
Canto
4
Hoofdstuk 29: De Conversatie van Nârada en Koning Prâcînabarhi
(1) Koning Prâcînabarhi zei: 'O mijn Heer, uw woorden doemen nooit perfect op voor ons geestesoog; zij die bedreven zijn kunnen doorgronden wat ze werkelijk betekenen, maar wij die bekoord zijn door vruchtdragende handelingen komen nooit tot het volle begrip van hen.'
(2) Nârada zei: 'De persoon van Purañjana ['hij die de stad geniet die het lichaam is'] moet worden gezien als de schepper van zijn eigen situatie van het zich ophouden in een één- [een geest], een twee-, een drie- [als met het hebben van een stok] of vierbenig lichaam ofwel een lichaam met vele benen of helemaal geen benen. (3) De eeuwige vriend en meester van de persoon is Hij, die ik beschreef als zijnde onbekend omdat Hij door de levende wezens nooit [geheel] wordt begrepen met namen of handelingen en kwaliteiten [vergelijk Adhokshaja]. (4) Met het verlangen van de persoon, te genieten van het geheel van de geaardheden der natuur, bedacht hij dat het hebben van negen poorten, twee benen en twee handen aldus zeer goed uit zou komen. (5) De intelligentie moet men dan zien als de jonge vrouw [pramadâ of Purañjanî] die verantwoordelijk is voor het 'ik' en 'mijn' van haar werking in het beschutting zoeken in het lichaam, waarmee dit levend wezen, met de zinnen naar de geaardheden der natuur, lijdt en geniet. (6) Haar vrienden zijn dat wat wordt gedaan door de zintuigen van kennis en handelen, de vriendinnen zijn dat waar de zintuigen mee bezig zijn [vorm, smaak, geluid, geur en aanraking], terwijl de levensadem in zijn vijf vormen [de opgaande (udana), de neergaande (apâna), de expanderende (vyâna), de balancerende (samâna) en de hooggehouden adem (prânavâyu)] is als de slang. (7) De geest moet men zien als de o zo machtige leider van de twee groepen van de zinnen en het koninkrijk Pañcâla als de vijf bereiken van de zinnen temidden waarvan de stad met de negen openingen wordt aangetroffen. (8) De twee ogen, twee neusgaten, twee oren, de mond, de geslachtsorganen en het rectum zijn alzo de paarsgewijze poorten die naar buiten voeren en waar men onder begeleiding van de zinnen doorheen gaat. (9) De twee ogen, de neusgaten en de mond worden aldus begrepen als de vijf poorten aan de voorkant [het oosten], met het rechter oor als de poort op het zuiden en het linker oor als de poort op het noorden, terwijl beneden in het westen de twee poorten van het rectum en het geslachtsdeel worden verondersteld zich te bevinden. (10) Zij die Khadyotâ en Âvirmukhî worden genoemd en op één plaats waren aangebracht, zijn de ogen waarmee de meester met zijn gezichtsvermogen de vorm genaamd Vibhrâjita kan waarnemen ['dat wat duidelijk wordt gezien', zie 4.25: 47]. (11) Zij die Nalinî en Nâlinî worden genoemd vertegenwoordigen de twee neusgaten naar het aroma van wat Saurabha werd genoemd. De Avadhûta was de reukzin. Mukhyâ was de mond, met het spraakvermogen genaamd Vipana en de smaakzin die Rasajña heette [zie 4.25: 48-49]. (12) Âpana betrof de zaken van de tong en Bahûdana de verscheidenheid aan voedingsmiddelen, met het rechteroor genaamd Pitrihû en het linker dat Devahû genoemd werd [zie 4.25: 49-51]. (13) Met het zich begeven naar [het zuiden en noorden van] Pañcâla met de metgezel van het horen genaamd S'rutadhara, kan men worden verheven naar Pitriloka en naar Devaloka door [respectievelijk] het proces van het genieten der zinnen en de onthechting overeenkomstig de geschriften. (14) Met de opening van het rectum genaamd Nirriti is het geslachtsdeel, genaamd Âsurî, er als de poort voor de onzin en de wellustige gewone man [in Grâmaka levend] die, met hem die Durmada wordt genoemd, zich aangetrokken voelt tot de geslachtsdaad [zie 4.25: 52-53]. (15) Vais'asa betekent de hel met hem die Lubdhaka werd genoemd en de blinden, waar je toen ook over vernam van mij, zijn de benen en handen waarmee de mensen zich aan hun werk zetten [zie 4.25: 53-54]. (16) Zo is, daaropvolgend, het privéverblijf het hart en is de dienaar genaamd Visûcîna het denken waarmee er, zoals men dat zegt, naar het materiële van de natuur, de illusie, bevrediging of viering is die erbij hoort. (17) Op het moment dat het denken wordt geprikkeld, handelend in verband met de geaardheden, imiteert het [zoals Purañjana die zijn koningin navolgde, zie 4.25: 56], teneinde eraan gelijk te zijn, de bezigheden van de intelligentie van de ziel die de waarnemer is.
(18-20) Het lichaam is enkel de strijdwagen, de zinnen zijn voor de jaren van iemands leven de paarden die in feite niet vooruit komen, de twee wielen zijn de activiteiten van baat en vroomheid, de vanen de drie geaardheden der natuur en de vijf van de adem zijn de gebondenheid. De teugel is de geest, de intelligentie de wagenmenner, de zitplaats is het hart, de dualiteit wordt gevormd door de posten voor de harnassen, de vijf zinsobjecten zijn de wapens en de zeven bedekkingen zijn de fysieke elementen [van nagels, huid, vet, vlees, bloed, been, en merg]. De vijf bedoelingen zijn de uitwendige processen waarnaar de elf soldaten van de zinnen [de geest en de vijf organen van handelen en de waarneming] zich schikken in het valse streven en de afgunst van het gaan voor het genoeglijke [zie nogmaals: 4.26: 1-3]. (21) De tijd van een jaar werd Candavega genoemd, waartoe het voorbijgaan van de driehonderdzestig mannen en vrouwen van de hemel de dagen en de nachten symboliseerden die de levensduur bekorten die men op deze aarde heeft [zie 4.27: 13]. (22) De oude dag van alle levende wezens stond model voor de dochter van de Tijd die bij niemand welkom was en die door de koning der Yavana's, die voor dood en vernietiging was, werd aangenomen als zijn schoonzus [zie 4.7: 19-30]. (23-25) Zijn volgelingen, de Yavana soldaten vertegenwoordigen de verstoringen van de geest en het lichaam die ten tijde van het lijden van de levende wezens zeer snel aan de macht komen met Prajvâra in de vorm van de twee soorten van koorts [heet en koud, fysiek en mentaal conflict]. Aldus is hij die verblijft in het lichaam dat wordt bewogen door de materiële wereld, voor een honderdtal jaren onderworpen aan verschillende soorten van beproevingen veroorzaakt door de natuur, andere levende wezens en hemzelf. Foutief de kenmerken van de levenskracht, de zinnen en de geest toeschrijvend aan de ziel, houdt hij, hoewel bovenzinnelijk van aard, zich op met fragmentarische zinsgenoegens, mediterend op het 'ik' en 'mijn' van zichzelf als zijnde degene die handelt. (26-27) Als de persoon de Allerhoogste Ziel vergeet, de Almachtige Heer die de hoogste leraar is, geeft hij zich vervolgens over aan de geaardheden der natuur om daarin zijn welzijn te vinden. Voortgedreven door de geaardheden is hij, daarop zich begevend in levens overeenkomstig zijn karma, daarbij van nature in beslag genomen door het verrichten van zijn vruchtdragende handelingen die van een witte [a-karma of dienst in goedheid], zwarte [vi-karma of slechte daden in onwetendheid] of rode aard zijn [regulier karma of werk met hartstocht voor het profijt; vergelijk B.G. 13: 22 en 4: 17]. (28) Somtijds gekenmerkt door het licht der goedheid bereikt men betere werelden, somtijds belandt men in de ellende met de hartstocht voor het werk en somtijds zich te buiten gaand in duisternis treft men zichzelf in de treurnis aan [zie B.G. 18a: 37-39].(29) Soms een man en soms een vrouw en soms geen van beide; dan weer verblind qua intelligentie, een menselijk wezen, dan weer een God en dan weer een dier, existeert men door zijn handelen naar de geaardheden der natuur, geboren al naar gelang het karma. (30-31) Als een zielige hond geplaagd door de honger die van huis tot huis rondzwerft om dan weer beloond en dan weer te worden gestraft naar gelang zijn lot, reikt dienovereenkomstig het levend wezen in het najagen van verschillende soorten van hogere en lagere verlangens tot het hoge en lage, of bewandelt hij de middenweg, overeenkomstig zijn lotsbestemming dat bereikend wat aangenaam is of niet zo aangenaam. (32) Hoewel tegenmaatregelen nemend, geconfronteerd met de verschillende soorten van misère zoals veroorzaakt door de natuur, door anderen of door hemzelf, is het voor het levend wezen niet mogelijk hen een halt toe te roepen. (33-34) Zoals men dat kan zien bij een man, die een zware last op zijn hoofd draagt en die last naar zijn schouder verplaatst, is dat alles wat hij in werkelijkheid doet omdat hij, o zondenloze, in illusie een droom tegenover een droom denkt te kunnen plaatsen. Er bestaat niet een enkelvoudige oplossing in het tegengaan van de ene handeling met de andere, alleen in het tegenwicht bieden aan hen beiden. (35) Zoals wat in een droom door het subtiele zelf voor de geest in scène wordt gezet niet werkelijk bestaat, is ook het spel zonder einde dat men speelt in de materiële wereld een notie waar men zich van moet afkeren. (36-37) Daarom is het zo dat het ware belang van de ziel eruit bestaat om van een zuivere toewijding te zijn voor datgene wat van de geestelijk leraar is, er komt anders geen einde aan de aaneenschakeling van ongewenste zaken in het materiële leven; het is in het beoefenen van bhakti-yoga jegens de Allerhoogste Heer Vâsudeva dat het resultaat wordt gevonden van het volledige van de kennis en de onthechting. (38) Dat, o beste der koningen, zal tot stand komen afhankelijk van de cultivering van iemands constante en gewetensvolle luisteren naar de vertellingen van de Onfeilbare.
