S'rî
S'uka zei: 'De Allerhoogste Heer, de geestelijk leraar en het
doel van de gopî's, die op deze manier van Zijn
genade blijk gaf, ontmoette toen Yudhishthhira en de rest van
Zijn verwanten en informeerde naar hun
welzijn.
S'rî
S'uka zei: 'De Allerhoogste Heer, de geestelijk leraar en
het doel van de gopî's, op deze manier Zijn genade
tonend, deed toen bij Yudhishthhira navraag over het
welbevinden van allen [van Zijn familie] en Zijn
weldoeners.
(Vedabase)
Tekst
2
Zij, die bij de
aanblik van Zijn voeten hun zonden van zich af zagen vallen,
voelden zich aldus ondervraagd door de Heer van de Wereld zeer
vereerd en gaven blij ten antwoord:
Zij,
die door het zien van Zijn voeten hun zonden vernietigd
zagen, aldus ondervraagd door de Heer van de Wereld voelden
zich zeer vereerd en gaven blij ten
antwoord: (Vedabase)
Tekst
3
'Hoe kan er
zich nou ongeluk voordoen voor hen die van Uw lotusvoeten ooit
de bedwelmende nectar dronken die wordt uitgegoten door de
geesten en monden van de grote zielen? Hoe kunnen zij die met
de drinkbekers van hun oren zich voldronken nu niet het geluk
ervaren, o Meester, o vernietiger der vergeetachtigheid over de
Schepper die de belichaamden hun fysieke bestaan
schenkt?
'Van
welke kant zou er ongeluk te vrezen zijn voor hen die van Uw
lotusvoeten ooit de bedwelmende nectar dronken uitgegoten
door de geesten en monden van de grote zielen, voor hen die
met de drinkbekers van hun oren zich vol dronken, o Meester,
vernietiger der vergeetachtigheid over de Doener van de
materieel belichaamden. (Vedabase)
Tekst
4
Waarlijk raken
we bij het licht van Uw persoonlijke gedaante verlost van de
banden van de drie materiële bewustzijnstoestanden
[van het waken, dromen en slapen] en zijn we, volledig
verzonken, van spiritueel geluk met het ons vooroverbuigen voor
U, het doel van de vervolmaakte heiligen [de
paramahamsa's] die met de macht van Uw begoochelend
vermogen deze gedaante heeft aangenomen ter bescherming van de
onbegrensde en altijd nieuwe vedische kennis die wordt bedreigd
door de tijd.'
Waarlijk
worden bij het licht van Uw persoonlijke gedaante de drie
materiële toestanden [of vormen van ellende,
voortkomend uit iemand zelf, uit anderen en uit de
natuur] zoals geschapen door het materiële
bewustzijn uitgebannen, en zijn we, volledig verzonken, van
spiritueel geluk, ons voorover gebogen hebbend voor U, het
doel van de vervolmaakte heilige [de paramahamsa],
die ter bescherming van de onbegrensde en altijd nieuwe
vedische kennis bedreigd door de tijd, bij de macht van Uw
illusie deze gedaante heeft
aangenomen.' (Vedabase)
Tekst
5
De grote wijze
zei: 'Met het door Zijn mensen aldus verheerlijken van het
kroonjuweel van alle persoonlijkheden geprezen in de
geschriften, kwamen de vrouwen van de Andhaka- en Kauravaclans
bij elkaar om samen de onderwerpen van Govinda te bespreken
waarover men zingt in de drie werelden; alstublieft luister
naar de beschrijving die ik van hen geef.
De
grote wijze zei: 'Met het door Zijn mensen aldus
verheerlijken van het kroonjuweel van alle persoonlijkheden
geprezen in de geschriften, kwamen de vrouwen van de
Andhaka- en Kauravaclans bij elkaar om onder elkaar de
onderwerpen van Govinda te bespreken bezongen in de drie
werelden; alstublieft luister naar de beschrijving die ik
van hen geef. (Vedabase)
Tekst
6-7
S'rî
Draupadî zei: 'O Vaidarbhî [Rukminî],
Bhadrâ, Jâmbavatî en Kaus'alâ
[Nâgnajitî]; o Satyabhâmâ,
Kâlindî, S'aibyâ [Mitravindâ],
Rohinî [zie voetnoot*
en 10.61*]
en Lakshmanâ [Mâdrâ] en de andere
vrouwen van Krishna, alsjeblieft vertel ons hoe het kon
gebeuren dat Acyuta, de Allerhoogste Heer Zelve, die middels
Zijn mystieke macht leefde zoals men in de wereld leeft, met
jullie getrouwd raakte?'
