regelbalk


 

Canto 10

S'rî Dasâvatâra Stotra

 

Hoofdstuk 48: Krishna Behaagt Zijn Toegewijden

(1) S'rî S'uka zei: 'De Allerhoogste Heer, de Ziel van Allen en Ziener van Alles, met begrip [voor wat Uddhava had gerapporteerd] het wensend te behagen [zoals Hij had beloofd 10.42: 12], begaf Zich naar het huis van het dienstbare meisje [Trivakrâ] dat zo geplaagd werd door de lust [zie 10.42: 10]. (2) Het was rijkelijk voorzien van dure spullen, stond vol met zinnelijke artikelen en werd verfraaid door strengen parels en baldakijnen, bedden en zetels als ook door wierook, olielampen, bloemenslingers en sandelhout. (3) Zij, toen ze Hem bij haar thuis zag arriveren, kwam inderdaad onmiddellijk overeind om zich met haar vrouwlijke metgezellen te haasten Acyuta naar behoren te onvangen, die respectvol werd welkom geheten met een prima zitplaats enzovoorts. (4) Uddhava eveneens geëerd, heilig als hij was, beroerde de zetel [hem geboden] en ging op de vloer zitten, en Krishna, trouw aan zoals dat zo gaat in de menselijke samenleving, vleide Zichzelf zonder aarzelen neer op een luxueus bed [in de kamers erachter]. (5) Zij door te baden, zich in te smeren, zich aan te kleden met sieraden, bloemenslingers en parfum, betelnoot en het drinken van geurige substanties en dergelijke, maakte haar lichaam er voor klaar en benaderde toen verlegen met speelse glimlachen en verleidelijke blikken Mâdhava. (6) De lieftallige vrouw bij Zich roepend, die bang voor het nieuwe contact [als een maagd] verlegen was, greep Hij haar twee handen opgesierd met armbanden vast en plaatste Hij de schone op het bed om te genieten met haar wiens enige bewijs van vroomheid bestond uit het hebben aangeboden van zalf. (7) Het ruiken van de voeten van de Onbegrensde Heer en het Hem, haar Minnaar, de Verpersoonlijking van Alle Extase, tussen haar borsten in haar armen sluiten, vaagde de pijn weg die vanwege Cupido brandde in haar borsten, binnenste en ogen, zodat ze het verdriet dat zo lang had aangehouden kon laten varen. (8) Zij met het aan Hem, de Meester der Verlichting, geboden hebben van smeersels voor het lichaam, had de Beheerser voor zich gewonnen die zo moeilijk te winnen is, en smeekte, o hoe onfortuinlijk [vergelijk 4.9: 31], om het volgende: (9) 'AlstJeblieft blijf hier een paar dagen samen met mij o Geliefde, geniet ervan, ik kan het niet verdragen het zonder Je gezelschap te moeten stellen, o Lotusbloemen-ogen.'

(10) Hij van Respect voor Anderen, met respect voor haar, gaf gehoor aan die wens van haar materieel verlangen [door te beloven daar later op terug te komen] waarna de Heer van Iedereen, samen met Uddhava, terugging naar Zijn zo hoogst weelderige woning. (11) Hij die in de volle aanbidding van Vishnu, de Beheerser van alle Beheersers, die zo moeilijk in gedachten te houden is, als zegening kiest voor iets dat makkelijk is voor de geest, is met het daarmee behalen van een onbeduidend resultaat een persoon die maar traag van begrip is [zie ook 7.15: 36].

