vol van angst en verdriet.
Met een brede lach uitwendig zich voor de hardvochtige, schaamteloze man voordoend als gelukkig sprak hij met een geest vol van angst en verdriet. (Vedabase)
S'rî Vasudeva zei: 'Van Devakî heb je inderdaad, naar wat de stem uit de hemel liet horen, niets te vrezen, o nuchtere geest; ik zal al de zoons aan je uitleveren die van haar ter wereld komen daar zij het waren door wie die angst bij je opkwam.'
S'rî Vasudeva zei: 'Van Devakî heb je inderdaad, naar wat de stem uit de hemel liet horen, niets te vrezen, o nuchtere geest; ik zal al de zoons aan je uitleveren die van haar ter wereld komen daar zij het waren door wie die angst bij je opkwam.' (Vedabase)
S'rî S'uka zei: 'Kamsa, zich neerleggend bij de waarheid van wat hij zei, was er voorlopig van weerhouden zijn zuster om te brengen zodat met hem meer op zijn gemak Vasudeva er gelukkig in slaagde heelhuids thuis te komen.
S'rî S'uka zei: 'Kamsa, zich neerleggend bij de waarheid van wat hij zei, was er voorlopig van weerhouden zijn zuster om het leven te brengen zodat met hem meer op zijn gemak Vasudeva gelukkig was thuis te komen. (Vedabase)
Na de nodig tijd gaf daarna Devakî, de moeder van alle goddelijkheid [zie 4.31: 14 en B.G. 10: 2], jaar na jaar geboorte aan inderdaad [zoals gezegd in 9.24: 53-55] acht zoons en een dochter.
Na de nodig tijd gaf daarna Devakî, de moeder van alle goddelijkheid [zie 4.31: 14 en B.G. 10: 2], jaar na jaar geboorte aan inderdaad [zoals gezegd in 9.24: 53-55] acht zoons en een dochter. (Vedabase)
Er heel bang voor niet waarachtig over te komen gaf Ânakadundubhi [ofwel Vasudeva, zie 9.24: 28-31] met veel moeite Kîrtimân, de eerstgeborene, aan Kamsa.
Er heel bang voor niet waarachtig over te komen gaf Ânakadundubhi [ofwel Vasudeva, zie 9.24: 28-31] met veel moeite Kîrtimân, de eerstgeborene, over aan Kamsa. (Vedabase)
Wat zou er nu voor een gelouterde ziel te pijnlijk zijn, wat houdt nu afhankelijkheid in voor de geschoolden, wat zou er voor het lagere echelon verboden zijn en wat zou er voor de zelfgerealiseerden te moeilijk om te verzaken zijn?
Wat zou er voor geheiligden te pijnlijk zijn, wat is afhankelijkheid voor de geschoolden, wat zou er voor het lagere echelon verboden zijn en wat zou er voor de zelfgerealiseerden moeilijk te verzaken zijn? (Vedabase)
O Koning, toen hij zag dat Vasudeva onverstoord, waarachtig en zeker van zichzelf was, was Kamsa verheugd en zei hij met een grijns op zijn gezicht:
O Koning, toen hij zag dat Vasudeva onverstoord, waarachtig en zeker van zichzelf was, was Kamsa verheugd en zei hij met een grijns op zijn gezicht: (Vedabase)
'Neem dit kind met je mee, mijn angst is er inderdaad niet vanwege hem, het was met de achtste zwangerschap die jij met je vrouw hebt dat mijn dood was voorspeld.'
(60) 'Neem dit kind met je mee, mijn angst is er inderdaad niet vanwege hem, het was met de achtste zwangerschap van jou met je vrouw dat mijn dood was voorbestemd.' (Vedabase)
'Goed dan' zei Ânakadundubhi, zijn zoon weer terugnemend en vertrekkend, zonder dat hij veel waarde hechtte aan de woorden van hem die zo karakterloos zichzelf niet in de hand had.