(39-40) Op die plaats waar men de grote toegewijden aantreft, de heilige mensen breed van opvattingen wiens bewustzijn uit is op het regelmatig reciteren van en vernemen over de kwaliteiten van de Allerhoogste Heer, o Koning, daar vloeien in alle richtingen eromheen, ontspringend aan de monden van de groten, de talrijke stromen van nectar aangaande de handelingen van de doder van Madhu waaraan men zich lavend nimmer zat wordt. Met de aandacht van hun luisteren wordt men nooit geplaagd door honger, dorst, angst, weeklagen of illusie [vergelijk 3.25: 25]. (41) De ziel echter die in de conditionering naar haar plaats in de wereld verstoord is door die zaken, raakt, in deze oceaan niet gehecht aan de nectargelijke woorden van de Heer. (42-44) De vader der vaderen Brahmâ en ook rechtstreeks de machtigsten, zoals Heer S'iva, Manu, en de bestuurders der mensheid met Daksha aan het hoofd, de gestrenge celibatairen zoals Sanaka, Marîci, Atri en Angirâ, Pulastya, Pulaha, Kratu, Bhrigu en Vasishthha, met mij die hun rijen sluit, worden zo allen geleid door de kennis van het Absolute. Hoewel we tot op de dag van vandaag door meditatie meesters zijn in het vertoog, met het in acht nemen van de versoberingen en de kennis, zien we niet de Ziener Zelve, de Beheerser in het voorbije. (45) Bezig met het luisteren naar het oneindige van de geestelijke kennis en met het in mantra's bezingen van de heerlijkheden van het enorm uitgebreide van de deelvermogens [de halfgoden], kent men niet het Allerhoogste. (1a, 1b) [zie voetnoot 1] Wat dan zou het verschil zijn tussen dieren en menselijke wezens als de intelligentie van allen zo zeker berust op de dierlijke handhaving van het lichaam? Na zovele geboorten hier een menselijk leven bereikt te hebben, zal, na het opgeven van de onjuiste waarneming een grofstoffelijk of subtiel lichaam te zijn, op het pad van de geestelijke kennis dat fysieke verzaakt hebbend, dan de individuele ziel naar voren treden. (46) Als Hij die genadevol gunsten verleent, de Allerhoogste Heer, door een ziel wordt gerealiseerd geeft zo iemand, aldus eveneens gefixeerd op het vedische, zijn bedoelingen in de richting van de wereld op.
(47) O mijn beste Prâcînabarhishat, geef derhalve nimmer onwetend toe aan het schadelijke voordeel van vruchtdragend handelen denkend dat dat het doel van het leven is en probeer nooit enkel het oor te behagen zonder het ware belang te raken [vergelijk B.G. 2: 42-43]. (48) Niet in contact met de Werkelijkheid spreken de minder intelligenten over de vier Veda's zo vol van ritueel en ceremonieel; dergelijke mensen zijn er nimmer zeker van waar hun thuis, God, Janârdana [Vishnu, Krishna als de overwinnaar van de weelde] is. (49) Met uw [u en uw zonen de Pracetâ's] gezamenlijk het aangezicht van de aarde bedekt hebben met het kus'a gras wijzend naar het oosten [zie 4.24: 10], ontleent u grote trots aan al het doden [van de offerdieren] en denkt u van uzelf dat u zeer belangrijk bent, maar u weet niet welk werk u te doen staat, welke arbeid die Allerhoogste Persoonlijkheid van God, de werkelijkheid waarmee men de begeleiding vindt die gezond verstand geeft, tevreden zou stellen. (50) De Allerhoogste Persoonlijkheid is Zelf de Superziel van allen die een materieel lichaam hebben aangenomen; Hij is de Beheerser van de materiële natuur; Zijn voeten vormen de toevlucht waarvan alle mensen in deze wereld hun geluk vinden. (51) Hij voor wie de Allerhoogste Ziel het meest dierbaar is, voor wie Hij door wie men niet de geringste angst kent op de eerste plaats komt, is aldus iemand die gegarandeerd geschoold is; hij die aldus gevormd is is een geestelijk leraar zo goed als de Heer.'
(52) Nârada zei: 'Alzo ben ik er zeker van al uw vragen beantwoord te hebben, o man van wijsheid, luister nu naar de volmaakte realisatie die ik u nu ga toevertrouwen. (53) Stelt u zich een hert voor dat veilig zijn gras staat te grazen in een veld vol bloemen. Het is gehecht in het zich verenigd weten met zijn wijfje. In zijn oren heeft hij de bekoring van het lied van hommels, maar hij is zich er niet van bewust dat voor hem tijgers leven die leven ten koste van anderen en dat er van achter een jager is die het hert met pijlen dreigt te doorboren. (54) De bloemen zijn precies als de vrouw in het algemeen waarbij het zoete aroma van de bloemen is als de beschutting van het huishoudelijk leven dat zich nog het meest kenmerkt door het fragmentarische van zijn zinsbevrediging. Men heeft aldus, te beginnen bij de echtgenote en altijd verzonken in de gedachten van de hang naar sex, zijn verlangens vervuld. De prettige geluiden van het aantal hommels dat zo aangenaam is voor de oren om te horen, zijn gelijk de praatjes die men te horen krijgt van anderen te beginnen wederom met de echtgenote. De groep tijgers van voren zijn als al de momenten van de dagen en nachten die, onopgemerkt in het genieten van het huishouden, iemands levensduur bekorten. En van achteren, er zich van verzekerend niet te worden gezien, sluipt de jager naderbij, de opzichter van de dood door wiens pijl in deze wereld iemands hart wordt doorboord. U moet zichzelf in dezen zien als degene wiens hart wordt doorboord, o Koning. (55) Verplaats u in het bewustzijn van dat hert in actie en geef het op gefixeerd te zijn in dat wat u in uw hart koestert. Geef dat idee van een huishoudelijk leven op dat zo abominabel vol is van sexuele beslommeringen en wees enkel uit op de zwaangelijke beschutting [van de zelf-gerealiseerden], geleidelijk aan onthecht rakend.'