(12) Krishna, de Meester, die wilde dat er wat zaken werden geregeld ging toen met Uddhava en Râma naar het huis van Akrûra, met ook de bedoeling Akrûra een plezier te doen. (13-14) Toen hij Hen, de grootsten der luisterrijke persoonlijkheden, zag aankomen, stond hij verheugd op met zijn verwanten om Hen ter verwelkoming te omhelzen. Neergebogen voor Krishna en Râma werd hij door Hen begroet en was hij van eerbetoon zoals dat was voorgeschreven nadat ze Hun zitplaatsen hadden ingenomen. (15-16) Het water dat hij had gebruikt om Hun voeten te wassen sprenkelde hij over heel zijn hoofd, o Koning, waarna hij Hen geschenken aanbood, de fijnste kleding, sandelhout, bloemenslingers en de fraaiste sierselen. Met zijn hoofd naar beneden gebogen in zijn eerbetoon plaatste hij Zijn voeten op zijn schoot voor een massage, en richtte hij zich neerwaarts kijkend in alle bescheidenheid als volgt tot Krishna en Râma: (17) 'Tot ons grote geluk hebben Jullie tweeën de zondige Kamsa en ook zijn broers en volgelingen gedood en is deze dynastie door U bevrijd van eindeloze moeilijkheden en hebben Jullie voorspoed gebracht. (18) Jullie twee zijn de essentiële personen die de oorzaak en de inhoud van het Universum vormen en los van wie niet één enkele oorzaak of gevolg kan worden gevonden. (19) Dit universum door U geschapen, ging U vervolgens binnen middels Uw eigen energieën zodat U kan worden waargenomen in vele gedaanten kenbaar door het luisteren naar de geschriften en door directe ervaring. (20) De manier waarop inderdaad de aarde- en andere elementen zich verschillend manifesteren in levensvormen die rondbewegen en zich niet rondbewegen, doet U, het Ene Op Zichzelf Berustende Zelf, de Superziel, op dezelfde manier Zich in verscheidene levensvormen voor als een veelvoud onder hen. (21) U schept en vernietigt weer; U behoedt het universum maar bent door Uw kwaliteiten, de persoonlijke energieën, de geaardheden der hartstocht, onwetendheid en goedheid, of door hun materiële activiteiten, niet aan deze wereld gebonden; want als U de kennis Zelve bent, wat zou voor U dan een oorzaak van gebondenheid zijn? (22) Omdat U niet bepaald bent door de overdekkingen van het lichaam enzovoorts bestaat er geen letterlijke geboorte of dualiteit voor Uzelf en daarom bestaat er voor U geen gebondenheid, noch in feite enige bevrijding [vergelijk 10.14: 26]; en als die zich tonen is dat naar Uw liefdevolle wilsbeschikking zo [zie b.v. 10.11: 7] of anders door onze noties van wanbegrip voor U [zoals in 10.23: 10-11]. (23) Voor het heil van dit universum hebt U het oude pad van de Veda uitgedragen en neemt U gedaanten in de geaardheid goedheid aan op het moment dat het pad wordt geblokkeerd door de slechten die vasthouden aan de goddeloosheid. (24) U als diezelfde persoon o Meester, bent nu nedergedaald in het huis van Vasudeva met Uw eigen volkomen deelaspect [Balarâma] om van deze aarde de last weg te nemen van de honderden legers door middel van het doden van hun koningen [zie ook 1.11: 34], die expansies zijn van de tegenstanders der godvrezenden [zie b.v. 7.1: 40-46], en om de roem te verspreiden van de [Yadu-]dynastie. (25) Vandaag, o Heer, is onze woning waarlijk bijzonder gezegend met U, Adhokshaja, nu U daar bent binnengetreden; U, de Geestelijk Leraar van het Universum, de God van al de voorvaderen en levende wezens, de mensen en de goden; U als de belichaming van Hem van wiens voeten het water [van de Ganges, zie 5.17] spoelde dat de drie werelden zuivert. (26) Welke andere geleerde dan U is er voor ons; tot wie anders moeten wij ons voor onze toevlucht wenden dan tot U, de weldoener die in Uw woorden van liefde voor Uw toegewijden altijd waarachtig bent; want U, dankbaar jegens de toegewijden die positief met U van aanbidding zijn, geeft U alles wat wordt verlangd, zelfs Uzelf - U voor wie er nimmer sprake is van toename of vermindering [zie ook B.G. 2: 40]. (27) Tot ons geluk hebben we hier bij ons U voor ogen die zelfs voor de meesters van de yoga en de beheersers van de goddelijken een doel bent dat moeilijk te bereiken is; alstUblieft doorbreek snel de banden van ons misverstaan teweeggebracht door Uw materiële energie: onze kinderen, echtgenote, weelde, eerbare vrienden, ons thuis, ons lichaam enzovoorts.'