S'rî
Draupadî zei: 'O Vaidarbhî
[Rukminî], Bhadrâ, Jâmbavatî
en Kaus'alâ [Nâgnajitî]; o
Satyabhâmâ, Kâlindî, S'aibyâ
[Mitravindâ], Rohinî [zie
10.61*] en Lakshmanâ [Mâdrâ]
en de andere vrouwen van Krishna, alsjeblieft vertel ons
dit: hoe gebeurde het dat Acyuta, de Allerhoogste Heer
Zelve, vanuit Zijn eigen mystieke macht de manier van de
wereld volgend, met jullie getrouwd
raakte?'
(Vedabase)
Tekst
8
S'rî
Rukminî zei: 'Als een leeuw die zijn deel opeist van een
kudde geiten of schapen, nam Hij die het stof van Zijn voeten
plaatst op de hoofden van onoverwinnelijke strijders, me mee
toen de koningen met hun bogen op het punt stonden me weg te
geven aan S'is'upâla; moge de voeten van Hem, de
verblijfplaats van S'rî, mijn voorwerp van aanbidding
zijn [zie 10.52-54].'
S'rî
Rukminî zei: 'Als een leeuw die zijn deel opeist van
een kudde geiten of schapen, nam Hij die het stof van Zijn
voeten plaatst op de hoofden van onoverwinnelijke strijders,
me mee toen de koningen met hun bogen klaar stonden om me
aan S'is'upâla aan te bieden; moge de voeten van Hem,
de verblijfplaats van S'rî, mijn voorwerp van
aanbidding zijn [zie
10.52-54].' (Vedabase)
Tekst
9
S'rî
Satyabhâmâ zei: 'Naar mijn vader wiens hart treurde
over de dood van zijn broer, bracht Hij, beschuldigd zijnde, om
Zijn naam te zuiveren, het juweel terug nadat hij de koning van
de beren [Jâmbavân] verslagen had; hierover
bevreesd bood mijn vader mij aan de Heer aan hoewel er reeds
aanspraak op mij gemaakt was [zie 10.56].'
S'rî
Satyabhâmâ zei: 'Naar mijn vader wiens hart
treurde over de dood van zijn broer, bracht Hij, beschuldigd
zijnde, om Zijn naam te zuiveren, het juweel terug na de
koning van de beren [Jâmbavân] verslagen
te hebben; hierover bevreesd bood mijn vader mij aan de Heer
aan hoewel er reeds aanspraak op mij gemaakt was [zie
10.56 ].
(Vedabase)
Tekst
10
S'rî
Jâmbavatî zei: 'Hij die dit lichaam op de wereld
zette zonder zich bewust te zijn van Hem, de Echtgenoot van
Sîtâ, als zijnde zijn meester en aanbiddelijke
godheid, vocht zevenentwintig dagen lang met Hem. Weer bij
zinnen gekomen Hem herkennend, presenteerde hij, Zijn voeten
beetgrijpend, me aan Hem samen met het juweel; ik ben Zijn
dienstmaagd [zie ook 10.56].'
S'rî
Jâmbavatî zei: 'Hij die dit lichaam op de wereld
zette zich niet bewust van Hem, de Echtgenoot van
Sîtâ, als zijnde zijn meester en aanbiddelijke
godheid, vocht zevenentwintig dagen lang met Hem. Weer bij
zinnen gekomen Hem herkennend, presenteerde hij, Zijn voeten
beetgrijpend, me aan Hem samen met het juweel; ik ben Zijn
dienstmaagd [zie ook
10.56].