'Goed dan' zei Ânakadundubhi, zijn zoon weer terug nemend en vertrok toen, zonder veel waarde te hechten aan de woorden van hem die karakterloos was en zichzelf niet in de hand had. (Vedabase)
Van Nanda [Krishna's pleegvader] af aan waren allen in Vraja, al de koeherders en ingezetenen en de vrouwen, zowel als de Vrishni's te beginnen bij Vasudeva en Devakî en de Yadu-vrouwen, allen in waarheid goden uit de hemel, o nazaat van Bharata; en dat gold ook voor de verwanten, vrienden en weldoeners in het gevolg van Kamsa [zie ook vers 22 en B.G. 6: 41-42].
Van Nanda [Krishna's pleegvader] af aan waren allen in Vraja, al de koeherders en ingezetenen en de vrouwen, zowel als de Vrishni's te beginnen bij Vasudeva en Devakî en de yadu-vrouwen, beiden in waarheid daadwerkelijk goden uit de hemel, o nazaat van Bharata; en zo was dat zelfs ook met de verwanten, vrienden en weldoeners in het gevolg van Kamsa [zie ook vers 22 en B.G. 6: 41-42]. (Vedabase)
Dit alles werd Kamsa duidelijk gemaakt door de almachtige Nârada [**]; hem benaderend zei hij hem dat al de Daitya's en dergelijken die een overlast voor de aarde vormden zouden worden gedood [zie vers 17 en ook 9.24: 56].
Dit alles werd Kamsa duidelijk gemaakt door de almachtige Nârada [**]; hem benaderend zei hij hem dat al de daitya's en dergelijken die een overlast voor de aarde vormden zouden worden gedood [zie vers 17 en ook 9.24: 56]. (Vedabase)
Na het vertrek van de rishi dacht Kamsa dat al de Yadu's goddelijk waren en dat dus ieder kind geboren uit Devakî Vishnu zou kunnen zijn. Aldus in angst verzet over zijn eigen dood arresteerde hij Vasudeva en Devakî ze thuis gevangen zettend in boeien en doodde hij de een na de ander ieder van hun pasgeboren kinderen niet wetend of het nu de 'Nimmer-geboren' Heer was of niet [***].
Na het vertrek van de rishi dacht Kamsa dat al de Yadu's goddelijk waren en dat dus ieder kind geboren uit Devakî Vishnu zou kunnen zijn. Aldus in angst verzet over zijn eigen dood arresteerde hij Vasudeva en Devakî ze thuis gevangen zettend in boeien en doodde hij de een na de ander ieder van hun pasgeboren kinderen niet wetend of het nu de 'Nimmer-geboren' Heer was of niet [***]. (Vedabase)
Moeders, vaders, broers, vrienden of wie dan ook worden ter dood gebracht door koningen als hij, die op deze aarde voortgedreven worden door afgunst en hebzucht.
Moeders, vaders, broers, vrienden of wie dan ook worden ter dood gebracht door koningen als hij, die op deze aarde voortgedreven worden door afgunst en hebzucht. (Vedabase)
Hij, zich er wel van bewust dat hij in een voorgaand leven als de grote Asura Kâlanemi [letterlijk: 'de band om het wiel van de tijd'] persoonlijk ter dood gebracht was door Vishnu [zie 8.10: 56], werd, opnieuw geboren in deze wereld, een vijand van de [zoals Nârada hem had gezegd door Vishnu gezegende] Yadu-dynastie.
Hij, zich er wel van bewust dat hij in een voorgaand leven als de grote asura Kâlanemi [letterlijk: 'de band om het wiel van de tijd'] persoonlijk ter dood gebracht was door Vishnu [zie 8.10: 56], werd, opnieuw geboren in deze wereld, een vijand van de [zoals Nârada hem had gezegd door Vishnu gezegende] Yadu-dynastie. (Vedabase)
Zijn eigen vader Ugrasena, de koning van de Yadu's, Bhoja's en Andhaka's werd door hem, de almachtige, onderworpen [eveneens gevangen gezet] zodat hij in S'ûrasena het rijk voor zichzelf alleen had.
Zijn eigen vader Ugrasena, de koning van de Yadu's, Bhoja's en Andhaka's werd door hem, de almachtige, onderworpen [eveneens gevangen gezet] zodat hij in S'ûrasena het rijk voor zichzelf alleen had. (Vedabase)
Voetnoten:*: Om in herinnering te brengen wat in vorige hoofdstukken is gezegd: Heer Râma verscheen in de sûrya-vams'a van Iksvâku ofwel de zonnedynastie en Heer Krishna verscheen in de candra-vams'a ofwel de maan-dynastie.