(28) Aldus uitvoerig aanbeden door zijn toegewijde glimlachte Krishna, de Opperheer, tot Akrûra en sprak Hij tot hem in woorden waarvan hij diep onder de indruk raakte. (29) De Allerhoogste Heer zei: 'U, onze oom van vaders zijde en lovenswaardige vriend, bent onze geestelijk leraar en altijd zijn Wij het als degenen van U afhankelijk die moeten worden beschermd, onderhouden en begenadigd. (30) Mensen gelijk uw goede zelf zijn onder de aanbiddelijken de meest excellente en het waard te worden gediend door de mensen die het meest heilige, het hoogste goed verlangen, daar, terwijl de halfgoden altijd uit zijn op hun eigen belangen, de geheiligde toegewijden dat niet zijn. (31) Niet om iets af te doen aan de heilige plaatsen bestaande uit water en ook niet aan de beeltenissen gemaakt van klei en steen - ze zuiveren op de lange duur, maar de heiligen doen dat als men ze slechts één enkele keer tegemoet treedt. (32) Van alle weldoeners bent u ongetwijfeld de allerbeste; Ik zou graag willen dat u voor Ons naar de stad die is vernoemd naar de olifant gaat [Hastinâpura] om erachter te komen wat in het belang van hun welzijn voor de Pândava's zou moeten worden gedaan. (33) Toen hun vader stierf werden ze als jonge jongens, tezamen met hun moeder er ellendig aan toe zijnd, door de koning [Dhritarâshthra] naar zijn hoofdstad overgebracht, alwaar ze zich aldus ophouden, naar Ik vernam. (34) De zoons van zijn broer [Pându] was de koning, de zoon van Ambikâ [zie 9.22: 25], miserabel van geest, werkelijk niet gelijkelijk gezind, blind als hij was onder de controle staand van zijn doortrapte zoons [een honderdtal aangevoerd door Duryodhana, 9.22: 26]. (35) Ga en zoek uit of hij in zijn optreden op het ogenblik goed of kwaadaardig bezig is zodat We met die kennis kunnen voorzien in dat wat onze beste vrienden ten voordeel strekt.'

(36) Na Akrûra volledig te hebben geïnstrueerd met deze woorden, begaf de Allerhoogste Heer, de Hoogste Persoonlijkheid der Beheersing, Zich met Uddhava en Sankarshana toen naar Zijn eigen verblijf.'

 

next                      

 
 

Tweede editie, geladen 18 augustus 2008    

 

 

 

 

 

Bronteksten (geen voorgaande teksten in het Nederlands beschikbaar):

Krishna Pleases His Devotees

 

Tekst 1

S'rî S'uka zei: 'De Allerhoogste Heer, de Ziel van Allen en Ziener van Alles, met begrip [voor wat Uddhava had gerapporteerd] het wensend te behagen [zoals Hij had beloofd 10.42: 12], begaf Zich naar het huis van het dienstbare meisje [Trivakrâ] dat zo geplaagd werd door de lust [zie 10.42: 10].

S'ukadeva Gosvâmî said: Next, after assimilating Uddhava's report, Lord Krishna, the Supreme Personality of Godhead, the omniscient Soul of all that be, desired to satisfy the serving girl Trivakrâ, who was troubled by lust. Thus He went to her house. (Vedabase)

 

Tekst 2

Het was rijkelijk voorzien van dure spullen, stond vol met zinnelijke artikelen en werd verfraaid door strengen parels en baldakijnen, bedden en zetels als ook door wierook, olielampen, bloemenslingers en sandelhout.

Trivakrâ's home was opulently appointed with expensive furnishings and replete with sensual accoutrements meant to inspire sexual desire. There were banners, rows of strung pearls, canopies, fine beds and sitting places, and also fragrant incense, oil lamps, flower garlands and aromatic sandalwood paste. (Vedabase)

 

Tekst 3

Zij, toen ze Hem bij haar thuis zag arriveren, kwam inderdaad onmiddellijk overeind om zich met haar vrouwlijke metgezellen te haasten Acyuta naar behoren te onvangen, die respectvol werd welkom geheten met een prima zitplaats enzovoorts.

When Trivakrâ saw Him arriving at her house, she at once rose from her seat in a flurry. Coming forward graciously with her girlfriends, she respectfully greeted Lord Acyuta by offering Him an excellent seat and other articles of worship. (Vedabase)

 

Tekst 4

Uddhava eveneens geëerd, heilig als hij was, beroerde de zetel [hem geboden] en ging op de vloer zitten, en Krishna, trouw aan zoals dat zo gaat in de menselijke samenleving, vleide Zichzelf zonder aarzelen neer op een luxueus bed [in de kamers erachter].