(Vedabase)
Tekst
11
S'rî
Kâlindî zei: 'In de wetenschap dat ik met het
verlangen Zijn voeten te beroeren boetedoeningen aan het
volbrengen was, kwam Hij samen met Zijn vriend [Arjuna]
en nam Hij mijn hand; ik ben degene die Zijn verblijf
schoonmaakt [10.58:
12-23].'
S'rî
Kâlindî zei: 'Wetende dat ik met het verlangen
Zijn voeten aan te raken boetedoeningen aan het volbrengen
was, kwam Hij samen met Zijn vriend [Arjuna] en nam
Hij mijn hand; ik ben degene die Zijn verblijf schoonmaakt
[10.58: 12-23].
(Vedabase)
Tekst
12
S'rî
Mitravindâ zei: 'Tijdens mijn svayamvara naar
voren tredend kaapte Hij me weg zoals de vijand der olifanten
[een leeuw] zijn deel opeist temidden van een troep
honden; na de koningen en mijn broers die Hem beledigden te
hebben verslagen, nam Hij me mee naar Zijn hoofdstad waar
S'rî zich ophoudt; moge ik daar leven na leven Hem van
dienst zijn met het wassen van Zijn voeten
[10.58:
31].'
S'rî
Mitravindâ zei: 'Tijdens mijn svayamvara naar voren
tredend kaapte Hij me weg op de manier zoals de vijand der
olifanten [een leeuw] zijn deel opeist bij een troep
honden; na de koningen en mijn broers die Hem beledigden te
hebben verslagen, nam Hij me mee naar Zijn hoofdstad waar
S'rî zich ophoudt; moge daar voor mij, leven na leven,
de dienst zijn van het wassen van Zijn voeten [10.58:
31].
(Vedabase)
Tekst
13-14
S'rî
Satyâ zei: 'Zeven grote stieren allersterkst en vitaal
met scherpe hoorns, die door mijn vader waren geregeld om de
koningen op de proef te stellen, versloegen de trots van de
helden; maar ze werden door Hem rap onderworpen en vastgebonden
met het gemak van een kind dat met een geitje speelt. Op deze
wijze voor mij betalend met Zijn heldenmoed nam Hij mij, onder
de hoede van dienstmaagden, met Zich mee, waarbij Hij met een
leger van vier divisies onderweg de koningen versloeg; moge er
mijn dienstbaarheid aan Hem zijn [10.58:
32-55].'
S'rî
Satyâ zei: 'Zeven grote stieren allersterkst en vitaal
met scherpe hoorns, door mijn vader geregeld om het kunnen
op de proef te stellen van de koningen,vernietigden de trots
van de helden; maar ze werden snel onderworpen en
vastgebonden door Hem, met het gemak van kinderen die met
jonge geitjes spelen. Op deze wijze voor mij betalend met
Zijn heldenmoed nam Hij me, beschermd door dienstmaagden,
met Zich mee, met een leger van vier divisies onderweg de
koningen verslaand; moge er mijn dienstbaarheid aan Hem zijn
[10.58: 32-55].
(Vedabase)
Tekst
15-16
S'rî
Bhadrâ zei: 'Met mij verliefd op Hem, o Krishnâ
[Draupadî], nodigde mijn vader op eigen
gelegenheid mijn neef van moederszijde Krishna uit en schonk
hij mij weg aan Hem tezamen met een gevolg aan vrouwelijke
metgezellen en een militaire escorte bestaande uit een
akshauhini; laat er voor mij, leven na leven ronddolend
door mijn karma, er die beterschap zijn van mezelf in het
aanraken van Zijn voeten [10.58:
56].'
S'rî
Bhadrâ zei: 'Met mij verliefd op Hem, o Krishnâ
[Draupadî], gaf mijn vader, op eigen
gelegenheid mijn neef van moederszijde Krishna uitnodigend,
mij aan Hem tezamen met vrouwelijke metgezellen en een wacht
van een akshauhini aan troepen; laat er voor mij, leven na
leven ronddolend door mijn karma, er die beterschap zijn van
mezelf in het aanraken van Zijn voeten [10.58:
56].