(56) De koning zei: 'O grootste der brahmanen, in overweging van dat waarover ik u hoorde spreken, moet ik zeggen dat ik daar geen weet van had; waarom is het zo dat mijn leraren, als ze het begrepen hadden, me er niet over hebben verteld? (57) Maar mijn twijfels hierover, o brahmaan, hebt u al doende weggenomen. Zelfs zij die ervaren zijn zijn inderdaad begoocheld over dingen die niet de activiteiten van de zinnen betreffen. (58) Iemand die zijn lichaam opgeeft om een ander in een volgend leven te genieten, moet de gevolgen onder ogen zien van de baatzuchtige arbeid die hij in dit leven in gang heeft gezet. (59) Aldus verneemt men van de bewering der geleerden die luidt dat, van alles wat men zich zo vast heeft voorgenomen in het leven, men niet meteen de consequentie inziet of kent.'
(60) Nârada zei: 'Van het karma dat een persoon op zich neemt moet het gevolg in een leven erna onder ogen worden gezien, omdat er aan dat wat het zijne is, aan zijn bewijs van leven [het subtiele lichaam of de linga] en de geest die erbij hoort, niets veranderd is. (61) Zoals een persoon in bed liggend en ademhalend, loslatend in de geest [dromend] de handelingen ondergaat waar hij zich mee inliet, zo ook vergaat het hem in een ander soortgelijk lichaam of in een andere soort van belichaming [als hond of varken gereïncarneerd zijnde wellicht]. (62) Wat dit 'Mijn' van de geest ook allemaal moge zijn in de aanname van een 'Ik', neemt het wezen met zich mee terwille van de werklast die werd bereikt en waarmee het wederom het materiële bestaan binnengaat. (63) Zoals men een geestesstaat ontleent aan wat men zintuiglijk ervaart en wat men er in reactie op doet, is men overeenkomstig geestelijk gekenmerkt door toeneigingen als gevolg van de handelingen van een lichaam in een voorgaand leven. (64) Soms kunnen zich voor het geestesoog gedaanten van welke soort ook voordoen; dat kan ieder willekeurig moment gebeuren zonder dat die beelden ooit eerder zijn gehoord, gezien of ervaren. (65) Daarom o Koning geloof me als ik u zeg dat voor een levend wezen, met het bewijs van leven voortgebracht in een vorig lichaam, geen enkel ding in staat is zich in de geest op te werpen dat niet al eens eerder werd geprobeerd, ervaren of begrepen. (66) De geest van een mens geeft aan welke gedaanten hij had in het verleden zowel als, al het beste zij u toegewenst, welke geboorte hij vervolgens zal nemen en aldus met zekerheid ook waarin hij niet zal worden geboren. (67) Overeenkomstig de visie die men bij tijden heeft in de geest, van dingen die men nooit heeft gehoord of gezien in dit leven, kan iemands handelen naar gelang de tijd en plaats [in het verleden en de toekomst] worden begrepen. (68) Ieder ding dat door alle belichaamde wezens begiftigd met een geest wordt waargenomen via de zinnen, kan zich op verschillende manieren van opeenvolgend ordenen [of in diverse soorten van logica of individuele gezichtspunten] opwerpen [in de geest] en weer verwijnen. (69) Standvastig in een geest van goedheid in toewijding tot de Fortuinlijke, staat men voortdurend aan Zijn kant [echter], zoals men nog steeds een maan heeft ook al is die verduisterd, en openbaart, aldus verbonden zijnd [in relatie tot het duistere van de materie], zich de schittering van deze wereld. (70) Dit alzo niet 'ik' en 'mijn' van het bewustzijn is van de persoon gescheiden zolang als de eeuwige inwoner [in de vorm van het subtiele lichaam] een afzonderlijke structuur van materiele kwaliteiten vormt van intelligentie, geest, zinnen en zinsobjecten. (71) In diepe slaap, als men flauw valt of als men in een shocktoestand verkeert, denkt men, met het stilvallen van de ademhaling, niet aan een 'ik'; en ook heeft men ook niet een dergelijke notie als men hoge koorts heeft of als men dood gaat. (72) Ook in de baarmoeder en tijdens iemands kindertijd wordt, vanwege onvolwassenheid, het ego [het subtiele lichaam] in de vorm van de tien zinnen en de geest niet waargenomen door die jongere, precies zoals de maan niet wordt gezien als die nieuw is. (73) Zeker is dat, met de zinsobjecten niet aanwezig voor de geest, het materiële universum niet ophoudt te bestaan als een levend wezen op hen mediteert in een droom als een vertoning van ongewenste zaken. (74) De geconditioneerde [individuele] ziel wordt begrepen als de combinatie van de levenskracht met het in zestien geëxpandeerde bewijs van leven [de linga] van de vijf vormen [de vijf objecten van de zinnen, de vijf werkende en kennende zinnen en de geest] die onder de invloed verkeren van de drie geaardheden. (75) Zo zijnd, komt de persoon, met het verwerven van materiële lichamen en het ze weer opgeven, bij het grove van de vorm, zowel tot plezier, weeklagen, angst, misère als geluk [vergelijk B.G. 2: 13]. (76-77) Zoals met een rups, die niet vertrekt met het vinden van zijn einde als het zelfs de identificatie met zijn lichaam moet opgeven [om een vlinder te worden], krijgt een mens niet een andere geest met het beëindigen van zijn vruchtdragende handelingen, daar de geest de heerser over de mens is, de oorzaak van het materiële bestaan van alle levende wezens. (78) Als men denkt aan de genoegens beleefd door de zintuigen, zijn, met de voortzetting van materiële zaken, de handelingen volbracht altijd onderhevig aan de illusie van het gebonden zijn aan het karma van het materiële lichaam [zie B.G. 3: 9]. (79) Ga dat daarom tegen door, met alles wat u in u hebt, u bezig te houden met toegewijde dienst aan de Heer, daarbij de kosmische manifestatie beschouwend als staande onder controle van de Ene van wie men handhaving, schepping en vernietiging heeft. [zie voetnoot 2] (1a) In toewijding tot Krishna, van genade jegens anderen en in volmaakte kennis van het Ware Zelf, zal het zo zijn dat er dan de bevrijding ontstaat uit de gebondenheid van het materiële leven. (1b) Het grote mysterie van dit alles is dat, met wat rechtstreeks wordt waargenomen en met wat nog valt te bezien, het materiële bestaan wordt weggevaagd als tijdens iemands slaap; met andere woorden, dat wat zich heeft afgespeeld, het heden en de toekomst is zelf een droom.'
(80) Maitreya zei: 'Nadat de machtigste, belangrijkste toegewijde Nârada had uitgeweid over de positie van het Zuivere en het leven daaromtrent, liet hij hem [de koning] achter, vertrekkend naar de wereld van de volmaakten [Siddhaloka]. (81) Prâcînabarhi, de wijze koning, na instructies te hebben achtergelaten dat zijn zoons de zorg voor de gewone man op zich moesten nemen, vertrok toen naar de geestelijke verblijfplaats van Kapila voor zijn verzakingen [te Gangâ-sâgara, daar waar de Ganges uitloopt in de baai van Bengalen, zie voor Kapila Canto 3.24-33]. (82) Aldaar, met een eenpuntige geest sober levend aan de lotusvoeten van Govinda, bevrijdde hij, onophoudelijk zingend, zichzelf van zijn gehechtheden daarbij door zijn toewijding de gelijkheid in de Werkelijkheid bereikend. (83) O smetteloze, een ieder die verneemt van of deze gezaghebbende geestelijke lering zoals verteld door Nârada vermag te beschrijven, zal verlossing vinden van het lichamelijk begrip van het leven. (84) Zij, genomen van de mond van de belangrijkste godheid der wijsheid, zal, eenmaal geuit, het hart van een ieder zuiveren, daar zij deze wereld heiligt met de faam van de Heer der Bevrijding Mukunda. Hij die het zingt zal terugkeren naar de geestelijke wereld en, bevrijd van alle gebondenheid, als bevrijde ziel niet langer rondwaren in deze materiële wereld. (85) Het wonderbaarlijke en bovenzinnelijke van dit mysterie waarover u hier van mij hebt vernomen, en dat gaat over een persoon [Purañjana] die bij zijn vrouw zijn toevlucht zocht, maakt een einde aan alle twijfels over een leven na de dood.'