Uddhava also received a seat of honor, since he was a saintly person, but he simply touched it and sat on the floor. Then Lord Krishna, imitating the manners of human society, quickly made Himself comfortable on an opulent bed. (Vedabase)

 

Tekst 5

Zij door te baden, zich in te smeren, zich aan te kleden met sieraden, bloemenslingers en parfum, betelnoot en het drinken van geurige substanties en dergelijke, maakte haar lichaam er voor klaar en benaderde toen verlegen met speelse glimlachen en verleidelijke blikken Mâdhava.

Trivakrâ prepared herself by bathing, anointing her body, and dressing in fine garments, by putting on jewelry, garlands and perfume, and also by chewing betel nut, drinking fragrant liquor, and so on. She then approached Lord Mâdhava with shy, playful smiles and coquettish glances. (Vedabase)

 

Tekst 6

De lieftallige vrouw bij Zich roepend, die bang voor het nieuwe contact [als een maagd] verlegen was, greep Hij haar twee handen opgesierd met armbanden vast en plaatste Hij de schone op het bed om te genieten met haar wiens enige bewijs van vroomheid bestond uit het hebben aangeboden van zalf.

Calling forward His beloved, who was anxious and shy at the prospect of this new contact, the Lord pulled her by her bangled hands onto the bed. Thus He enjoyed with that beautiful girl, whose only trace of piety was her having offered ointment to the Lord. (Vedabase)

 

Tekst 7

Het ruiken van de voeten van de Onbegrensde Heer en het Hem, haar Minnaar, de Verpersoonlijking van Alle Extase, tussen haar borsten in haar armen sluiten, vaagde de pijn weg die vanwege Cupido brandde in haar borsten, binnenste en ogen, zodat ze het verdriet dat zo lang had aangehouden kon laten varen.

Simply by smelling the fragrance of Krishna's lotus feet, Trivakrâ cleansed away the burning lust Cupid had aroused in her breasts, chest and eyes. With her two arms she embraced between her breasts her lover, S'rî Krishna, the personification of bliss, and thus she gave up her long-standing distress. (Vedabase)

 

Tekst 8

Zij met het aan Hem, de Meester der Verlichting, geboden hebben van smeersels voor het lichaam, had de Beheerser voor zich gewonnen die zo moeilijk te winnen is, en smeekte, o hoe onfortuinlijk [vergelijk 4.9: 31], om het volgende:

Having thus gotten the hard-to-get Supreme Lord by the simple act of offering Him body ointment, unfortunate Trivakrâ submitted to that Lord of freedom the following request. (Vedabase)

 

Tekst 9

'AlstJeblieft blijf hier een paar dagen samen met mij o Geliefde, geniet ervan, ik kan het niet verdragen het zonder Je gezelschap te moeten stellen, o Lotusbloemen-ogen.'

[Trivakrâ said:] O beloved, please stay here with me for a few days more and enjoy. I cannot bear to give up Your association, O lotus-eyed one! (Vedabase)

 

Tekst 10

Hij van Respect voor Anderen, met respect voor haar, gaf gehoor aan die wens van haar materieel verlangen [door te beloven daar later op terug te komen] waarna de Heer van Iedereen, samen met Uddhava, terugging naar Zijn zo hoogst weelderige woning

Promising her the fulfillment of this lusty desire, considerate Krishna, Lord of all beings, paid Trivakrâ His respects and then returned with Uddhava to His own supremely opulent residence. (Vedabase)

 

 Tekst 11

Hij die in de volle aanbidding van Vishnu, de Beheerser van alle Beheersers, die zo moeilijk in gedachten te houden is, als zegening kiest voor iets dat makkelijk is voor de geest, is met het daarmee behalen van een onbeduidend resultaat een persoon die maar traag van begrip is [zie ook 7.15: 36].

Lord Vishnu, the Supreme Lord of all lords, is ordinarily difficult to approach. One who has properly worshiped Him and then chooses the benediction of mundane sense gratification is certainly of poor intelligence, for he is satisfied with an insignificant result. (Vedabase)

 

Tekst 12

Krishna, de Meester, die wilde dat er wat zaken werden geregeld ging toen met Uddhava en Râma naar het huis van Akrûra, met ook de bedoeling Akrûra een plezier te doen.