(Vedabase)
Tekst
17
S'rî
Lakshmanâ zei: 'O Koningin, telkens weer Nârada
horend die Acyuta's geboorten en handelingen verheerlijkte,
raakte mijn hart gefixeerd op Mukunda, Hij die na rijp beraad
in afwijzing van de heersers van de wereld, inderdaad werd
uitverkoren door zij [de godin S'rî] met de lotus
in haar hand.
S'rî
Lakshmanâ zei: 'O Koningin, telkens weer Nârada
horend die Acyuta's geboorten en handelingen verheerlijkte,
raakte mijn hart gefixeerd op Mukunda, Hij die na rijp
beraad in afwijzing van de heersers van de wereld, inderdaad
werd uitgekozen door zij [de godin S'rî] met
de lotus in haar hand.
(Vedabase)
Tekst
18
Mijn vader die
ook wel bekend staat als Brihatsena, o gelouterde dame, trof,
op de hoogte zijnde van mijn geestesgesteldheid, in zijn liefde
voor zijn dochter hiervoor zijn maatregelen.
Mijn
vader bekend als Brihatsena, o geheiligde dame, voorzag, op
de hoogte zijnde van mijn geestesgesteldheid, uit
genegenheid voor zijn dochter erin hieraan te
beantwoorden.
(Vedabase)
Tekst
19
Net als in jouw
svayamvara, o Koningin, werd er een vis gebruikt die
[opgehangen als doelwit] door Arjuna moest worden
geraakt. Maar aan het gezicht onttrokken, kon hij alleen maar
als een weerspiegeling in het water worden gezien [in een
vat eronder].
Net
als in jouw svayamvara, o Koningin, werd er een vis gebruikt
[opgehangen als doelwit] die voor Arjuna om te
winnen, echter aan het gezicht onttrokken, alleen maar als
een weerspiegeling in het water kon worden gezien [in
een vat eronder]. (Vedabase)
Tekst
20
Hierover
vernemend kwamen van heinde en verre al de koningen bedreven in
de boogschietkunst en het hanteren van andere wapens naar mijn
vaders stad tezamen met hun duizenden
leermeesters.
Hierover
vernemend kwamen van heinde en verre al de koningen bedreven
in de boogschietkunst en het hanteren van andere wapens naar
mijn vaders stad tezamen met hun duizenden
leermeesters. (Vedabase)
Tekst
21
Mijn vader
eerde hen allen ten volle, ieder overeenkomstig zijn kracht en
leeftijd, waarna zij die hun zinnen op mij gezet hadden, in de
bijeenkomst hun boog en pijlen ter hand namen om een schot te
wagen.
Mijn
vader eerde ten volle hen allen, ieder overeenkomstig zijn
kracht en leeftijd, waarna zij die hun zinnen op mij gezet
hadden, in de bijeenkomst hun boog en pijlen ter hand namen
om een schot te wagen.
(Vedabase)
Tekst
22
Sommigen van
hen waren na het heffen [van de boog] niet in staat die
te spannen en sommigen die de boogpees gespannen hadden
mislukten omdat ze er door werden geraakt.
Sommigen
van hen waren na het heffen [van de boog] niet in
staat die te spannen en sommigen die de boogpees gespannen
hadden vielen na er door te zijn
geraakt.
(Vedabase)
Tekst
23
Andere helden,
de koningen van Magadha [Jarâsandha], Cedi
[S'is'upâla] en Ambashthha alsook Bhîma,
Duryodhana en Karna, slaagden erin de boog te spannen maar
slaagden er niet in uit te maken waar het doelwit zich
bevond.
Andere
helden, de koningen van Magadha [Jarâsandha],
Cedi [S'is'upâla] en Ambashthha als ook
Bhîma, Duryodhana en Karna, slaagden erin hem te
spannen maar konden het [doelwit] niet
ontdekken. (Vedabase)
Tekst
24
Arjuna die er
wel in slaagde het te herkennen, waagde, zorgvuldig mikkend
terwijl hij in de weerspiegeling naar de vis keek, een schot,
maar de pijl trof zijn doel niet, het was een
schampschot.