**: Een bijkomend vers in dit hoofdstuk van het S'rîmad Bhâgavatam wordt door de Madhvâcârya-sampradâya, vertegenwoordigd door Vijayadhvaja Tîrtha aanvaard. Het vers luidt als volgt:
atha kamsam upâgamya
nârado brahma-nandanah
ekântam upasangamya
vâkyam etad uvâca ha
Woord-voor-woord:
atha: op deze manier; kamsam: jegens Kamsa; upâgamya: na te gaan; nâradah: de grote wijze Nârada; brahma-nandanah: die de zoon is van Brahmâ; ekântam upasangamya: nadat hij naar een zeer afgelegen plek ging; vâkyam: de volgende instructie; etat: deze; uvâca: zei; ha: in het verleden.
Vertaling:
"Daarna benaderde Nârada, de geestelijke zoon van Heer Brahmâ, Kamsa en stelde hij hem, op een zeer afgelegen plaats, op de hoogte van het volgende nieuws."***: Svâmî Prabhupâda geeft als commentaar: 'Voorheen had een Asura genaamd Kâlanemi zes zoons, genaamd Hamsa, Suvikrama, Krâtha, Damana, Ripurmardana en Krodhahantâ. Ze stonden bekend als de Shad-garbha's, of zes Garbha's, en zij waren allen even machtig en bedreven in militaire aangelegenheden. Deze Shad-garbha's gaven de omgang op met Hiranyakas'ipu, hun grootvader, en ondergingen zware boetedoeningen om Heer Brahmâ tevreden te stemmen, die, toen dat naar zijn genoegen was, instemde hen welke gunst ze ook maar verlangden te verlenen. Toen hen door Heer Brahmâ werd gevraagd te zeggen wat ze wilden, gaven de Shad-garbha's ten antwoord: "Beste Heer Brahmâ, als u ons een gunst wilt verlenen, schenk ons dan de zegen dat we niet zullen worden gedood door welke halfgod, Mahâ-roga, Yaksha, Gandharva-pati, Siddha, Cârana of menselijk wezen dan ook, noch door grote wijzen die volmaakt zijn in hun boetedoeningen en verzakingen." Brahmâ begreep waar ze op uitwaren en vervulde hun wens. Maar toen Hiranyakas'ipu achter deze gang van zaken kwam, was hij zeer kwaad op zijn kleinzoons. "Jullie hebben de omgang met mij opgegeven en zijn vertrokken om Heer Brahmâ te aanbidden" zei hij, "en daarom koester ik geen enkele genegenheid meer voor jullie. Jullie hebben geprobeerd jezelf te redden uit handen van de halfgoden, maar ik vervloek jullie op deze manier: Jullie vader zal geboorte nemen als Kamsa en jullie allen ter dood brengen omdat jullie geboorte zullen nemen als de zoons van Devakî." Vanwege die vloek, moesten de kleinzoons van Hiranyakas'ipu geboorte nemen uit de schoot van Devakî en door Kamsa worden omgebracht, hoewel hij voordien hun vader was geweest. Deze beschrijving staat vermeld in de Hari-vams'a, Vishnu-parva, tweede Hoofdstuk. Overeenkomstig de commentaren van de Vaishnava-toshanî, was de zoon van Devakî die bekend stond als Kîrtimân de derde incarnatie. In zijn eerste incarnatie stond hij bekend als Smara en was hij de zoon van Marîci, en later werd hij de zoon van Kâlanemi. Zo staat het vermeld in de geschiedenissen.'
Voor
deze vertaling werd het enige deel dat Svâmî
Prabhupâda van het tiende Canto schreef
gebruikt.
Zie de
S'rîmad
Bhâgavatam linkspagina.
voor een download van dit boek en andere boeken van
Prabhupâda.
De eerste afbeelding is getiteld: 'The Story if Krishna's birth',
page from the tenth book of the Bhagavata Purana. Bron:
Ackland
Art Museum.
De tweede afbeelding is getiteld: 'Narada at the Court of Kamsa'. c
1750. Bron.
Productie: de Filognostische
Associatie
van De
Orde van de Tijd.