Then Lord Krishna, wanting to have some things done, went to Akrûra's house with Balarâma and Uddhava. The Lord also desired to please Akrûra. (Vedabase)

 

Tekst 13-14

Toen hij Hen, de grootsten der luisterrijke persoonlijkheden, zag aankomen, stond hij verheugd op met zijn verwanten om Hen ter verwelkoming te omhelzen. Neergebogen voor Krishna en Râma werd hij door Hen begroet en was hij van eerbetoon zoals dat was voorgeschreven nadat ze Hun zitplaatsen hadden ingenomen.

Akrûra stood up in great joy when he saw them, his own relatives and the greatest of exalted personalities, coming from a distance. After embracing them and greeting them, Akrûra bowed down to Krishna and Balarâma and was greeted by Them in return. Then, when his guests had taken their seats, he worshiped them in accordance with scriptural rules. (Vedabase)

 

Tekst 15-16

Het water dat hij had gebruikt om Hun voeten te wassen sprenkelde hij over heel zijn hoofd, o Koning, waarna hij Hen geschenken aanbood, de fijnste kleding, sandelhout, bloemenslingers en de fraaiste sierselen. Met zijn hoofd naar beneden gebogen in zijn eerbetoon plaatste hij Zijn voeten op zijn schoot voor een massage, en richtte hij zich neerwaarts kijkend in alle bescheidenheid als volgt tot Krishna en Râma:

O King, Akrûra bathed the feet of Lord Krishna and Lord Balarâma and then poured the bath water on his head. He presented Them with gifts of fine clothing, aromatic sandalwood paste, flower garlands and excellent jewelry. After thus worshiping the two Lords, he bowed his head to the floor. He then began to massage Lord Krishna's feet, placing them on his lap, and with his head bowed in humility he addressed Krishna and Balarâma as follows. (Vedabase)

 

Tekst 17

'Tot ons grote geluk hebben Jullie tweeën de zondige Kamsa en ook zijn broers en volgelingen gedood en is deze dynastie door U bevrijd van eindeloze moeilijkheden en hebben Jullie voorspoed gebracht.

[Akrûra said:] It is our good fortune that You two Lords have killed the evil Kamsa and his followers, thus delivering Your dynasty from endless suffering and causing it to flourish. (Vedabase)

   

Tekst 18

Jullie twee zijn de essentiële personen die de oorzaak en de inhoud van het Universum vormen en los van wie niet één enkele oorzaak of gevolg kan worden gevonden.

You both are the original Supreme Person, the cause of the universe and its very substance. Not the slightest subtle cause or manifest product of creation exists apart from You. (Vedabase)

 .

Tekst 19

Dit universum door U geschapen, ging U vervolgens binnen middels Uw eigen energieën zodat U kan worden waargenomen in vele gedaanten kenbaar door het luisteren naar de geschriften en door directe ervaring.

O Supreme Absolute Truth, with Your personal energies You create this universe and then enter into it. Thus one can perceive You in many different forms by hearing from authorities and by direct experience. (Vedabase)

 

Tekst 20

De manier waarop inderdaad de aarde- en andere elementen zich verschillend manifesteren in levensvormen die rondbewegen en zich niet rondbewegen, doet U, het Ene Op Zichzelf Berustende Zelf, de Superziel, op dezelfde manier Zich in verscheidene levensvormen voor als een veelvoud onder hen.

Just as the primary elements - earth and so on - manifest themselves in abundant variety among all the species of mobile and immobile life, so You, the one independent Supreme Soul, appear to be manifold among the variegated objects of Your creation. (Vedabase)

 

Tekst 21

U schept en vernietigt weer; U behoedt het universum maar bent door Uw kwaliteiten, de persoonlijke energieën, de geaardheden der hartstocht, onwetendheid en goedheid, of door hun materiële activiteiten, niet aan deze wereld gebonden; want als U de kennis Zelve bent, wat zou voor U dan een oorzaak van gebondenheid zijn?