Erin
slagend het te herkennen, waagde Arjuna, zorgvuldig mikkend
terwijl hij in de weerspiegeling in het water naar de vis
keek, een schot, maar de pijl geen doel treffend, schampte
het enkel. (Vedabase)
Tekst
25-26
Toen de
koningen in hun trots verslagen het opgegeven hadden, wist de
Opperheer, speels de boog ter hand nemend, hem spannend en een
pijl aanleggend, met een enkele blik in het water de vis met
Zijn pijl te doorboren op het moment dat de zon in Abhijit
stond [in 'victorie', of
midhemel].
Toen
de trotse koningen in hun trots verslagen het opgegeven
hadden, wist de Opperheer, speels de boog ter hand nemend,
hem spannend en een pijl aanleggend, met een enkele blik in
het water terwijl de zon in Abhijit stond [in
'victorie', of midhemel], de vis met zijn schacht te
doorboren.
(Vedabase)
Tekst
27
Pauken
weerklonken in de hemel samen met de geluiden van 'jaya'
van de goddelijken op aarde die door vreugde overweldigd
bloemen in stromen deden neerregenen.
Pauken
weerklonken in de hemel samen met het geluid van 'Jaya' van
de goddelijken op aarde die door vreugde overweldigd bloemen
in stromen deden
neerregenen. (Vedabase)
Tekst
28
Vervolgens deed
ik, met een verlegen glimlach op mijn gezicht en bloemen
gevlochten in mijn haar, mijn intrede in het offerperk met
zachtjes tinkelende belletjes aan mijn voeten, een gouden
halsketting om met schitterende edelstenen en een stel fijn
zijden, nieuwe kleren aan, bijeengehouden door een
ceintuur.
Vervolgens
deed ik, met een verlegen glimlach op mijn gezicht en
bloemen gevlochten in mijn haar, mijn intrede in het
offerperk met zachtjes klinkelende belletjes aan mijn
voeten, een gouden halsketting om met schitterende
edelstenen en een stel fijn zijden, nieuwe kleren aan,
bijeengehouden door een
ceintuur. (Vedabase)
Tekst
29
Mijn gezicht
opheffend met de vele haarlokken eromheen en de wangen in de
gloed van de oorhangers, keek ik overal om me heen naar de
koningen. Met een koele glimlach zijdelings blikken werpend
plaatste ik langzaam mijn halsketting om de hals van
Murâri die mijn hart had gestolen.
Mijn
gezicht opheffend met zijn vele haarlokken en de wangen in
de gloed van de oorhangers, keek ik overal om me heen naar
de koningen met een koele glimlach zijdelings blikken
werpend en plaatste ik langzaam aan mijn halsketting om de
hals van Murâri die mijn hart had
gestolen. (Vedabase)
Tekst
30
Op dat moment
weerklonken schelphoorns, mridanga's, trommeltjes,
pauken en oorlogstrommen en dergelijke, en zongen de zangers
terwijl de mannelijke en vrouwelijke dansers
dansten.
Op
dat moment weerklonken schelphoorns, mridanga's,
trommeltjes, pauken en oorlogstrommen en dergelijke, en
zongen de zangers terwijl de mannelijke en vrouwelijke
dansers dansten.
(Vedabase)
Tekst
31
Mijn keus die
ik aldus liet vallen op de Allerhoogste Heer als mijn meester
was voor de koningen die de leiding hadden niet acceptabel o
Draupadî, ze begonnen van streek geraakt met een vloekend
hart ruzie te zoeken.
Mijn
aldus uitverkiezen van de Allerhoogste Heer als mijn meester
kon door de koningen aan de leiding niet worden getolereerd,
o Draupadî; ze begonnen ruzie te zoeken van streek als
ze waren met een vloekend
hart. (Vedabase)
Tekst
32
Voor die
situatie geplaatst tilde Hij me in de strijdwagen met de vier
uitmuntende paarden en stond Hij, Zijn S'ârnga
gereedmakend en Zijn kuras aantrekkend, klaar om slag te
leveren met Zijn vier armen [ten volle
gemanifesteerd].
Op
dat punt aangeland mij in de strijdwagen tillend met zijn
vier kostelijke paarden stond Hij, Zijn S'ârnga gereed
makend en Zijn kuras aantrekkend, op het slagveld klaar met
Zijn vier armen [vol
gemanifesteerd]. (Vedabase)
Tekst
33
Dâruka
reed weg met de met goud afgewerkte wagen o Koningin, terwijl
de koningen toekeken als waren het een stel diertjes
opgeschrikt door koning leeuw.
Onder
de blikken van de koningen reed Dâruka de wagen
afgewerkt met goud voor, o Koningin, als was Hij de koning
der dieren tegenover een stel
beesten.
(Vedabase)
Tekst
34
De koningen
gingen, als een stelletje dorpshonden met een leeuw, Hem
achterna. Daarbij probeerden sommigen van hen de weg te
blokkeren door hun bogen tegen Hem op te heffen.
Zij,
de koningen, als een stelletje dorpshonden met een leeuw,
gingen hem achterna, terwijl sommigen van hen om Hem
onderweg tegen te houden, met hun bogen geheven klaar
stonden.
(Vedabase)
Tekst
35
Door de
stortvloed van pijlen afkomstig van S'ârnga vielen
sommigen van hen met hun armen, benen en nekken doorkliefd
neer, terwijl een paar anderen het opgaven en er vandoor
gingen.
Door
de stortvloed van pijlen afkomstig van S'ârnga vielen
sommigen van hen met hun armen, benen en nekken doorkliefd
neer, terwijl een paar andere het opgaven en er vandoor
gingen. (Vedabase)
Tekst
36
Toen betrad de
Heer der Yadu's als de zon die zijn thuishaven bereikt
[ofwel de westelijke horizon] Dvârakâ, Zijn
stad bezongen in de hemel en op aarde, die uitvoerig versierd
was met prachtige erebogen en banieren aan vlaggenmasten die de
zon tegenhielden.
Toen
betrad de Heer der Yadu's als de zon die zijn thuishaven
bereikt [ofwel de westelijke horizon]
Dvârakâ, Zijn stad bezongen in de hemel en op
aarde, die uitvoerig versierd was met prachtige erebogen en
banieren aan vlaggenmasten die de zon
tegenhielden. (Vedabase)
Tekst
37
Mijn vader
vereerde zijn vrienden, naaste verwanten en andere familieleden
met de meest kostbare kleding en juwelen en met bedden, zetels
en ander meubilair.
Mijn
vader vereerde zijn vrienden, naaste verwanten en andere
familieleden met de meeste kostbare kleding en juwelen en
met bedden, zetels en ander
meubilair. (Vedabase)
Tekst
38
Hij schonk de
Heer der Volledigheid [Pûrnasya] uit toewijding
de meest kostbare wapens, tezamen met dienstmaagden die van
alle rijkdommen waren voorzien, voetsoldaten, strijders op
olifanten, in strijdwagens en strijders te
paard.
Tezamen
met dienstmaagden van alle rijkdommen voorzien,
voetsoldaten, strijders op olifanten, in strijdwagens en
strijders te paard, gaf hij de Heer der Volledigheid
[Pûrnasya] uit toewijding de meest kostbare
wapens mee. (Vedabase)
Tekst
39
Door van
verzaking te zijn met het abrupt verbreken van onze
materiële banden werden we allen dienstmaagden bij Hem in
huis, bij Hem die in Zichzelf Volkomen Tevreden
is.'
Door
de verzaking van het abrupt verbreken van onze
materiële associatie zijn we inderdaad allen deze
dienstmaagden geworden bij Hem in huis, Hij die van Binnen
Geheel Voldaan is.
(Vedabase)
Tekst
40
De andere
koninginnen zeiden [bij monde van Rohinî]: 'Hij
leerde ons kennen nadat Hij in de strijd de demon Bhauma met
zijn aanhangers had gedood. Wij die door de demon waren
verslagen en gevangen gezet, zijn de dochters van de koningen
die Bhauma versloeg tijdens zijn campagne om de aarde te
veroveren. Nadat Hij ons had bevrijd, herinnerden we ons steeds
Zijn lotusvoeten als de bron van de bevrijding uit een
materieel bestaan, en is Hij, van Wie Alle Wensen in Vervulling
gaan, met ons getrouwd.
De
andere koninginnen zeiden [bij monde van
Rohinî]: 'Met het in de strijd doden van de demon
Bhauma samen met zijn volgelingen kende Hij ons, die door
hem gevangen waren gezet, als de dochters van de koningen
verslagen tijdens zijn verovering van de aarde; ons
vrijlatend, die zich constant Zijn lotusvoeten herinneren
als de bron van de bevrijding uit een materieel bestaan is
Hij, die In Alle Verlangens Bevredigd Is, met ons
getrouwd.
(Vedabase)
Tekst
41-42
O heilige dame,
we verlangen niet naar de heerschappij over de aarde, een
hemels koninkrijk, een onbeperkt genieten zelfs of mystieke
macht, de allerhoogste goddelijkheid, onsterfelijkheid of naar
de verblijfplaats van Hari, we verlangen ernaar op onze hoofden
het stof te dragen van de goddelijke voeten van Hem die de
Knots Hanteert, het stof dat verrijkt is door de geur van de
kunkuma van de boezem van S'rî [zie ook
10.47:
60 ,
**
en de S'rî
S'rî S'ikshâshthaka vers
4].
O
geheiligde dame, we verlangen niet naar de heerschappij over
de aarde, een hemels koninkrijk, een onbeperkt genieten
zelfs of mystieke macht, de allerhoogste goddelijkheid,
onsterfelijkheid of naar de verblijfplaats van Hari, we
verlangen ernaar op onze hoofden het stof te dragen van de
goddelijke voeten van Hem die de Knots Hanteert, verrijkt
door de geur van de kunkuma van de boezem van S'rî
[zie ook 10.47: 60 , ** en de s'ikshâshtaka vers
4]. (Vedabase)
Tekst
43
Wij verlangen
hetzelfde als waar de Pulindavrouwen [de
gopî's] naar verlangen, als waar het gras, de
planten, de grazende koeien en de gopa's van Vraja naar
verlangen: aangeraakt te worden door de voeten van de
Allerhoogste Ziel.'
Wij
verlangen hetzelfde als waar de Pulindavrouwen [de
gopî's] naar verlangen, als waar het gras, de
planten, de grazende koeien en de gopa's van Vraja naar
verlangen: de aanraking van de voeten van de Allerhoogste
Ziel.'
(Vedabase)
*
Zij die hier Rohinî heet is niet Rohinî, de moeder
van Balarâma, maar de ene koningin die de 16000
koninginnen vertegenwoordigt waarmee Krishna trouwde naast Zijn
acht hoofdkoninginnen.
**
De paramparâ geeft aan dat de S'rî waar hier
naar verwezen wordt de allerhoogste godin van het geluk is
zoals herkend in de
'Brihad-gautamîya-tantra':
devî
krishna-mayî proktâ
râdhikâ para-devatâ
sarva-lakshmî-mayî sarva
kântih sammohinî parâ
"De
bovenzinnelijke godin S'rîmatî
Râdhârânî is de rechtstreekse
tegenhanger van Heer S'rî Krishna. Ze is de centrale
figuur voor al de godinnen van het geluk. Haar is het vermogen
verleend om de al-aantrekkelijke Persoonlijkheid van God aan te
trekken. Zij is het voorwereldlijk innerlijk vermogen van de
Heer."

Voor
deze vertaling werd de Vedabase van de BBT gebruikt die het werk van
Svâmi Prabhupâda's
leerlingen biedt dat werd verricht voor het voltooien van zijn
vertaling van het Bhâgavatam.
Zie
de
S'rîmad Bhâgavatam
linkspagina.
Het schilderij op deze pagina is getiteld: 'The Trial of the Princes'
en is van Nanalâl
Bose.
Productie: de Filognostische
Associatie
van De
Orde van de Tijd.
.
Feed-back |
Links
| Downloads
| Muziek
| Afbeeldingen
| Wat
is er Nieuw?
|
Zoeken |
Donaties