Zie ook: Reïncarnatie discussie
Tweede editie, geladen 11 december, 2006.
Bronteksten:
Nârada spreekt met koning Prâcînabarhi
Koning Prâcînabarhi zei: 'O mijn Heer, uw woorden doemen nooit perfect op voor ons geestesoog; zij die bedreven zijn kunnen doorgronden wat ze werkelijk betekenen, maar wij die bekoord zijn door vruchtdragende handelingen komen nooit tot het volle begrip van hen.'Koning Prâcînabarhi antwoordde: O heer, we hebben de betekenis van uw allegorie over koning Purañjana niet helemaal kunnen vatten. Degenen wier geestelijke kennis volmaakt is, kunnen de betekenis ervan stellig begrijpen, maar wij, die overmatig gehecht zijn aan baatzuchtige activiteiten, kunnen de bedoeling van uw verhaal heel moeilijk doorzien (Vedabase).
Nârada zei: 'De persoon van Purañjana ['hij die de stad geniet die het lichaam is'] moet worden gezien als de schepper van zijn eigen situatie van het zich ophouden in een één- [een geest], een twee-, een drie- [als met het hebben van een stok] of vierbenig lichaam ofwel een lichaam met vele benen of helemaal geen benen.
De grote wijze Nârada Muni vervolgde: U moet begrijpen dat Purañjana, het levend wezen, als gevolg van zijn eigen activiteiten naar verschillende soorten lichamen verhuist, die soms één been, soms twee benen, drie benen, vier benen, een heleboel benen, of helemaal geen benen hebben. Van het ene lichaam naar het andere verhuizend, verbeeldt het levend wezen zich dat hij de genieter is, Purañjana (Vedabase).
De eeuwige vriend en meester van de persoon is Hij, die ik beschreef als zijnde onbekend omdat Hij door de levende wezens nooit [geheel] wordt begrepen met namen of handelingen en kwaliteiten [vergelijk Adhokshaja].
Degene die ik als de onbekende heb beschreven, is de Allerhoogste Godspersoon, de meester en eeuwige vriend van het levend wezen. Aangezien de levende wezens de Allerhoogste Godspersoon niet kunnen realiseren door middel van materiële namen, activiteiten of eigenschappen, blijft Hij eeuwig onbekend voor de geconditioneerde ziel (Vedabase).
Met het verlangen van de persoon, te genieten van het geheel van de geaardheden der natuur, bedacht hij dat het hebben van negen poorten, twee benen en twee handen aldus zeer goed uit zou komen.
Wanneer het levend wezen van de totaliteit van de geaardheden der materiële natuur wil genieten, aanvaardt hij van alle lichaamsvormen bij voorkeur het lichaam met negen poorten, twee handen en twee benen. Met andere woorden: hij verkiest het om een mens of een halfgod te worden (Vedabase).
De intelligentie moet men dan zien als de jonge vrouw [pramadâ of Puranjani] die verantwoordelijk is voor het 'ik' en 'mijn' van haar werking in het beschutting zoeken in het lichaam, waarmee dit levend wezen, met de zinnen naar de geaardheden der natuur, lijdt en geniet.
De grote wijze Nârada vervolgde: Het woord pramadâ dat in dit verband genoemd wordt, heeft betrekking op materiële intelligentie oftewel onwetendheid. Dat is de manier waarop men dit woord dient te begrijpen. Wie zijn toevlucht zoekt bij dit soort intelligentie, identificeert zich met het lichaam. Onder invloed van het materiële "ik"- en "mijn"-bewustzijn, begint men leed en genot te ervaren door middel van zijn zintuigen. Aldus raakt het levend wezen verstrikt (Vedabase).
Haar vrienden zijn dat wat wordt gedaan door de zintuigen van kennis en handelen, de vriendinnen zijn dat waar de zintuigen mee bezig zijn [vorm, smaak, geluid, geur en aanraking], terwijl de levensadem in zijn vijf vormen [de opgaande (udana), de neergaande (apâna), de expanderende (vyâna), de balancerende (samâna) en de hooggehouden adem (prânavâyu)] is als de slang.
De vijf actieve zinnen en de vijf kennisverwervende zinnen zijn alle vrienden van Purañjana. Ze helpen het levend wezen bij het verwerven van kennis en het verrichten van activiteiten. De activiteiten van de zinnen zijn Puranjanî's vriendinnen, en de slang, waarvan gezegd is dat hij vijf koppen heeft, is de levenslucht die op vijf verschillende manieren circuleert (Vedabase).
De geest moet men zien als de o zo machtige leider van de twee groepen van de zinnen en het koninkrijk Pañcâla als de vijf bereiken van de zinnen temidden waarvan de stad met de negen openingen wordt aangetroffen.
De elfde dienaar, die de baas van alle andere is, kent hem als de geest. Hij is de leider van de zinnen, zowel bij het verwerven van kennis als bij het uitvoeren van werk. Het Pañcâla-koninkrijk is de omgeving waar men van de vijf zinsobjecten geniet. In dat Pañcâla-koninkrijk ligt de stad van het lichaam met zijn negen poorten (Vedabase).
De twee ogen, twee neusgaten, twee oren, de mond, de geslachtsorganen en het rectum zijn alzo de paarsgewijze poorten die naar buiten voeren en waar men onder begeleiding van de zinnen doorheen gaat.
De ogen, de neusgaten en de oren zijn als drie dubbele poorten. Daarbij komen nog de mond, het geslachtsdeel en het rectum. Het levend wezen, dat zich in een lichaam met deze negen poorten bevindt, is actief in de externe, materiële wereld en geniet van zinsobjecten zoals vorm en smaak (Vedabase).
De twee ogen, de neusgaten en de mond worden aldus begrepen als de vijf poorten aan de voorkant [het oosten], met het rechter oor als de poort op het zuiden en het linker oor als de poort op het noorden, terwijl beneden in het westen de twee poorten van het rectum en het geslachtsdeel worden verondersteld zich te bevinden.
De twee ogen, de twee neusgaten en de mond - alles bij elkaar vijf poorten - bevinden zich aan de voorkant. Het rechteroor vertegenwoordigt de zuidelijke poort en het linkeroor de noordelijke poort. De twee gaten of poorten aan de westelijke zijde, zijn het rectum en het geslachtsdeel (Vedabase).
Zij die Khadyotâ en Âvirmukhî worden genoemd en op één plaats waren aangebracht, zijn de ogen waarmee de meester met zijn gezichtsvermogen de vorm genaamd Vibhrâjita kan waarnemen ['dat wat duidelijk wordt gezien', zie 4.25: 47].
De twee poorten Khadyotâ en Âvirmukhî, die ik reeds heb besproken, zijn de twee ogen die zich vlak naast elkaar bevinden. De stad Vibhrâjita vertegenwoordigt vorm. Op die manier zijn de ogen voortdurend bezig met het kijken naar verschillende vormen (Vedabase).
Zij die Nalinî en Nâlinî worden genoemd vertegenwoordigen de twee neusgaten naar het aroma van wat Saurabha werd genoemd. De Avadhûta was de reukzin. Mukhyâ was de mond, met het spraakvermogen genaamd Vipana en de smaakzin die Rasajña heette [zie 4.25: 48-49].
De twee deuren Nalinî en Nâlinî vertegenwoordigen de twee neusgaten, en de stad Saurabha vertegenwoordigt geur. De metgezel die Avadhûta wordt genoemd, is het reukorgaan. De deur genaamd Mukhyâ is de mond, en Vipana is het spraakvermogen. Rasajña is het vermogen om te proeven (Vedabase).
Âpana betrof de zaken van de tong en Bahûdana de verscheidenheid aan voedingsmiddelen, met het rechteroor genaamd Pitrihû en het linker dat Devahû genoemd werd [zie 4.25: 49-51].
De stad Âpana vertegenwoordigt het gebruik van de tong om te spreken, en Bahûdana is de verscheidenheid aan etenswaar. Het rechteroor noemt men de Pitrihû-poort, en het linkeroor de Devahûpoort (Vedabase).