You create, destroy and also maintain this universe with Your personal energies - the modes of passion, ignorance and goodness - yet You are never entangled by these modes or the activities they generate. Since You are the original source of all knowledge, what could ever cause You to be bound by illusion? (Vedabase)

  

Tekst 22

Omdat U niet bepaald bent door de overdekkingen van het lichaam enzovoorts bestaat er geen letterlijke geboorte of dualiteit voor Uzelf en daarom bestaat er voor U geen gebondenheid, noch in feite enige bevrijding [vergelijk 10.14: 26]; en als die zich tonen is dat naar Uw liefdevolle wilsbeschikking zo [zie b.v. 10.11: 7] of anders door onze noties van wanbegrip voor U [zoals in 10.23: 10-11].

Since it has never been demonstrated that You are covered by material, bodily designations, it must be concluded that for You there is neither birth in a literal sense nor any duality. Therefore You never undergo bondage or liberation, and if You appear to, it is only because of Your desire that we see You in that way, or simply because of our lack of discrimination. (Vedabase)

 

Tekst 23

Voor het heil van dit universum hebt U het oude pad van de Veda uitgedragen en neemt U gedaanten in de geaardheid goedheid aan op het moment dat het pad wordt geblokkeerd door de slechten die vasthouden aan de goddeloosheid.

You originally enunciated the ancient religious path of the Vedas for the benefit of the whole universe. Whenever that path becomes obstructed by wicked persons following the path of atheism, You assume one of Your incarnations, which are all in the transcendental mode of goodness. (Vedabase)

 

Tekst 24

U als diezelfde persoon o Meester, bent nu nedergedaald in het huis van Vasudeva met Uw eigen volkomen deelaspect [Balarâma] om van deze aarde de last weg te nemen van de honderden legers door middel van het doden van hun koningen [zie ook 1.11: 34], die expansies zijn van de tegenstanders der godvrezenden [zie b.v. 7.1: 40-46], en om de roem te verspreiden van de [Yadu-]dynastie.

You are that very same Supreme Person, my Lord, and You have now appeared in the home of Vasudeva with Your plenary portion. You have done this to relieve the earth's burden by killing hundreds of armies led by kings who are expansions of the demigods' enemies, and also to spread the fame of our dynasty. (Vedabase)

 

Tekst 25

Vandaag, o Heer, is onze woning waarlijk bijzonder gezegend met U, Adhokshaja, nu U daar bent binnengetreden; U, de Geestelijk Leraar van het Universum, de God van al de voorvaderen en levende wezens, de mensen en de goden; U als de belichaming van Hem van wiens voeten het water [van de Ganges, zie 5.17] spoelde dat de drie werelden zuivert.

Today, O Lord, my home has become most fortunate because You have entered it. As the Supreme Truth, You embody the forefathers, ordinary creatures, human beings and demigods, and the water that has washed Your feet purifies the three worlds. Indeed, O transcendent one, You are the spiritual master of the universe. (Vedabase)

 

Tekst 26

Welke andere geleerde dan U is er voor ons; tot wie anders moeten wij ons voor onze toevlucht wenden dan tot U, de weldoener die in Uw woorden van liefde voor Uw toegewijden altijd waarachtig bent; want U, dankbaar jegens de toegewijden die positief met U van aanbidding zijn, geeft U alles wat wordt verlangd, zelfs Uzelf - U voor wie er nimmer sprake is van toename of vermindering [zie ook B.G. 2: 40].

What learned person would approach anyone but You for shelter, when You are the affectionate, grateful and truthful well-wisher of Your devotees? To those who worship You in sincere friendship You reward everything we desire, even Your own self, yet You never increase or diminish. (Vedabase)

 

Tekst 27

Tot ons geluk hebben we hier bij ons U voor ogen die zelfs voor de meesters van de yoga en de beheersers van de goddelijken een doel bent dat moeilijk te bereiken is; alstUblieft doorbreek snel de banden van ons misverstaan teweeggebracht door Uw materiële energie: onze kinderen, echtgenote, weelde, eerbare vrienden, ons thuis, ons lichaam enzovoorts.'

It is by our great fortune, Janârdana, that You are now visible to us, for even the masters of yoga and the foremost demigods can achieve this goal only with great difficulty. Please quickly cut the ropes of our illusory attachment for children, wife, wealth, influential friends, home and body. All such attachment is simply the effect of Your illusory material energy. (Vedabase)

 

Tekst 28

Aldus uitvoerig aanbeden door zijn toegewijde glimlachte Krishna, de Opperheer, tot Akrûra en sprak Hij tot hem in woorden waarvan hij diep onder de indruk raakte.