Met het zich begeven naar [het zuiden en noorden van] Pañcâla met de metgezel van het horen genaamd S'rutadhara, kan men worden verheven naar Pitriloka en naar Devaloka door [respectievelijk] het proces van het genieten der zinnen en de onthechting overeenkomstig de geschriften.
Nârada Muni vervolgde: De stad die Dakshina-pañcâla werd genoemd, vertegenwoordigt de geschriften die er zijn om de mens leiding te geven in het proces van pravrtti, het streven naar zinsbevrediging door middel van baatzuchtige activiteiten. De andere stad, Uttara-pañcâla, vertegenwoordigt de geschriften die tot doel hebben baatzuchtige activiteiten te verminderen en kennis te vermeerderen. Het levend wezen ontvangt verschillende soorten kennis via zijn twee oren; sommige levende wezens worden op die manier naar Pitriloka bevorderd, en anderen naar Devaloka. Dit alles is mogelijk dankzij de oren (Vedabase).
Met de opening van het rectum genaamd Nirrti is het geslachtsdeel, genaamd Âsurî, er als de poort voor de onzin en de wellustige gewone man [in Grâmaka levend] die, met hem die Durmada wordt genoemd, zich aangetrokken voelt tot de geslachtsdaad [zie 4.25: 52-53].
De stad Grâmaka, die men binnengaat via de lagere poort genaamd Âsurî [het geslachtsdeel], is bedoeld voor seks, waar gewone mensen die niet meer zijn dan dwazen en schurken, zeer veel plezier aan beleven. Het voortplantingsvermogen noemt men Durmada, en het rectum heet Nirrti (Vedabase).
Vaisasa betekent de hel met hem die Lubdhaka werd genoemd en de blinden, waar je toen ook over vernam van mij, zijn de benen en handen waarmee de mensen zich aan hun werk zetten [zie 4.25: 53-54].
Wanneer er gezegd wordt dat Purañjana naar Vaisasa gaat, betekent dit dat hij naar de hel gaat. Hij wordt vergezeld door Lubdhaka, het actieve zintuig in het rectum. Voorheen heb ik eens over twee blinde metgezellen gesproken. Deze metgezellen symboliseren de handen en de benen. Met behulp van de handen en de benen verricht het levend wezen allerlei soorten werk en verplaatst zich van de ene plek naar de andere (Vedabase).
Zo is, daaropvolgend, het privéverblijf het hart en is de dienaar genaamd Visûcîna het denken waarmee er, zoals men dat zegt, naar het materiële van de natuur, de illusie, bevrediging of viering is die erbij hoort.
Het woord antah-pura heeft betrekking op het hart. Het woord visûcîna, "overal heengaand", duidt op de geest. In zijn geest ervaart het levend wezen het effect van de geaardheden der materiële natuur. Dit veroorzaakt soms illusie, dan voldoening, en dan weer uitbundige vreugde (Vedabase).
Op het moment dat het denken wordt geprikkeld, handelend in verband met de geaardheden, imiteert het [zoals Purañjana die zijn koningin navolgde, zie 4.25: 56], teneinde eraan gelijk te zijn, de bezigheden van de intelligentie van de ziel die de waarnemer is.
Ik heb al eerder uitgelegd dat de koningin de intelligentie van het levend wezen vertegenwoordigt. Tijdens het waken en het slapen, schept de intelligentie verschillende situaties. Onder invloed van zijn besmette intelligentie krijgt het levend wezen een bepaald idee, en volgt dat dan eenvoudigweg (Vedabase).Tekst 18-20:
Het lichaam is enkel de strijdwagen, de zinnen zijn voor de jaren van iemands leven de paarden die in feite niet vooruit komen, de twee wielen zijn de activiteiten van baat en vroomheid, de vanen de drie geaardheden der natuur en de vijf van de adem zijn de gebondenheid. De teugel is de geest, de intelligentie de wagenmenner, de zitplaats is het hart, de dualiteit wordt gevormd door de posten voor de harnassen, de vijf zinsobjecten zijn de wapens en de zeven bedekkingen zijn de fysieke elementen [van nagels, huid, vet, vlees, bloed, been, en merg]. De vijf bedoelingen zijn de uitwendige processen waarnaar de elf soldaten van de zinnen [de geest en de vijf organen van handelen en de waarneming] zich schikken in het valse streven en de afgunst van het gaan voor het genoeglijke [zie nogmaals: 4.26: 1-3].
Nârada Muni vervolgde: Wat ik het voertuig noemde, was in werkelijkheid het lichaam. De zintuigen zijn de paarden die dat voertuig trekken. Met het verstrijken van de tijd, rennen deze paarden jaar in jaar uit door, zonder enig oponthoud, maar in feite komen ze niet vooruit. Vrome en goddeloze activiteiten zijn de twee wielen van het voertuig. De drie geaardheden der materiële natuur zijn de vlaggen. De vijf verschillende levensluchten vertegenwoordigen de gebondenheid van het levend wezen, en de geest wordt vergeleken met de teugels. De intelligentie is de bestuurder. Het hart is de zitplaats in het voertuig, en de dualiteiten van het leven, zoals vreugde en verdriet, zijn de plaats waar men de paarden aan het voertuig bevestigt. De zeven elementen zijn de materialen waarmee het voertuig bekleed is, en de actieve zintuigen zijn de vijf uitwendige functies. De elf zinnen zijn de soldaten. Geabsorbeerd in zingenot, hunkert het levend wezen dat in het voertuig zit naar de vervulling van zijn valse verlangens, en jaagt leven na leven de bevrediging van zijn zinnen na (Vedabase).
De tijd van een jaar werd Candavega genoemd, waartoe het voorbijgaan van de driehonderdzestig mannen en vrouwen van de hemel de dagen en de nachten symboliseerden die de levensduur bekorten die men op deze aarde heeft [zie 4.27: 13].
Hetgeen ik voorheen Candavega heb genoemd, de machtige tijd, bestaat uit dagen en nachten, Gandharva's en Gandharvî's geheten. Door het verstrijken van de dagen en nachten, 360 in totaal, neemt de levensduur van het lichaam geleidelijk af (Vedabase).
De oude dag van alle levende wezens stond model voor de dochter van de Tijd die bij niemand welkom was en die door de koning der Yavana's, die voor dood en vernietiging was, werd aangenomen als zijn schoonzus [zie 4.7: 19-30].
Hetgeen ik Kâlakanyâ heb genoemd, symboliseert de ouderdom. Niemand wil de ouderdom aanvaarden, maar Yavanes'vara [Yavana-râja], de dood, beschouwt Jarâ [de ouderdom] als zijn zuster (Vedabase).
Zijn volgelingen, de Yavana soldaten vertegenwoordigen de verstoringen van de geest en het lichaam die ten tijde van het lijden van de levende wezens zeer snel aan de macht komen met Prajvâra in de vorm van de twee soorten van koorts [heet en koud, fysiek en mentaal conflict]. Aldus is hij die verblijft in het lichaam dat wordt bewogen door de materiële wereld, voor een honderdtal jaren onderworpen aan verschillende soorten van beproevingen veroorzaakt door de natuur, andere levende wezens en hemzelf. Foutief de kenmerken van de levenskracht, de zinnen en de geest toeschrijvend aan de ziel, houdt hij, hoewel bovenzinnelijk van aard, zich op met fragmentarische zinsgenoegens, mediterend op het 'ik' en 'mijn' van zichzelf als zijnde degene die handelt.
De volgelingen van Yavanes'vara [Yamarâja] worden de soldaten van de dood genoemd, en men kent ze als de diverse soorten leed die men ondergaat op het niveau van lichaam en geest. Prajvâra vertegenwoordigt de twee soorten koorts: een ervan wordt gekenmerkt door extreme hitte, en de ander door extreme kou - tyfus en longontsteking. Het levend wezen dat zich in het lichaam bevindt, ondergaat vele beproevingen die veroorzaakt worden door de voorzienigheid, door andere levende wezens en door zijn eigen lichaam en geest. Ondanks het feit dat het levend wezen allerlei beproevingen moet doorstaan en onderworpen is aan de behoeften van lichaam, geest en zintuigen en te lijden heeft onder verschillende ziekten, wordt hij meegesleept door vele plannen, die voortkomen uit de lust die hij voelt om van de wereld te genieten. Hoewel het levend wezen transcendentaal is aan dit materiële bestaan, aanvaardt hij al deze materiële ellende uit onwetendheid en vals ego ("ik" en "mijn"). op die manier leeft hij honderd jaar in dit lichaam (Vedabase).
Als de persoon de Allerhoogste Ziel vergeet, de Almachtige Heer die de hoogste leraar is, geeft hij zich vervolgens over aan de geaardheden der natuur om daarin zijn welzijn te vinden. Voortgedreven door de geaardheden is hij, daarop zich begevend in levens overeenkomstig zijn karma, daarbij van nature in beslag genomen door het verrichten van zijn vruchtdragende handelingen die van een witte [a-karma of dienst in goedheid], zwarte [vi-karma of slechte daden in onwetendheid] of rode aard zijn [regulier karma of werk met hartstocht voor het profijt; vergelijk B.G. 13: 22 en 4: 17].
Het levend wezen bezit van nature een heel klein beetje onafhankelijkheid om zijn eigen goede of slechte lot te bepalen, maar als hij zijn allerhoogste meester - de Godspersoon - vergeet, geeft hij zich over aan de geaardheden der materiële natuur. Onder invloed van de geaardheden der materiële natuur vereenzelvigt hij zich met het lichaam, en raakt gehecht aan verschillende activiteiten voor het belang van het lichaam. Soms wordt hij beïnvloed door de geaardheid onwetendheid, dan door de geaardheid hartstocht, en dan weer door de geaardheid goedheid. Op die manier krijgt het levend wezen onder invloed van de geaardheden der materiële natuur allerlei verschillende lichamen (Vedabase).
Somtijds gekenmerkt door het licht der goedheid bereikt men betere werelden, somtijds belandt men in de ellende met de hartstocht voor het werk en somtijds zich te buiten gaand in duisternis treft men zichzelf in de treurnis aan [zie B.G. 18a: 37-39].
Degenen die zich in de geaardheid goedheid bevinden, handelen vroom - overeenkomstig de vedische aanwijzingen. Op die manier verheffen ze zich naar de hogere planetenstelsels, waar de halfgoden wonen. Degenen die beïnvloed worden door de geaardheid hartstocht wijden zich aan diverse baatzuchtige activiteiten op de planetenstelsels die bewoond worden door de mensen. En degenen die onder invloed staan van de geaardheid der duisternis ondergaan verschillende vormen van ellende en leven in het dierenrijk (Vedabase).
Soms een man en soms een vrouw en soms geen van beide; dan weer verblind qua intelligentie, een menselijk wezen, dan weer een God en dan weer een dier, existeert men door zijn handelen naar de geaardheden der natuur, geboren al naar gelang het karma.
Bedekt door de geaardheid onwetendheid is het levend wezen in de materiële natuur soms een man, soms een vrouw of een eunuch, een mens, een halfgod, een vogel, een dier enzovoort. Op die manier zwerft hij door de materiële wereld. Zijn activiteiten onder invloed van de geaardheden der natuur bepalen de verschillende lichamen die hij zal aannemen (Vedabase).
Als een zielige hond geplaagd door de honger die van huis tot huis rondzwerft om dan weer beloond en dan weer te worden gestraft naar gelang zijn lot, reikt dienovereenkomstig het levend wezen in het najagen van verschillende soorten van hogere en lagere verlangens tot het hoge en lage, of bewandelt hij de middenweg, overeenkomstig zijn lotsbestemming dat bereikend wat aangenaam is of niet zo aangenaam.
Het levend wezen is te vergelijken met een hongerige hond, die van de ene deur naar de andere zwerft om wat voedsel te bedelen. Naargelang zijn lot wordt hij de ene keer gestraft en weggestuurd, en krijgt hij de andere keer wat te eten. Op dezelfde manier zwerft het levend wezen onder invloed van zijn vele verlangens naargelang zijn lot door verschillende levensvormen. Soms verwerft hij zich een hoge positie en dan valt hij weer diep naar beneden. De ene keer gaat hij naar de hemelse planeten, dan naar de hel, en dan weer naar de middenplaneten enzovoort (Vedabase).
Hoewel tegenmaatregelen nemend, geconfronteerd met de verschillende soorten van misère zoals veroorzaakt door de natuur,door anderen of door hemzelf, is het voor het levend wezen niet mogelijk hen een halt toe te roepen.
De levende wezens doen hun best om de ellendige omstandigheden die teweeggebracht worden door de voorzienigheid, door andere levende wezens of door het lichaam en de geest, te neutraliseren. Maar ondanks al hun pogingen om het effect van de natuurwetten ongedaan te maken, blijven ze toch door die wetten geconditioneerd (Vedabase).
Zoals men dat kan zien bij een man, die een zware last op zijn hoofd draagt en die last naar zijn schouder verplaatst, is dat alles wat hij in werkelijkheid doet omdat hij, o zondenloze, in illusie een droom tegenover een droom denkt te kunnen plaatsen. Er bestaat niet een enkelvoudige oplossing in het tegengaan van de ene handeling met de andere, alleen in het tegenwicht bieden aan hen beiden.
Als een man een last op zijn hoofd draagt, kan hij hem, als hij voelt dat hij te zwaar wordt, op zijn schouder zetten om zijn hoofd wat verlichting te geven. Op die manier probeert hij zijn last te verlichten. Welke methode hij daartoe echter ook verzint - het komt er uiteindelijk altijd op neer dat de last alleen maar van de ene plek naar de andere wordt verplaatst.Nârada vervolgde: O zondeloze! Weet dat niemand de gevolgen van baatzuchtige activiteiten teniet kan doen door eenvoudigweg een andere activiteit te verzinnen zonder daarbij Krishna-bewust te zijn. Al dat soort activiteiten komen voort uit onze onwetendheid. Als we een nare droom hebben, kunnen we die niet verhelpen met een soortgelijke hallucinatie. Het enige wat men tegen een nare droom kan doen, is wakker worden. Hetzelfde geldt voor ons materiële bestaan, dat het gevolg is van onze onwetendheid en illusie. Tenzij we wakker worden en tot Krishna-bewustzijn komen, kunnen we niet ontkomen aan dergelijke nachtmerries. Als we definitief een eind willen maken aan al onze problemen, moeten we ontwaken en Krishna-bewust worden (Vedabase).
Zoals wat in een droom door het subtiele zelf voor de geest in scène wordt gezet niet werkelijk bestaat, is ook het spel zonder einde dat men speelt in de materiële wereld een notie waar men zich van moet afkeren.
Soms lijden we omdat we in een droom een tijger voor ons zien, of doordat het beeld van een slang in ons opkomt; in werkelijkheid bestaat echter noch de tijger noch de slang. Op die manier scheppen we een bepaalde situatie op het subtiele niveau, en lijden onder de gevolgen daarvan. Dit leed kan niet worden verlicht tenzij we wakker worden uit onze droom (Vedabase).
Daarom is het zo dat het ware belang van de ziel eruit bestaat om van een zuivere toewijding te zijn voor datgene wat van de geestelijk leraar is, er komt anders geen einde aan de aaneenschakeling van ongewenste zaken in het materiële leven; het is in het beoefenen van bhakti-yoga jegens de Allerhoogste Heer Vâsudeva dat het resultaat wordt gevonden van het volledige van de kennis en de onthechting.
Het ware belang van het levend wezen is dat hij uit de onwetendheid raakt die er de oorzaak van is dat hij voortdurend geboren moet worden en sterven. De enige oplossing is dat hij zich overgeeft aan de Allerhoogste Godspersoon, via Zijn vertegenwoordiger. Tenzij men toegewijde dienst bewijst aan de Allerhoogste Godspersoon, Vâsudeva, is het onmogelijk om volkomen onthecht te raken van deze materiële wereld, of blijk te geven van ware kennis (Vedabase).
Dat, o beste der koningen, zal tot stand komen afhankelijk van de cultivering van iemands constante en gewetensvolle luisteren naar de vertellingen van de Onfeilbare.
O beste onder de koningen, wie gelovig is en voortdurend naar beschrijvingen van de heerlijkheid van de Heer luistert, wie altijd bezig is met het ontwikkelen van zijn Krishna-bewustzijn en naar verhalen luistert over de activiteiten van de Heer, komt er zeer spoedig voor in aanmerking om de Allerhoogste Godspersoon persoonlijk te zien (Vedabase).
Op die plaats waar men de grote toegewijden aantreft, de heilige mensen breed van opvattingen wiens bewustzijn uit is op het regelmatig reciteren van en vernemen over de kwaliteiten van de Allerhoogste Heer, o Koning, daar vloeien in alle richtingen eromheen, ontspringend aan de monden van de groten, de talrijke stromen van nectar aangaande de handelingen van de doder van Madhu waaraan men zich lavend nimmer zat wordt. Met de aandacht van hun luisteren wordt men nooit geplaagd door honger, dorst, angst, weeklagen of illusie [vergelijk 3.25: 25].
Mijn beste koning, als men de kans krijgt om de voortdurende stroom van nectar te horen die precies als de golven van een rivier is, op een plaats waar zuivere toegewijden wonen, die de regels en bepalingen naleven en daarom een zuiver bewustzijn hebben en met zeer veel enthousiasme naar verhalen over de heerlijkheid van de Heer luisteren en Zijn heerlijkheid ook bezingen, dan zal men de levensbehoeften zoals honger en dorst vergeten, en immuun worden voor allerlei vormen van angst, verdriet en illusie (Vedabase).
De ziel echter die in de conditionering naar haar plaats in de wereld verstoord is door die zaken, raakt in deze oceaan niet gehecht aan de nectargelijke woorden van de Heer.
Omdat de geconditioneerde ziel altijd verstoord wordt door lichamelijke behoeften zoals honger en dorst, heeft hij heel weinig tijd om gehechtheid te ontwikkelen voor het luisteren naar de nectar-gelijke woorden van de Allerhoogste Godspersoon (Vedabase).
De vader der vaderen Brahmâ en ook rechtstreeks de machtigsten, zoals Heer S'iva, Manu, en de bestuurders der mensheid met Daksha aan het hoofd, de gestrenge celibatairen zoals Sanaka, Marîci, Atri en Angirâ, Pulastya, Pulaha, Kratu, Bhrigu en Vasishthha, met mij die hun rijen sluit, worden zo allen geleid door de kennis van het Absolute. Hoewel we tot op de dag van vandaag door meditatie meesters zijn in het vertoog, met het in acht nemen van de versoberingen en de kennis, zien we niet de Ziener Zelve, de Beheerser in het voorbije.
De zeer machtige Heer Brahmâ, de vader van alle stamvaders; Heer S'iva; Manu, Daksha en de andere leiders der mensheid; de vier heilige brahmacârî's van de eerste orde, met Sanaka en Sanâtana aan het hoofd; de grote wijzen Marîci, Atri, Angirâ, Pulastya, Pulaha, Kratu, Bhrgu en Vasishthha; en mijn nederige persoon [Nârada], zijn allen strikte brâhmana's, die met autoriteit over de vedische geschriften kunnen spreken. Bovendien zijn we dankzij onze zelfdiscipline, meditatie en kennis zeer machtig. Ondanks dit alles en ondanks het feit dat we ons hebben ingelicht omtrent de Allerhoogste Godspersoon, die we altijd voor ons zien, weten we niet alles over Hem (Vedabase).
Bezig met het luisteren naar het oneindige van de geestelijke kennis en met het in mantra's bezingen van de heerlijkheden van het enorm uitgebreide van de deelvermogens [de halfgoden], kent men niet het Allerhoogste.
Halfgodenverering helpt iemand niet om de allerhoogste, machtige Godspersoon te begrijpen, ook al ontwikkelt men vedische kennis - die oneindig is - en ook al chant men de symbolen uit de vedische mantra's (Vedabase).
(1a, 1b) [zie voetnoot 1] Wat dan zou het verschil zijn tussen dieren en menselijke wezens als de intelligentie van allen zo zeker berust op de dierlijke handhaving van het lichaam? Na zovele geboorten hier een menselijk leven bereikt te hebben, zal, na het opgeven van de onjuiste waarneming een grofstoffelijk of subtiel lichaam te zijn, op het pad van de geestelijke kennis dat fysieke verzaakt hebbend, dan de individuele ziel naar voren treden.
Ook dieren kennen het verlangen om hun lichaam, vrouw en kinderen in stand te houden, en ze bezitten daartoe alle intelligentie. Als een mens alleen in dit opzicht gevorderd is, wat is dan het verschil tussen mens en dier? Men dient heel goed te begrijpen dat men dit mensenleven pas heeft gekregen na vele, vele malen geboren te zijn in het rad der evolutie. Een wijs mens die zowel grof als subtiel de op het lichaam gebaseerde levensbeschouwing opgeeft, zal - verlicht als hij is door geestelijke kennis - een opmerkelijke ziel worden, net zoals de Allerhoogste Heer.
Als Hij die genadevol gunsten verleent, de Allerhoogste Heer, door een ziel wordt gerealiseerd geeft zo iemand, aldus eveneens gefixeerd op het vedische, zijn bedoelingen in de richting van de wereld op.
Als iemand volkomen opgaat in toegewijde dienst, wordt hij begunstigd door de Heer, die hem Zijn grondeloze genade schenkt. Vanaf dat moment laat de ontwaakte toegewijde alle materiële activiteiten varen, evenals de riten die vermeld staan in de Veda's (Vedabase).
O mijn beste Prâcînabarhishat, geef derhalve nimmer onwetend toe aan het schadelijke voordeel van vruchtdragend handelen denkend dat dat het doel van het leven is en probeer nooit enkel het oor te behagen zonder het ware belang te raken [vergelijk B.G. 2: 42-43].
Mijn beste koning Barhismân, u moet zich nooit uit onwetendheid met vedische riten of baatzuchtige activiteiten inlaten, ook al vindt u het misschien aangenaam om er over te horen, of al lijken ze het hoogste eigenbelang te vertegenwoordigen. U mag dit nooit als het hoogste doel van het leven beschouwen (Vedabase).
Niet in contact met de Werkelijkheid spreken de minder intelligenten over de vier Veda's zo vol van ritueel en ceremonieel; dergelijke mensen zijn er nimmer zeker van waar hun thuis, God, Janârdana [Vishnu, Krishna als de overwinnaar van de weelde] is.
Zij die weinig intelligent zijn, beschouwen de vedische riten als het hoogste wat er is. Ze weten niet dat het doel van de Veda's erin bestaat dat men zijn eigen woonplaats doorgrondt, waar de Allerhoogste Godspersoon woont. Aangezien ze niet geïnteresseerd zijn in hun ware thuis, zijn ze begoocheld en zoeken ze naar andere woonplaatsen (Vedabase).
Met uw [u en uw zonen de Pracetâ's] gezamenlijk het aangezicht van de aarde bedekt hebben met het kus'a-gras wijzend naar het oosten [zie 4.24: 10], ontleent u grote trots aan al het doden [van de offerdieren] en denkt u van uzelf dat u zeer belangrijk bent, maar u weet niet welk werk u te doen staat, welke arbeid die Allerhoogste Persoonlijkheid van God, de werkelijkheid waarmee men de begeleiding vindt die gezond verstand geeft, tevreden zou stellen.
Mijn beste koning, u bent heel trots omdat de hele wereld bedekt is met de scherpe punten van het kus'a-gras, hetgeen betekent dat u vele verschillende dieren heeft gedood tijdens de offerceremonies. Door uw dwaasheid weet u niet dat toegewijde dienst de enige manier is om de Allerhoogste Godspersoon te plezieren. Dit feit kunt u niet begrijpen. U zou zich alleen met activiteiten moeten bezighouden die de Godspersoon plezieren. Het onderricht dat we ontvangen zou van dien aard moeten zijn dat we Krishna-bewust kunnen worden (Vedabase).
De Allerhoogste Persoonlijkheid is Zelf de Superziel van allen die een materieel lichaam hebben aangenomen; Hij is de Beheerser van de materiële natuur; Zijn voeten vormen de toevlucht waarvan alle mensen in deze wereld hun geluk vinden.
S'rî Hari, de Allerhoogste Godspersoon, is de Superziel en gids van alle levende wezens die een materieel lichaam hebben aanvaard in deze wereld. Hij is de allerhoogste bestuurder van alle activiteiten in de materiële natuur. Hij is tevens onze beste vriend, en iedereen zou zijn toevlucht moeten zoeken bij Zijn lotusvoeten. Wie dit doet, is verzekerd van een zegenrijk leven (Vedabase).
Hij voor wie de Allerhoogste Ziel het meest dierbaar is, voor wie Hij door wie men niet de geringste angst kent op de eerste plaats komt, is aldus iemand die gegarandeerd geschoold is; hij die aldus gevormd is is een geestelijk leraar zo goed als de Heer.'
Wie de Heer toegewijde dienst bewijst, kent niet de minste angst in het materiële bestaan. Dit komt omdat de Allerhoogste Godspersoon de Superziel is, en ieders vriend. Wie dit geheim kent, bezit ware kennis, en kan daarom de geestelijk leraar van de hele wereld worden. Iemand die werkelijk een bonafide geestelijk leraar is, een vertegenwoordiger van Krishna, is niet-verschillend van Krishna (Vedabase).
Nârada zei: 'Alzo ben ik er zeker van al uw vragen beantwoord te hebben, o man van wijsheid, luister nu naar de volmaakte realisatie die ik u nu ga toevertrouwen.
De grote heilige Nârada vervolgde: O sire, ik heb naar behoren antwoord gegeven op al uw vragen. Luister nu naar een ander verhaal dat de goedkeuring heeft van heilige personen en zeer vertrouwelijk is (Vedabase).
Stelt u zich een hert voor dat veilig zijn gras staat te grazen in een veld vol bloemen. Het is gehecht in het zich verenigd weten met zijn wijfje. In zijn oren heeft hij de bekoring van het lied van hommels, maar hij is zich er niet van bewust dat voor hem tijgers leven die leven ten koste van anderen en dat er van achter een jager is die het hert met pijlen dreigt te doorboren.
Mijn beste koning, stel u een hert voor, dat samen met zijn wijfje loopt te grazen in een prachtige bloementuin. Dat hert gaat met groot plezier op in zijn bezigheid, en hij geniet van het aangename gegons van de hommels in de tuin. Probeer zijn situatie te begrijpen. Hij is zich er niet van bewust dat er vóór hem een tijger staat, die gewoon is om andermans vlees te eten, en achter hem een jager, die zich klaarmaakt om hem met zijn scherpe pijlen te doorboren. Zijn dood is dus nabij (Vedabase).
De bloemen zijn precies als de vrouw in het algemeen waarbij het zoete aroma van de bloemen is als de beschutting van het huishoudelijk leven dat zich nog het meest kenmerkt door het fragmentarische van zijn zinsbevrediging. Men heeft aldus, te beginnen bij de echtgenote en altijd verzonken in de gedachten van de hang naar sex, zijn verlangens vervuld. De prettige geluiden van het aantal hommels dat zo aangenaam is voor de oren om te horen, zijn gelijk de praatjes die men te horen krijgt van anderen te beginnen wederom met de echtgenote. De groep tijgers van voren zijn als al de momenten van de dagen en nachten die, onopgemerkt in het genieten van het huishouden, iemands levensduur bekorten. En van achteren, er zich van verzekerend niet te worden gezien, sluipt de jager naderbij, de opzichter van de dood door wiens pijl in deze wereld iemands hart wordt doorboord. U moet zichzelf in dezen zien als degene wiens hart wordt doorboord, o Koning.
Mijn beste koning, vrouwen, die in het begin heel aantrekkelijk zijn en aan het eind zeer storend, zijn net als bloemen - in het begin aantrekkelijk en aan het eind afstotelijk. Door omgang met vrouwen raakt het levend wezen verstrikt in zijn lustige verlangens, en geniet hij van seks op dezelfde manier dat iemand van de geur van een bloem geniet. Zo leeft hij om zijn zinnen te bevredigen - van zijn tong tot en met zijn geslachtsdelen - en acht hij zichzelf heel gelukkig in zijn familieleven. Verenigd met zijn vrouw, denkt hij nergens anders aan. Hij beleeft veel plezier aan het gebabbel van zijn vrouw en kinderen, dat op het aangename gegons lijkt van hommels, die van bloem tot bloem gaan om honing te verzamelen. Hij vergeet de tijd die voor hem staat, en iedere dag en nacht iets van zijn levensduur wegneemt. Hij ziet niet dat zijn leven geleidelijk ten einde komt, en hij maakt zich evenmin zorgen om de heer des doods, die hem van achteren probeert te doden. Doe uw best om dit te begrijpen. U bevindt zich in een hachelijke situatie, want u wordt van alle kanten bedreigd (Vedabase).
Verplaats u in het bewustzijn van dat hert in actie en geef het op gefixeerd te zijn in dat wat u in uw hart koestert. Geef dat idee van een huishoudelijk leven op dat zo abominabel vol is van sexuele beslommeringen en wees enkel uit op de zwaangelijke beschutting [van de zelf-gerealiseerden], geleidelijk aan onthecht rakend.'
Mijn beste koning, probeer gewoon om de allegorie van het hert te begrijpen. Wees u volkomen bewust van uzelf, en laat het plezier van het luisteren naar verhalen over hoe u door middel van baatzuchtige activiteiten naar de hemelse planeten kunt gaan, varen. Verzaak uw familieleven, dat om seks en verhalen daarover draait, en zoek uw toevlucht bij de Allerhoogste Godspersoon via de genade van de bevrijde zielen. Geef op die manier uw aantrekking tot het materiële bestaan op (Vedabase).
De koning zei: 'O grootste der brahmanen, in overweging van dat waarover ik u hoorde spreken, moet ik zeggen dat ik daar geen weet van had; waarom is het zo dat mijn leraren, als ze het begrepen hadden, me er niet over hebben verteld?
De koning antwoordde: Mijn beste brâhmana, ik heb aandachtig geluisterd naar alles wat u gezegd heeft, en ben, na dit alles in overweging te hebben genomen, tot de conclusie gekomen dat de âcârya's [leraren] die me in baatzuchtige activiteiten hebben betrokken niet op de hoogte waren van deze vertrouwelijke kennis. Als ze dat wel waren, waarom hebben ze me dit dan niet uitgelegd? (Vedabase)
Maar mijn twijfels hierover, o brahmaan, hebt u al doende weggenomen. Zelfs zij die ervaren zijn zijn inderdaad begoocheld over dingen die niet de activiteiten van de zinnen betreffen.
Mijn beste brâhmana, uw aanwijzingen en die van de geestelijke leraren die me in baatzuchtige activiteiten betrokken hebben, zijn in strijd met elkaar. Nu kan ik het verschil zien tussen toegewijde dienst, kennis en verzaking. De twijfels die ik daarover had, hebt u in uw goedheid verdreven. Nu begrijp ik dat zelfs de grote wijzen in verwarring verkeren omtrent het ware doel van het leven. Er kan uiteraard geen sprake zijn van zinsbevrediging (Vedabase).
Iemand die zijn lichaam opgeeft om een ander in een volgend leven te genieten, moet de gevolgen onder ogen zien van de baatzuchtige arbeid die hij in dit leven in gang heeft gezet.
Van alles wat iemand in dit leven doet, moet hij in zijn volgende leven de gevolgen ondergaan (Vedabase).
Aldus verneemt men van de bewering der geleerden die luidt dat, van alles wat men zich zo vast heeft voorgenomen in het leven, men niet meteen de consequentie inziet of kent.'
Degenen die volmaakt op de hoogte zijn van de vedische conclusies, zeggen dat iemand geniet of lijdt als gevolg van zijn vroegere activiteiten. Praktisch gesproken zien we echter dat het lichaam dat deze activiteiten verrichtte tijdens het vorige leven, al verloren is. Hoe is het daarom mogelijk dat men de aangename of onaangename gevolgen van die activiteiten in een ander lichaam ondergaat? (Vedabase)
Nârada zei: 'Van het karma dat een persoon op zich neemt moet het gevolg in een leven erna onder ogen worden gezien, omdat er aan dat wat het zijne is, aan zijn bewijs van leven [het subtiele lichaam of de linga] en de geest die erbij hoort, niets veranderd is.
De grote