[S'ukadeva Gosvâmî continued:] Thus worshiped and fully glorified by His devotee, the Supreme Lord Hari smilingly addressed Akrûra, completely charming him with His words. (Vedabase)

 

Tekst 29

De Allerhoogste Heer zei: 'U, onze oom van vaders zijde en lovenswaardige vriend, bent onze geestelijk leraar en altijd zijn Wij het als degenen van U afhankelijk die moeten worden beschermd, onderhouden en begenadigd.

The Supreme Lord said: You are Our spiritual master, paternal uncle and praiseworthy friend, and We are like your sons, always dependent on your protection, sustenance and compassion. (Vedabase)

 

Tekst 30

Mensen gelijk uw goede zelf zijn onder de aanbiddelijken de meest excellente en het waard te worden gediend door de mensen die het meest heilige, het hoogste goed verlangen, daar, terwijl de halfgoden altijd uit zijn op hun eigen belangen, de geheiligde toegewijden dat niet zijn.

Exalted souls like you are the true objects of service and the most worshipable authorities for those who desire the highest good in life. Demigods are generally concerned with their own interests, but saintly devotees never are. (Vedabase)

 

Tekst 31

Niet om iets af te doen aan de heilige plaatsen bestaande uit water en ook niet aan de beeltenissen gemaakt van klei en steen - ze zuiveren op de lange duur, maar de heiligen doen dat als men ze slechts één enkele keer tegemoet treedt.

No one can deny that there are holy places with sacred rivers, or that the demigods appear in deity forms made of earth and stone. But these purify the soul only after a long time, whereas saintly persons purify just by being seen. (Vedabase)

  

Tekst 32

Van alle weldoeners bent u ongetwijfeld de allerbeste; Ik zou graag willen dat u voor Ons naar de stad die is vernoemd naar de olifant gaat [Hastinâpura] om erachter te komen wat in het belang van hun welzijn voor de Pândava's zou moeten worden gedaan.

You are indeed the best of Our friends, so please go to Hastinâpura and, as the well-wisher of the Pândavas, find out how they are doing. (Vedabase)

 

Tekst 33

Toen hun vader stierf werden ze als jonge jongens, tezamen met hun moeder er ellendig aan toe zijnd, door de koning [Dhritarâshthra] naar zijn hoofdstad overgebracht, alwaar ze zich aldus ophouden, naar Ik vernam.

We have heard that when their father passed away, the young Pândavas were brought with their anguished mother to the capital city by King Dhritarâshthra, and that they are now living there. (Vedabase)

 

Tekst 34

De zoons van zijn broer [Pându] was de koning, de zoon van Ambikâ [zie 9.22: 25], miserabel van geest, werkelijk niet gelijkelijk gezind, blind als hij was onder de controle staand van zijn doortrapte zoons [een honderdtal aangevoerd door Duryodhana, 9.22: 26].

Indeed, weak-minded Dhritarâshthra, the son of Ambikâ, has come under the control of his wicked sons, and therefore that blind King is not treating his brother's sons fairly. (Vedabase)

 

Tekst 35

Ga en zoek uit of hij in zijn optreden op het ogenblik goed of kwaadaardig bezig is zodat We met die kennis kunnen voorzien in dat wat onze beste vrienden ten voordeel strekt.'

Go and see whether Dhritarâshthra is acting properly or not. When We find out, We will make the necessary arrangements to help Our dear friends. (Vedabase)

 

Tekst 36

Na Akrûra volledig te hebben geïnstrueerd met deze woorden, begaf de Allerhoogste Heer, de Hoogste Persoonlijkheid der Beheersing, Zich met Uddhava en Sankarshana toen naar Zijn eigen verblijf.'

[S'ukadeva Gosvâmî continued:] Thus fully instructing Akrûra, the Supreme Personality of Godhead Hari then returned to His residence, accompanied by Lord Sankarshana and Uddhava. (Vedabase)

 

 

 

 

 

 

Voor deze vertaling werd de Vedabase van de BBT gebruikt die het werk van Svâmi Prabhupâda's
leerlingen biedt dat werd verricht voor het voltooien van zijn vertaling van het Bhâgavatam.

Zie de S'rîmad Bhâgavatam linkspagina
voor de Vedabase en/of een download van dit boek en andere boeken van Prabhupâda.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd

 

 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties